“Hoerkind” wordt vondeling

In het doopboek van Nieuwolda staat op 12 maart 1779 aangetekend:

“Thobias Philippus, geboren 8 juni 1778, zijnde een hoerkind, zoon van Aaltjen Thobias, die betuigde dat Philippus Jans deszelfs vader was.”

“Hoerkinderen”, zeg maar liever kinderen van ongehuwde moeders, kwamen destijds überhaupt al weinig voor, maar dat de moeder hier bij de doop de vader van haar kind aanwees, was helemaal zeldzaam. Tenminste, ik ken slechts twee andere gevallen, en vraag me af of er ook in dit geval in Nieuwolda geen rechtszaak is geweest. Bijvoorbeeld van de moeder tegen de vader van haar kind om alimentatie, of van de (vermeende) vader tegen de moeder vanwege eerroof of laster. Helaas ontbreken de rechtdagprotocollen die er uitsluitsel over zouden kunnen geven, zodat we dat niet gewaar kunnen worden. In elk geval zaten er ruim acht maanden tussen de geboorte en de doop van het kind, wat extreem lang is en ook wel eens op bezwaren van ds. Siertsema kan wijzen. Wel noteerde die zonder mankeren Philippus Jans als vader. Of Philippus daar zo blij mee was?

Bij de doop van haar zoontje legde de ongetrouwde Aaltjen Tobias zegge en schrijve één stuiver in het doopbekken, zo’n beetje de laagst mogelijke doopgift aan de armen. Aaltje was 25, dus net meerderjarig naar de maatstaven van die tijd. Haar vader was de hondenslager, puistentreder en schoonmaker van de kerk in Nieuwolda “Luttie Tobiejes” oftewel Kleine Tobias Hindriks, die af en toe steun van de diaconie kreeg, als hij van zijn werk in de kerk en elders niet rond kon komen.

De maatschappelijke  positie van Aaltjen Tobias was dus zeer bescheiden. De man die haar bezwangerde, Philippus Jans, was getrouwd en stond een stuk hoger op de maatschappelijke ladder, zo mogen we opmaken uit de doopgiften die hij in 1767, 1770 en 1778 bij de doop van zijn echtelijke kinderen deed aan de armen van het dorp: steeds minstens een gulden, een bedrag, kenmerkend voor een betere middenstander of kleine boer. Wie weet was Philippus Aaltjes baas geweest – er moeten praatjes zijn rondgegaan.

Zoals wel vaker, werd het “hoerkind” niet oud. De kleine Tobias was nog geen 2, toen hij op 16 februari 1781 bij de lokale kerk ter aarde werd besteld:

Aaltjen Tobias haar vondling begraven

In het bekken op het kerkhof lagen na afloop van de plechtigheid 5 stuivers en 5 duiten, de laagste opbrengst van een begraafcollecte in dat diaconale boekjaar 1780/1781. Veel volk zal er niet bij zijn geweest.

Met Aaltje Tobias kwam het althans in materiële zin nog goed. Ze trouwde een Jannes Bron(d)sema, met wie ze weldra een dochtertje kreeg. Gezien de lage gift aan de armen bij de doop van dat kind was deze Bronsema arbeider. In 1787 kochten hij en zijn vrouw een huisje, dat verhuurd was geweest aan een jood. Het kostte 525 gulden en deed eerder 36 gulden huur per jaar. Voor een arbeidersgezin was dat een ruim bezit.

Rest nog een opmerking over die term ‘vondeling’, in 1781 in het begraafboek. Voor ons gevoel is die onterecht en misplaatst: van de kleine Thobias was immers zowel de moeder, als de vader bekend. Door zijn moeder was hij ook niet in de steek gelaten, laat staan dat hij ergens gevonden was. De term ‘vondeling’ echter, vond zo’n twee eeuwen terug wel vaker een nogal ruime toepassing. Mijn oudste voorvader van moederskant werd begin negentiende eeuw ook zo genoemd, terwijl diens moeder wel degelijk bekend was.


Oudoom als back in Groninger Elftal

Drachtster Courant 8 april 1938.

Ontdek via de Drachtster Courant op Delpher, dat een jongere broer van mijn grootvader vlak voor de oorlog als back in het Groninger Elftal speelde. Waarschijnlijk was het Hein, omdat Klaas Vondeling al naar Assen was verhuisd, waar hij in Achilles speelde. In het Groninger team zat slechts één GVAV-er; WVV Winschoten (later de club van Klaas Nuninga, Jan Mulder en Arie haan) was de hofleverancier van het team met drie spelers, waarvan er twee in de voorhoede speelden.

Bij de Friezen geen Abe Lenstra en ook geen andere spelers van Heerenveen en Cambuur. Akkrum was hier de enige club die meer dan een enkele speler aan het vertegenwoordigende team leverde.

De Groningers begonnen de match als underdog, maar wonnen volgens het wedstrijdverslag van een paar dagen met 5-3 . De Friezen waren fysiek sterker, maar de Groningers technisch beter. Vondeling wordt niet met name genoemd, maar volgens het verslag waren er geen zwakke plekken in het Groninger Elftal.   Sinds 1909 hadden beide elftallen elkaar 32 maal bestreden waarvan de Groningers 19 ontmoetingen won en de Friezen slechts 8.

 


Oldambtster landarbeiders en hun verdiensten

Dagloners bij het bieten poten op het land. Nieuw-Scheemda, jaren 30. Collectie Groninger Archieven 818-10704.

Bij de landarbeidersstaking van 1907 in het Oldambt publiceerden verschillende kranten loongegevens. Die uit de Land en Volk van 8 mei 1907, nogal onoverzichtelijk achter elkaar opgeschreven, heb ik hieronder in tabel gebracht en wat nader toegelicht:

Jaarlonen in guldens volgens zegsman te:
Arbeider Beerta Boer Beerta Arbeider? Finsterwolde Boer Nieuw-Scheemda Boer? Nieuw-Beerta
Boerenknecht 150 à 160 160
Boerenmeid 90 à 100 100
Arbeider vast 305 320 294 325 390
Arbeider los 280 370 294+ 350 400+
Vrouw 70 67,50 à 57,50

Met boerenknechten en boerenmeiden werden bedoeld het op de boerderij inwonende, ongetrouwde personeel van in de regel zo’n 12 à 25 jaar oud. Opgegeven zijn de maximum-lonen voor knechten en meiden die volledig op hun taak berekend waren qua ervaring en kracht. Bij de geldlonen kwamen dan nog de kost- en inwoning, of eigenlijk moet je het andersom zeggen want de kost en inwoning vormden de basis, het geld kwam erbij. Kinderen die nog maar pas op een boerderij kwaren kijken, kregen vaak ook niet of nauwelijks geld in handen, daarvoor golden de kost- en inwoning als loon. Bij winnen aan kracht en ervaring, groeiden dan de geldbedragen van jaar op jaar. Minderjarigen stonden het verdiende geld overigens meestal af aan ouders of voogden als bijdrage in het gezinsinkomen. Bij gezinnen die onder de diaconie vielen, beurde de diaconie dat loon.

Met vaste arbeiders zijn bedoeld de arbeiders met een vast dienstverband op de boerderij. Op elke boerderij was er één, in totaal waren er dus evenveel vaste arbeiders als boerderijen. Zo was mijn betovergrootvader Elzo Perton vast arbeider op de Onnesheerd in de Reiderwolderpolder. Die viel onder Finsterwolde, zijn kale loon zal dan ongeveer 294 gulden hebben bedragen. Maar daar zaten de emolumenten in natura nog niet bij. Omgezet in geldwaarde werden die in Finsterwolde op minstens 59 gulden begroot. Het ging dan om walgras (ƒ 25); het mogen lezen en zoeken van aren, erwten en bonen op afgeoogst land (ƒ 7.50); twee pak gerstestro (ƒ 1,50); het mogen gebruiken van de boer zijn paarden en wagens voor het halen van bijvoorbeeld turf en kwelderhooi (ƒ 20); en gratis weide voor schapen (à ƒ 5). Inclusief deze emolumenten bedroeg het jaarloon van een vaste arbeider in  Beerta 305 à 320 gulden, die was uiteindelijk dus wat minder af dan zijn collega in Finsterwolde. Die van Finsterwolde (te begroten op 353 gulden) deed echter weer onder voor die van Nieuw-Beerta (390 gulden inclusief emolumenten). De daglonen liepen daarbij op en af met het aantal (werkbare) uren daglicht en de oogstdrukte, zoals bijkomende specificaties uit Beerta en Nieuw-Beerta laten zien:

Beerta Nieuw-Beerta
Maart tot half juli (8 uur) ƒ 0,75 ƒ 0,75
Half juli tot september (14 uur) ƒ 1,25 ƒ 2,00
September-november (12 uur) ƒ 1,25 ƒ 1,00
November tot maart (7 uur) ƒ 0,60 ƒ 0,75

Ook hieruit blijkt weer, dat de vaste arbeider vooral in Nieuw-Beerta goed af was.

Maar veel groter dan het aantal vaste arbeiders, was in een Oldambtster dorp het aantal losse arbeiders of dagloners, al gauw enkele honderden per dorp. Volgens opgave uit Finsterwolde namen zij (en hun ploegen) werkzaamheden vaak per perceel aan en verdienden dan een kwartie meer per dag dan een vaste arbeider. Hoewel ze door de tijdsdruk vaak harder aan moesten poten, was hun arbeidsdiscipline minder groot: “Ze verloopen vaker een dag en zijn ook in tijden van overgang vaker zonder werk, zoodat ze per jaar niet veel meer verdienen dan vaste arbeiders”. Ze profiteerden vooral van de oogstdrukte in de zomer.

Een arbeider uit Beerta begrootte het jaarloon van een dagloner op 280 gulden, terwijl een boer uit hetzelfde dorp dat op 370 gulden raamde. In 1893 was dat nog ruim 230 gulden, zodat de daglonen rond 1900 sowieso verhoogd moeten zijn. Daarbij valt het verschil tussen beide jaarloonopgaven uit Beerta nogal op. Dat komt doordat de arbeider elders verdiend loon uit veenarbeid niet meetelde, omdat lang alle losse arbeiders daaraan deden. De specificatie die de Beertster boer leverde, zag er vanaf eind maart zo uit:

7 weken in de venen 80 gulden
2 weken wieden 8 gulden
4 weken maaien in Friesland 44 gulden
4 weken divers werk 24 gulden
6 weken oogst (vooral augustus) 90 gulden
6 weken divers werk (september, oktober) 40 gulden
4 weken (november) 20 gulden
4 weken (december) 16 gulden
8 weken (januari, februari) 24 gulden
5 weken (februari, maart) 26 gulden
TOTAAL: 372 gulden incl. of 292 gulden excl veenwerk

Tot slot de vrouwen: zij werkten vooral mee op het land voor zover hun huishouden dat toeliet. In Beerta werden hun verdiensten wat hoger geschat dan in Nieuws-Scheemda. De verschillen tussen beide bedragen, in het laatste dorp opgegeven, komen doordat de vrouw van de vaste arbeider ook meehielp in het huishouden en op de tuin van de boer, bij wie haar man in dienst was.  Een specificatie van daglonen voor vrouwen is er uit Finsterwolde:

Wieden ƒ 0,40
Schoven binden ƒ 1,75
Aardappelen en bieten rooien ƒ 0,60 à 1,00
Erwten plukken ƒ 0,80 à 1,20
Oogst inhalen ƒ 0,60 à 0,75

Dit zullen dan de bedragen zijn, die Geeske Boog, de vrouw van Elzo Perton, ongeveer zal hebben verdiend.


Harm Boukje als propagandist

Bij de nieuwste aanwinsten van Delphers krantenbank vandaag, staat o.a.  De Vrije Socialist (1898-1940), een krant van Domela Nieuwenhuis. Uiteraard was ik benieuwd of Finsterwolde er ook in voorkwam en dan natuurlijk speciaal de anarchistische broer van mijn overgrootmoeder Antje Tuin. Dat bleek inderdaad het geval, namelijk in een bericht van 21 december 1901:

Finsterwolde. Tuin uit Finsterwolde en de ontslagen werkman Eimers zijn begonnen de propaganda in den noordoostelijken hoek van Groningen ter hand te nemen. Eerst gingen zij des maandags op de markt staan te Winschoten, maar de regen noodzaakte hen weg te gaan, zoodat zij maar voor 80 cents aan brochures verkochten. Dit was niet zeer bemoedigend.

Te Oudeschans hielden zij een openbare vergadering. Een 20-tal belangstellenden waren ter vergadering. Na opening der vergadering door Tuin, kreeg Eimers het woord en ofschoon hij zijn rede voorlas, dit hinderde niets. Spoedig zal hij wel de noodige vrijmoedigheid hebben om vrij te spreken. Ook droeg hij eenige gedichten voor, die zeer in den smaak vielen.

Tuin sloot weer de vergadering met een opwekkend woord, om aan te dringen op solidariteit onder de arbeiders. Terwijl de boeren werken aan de veredeling van paarden en vee, werken de socialisten aan de veredeling van de menschen en voor dat doel te werken, is wel de moeite waard. Tuin kolporteert ook met brochures en brengt in die streken heel wat lektuur ouder de menschen.

Harm had dus niet alleen een handeltje in boeken en brochures, maar ging ook in de wijde omgeving op stap als propagandist. Voor de veredeling der mensheid stond hij op de Winschoter markt, ging hij langs de deuren met zijn lectuur en hield hij openbare bijeenkomsten.

De jongere en nog onervaren kompaan met wie hij dat deed, was de huisschilder Christiaan Eimers, geboren in 1880 te Vlagtwedde. Waarschijnlijk werkte Eimers in 1901 bij een patroon in Winschoten en was door deze ontslagen. Enige jaren laten vestigde Eimers zich in de stad Groningen, waar hij trouwde en een schildersbedrijf had in de Van Julsinghastraat, Oosterpoortwijk. Hij zou nog wel vaker in de kolommen van de De Vrije Socialist voorkomen, ook als spreker. Volgens Eimers’ nazaten was het een forse kerel, die altijd zijn anarchistische overtuiging trouw is gebleven. Hij overleed in 1940.

Bron: De Vrije Socialist 21 december 1901.


Harm Tiesing en de Drentse bijenhouderij

Winterwerk voor een imker, in dit geval pander Huiskes van Havelte (1967): het vlechten van bijenkorven van stro, gebonden met ‘spleuten’, d.w.z. gesplitse braamstengels

Waar Harm Tiesing het in zijn geschriften heeft over de jaarcyclus van de bijenhouderij in Drenthe, kan hij uiteraard niet heen om het gesleep met de nijvere beestjes tussen die provincie en Groningerland. Volgens Tiesing maakte die transhumance (mijn term) de imker tot een Bereisde Roel van het dorp:

Als het weer wat mooi was, werden de korven naar de Groninger kleistreken gebracht, waar toen (ca. 1860-1890, HP) de koolzaadteelt van groot belang was. Daardoor was een bijenhouder anderen altijd veel vooruit. Hij kwam in Groningen en woonde in Drenthe, zoodat hij veel meer van verschillend landbouwbedrijf, van den omgang met menschen in andere streken, van verkeersmiddelen enz. afwist dan andere oude, conservatieve Drenthenaren, die hier geboren werden, leefden en stierven.”

Omdat mijn grootvader, afkomstig uit uit het Groninger Finsterwolde, vanaf 1923 in het Drentse Uffelte en Havelte woonde en zijn bijen jarenlang precies zo naar zijn geboortestreek bracht, is het verleidelijk het citaat op hem van toepassing te verklaren, ware het niet dat ik nauwelijks weet hoe hij met de mensen omging, en hoe ze tegen hem aankeken. Tiesing vervolgt:

Behalve op het koolzaad in Groningen dreef de bijenhouderij nog op de veenboekweitcultuur. Als de zomer te nat en te koud was voor een goed bijengewin en de bijen met een kleinen honigvoorraad van de kleistreken terugkwamen, kon de bloeiende boekweit het nog goedmaken.

Bij mijn weten had mijn grootvader nooit boekweithoning. Volgens Tiesing werden koolzaad en boekweit later door een andere drachtplant vervangen, waarover zo dadelijk  meer. Aardig is dat hij niet alleen de structuur, maar ook de conjunctuur van de Drentse imkerij kort schetst. In de Franse Tijd beleefde die hoogtijdagen en kwamen bepaalde bijkersfamilies financieel “op de kluiten”. Medio negentiende eeuw was de bijenteelt nog steeds van belang in Drenthe, en redde ze zelfs boerenbedrijven tijdens een agrarische crisis. Na 1890 echter, kwam er de klad in. Zowel de grote imkerij als de kleine bijenhouderij ging “sterk achteruit”, bij voortduring ook nog in de eerste decennia van de twintigste eeuw. Volgens Tiesing kwam dat primair door een achteruitgang van zowel de Groninger koolzaadteelt als de Drentse veenboekweittteelt:

Wel brachten de groote bijenhouders in deze eeuw hun korven nog naar Groningen, maar tegen den bloeitijd van de witte klaver.

Mijn grootvader had naast koolzaadhoning inderdaad ook wel klaverhoning, terwijl de desbetreffende drachtplant volgens mij niet of nauwelijks grootschalig in Drenthe geteeld werd.

Over de toekomst van de imkerij in Drenthe was Tiesing uiteindelijk pessimistisch. Bij betere resultaten zou ze als liefhebberij wel weer kunnen opleven. Alleen hadden de boeren het inmiddels veel te druk gekregen voor “een zoo wisselvallig bedrijf”.

Bron: C.H. Edelman (red.), De geschriften van Harm Tiesing over de landbouw en het volksleven van Oostelijk Drenthe (Assen 1943) 224-226.


Een karakteristiek van Uffelte uit 1932

Meppeler Courant, 17 november 1933.

Uffelte is een echt boerendorpje. Een burgerij ontbreekt er bijna geheel. Als zoodanig zou men hoogstens den directeur van de boterfabriek, den kommies, den brugwachter en het personeel der school kunnen beschouwen. Het gemeentehuis, dokter, dominee enz. vindt men in Havelte. Dit heeft één voordeel: het bestuur over de vrij talrijke dorpsvereenigingen is in handen van de boeren gebleven.

De commies waarvan hier sprake is, was mijn grootvader. Hij en zijn gezin woonden van 1923 tot 1934 in Uffelte, waar ook mijn vader geboren is. In het laatstgenoemde jaar verhuisden ze naar Havelte. Dat het bestuur over de dorpsverenigingen in Uffelte puur in handen bleef van boeren, is onjuist. Mijn grootvader zat in het bestuur van de ijsvereniging, de zwemclub en de kippenfokvereniging en ik neem aan dat de andere schaarse ‘burgers’ van Uffelte – en dan met name de onderwijzers – ook zo hun steentje bijdroegen.

Bron: De Nederlander van 22 december 1932, tijdschriftenrubriek met een bespreking van het laatste nummer van het sociologische tijdschrift Mensch en Maatschappij, waarin K. van der Kleij, destijds woonachtig in Uffelte en later de drijvende kracht achter de Volkshogeschool in Havelte, een veel langer artikel over Uffelte had staan. Dat moet ik dan nog maar eens opzoeken.


Bij de gebroeders Soer dansten de kippen op tafel

Soer 1

Foto: Johan Witteveen.

Meermalen hoorde ik mijn moeder over een krantenstuk, dat twee bejaarde broers uit de omgeving van Havelte portretteerde. In welke krant het gestaan had, wist ze niet meer, maar ze had er de grootste lol om. De titel herinnerde ze zich als: “Bij de gebroeders Soer dansen de kippen op tafel”.

Checks met deze termen in de verschillende krantendatabases brachten het stuk echter niet tevoorschijn. Het stond in elk geval niet in de Telegraaf, het Nieuwblad van het Noorden, of de Leeuwarder dan wel de Meppeler Courant. Ook ontbrak in die kranten elke verwijzing naar het stuk. Eigenlijk had ik de moed al opgegeven het ooit te vinden, tot vorige week het Algemeen Dagblad bij Delpher online kwam, een krant waarop, zoals ik me naderhand realiseerde, mijn ouders in de jaren 70 geabonneerd waren. Het was vrijwel meteen raak: het AD van 26 maart 1977 bevat het stuk waar m’n moe zo’n plezier om had.

Het heeft een iets andere titel dan ze weergaf: “Bij de broers Soer danst de haan op tafel”. Het betreft een soort van korte sfeerreportage van een duidelijk literair bevlogen, maar anonieme verslaggever, die op visite is gegaan bij de monumentale, half ingestorte ’beestenboerderij’ van de gebroeders Marinus en Roelof Soer, respectievelijk 71 en 68 jaar oud.

Juist op dat moment dansen een haan en een kippetje op de tamelijk morsige tafel. Op die tafel liggen – o jakkie – ook al wat poepjes. Gestaag dwarrelen er veertjes naar beneden. Naast haan en kippen hebben de broers namelijk parkieten en duiven, binnen en buiten in kooitjes aan de muur. Bovendien lopen er nog ganzen rond op het erf dat een superbe zooi is, met een keur aan oud roest en een batterij wrakkige konijnenhokken.

Een paar jaar na dit stuk verschenen de broers nog in Showroom, een TV-programma over paradijsvogels van diverse pluimage dat vooral aandacht besteedde aan de deplorabele staat van de boerderij, naast het auto-ongeluk van de oudste broer en diens naïeve schilderijtjes, veelal portretten van TV-figuren.

Soer 2

Foto: Johan Witteveen.


‘De grootste boer van Nederland’

de grootste boer van Nederland DSC02592

Onder de kop ‘De grootste boer van Nederland’ wijdde het familieblad Revue in 1963 een artikel aan de uitgebreide bezittingen van de stad Groningen in Oost-Groningen, waarbij het de Groninger burgemeester Jan Tuin in verschillende agrarische situaties liet poseren als hereboer.

Gek genoeg bevat het stuk geen interview met of citaten van Tuin. Het is ook geen reportage, zoals het zich eerst voordoet. Het behelst qua tekst vooral een feitenrelaas van voorlichtende aard, waarvan ik vermoed dat Jan Tuin de informatie zelf aan de Revue verschafte. Het blad hoefde dan een en ander alleen wat smeuiïger op te schrijven, wat overigens tamelijk goed gelukt is.

De stad Groningen had destijds nog twee grote boerderijen die ze nog zelf exploiteerde, een bij de Dollard en de ander bij Ter Apel, samen 1200 hectare groot. Twee andere boerderijen, beide in de Ruigezandster polder, samen 400 hectare groot, werden periodiek verpacht. Dan had de Stad sinds de vervening nog 10.000 hectare in Oost-Groningen in bloot eigendom, maar ook 80 kilometer kanaal, 40 kilometer weg, 19 sluizen, 50 bruggen, 40 vonders en 47 woningen die haar in tegenstelling tot de boerderijen bij de Dollard en Ter Apel alleen maar geld kostten.

De boerderijen bij Ter Apel en de Dollard leverden de Stad jaarlijks nog een mooi sommetje op. Als burgemeester was Jan Tuin eindverantwoordelijk voor de exploitatie.

Dat de Revue hem portretteerde als “de grootste boer van Nederland”, zal vele Groningers die week hebben doen glimlachen. Ze droegen hun burgemeester op handen en vereenzelvigden zich bijna met hem. Dat kwam doordat Tuin van zeer eenvoudige komaf was. Hij stamde uit een landarbeidersfamilie in Finsterwolde – heel wat anders dan een boer! Zijn vader Harm, een anarchistische dagloner en geheelonthouder, verkocht vanuit ‘t huis aan de Klinkerweg socialistische en anarchistische lectuur en dankte daaraan de bijnaam ‘Harm Boukje’.

Als onderwijzer in Finsterwolde, Winschoten Oude Pekela, was zoon Jan Tuin regionaal actief voor de SDAP en maakte via de Groninger Staten carrière in de politiek: burgemeester van Hoogezand (1937), gedeputeerde en kamerlid voor de PvdA (1946) en burgemeester van de stad Groningen (1951). Jan Tuin was hier de eerste sociaaldemocraat in deze functie. Vanwege zijn komaf en politieke kleur bestond er aanvankelijk wel wat weerstand tegen hem, maar hij overwon die door zich van meet af aan onpartijdig op te stellen. In het college van B&W nam hij de zware wederopbouwportefeuille op zich, met woningbouw, stadsuitbreiding en verkeerszaken. Onder zijn verantwoordelijkheid kwamen o.a. het nieuwe (inmiddels weer gesloopte) stadhuis op de Grote Markt, het hoofdbureau van politie aan de Rademarkt en zwembad de Papiermolen tot stand.

Bij zijn pensionering in 1965 waren links en rechts het erover eens, dat ze ‘een echte burgervader’ kwijtraakten, die steeds boven de partijen stond en gewaakt had voor handhaving van een goede sfeer. De bestuurlijke spil van de Groninger wederopbouw kreeg een geweldig afscheid met o.a. een défilé van duizenden Groningers en hun organisaties op de Grote Markt.

Jan Tuin, een neef van mijn grootvader – de gezinnen woonden naast elkaar in Finsterwolde – was tevens de ontwerper van de Groninger vlag zoals die nu nog steeds in gebruik is. De toegang tot zijn archief staat sinds vannacht online.

Bron: Groninger Archieven, Toegang 3043 , archief Jan Tuin (1919 – 1972), met name inv.nr. 29: Revue, Nederlands familieblad, 7 september 1963, met op pag. 8-10 ‘De grootste boer van Nederland’.


Een onverwachte excursie

img319 vb

Mijn overgrootouders met kinderen en aanhang bij hun veertigjarig huwelijk in 1935 op ‘Vondelings ree’ in Zuidhorn.

Uit de bevolkingsregisters van Zuidhorn, zoals de Groninger Archieven een poosje geleden online hebben gezet, kon ik niet gewaar worden wanneer mijn overgrootouders in Zuidhorn kwamen wonen. Bij hun huwelijk, in 1895, waren beiden daar al gevestigd, maar hoe lang dat al zo was, gaven die registers niet prijs. Dus toen ik toch voor een ander verhaal in het archief van de voormalige gemeente Zuidhorn moest zijn, heb ik dat meteen maar even in de bevolkingsregisters daar nagezocht. Bij de gemeente liggen weer andere, moet u weten.

Bij het register van de volkstelling 1890 was het meteen al raak. Op nummer 47 tref ik de schoenmakersknecht Hindrik Vondeling (23) aan, woonachtig op het adres A 294 aan de Nieuwstraat. Hij had zich op 4 juni 1886, dus op zijn negentiende, vanuit Termunten, waar hij mogelijk ook al bij een schoenmaker in de leer was, in Zuidhorn gevestigd.

Mijn overgrootmoeder Grietje van der Velde, in 1872 geboren in Marum als dochter van een ongehuwde moeder, woonde sinds 5 juni 1890 als dienstbode op A 295 aan de Friesestraatweg. Haar adres en de A 294 van Hindrik zullen buurhuizen geweest zijn, al moet ik de Friesestraatweg en de Nieuwstraat dan nog wel bij elkaar weten te passen. Is de Friesestraatweg in de kom van het dorp misschien hernoemd tot Hoofdstraat? Zo ja, dan is de kans groot dat mijn overgrootvader en -moeder elkaar bij de buren hebben leren kennen.

Verrassend was vooral Grietjes vorige woonplaats anno 1890: de Haarlemmermeer. Daar kan ze niet zo lang hebben gewoond, want volgens het bevolkingsregister van Marum vertrok ze begin mei 1885, op haar dertiende, uit deze geboorteplaats van haar naar Achtkarspelen. Maar hoe kwam ze in vredesnaam van daaruit in de Haarlemmermeer terecht en wat deed ze daar? Binnenkort dus eerst maar eens in Drachten kijken.

Overigens verhuisde ze eind 1893 vanuit Zuidhorn naar Grijpskerk, waar ze slechts een half jaar als dienstmeid woonde, om (voor haar verloving?) weer terug te keren naar Zuidhorn. In tien jaar tijd woonde ze dus op vijf verschillende plekken, wellicht niet heel uitzonderlijk voor een dienstbode, maar nogmaals: hoe kwam ze in dat verre Haarlemmermeer terecht?

Intrigerend – intrigerend!


Een kleine beschouwing over landarbeiderswoningen

Ewer

In Noord-Groningen valt een groot onderscheid waar te nemen tusschen de landarbeiders,

  1. die in de oude landarbeidershuisjes wonen, meest éénkamerwoningen;
  2. die in huisjes wonen van den woningbouw;
  3. die een plaatsje bezitten volgens de Landarbeiderswet.

Ad. a. De behuizing van de onder a. bedoelde categorie is minimaal. Via een klein gangetje komt men in het woonvertrek, een kamer van ongeveer 3 bij 4 meter. Hierin moet dan alles gebeuren: koken, poetsen, strijken, eten, slapen, enz. Voor slaapgelegenheid zijn twee bedsteden aanwezig met daar tusschen in een kast. Dikwijls zijn de bedsteden veel te kort, zoodat de menschen met opgetrokken beenen moeten liggen. In de eene bedstede slapen dan de ouders, in de andere de kinderen.

In het Oldambt gaat dat nog eenigszins, omdat daar de huishoudens hoogstens drie kinderen tellen. In Noord-West-Groningen is dat erger. Daar zijn de huishoudens over het algemeen grooter en slapen de meisjes meestal beneden in de tweede bedstede en de jongens op den open zolder. Deze zolder wordt tevens gebruikt voor het opbergen van turven, aardappelen en alle mogelijke andere dingen, die in een huishouden zoo al bewaard worden. Ventilatie en verlichting is er alleen door een klein dakraampje, indien dat tenminste aanwezig is.

In het Oldambt komt ook nog een speciaal type landarbeidershuisjes voor. Naast de woonkamer treft men daar dan nog een klein hokje aan onder het schuin afloopende dak. Dit wordt dan meestal ook als slaapruimte gebruikt. Dat deze ruimte koud en vochtig is en dat het dak doorgaans lekt, is wellicht overbodig om te vermelden. Ondanks dergelijke behuizing krijgt men zelfs daar een goeden indruk van de bewoning. Wat er aan huisraad aanwezig is, is over het algemeen goed verzorgd en onderhouden.

Ad. b. De behuizing van de landarbeiders, die een huisje betrekken van den woningbouw, is direct veel beter. Hier heeft men behalve een woonkeuken nog een zoogenaamde “goeie kamer” en een afzonderlijke slaapkamer. In de woonkeuken wordt gehuisd. Slechts zelden komt men in de „goeie kamer”. Naast de woonkeuken treft men veelal een schuur aan, waarin de regenbak staat met gootsteen en aanrecht. Deze schuur dient gewoonlijk tot bijkeuken en tot verblijfplaats van het aanwezige vee. In de schuur zelf bevindt zich een zolder met afgetimmerde slaapkamer.

Ad. c. De behuizing van de landarbeiders, die in zoogenaamde landarbeidersplaatsjes wonen, is ruimer en ook beter. Deze landarbeidersplaatsjes zijn de ideale woningen voor deze categorie arbeiders en omdat het meestal de meest vooruitstrevenden zijn, die zoo’n plaatsje bezitten, is de bewoning zelf er ook het best. En wanneer de bezitter nu maar geregeld werk heeft, gaat het hem, althans wat de bewoning betreft, goed. Voor de losse arbeiders is zoo’n eigen plaatsje vaak een zware dobber, omdat in de weken van werkloosheid de rente en aflossing niet kan worden opgebracht. Voor de vaste en los-vaste landarbeiders levert dit over het algemeen geen bezwaar op.

Bevindingen van een onderzoek door het maatschappelijk werk, weliswaar uitgevoerd in de oorlog, maar zo te zien onbesmet. Frappant is dat landarbeidersgezinnen in Noordwest-Groningen groter zouden zijn dan die in het Oldambt: ik denk dan meteen aan de tegenstelling orthodox x ontkerstend. Eveneens opmerkelijk is dat de families die in een huis van een woningbouwcorporatie of gemeente woonden, een kamer reserveerden als ‘goeie kamer’ en gewoonlijk verbleven in de dagelijkse woonkeuken. De elite onder de landarbeiders had, naast vast werk, een eigen plaatsje met een lapje grond.

Bron: Theodorus Johannes Platenburg, Landarbeiders (1943).


Groninger bevolkingsregisters op het web

De Groninger bevolkingsregisters, voor zover aanwezig bij de Groninger Archieven, zijn van de week als scans op Alle Groningers gezet. Je hoeft nu niet meer met microfiches op de studiezaal in de weer te gaan (wat vooral tijd vreet als de indexen bij een gemeente in zijn geheel of voor een periode ontbreken), maar kunt de registers als het ware doorbladeren op je computerscherm, wat aanzienlijk sneller gaat dan met fiches.

Via die bevolkingsregisters kan je precieze woonplaatsen opzoeken, wat vooral van pas komt bij veel verhuizende types. Zelf nam ik de proef op de som met twee van mijn overgrootvaders. Beiden waren ze schoenmaker, maar waar hadden ze dat ambacht geleerd? – bij geen van beiden was me dat bekend.

De jongste, Hindrik Vondeling (1867 Termunten) heet al schoenmaker als hij in 1895 te Zuidhorn trouwt. Tussen Termunten en Zuidhorn ligt nogal wat ruimte, maar waar had hij zijn kennis opgedaan? In het dienstboden- en knechtenregister van Zuidhorn over de jaren 1880 en 1890 staat zijn naam niet – hij moet dus elders schoenmakersgezel zijn geweest. Zijn vrouw Grietje van der Velde staat er trouwens evenmin in. Ze waren dus vlak voor hun huwelijk van elders gekomen. Maar dat was niet haar geboorteplaats Marum, want ook daar ontbreekt ieder spoor in het dienstbodenregister.

Helaas is dat eveneens het geval in Termunten, Hindriks plaats van herkomst. In de algemene bevolkingsregisters (met aparte indexen) over de jaren 1870 en 1880 zien we dat hij dan nog thuis woont, bij zijn ouders Jan Vondeling en Trientje Bottinga. Dat is niet meer het geval in 1890, maar zijn naam blijkt ook afwezig in de Termunter dienstbodenregisters over de jaren 1880 en 1890. In dit geval loopt het spoor voorlopig dus dood, al kunnen we de meest voor de hand liggende mogelijkheden nu wel uitsluiten.

Dan de oudste van beide schoenmakers: Geert Perton (Finsterwolde 1864). In 1880 woont hij nog in bij zijn ouders Elzo Perton en Geeske Boog op het adres D 74 (later omgenummerd tot D 89) in Finsterwolde en heeft dus anders dan andere landarbeidersjongens (zoals zijn oudere broers) geen kost- en werkbaas waar hij bij inwoonde en werkte. Wellicht deed hij nog los werk. Op 1 augustus 1881 vertrok hij volgens het Finsterwolmer bevolkingsregister naar de naastgelegen gemeente Beerta, waar hij afgaand op het Beertster bevolkingsregister inwoonde bij een Adolf Tuin te Drieborg. Dit was inderdaad een schoenmaker. Sterker nog: het ging on de oom van Geert latere vrouw Antje Tuin! Behalve zijn ambacht, zal Geert hier dus kennis hebben gekregen aan zijn vrouw. Desondanks, of misschien wel juist om die reden, vertrok hij na nog geen jaar alweer naar een andere schoenmakerij, die van de gebroeders Roelf en Thomas Elles Jonker op het adres C 75 in Finsterwolde. Toen hij hier een jaar of drie had gewoond en gewerkt, werd hij remplaçant en vervulde hij de militaire dienst voor een boerenzoon uit Ulrum. Op 26 mei 1888 was hij afgezwaaid en vestigde hij zich als dienstbode bij de winkeliersfamilie Boneschans op de Ekamp bij Oostwold, terwijl hij een jaar later, inmiddels volwas schoenmaker zijnde, in het gemeentehuis van Finsterwolde trouwde en zich met zijn vrouw Antje Tuin vestigde in de dorpskom van Oostwold. Hier werden mijn grootvader en diens oudste zuster geboren. Maar het gezin heeft er maar vier jaar gewoond, want eind maart – begin april 1893 betrok het de nieuw gebouwde schoenmakerswoning aan de Klinkerweg in Finsterwolde.

In het ene geval zijn via de bevolkingsregisters iemands gangen dus op de voet na te gaan, terwijl dat in het andere niet zo goed mogelijk blijkt. Dat ligt vooral aan de kwaliteit van de registratie. Bovendien blijken de systematiek en periodisering van de bevolkingsregisters van gemeente tot gemeente ook nogal eens te verschillen: hier hebben de dienstbodenregisters bijvoorbeeld een alfabetische opzet, terwijl dat elders een chronologische is. Het is in principe dus een mooie bron, maar lang niet in alle gevallen even rijk. Bovendien zouden door een koppeling met het kadaster de letter-nummeradressen eens wat inzichtelijker gemaakt moeten worden. Misschien een aardig karwei voor historische verenigingen, die zo tegelijkertijd een mooi inzicht kunnen krijgen in de woningvoorraad en bevolkingsontwikkeling van hun dorpen, vooral wat betreft de negentiende eeuw.


Zuidhorn v.v.

Boerderij in het land bij De Poffert:

Lagemeeden – te vroeg stuivende katjes zijn straks voor de storm:

De populierenkathedraal aan de Zuiderweg:

Kerkhof Jellemaweg:

Doel van de reis: elektriciënsgereedschap, waarschijnlijk nog gebruikt door mijn grootvader. Zoals deze klimschaatsen waarmee je, gecombineerd met een riem om je middel, vrij gemakkelijk een A-paal kon beklimmen voor reparaties aan het destijds nog bovengrondse net:

Een soort van wasknijper die je aan een bovengrondse leiding kon hangen om je boormachine van stroom te voorzien:

De spullen waren van Beving, de tweede elektriciën van Zuidhorn, in de jaren 30 de baas van mijn grootvader. In 1966 werd de zaak van Beving overgenomen door Joop Cley, die deze spullen altijd heeft bewaard en me aanbood om ze eens te komen bekijken:

Dat was een genoeglijke middag. Bedankt Joop!

Op de terugweg in Den Horn:


Een familielid in kamp Amersfoort

Aangetroffen in de Arolsen Archives, deze stamkaart van de kontroleur Pieter Harm Perton, geboren 7 februari 1915 te Finsterwolde. Net als ik was hij van de Finsterwoldiger familietak die afstamt van Elzo Perton en Geeske Boog.

Pieter was getrouwd, had een kind en woonde in een huis aan de Hoorntjesweg in Winschoten dat er nu nog steeds staat, met uitzicht op het plantsoen. Wat de reden voor zijn arrestatie was, maakt de kaart niet duidelijk. Bij Grund staat “Ins Reich, Zwangsarb.eins“. Dat zal iets met dwangarbeid geweest zijn en slaat dus op de straf in plaats van het vergrijp. Op 8 juli 1944 werd hij in Kamp Amersfoort binnengebracht, een maand later, vlak na Bijltjesdag, kwam hij vrij en ging hij terug naar zijn Heimatsort.

Nadien ontbreekt voorlopig ieder spoor. Zijn huis werd in 1960 door andere mensen bewoond.


Hoe Pieter Koerts en zijn vrouw naar Amerika emigreerden

De bekende Delfzijlster emigrant Pieter Albert Koerts was een aangetrouwde oom van mijn grootvader Albert Vondeling. Pieters vrouw Trijntje Vondeling en mijn overgrootvader Hindrik Vondeling waren zus en broer.

Pieter was van jongs af aan schilder. In 1903, toen hij 23 was, begon hij voor zichzelf in Delfzijl en trouwde Trijntje Vondeling, de dochter van een dagloner en een vroedvrouw uit Termunten. Trijntje was een jaar jonger dan hij.

Elk jaar kwam er een kind, maar zakelijk ging het slecht. Najaar 1906 raakte Pieter Koerts failliet en besloten hij en zijn vrouw definitief om naar Amerika te emigreren. Trijntjes oudere zus zat al een hele tijd met haar gezin in Kalamazoo, Michigan, waar wel meer Groningers terechtkwamen. Dat werd ook het reisdoel van de familie Koerts.

Pieter vertrok zelf als eerste. Op 7 november 1906 kwam hij in New York aan. Trijntje bleef eerst met haar beide kinderen achter voor de afwikkeling van het faillissement: de boeldag van de huisraad en de veiling van hun woonhuis, eind dat jaar. Na aftrek van de schulden resteerden van de opbrengst nog een stel beddegoed, een stel vrouwen- en wat kinderkleren, een mandje aardappels, een beetje zuurkool en wat weckflessen snijbonen.

Trijntje had nog een wandklok in haar handbagage. Zij en de kinderen arriveerden medio januari 1907 in New York, waar Pieter en zij plannen maakten voor de doorreis, maar verschil van mening kregen.

Pieter wilde eigenlijk door naar de westkust. In april 1906 was San Francisco getroffen door een zware aardbeving, en hij dacht dat er flink te verdienen viel voor schilders en glaszetters. Trijntje echter, verzette zich hevig tegen dat plan. Ze wilde niet wonen op een plaats waar elk moment een volgende aardbeving kon toeslaan. En zo bleef het gezin Koerts hangen in Kalamazoo.

Waar Pieter nu wel een succes van zijn schildersbedrijf maakte. De selfmade zakenman ging er als oerconservatieve republikein de politiek in, en bekleedde tot 1951 meerdere gemeentelijke functies. Een paar jaar later voor het eerst weer op bezoek in Nederland, stierf hij onverwacht in een Amsterdams hotel, nog voor hij Delfzijl had kunnen weerzien. Ter nagedachtenis aan hem, besloot zijn zoon Delfzijl een schip te schenken, dat als jeugdherberg dienen zou.

Bron: Rinze Mast, ‘De bark ‘P.A. Koerts’ in Delfzijl’, Stad & Lande: cultuurhistorisch tijdschrift voor Groningen, jrg. 13 (2004) nr. 3, pag. 7-13.


Schoenmakerij was geen vetpot

Volgens een algemeen Nederlands adresboek voor beroepen en bedrijven uit 1918, waren er dat jaar tien schoenmakers actief in Finsterwolde (inclusdief de buurtschappen, Ekamp, Ganzedijk, Hongerige Wolf en Finsterwolderhamrik). Mijn overgrootvader Geert Perton had dus nogal wat concurrenten.

In 1914 telde Finsterwolde 2918 inwoners, terwijl het er in 1919 bijna tweehonderd meer waren: 3103. Het inwonertal voor 1918 is dan veilig te schatten op ruim 3000. Tien schoenmakers op die bevolking maakt dat er 1 per 300 inwoners was. Laat het gemiddelde huishouden 4 of 5 personen hebben geteld, dan ‘verzorgde’ de gemiddelde schoenmaker 60 à 75 huishoudens. Dat kan nooit een vetpot geweest zijn. Voordat het algemene stemrecht er was, betaalde mijn overgrootvader ook zo weinig belasting, dat hij niet mocht stemmen.