Weer eens naar Veenhuizen, en nu heel anders

Je kunt dus twee totaal verschillende personeelsreisjes naar Veenhuizen hebben. De vorige keer, met de UK, gingen we het museum rond. Dit keer, met de Groninger Archieven, lunchten we daar alleen en bezochten we verschillende attracties rond het museum.

Bij hotel-restaurant Bitter & Zoet deze fantastische libelle die ook met haar vleugels  klapperde:
DSC07444
Eerst aan een parcours klootschieten gezet. Waarbij de kloot (of bal) wel eens moeilijk terug te vinden bleek:
DSC07461
Bij het Veenhuizer vee mag de klootschieterij zich mede daarom in een warme belangstelling verheugen:
DSC07464
Onderweg nog een schuur gescoord voor mijn verzameling:
DSC07468
Zoals ik al zei: soms was de kloot moeilijk terug te vinden:
DSC07471
Na de lunch mochten we met de bajesbus door heel Veenhuizen, ook op plekken waar het gevangeniswezen nog volop bestaat:
DSC07476
De reis eindigde bij “De Rode Pannen“, een cellencomplex voor dominante en agressieve types die in andere gevangenissen niet te handhaven waren:
DSC07481
Celdeur met gordijntje voor het kijkraampje:
DSC07485
Cel voor gevangene met gunsten (TV):
DSC07486
Cel voor twee gevangenen:
DSC07488
Cel voor gevangene zonder gunsten:
DSC07489
Isoleercel:
DSC07494
Bed in isoleercel met riemen en gespen om een zeer weerspannige gevangene op vast te sjorren:
DSC07497
Luchtplaats:
DSC07498
Dak luchtplaats:
DSC07499
Onderweg van Bitter & Zoet, waar we op het terras de twee enorme supersonische knallen hoorden, naar Maallust:
DSC07504
Dat is de vrij succesvolle brouwerij van Veenhuizen:
DSC07516
Caramelachtig mout en een van de bieren die ze er maken:
DSC07520
De cockpit van de brouwerij:
DSC07525
In Maallust ook nog warm gegeten (buffet). Smaakte prima.
DSC07535


Reconstructie van onze bunker

Vandaag kwamen er twee tweets voorbij over een Duitse bunker, aangetroffen in Havelte. Eerst een bericht dat het als feit bracht. Vervolgens de twijfel.

In Havelte ben ik opgegroeid. Je had er allemaal Duitse gebouwen in onze buurt. Eén kazerne zat op honderd meter naar het westen, een andere stond op honderd meter naar het noorden. Achter de laatste, aan de Molenweg, lagen een paar bunkers.

Die bunkers bestonden deels uit vrij lage vierkante, uiterst solide afgewerkte gebouwtjes, afgedekt met een forse plaat beton. Onder die plaat zat volgens mij een spleet. Daar kon je vast doorheen schieten. Aan de voorkant had je een deur, die stevig dichtgespijkerd zat.

Achter het gebouwtje bevond zich een iets minder hoog, dijkachtig zandlichaam, met gras begroeid waar twee luchtpijpen doorheen staken. Als je in zo’n luchtpijp keek, zag je heel ver onderin water staan. Gaven die pijpen nou echo? Of verbeeld ik me dat?

In de beeldbank van het Drents Archief vind ik jammer genoeg geen foto, maar ik heb er zelf eentje gemaakt bij de sloop, ca. 1970, 1971:

img661 b

Achteraf vind ik het jammer dat ik niet eerder een foto maakte, want het zandlichaam is hier al weggehaald en nu zie je alleen het openliggende karkas eronder. Maar bij nadere bestudering van de foto, blijken de contouren van dat zandlichaam nog wel zichtbaar. En als je die bijvoorbeeld met lichtgroene lijnen aanzet, dan is de verdere reconstructie vrij eenvoudig:

img661 c

Vertelde ik al dat in de bunkers water stond? Een eng verhaal wilde dat er nog dooie moffen helemaal onderin zo’n bunker lagen. Maar dan zou dat water toch stinken?

’s Winters als er sneeuw lag suisden we joelend met sleetjes van dat zandlichaam af. De kunst was om zo ver mogelijk te komen, onder het prikkeldraad door, tot in het volgende weiland.


Mijn opa in de krant (2)

Mijn grootvader Harm Perton was als commies in Uffelte verantwoordelijk voor het toezicht op de betaling van allerlei directe, persoonsgebonden belastingen, zoals die over de inkomsten, waarvoor hij ook wel (boeren)boekhoudingen in zijn ressort controleerde. Een van de kleinere belastingen, waarop hij toezicht uitoefende, was die op de rijwielen. Zo heb ik hier al eens aan de hand van een Nieuwsbladbericht beschreven hoe hij eind augustus 1927 iemand aanhield, omdat die geen fietsenplaatje leek te hebben. Later bleek dat deze man zich, na een laatste scheerbeurt bij een lokale barbier, van kant had gemaakt door in de Drentse Hoofdvaart te springen. Mijn grootvader was een van de laatste mensen die hem zag.

Blijkbaar waren bekeuringen destijds zo zeldzaam of bijzonder, dat ze nog de krant haalden. In de Provinciale Drentsche en Asser Courant, sinds kort op Delpher, vond ik tenminste enkele berichtjes over bekeuringen, door mijn grootvader uitgereikt aan mensen die een rijwiel bereden, “dat niet voorzien was van een belastingplaatje”. De eerste bon van dien aard dateerde van oktober 1926, toen een J.S. Blok van Wapserveen de klos was. De tweede, in januari 1927, betrof een dochter van de landbouwer O. En de derde, in september 1930, ene T.K. Bij de tweede ging het overigens om een coproductie met de plaatselijke rijksveldwachter Van de Berg, later bekend als opleider van eminente speurhonden.

Zoals een fietsenplaatje een bewijs van betaling der rijwielbelasting vormde, gold het kenteken op motoren en auto’s als een soort van kwitantie voor de motorrijtuigen- of wegenbelasting. Ook op dit vlak was mijn grootvader verbaliserend actief, want van een familieverhaal wist ik al dat de burgemeester van Havelte eens door hem op de bon geslingerd is, toen de man in een auto zonder nummerbord rondreed. Dat geval heeft helaas, naar het zich nu laat aanzien, de krant nooit gehaald, maar wel een ander, te weten dat van de Havelter motorrijder P.M. die in augustus 1929 meende het zonder wegenbelastingkaart te kunnen doen.

Rijksveldwachter Van de Berg en mijn grootvader trokken wel vaker samen op. In 1930 hield de agent een fietsendief aan, terwijl hij met mijn grootvader op pad was. Samen brachten ze de “deugniet” op naar de plaats delict in Smilde. Van eind 1931 dateert het bericht, dat enige Uffelter schoolkinderen in een bosje achter een café een “vreemde, rare kerel” hadden gezien, “die hen bang had gemaakt enz.” Veldwachter Van de Berg trok er samen met mijn grootvader en de caféhouder op af, maar de mannen konden de persoon in kwestie niet vinden. Achteraf concludeerden ze dat er “een mollenvanger of zoiets” aan het werk was geweest, “die eenige grimassen tegen de kinderen heeft gemaakt”. Dit laat echter onverlet dat mijn grootvader blijkbaar een van de eerst aangewezen personen was, die de veldwachter bij zoiets moesten assisteren.

Mijn grootvader gold als “streng doch rechtvaardig”. Of hij zich daar populair mee maakte, weet ik niet. In 1929 schreef een Jan G[uichelaar] een ingezonden brief in de Meppeler Courant, waarin hij ene J.P. beschuldigde van fraude en knevelarij. Wegens smaad voor de politierechter gedaagd, zei verdachte dat hij net zo goed Jan Perton had kunnen bedoelen. Mijn grootvader heette weliswaar niet Jan, maar hij was wel de enige volwassen mannelijke drager van de familienaam Perton in de wijde omgeving. Probeerde verdachte zijn schuld te verloochenen door de aandacht te verleggen naar een misschien even plausibel mikpunt?

Feit is dat mijn grootvader bijna een keer is doodgereden door een vrachtwagen. In het bericht over die zaak ontbreekt weliswaar een ander motief dan gemakzucht, maar toch wordt de functie van mijn grootvader er uitdrukkelijk in genoemd, zodat niet helemaal mag worden uitgesloten dat die functie een rol speelde. Dit geval speelde zich in maart 1934 af op de Pijlebrug tussen Havelte en Meppel. De vrachtwagenchauffeur nam de bocht naar de brug veel te krap, zodat mijn grootvader “zijn lichaam over de brugleuning moest gooien, terwijl hij zijn beenen door het frame van de fiets moest steken, daar hij anders tegen de brugleuning zou zijn platgedrukt”. Nader onderzoek door iemand van de Groninger vekeersbrigade wees uit dat verdachte inderdaad de bocht nogal afsneed. De man werd daarom conform de eis veroordeeld tot 15 gulden boete of tien dagen hechtenis.


Hoe een fietsendief te Uffelte tegen de lamp liep

GESNAPT
[Uffelte] (26 maart). – Toen de Rijksveldwachter D. van de Berg gisteren voor controle op den weg was met den kommies Perton, hield hij een jongeling aan, aan wien hij direct meende te bespeuren, dat er iets niet in den haak was. Daarom nam hij hem mede naar het arrestantenlokaal, waar de deugniet vertelde te Smilde een fiets te hebben gestolen, toen hij in gezelschap was van twee kameraden, die nu loopende zouden volgen, daar hij de gestolen fiets bereed.

Direct werden door den politieman alle middelen in het werk gesteld, om de kameraden ook ingerekend te krijgen. Toevallig vernam hij op datzelfde oogenblik per radio, dat uit Sneek drie jongens de ouderlijke woning waren ontvlucht, waarvan opsporing en aanhouding werd verzocht. De beide andere jongens zijn inmiddels reeds, dankzij de activiteit van een deurwaarder uit Assen, te Meppel ingerekend kunnen worden.

De hier aangehoudene is door den veldwachter en den heer Perton naar Smilde overgebracht en daar bleek dat alles klopte. Ook de eigenaar herkende zijn fiets, zoodat dit jeugdige drietal straks nog wel wat te goed zal hebben en voornamelijk de eigenlijke fietsendief.

De bengels waren resp. 15, 15 en 16 jaar oud. Een van hen, de rijwieldief, is heden ter beschikking van de justitie te Assen gesteld.

Bron: Provinciale Drentsche en Asser Courant 28 maart 1930.


“Het socialisme is daar onbekend. Er is er misschien niet één, die er iets van weet”

Terwijl het zaad van de revolutie in Friesland en Groningen allang wortel had geschoten, viel het in Drenthe nog op een rotsbodem. Dat merkte ook de rooie dominee Van der Heide uit Scherpenzeel, die in 1897 in het Drentse deel van het kiesdistrict Wolvega een verkiezingscampagne wilde organiseren voor een SDAP-kandidaat bij de ophanden zijnde parlementsverkiezingen.

Het kamerlid voor dat district was de liberaal Houwing, die in Havelte woonde, waar hij voordien, en zelfs nog even tijdens zijn kamerlidmaatschap, predikant was geweest. Diens rooie collega uit Scherpenzeel kreeg in Zuidwest-Drenthe geen poot aan de grond. Hij schreef in De Klok, het blad van de Friese progressieven:

“Maandag jl. begaf ik mij op mijn trouwe fiets over Steenwijk de heide op. Ik bereikte Havelte. Daar is het hol van de leeuw. De heer Houwink is daar ‘domineer’ geweest en thans woonachtig. De logementhouder maakte bezwaren mij de zaal te geven. Hij is tevens winkelier, woont nog maar twee jaar in Havelte en is bang dat zijn zaak door het laten optreden van een ‘sosjaal’ zal verloopen.

In het een uur verder gelegen Uffelte (kerkelijk één met Havelte) was het nog erger. “De menschen waren niet lichtgeloovig”, werd er mij gezegd, dus was er voor een socialist niets te halen”.

Twee uren verder ligt Diever. Ook daar werd kortweg de zaal geweigerd. Ik was nog van plan Vledder te bezoeken, maar herinnerde mij tijdig dat ook daar een sterke liberale kiesvereeniging is, die zeker het vergaderen kon beletten.

Zoo ben ik genoodzaakt niet te kunnen voldoen aan wat ik op mij nam. De heer Houwing zit in die buurt, wat men noemt: vast. Bij de boeren en neringdienden zeer vast. Het socialisme is daar onbekend. In die drie plaatsen is er misschien niet één, die er iets van weet.

Toch gevoelen de arbeiders de verongelijking, zooals ik uit gesprekken kon opmaken. Besef hoe het ‘anders kan’ ontbreekt. Alleen zeiden bijna allen mij “dat de riken wel wat meer betalen mosten”.”

Bron:  De Recht voor Allen van 26 mei 1897, die het bericht uit De Klok overnam.


Havelte gaf meer aan Winterhulp dan Dwingeloo

gift per inwoner aan Winterhulpcollectes 1940-1941

Deze grafiek toont de gemiddelde opbrengst in centen per inwoner van de zeven eerste Winterhulpcollectes in de winter van 1940-1941, en dat voor de gemeenten Dwingeloo en Havelte. De totaal-opbrengsten per gemeente haalde ik uit het Agrarisch Nieuwsblad, dat ook een bevolkingsstatistiek per 31 december 1940 bevat, waarmee je de gift per inwoner kunt berekenen, die een vergelijking tussen de gemeenten mogelijk maakt.

De nazistische liefdadigheidsclub Winterhulp hanteerde verschillende collecte-methodes: met de rammelende bus op straat, maar ook wel met lijsten langs de deur. Lijstcollectes brachten, hoewel er meer administratie aan te pas kwam, met hun sociale controle ook meer op – dat zal mogelijk de piek bij de derde collecte verklaren. Die collecte was ook de enige, waarbij Dwingeloo Havelte qua gemiddelde gift overtrof, zij het maar zeer licht. Bij de andere collectes was de gemiddelde gift in Havelte steeds veel hoger, deze tendeerde zelfs naar het dubbele van die in de gemeente Dwingeloo.

Dat ik zoiets ga uitrekenen, heeft een persoonlijke achtergrond. Mijn moeder mocht op het punt van familiale oorlogservaringen graag Dwingeloo en Havelte vergelijken. Terwijl haar vader in 1943 als electriciën in Dwingeloo met het register van de luistergelden verschillende radio’s van dorpsgenoten onder de winkelvloer verstopte, en zelf ook een radio aanhield om naar de BBC en Radio Oranje te kunnen luisteren, werd de radio van mijn vaders familie in Havelte wèl ingeleverd. Mijn grootvader hier had hem willen verstoppen in zijn bijenstal, maar daar stak mijn wat bang uitgevallen grootmoeder een stokje voor.

Dit familiale verschil in houding (geduid als dapper of angstig), liet zich ook gemakkelijk doortrekken naar de dorpen in het algemeen. In Dwingeloo was het verzet vrij sterk, er kwamen zeker tien, twintig ‘partizanen’ om. In Havelte, met zijn zeer sterke Duitse aanwezigheid, stelde het verzet weinig voor – het bestond hier eigenlijk maar uit één man, de postkantoorhouder Jetten, die als spion het Duitse vliegveld voor de geallieerden uittekende en fotografeerde.

Er was ook een verschil tussen de burgemeesters van beide plaatsen. Die van Havelte, Eggink, mocht de hele oorlog aanblijven. Hij maakte ondubbelzinnig propaganda voor Winterhulp. Die van Dwingeloo, Stork, werd al in 1941 ontslagen en in een Brabants gijzelaarskamp vastgezet. Daaruit vrijgekomen, ontsnapte hij in 1944 ternauwernood aan executie door een Silbertanne-commando. Bovendien waren verschillende andere sleutelfiguren in Havelte, zoals de huisarts en de gemeente-architect, ook ronduit Deutschfreundlich. De huisarts van Dwingeloo, dokter Dinkla, redde daarentegen een geallieerde piloot uit handen van de Duitsers.

Naast zulke verschillen tussen sleutelfiguren bestond er nog een ideologisch onderscheid tussen Dwingeloo en Havelte. In beide gemeenten was volgens de volkstelling van 1930 het overgrote deel van de mensen hervormd, respectievelijk 86,1 en 88,6 %. In Dwingeloo had je echter een redelijk grote gereformeerde minderheid (12,7 %), terwijl het aantal gereformeerden in Havelte weinig voorstelde (2,6 %). Daar was de onkerkelijkheid juist veel groter (4,4 %) dan in Dwingeloo (0,2 %). De kerkelijk gemotiveerde weerstand tegen de nazi-ideologie lijkt in Dwingeloo dan al van meet af aan groter te zijn geweest, dan in Havelte.


Zuidwest-Drentse ooievaarstelling

2015-05-24 304

Begin jaren zeventig deed ik ’s zomers wel vakantiewerk bij de familie Veld in Nijeveen. Kratten met antieke tegels versjouwen, het vlintenstraatje vegen, schuren in de carbolineum zetten, dat soort klusjes. Ik verdiende er, meen ik, vijf gulden per middag mee. Die carbolineumlucht ruik je zelden meer, maar als het me een keer overkomt, keert het hele optimistische zomergevoel van toen weer terug, inclusief de radio Tourflitsen met Theo Koomen.

Een ander geluid daar bij de boerderij van Veld, was het geklepper van de ooievaars. Destijds waren die reuze zeldzaam in Nederland, het ging om een van de allerlaatste paren, een paar jaar later zelfs het allerlaatste paar. Bijna elk jaar waren er jongen. Ik mocht graag staan kijken naar het sierlijke af- en aanvliegen van de ouders.

Dankzij de herintroductie, sinds 1981, van ooievaars door de Lokkerij, heb je tegenwoordig daar in de omgeving weer veel bewoonde nesten. In De Wijk zijn sommige inwoners er al schijtziek van – die roepen om minder, minder, minder. Uit wijdere kring verneem je nog niet van zo’n aversie. Maar daar is de ooievaarsdichtheid dan ook nog lang niet op het peil van 1940.

Dat oorlogsjaar werden er in juli, zoals blijkt uit een bericht in het Agrarisch Nieuwsblad, maar liefst 25 nesten geteld in die omgeving. Nijeveen telde er 3 (waarvan 2 bij een familie Veld), Meppel had er 2, De Wijk 1, Koekange 1, Ruinerwold 13, op de Veendijk onder Havelte zag je er 1, terwijl er op Staphorst 4 waren, waarvan eentje bij (of op?) de hervormde pastorie.

Van deze 25 nesten droegen er 18 (= 72 %) jongen: in totaal 40 of gemiddeld ruim 2 per nest. Bij de 7 andere nesten was het misgegaan om uiteenlopende redenen: geen eieren, eieren niet bevrucht, eieren uit het nest gesodemieterd, of ’t hele nest van de paal afgewaaid. Ook het enige Havelter nest, bij J. Schiphorst op de Veendijk, hoorde bij deze betreurenswaardige groep. Om het rapportage in de krant aan te halen: “één jonge ooievaar uitgeworpen en verder niets van terechtgekomen”.