Organiseren of niet – dat was de kwestie

Op de voorpagina van Vereenigt U, het landelijk orgaan van de landarbeidersbond, vinden we op 9 februari 1924 twee berichten uit Oost-Groningen.

Het ene is gewijd aan een vergadering in Finsterwolde, waar een anarchistische spreker voor een gehoor van honderd veldarbeiders waarschuwde tegen organisatie. Vereenigt U wijst op de gevolgen van dit sentiment: mislukte stakingen, lonen die in Finsterwolde lager liggen dan elders. Conclusie:

Zóó gaat het arbeiders, die meenen het zonder organisatie te kunnen stellen…

Nee, dan het 18 kilometer zuidelijker gelegen Vriescheloo, De bondsafdeling daar, een combinatie met Veelerveen, vierde haar tienjarig bestaan. In 1914 werd ze opgericht door 14 mannen,

die het toen aandurfden om openlijk tegen de boeren in verzet te komen…

In 1918 was er in Vriescheloo en Veelerveen zelfs bijna geen ongeorganiseerde landarbeider meer te vinden. Naar mijn schatting had de landarbeidersbond er dan minstens 150 leden. Door de na-oorlogse landbouwcrisis en loonsverlagingen haakten de meesten echter al snel weer af en in het jubileumjaar 1924 waren er nog maar 24 over. Natuurlijk vormde de contributie een beletsel, het geld kon men ook anders gebruiken. Maar door het afhaken kregen de boeren steeds meer macht, en dat kostte de arbeiders op termijn nog veel meer geld dan die contributie.

Ook organisatorisch stelde de afdeling Vriescheloo/Veelerveen nog maar weinig voor. Slechts één van de oprichters was nog actief:

Is het niet intreurig kameraden dat onze organisatie zoo in verval komt? Is het niet droevig dat er van al die menschen die hier de organisatie hebben opgericht er slechts één is, die de organisatie trouw is gebleven, n.l. onze penningmeester H. Perton. Wij willen hierbij dan ook dezen strijder een woord van dank brengen voor ’t geen hij voor onze afdeeling is geweest en hem voor de jongeren ten voorbeeld stellen.

Terwijl er in Finsterwolde, dankzij het anarchisme, dus nog een structurele weerzin tegen vakbondsorganisatie bestond, was er in Vriescheloo sprake van een aflopend getij door de slechte conjunctuur. Daar waren de arbeiders ook gematigder en veel meer geporteerd voor de sociaaldemocratie.

Advertenties

De elektrische boiler

Mijn broertje, vroeger een VVD-ertje met het NAVO-adagium ‘liever een raket in de tuin dan een Rus in de keuken’, laat zonnepanelen op zijn dak aanleggen. Niet dat hij nu meteen een ostentatieve milieuridder geworden is, het gaat om acht stuks. Een aantal dat nog wat ruimte overlaat voor een zonneboilertoestand.

Prompt herinner ik me iets van vroeger. Als dochter van een dorpselektriciën zwoer onze moeder bij elektriciteit en dus hadden we thuis, in plaats van een gasgeiser zoals iedereen, een elektrische boiler met een beperkte capaciteit, die beide verdiepingen van ons huis bediende. Voor het juiste beeld: dit apparaat hing beneden in de keuken. Als een van ons vieren boven aan het douchen was, en het duurde bijvoorbeeld wat te lang, dan wilde zijn oudere broer beneden wel eens de heetwaterkraan openzetten. Op datzelfde moment kreeg de doucher boven een flinke straal koud water tegen het lijf en ging opmerkelijk hard schreeuwen. Na de gewaarwording van het oorzakelijk verband tussen de geconstateerde fenomenen ontwikkelde dit zich tot een pesterijtje. Het bleek ook een uitgelezen methode om een extreem langdurige doucher tot acute spoed aan te manen.

Mijn broertje zei dat hij dit totaal vergeten was.
Ik heb nu oude wonden opengereten.


De neergang van de standerdmolen in Groningerland

De standerdmolen aan het Sarriespad in Zuidhorn, gezien vanuit het zuidwesten, ca. 1908. Collectie gemeente Zuidhorn.

Als mijn overgrootouders in Zuidhorn uit het raam van hun voorkamer keken, zagen ze links, op een meter of 70 afstand, deze standerdmolen. Hij werd naar verluidt opgericht in het jaar dat Columbus Amerika ontdekte (1492) en gesloopt in 1910. Het was een van de laatste drie werkzame in onze provincie. Nu staat er alleen nog een authentiek exemplaar in Ter Haar, Westerwolde, en een reconstructie in de vesting Bourtange.

Het type van de standerdmolen ontstond in de Hoge Middeleeuwen in Vlaanderen en verspreidde zich eind twaalfde eeuw eerst naar Franse en Engelse kuststreken en vervolgens naar Duitsland en de rest van Europa. Anders dan het tegenwoordig dominante type windmolen, dat van de bovenkruier, werd de standerdmolen niet met de wieken op de wind gezet door alleen het kopje, maar door het algehele molenlichaam te draaien, een vrij pittig karwei, waar vast paardekracht aan te pas kwam. Die molenkast rustte en draaide op een ‘standerd’, een rechtop gezette, zware stam van zo’n 60 à 80 centimeter dik, die vanonder werd verankerd en geschoord met dikke balken. Bovenop de standerd verhinderde een ‘stormpen’ dat de molenkast kapseisde en weggleed, onderop steunde de molenkast ook nog, maar dan in veel lichtere mate, op een ‘zetel’ halverwege de standerd.

Standerdmolens waren te onzent uitsluitend korenmolens, of liever gezegd roggemolens want hier werd voornamelijk roggebrood gegeten. De industriële windmolens die vanaf ongeveer 1600 in zwang kwamen voor het zagen van hout, het slaan van olie en het pellen van gerst etc. waren louter bovenkruiers, die op termijn voor het graanmalen veel standerdmolens zouden gaan vervangen, omdat ze een grotere productie- en opslagcapaciteit hadden en minder onderhoudsgevoelig waren.

Voor 1656 waren er nog geen bovenkruiers in Groningerland. De primitieve middeleeuwse, maar volgens mij oneindig veel mooiere standerdmolens hadden hier nog het alleenrecht. Hoe deze hier verdwenen, is door Bob Poppen gedocumenteerd. De lijsten in diens artikel bleken dermate precies, dat ze heel goed bruikbaar zijn voor verspreidingskaartjes.

In 1628 stonden er op het platteland van de drie Ommelanden en de beide Oldambten 109 van zulke roggemolens. Deze waren lang niet allemaal even rendabel. Ook om die reden werd de belasting op het gemaal nogal eens ontdoken. Om nu èn de winstgevendheid te verhogen èn de controle op het gemaal te vergemakkelijken, besloot het provinciebestuur in 1628 tot een grootschalige sanering: maar liefst een derde van de roggemolens moest (tegen vergoeding) het veld ruimen, wat neerkwam op 36 standerdmolens. Op onderstaande kaartje, aangevuld met incomplete gegevens uit de stad en Westerwolde (dat een ander belastingregime kende) zijn de molens die mochten blijven aangegeven met groene stippen, terwijl de verdwijnende met rode stippen gelokaliseerd zijn:

Groningerland beschikte dus over een dicht netwerk van zulke molens, en er werd duidelijk met de kaasschaaf gewerkt, waarbij eigenlijk alleen het zuiden van het Westerkwartier werd ontzien. Mogelijk zat men in deze venige streken niet met een overcapaciteit, al kan het ook aan de invloed van Nienoord gelegen hebben.

Poppen is de resterende standerdmolens blijven volgen, waarbij hij vooral benieuwd was naar hun sloop of vervanging door een bovenkruier (veelal) of een stellingmolen (vrij zelden). Ook noteerde hij de nieuwkomers. Afgaande op zijn ‘burgerlijke stand’ van standerdmolens, waren er in 1750 in heel Groningerland nog minstens 90 over, nog steeds heel mooi verspreid over het gewest:

Daarna, en dan vooral in de tweede helft van de achttiende eeuw, toen verlichte geesten ook heel hard werkten aan de technische vervolmaking van de bovenkruier, kwam er fors de klad in en verminderde het aantal standerdmolens zienderogen. In 1850 waren het er nog maar 25:

In een heel groot deel van de provincie bleken ze verdwenen. Bij de polders langs de kust, in het Lageland, Duurswold, het Gorecht, de Veenkoloniën, het Oldambt en de Stad zag je ze niet of nauwelijks meer. Concentraties waren er nog slechts in het Westerkwartier, De Marne bij het Reitdiep, en Westerwolde. In twee van de drie gevallen ging het om beslist armere gebieden op zand- en veengrond. Daar waagden molenbezitters blijkbaar minder gauw de innovatieve overstap naar een bovenkruier.

Ook de drie laatste werkzame standerdmolens stonden in die armere gebieden. Het betrof de exemplaren van Vriescheloo, Zuidhorn en Mussel, respectievelijk afgebroken in 1909, 1910 en 1943.

De standerdmolen waarop mijn overgrootouders uitkeken, die van Zuidhorn, raakte eerst “deerlijk gehavend” door een hevige rukwind op Sint Maartensdag. Hij sloeg van de pal of rem, de wieken begonnen hevig te draaien, maar veroorzaakten in dit geval geen brand, Een ervan raakte namelijk los en stortte via het dak van een belendend huis neer op de molenvoet, waarvan het een stuk balk en een deel van de fundering wegsloeg. Verder zeilde er “een menigte latten en borden” van de overige wieken door de lucht. Er zat geen enkele lat meer aan een wiek. Sloop van de molen was onvermijdelijk. Ook dat maakten mijn overgrootouders van dichtbij mee:

Sloop van de standerdmolen aan het Sarriespad te Zuidhorn, eind 1910 of begin 1911. Foto: Wikimedia commons.

Bron: B.D. Poppen, ‘Het verloop van de Groninger standerdmolens na de resolutie van 25 juni 1628’, Molinologie, nr. 28 (2007) 1-10.


Naar de Hooiersmarkt in Sneek

Ik geloof dat bijna iedereen wel weet wat hannekemaaiers waren, en bijna iedereen zal zeggen dat ze uit Duitsland kwamen. Toch waren er ook volop Groningers die jaarlijks aan het begin van de hooitijd naar Friesland trokken.

Over die trekarbeid heb ik het hier wel eens gehad. In het voorjaar van 1893 kon een landarbeider uit Beerta met grasmaaien in Friesland bijna dubbel zoveel verdienen als met veldarbeid thuis,

Eind juni 1897 leidde de trek naar Friesland zelfs tot een tekort aan arbeiders op de Oldambtster akkers:

Het getal maaiers, dat dezen zomer uit Groningen naar Friesland is vertrokken, is nog nooit zoo groot geweest als thans. (…) In de groote polders van Groningen doet zich thans het geval voor, dat de boer bij het wieden en schoffelen handen te kort komt. Geen wonder, als men weet, dat uit de gemeenten Finsterwolde en Midwolda meer dan 300 maaiers en hooiers zijn vertrokken. Hieronder zijn, die ƒ 3 a ƒ 4 per pondemaat maailoon ontvangen.” (Pondemaat was een Friese oppervlaktemaat.)

De hooierstrek naar Friesland bestond zelfs nog na de Eerste Wereldoorlog, toen de eerste maaimachines al op de Friese hooilanden waren gesignaleerd. In het stakingsjaar 1919 typeert Vereenigt u de ongeorganiseerde Beertster arbeiders tenminste als

stugge vierkante Groningers, van die bonkige stevige typen, die men zoo meteen weer in groote aantallen op de hooiersmarkt in Sneek aantreft.

Er was dus zelfs een speciale markt voor hooiers in Sneek. Over die markt wil ik het hebben

Datzelfde Vereenigt u, het orgaan van de Nederlandse Landarbeidersbond, heeft op zijn voorpagina van 19 juni 1915 een reportage over die hooiersmarkt, tien dagen eerder. Reden om naar Sneek te gaan zijn alarmerende persberichten over het gebrek aan arbeidskracht bij het maaien en hooien in Friesland, en dat nog wel midden in de maai- en hooitijd.

In Sneek aangekomen, zet de verslaggever meteen koers naar het Waaggebouw,

de plaats waar elk jaar gedurende een paar weken de arbeiders een boer hopen te krijgen. Zoo’n soort arbeidersbeurs in de openlucht.

Maar die boeren blijken helemaal niet zo’n verlet pm loonmaaiers te hebben:

Direct bij het verlaten van ’t station werden we al reeds aangeklampt dooreen paar stevige jonge kerels die ons vroegen: „Boer mot je ook „öngetiiders.’’ Het radbraken van deze Friesche naam voor hooiers deed ons den Groninger proeven. Het klonk zoo ongeveer als „Boer mot je’ook „Hongertigers”. M’n „direct niet jongens” deed hen onmiddellijk hun aanbod richten tot een welgedaan kaaskoopman. Ook daar natuurlijk bot.

Bij de Veemarkt zagen we reeds groepjes mannen tegen de muur vaneen café zitten en liggen. Iets verderop stonden wiel aan wiel tal van fietsen met achterop de bagagedrager waarop de blauwe en witte bultzakken. Veel, heel veel jonge mannen met hoogroode warmtegezichten zagen we erbij, maar ook van die oude stoere kerels met tanige gezichten (…). Kwam er een boer voorbij die een beetje zoekend rondzag dan werd ie direct door een of meerderen van de arbeiders aangeklampt. Begon de werkgever een gesprek dan kwamen vanuit de schaduw al spoedig anderen zich er omheen scharen in de hoop dat het een kans gaf aan den slag te komen. ’t Leek ons alweer toe dat het er voor de honderden Groningsche maaiers, die met een extra-trein van Winschoten waren gekomen, er niet zoo heel gunstig voorstond.

Intussen is onze reporter nog steeds niet in de Waag geweest, voor een afgewogen oordeel over dit epicentrum der hooiersmarkt:

Daarheen dus. Een paar nauwe straatjes door, de hoek om en … sakkkerloot wat een hoop menschen, wat een reuzenaanbod. De alarmeerende berichten in de pers over de hooge loonen en het gebrek aan arbeiders hadden wel invloed gehad. … ’n Eigenaardig gezicht, zoo’n menschenmarkt. Bij bosjes staan, liggen of zitten er, allen zooveel mogelijk in de schaduw, de mannen die uren hadden gespoord, gefietst of geloopen, teneinde als hooier of maaier een mooi weekloon te verdienen.

Het definitieve marktbericht geeft een bekend Groninger vakbondslid die op de verslaggever afkomt:

„Staat niet best,” zegt ie. „Veel te veel volk en geen boeren. Voor een snars kan je wel aan den slag komen, maar dat doe ’k niet. Dan maar terug, ’t reisgeld zal er wel weer komen.”

De reporter kiest ervoor nog wat rond te wandelen. Wat hij ziet:

Hier een groepje druk bezig een paar uitgedroogde en er allesbehalve smakelijk uitziende bokkingen van vel en graten te ontdoen. Ernaast een paar met het lichaam languit op de niet-al-te-best-veerende klinkers, het hoofd op de bultzak, uitrustende van de moeilijke reis. Bij de vaart, met de beenen bij de kaaimuur langs, enkelen, die met smaak een droge krentenmik naar binnen werkten. In een hoek, met een in ’n rooie zakdoek geknoopt bundeltje aan den stok over den schouder, eenige mannen die men het aanzien kon dat het geen weelde was, dat ze hier hun koopwaar kwamen aanbieden.

Even gloort er hoop voor ze:

Een paar boeren komen onder het afdak. Direct worden ze aangeklampt. Een heel kluwen wordt het spoedig, want elk wil gaarne van de partij wezen. Na heel wat loven en bieden trekken een viertal jonge mannen met de boeren af. Ze hebben het accoord gesloten.

De schrijver ontmoet werkloze bouwvakkers die hier hun geluk kwamen beproeven, maar al meer dan een week rondlopen: niets te doen. Uiteindelijk komt hij een stel Groningers tegen, dat zich weer opmaakt voor de thuisreis:

„We gaan maar weer naar Finsterwolde terug. We meenden dat er gebrek aan arbeiders was, maar ’t is krek andersom. (…) ’t Is een heele trek van Sneek naar Finsterwolde op de fiets, maar enfin. Die 140 kilometer terug lussen we ook nog.”


Harm Tuin en de moderne landarbeidersbond

Landarbeiders met krant, ca. 1910. Foto: H. Mansholt. Collectie Groninger Archieven 818-17361.

Eén hoeraatje voor Delpher ! Bij de tijdschriften die het van de week via zijn website toegankelijk maakte, bevindt zich namelijk Vereenigt u, het orgaan van de Nederlandse bond van landarbeiders.

Deze ‘moderne’, d.w.z. sociaaldemocratische vakbond, opgericht in 1909, had in Finsterwolde eerst weinig aanhang omdat de anarchistische landarbeiders daar fel gekant waren tegen organisatie, stakingskassen en de bijkomende hiërarchie en leiding. Zij voelden meer voor spontane acties, die echter al snel verliepen.

In de Eerste Wereldoorlog leek er enige kentering in die opvatting te komen. Tenminste, bij propagandavergaderingen van de Landarbeidersbond in Finsterwolde en op de Ganzendijk in 1916, nam Harm Tuin senior het woord, de oom van mijn grootvader die lokaal een vooraanstaand anarchist was – hij leek iets naar de bond op te schuiven. Vereenigt U schreef:

De vrije socialist H. Tuin te Finsterwolde, ofschoon niet van de noodzakelijkheid van de moderne tactiek overtuigd, was van meening, dat te Finsterwolde iets moest gebeuren. Zoo ging het niet langer. Hij ried de arbeiders aan in organisatie hunne kracht te zoeken. Voor een afdeeling van onzen bond was geen liefhebberij, maar staande de vergadering werd op aandrang van een der anarchisten besloten binnenkort eene vergadering van landarbeiders te houden.

In de jaren 20 zou zo’n afdeling er toch komen in Finsterwolde. Dat deze afdeling weldra door communisten werd overgenomen, die vervolgens binnen de vakbond oppositie tegen de leiding gingen voeren en daarom geroyeerd werden, is een ander verhaal.


Kinderboeken van mijn vader.

Ja ik ben zo’n gek die de kinderboeken van zijn ouders bewaart. Dit zijn de meeste van mijn vader, allemaal stammend uit de jaren dertig. Met het vrijmaken van plankruimte in mijn boekenkasten zijn deze nu naar de berging verdwenen. het voorgeborchte van de boekenhel. Een plan om ze nog eens te lezen zal er niet van komen.

Jac Grosman – Uit het leven van Gijsje Goochem:

Piet Hein en de Zilvervloot – A4 -formaat, zeer goedkoop papier, matige illustraties, maar stukgelezen en in de jaren tachtig nog herdrukt::

Piet van der Zanden, De dikke verkenner (van dezelfde uitgeverij, de Nederlandsche Jeugdbibliotheek):

C. Vermeer, Franse Jan (Callenbach, Nijkerk):

J.M. Westerbrink-Wirtz, Flauwerd (Callenbach, Nijkerk; mogelijk net als de vorige een kerstcadeau van de zondagschool):

Twee deeltjes Jules Verne uit eenzelfde serie:

Don Quichotte (bij nader inzien van mijn vaders oudere zuster):

Oude Sipke:


Certificaat van Onvermogen

Verklaring van onvermogen, op 1 mei 1852 afgegeven door de burgemeester van Scheemda aan Geert Heikes Perton (ook wel eens Peton genoemd) en diens vrouw Grietje Brouwer, arbeiders wonend te Westerlee.

Geert en Grietje hadden de verklaring nodig voor een rechtszaak, die tegen ze was aangespannen door Grietjes wat oudere halfbroer. Hun moeder was overleden, en Grietjes halfbroer eiste scheiding van de nalatenschap. Bij de erfenis hoorde volgens hem het huis, dat Geert en Grietje bewoonden. Volgens Grietje echter, was dat huis van haar en haar man en had haar moeder alleen wat kleding en losse spullen nagelaten, waarvan de opbrengst nauwelijks voldoende was om de begrafenis van te betalen.

Het staat niet in de bijkomende stukken, maar er schemert doorheen dat die moeder bij Geert en Grietje inwoonde, en ze voor de kost en verzorging beloonde met het huis. Bij de rechtbank zullen Grietje en haar halfbroer dan gesteggeld hebben over de rechtmatigheid van die overdracht. Mocht die niet notarieel vastgelegd zijn, dan moesten Geert en Grietje verhuizen, denk ik.

Deze Geert Perton was de oudere broer van mijn betovergrootvader Elzo Perton, de smokkelaar.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 882 (archief Arrondissementsrechtbank Winschoten) inv.nr. 1181 (verzoekschriften 1851-1852). Met dank aan Jan-Paul Wortelboer.