Trynwâldster toertje

Had met Monumentendag eigenlijk naar de Oldengaerde in Dwingeloo gewild, maar vanwege de staking bij de NS reden er geen treinen naar het zuiden, dus werd het plan B om met de Arriva-trein naar Hurdegaryp in Fryslan te gaan, teneinde de -tsjerkdorpen daar in de buurt te checken. Helaas had dat ook weer een makke: tussen Zuidhorn en Buitenpost lag de lijn eruit en reden er vervangende bussen die, anders dan de treinen, geen fietsen meenemen. Keek hoeveel kilometer het was en dacht: “Wat kan mij het ook schelen, ik ga heen helemaal op de fiets”.

Eerst voor de oostenwind meters gemaakt langs Hoendiep en Van Starkenborgkanaal. Na Gerkesklooster rechtsaf, over de Dokkumertrekweg langs de Stroobossertrekvaart. Even los van die vaart deze prachtige, gekromde populierenlaan:

Terug bij de trekvaart bij Augsbuurt een wisselplaats voor paarden van trekschippers – hier zal een herberg hebben gestaan met een flinke paardenstal en fourages:

De deels nog romaanse kerk van Westergeest, met een soortgelijke apsis (halfronde koorafsluiting) als in Oldenzijl:

Helaas was de kerk dicht, Open Monumentendag en Fries Kerkenpad ten spijt. Sommige kerkbesturen willen wel subsidie voor onderhoud, maar passen ervoor een meer algemeen publiek toegang te verschaffen. Ook in Kollum en elders bleek de hervormde kerk gesloten.

Raampje van het ‘Driezumer tolhuis‘ dat je als vakantiewoning kunt huren:

Een eindje verder heb je aan de dezelfde weg een ‘Sneuphok’ met een geweldig decoratieve collectie zinken huishoudgerei – teilen, emmers, gieters en wat niet al:

De qua schip romaanse Bonifatiuskerk in Damwoude, helaas ook weer dicht:

Landschap in de buurt van Readtsjerk (Roodkerk):

Tegen de voorgevel van het kerkje aldaar dit romaanse sarcofaagdeksel van misschien wel een millennium oud. Het zal de stenen kist hebben afgedekt van een aanzienlijke prelaat. Mogelijk vond de sarcofaag zelf een bestemming als voerbak voor varkens, want dat is nogal een gebeurd:

In de kerk naast de kansel een bord met een evangeliecitaat dat vaak gebruikt is voor het inzetten van een avondmaalsviering:

Verder was er in de kerk een expositie met verdienstelijk werk van Erik Wijthoff, een oud-huisarts die na zijn pensioen definitief is gaan schilderen. Van deze Siamese tweeling uit 2010 vroeg ik me af, of hij die in zijn eigen praktijk tegenkwam. Hoe dan ook zullen deze twee van elkaar losgemaakt zijn – er zijn wat dat betreft wel gecompliceerder gevallen bekend:

Vervallen boerderij, ook in Readtsjerk:

De boerderij waar mijn overgrootouders tussen 1903 en 1911 woonden, en waar mijn Friese grootmoeder Bieuwkje Kroese geboren is, bleek te zijn opgeknapt. De achterliggende schuur bood in 1911 plaats aan 23 koeien en een paard of wat. De woning heeft jarenlang leeg gestaan en was zelfs onbewoonbaar verklaard, maar is daarna recreatiewoning geweest, en nu wonen er Oekraïense vluchtelingen in:

Aan het begin van dezelfde weg, de Wearbuorren (Weerburen) deze steen met Friese koe terzijde van de ree naar een kapitale boerderij die te koop staat, maar waaraan de makelaar nog geen ruchtbaarheid heeft gegeven via internet:

Op naar de volgende kerk, die van Aldtsjerk (Oudkerk) – iets rechts buiten beeld liggen mijn overgrootouders sinds 1929 en 1935 bij het koor begraven:

In de kerk was ik nog nooit geweest – er liggen een paar magnifieke grafstenen van pommeranten uit de zestiende eeuw:

Helaas hebben radicale democraten in de revolutionaire periode 1795-1798, naast zijn familiewapens, het gezicht van deze aristocraat geschonden:

De rijk bewerkte kansel in Vlaamse renaissancestijl (ca. 1630) waarop vanaf 1944 de ‘rooie’ dominee Hein Gietema stond – de vader van de roemruchte Groninger wethouder Ypke Gietema:

De herenbank van de plaatselijke jonkersfamilie Van Sminia. pal tegenover de kansel. Of herenbank? Het is meer een soort van loge, met zijn losse stoelen:

Mozes met zijn stenen tafelen boven het bord met de tien geboden (zoals je er ook een hebt in Leegkerk):

Op de terugweg naar Hurdegaryp haalde mij een feestwagen in met een Caribisch piratenschip op woelige baren:

In Hurdegaryp bleek het station uitgestorven en zou de trein sowieso nog een poos op zich laten wachten, àls hij zou komen. Besloot om ook de hele weg terug maar te fietsen. Op die manier in totaal ruim 100 kilometer weggetrapt. Stukje baksteenkunst van een koning met een tube tandpasta in de aanslag?:

Uil bij de weg in Twijzel, waar men kennelijk een dorpsfeest vierde:

Een van de fraaie bruggetjes over de Stroobossertrekvaart:

In Stroobos, wachtend voor de brug over het Van Starkenborgkanaal:


Bij de Moark, de Kooi en ’t Poltje op Wearbuorren en Hjelburd

Op Delpher kranten zoekend op de namen van mijn Friese overgrootvader Frans Gerrits Kroese en diens laatste Friese woonplaats Roodkerk, vond ik dat zijn huurboerderij begin 1911 onder de hamer kwam met enkele percelen land:

Eerst was er op 26 januari dat jaar een provisionele veiling, waarschijnlijk bij opbod, om de prijs te zetten. Interessant zijn de veldnamen: Weerburen als adres van de boerderij, het belendende weiland ‘Het Poltje’, wat een soort bult of maaiveldverheffing, podium of terp doet vermoeden, en de wat verderop gelegen weiland ‘Derdehalf bij de Kooi’ “nabij de Murk en de Kooi op Haelburd”

Die toponiemen worden nog eens herhaald in de aankondiging van de finale veiling, denkelijk bij afslag (afmijning) vanaf het hoogste bod met een ophogingsbedrag, op 9 februari. Deze tweede veiling wordt in een andere herberg in Oudkerk gehouden. Blijkbaar hield de notaris graag iedereen te vriend. Naast de veldnamen noemt de advertentie nu ook de hoogste biedingen van de eerste ronde. Daarop afgaande stelde het vastgoed dat mijn overgrootvader gehuurd had, niet echt veel voor.:

De veldnamen vond ik terug door op Topotijdreis te kijken naar de topografische kaarten van Roodkerk, Oudkerk en omgeving. Op dit kaartfragment heb ik ze zwart omcirkeld:

De thuisomgeving van mijn overgrootvader bestond voornamelijk uit weiland, maar er was ook wat bouwland. Dat weiland lag deels een halve meter onder NAP: je hoorde er veel kieviten, grutto’s en andere weidevogels in het natte voorjaar. In de eendenkooi met zijn vangpijpen werden eenden gelokt en gedood voor consumptie. De kooiker kwam regelmatig voorbij met zijn hondje – hij moet een belangrijk sociaal contact van overgrootvader Kroese geweest zijn. Diens vermoedelijke boerderij, tot slot, heb ik rood omcirkeld. Het Poltje gaf ik weer als een wolkachtige vorm op de plek ten zuiden van de Kooi, waar volgens oudere topografische kaarten zo’n verhoging te vinden was. Als ik detector-amateur was, ging ik daar eens zoeken. Tot slot zij nog gewezen op het kanaaltje bovenaan de kaart: de Moark (Fr.) of Murk (Nl.), die Oudkerk met Rinsumageest verbindt en die in strenge winters een vast onderdeel vormde van de Elfstedentochtroute.

Inmiddels heb ik bij Tresoar om scans van de notariële veilingakte(n) gevraagd, eens kijken of mijn veronderstellingen ook uitkomen: zulke akten bevatten immers de kadasternummers waarmee je de ligging van de percelen bij HisGis op de kaart kunt opzoeken. Bovendien staat de naam van de huisbaas en landeigenaar erin – dat is ook wel aardig om te weten.

Naschrift 8 september:

Wat betreft de Kooi en de Derdehalf bij de Kooi zat ik wel goed, maar de boerderij en het Poltsje bevonden zich 330 meter verder naar het oosten dan gedacht. Zie het nieuwe stukje op basis van de notariële akte die Tresoar me toestuurde.


Staat ter dekking een beer

Mijn overgrootvader Frans Gerrits Kroese (ook wel eens als Kroeze gespeld) blijkt in de periode dat hij en zijn gezin aan het Oosterzand onder Oldekerk woonden (1910-1919) nog een volbloed inlandse stamboekbeer ter dekking te hebben gehad, getuige advertenties in het Nieuwsblad van het Noorden van 31 juli en 6 oktober 1915;

Daar was hij niet uniek in, d waren er wel meer, destijds. De dekgelden varieerden van een halve gulden tot twee gulden. Wat dat betreft hield mijn overgrootvader het mooi in het midden.


Het tragische leven van Jantje Bottinga

In een hoekje van mijn kwartierstaat zitten de Bottinga’s. De mannen visten van eind maart tot november, voor zover het weer dat toeliet, met wilgentenen schuttingen (“hargen”) en fuiken langs en op de Dollard. De vrouwen brachten als “visdraagsters” de gevangen bot en garnaal naar plaatsen als Winschoten en Delfzijl.

Polder na polder kromp de Dollard en verminderde de vangst. Veel verdienden de vissers niet, misschien iets meer dan boerenarbeiders. Niet iedereen kon in het visserijbedrijf terecht, er was een zekere uitstoot van arbeidskrachten naar landbouw, industrie en havenwezen.

Een van die overtollige mensen was Jantje Bottinga (Finsterwolde 1822 – 1895 Veendam), een tante van mijn betovergrootmoeder Trientje Bottinga. Als dochter van de visser Jan Jakob Bottinga en diens vrouw Klaassien Hindriks Kugel (ook wel gespeld als Kuigel of Koegel), sloeg Jantje een andere richting in, zowel geografisch als sociaal.

Vier  maal ongehuwd moeder

Terwijl zo’n beetje de hele familie Bottinga – ook haar oudste broer was Dollardvisser – vanwege de betere visvangstperspectieven tussen 1850 en 1864  van Finsterwolde aan de zuidkant naar Termunten aan de westkant van de Dollard verhuisde, bleef Jantje het grootste deel van haar leven in Finsterwolde wonen. Tussen haar 26ste en 41ste werd ze daar vier maal ongehuwd moeder: in 1848 en 1863 van twee dochters, die ze beide naar haar moeder Klaassien noemde, en in 1852 en in 1858 van twee zoons, respectievelijk Jan (naar Jantjes vader) en Klaas geheten. De beide dochters haalden hun eerste verjaardag niet, de zoons bleven langer leven. In de eerste drie akten burgerlijk stand heet Jantje “zonder beroep”, in het tweede drietal wordt ze “dagloonster” genoemd. Ongetwijfeld zal er scheef tegen haar als ongehuwd moeder zijn aangekeken. Maar haar drie oudere zusters droegen dat odium ook, en dat zal dan voor Jantje wellicht wat minder zwaar en hatelijk zijn geweest.  

Net als haar oudste zuster, de visverkoopster Grietje, zou Jantje veel later alsnog trouwen. Dat deed ze op haar 44ste, toen ze nog steeds in Finsterwolde woonde, met de zestien jaar jongere kleermaker Sjoerd Rentema Leopold. Hij was in Dokkum geboren als zoon van een onderwijzer, die naderhand als belastingcontroleur met zijn gezin in Oude Pekela terecht was gekomen. Ten tijde van Sjoerds huwelijk met Jantje Bottinga (januari 1867) leefden zijn ouders niet meer, en woonde Sjoerd inmiddels te Winschoten. Tussen zijn achtergrond en die van Jantje bestond er een verschil, dat wordt geaccentueerd doordat hij wel de huwelijksakte ondertekende, maar zij  niet, omdat ze “verklaarde de schrijfkunst niet geleerd te hebben”. Afgaande op hun overige huwelijksjaren lijkt er ook sprake te zijn geweest van een mésalliance. Gaandeweg dit verhaal bekroop me het gevoel dat hij haar uit medelijden trouwde.

Bedelarij in Friesland

Waar de praktisch analfabete Jantje Bottinga en de schoolmeesterszoon de eerste tijd na hun huwelijk woonden, kon ik eerst maar moeilijk gewaar worden. Sjoerd Leopold ontbreekt in het bevolkingsregister van Finsterwolde, terwijl zijn naam en die van Jantje in het register van Winschoten over 1860-1900 steeds gescheiden van elkaar op verschillende adressen genoteerd staan, zodat het erop lijkt dat ze ook hier niet hebben samengewoond. Waarschijnlijk zijn ze na hun huwelijk naar Dokkum vertrokken, waar Jantje vlak na hun huwelijk inderdaad als bewoner ingeschreven heeft gestaan. In de buurt van Dokkum werd ze in maart 1867 opgepakt wegens bedelarij. De rechtbank te Leeuwarden veroordeelde haar tot veertien dagen gevangenisstraf, maar voor bedelaars had de staat nog iets extra’s in petto, te weten opzending naar een rijkswerkinrichting. In Jantjes geval ging het om die in Veenhuizen, waar ze pas op 28 augustus 1869, dus na bijna 2,5 jaar gedwongen verblijf, weer uit vrijkwam.

De heropvoeding  tot een arbeidzaam leven mocht in haar geval niet langdurig baten. Na anderhalf jaar vrijheid, op 9 april 1871, werd Jantje Bottinga (47), vrouw van Sjoerd Leopold en “arbeidster”, namelijk opnieuw opgepakt, ditmaal wegens “bedelarij in verbinding” met haar beide zoons Jan (18 en pottenbakker) en Klaas (14, sigarenmaker). Dat gebeurde in Bergum, halverwege Dokkum en Drachten, waar ze “te zamen en in vereeniging met elkaar” nota bene bij de lokale veldwachter thuis om een aalmoes kwamen vragen. Alle drie woonden ze in Dokkum. In een soort van snelrechtprocedure maakte de Leeuwarder rechtbank korte metten. Reeds op  12 april kreeg Jantje drie maanden cel, en haar beide zoons veertien dagen. Terwijl haar zoons wegens hun minderjarigheid nog op clementie mochten rekenen, kwam Jantje, nadat ze haar celstraf had uitgediend, opnieuw in het “bedelaarsgesticht” te Veenhuizen terecht. Ze zou er pas op 7 juli 1873 uit worden ontslagen. Intussen overleed haar jongste zoon Klaas in Dokkum – of ze die ooit heeft teruggezien, is nog maar de vraag. In elk geval ging ze niet opnieuw de fout in: haar naam ontbreekt verder in de registers van Veenhuizen, en ook in die van Friese en Groninger gedetineerden.

Muntendam – Winschoten – Heiligerlee

Na Klaas zijn dood had Jantje nog maar één kind over: Jan. In 1878 trouwde hij als arbeider in Muntendam met een acht jaar oudere werkvrouw, de weduwe van een bezembinder. Misschien heeft Jantje daar in Muntendam bij ze ingewoond. Weliswaar kocht haar man Sjoerd Leopold een huis met tuin in Heiligerlee, maar liet daar vooreerst familie van hem wonen terwijl hij zelf in Winschoten domicilie hield. In de Provinciale Groninger Courant beklaagde hij zich in juli 1880 vanuit die plaats over de behandeling die een krankzinnige bloedverwant van hem ondervond. Deze ingezetene van Heiligerlee was op last van de loco-burgemeester van de gemeente Scheemda onderin de toren van Scheemda opgesloten, volgens Leopold

in een afschuwelijk hol, met een weinig stroo op den vochtigen steenen vloer, zonder plaats om zijn behoefte te doen, en zoo donker dat men er eerst eenigen tijd moest vertoeven om den ongelukkige te kunnen zien.

Leopold achtte deze “akelige omgeving” in staat “om een normaal mensch krankzinnig te doen worden” en wilde er daarom graag de aandacht op vestigen. Dat lukte hem buitengewoon goed, want het bericht uit de Groninger krant werd door allerlei kranten in den lande overgenomen. Maar uiteindelijk haalde Leopolds klacht niets uit. De loco-burgemeester van Scheemda vond die klacht “zeer overdreven”, had geen behoefte aan “zedelessen”, zei dat hij de patiënt voor de veiligheid had laten opsluiten en liet deze gewoon zitten in dat gore, stinkende hol.

Samenwonend met een stoelenmatter

Terwijl Sjoerd Leopold vanuit Winschoten zijn strijd voor enige medemenselijkheid voerde,  woonde zijn vrouw Jantje Bottinga bij het Beneden Verlaat in Veendam samen met een andere man, te weten haar leeftijdgenoot Popke Hoekstra, oorspronkelijk afkomstig uit Zwaagwesteinde. Popke was weduwnaar en stoelmatter van beroep. Medio juni 1880 hadden hij en Jantje zich vanuit Muntendam in Veendam gevestigd, aldus het bevolkingsregister van die laatste plaats. In het Muntendammer register heb ik ze echter niet gevonden, mogelijk omdat ze er slechts kort woonden, na hun aankomst vanuit Noordoost-Friesland.

Hoe het ook zij, Jantje Bottinga en Popke Hoekstra verhuisden begin 1882 naar Winschoten K53, tevens Jantjes laatste adres. Jantje en haar officiële man Sjoerd Leopold bleven gescheiden van elkaar leven, tot Sjoerds laatste snik: in 1888 overleed hij in het verre Delft, waar hij tijdelijk aan het Koningsplein, dichtbij Den Haag, als kleermaker werkte. Zijn doodsakte werd naderhand vanuit Delft opgestuurd naar Scheemda, waar hij intussen blijkbaar officieel woonde, en dat dan waarschijnlijk  in het huis dat hij in 1879 voor familie had gekocht. Bij de veiling van dit vastgoed in 1894 deed het nog slechts 350 gulden van de 600 die hij er vijftien jaar eerder voor had neergeteld. Dat was niet veel.

Jantje Bottinga’s laatste jaren

Leopold en zijn vrouw waren waarschijnlijk niet in gemeenschap van goederen getrouwd, zodat Jantje niets erfde, want begin 1895 vroeg ze via een bemiddelaarster om financiële steun bij de diaconie van de hervormde gemeente Winschoten. Het college van diakenen verwees haar echter door naar het armbestuur van de burgerlijke gemeente, “omreden zij, voor zoover ons bekend, geen lidmaat des N.H. Kerk is” (de bedeling door de diaconie was uitsluitend voor kerklidmaten). Eind oktober verzocht ds. Van Hoorn, een van de Winschoter predikanten, om opname in het diaconale werk- en gasthuis voor Popke Hoekstra – die inmiddels een uitkering van het Burgerlijk Armbestuur ontving – èn “zijne bijzit Jantje Bottenga die ook nu weer even als ’t vorige winter beweerde lidmaat der Herv. Kerk te zijn”. Na enige discussie wilde de diaconie het verzoek wel inwilligen, mits het Burgerlijk Armbestuur de diaconie daarvoor een daalder per week zou betalen. Jantje Bottinga zou net als Hoekstra in het gasthuis mogen komen wonen, maar dan voor rekening van de diaconie zelf, “zoodra ons ’t blijkt dat ze lidmaat is”. Ds. Van Hoorn moest opnieuw achter haar attestatie van kerklidmaatschap aan, die hij tot dan toe niet had kunnen bekomen.

Blijkbaar kreeg Jantje, hangende die procedure, de facto steun en een plaatsje in het diaconale werk- en gasthuis. Ze maakte zich daar echter vrij snel onmogelijk. De werkhuismeester stuurde haar weg, een besluit dat de diaconie kon billijken – op 20 december spraken de diakenen uit dat hij “in dit speciale geval juist gehandeld had”.

Die avond stierf Jantje Bottinga, niet in Winschoten, maar in Veendam, de woonplaats van haar zoon Jan. De Winschoter Courant meldt over de toedracht:

In het Oosterdiep nabij de [tram]remise te Veendam werd bedennamiddag drijvende gevonden het lijk van Jantje Bottinga , ruim 70 jaren oud. De oude vrouw , die voor ruim 4 weken als gealimenteerde in het diaconiearmhuis alhier werd opgenomen, doch voor eenige dagen daaruit werd verwijderd, had een zoon te Veendam wonen , bij wien zij nu zeker een goed heenkomen wilde zoeken. Na gisteravond halfnegen met den tram van Pekela te zijn gekomen , vermoedt men dat zij, uitstappende bij de remise, in het vaarwater is geloopen toen ze te voet den weg naar het Beneden-Vallaat wilde afleggen.

Jantje had zelf jaren in Veendam gewoond en kende er dus goed de weg. Of ze misgelopen is? Bij mist verdronken wel meer mensen. Maar soms pleegden mensen, die het zwemmen niet machtig waren, ook wel zelfmoord door zich te verdrinken.

De Winschoter diakenen maakten in elk geval geen woord vuil aan haar dood. Ook de kerkeraad zweeg in alle talen.

Met dank aan Wil Schackmann en Albert Beuse voor informatie over de ‘criminele loopbaan’ en strafrechtpleging inzake Jantje Bottinga.


Waar de vissers het vruchtbaarst waren. Over de rangorde van Finsterwolde en Termunten als vissersplaatsen in de Dollardregio

Voordat de Oostwolderpolder er in 1769 voor de kust kwam te liggen, was Oostwold nog een armoedig garnalenvissersdorpje. Na de indijking lag de kustlijn een heel eind verderop en hoor je er niet meer over vissers. Die lijken te zijn weggetrokken naar het naburige Finsterwolde, dat in 1794 nog gold als enige woonplaats aan de Dollard van “vischers, die in het vangen van bot en garneel hunne kost zogten”.

Door verhoging van de kwelders en de komst van de Finsterwolderpolder van 1819, zou ook hier echter de kustlijn opschuiven, een ontwikkeling  die nog een extra impuls kreeg na de indijking van beide Reiderwolderpolders (1862-1874). Een gevolg was, dat ook in Finsterwolde de visvangsten verminderden. Dat gebeurde midden negentiende eeuw al. Toch waren toen van de 15 Dollardvissers die met hun gezinnen volledig van de visvangst leefden er 10 woonachtig Finsterwolde,

Tegelijkertijd verhuisden de Bottinga’s, vissers in mijn voorfamilie. van Finsterwolde naar Termunten, de gemeente die later om haar Eems- en Dollardvisserij bekend zou staan, terwijl de visserij van Finsterwolde juist totaal verdween. Of die verhuisbeweging tussen Finsterwolde en Termunten meer algemeen en structureel mag noemen voor de regionale visserij, is dan de vraag, en die komt hier aan de orde.

Omdat beroepsstatistieken me nog ontbreken en bevolkingsregisters lacuneus en vaak ook nog moeilijk leesbaar zijn, beantwoord ik de vraag voorlopig even aan de hand van de burgerlijke stand, zoals gedigitaliseerd in Alle Groningers. Primair gaat het dan om de geboorteakten van enerzijds Finsterwolde en anderzijds Termunten. Hoe vaak noemen die akten vissers als vaders en zit daar dan ook een ontwikkeling in, waarbij Finsterwolde zijn voorrang als vissersplaats afstaat aan Termunten? Eerst zijn met %visscher alle vissers uit het materiaal gehaald, en vervolgens is die groep gefilterd op beide gemeenten afzonderlijk, geboorteakten en de vadersrol. Daarna heb ik de kinderen met vissers als vaders per tien jaar geteld. Het resultaat vindt u in dit tabelletje:

PeriodeFinsterwoldeTermunten
1810 t/m 1819144
1820 t/m 1829153
1830 t/m 183991
1840 t/m 1849177
1850 t/m 1859203
1860 t/m 186911
1870 t/m 187948
1880 t/m 1889194
1890 t/m 1899150
1900 t/m 1909187
1910 t/m 19191010
TOTAAL14248

Over de gehele periode 1810-1919 werden in Finsterwolde bijna drie maal zoveel kinderen met een visser als vader aangegeven, dan in Termunten.  In elke decade lag Finsterwolde een straatlengte voor op Termunten, met uitzondering van de periode 1860-1879 en het decennium vanaf 1910. De tijdelijke voorsprong  tussen 1860 en 1880 van Termunten moet samenhangen met de verhuizing van de Bottinga’s en enkele andere gezinnen.

Maar dat er nog geen sprake van een structureel vertrek van de visserij uit Finsterwolde was, wordt ook duidelijk. De definitieve leegloop moet pas gaandeweg de twintigste eeuw op gang zijn gekomen, waarbij het gelijk opgaan in het decennium vanaf 1910 wellicht de opmaat vormde tot de latere ontwikkeling.

Voor vissers als bruidegoms in huwelijksakten en vissers als overledenen in overlijdensakten zijn de getallen veel kleiner en daarom moeilijker te periodiseren zonder dat ze hun zeggingskracht verliezen. Maar over de hele periode 1811 tot 1940 noteerde de gemeente Finsterwolde 30 vissers als bruidegoms terwijl Termunten er slechts 22 had, dus ook weer veel minder dan Finsterwolde. Hetzelfde geldt voor overleden vissers in overlijdensakten uit de periode 1811-1950: Finsterwolde registreerde er 18, tegen Termunten 4.

Anders gezegd: in de openbare burgerlijke standsakten van Finsterwolde zitten drie maal zoveel kinderen met een visser als vader, anderhalf maal zoveel vissers als bruidegoms en bijna vijf maal zoveel vissers als overledenen, dan in dezelfde akten van Termunten. Finsterwolde bleef dus tot in de twintigste eeuw dè vissersplaats bij uitstek van deze regio. De dip van 1860-1879 was niet structureel – anders dan eerder bij Oostwold hadden de inpolderingen en (daarmee samenhangende?) verhuizingen eerst nog geen blijvende invloed. Pas na de Eerste Wereldoorlog zou de visserij definitief uit Finsterwolde verdwijnen, terwijl Termunten haar plaats innam als vissersplaats nummer 1 van de Dollardregio.

Het kaartje: Groninger Archieven 1536-2318.


“Een sober, maar eerlijk middel van bestaan” – de verdiensten van een Dollardvisser

Volgens een historisch-statistisch bericht in het Nieuwsblad van het Noorden van 16 september 1926, waren er rond 1850 in totaal nog vijftien vissers op de Dollard actief, die met hun gezinnen volledig van de visvangst leefden. Deze vissers hadden hun ‘thuishaven’ niet in Termunten/Termunterzijl, zoals we, geredeneerd vanuit het nu, misschien geneigd zijn te denken: 10 van de 15 woonden er in Finsterwolde en slechts 3 in Termunten, terwijl er bovendien nog 2 bij de Beersterzijl zaten. Op elke visser waren er twee “omlopers” of venters, gewoonlijk vissersvrouwen of -dochters, die de garnalen en bot wat verder van de kust in het binnenland verkochten. Te Finsterwolde had je bovendien nog enkele gespecialiseerde voerlui, die met hun viskarren grotere partijen van de Beersterzijl naar dat dorp en naar Scheemda vervoerden. De kinderen meegerekend, hadden er zo’n 150 ‘Finnewolmers’ in de visvangst op de Dollard “een sober, maar eerlijk middel van bestaan”.

In 1851 , aldus een ander bericht, vingen die tien vissers van Finsterwolde samen 8000 korven garnalen en 200 korven bot. Inclusief wat kleinere posten genereerden die een gezamenlijke jaaromzet van ruim 4000 gulden, dus zo’n 400 gulden per visser. Maar dat was uiteraard een bruto-inkomen. Daar gingen nog de kosten voor aanschaf en onderhoud van het scheepje, het zeil, de netten, kubben, korven en wilgentenen schutten of “hargen” vanaf. Volgens het Nieuwsblad-artikel bleef er na aftrek van die investeringen per visser een netto-inkomen van minder dan 250 gulden over. Een visventster bracht daarbij nog een kleine 100 gulden in het visserswoninkje, maakte samen hooguit 350 gulden, waarschijnlijk niet eens zoveel meer dan een landarbeidersgezin destijds te besteden had.

Medio negentiende eeuw verminderden de opbrengsten: door de steeds  verder oprukkende landaanwinning en inpoldering, maar ook door de steeds hoger opslibbende kwelders aan de buitenkant van de zeedijk.


Een bruinvis in de Dollard

Coverfoto van Het Noorden in Woord en Beeld de dato 7 juni 1929, waarop de garnalenvisser Jurjen Bakker uit de Reiderwolderpolder (gemeente Finsterwolde) poseert met een bruinvis die hij een week eerder aantrof in een van zijn garnalenkuilen. Volgens het bijschrift zou het beest niet lang meer “speulen as ’n broenvisch”. De visserman droeg het dan wel op handen, maar had het getuige de bloedsporen bij de snuit een beste klap verkocht.

Bruinvissen waren destijds al zeldzaam. Voor zover ik het kan overzien, heeft dit exemplaar niet eens de kranten gehaald, maar dat zal komen doordat er dat jaar al eerder wat bruinvissen bij de kust waren gesignaleerd. Het nieuwtje was er dus even af.

Jurjen of Jurrien Bakker (1869-1946) kon het geld dat hij voor de bruinvis ging beuren, goed gebruiken. In 1888, op zijn negentiende, trouwde hij een buurmeisje van de Ganzendijk, en samen kregen ze tussen dat jaar en 1912 maar liefst negentien kinderen, waarvan er vier als zuigeling overleden. Die kinderen werden doorgaans in de Reiderwolderpolder en soms op de Ganzendijk geboren, maar de jongste drie kwamen ter wereld in Termunten, waar het gezin in 1906 of 1907 naar toe verhuisd was. Naderhand keerde het weer naar de Reiderwolderpolder terug, waar Bakker ook stierf.

Die verhuisbeweging van Finsterwolde aan de zuidkant, naar Termunten aan de noordwestkant van de Dollard, kwam trouwens vaker voor onder visserlui. Ook de Bottingas’s, voorfamilie van mij, deden dat een paar generaties eerder. Je zou allicht kunnen denken dat die verhuisbeweging voortkwam uit de steeds verdere inpoldering van de Dollard bij Finsterwolde, maar of het om iets structureels voor de hele bedrijfstak der visserij ging, ben ik nog aan ’t onderzoeken,


Locomobielen van Buiskool te Beerta

Advertentie uit de Winschoter Courant van 8 augustus 1898, waarin zes boeren uit de Reiderwolderpolder een goed woordje doen voor de zuinige locomobielen van machinefabriek G. Buiskool te Beerta. Gezien de advertentie erboven maakte dit in elk geval sinds 1893 bestaande bedrijf naast locomobielen ook stoomketels, dorsmachines en zaagmachines. Bovendien is er vlak na de vestiging sprake van korenpletters, bonenbrekers en sproeimachines. Vanaf 1898 deed Geert Buiskool echter tevens in fietsen van de Duitse merken Hercules en Albatros.

Van de ondertekenaars der aanbevelng in de krant waren D.J. Mellema, F. Brinkman en E. Roelofs getuigen bij het huwelijk van mijn overgrootouders. Onnes en Barlagen waren bovendien zoon en schoonzoon van de vierde getuige bij dat huwelijk.

Barlagen op de Onnesheerd was werkgever van mijn overgrootvader Elzo Perton (1831-1908) die tot op hoge leeftijd nog werkte. Als vaste arbeider zal Elzo dus ook te maken hebben gehad met zo’n locomobiel van Buiskool voor de aandrijving van de dorsmachine .

Het bedrijf van Geert Buiskool (Beerta 1866-Zuidlaren 1936) bestond tot 1921, toen Buiskool en zijn gezin naar Zuidlaren verhuisden. Zijn meesterknecht zette de zaak voort en de locomobielen ervan zijn getuige advertenties nog in 1930 te koop. Er zijn nog enkele van bewaard. Een achterkleinzoon vertelt over het bedrijf in een aardig filmpje.

Naschrift:

Buiskool en zijn autobus, een Spijker, uit 1906.


Prominente polderboeren getuigden bij huwelijk van arbeiderskinderen

Toen ik een tijd geleden nog eens  de huwelijksakte uit 1889 van Geert Perton en Antje Tuin bekeek, mijn overgrootouders uit Finsterwolde, viel me iets merkwaardigs op.  Gewoonlijk werd zo’n akte getekend door vier naaste familieleden van het bruidspaar, eventueel aangevuld met buren of ambtenaren van het gemeentehuis. Bij Geert en Antje ging het echter om vier landbouwers, alle vier uit de Reiderwolderpolder.

Misschien kwam het een enkele keer wel eens voor dat een boer als getuige  optrad bij een huwelijk van arbeiderskinderen, maar hier ging het om vier, en dat terwijl in het Oldambt de sociale afstand tussen boeren en arbeiders vrij groot was. In de flankerende akten komen de vier ook niet voor – het was dus niet zo dat het boerenkwartet toevallig in het gemeentehuis aanwezig was, ze waren hier speciaal voor dit huwelijk.

Ook binnen de boerenstand ging het om prominenten, kopstukken:

Derk Jans Mellema (51)

Geboren 1837 te Nieuw-Beerta als zoon van een landbouwer. Met zijn vrouw in 1863 verhuisd naar een nieuwe boerderij in de pas ingepolderde Reiderwolderpolder A, waar bijna al hun kinderen jong stierven. Mellema was een befaamd paardenfokker, bij selecties van paarden voor het leger viel de keuze nogal eens op dieren uit zijn stal. Zijn hengst Kees viel in de prijzen bij een harddraverij in Groningen. Naderhand zijn er speciale keuringen van veulens die van Kees afstammen. Mellema zat vanaf 1888 in het bestuur van de strokartonfabriek De Dollard in Nieuweschans. Hij overleed in 1903.

Eltjo Tjark Roelofs (48)

Geboren in 1840 te Finsterwolde, waar zijn vader, de landbouwer Roelof Jurjen Roelofs, vanaf 1850 ruim twintig jaar burgemeester was. Net als Mellema behoorde Eltjo Roelofs tot de eerste lichting boeren van de Reiderwolderpolder. Hij overleed in 1926.

Filippus Brinkman (42)

Geboren 1847 te Finsterwolde als zoon van een dagloner. Trouwde in 1877 een boerendochter, (waarlijk iets zeldzaams!). Brinkman overleed in 1926.

Cornelius Jan Onnes (58)

Geboren in 1831 op de Kroonpolder als zoon van een landbouwer. Trouwde in 1859 een dochter van het bekende liberale tweede kamerlid Jan Freerks Zijlker, tevens boer te Nieuw-Beerta. Ook Onnes’ zwager, Zijlkers zoon, was kamerlid, in 1889 nog steeds. Onnes zou in 1917 op ’t Waar overlijden.

Natuurlijk vroeg ik me af waarom deze ‘dikke boeren’ in 1889 Geert Perton en Antje Tuin de eer aandeden, als getuige bij hun huwelijk op te treden. Het antwoord kwam toen ik bij Delpher zocht met al hun achternamen tesamen. Op die manier kwam namelijk een jubileumboekje van een halve eeuw Reiderwolderpolder (1862-1912) tevoorschijn, waaruit bleek dat ze alle vier ten tijde van het huwelijk zitting hadden in het bestuur van die Reiderwolderpolder. Ze traden dus niet op als individuen, maar collectief, als dat bestuur.

Nu was Geerts vader Elzo Perton in zijn latere jaren, begin twintigste eeuw, werkzaam als vaste arbeider op de Onnesheerd in de Reiderwolderpolder A, toen inmiddels het eigendom van Onnes’ schoonzoon Barlagen (bijgenaamd Barlagen met de lange baard). Van Elzo  weet ik inmiddels ook dat hij in elk geval tussen 1869 en 1873 een bolschip of praam had, die bij de Ganzendijk lag en waarmee hij in die omgeving – waaronder we ook de Reiderwolderpolder A mogen rekenen – bijvoorbeeld grond en kwelderhooi zal hebben vervoerd.

Met grond en kwelderhooi had ook het polderbestuur te maken. Bij het onderhoud van watergangen en dijken kwam grond vrij, of moest er juist grond worden aangevoerd. Elke zomer waren er bovendien meerdere veilingen van kweldergras en -hooi dat van de andere kant van de Dollarddijk kwam. Mijn conclusie is dan, dat Elzo met die praam bepaalde werkzaamheden verrichtte voor het polderbestuur. Waarbij de onderlinge relatie zo goed moet zijn geweest, dat de boeren hem het plezier deden om te getuigen bij het huwelijk van zijn zoon Geert.

Binnenkort maar eens kijken in de rekeningen van het polderbestuur, of deze hypothese hout snijdt. Zo ja, dan zal de naam Elzo Perton daar meermalen in voorkomen. Misschien wordt er in een rekening of notulen van het polderbestuur zelfs melding gemaakt van het gezamenlijke uitstapje naar het gemeentehuis van Finsterwolde, op de huwelijksdag.

—-

Aanvulling 11 januari 2022

Heb nu ook even een blik kunnen slaan in het eerste deel van het Boerderijenboek Beerta e.o. Op de pagina’s 433-473 vinden we de in totaal 18 boerderijen in de Reiderwolderpolder A en B samen. Met B, in 1874 gereedgekomen voor rekening van de stad Groningen die er pachtboeren op zette, hebben we verder niets van doen. Want alle vier de boeren die getuigden bij het huwelijk van mijn overgrootouders Geert Perton en Antje Tuin bewoonden als eigenaars boerderijen in het eerste, particuliere, westelijke gedeelte van de Reiderwolderpolder (oftewel Reiderwolderpolder A) dat gereedkwam in 1864, toevallig ook het geboortejaar van Geert Perton.

Overigens geeft het boerderijenboek een aardig beeld van het vermogen van deze polder boeren. De totale aanlegkosten van de zeedijk plus uitwateringskanaal- en sluis (ook voor het achterland) bedroegen 711.880 gulden. Met de eerste koolzaadoogst – bruto-opbrengst ƒ 600.000,- – werden die aanlegkosten al grotendeels afbetaald. En met de tweede koolzaadoogst, die van 1865 (opbrengst 740.000 gulden) gebeurde dat helemaal.

Het boerderijenboek nummert de elf boerderijen van de Reiderwolderpolder A van west naar oost als 198 tot en met 208.

Derk Jan Mellema zat in 1889, ten tijde van het huwelijk van mijn overgrootouders, op 203.

Op 204 zat Eltjo Tjark Roelefs

Filippus Brinkman  woonde op 208, Torpsum, de meest oostelijke boerderij van Reiderwolderpolder A, Tot 1880 zat hij echter op 198, de meest westelijke heerd, terwijl zijn vader op 205 boerde.

Cornelius Jan Onnes, de schoonzoon van Zijlker,  had 202, de Onnesheerd. In 1892 nam zijn schoonzoon Derk Tonko Barlagen dit bedrijf over. Bij hem op de Onnesheerd, werkte mijn betovergrootvader Elzo Perton als vaste arbeider. Mogelijk was Elzo eerder in dienst van Onnes geweest. Onnes bezat ook 199, waarop hij eerst een bedrijfsleider zette, maar dat hij in vanaf 1889 verpachtte aan zijn zoon.

Al met al waren in 1889 van de elf boerderijen in de Reiderwolderpolder A er vijf (de nummers 199, 202, 203, 204 en 208 in bezit van getuigen bij het huwelijk van mijn overgrootouders. Nog een ander had bovendien een vader met een boerderij (205) in de Reiderwolderpolder A.


De beste wensen van Sieno Perton voor 1933

De Bellingwolder tak die zich rond 1820 van de Oldamtster familie Perton afsplitste, was niet alleen wat commerciëler, maar ook wat cultureler, zo blijkt uit de Winschoter Courant. Exponent was Sieno Perton, die er net niet in slaagde om in drie eeuwen te hebben geleefd. Hij had een manufacturenzaak in de buurtschap van de Rhederbrug, waar hij voor de oorlog een grote rol in het lokale verenigingsleven speelde. Na de oorlog is hij nog jarenlang PvdA-wethouder van Bellingwolde geweest. Deze advertentie van hem stond in de Winschoter Courant van 31 december 1932.

Naschrift 2-2-2022:

Van mijn achter-achter-achter-achterneef René kreeg ik nog deze foto toegestuurd van Sieno Pertons manufacturenzaak bij de Rhederbrug in Bellingwolde, ergens in de jaren dertig:

Sieno, zijn vrouw en hun zoon staan in het portaal voor de winkeldeur. Links en rechts naast ze staat hun personeel. Het is opruiming.

In maart 1929 deden Sieno en vrouw hun eerdere, zich even verderop aan de Rhederweg bevindende winkel in tabak en schrijfbenodigdheden van de hand. Ze kochten er een lap bouwgrond vlakbij de brug voor weer, waar ze deze manufacturenzaak op lieten bouwen. De zaak opende eind dat jaar. In advertenties noemde Sieno deze “de goedkooper volkswinkel”. Volgens een advertentie uit 1931 was hij erin geslaagd zijn omzet “aanmerkelijk te vergroten”.


De balen van katoen (2)

Vaak zie je dezelfde berichtjes in allerlei kranten in gelijkluidende bewoordingen terugkomen, maar hoe dichterbij het nieuws, des te uitgebreider het kan zijn. Dat blijkt ook uit het bericht over de tragische dood van H. Perton, die op 20 juni 1913 in de fabriek van Van Heek te Enschede bedolven raakte onder een baal katoen. Terwijl de Amersfoortsche dat ultrakort hield, gaf de Zwolsche Courant die avond wat meer bijzonderheden prijs:

Volgens de Zwolsche ging het allereerst niet om een fabrieksarbeider, maar om een metselaar die bezig was een riool te repareren. Anders dan andere kranten noemt de Zwolsche de naam van de fabriek. Dat mijn verre familielid onder de baal in een rioolput belandde, vind je elders niet, zoals andere kranten ook het gewicht van de baal en de reddingspogingen onvermeld lieten.

Door een reactie op mijn vorige van mijn achterachterachterneef René Perton, wist ik al dat het ging om een Hindrik Perton, zoon van een Heiko Perton, die al jong met zijn vrouw Free van Zomeren vanuit zijn geboorteplaats Bellingwolde naar Lonneker verhuisde. Daar in Twente kregen ze zes kinderen, die allemaal jong overleden. Overigens geeft de overlijdensakte van Hendrik bij WieWasWie wel fabrieksarbeider als zijn beroep op.


Grondkraak in Termunterzijl

Zou ik nog bijna vergeten dat de familie van mijn moeder ook deels uit het Oldambt komt en dus eveneens in die Winschoter Courant voor zou kunnen komen. En ja hoor, het is bingo in het nummer van 2 november 1884:

De Jan Vondeling (1833-1921) waarvan hier sprake is, was mijn betovergrootvader. Met een andere arbeider, Meindert Mossel uit Woldendorp, had hij een stuk grond bij het Termunterzijldiep gekraakt om er een woonkeet neer te zetten voor zijn gezin. Blijkbaar was het niet gelukt om gewoon een woning te huren. Het waterschapsbestuur liet deze “daad van willekeur” niet over zijn kant gaan en sprak hem voor de rechter aan. Die bonjourde de familie van het waterschapsperceel af.

Ook hier weer wat losse eindjes: de rechtszaak natuurlijk, en de notulen van het waterschapsbestuur, maar ik denk dat de familie ook wel eens kan voorkomen in archivalia van de armenzorg.


Een raadselachtig sterfgeval in Montreux

Dit stukje burgerlijke stand van de gemeente Scheemda, zoals opgenomen in de Winschoter Courant van 22 mei 1900, herbergde een verrassing: een naamgenoot van mijn betovergrootvader bleek overleden in Vernex, Zwitserland.

Volgens de corresponderende overlijdensakte van de gemeente Scheemda was deze Elzo Perton gestorven in het ziekenhuis te Vernex, een dorpje vlakbij Montreux in Franstalig Zwitserland. Volgens de akte oefende hij het beroep van kleermaker uit. Hij was begin 1861 geboren, dus nog  geen 40 jaar oud, en het stuk noemt als zijn ouders ene Gehrad Perton en diens vrouw Maguerite. Met zijn vrouw Marie Emma Bunt woonde Elzo in Heiligerlee, maar hij zou wel gedomicilieerd zijn geweest in Vernex.

Waarschijnlijk nam de Scheemder ambtenaar die wat exotisch klinkende namen van Elzo’s ouders klakkeloos over uit het overlijdensbericht zoals dat werd opgemaakt in de stad Montreux, want die namen blijken bij nader inzien danig verfranst. In werkelijkheid ging het om een Geert Perton en diens vrouw Grietje Brouwer te Westerlee. Deze vader Geert Perton was weer de oudste zoon van Aike Heikes Perton, een directe voorvader van mij die yot de tweede generatie Pertons in Nederland behoorde. Mijn betovergrootvader Elzo was een jongere broer van deze Geert. De ‘Zwitserse’ Elzo was dus een oomzegger van mijn betovergrootvader.

Het leven van de jongere Elzo is verder bijna geheel in nevelen gehuld. We kennen de naam van zijn ouders en vrouw, maar er is geen Nederlandse trouwakte, en kinderen zijn evenmin bekend van hem en zijn vrouw. Waarschijnlijk kwam zij uit Duitstalig gebied en in het Oldambt denk je dan al gauw aan Ost-Friesland. Of zou zij uit Zwitserland kunnen komen?  Ik denk van niet, want Montreux stond bekend als kuuroord, iets waarop ook dat ziekenhuis van Vernex als overlijdenslokatie wijst: mogelijk leed Elzo aan TBC, ging hij voor de heilzame lucht naar Zwitserland, waar de ziekte hem fataal werd.

Verder is er alleen een vestigingsadvertentie uit eind oktober 1889 van Elzo junior als kleermaker in Winschoten. Hij zat er redelijk centraal met zijn zaak aan de Engelstilstraat. Als hij daar ook gewoond heeft, moet hij later weer teruggekeerd zijn naar Heiligerlee:

Mogelijk komt Elzo’s vrouw wat beter uit de verf vanuit de bevolkingsregisters van Scheemda en Winschoten. Verder ontbreekt namelijk ieder spoor van haar.


De praam van Elzo Perton (2)

Na vele jaren wachten is vandaag eindelijk De Winschoter Courant online gekomen bij Delpher. Dat wil zeggen: van 1873 tot 1945 – voor de jaren na de bevrijding tot 1960 zijn de resultaten nog geblurred, maar je kunt je natuurlijk nog altijd met een lijst zoekresultaten bij de Groninger Archieven vervoegen om de nummers van die data daar na te kijken in de echte krantenleggers.

Natuurlijk heb ik meteen gezocht op mijn familienaam,. Het allereerste zoekresultaat bleek een advertentie uit eind januari 1873 voor een veiling in hotel Het Gemeentehuis te Beerta, waar onder andere het bolschip (of de praam) van mijn betovergrootvader Elzo Perton onder de hamer kwam.

Oorspronkelijk was deze praam van Elzo en zijn schoonvader samen, maar in 1869 had Elzo de helft van zijn schoonvader overgenomen. Dat het scheepje bij de Ganzendijk lag, bevestigt mijn vermoeden dat de actieradius – en daarmee het werkgebied – zich vooral aan de oostkant van Finsterwolde bevond. Binnenkort maar eens nagaan hoeveel de schuit opbracht – ik denk niet veel..

Verder zag ik veel berichten over branden en ongelukken die ik al eens eerder tegenkwam in andere kranten. Dat mijn overgrootvader Geert Perton (de zoon van Elzo) anno 1919 in het bestuur van een kersverse geitenfokvereniging en anno 1924 in het kiescollege van de hervormde kerkvoogdij van Finsterwolde had gezeten, was echter nieuw voor me.

Overigens zorgde de Bellingwolder tak van de familie Perton voor veel meer meldingen. Er bleek zelfs een kleine veenbaas bij te zitten. Daar stort ik me binnenkort maar eens op.


“Een der groote bijenstallen in Drenthe”

Oosterduinen bij Norg, september 1928. Volgens Het Noorden in Woord en Beeld was dit “een der groote bijenstallen in Drenthe”. Van een stal of overkapping is echter geen sprake, wel van een rij met zo’n 25 korven en kasten, dus volken. Als een noordelijk blad dit al heel wat vond, zegt me dat ook iets over mijn grootvader – die had er als jongeman in de Eerste Wereldoorlog maar liefst 40.