De afgewaaide kepie

img104 Langs de Drentsche Hoofdvaart

Overreden en gedood
Zaterdagmiddag speelde een 10-jarig jongetje, dat bij de familie Perlon te Uffelte met vacantie was, met een oude soldatenkepi ter zijde van den weg. Op een gegeven ogenblik woei hem het hoofddeksel af en rolde over den weg. De knaap op een holletje er achter aan. Op hetzelfde moment passeerde de auto van den heer B. uit Groningen. Een ongeluk kon niet meer voorkomen worden. De vader, die vlakbij te visschen zat, kon slechts het ontzielde lichaam in huis dragen…”

Aldus de Asser Courant van maandag 3 augustus 1925, zoals geciteerd in De Tijd van een dag later. Qua leeftijd van het slachtoffer, de naam en functie van mijn grootvader en de initialen van de chauffeur was Het Nieuwsblad van het Noorden ‘s maandags iets preciezer in zijn kortere bericht:

“Zaterdagavond is te Uffelte een 8-jarig jongetje, dat bij den heer Perton, rijksambtenaar alhier logeerde, toen het plotseling over den weg liep, door de auto van den heer H.B. van hier overreden, met het ongelukkig gevolg dat de arme kleine op slag werd gedood.
Den chauffeur treft geen schuld.”

Het laatste zinnetje zal zijn toegevoegd met het oog op het Groninger publiek, in andere kranten tref je dit addendum niet aan. Meestal brachten die het nieuws nòg wat korter, alleen zagen de Gooi en Eemlander en ‘t Algemeen Handelsblad er door de afstand geen bezwaar in om de naam van de chauffeur te noemen, zodat we weten dat die H. Bolt heette. Een blik in de Groninger kenteken-databank leert dan dat deze Hendrik Bolt in een Dodge reed, volgens het verhaal uit mijn familie een vrij grote auto voor die tijd. Overigens heeft deze Bolt nooit weer wat van zich laten horen bij de ouders van het omgekomen kind.

Om precies te zijn gebeurde het ongeluk op de weg langs de Drentse Hoofdvaart, waar indertijd helemaal nog niet zo vaak een auto langskwam. Mijn grootouders woonden daar nog in een huis aan de Havelter kant van Uffelte. Het overreden jongetje, Pieter Toppen, was het zoontje van Hindertje Lindeman, de oudste halfzuster van mijn grootmoeder. Haar man, Lammert Toppen, net als zij oorspronkelijk onderwijzer, werkte als ambtenaar bij de gemeente Veendam. Hun hele gezin logeerde bij mijn grootouders en op het moment dat het ongeluk gebeurde zat Toppen samen met mijn grootvader in de Hoofdvaart te vissen. Mijn opa, van wie de soldatenkepie waarschijnlijk was, heeft dit dus ook van zeer nabij meegemaakt, al heb ik er hem nooit over gehoord. Hij was sowieso een wat gesloten man.

Natuurlijk had het ongeluk een enorme impact. De moeder van de jongen, die het ongeluk vanachter het raam zag gebeuren, kwam er nooit over heen, raakte zenuwziek en was ruim vijftien jaar opgenomen in het psychiatrisch sanatorium Dennenoord, toen ze daar in 1942 stierf.

Thuis, in Veendam bleef altijd een geschilderd portret van de overleden jongen aan de muur hangen. Dat portret is later vererfd op zijn vier jaar jongere zusje Grietje. Een paar jaar geleden, toen Margriet begon te dementeren en haar einde voelde naderen, ontdeed zij het van lijst en spieraam en rolde het op. Ze wilde het meenemen in haar doodskist. Zondag overleed ze, als laatste familielid van mijn vaders generatie, bijna 96 jaar oud. Vandaag was haar crematie, maar wat er met het portret gebeurd is, ben ik niet gewaar kunnen worden.


Sinterklaas, ’t Tomado rek en de Encyclopedie

1969-1-sinterklaas-bij-s-op-schoot

Eind jaren 60, mijn jongste broer zit op schoot bij Sinterklaas. Vol verwachting klopt zijn hart bij het zien van het cadeau dat de Zwarte Piet buiten beeld in zijn handen houdt.

Met de foto is iets merkwaardigs aan de hand. Doordat de film niet ver genoeg in de camera is getransporteerd, overlapte de foto de voorgaande. Daarop staat mijn op één na jongste broer, breed lachend met een cadeau in zijn handen. Blijkbaar was hij even eerder aan de beurt. Sint en Piet werkten de gebroeders Perton dus op de rij af, waarbij de jongste het meest geduld moest hebben.

Wat mij betreft is de achtergrond van de foto even interessant als de voorgrond. Links zijn de tuindeuren die er toen nog waren, aan het gezicht onttrokken door een gordijn. Midden achter hangt een Tomado boekenrekje met een tijdschriftenvak en een bureautje eronder. Qua boeken staan er vooral damesromans in, zoals een Scandinavische trilogie die begon met Eeuwig zingen de bossen. Verder o.a.  Exodus van Leon Uris en werken van G.B.J. Hiltermann (over de Toestand in de Wereld) en dr. L. van Egeraat (reizen in Nederland). Dan nog wat boeken specifiek van mijn vader, met titels van schrijvers als Jan de Hartog (Hollands Glorie), Klaas Norel (Engelandvaarders) en Theun de Vries (omnibus). Maar die las hij nooit. Hij las voor zijn genoegen enkel de krant. Mijn moeder las veel meer, maar vooral tijdschriften. Ze was vijftig jaar geabonneerd op de Margriet en ontving daarvoor een zilveren margrietenspeldje.

Op de plank boven het tijdschriftenvak staat de kleine helft van de grote Winkler Prins encyclopedie. Maandelijks betaalden mijn ouders een vast bedrag, op gezette tijden kwam er een WP-deel bij. Die delen roken erg lekker, vooral in het begin. Toen we vorig jaar het appartement van onze moeder ontruimden, wilde geen van ons vieren die encyclopedie. Ik ook niet, ik had er al twee en kijk die zelden nog in.  De encyclopedie ging daarom naar een tweedehandsboekenmarkt voor een liefdadig doel. Hopelijk heeft ze een  goede bestemming gevonden.

De foto kwam onlangs weer tevoorschijn bij de voorbereidingen op mijn jongste broer zijn huwelijk.


‘Opschudding in Havelte’

Het appartement van mijn moeder is verkocht, mijn broers en ik zijn de laatste spullen aan het opruimen.

Hoewel ik dacht de zaak paperassenvrij gemaakt te hebben, kwam er toch nog een doos met bescheiden vanonder een ledikant tevoorschijn: voornamelijk ziekenhuis- en OV-spul, zo bleek, dus dat kon weg. Maar er zaten ook twee samengeniete knipseltjes in over een geval dat destijds nogal hard bij mijn ouders aankwam: ‘Opschudding in Havelte’.

Had al eens bij het Drents Archief in de Meppeler Courant naar dat geval willen zoeken, maar kon uit mijn geheugen de datum niet benaderen, het zou 1965 kunnen zijn, maar even goed 1972. En mijn jongere broers wisten het ook niet meer zo precies. Eén jaargang krant doornemen is al tijdrovend, laat staan zes jaargangen. Ik was er toch wat huiverig voor minstens een week werk te steken in het zoeken van dat berichtje, al bleef het af en toe jeuken

In die allerlaatste paperassendoos zat dus dat berichtje, en dat niet alleen, maar met een follow-up. Geen van beide stukjes was van een datum voorzien, maar ze moeten omstreeks 22 juni 1967 in de Meppeler Courant hebben gestaan, omdat er op de achterkant van het ene iets staat over een voorgenomen aanslag op de Sovjet-premier Kosygin door ene Rocco, een nieuwtje dat op genoemde datum in diverse andere kranten heeft gestaan, bijvoorbeeld De Telegraaf. Het is nu dus bijna vijftig jaar geleden dat mijn ouders in alle staten waren door een krantenstukje.

Mijn vader, moet je eerst nog weten, had een handicap: hij was behoorlijk slechthorend. Daarom droeg hij een gehoorapparaat, dat we in de loop der jaren in formaat en kleur zagen veranderen. Eerst was het een vervaarlijk, zwart bakelieten kavalje op zijn borst, van misschien wel 15×15 cm groot. Het werd zo omstreeks 1965 een veel kleiner en eleganter vormgegeven toestelletje, crèmekleurig met gouden randjes. Nog veel later, toen ik het huis al uit was, kreeg hij een contact in het rotsbeen achter zijn ene oor geïmplanteerd, waar hij een klein, rechthoekig doosje op in kon pluggen. De kwaliteit van die apparaten ging vooruit naarmate het formaat kleiner werd, maar mijn vader, verder een doodgoeie man, heeft zich nooit echt op zijn gemak gevoeld in grotere gezelschappen, waar iedereen door elkaar snaterde. Overigens genoot hij dan wel van de ambiance.

Mijn vader was dus slechthorend, en is daar als jongen ook zwaar mee gepest. Zo werd hij voortdurend uitgescholden voor dove kwartel. Drentse schoolpleinen waren niet altijd zo idyllisch als sommige mensen menen.

Bij dit krantenbericht speelt mijn vaders doofheid een cruciale rol. Ook het pesten kwam in een milde vorm weer boven: zelfs als kinderen kregen wij een paar keer nagejouwd “Duitse marken, Duitse marken”, al hield dat daarna vrij vlot op. ’s Zomers zaten we lekker wekenlang in Feerwerd, daar hoorde je dat niet.

Met doofheid en Duitse marken zijn de voornaamste ingrediënten van het bericht gegeven. Dan het verhaal zelf, dat eigenlijk zo verteld is. Naast zijn boekhoudbureau had mijn vader sinds 1965 een agentschap van de Nederlandsche Middenstands Spaarbank (NMS). Daarvoor hield hij op dinsdagavond, zonderdagavond en zaterdagochtend zittingen, waar mensen geld konden inleggen of opnemen. Op een zaterdagochtend komt er een jongen die nog niet zo lang bij ons in het dorp woonde en die hij niet kende, vreemde valuta aanbieden, wat destijds zelden gebeurde. Het was een jongen met een Indische achtergrond, weet ik nog, voor mijn vader praatte hij onduidelijk, en in plaats van zeven Duitse marken verstond mijn vader zevenduizend marken. Hij vond dat wel wat veel geld voor zo’n jongen van een jaar of zestien, vroeg of die even in de wachtkamer (onze keuken) wilde plaatsnemen en belde politie Wester, die vlak bij ons om de hoek woonde. Die verhoorde de jongen, waarbij alras het misverstand bleek.

Het hele geval had dus werkelijk niks om hakken, maar op de een of andere manier kwam het de plaatselijke correspondent van de Meppeler Courant, Dirk Kassies, ter ore, die er een leuk, nou ja leuk bedoeld stukje van maakte. Daarin heette mijn vader “een minder goed verstaander” en een “in paniek geraakte bankier”. Bij mijn vader raakte dit oud zeer, en hij was tamelijk ontdaan, om niet te zeggen overstuur. Mijn moeder was laaiend, zo niet witheet en vond dat er nooit meer in de Meppeler geadverteerd moest worden. Waarschijnlijk kwam er ook die follow up in de krant, omdat ze niet alleen daarmee dreigde, maar ook – haar kennende – met de opzegging van het abonnement.

Overigens was ik de follow up totaal vergeten en herinner ik me het eerste berichtje als veel compacter en ironischer. Die plaatselijke correspondent van de Meppeler in Havelte schreef eigenlijk maar matig: veel te uitgesponnen en langdradig. Dat was waarschijnlijk ook de reden dat het bericht niet door andere kranten opgepikt werd, want daar heb ik ook nog even naar gekeken, nu ik de datum eindelijk te pakken had.

Hierbij de beide knipseltjes:

Duitser marken blogversie


Jubileumlepel Coöperatie De Toekomst

Jubileumlepel de Toekomst blogversie

Deze kwam ik nog tegen bij de laatste onverdeelde spullen van mijn moeder: een lepel in een formaat tussen thee- en eetlepel, uitgegeven bij het vijftigjarig bestaan van de Groningse Coöperatie De Toekomst. Bij mijn weten heb ik deze lepel nooit eerder bij haar gezien. Hoe ze eraan komt, Joost mag het weten, in de stad woonde destijds geen familie en van rooie initiatieven moest ze meestal ook weinig hebben.

Wel gek, ben je bij tijd en wijle bezig met de geschiedenis van De Toekomst, zowel op dit blog als elders, kom je onvermoed zoiets tegen in de ouderlijke nalatenschap.


Medaille kwam te laat voor mensenredder

“Den 5den Junij van het vorige jaar viel in het diep te Beerta een kind in het water. Een groot aantal menschen stroomde toe, doch niemand beproefde hetzelve te redden; reeds zinkt het; een oogenblik nog en het is te laat; doch de redder is nabij. Evert Harms Boog, een bejaard man, ziet uit zijn huis den oploop van volk, en hoewel bezweet, loopt hij derwaarts en springt met den uitroep: wilt gij dat kind laten verdrinken? in het vrij diepe water. Hij vat het en houdt het zooveel mogelijk boven water; maar niet kunnende zwemmen, kan hij zijne buit niet naar den wal brengen en zonder de hulp van eenen haak die op zijn bevel werd gehaald, zouden beide verdronken zijn. Vanwege het depart[ement] Beerta der Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen werd aan den edelmoedigen redder vroeger eenige belooning uitgereikt. Eergisteren werd voor hem vanwege het Hoofdbestuur de zilveren medaille toegezonden; maar te laat, reeds meer dan twee maanden rust hij, waarschijnlijk als het slagtoffer zijner menschlievendheid, in het graf.”

Bron: Groninger Courant 18 mei 1856.

Commentaar: Het vrij diepe water moet het Beertsterdiep geweest zijn. De dagloner Evert Harms Boog zouden we tegenwoordig geen bejaard man meer noemen. Hij was bij zijn overlijden 56 jaar oud, deze oom van mijn betovergrootmoeder Geeske Boog.


Het debiet van foezel met de jaarwende

Albert Hahn, smokkeldne tribunisten 1918 IISG b

“Aan de grenzen ­– zoo schrijft men ons – beleven velen weder dagen van angstige spanning. ’t Is toch algemeen bekend, dat tegen nieuwjaar het smokkelen op het drukst is, en dat zij, die er anders geen gebruik van maken, dan ook een paar liters of meer ‘verboden waar’ halen, om vrienden of andere bezoekers te kunnen onthalen. Dat zij zich aan een groot gevaar blootstellen, weten zij, maar houden toch vol, op gevaar af, dat zij eene maand gevangenisstraf zullen oploopen. Om eenige stuivers voordeel stelt men eenige guldens in de waagschaal. Maar wordt men aan de grenzen gaarne getracteerd op het ‘vocht van over de grenzen?’ O neen! Men heeft daar liever één glas schiedammer dan 2 glazen foezel; maar die ze schenkt wil gaarne eene groote hoeveelheid geven en weinig geld besteden.”

Bron: Provinciale Groninger Courant 24 december 1875.


Waar woonde Haike Aeijkes?

Ik heb hier al eens verteld hoe de achternaam Perton in de wereld kwam. Dominee Haenenberger van Beerta voegde hem toe aan het patroniem van mijn vroegste Nederlandse voorvader Haike Aeijkes, zowel bij diens huwelijksinschrijving uit 1788 als bij de doopinschrijvingen van diens vijf kinderen (1788-1798). Hoogstwaarschijnlijk gebeurde dat in augustus of september 1811, vlak nadat Napoleon het dragen van een familienaam verplicht stelde en vlak voordat ds. Haenenberger de huwelijks- en doopregisters inleverde bij de burgerlijke gemeente Beerta.

Haikes vader was schoenmaker in Bonda of Bunde. Haike deed waarschijnlijk hetzelfde voor de kost, afgaande op de bijnaam Pik (= pek) die hem en de twee volgende generaties Perton in Beerta aankleefde. Zijn kinderen waren later bij hun trouwen boerenknecht of dienstbode. Getuige hun vrij lage sociale status, kwam het als een verrassing dat Haike Aeijkes verschillende malen voorkomt in de verzegelingen van Beerta. Steeds met zijn patroniem, terwijl ds. Haenenberger samen met de kerkvoogden deze notariële akten opstelde. Wat nog eens bevestigt dat de naam Perton pas in 1811 in de wereld kwam, of beter: officieel vastgelegd werd.

De eerste van die verzegelingen is het huwelijkscontract van Haike Aeijkes, “jongman van Bonda” en Ettjen Hindriks, “jonge dochter van de Beerta”. Het werd opgesteld op 16 oktober 1788, drie weken na hun huwelijk dat een ‘moetje’ was, omdat Ettjen al zo’n zeven maanden zwanger ging van hun oudste zoon, die rond kerst dat jaar geboren werd. Op zich bevat het contract vrij gangbare voorwaarden, die door de komst van kinderen ook nog eens hun geldingskracht verloren. Zo bestond er zonder nageslacht geen gemeenschap van goederen. Als er geen kinderen waren en een van de partners overleed, ging zijn of haar inbreng terug naar zijn of haar familie. Bij zo’n kinderloos overlijden hield de overlevende partner echter wel levenslang vruchtgebruik van de goederen die de partner naliet.

Wèl opmerkelijk aan het contract zijn de getuigen. “Bij gebrek van bloedvrienden” traden namelijk als “dedigsluiden” (onderhandelaars) aan de kant van de bruidegom op: de koster-schoolmeester Popko Jurjens (Dijksterhuis) en ene Reinder Veltman. Waarom lieten Haijkes ouders dit aan vreemden over? Ze leefden nog en woonden even over de landsgrens, op nog geen 14 kilometer van Beerta. Was er naast de fysieke verwijdering ook nog sprake van een emotionele? Aan de kant van de bruid tekenden, naar goed gebruik,  haar vader en moeder ­– de timmerman Hindrik Uilders en diens vrouw Aaltjen Klaasens – terwijl als gewone getuigen optraden de kerspeldienaar Jan Meints (Swart) en de chirurgijn-vroedmeester H.W. Heckman.

007 hc 1788 handtekeningen

Waarschijnlijk woonde het jonge paar in bij de schoonouders, Hindrik Uilders en vrouw. Uit 1791 stamt immers een tweede verzegeling, waarbij die schoonouders de helft van hun huis en tuin aan de jongelui verkochten, met de beklemming van de grond eronder. Zo’n beklemming, ook wel “overdracht” genoemd, was het vaste, overdraagbare gebruiksrecht van een perceel grond tegen een onveranderlijke pacht. Beklemde meiers waren eigenaar van wat er op de grond stond, maar pachtten de ondergrond. In dit geval betrof het pastoriegrond, waarvoor de eigenaars van het hele pand jaarlijks 3 gulden tuinhuur of grondpacht moesten betalen aan de predikant van Beerta, destijds dus de hierboven al meermalen genoemde ds. Haenenberger.

In dit geval noemt in het koopcontract ook de “zwetten”, die de aanpalende percelen grond in de vier windstreken identificeerden. Het vastgoed bevond zich tussen de Hereweg (nu Hoofdstraat) aan de zuidkant en het kerkhof aan de noordzijde, dus in het centrale deel van Beerta, vlakbij de kerk. Als westelijke zwet wordt genoemd “de halve behuizinge der verkopers”. Qua plaatsbepaling heb je daar niet veel aan, al zegt het wel dat de beide aandelen in het huis fysiek van elkaar gescheiden zijn: de schoonouders van Haike Aeijkes hadden hun eigen ruimte, Haijke Aikens en zijn gezin evenzo. Als oostelijke zwet gold het goed van Reinder Veltman, de man die namens Haike optrad als “dedigsman’ bij diens huwelijkscontract. Hij was dus een buurman. Uit een andere verzegeling blijkt dat zijn huis eveneens op pastoriegrond stond, en dat hij daar 6 gulden per jaar grondpacht voor betaalde. Bij de destijds geldende ‘nabergelijke huur’ had hij dus twee maal zoveel grond tot zijn beschikking. In 1793, toen Veltman op de vaste bedelingslijst van de Beertster diaconie kwam, gaf hij al zijn bezit over aan de diaconie. De verzegeling die daarmee gepaard ging, bepaalde dat hij

“als een arm mensch om Gods wil levenslang in dit huisje zal blijven wonen, aangezien hij door armoede geperst zich hiertoe genoodzaakt bekende te bevinden”.

Om terug te komen op de koopakte uit 1791 van Haike Aeijkes en zijn vrouw – die bepaalde tevens dat de put op het erf voortaan mandelig was (in gemeenschappelijk gebruik). Naast de halve grondpacht moesten ze voortaan ook andere lasten (zoals het heerdstedengeld) voor de helft betalen. Voor het halve huis bedongen Haikes schoonouders 200 gulden, niet echt veel, zeker niet als je weet dat zij in 1764 490 gulden voor het hele vastgoed betaalden. Haike en vrouw werden dus schappelijk behandeld, al kan het ook zijn dat het pand achteruitgegaan was sinds 1764. Uit die tijd zat er ook nog een hypotheek van 400 gulden op het huis, die geërfd of overgenomen was door de boer Helenius Jans en zijn zwager Helenius Hanssens. Als geldschieters verklaarden zij in te stemmen met de verkoop, mits de koopsom aan hen zou worden voldaan. De kopers beloofden dit. Getuigen bij de hele transactie waren Reinder Veltman (alweer die buurman) en ene Reinder Jans.

Bij zo’n eenvoudig stuk vastgoed als dit waren dus drie partijen betrokken: de eigenaars van wat er op de grond stond, de eigenaars van de ondergrond èn de geldschieters. In 1797 werden die geldschieters in dit geval bovendien eigenaars van de ondergrond. De kerkvoogdij van Beerta verkeerde toen in geldnood en verkocht daarom meerdere stukken vastgoed, waaronder

“den eigendom van eene huisplaatse en tuin gelegen oostwaards in de Beerta, aan de pastorie der Beerta toebehorende (…) zijnde onder beklemming gebruikt door Hinderk Uilders.”

De koopakte noemt alleen de naam van Haikes schoonvader als beklemd meier. Bovendien gold als grondpacht nog steeds 3 gulden per jaar, welke inkomstenbron hierbij dus overgedragen werd aan de nieuwe eigenaars. Aan een en ander kan je zien dat het perceel ondergrond formeel niet gesplitst was en dat Haikes schoonvader nog als aanspreekpersoon voor het geheel fungeerde. Voor hun investering betaalden de nieuwe eigenaars, Helenius Jans en Helenius Hanssens, 70 gulden aan de kerkvoogdij.

Net als de koopakte uit 1791 noemt deze uit 1797 de zwetten van het perceel. Dat het tussen de hoofdweg en het kerkhof lag, was al bekend, maar de buren oost en west zijn nieuw ten opzichte van de vorige akte. Aan de westkant van het hele perceel lag de “kosterie der Beerta”, oftewel het huis van de koster-schoolmeester met daaraan vast de school. De bewoner hiervan was Popko Jurjens (Dijksterhuis), sinds 1776 de schoolmeester van Beerta. Bij het opmaken van het huwelijkscontract van Haike Aeijkens en zijn vrouw fungeerde hij als dedigsman voor Haike, net als de buurman van de andere kant, Reinder Veltman.

Die laatste is in de akte van 1797 als oostzwet vervangen door Jurjen Harkes. Op dezelfde dag verkocht de kerkvoogdij namelijk de pastoriegrond onder Veltmans huis aan deze boer, die aan de andere kant van Veltman woonde en die de naam Oosthof aannam, waarschijnlijk omdat hij ten oosten van het kerkhof woonde. Anders dan de andere koopakte uit 1797, noemt deze verzegeling echter niet het kerkhof als noordzwet. Je zou dan zeggen dat het kerkhof niet zover doorliep. Als zwet wordt aan die kant Jurjen Harkes zelf genoemd – hij had zowel de grond ten noorden als ten oosten van Veltman.

In 1800, toen de schoonvader van Haike Aeijkes als weduwnaar overleed, erfden Haike en zijn vrouw de andere helft van het pand. Ruim een jaar later besloten ze het hele vastgoed hier te verkopen aan dezelfde Jurjen Harkes, die de grond van de buurman al had. Het bracht 1065 gulden op, wat een aanzienlijke waardevermeerdering impliceert. Nog steeds gold als zuidzwet de Hereweg en als westzwet de kosterij van Beerta. Als oostzwet noemt de akte Reinder Veltman in zijn hoedanigheid van beklemd meier (van Harkes’ grond). Aan drie zijden veranderde er dus niets, alleen is het kerkhof als noordzwet nu vervangen door Jurjen Harkes, die intussen blijkbaar een stuk van het kerkhof had gekocht, al kon ik daar bij de verzegelingen van Beerta geen akte van vinden.

Haike Aeijkes en vrouw hoefden in elk geval nog niet te verhuizen, gezien de uitdrukkelijke voorwaarde:

“…dat verkopers in de agterkamer van dit huis vrij zullen blijven inwonen tot Maij 1802, en dezelve alsdan zonder opzage moeten verlaten, ook zal de huur à 25 Gld. zo Daniel Febes op 1 Maij 1802 betalen moet tot voordeel der kopers wezen, zullende elk zijn gedeelte van den tuin zo als bij elke kamer verdield is, van dit jaar gebruiken”.

Haike en zijn vrouw hadden dus de andere helft van hun pand verhuurd, maar de koop verbrak die huur niet. De 25 gulden huur per jaar was niet hoog, die som hoorde bij de betere arbeiderswoning. De akte noemt verder de beide Heleniussen (Jans en Hanssens) als eigenaren (sinds 1797) van de ondergrond. Getuigen bij deze verkoop waren onder andere schoolmeester Popko Jurjens en dominee Haenenberger.

Tot zover de verzegelingen. Rest de vraag waar het vastgoed van Haike Aeijkens precies lag. Nog even de zwetten op een rijtje:

JAAR NOORD OOST ZUID WEST
1791 Kerkhof Reinder Veltman Hereweg ½ huis verkopers
1797 Kerkhof Jurjen Harkes Hereweg Kosterij Beerta
1801 Jurjen Harkes Veltman, meier Hereweg Kosterij Beerta

De meest eenduidige zwet was de Hereweg aan de zuidkant. Dat de kosterij steeds aan de westkant zat, lijkt ook wel zeker – er is geen verhuizing bekend. Aan de oostkant zat in 1801 Veltman als meier en Harkes als eigenaar van de ondergrond. Aan de noordkant nam Harkes een stuk kerkhof in. Confronteren we deze constellatie nu met de eerste kadasterkaart van ca. 1830:

Beerta Minuutplan sectie I 1, detail blog (2)

Centraal zie je hier, in blauw, de kerk, met eromheen het kerkhof (221) van Beerta. A is de toren. Het blauwe kruis over de kaart dat de toren als middelpunt heeft, duidt erop dat de landmeters bij hun driehoeksmeting uitgingen van de toren. Ten zuidoosten van het kerkhof heb je nog een blauw ingekleurd gebouw: de school met de kosterij (220), oftewel de westzwet van Haike Aeijkes’ vastgoed in 1800-1801. Ten oosten van het kerkhof, onder nummer 191, bevond zich in 1830 nog steeds de boerderij van Jurjen Harkes Oosthof. Ook het tussenliggende stuk (192) bleek toen in handen van Oosthof. Naast het pand van Haike Aeijkes en de ondergrond van Reinder Veltman, moet hij dan inmiddels het pand van Veltman hebben gekocht van de diaconie. Het perceel 192 omvatte dan zowel vastgoed dat ooit van Veltman was, als dat van mijn voorvader. Dat het een geheel lijkt, zal komen doordat Oosthof beide percelen zal hebben samengevoegd.

Anders dan de ondergrond van Veltman, had Oosthof ten tijde van de eerste kadastrale registratie nog niet de ondergrond van Haike Aeijkes perceel. Aangeduid als “grondpacht, groot ƒ 3,- , in gebruik bij J.H. Oosthof” kwam die in 1838 onder de hamer. De eigenaren bleken toen de erfgenamen van Eltje Helenius Gastman en Jantje Helenius. Deze erflaters zullen dit op hun beurt hebben geërfd van Helenius Jans en/of Helenius Hanssens. Koper was Jurjen Harkes Oosthof, voor een som van 60 gulden. Het kadastrale nummer bleek 192, hetzelfde waar je terechtkomt als je redeneert op basis van de zwetten.

De eerste Perton woonde derhalve in de kerkbuurt van Beerta, rechts naast de school en vlakbij de kerk en de toren. Maar ook de predikant die hem trouwde, die zijn kinderen doopte en ze naderhand allemaal de naam Perton meegaf,  woonde in de directe omgeving. Volgens het kadaster bevond zich aan de andere kant van de weg, op 216, namelijk de pastorie, waar ds. Haenenberger gewoond had. Dat hij in 1811 de naam Perton toevoegde aan de namen in het trouw- en het doopboek, was een gunst voor iemand die hij van nabij goed gekend had.

Tot slot nog even de plek van Haike Aeijkens’ woning nu:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Het betreft de parkeerplaats van woonzorgcentrum De Tjamme, met een bushalte.

Bronnen:

RHC Groninger Archieven (GrA), Toegang 731 (archief gerechten Oldambt) de inv.nrs. 7083, 7084 en 7085: verzegelingen Beerta –

  • Koopcontract 1 mei 1764 (Hindrik Uilders);
  • Schuldbrieven 1 mei 1765 en 4 juni 1766 (idem);
  • Huwelijkscontract 16 oktober 1788 (Haike Aeijkes);
  • Koopcontract 23 maart 1791 (idem);
  • Overgavebrief 8 april 1793 (Reinder Veltman);
  • Twee koopcontracten 23 oktober 1797 (Veltman en Aeijkes);
  • Koopcontract 1 mei 1801 (Haike Aeijkes).

Groninger Courant, advertenties 5, 12 en 16 januari 1838.

GrA, Toegang 113 (Notarissen Winschoten) inv.nr. 72 (akten notaris Vreseman Viëtor) de veilingakte van 19 januari 1838 (nr. 8).