Een karakteristiek van Uffelte uit 1932

 

Meppeler Courant, 17 november 1933.

Uffelte is een echt boerendorpje. Een burgerij ontbreekt er bijna geheel. Als zoodanig zou men hoogstens den directeur van de boterfabriek, den kommies, den brugwachter en het personeel der school kunnen beschouwen. Het gemeentehuis, dokter, dominee enz. vindt men in Havelte. Dit heeft één voordeel: het bestuur over de vrij talrijke dorpsvereenigingen is in handen van de boeren gebleven.

De commies waarvan hier sprake is, was mijn grootvader. Hij en zijn gezin woonden van 1923 tot 1934 in Uffelte, waar ook mijn vader geboren is. In het laatstgenoemde jaar verhuisden ze ze naar Havelte. Dat het bestuur over de dorpsverenigingen in Uffelte puur in handen bleef van boeren, is onjuist. Mijn grootvader zat in het bestuur van de ijsvereniging, de zwemclub en de kippenfokvereniging en ik neem aan dat de andere schaarse ‘burgers’ van Uffelte – en dan met name de onderwijzers – ook zo hun steentje bijdroegen.

Bron: De Nederlander van 22 december 1932, tijdschriftenrubriek met een bespreking van het laatste nummer van het sociologische tijdschrift Mensch en Maatschappij, waarin K. van der Kleij, destijds woonachtig in Uffelte en later de drijvende kracht achter de Volkshogeschool in Havelte, een veel langer artikel over Uffelte had staan. Dat moet ik dan nog maar eens opzoeken.


Bij de gebroeders Soer dansten de kippen op tafel

Soer 1

Foto: Johan Witteveen.

Meermalen hoorde ik mijn moeder over een krantenstuk, dat twee bejaarde broers uit de omgeving van Havelte portretteerde. In welke krant het gestaan had, wist ze niet meer, maar ze had er de grootste lol om. De titel herinnerde ze zich als: “Bij de gebroeders Soer dansen de kippen op tafel”.

Checks met deze termen in de verschillende krantendatabases brachten het stuk echter niet tevoorschijn. Het stond in elk geval niet in de Telegraaf, het Nieuwblad van het Noorden, of de Leeuwarder dan wel de Meppeler Courant. Ook ontbrak in die kranten elke verwijzing naar het stuk. Eigenlijk had ik de moed al opgegeven het ooit te vinden, tot vorige week het Algemeen Dagblad bij Delpher online kwam, een krant waarop, zoals ik me naderhand realiseerde, mijn ouders in de jaren 70 geabonneerd waren. Het was vrijwel meteen raak: het AD van 26 maart 1977 bevat het stuk waar m’n moe zo’n plezier om had.

Het heeft een iets andere titel dan ze weergaf: “Bij de broers Soer danst de haan op tafel”. Het betreft een soort van korte sfeerreportage van een duidelijk literair bevlogen, maar anonieme verslaggever, die op visite is gegaan bij de monumentale, half ingestorte ’beestenboerderij’ van de gebroeders Marinus en Roelof Soer, respectievelijk 71 en 68 jaar oud.

Juist op dat moment dansen een haan en een kippetje op de tamelijk morsige tafel. Op die tafel liggen – o jakkie – ook al wat poepjes. Gestaag dwarrelen er veertjes naar beneden. Naast haan en kippen hebben de broers namelijk parkieten en duiven, binnen en buiten in kooitjes aan de muur. Bovendien lopen er nog ganzen rond op het erf dat een superbe zooi is, met een keur aan oud roest en een batterij wrakkige konijnenhokken.

Een paar jaar na dit stuk verschenen de broers nog in Showroom, een TV-programma over paradijsvogels van diverse pluimage dat vooral aandacht besteedde aan de deplorabele staat van de boerderij, naast het auto-ongeluk van de oudste broer en diens naïeve schilderijtjes, veelal portretten van TV-figuren.

Soer 2

Foto: Johan Witteveen.


‘De grootste boer van Nederland’

de grootste boer van Nederland DSC02592

Onder de kop ‘De grootste boer van Nederland’ wijdde het familieblad Revue in 1963 een artikel aan de uitgebreide bezittingen van de stad Groningen in Oost-Groningen, waarbij het de Groninger burgemeester Jan Tuin in verschillende agrarische situaties liet poseren als hereboer.

Gek genoeg bevat het stuk geen interview met of citaten van Tuin. Het is ook geen reportage, zoals het zich eerst voordoet. Het behelst qua tekst vooral een feitenrelaas van voorlichtende aard, waarvan ik vermoed dat Jan Tuin de informatie zelf aan de Revue verschafte. Het blad hoefde dan een en ander alleen wat smeuiïger op te schrijven, wat overigens tamelijk goed gelukt is.

De stad Groningen had destijds nog twee grote boerderijen die ze nog zelf exploiteerde, een bij de Dollard en de ander bij Ter Apel, samen 1200 hectare groot. Twee andere boerderijen, beide in de Ruigezandster polder, samen 400 hectare groot, werden periodiek verpacht. Dan had de Stad sinds de vervening nog 10.000 hectare in Oost-Groningen in bloot eigendom, maar ook 80 kilometer kanaal, 40 kilometer weg, 19 sluizen, 50 bruggen, 40 vonders en 47 woningen die haar in tegenstelling tot de boerderijen bij de Dollard en Ter Apel alleen maar geld kostten.

De boerderijen bij Ter Apel en de Dollard leverden de Stad jaarlijks nog een mooi sommetje op. Als burgemeester was Jan Tuin eindverantwoordelijk voor de exploitatie.

Dat de Revue hem portretteerde als “de grootste boer van Nederland”, zal vele Groningers die week hebben doen glimlachen. Ze droegen hun burgemeester op handen en vereenzelvigden zich bijna met hem. Dat kwam doordat Tuin van zeer eenvoudige komaf was. Hij stamde uit een landarbeidersfamilie in Finsterwolde – heel wat anders dan een boer! Zijn vader Harm, een anarchistische dagloner en geheelonthouder, verkocht vanuit ‘t huis aan de Klinkerweg socialistische en anarchistische lectuur en dankte daaraan de bijnaam ‘Harm Boukje’.

Als onderwijzer in Finsterwolde, Winschoten Oude Pekela, was zoon Jan Tuin regionaal actief voor de SDAP en maakte via de Groninger Staten carrière in de politiek: burgemeester van Hoogezand (1937), gedeputeerde en kamerlid voor de PvdA (1946) en burgemeester van de stad Groningen (1951). Jan Tuin was hier de eerste sociaaldemocraat in deze functie. Vanwege zijn komaf en politieke kleur bestond er aanvankelijk wel wat weerstand tegen hem, maar hij overwon die door zich van meet af aan onpartijdig op te stellen. In het college van B&W nam hij de zware wederopbouwportefeuille op zich, met woningbouw, stadsuitbreiding en verkeerszaken. Onder zijn verantwoordelijkheid kwamen o.a. het nieuwe (inmiddels weer gesloopte) stadhuis op de Grote Markt, het hoofdbureau van politie aan de Rademarkt en zwembad de Papiermolen tot stand.

Bij zijn pensionering in 1965 waren links en rechts het erover eens, dat ze ‘een echte burgervader’ kwijtraakten, die steeds boven de partijen stond en gewaakt had voor handhaving van een goede sfeer. De bestuurlijke spil van de Groninger wederopbouw kreeg een geweldig afscheid met o.a. een défilé van duizenden Groningers en hun organisaties op de Grote Markt.

Jan Tuin, een neef van mijn grootvader – de gezinnen woonden naast elkaar in Finsterwolde – was tevens de ontwerper van de Groninger vlag zoals die nu nog steeds in gebruik is. De toegang tot zijn archief staat sinds vannacht online.

Bron: Groninger Archieven, Toegang 3043 , archief Jan Tuin (1919 – 1972), met name inv.nr. 29: Revue, Nederlands familieblad, 7 september 1963, met op pag. 8-10 ‘De grootste boer van Nederland’.


Een onverwachte excursie

img319 vb

Mijn overgrootouders met kinderen en aanhang bij hun veertigjarig huwelijk in 1935 op ‘Vondelings ree’ in Zuidhorn.

Uit de bevolkingsregisters van Zuidhorn, zoals de Groninger Archieven een poosje geleden online hebben gezet, kon ik niet gewaar worden wanneer mijn overgrootouders in Zuidhorn kwamen wonen. Bij hun huwelijk, in 1895, waren beiden daar al gevestigd, maar hoe lang dat al zo was, gaven die registers niet prijs. Dus toen ik toch voor een ander verhaal in het archief van de voormalige gemeente Zuidhorn moest zijn, heb ik dat meteen maar even in de bevolkingsregisters daar nagezocht. Bij de gemeente liggen weer andere, moet u weten.

Bij het register van de volkstelling 1890 was het meteen al raak. Op nummer 47 tref ik de schoenmakersknecht Hindrik Vondeling (23) aan, woonachtig op het adres A 294 aan de Nieuwstraat. Hij had zich op 4 juni 1886, dus op zijn negentiende, vanuit Termunten, waar hij mogelijk ook al bij een schoenmaker in de leer was, in Zuidhorn gevestigd.

Mijn overgrootmoeder Grietje van der Velde, in 1872 geboren in Marum als dochter van een ongehuwde moeder, woonde sinds 5 juni 1890 als dienstbode op A 295 aan de Friesestraatweg. Haar adres en de A 294 van Hindrik zullen buurhuizen geweest zijn, al moet ik de Friesestraatweg en de Nieuwstraat dan nog wel bij elkaar weten te passen. Is de Friesestraatweg in de kom van het dorp misschien hernoemd tot Hoofdstraat? Zo ja, dan is de kans groot dat mijn overgrootvader en -moeder elkaar bij de buren hebben leren kennen.

Verrassend was vooral Grietjes vorige woonplaats anno 1890: de Haarlemmermeer. Daar kan ze niet zo lang hebben gewoond, want volgens het bevolkingsregister van Marum vertrok ze begin mei 1885, op haar dertiende, uit deze geboorteplaats van haar naar Achtkarspelen. Maar hoe kwam ze in vredesnaam van daaruit in de Haarlemmermeer terecht en wat deed ze daar? Binnenkort dus eerst maar eens in Drachten kijken.

Overigens verhuisde ze eind 1893 vanuit Zuidhorn naar Grijpskerk, waar ze slechts een half jaar als dienstmeid woonde, om (voor haar verloving?) weer terug te keren naar Zuidhorn. In tien jaar tijd woonde ze dus op vijf verschillende plekken, wellicht niet heel uitzonderlijk voor een dienstbode, maar nogmaals: hoe kwam ze in dat verre Haarlemmermeer terecht?

Intrigerend – intrigerend!


Een kleine beschouwing over landarbeiderswoningen

Ewer

In Noord-Groningen valt een groot onderscheid waar te nemen tusschen de landarbeiders,

  1. die in de oude landarbeidershuisjes wonen, meest éénkamerwoningen;
  2. die in huisjes wonen van den woningbouw;
  3. die een plaatsje bezitten volgens de Landarbeiderswet.

Ad. a. De behuizing van de onder a. bedoelde categorie is minimaal. Via een klein gangetje komt men in het woonvertrek, een kamer van ongeveer 3 bij 4 meter. Hierin moet dan alles gebeuren: koken, poetsen, strijken, eten, slapen, enz. Voor slaapgelegenheid zijn twee bedsteden aanwezig met daar tusschen in een kast. Dikwijls zijn de bedsteden veel te kort, zoodat de menschen met opgetrokken beenen moeten liggen. In de eene bedstede slapen dan de ouders, in de andere de kinderen.

In het Oldambt gaat dat nog eenigszins, omdat daar de huishoudens hoogstens drie kinderen tellen. In Noord-West-Groningen is dat erger. Daar zijn de huishoudens over het algemeen grooter en slapen de meisjes meestal beneden in de tweede bedstede en de jongens op den open zolder. Deze zolder wordt tevens gebruikt voor het opbergen van turven, aardappelen en alle mogelijke andere dingen, die in een huishouden zoo al bewaard worden. Ventilatie en verlichting is er alleen door een klein dakraampje, indien dat tenminste aanwezig is.

In het Oldambt komt ook nog een speciaal type landarbeidershuisjes voor. Naast de woonkamer treft men daar dan nog een klein hokje aan onder het schuin afloopende dak. Dit wordt dan meestal ook als slaapruimte gebruikt. Dat deze ruimte koud en vochtig is en dat het dak doorgaans lekt, is wellicht overbodig om te vermelden. Ondanks dergelijke behuizing krijgt men zelfs daar een goeden indruk van de bewoning. Wat er aan huisraad aanwezig is, is over het algemeen goed verzorgd en onderhouden.

Ad. b. De behuizing van de landarbeiders, die een huisje betrekken van den woningbouw, is direct veel beter. Hier heeft men behalve een woonkeuken nog een zoogenaamde “goeie kamer” en een afzonderlijke slaapkamer. In de woonkeuken wordt gehuisd. Slechts zelden komt men in de „goeie kamer”. Naast de woonkeuken treft men veelal een schuur aan, waarin de regenbak staat met gootsteen en aanrecht. Deze schuur dient gewoonlijk tot bijkeuken en tot verblijfplaats van het aanwezige vee. In de schuur zelf bevindt zich een zolder met afgetimmerde slaapkamer.

Ad. c. De behuizing van de landarbeiders, die in zoogenaamde landarbeidersplaatsjes wonen, is ruimer en ook beter. Deze landarbeidersplaatsjes zijn de ideale woningen voor deze categorie arbeiders en omdat het meestal de meest vooruitstrevenden zijn, die zoo’n plaatsje bezitten, is de bewoning zelf er ook het best. En wanneer de bezitter nu maar geregeld werk heeft, gaat het hem, althans wat de bewoning betreft, goed. Voor de losse arbeiders is zoo’n eigen plaatsje vaak een zware dobber, omdat in de weken van werkloosheid de rente en aflossing niet kan worden opgebracht. Voor de vaste en los-vaste landarbeiders levert dit over het algemeen geen bezwaar op.

Bevindingen van een onderzoek door het maatschappelijk werk, weliswaar uitgevoerd in de oorlog, maar zo te zien onbesmet. Frappant is dat landarbeidersgezinnen in Noordwest-Groningen groter zouden zijn dan die in het Oldambt: ik denk dan meteen aan de tegenstelling orthodox x ontkerstend. Eveneens opmerkelijk is dat de families die in een huis van een woningbouwcorporatie of gemeente woonden, een kamer reserveerden als ‘goeie kamer’ en gewoonlijk verbleven in de dagelijkse woonkeuken. De elite onder de landarbeiders had, naast vast werk, een eigen plaatsje met een lapje grond.

Bron: Theodorus Johannes Platenburg, Landarbeiders (1943).


Groninger bevolkingsregisters op het web

De Groninger bevolkingsregisters, voor zover aanwezig bij de Groninger Archieven, zijn van de week als scans op Alle Groningers gezet. Je hoeft nu niet meer met microfiches op de studiezaal in de weer te gaan (wat vooral tijd vreet als de indexen bij een gemeente in zijn geheel of voor een periode ontbreken), maar kunt de registers als het ware doorbladeren op je computerscherm, wat aanzienlijk sneller gaat dan met fiches.

Via die bevolkingsregisters kan je precieze woonplaatsen opzoeken, wat vooral van pas komt bij veel verhuizende types. Zelf nam ik de proef op de som met twee van mijn overgrootvaders. Beiden waren ze schoenmaker, maar waar hadden ze dat ambacht geleerd? – bij geen van beiden was me dat bekend.

De jongste, Hindrik Vondeling (1867 Termunten) heet al schoenmaker als hij in 1895 te Zuidhorn trouwt. Tussen Termunten en Zuidhorn ligt nogal wat ruimte, maar waar had hij zijn kennis opgedaan? In het dienstboden- en knechtenregister van Zuidhorn over de jaren 1880 en 1890 staat zijn naam niet – hij moet dus elders schoenmakersgezel zijn geweest. Zijn vrouw Grietje van der Velde staat er trouwens evenmin in. Ze waren dus vlak voor hun huwelijk van elders gekomen. Maar dat was niet haar geboorteplaats Marum, want ook daar ontbreekt ieder spoor in het dienstbodenregister.

Helaas is dat eveneens het geval in Termunten, Hindriks plaats van herkomst. In de algemene bevolkingsregisters (met aparte indexen) over de jaren 1870 en 1880 zien we dat hij dan nog thuis woont, bij zijn ouders Jan Vondeling en Trientje Bottinga. Dat is niet meer het geval in 1890, maar zijn naam blijkt ook afwezig in de Termunter dienstbodenregisters over de jaren 1880 en 1890. In dit geval loopt het spoor voorlopig dus dood, al kunnen we de meest voor de hand liggende mogelijkheden nu wel uitsluiten.

Dan de oudste van beide schoenmakers: Geert Perton (Finsterwolde 1864). In 1880 woont hij nog in bij zijn ouders Elzo Perton en Geeske Boog op het adres D 74 (later omgenummerd tot D 89) in Finsterwolde en heeft dus anders dan andere landarbeidersjongens (zoals zijn oudere broers) geen kost- en werkbaas waar hij bij inwoonde en werkte. Wellicht deed hij nog los werk. Op 1 augustus 1881 vertrok hij volgens het Finsterwolmer bevolkingsregister naar de naastgelegen gemeente Beerta, waar hij afgaand op het Beertster bevolkingsregister inwoonde bij een Adolf Tuin te Drieborg. Dit was inderdaad een schoenmaker. Sterker nog: het ging on de oom van Geert latere vrouw Antje Tuin! Behalve zijn ambacht, zal Geert hier dus kennis hebben gekregen aan zijn vrouw. Desondanks, of misschien wel juist om die reden, vertrok hij na nog geen jaar alweer naar een andere schoenmakerij, die van de gebroeders Roelf en Thomas Elles Jonker op het adres C 75 in Finsterwolde. Toen hij hier een jaar of drie had gewoond en gewerkt, werd hij remplaçant en vervulde hij de militaire dienst voor een boerenzoon uit Ulrum. Op 26 mei 1888 was hij afgezwaaid en vestigde hij zich als dienstbode bij de winkeliersfamilie Boneschans op de Ekamp bij Oostwold, terwijl hij een jaar later, inmiddels volwas schoenmaker zijnde, in het gemeentehuis van Finsterwolde trouwde en zich met zijn vrouw Antje Tuin vestigde in de dorpskom van Oostwold. Hier werden mijn grootvader en diens oudste zuster geboren. Maar het gezin heeft er maar vier jaar gewoond, want eind maart – begin april 1893 betrok het de nieuw gebouwde schoenmakerswoning aan de Klinkerweg in Finsterwolde.

In het ene geval zijn via de bevolkingsregisters iemands gangen dus op de voet na te gaan, terwijl dat in het andere niet zo goed mogelijk blijkt. Dat ligt vooral aan de kwaliteit van de registratie. Bovendien blijken de systematiek en periodisering van de bevolkingsregisters van gemeente tot gemeente ook nogal eens te verschillen: hier hebben de dienstbodenregisters bijvoorbeeld een alfabetische opzet, terwijl dat elders een chronologische is. Het is in principe dus een mooie bron, maar lang niet in alle gevallen even rijk. Bovendien zouden door een koppeling met het kadaster de letter-nummeradressen eens wat inzichtelijker gemaakt moeten worden. Misschien een aardig karwei voor historische verenigingen, die zo tegelijkertijd een mooi inzicht kunnen krijgen in de woningvoorraad en bevolkingsontwikkeling van hun dorpen, vooral wat betreft de negentiende eeuw.


Zuidhorn v.v.

Boerderij in het land bij De Poffert:

Lagemeeden – te vroeg stuivende katjes zijn straks voor de storm:

De populierenkathedraal aan de Zuiderweg:

Kerkhof Jellemaweg:

Doel van de reis: elektriciënsgereedschap, waarschijnlijk nog gebruikt door mijn grootvader. Zoals deze klimschaatsen waarmee je, gecombineerd met een riem om je middel, vrij gemakkelijk een A-paal kon beklimmen voor reparaties aan het destijds nog bovengrondse net:

Een soort van wasknijper die je aan een bovengrondse leiding kon hangen om je boormachine van stroom te voorzien:

De spullen waren van Beving, de tweede elektriciën van Zuidhorn, in de jaren 30 de baas van mijn grootvader. In 1966 werd de zaak van Beving overgenomen door Joop Cley, die deze spullen altijd heeft bewaard en me aanbood om ze eens te komen bekijken:

Dat was een genoeglijke middag. Bedankt Joop!

Op de terugweg in Den Horn:


Een familielid in kamp Amersfoort

Aangetroffen in de Arolsen Archives, deze stamkaart van de kontroleur Pieter Harm Perton, geboren 7 februari 1915 te Finsterwolde. Net als ik was hij van de Finsterwoldiger familietak die afstamt van Elzo Perton en Geeske Boog.

Pieter was getrouwd, had een kind en woonde in een huis aan de Hoorntjesweg in Winschoten dat er nu nog steeds staat, met uitzicht op het plantsoen. Wat de reden voor zijn arrestatie was, maakt de kaart niet duidelijk. Bij Grund staat “Ins Reich, Zwangsarb.eins“. Dat zal iets met dwangarbeid geweest zijn en slaat dus op de straf in plaats van het vergrijp. Op 8 juli 1944 werd hij in Kamp Amersfoort binnengebracht, een maand later, vlak na Bijltjesdag, kwam hij vrij en ging hij terug naar zijn Heimatsort.

Nadien ontbreekt voorlopig ieder spoor. Zijn huis werd in 1960 door andere mensen bewoond.


Hoe Pieter Koerts en zijn vrouw naar Amerika emigreerden

De bekende Delfzijlster emigrant Pieter Albert Koerts was een aangetrouwde oom van mijn grootvader Albert Vondeling. Pieters vrouw Trijntje Vondeling en mijn overgrootvader Hindrik Vondeling waren zus en broer.

Pieter was van jongs af aan schilder. In 1903, toen hij 23 was, begon hij voor zichzelf in Delfzijl en trouwde Trijntje Vondeling, de dochter van een dagloner en een vroedvrouw uit Termunten. Trijntje was een jaar jonger dan hij.

Elk jaar kwam er een kind, maar zakelijk ging het slecht. Najaar 1906 raakte Pieter Koerts failliet en besloten hij en zijn vrouw definitief om naar Amerika te emigreren. Trijntjes oudere zus zat al een hele tijd met haar gezin in Kalamazoo, Michigan, waar wel meer Groningers terechtkwamen. Dat werd ook het reisdoel van de familie Koerts.

Pieter vertrok zelf als eerste. Op 7 november 1906 kwam hij in New York aan. Trijntje bleef eerst met haar beide kinderen achter voor de afwikkeling van het faillissement: de boeldag van de huisraad en de veiling van hun woonhuis, eind dat jaar. Na aftrek van de schulden resteerden van de opbrengst nog een stel beddegoed, een stel vrouwen- en wat kinderkleren, een mandje aardappels, een beetje zuurkool en wat weckflessen snijbonen.

Trijntje had nog een wandklok in haar handbagage. Zij en de kinderen arriveerden medio januari 1907 in New York, waar Pieter en zij plannen maakten voor de doorreis, maar verschil van mening kregen.

Pieter wilde eigenlijk door naar de westkust. In april 1906 was San Francisco getroffen door een zware aardbeving, en hij dacht dat er flink te verdienen viel voor schilders en glaszetters. Trijntje echter, verzette zich hevig tegen dat plan. Ze wilde niet wonen op een plaats waar elk moment een volgende aardbeving kon toeslaan. En zo bleef het gezin Koerts hangen in Kalamazoo.

Waar Pieter nu wel een succes van zijn schildersbedrijf maakte. De selfmade zakenman ging er als oerconservatieve republikein de politiek in, en bekleedde tot 1951 meerdere gemeentelijke functies. Een paar jaar later voor het eerst weer op bezoek in Nederland, stierf hij onverwacht in een Amsterdams hotel, nog voor hij Delfzijl had kunnen weerzien. Ter nagedachtenis aan hem, besloot zijn zoon Delfzijl een schip te schenken, dat als jeugdherberg dienen zou.

Bron: Rinze Mast, ‘De bark ‘P.A. Koerts’ in Delfzijl’, Stad & Lande: cultuurhistorisch tijdschrift voor Groningen, jrg. 13 (2004) nr. 3, pag. 7-13.


Schoenmakerij was geen vetpot

Volgens een algemeen Nederlands adresboek voor beroepen en bedrijven uit 1918, waren er dat jaar tien schoenmakers actief in Finsterwolde (inclusdief de buurtschappen, Ekamp, Ganzedijk, Hongerige Wolf en Finsterwolderhamrik). Mijn overgrootvader Geert Perton had dus nogal wat concurrenten.

In 1914 telde Finsterwolde 2918 inwoners, terwijl het er in 1919 bijna tweehonderd meer waren: 3103. Het inwonertal voor 1918 is dan veilig te schatten op ruim 3000. Tien schoenmakers op die bevolking maakt dat er 1 per 300 inwoners was. Laat het gemiddelde huishouden 4 of 5 personen hebben geteld, dan ‘verzorgde’ de gemiddelde schoenmaker 60 à 75 huishoudens. Dat kan nooit een vetpot geweest zijn. Voordat het algemene stemrecht er was, betaalde mijn overgrootvader ook zo weinig belasting, dat hij niet mocht stemmen.

 


Organiseren of niet – dat was de kwestie

Op de voorpagina van Vereenigt U, het landelijk orgaan van de landarbeidersbond, vinden we op 9 februari 1924 twee berichten uit Oost-Groningen.

Het ene is gewijd aan een vergadering in Finsterwolde, waar een anarchistische spreker voor een gehoor van honderd veldarbeiders waarschuwde tegen organisatie. Vereenigt U wijst op de gevolgen van dit sentiment: mislukte stakingen, lonen die in Finsterwolde lager liggen dan elders. Conclusie:

Zóó gaat het arbeiders, die meenen het zonder organisatie te kunnen stellen…

Nee, dan het 18 kilometer zuidelijker gelegen Vriescheloo, De bondsafdeling daar, een combinatie met Veelerveen, vierde haar tienjarig bestaan. In 1914 werd ze opgericht door 14 mannen,

die het toen aandurfden om openlijk tegen de boeren in verzet te komen…

In 1918 was er in Vriescheloo en Veelerveen zelfs bijna geen ongeorganiseerde landarbeider meer te vinden. Naar mijn schatting had de landarbeidersbond er dan minstens 150 leden. Door de na-oorlogse landbouwcrisis en loonsverlagingen haakten de meesten echter al snel weer af en in het jubileumjaar 1924 waren er nog maar 24 over. Natuurlijk vormde de contributie een beletsel, het geld kon men ook anders gebruiken. Maar door het afhaken kregen de boeren steeds meer macht, en dat kostte de arbeiders op termijn nog veel meer geld dan die contributie.

Ook organisatorisch stelde de afdeling Vriescheloo/Veelerveen nog maar weinig voor. Slechts één van de oprichters was nog actief:

Is het niet intreurig kameraden dat onze organisatie zoo in verval komt? Is het niet droevig dat er van al die menschen die hier de organisatie hebben opgericht er slechts één is, die de organisatie trouw is gebleven, n.l. onze penningmeester H. Perton. Wij willen hierbij dan ook dezen strijder een woord van dank brengen voor ’t geen hij voor onze afdeeling is geweest en hem voor de jongeren ten voorbeeld stellen.

Terwijl er in Finsterwolde, dankzij het anarchisme, dus nog een structurele weerzin tegen vakbondsorganisatie bestond, was er in Vriescheloo sprake van een aflopend getij door de slechte conjunctuur. Daar waren de arbeiders ook gematigder en veel meer geporteerd voor de sociaaldemocratie.


De elektrische boiler

Mijn broertje, vroeger een VVD-ertje met het NAVO-adagium ‘liever een raket in de tuin dan een Rus in de keuken’, laat zonnepanelen op zijn dak aanleggen. Niet dat hij nu meteen een ostentatieve milieuridder geworden is, het gaat om acht stuks. Een aantal dat nog wat ruimte overlaat voor een zonneboilertoestand.

Prompt herinner ik me iets van vroeger. Als dochter van een dorpselektriciën zwoer onze moeder bij elektriciteit en dus hadden we thuis, in plaats van een gasgeiser zoals iedereen, een elektrische boiler met een beperkte capaciteit, die beide verdiepingen van ons huis bediende. Voor het juiste beeld: dit apparaat hing beneden in de keuken. Als een van ons vieren boven aan het douchen was, en het duurde bijvoorbeeld wat te lang, dan wilde zijn oudere broer beneden wel eens de heetwaterkraan openzetten. Op datzelfde moment kreeg de doucher boven een flinke straal koud water tegen het lijf en ging opmerkelijk hard schreeuwen. Na de gewaarwording van het oorzakelijk verband tussen de geconstateerde fenomenen ontwikkelde dit zich tot een pesterijtje. Het bleek ook een uitgelezen methode om een extreem langdurige doucher tot acute spoed aan te manen.

Mijn broertje zei dat hij dit totaal vergeten was.
Ik heb nu oude wonden opengereten.


De neergang van de standerdmolen in Groningerland

De standerdmolen aan het Sarriespad in Zuidhorn, gezien vanuit het zuidwesten, ca. 1908. Collectie gemeente Zuidhorn.

Als mijn overgrootouders in Zuidhorn uit het raam van hun voorkamer keken, zagen ze links, op een meter of 70 afstand, deze standerdmolen. Hij werd naar verluidt opgericht in het jaar dat Columbus Amerika ontdekte (1492) en gesloopt in 1910. Het was een van de laatste drie werkzame in onze provincie. Nu staat er alleen nog een authentiek exemplaar in Ter Haar, Westerwolde, en een reconstructie in de vesting Bourtange.

Het type van de standerdmolen ontstond in de Hoge Middeleeuwen in Vlaanderen en verspreidde zich eind twaalfde eeuw eerst naar Franse en Engelse kuststreken en vervolgens naar Duitsland en de rest van Europa. Anders dan het tegenwoordig dominante type windmolen, dat van de bovenkruier, werd de standerdmolen niet met de wieken op de wind gezet door alleen het kopje, maar door het algehele molenlichaam te draaien, een vrij pittig karwei, waar vast paardekracht aan te pas kwam. Die molenkast rustte en draaide op een ‘standerd’, een rechtop gezette, zware stam van zo’n 60 à 80 centimeter dik, die vanonder werd verankerd en geschoord met dikke balken. Bovenop de standerd verhinderde een ‘stormpen’ dat de molenkast kapseisde en weggleed, onderop steunde de molenkast ook nog, maar dan in veel lichtere mate, op een ‘zetel’ halverwege de standerd.

Standerdmolens waren te onzent uitsluitend korenmolens, of liever gezegd roggemolens want hier werd voornamelijk roggebrood gegeten. De industriële windmolens die vanaf ongeveer 1600 in zwang kwamen voor het zagen van hout, het slaan van olie en het pellen van gerst etc. waren louter bovenkruiers, die op termijn voor het graanmalen veel standerdmolens zouden gaan vervangen, omdat ze een grotere productie- en opslagcapaciteit hadden en minder onderhoudsgevoelig waren.

Voor 1656 waren er nog geen bovenkruiers in Groningerland. De primitieve middeleeuwse, maar volgens mij oneindig veel mooiere standerdmolens hadden hier nog het alleenrecht. Hoe deze hier verdwenen, is door Bob Poppen gedocumenteerd. De lijsten in diens artikel bleken dermate precies, dat ze heel goed bruikbaar zijn voor verspreidingskaartjes.

In 1628 stonden er op het platteland van de drie Ommelanden en de beide Oldambten 109 van zulke roggemolens. Deze waren lang niet allemaal even rendabel. Ook om die reden werd de belasting op het gemaal nogal eens ontdoken. Om nu èn de winstgevendheid te verhogen èn de controle op het gemaal te vergemakkelijken, besloot het provinciebestuur in 1628 tot een grootschalige sanering: maar liefst een derde van de roggemolens moest (tegen vergoeding) het veld ruimen, wat neerkwam op 36 standerdmolens. Op onderstaande kaartje, aangevuld met incomplete gegevens uit de stad en Westerwolde (dat een ander belastingregime kende) zijn de molens die mochten blijven aangegeven met groene stippen, terwijl de verdwijnende met rode stippen gelokaliseerd zijn:

Groningerland beschikte dus over een dicht netwerk van zulke molens, en er werd duidelijk met de kaasschaaf gewerkt, waarbij eigenlijk alleen het zuiden van het Westerkwartier werd ontzien. Mogelijk zat men in deze venige streken niet met een overcapaciteit, al kan het ook aan de invloed van Nienoord gelegen hebben.

Poppen is de resterende standerdmolens blijven volgen, waarbij hij vooral benieuwd was naar hun sloop of vervanging door een bovenkruier (veelal) of een stellingmolen (vrij zelden). Ook noteerde hij de nieuwkomers. Afgaande op zijn ‘burgerlijke stand’ van standerdmolens, waren er in 1750 in heel Groningerland nog minstens 90 over, nog steeds heel mooi verspreid over het gewest:

Daarna, en dan vooral in de tweede helft van de achttiende eeuw, toen verlichte geesten ook heel hard werkten aan de technische vervolmaking van de bovenkruier, kwam er fors de klad in en verminderde het aantal standerdmolens zienderogen. In 1850 waren het er nog maar 25:

In een heel groot deel van de provincie bleken ze verdwenen. Bij de polders langs de kust, in het Lageland, Duurswold, het Gorecht, de Veenkoloniën, het Oldambt en de Stad zag je ze niet of nauwelijks meer. Concentraties waren er nog slechts in het Westerkwartier, De Marne bij het Reitdiep, en Westerwolde. In twee van de drie gevallen ging het om beslist armere gebieden op zand- en veengrond. Daar waagden molenbezitters blijkbaar minder gauw de innovatieve overstap naar een bovenkruier.

Ook de drie laatste werkzame standerdmolens stonden in die armere gebieden. Het betrof de exemplaren van Vriescheloo, Zuidhorn en Mussel, respectievelijk afgebroken in 1909, 1910 en 1943.

De standerdmolen waarop mijn overgrootouders uitkeken, die van Zuidhorn, raakte eerst “deerlijk gehavend” door een hevige rukwind op Sint Maartensdag. Hij sloeg van de pal of rem, de wieken begonnen hevig te draaien, maar veroorzaakten in dit geval geen brand, Een ervan raakte namelijk los en stortte via het dak van een belendend huis neer op de molenvoet, waarvan het een stuk balk en een deel van de fundering wegsloeg. Verder zeilde er “een menigte latten en borden” van de overige wieken door de lucht. Er zat geen enkele lat meer aan een wiek. Sloop van de molen was onvermijdelijk. Ook dat maakten mijn overgrootouders van dichtbij mee:

Sloop van de standerdmolen aan het Sarriespad te Zuidhorn, eind 1910 of begin 1911. Foto: Wikimedia commons.

Bron: B.D. Poppen, ‘Het verloop van de Groninger standerdmolens na de resolutie van 25 juni 1628’, Molinologie, nr. 28 (2007) 1-10.


Naar de Hooiersmarkt in Sneek

Ik geloof dat bijna iedereen wel weet wat hannekemaaiers waren, en bijna iedereen zal zeggen dat ze uit Duitsland kwamen. Toch waren er ook volop Groningers die jaarlijks aan het begin van de hooitijd naar Friesland trokken.

Over die trekarbeid heb ik het hier wel eens gehad. In het voorjaar van 1893 kon een landarbeider uit Beerta met grasmaaien in Friesland bijna dubbel zoveel verdienen als met veldarbeid thuis,

Eind juni 1897 leidde de trek naar Friesland zelfs tot een tekort aan arbeiders op de Oldambtster akkers:

Het getal maaiers, dat dezen zomer uit Groningen naar Friesland is vertrokken, is nog nooit zoo groot geweest als thans. (…) In de groote polders van Groningen doet zich thans het geval voor, dat de boer bij het wieden en schoffelen handen te kort komt. Geen wonder, als men weet, dat uit de gemeenten Finsterwolde en Midwolda meer dan 300 maaiers en hooiers zijn vertrokken. Hieronder zijn, die ƒ 3 a ƒ 4 per pondemaat maailoon ontvangen.” (Pondemaat was een Friese oppervlaktemaat.)

De hooierstrek naar Friesland bestond zelfs nog na de Eerste Wereldoorlog, toen de eerste maaimachines al op de Friese hooilanden waren gesignaleerd. In het stakingsjaar 1919 typeert Vereenigt u de ongeorganiseerde Beertster arbeiders tenminste als

stugge vierkante Groningers, van die bonkige stevige typen, die men zoo meteen weer in groote aantallen op de hooiersmarkt in Sneek aantreft.

Er was dus zelfs een speciale markt voor hooiers in Sneek. Over die markt wil ik het hebben

Datzelfde Vereenigt u, het orgaan van de Nederlandse Landarbeidersbond, heeft op zijn voorpagina van 19 juni 1915 een reportage over die hooiersmarkt, tien dagen eerder. Reden om naar Sneek te gaan zijn alarmerende persberichten over het gebrek aan arbeidskracht bij het maaien en hooien in Friesland, en dat nog wel midden in de maai- en hooitijd.

In Sneek aangekomen, zet de verslaggever meteen koers naar het Waaggebouw,

de plaats waar elk jaar gedurende een paar weken de arbeiders een boer hopen te krijgen. Zoo’n soort arbeidersbeurs in de openlucht.

Maar die boeren blijken helemaal niet zo’n verlet pm loonmaaiers te hebben:

Direct bij het verlaten van ’t station werden we al reeds aangeklampt dooreen paar stevige jonge kerels die ons vroegen: „Boer mot je ook „öngetiiders.’’ Het radbraken van deze Friesche naam voor hooiers deed ons den Groninger proeven. Het klonk zoo ongeveer als „Boer mot je’ook „Hongertigers”. M’n „direct niet jongens” deed hen onmiddellijk hun aanbod richten tot een welgedaan kaaskoopman. Ook daar natuurlijk bot.

Bij de Veemarkt zagen we reeds groepjes mannen tegen de muur vaneen café zitten en liggen. Iets verderop stonden wiel aan wiel tal van fietsen met achterop de bagagedrager waarop de blauwe en witte bultzakken. Veel, heel veel jonge mannen met hoogroode warmtegezichten zagen we erbij, maar ook van die oude stoere kerels met tanige gezichten (…). Kwam er een boer voorbij die een beetje zoekend rondzag dan werd ie direct door een of meerderen van de arbeiders aangeklampt. Begon de werkgever een gesprek dan kwamen vanuit de schaduw al spoedig anderen zich er omheen scharen in de hoop dat het een kans gaf aan den slag te komen. ’t Leek ons alweer toe dat het er voor de honderden Groningsche maaiers, die met een extra-trein van Winschoten waren gekomen, er niet zoo heel gunstig voorstond.

Intussen is onze reporter nog steeds niet in de Waag geweest, voor een afgewogen oordeel over dit epicentrum der hooiersmarkt:

Daarheen dus. Een paar nauwe straatjes door, de hoek om en … sakkkerloot wat een hoop menschen, wat een reuzenaanbod. De alarmeerende berichten in de pers over de hooge loonen en het gebrek aan arbeiders hadden wel invloed gehad. … ’n Eigenaardig gezicht, zoo’n menschenmarkt. Bij bosjes staan, liggen of zitten er, allen zooveel mogelijk in de schaduw, de mannen die uren hadden gespoord, gefietst of geloopen, teneinde als hooier of maaier een mooi weekloon te verdienen.

Het definitieve marktbericht geeft een bekend Groninger vakbondslid die op de verslaggever afkomt:

„Staat niet best,” zegt ie. „Veel te veel volk en geen boeren. Voor een snars kan je wel aan den slag komen, maar dat doe ’k niet. Dan maar terug, ’t reisgeld zal er wel weer komen.”

De reporter kiest ervoor nog wat rond te wandelen. Wat hij ziet:

Hier een groepje druk bezig een paar uitgedroogde en er allesbehalve smakelijk uitziende bokkingen van vel en graten te ontdoen. Ernaast een paar met het lichaam languit op de niet-al-te-best-veerende klinkers, het hoofd op de bultzak, uitrustende van de moeilijke reis. Bij de vaart, met de beenen bij de kaaimuur langs, enkelen, die met smaak een droge krentenmik naar binnen werkten. In een hoek, met een in ’n rooie zakdoek geknoopt bundeltje aan den stok over den schouder, eenige mannen die men het aanzien kon dat het geen weelde was, dat ze hier hun koopwaar kwamen aanbieden.

Even gloort er hoop voor ze:

Een paar boeren komen onder het afdak. Direct worden ze aangeklampt. Een heel kluwen wordt het spoedig, want elk wil gaarne van de partij wezen. Na heel wat loven en bieden trekken een viertal jonge mannen met de boeren af. Ze hebben het accoord gesloten.

De schrijver ontmoet werkloze bouwvakkers die hier hun geluk kwamen beproeven, maar al meer dan een week rondlopen: niets te doen. Uiteindelijk komt hij een stel Groningers tegen, dat zich weer opmaakt voor de thuisreis:

„We gaan maar weer naar Finsterwolde terug. We meenden dat er gebrek aan arbeiders was, maar ’t is krek andersom. (…) ’t Is een heele trek van Sneek naar Finsterwolde op de fiets, maar enfin. Die 140 kilometer terug lussen we ook nog.”


Harm Tuin en de moderne landarbeidersbond

Landarbeiders met krant, ca. 1910. Foto: H. Mansholt. Collectie Groninger Archieven 818-17361.

Eén hoeraatje voor Delpher ! Bij de tijdschriften die het van de week via zijn website toegankelijk maakte, bevindt zich namelijk Vereenigt u, het orgaan van de Nederlandse bond van landarbeiders.

Deze ‘moderne’, d.w.z. sociaaldemocratische vakbond, opgericht in 1909, had in Finsterwolde eerst weinig aanhang omdat de anarchistische landarbeiders daar fel gekant waren tegen organisatie, stakingskassen en de bijkomende hiërarchie en leiding. Zij voelden meer voor spontane acties, die echter al snel verliepen.

In de Eerste Wereldoorlog leek er enige kentering in die opvatting te komen. Tenminste, bij propagandavergaderingen van de Landarbeidersbond in Finsterwolde en op de Ganzendijk in 1916, nam Harm Tuin senior het woord, de oom van mijn grootvader die lokaal een vooraanstaand anarchist was – hij leek iets naar de bond op te schuiven. Vereenigt U schreef:

De vrije socialist H. Tuin te Finsterwolde, ofschoon niet van de noodzakelijkheid van de moderne tactiek overtuigd, was van meening, dat te Finsterwolde iets moest gebeuren. Zoo ging het niet langer. Hij ried de arbeiders aan in organisatie hunne kracht te zoeken. Voor een afdeeling van onzen bond was geen liefhebberij, maar staande de vergadering werd op aandrang van een der anarchisten besloten binnenkort eene vergadering van landarbeiders te houden.

In de jaren 20 zou zo’n afdeling er toch komen in Finsterwolde. Dat deze afdeling weldra door communisten werd overgenomen, die vervolgens binnen de vakbond oppositie tegen de leiding gingen voeren en daarom geroyeerd werden, is een ander verhaal.