Elzo Perton koopt een lap grond en bouwt er een huis

Het anno 1880 in bouwpercelen verdeelde stuk weiland (E 543) van boer Wester, links bij de Klinkerweg, en zijn ligging ten opzichte van Finsterwolde. Bron: HisGis.

Jan Jans Wester, een boer op de westkant van Finsterwolde, bezat daar vrij veel grond. Onder meer een kamp weiland aan de westkant van de nog onbewoonde Klinkerweg, die nagenoeg 1 hectare groot was en kadastraal bekend stond als E 543 (zie kaartje, links). Eind 1879, begin 1880 besloot Wester de kleinste helft van dat perceel van de hand te doen. Hij liet langs de Klinkerweg vijf bouwpercelen afbakenen, “huisplaatsen” van elk 9 are en 60 centiare groot, en deed deze uit in beklemming (erfpacht met vaste, onveranderlijke huur). Elk perceel moest voortaan 12 gulden beklemhuur per jaar gaan doen. Op 9 januari 1880 vond in een herberg de veiling van deze beklemmingen plaats.

Van noord naar zuid waren dit de hoogste biedingen, met erachter de namen van de mannen die het hoogst voor de beklemmingen boden:

Koopsom: Koper:
ƒ 150,- Elze Perton, arbeider te Finsterwolde
ƒ 150,- Freerk van Dijk, dienstknecht te Oostwold
ƒ 140,- Elze Principaal, dienstknecht te Finsterwolde
ƒ 140,- Harm Bakker, arbeider te Finsterwolde
ƒ 100,- Jan van Dijk, arbeider te Finsterwolde

Hoe zuidelijker het perceel lag, hoe minder er werd geboden. Mogelijk hing dat samen met hoogte of de afwatering, misschien speelde de afstand tot Finsterwolde ook wel een rol. Alle bieders behoorden tot de arbeidersstand, we zien hier de eerste fase van de Klinkerweg als roemruchte arbeidersstraat. Mijn betovergrootvader Elzo Perton ging aan de haal met het perceel dat het dichtst bij Finsterwolde lag.

Omdat boer Wester nogal wat stukken (akker)land om de nieuwe huisplaatsen heen had liggen (zo’n dertien percelen) verbood hij zijn nieuwe meiers op hun grond “pluimgedierte” te houden, op straffe van 10 gulden boete. In de veilingakte liet hij dit verbod en de sanctie vastleggen als erfdienstbaarheid op de huisplaatsen. Geen arbeiderskip zou hem het graan wegpikken!

Specifiek voor Elzo Perton gold nog de bepaling dat de laan langs de noordgrens van zijn perceel het eigendom van boer Wester bleef. Elzo mocht er dus niet zomaar gebruik van gaan maken. Langs de laan moest er een sloot komen van een meter breed, waarvoor Wester de helft van de grond leverde, terwijl Elzo de andere helft voor zijn rekening moest nemen. Elzo draaide echter in zijn eentje op voor het onderhoud – hij moest zorgen dat de sloot haar breedte bleef houden. Bovendien mocht hij binnen twee meter vanaf de laan geen “houtgewas”, dus bomen en heesters planten.

Net als de andere kopers moest Elzo op 1 mei 1880 zijn beklemming betalen. Bleef hij of een van zijn nieuwe buren in gebreke, dan gold een rente van 5 % over de schuld, Zolang er niet afbetaald was, hield Wester een recht van hypotheek., en mocht een beklemde meier zijn vastgoed niet van de hand doen.

Naderhand, op 21 mei 1880, leende Elzo Perton 650 gulden van Jan, Eildert en Albertje Schuitema. Het ging om twee broers en een zus te Beerta, waar de ene broer (Jan) blauwverver en de andere (Eildert) bakker was. Elzo groeide op in Beerta, waarschijnlijk ging het om oude kennissen die hem vertrouwden. Van het geld zal 150 gulden voor de betaling van Westers beklemming bestemd zijn geweest, en 500 gulden voor de bouwkosten van de dubbele woning die er kwam. In Beerta tekenden partijen ook de hypotheekakte, en wel bij kastelein Jan Hindrik Puister, die tevens optrad als getuige. Elzo zou jaarlijks 5 % rente over zijn schuld aan de Schuitema’s betalen, en zij verkregen als geldschieters de gebruikelijke hypothecaire rechten over Elzo’s behuizing en de beklemming van de bijbehorende grond, kadastraal nog steeds aangemerkt als E 543 (zij het gedeeltelijk). Elzo moest zich verplicht tegen brand verzekeren en dat was maar goed ook, gezien de ervaring in 1892, toen door de wind vlammen van de overkant van de Klinkerweg oversloegen en zijn huis tot de grond toe afbrandde.

Bronnen: RHC Groninger Archieven, Toegang 110 (archief notaris A.H. Koning te Finsterwolde) inv.nr. 48, akte 1880 nr. 6 (veilingakte d.d. 9 januari 1880); en inv.nr. 50, akte 1880-146 (hypotheekakte d.d. 21 mei 1880).

De handtekeningen onder de koopakte van 1880. Links van de rode streep de onbeholpen pootjes van de kopers, allen arbeiders; rechts van de rode streep de veel geroutineerdere signaturen van de verkoper, diens getuige, een notarisklerk en de notaris zelf.

Advertenties

Waar Freerk Perton als emigrant terechtkwam

In een hypotheekakte uit 1880 van mijn betovergrootvader Elzo Perton ligt dit briefje dat, hoe simpel ook, me lichtelijk euforisch maakte:

Het is het adres van zijn zoon Freerk Perton, een kleermaker die in 1893 met zijn gezin naar Amerika emigreerde. Freerk woonde daar als Frederick Perton in Kalamazoo Michigan, en wel op het adres 15-15 North Park Street.

Waarom dat adres na minstens dertien jaar in de akte terechtkwam is een raadsel. Mogelijk moest Freerk eventueel instaan voor zijn vader, als diens hypotheek niet geheel afgelost kon worden. Geheel ondenkbeeldig was dat niet, want zijn pa was nogal accident-prone. Zo brak er in 1892 brand uit bij Elzo en kreeg hij vijf jaar later een trap van een paard tegen zijn dijbeen. In elk geval is het handschrift op het cedeltje dat van Freerks broer Geert Perton, mijn overgrootvader.

Het precieze adres van Freerk was mij tot vandaag onbekend. Wel beschik ik allang over een foto, vermoedelijk uit het eerste decennium van de twintigste eeuw, van zijn huis in Kalamazoo. Zijn vrouw en dochter Geesina/Geeske/Gé poseren er voor the porch, de smalle veranda:

Mogelijk was het gedeelte rechts een zelfstandige woning, waar andere mensen woonden. Als ik namelijk google op het gevonden adres, komt deze recente opname van Streetview tevoorschijn:

Het rechter gedeelte blijkt verdwenen en ook verder is er uiteraard het een en ander veranderd. Zo zijn de veranda en de ruimte onder de vloer dichtgemaakt en de ramen aanzienlijk vergroot. Toch oogt het pandje onmiskenbaar nog als het huisje (of het linker gedeelte van het complex in den brede) op de foto van 1900-1910. Mogelijk berust de gelijkenis op een vergissing (zie reactie Harmien), bijvoorbeeld omdat de nummers veranderd zijn in de tussentijd. De huizen in deze buurt zijn echter vrij gelijkvormig, zodat we in ieder geval meer in het algemeen een actueel beeld krijgen.

Freerk of Frederick Perton, geboren in 1861, overleed in 1944. Hij had een zoon Harry (!), die zijn zoon weer Frederick noemde. Deze kleinzoon was als soldaat een onzer bevrijders, toen zijn grootvader overleed. Volgens zijn bio had Frederick jr. dertig jaar lang een kruidenierswinkeltje in Kalamazoo, tot hij het in 1963 opgaf en in dienst kwam van een grootwinkelbedrijf in levensmiddelen.


‘Een ongescheiden praam of bolschip’

In het oudste repertorium van notaris Koning van Finsterwolde, trof ik een verwijzing aan naar een akte van 3 maart 1869, waarbij Freerk Harms Boog aan Elzo Heikes Perton een halve praam verkocht voor 50 gulden.

Zowel de koper als de verkoper was in Finsterwolde woonachtig. Elzo, een dagloner van middelbare leeftijd, was mijn betovergrootvader. Freerk, evenzo dagloner, en al bejaard, was sinds 1857 Elzo’s schoonvader. Vandaar dat ik deze op zich misschien onbeduidend lijkende akte maar eens opzocht, ook omdat zulke transacties tussen arbeiders niet zo heel vaak voorkwamen.

In de akte staat het overgedragen goed wat ruimer omschreven als

“De ongescheiden helft in eene opene praam of zoogenaamd bolschip, groot negen tonnen in den jare achttienhonderd zeven en vijftig nieuw gebouwd te Winschoterzijl en in de Nederlanden te huis behoorende.”

Erg groot was de schuit dus niet en dan ook nog mandelig. Wie de andere helft bezat, staat er niet bij, maar mogelijk was die al van Elzo – 1857 was namelijk ook het jaar dat hij met Geeske, de dochter van Freerk trouwde. Als de gissing juist is, dan namen Elzo en zijn schoonvader voor gezamenlijke rekening werkzaamheden aan, bijvoorbeeld het vervoer van grond, kwelderhooi, steen en hout. Nu had Finsterwolde niet zoveel wateren waarop je met zo’n praam uit de voeten kon, eigenlijk ging het alleen om het Beersterzijldiep, het Bellingwolderzijldiep, de Buiten-Tjamme en de Dollardgeulen. De actieradius van de schuit zal dan voornamelijk aan de oostkant van Finsterwoilde hebben gelegen, waar Ganzendijk, Finsterwolderhamrik, Hongerige Wolf, Kostverloren, Beersterhogen en Ulsda de bereikbaarste nederzettingen waren. In de akte staat dat Freerk niet kon tekenen, “wegens zwakheid van het gezicht”. Dat was waarschijnlijk ook de reden waarom hij van zijn aandeel in de schuit afwilde: hij kon het werk niet meer naar behoren doen.

Elzo betaalde de 50 gulden koopsom meteen bij de notaris aan zijn schoonvader. Een som van 50 gulden was in 1869 heel wat voor een arbeider, misschien wel een een vijfde à een kwart van wat hij in een jaar kon verdienen. Veel arbeiders zaten na de winter ook in de schulden. Dat een arbeider over zo’n praam beschikte, kwam niet zo vaak voor. Ik maak eruit op dat Elzo tot de bovenlaag van de arbeiders behoorde. Hij had tenminste nog wat kapitaal.


Hoe Geert Perton soldaat werd

Onlangs werd ik op een middag naar de studiezaal geroepen, want meneer Wortelboer had iets voor me gevonden. Het bleek te gaan om het contract van plaatsvervanging dat mijn overgrootvader in 1886 afsloot.

Over die Geert Perton (1864-1949) heb ik hier al eens verteld dat hij zelf van de militaire dienstplicht vrijgesteld was wegens broederdienst, en dat hij als remplaçant de plaats innam van iemand die ingeloot was maar niet in dienst wilde. Ooit heb ik wel gezocht naar hun contract van plaatsvervanging, maar dat niet kunnen vinden. Je zoekt zoiets ook niet gauw bij een stad-Groninger notaris als de dominante contractpartner uit De Marne en de andere partner uit het Oldambt komt. Maar nu kwam het contract dus toch tevoorschijn, dankzij Wortelboer.

Wortelboer had bij zijn archiefonderzoek al veel van zulke contracten onder ogen gehad – volgens hem was het op zich niet zo héél bijzonder. Inderdaad bleken de bepalingen zo algemeen, dat de stadse notaris kon volstaan met een voorbedrukt formulier, waarop hij de benodigde gegevens handmatig invulde.

Omdat geen van beide contractpartners meerderjarig was, werden zij vertegenwoordigd door afgezanten van de ouderlijke macht. In het geval van Geerts vader was dat de zaakwaarnemer Jacob Wetsema uit Scheemda en wat betreft de boerenzoon Pieter Bouma uit Ulrum ging het om diens voogd, een boer uit Hornhuizen. Bemiddelaar Wetsema, oorspronkelijk uit Winsum, had een zuster in Ulrum wonen – zo was het contact waarschijnlijk ontstaan. Beide partijen kwamen dan overeen dat Geert, in de overeenkomst schoenmaker genoemd, als Pieters plaatsvervanger zou dienen door het vervullen van diens militaire dienstplicht. Hiermee verdiende Geert 350 gulden (anderhalf maal het jaarinkomen van een Oldambtster landarbeider), hem na zijn afzwaaien te voldoen op 1 mei 1889, dus ruim drie jaar na het ingaan van het contract. Opmerkelijk is nog, dat Geert deze overeenkomst tekende als G.E. Perton, terwijl hij officieel alleen als Geert Perton te boek stond. Blijkbaar was de vroegere gewoonte om zich met een patroniem (zoonvadernaam) aan te duiden, in zijn geval nogal hardnekkig.

Geerts astma vormde geen reden om hem medisch af te keuren. Ook vormde zijn strafblad geen beletsel. En dus verving hij de Ulrumer boerenzoon daadwerkelijk, en wel bij het eerste regiment veldartillerie, waarvan de kanonnen natuurlijk nog door paarden werden voortgetrokken. Later zou hij zich zijn Utrechtse diensttijd met genoegen herinneren: “’s Mörgns as deur’n opengong’ng frensd’n peerd’n aal”. In die herinnering manifesteerde zich de landarbeiderszoon, die hij was.

Inderdaad moet Geert zijn remplaçantenvergoeding op 1 mei 1889 hebben ontvangen. Drie weken later trouwde hij immers met Antje Tuin, mijn overgrootmoeder, waarna ze zich vestigden in Oostwold.

Bron:
RHC Groninger Archieven, Toegang 1869 (archief notaris R.A. Quintus, Groningen) inv.nr. 617, akte 1886-115 (22 april 1886).


Spittend op het slagveld van Heiligerlee

HisGis

Onlangs kwam het repertorium van de eerste notaris in Finsterwolde gescand online. Het gebeurt niet zo vaak, maar in dat repertorium zit een index. Via die snelle weg ontdekte ik dat Heiko Perton (1824-1911), een oudere broer van mijn betovergrootvader, in 1861 een woning met een lapje grond kocht in Heiligerlee. De precieze locatie was in het Kloosterholt aan de Provincialeweg, op de hoek van de Weg naar de Oude Werf (die tegenwoordig Hoethslaan heet). Heiko’s erf en tuin bevonden zich tussen die laan en de huidige Piekeniersweg in, dus naast het wat later gebouwde en nu nog steeds gebruikte kerkje “Graaf Adolf Stichting“. Even verderop aan die Provincialeweg heb je het Museum Slag bij Heiligerlee, en nog weer wat verder naar het westen staat het monument voor graaf Adolf, de gesneuvelde broer van Willem van Oranje. Ten noorden van Heiko’s nieuwe domein lag bovendien ooit het klooster van Heiligerlee, waar Adolf van Nassau zijn hoofdkwartier had.

Nu vraag ik me af of die lokatie van oom Heiko zijn home ook een rol heeft gespeeld in de straks te herdenken Slag. Hoe groot was de kans dat Heiko bij het spitten in zijn tuin botten van gesneuvelde soldaten aantrof? Kan het zijn dat graaf Adolf hier het leven liet?


Lamlendig gewauwel over uiterlijkheden

Het lamlendige gewauwel over de outfit van SP-kamerlid Peter Kwint doet me weer denken aan wijlen mijn oud-tante Annie. Zij zeulde bijna een halve eeuw geleden eens met een koffer door de Groninger Herestraat op weg naar het Hoofdstation. Het ding was overbeladen en loodzwaar – voortdurend moest ze het even neerzetten, om haar uitgerekte armen wat rust te gunnen.

Maar als de nood het hoogst is, zo weet men van oudsher, is de redding nabij: daar kwam uit de tegenovergestelde richting warempel een jongeman die haar grootmoedig zijn belangeloze hulp aanbood. “Hij was werkelijk keurig gekleed”, aldus tante Annie achteraf. Dat had voor haar de doorslag gegeven om deze jongeman te vertrouwen. Ze overhandigde hem dus de koffer, maar in plaats van met haar mee te blijven lopen, sloeg hij plotseling een zijstraat in en verdween razendsnel uit zicht. En toen ze bij de politie aangifte kwam doen, hadden ze daar wat meewarig zitten lachen.

Een keurige verschijning is, kortom, nog geen garantie voor keurig gedrag. Ik heb liever eerlijke achenibbisj dan schone schijn  die een rot gemoed bedekt en durf zelfs de stelling aan, dat er in Nederland oneindig veel meer laaienlichters in keurige pakken rondlopen, dan in shabby kloffies of pluizige slobbertruien. Kijk alleen maar even bij de hogere echelons bij allerlei banken, die nu weer hun gang mogen gaan, tot wij hun tekorten weer aan mogen zuiveren.

Kamerleden zoals mevrouw Arib, die van zo’n bijzaak een hoofdzaak maken, laden de verdenking op zich dat ze hoofdzaken maar bijzaak vinden. De oplichters van deze samenleving, die met onze bagage aan de haal gaan, zijn ze er maar wàt dankbaar voor.


De klanten van mijn vader

Het gebied waar mijn vader met zijn boekhoud- en administratiekantoor in de jaren zestig klandizie had:

Er wat dichter op inzoomend:

Nu het allemaal in kaart gebracht is, zie ik dat er naar het noorden en westen meer rek in zat, dan naar het oosten en zuiden. In de Stellingwerven, over de grens met Friesland, had hij verspreid nog wel wat klanten zitten, maar hij kwam nauwelijks over de provinciegrens met Overijssel. Wanneperveen was daar de uitzondering. Waarschijnlijk was de concurrentie uit Steenwijk en Meppel in Noordoost-Overijssel te groot. In het oosten vormde de lijn Ommen-Hoogeveen-Assen de uiterste limiet. De dorpen met de meeste klanten waren in mijn herinnering Wapserveen, Uffelte, Ruinerwold, de Veendijk en Nijeveen.

Nog in de jaren 60 ging hij overal heen op zijn brommer, een Zündapp. Hij zei dan ’s morgens altijd waar hij naar toe ging. De meeste klanten waren destijds nog boeren, vaak met een 5 tot 15 koeien. Soms kwamen die hem schoenendozen vol ongesorteerde rekeningen brengen. Bij wijze van vakantiewerk heb ik die wel eens een week of wat op volgorde gelegd en ingeboekt, maar al te lang hield ik dat niet vol. Het was “klotewerk”, vond ik.