Hindrik Uildriks en zijn plaats in de Beertster samenleving

Bij het doornemen van het diaconieboek van Beerta uit de achttiende eeuw kwam ik natuurlijk ook mijn voorvader, de timmerman en kleine aannemer Hindrik Uildriks of Uilders tegen. Toen hij met Pinksteren 1762 trouwde, duidde de boekhoudend diaken hem zelfs alleen met zijn voornaam aan, een familiariteit, die samen moet hangen met een meer dan gewone bekendheid tussen de twee. Misschien waren ze buren. Helaas was Hindrik niet de enige bruidegom in die trouwdienst, en werden de opbrengsten van meerdere bruidsparen met elkaar als som genoteerd, zodat je weinig aan dit gegeven hebt.

Na ruim zeven maanden, begin 1763, lieten Hindrik en zijn vrouw een kind dopen: hun dochtertje Ettjen. Omdat er die zondag meerdere kinderen in de namiddaagse doopdienst werden besprenkeld, laat zich ook dit keer niets aan de collecteopbrengst aflezen. Het meisje overleed nog dezelfde maand. Bij haar begrafenis werd wèl een eigenstandige collecte-opbrengst genoteerd – het bekken dat de diakens bij die gelegenheid op het kerkhof neerzetten, bracht 17 stuivers op, een bedrag dat we nog maar even in ons achterhoofd moeten houden. Ook bij de doop van het zoontje Ulrich, het enige kind in de Beertster doopdienst van 27 mei 1764, staat er weer een bekkenopbrengst in het diaconieboek genoteerd: 5,5 stuivers, oftewel een sestehalf, een beknibbelde schelling. Deze destijds ronde waarde doet vermoeden dat alleen Hindrik als doopheffer geld in het bekken legde, iets wat wordt bevestigd als we nog wat verder kijken naar de bekkenopbrengsten bij enkelvoudige doopbedieningen. In totaal waren dat er 41 in het Beerta van de periode januari 1762 – juli 1764, waarvan er 39 (95 %) neerkomen op de enkelvoudige of dubbele waardes van indertijd courante munten. Kopergeld ging er voor het oog niet in het bekken, de opbrengsten bevatten louter zilver- en goudgeld:

Notatie in de diaconierekening Munt(en) Aantal maal deze bekkenopbrengst
0-1-0 stuiver 1
0-2-0 dubbele stuiver (dubbeltje) 7
0-4-0 twee dubbeltjes 4
0-5-4 sestehalf 12 *
0-6-0 schelling 1
0-11-0 dubbele sestehalf 4
0-12-4 ? 1
1-0-0 gulden 4
1-8-0 goudgulden 1
1-10-0 daalder 3
2-16-0 dubbele goudgulden 1
3-0-0 drieguldenstuk of dubbele daalder 1
5-4-0 ? 1

Bij de gulle gevers van de enkele en dubbele stuivers en dubbeltjes zitten een Snijder en een Muirker (metselaar, opperman). Ik neem aan dat deze groep ook arbeiders herbergt en dat deze muntjes vooral werden gegeven door mensen in loondienst, in de taal van die tijd: de dienstbare stand. Bij de gevers van de populaire sestehalven (beknibbelde schellingen) zit dus mijn voorvader (*) de timmerman en kleine aannemer, en afgezien van hem ook nog een Verver. Een van de guldens is afkomstig van Hindrik Gosselaar, een boer. De goudgulden komt van Oest Berends, de brouwer van het kerspel, en een van de daalders, het enige drieguldenstuk, en de hoogste, dit keer wel samengestelde som werden in het bekken gelegd door resp. de landbouwers Eltie Hillenius, Ellerus Hillenius (dezelfde?) en Sieto Roberts (Brederode). Boeren gaven dus goudgeld (vanaf een gulden), zilvergeld kwam in afnemende waarden van middenstanders en dienstbaren.

Dat zulke bekkenopbrengsten naar stand onderscheiden zijn, blijkt ook bij begrafenissen van kinderen. In totaal vond ik 35 van zulke bekkencollectes in het diaconieboek van Beerta over de jaren 1762-1764 en daarbij vertonen de sommen weliswaar een veel grotere variatie dan bij de dopen – waarschijnlijk omdat een wijdere kring aanwezigen iets bijdroeg in het bekken – maar verder blijkt er eenzelfde sociale gelaagdheid uit:

Opbrengst in stuivers Aantal van deze opbrengsten
0-9 12
10-19 8 **
20-29 5
30-39 1
40-49 1
50-59
60-69 3
70-79 2
80-89 3
90-99
Meer dan 100 1

Bij de begrafenis van een kind van de grote boer Poppo Jans bracht het bekken het meest op: ruim 6 gulden. Kinderen van andere boeren, Eltje Hillenius en Hindrik Gosselaar ‘deden’ 3 tot 5 gulden. Met zijn bijna 5 gulden hoort ook het kind van brouwer Oest Berends tot deze hooggeplaatste groep. De 17 stuivers, in het bekken gelegd bij de begrafenis van mijn voorvader Hindrik Uildriks’ kind (**), blijkt dan een relatief kleine opbrengst. Maar deze zit niet in de groep met de allerlaagste opbrengsten. Die werden genoteerd bij de begrafenissen van “Jantien dogters kind” (een kind van een ongehuwde moeder) en kinderen van een schoenmaker en een metselaar.

Kortom, zelfs aan het begin van hun leven bestond er al sociaal verschil tussen de mensen. Een boerenkind leverde de diaconie bij doop en begraven veel meer op dan een arbeiderskind. Getuige de opbrengsten van de bekkencollectes bij de doop- en begrafenis van zijn kinderen, behoorde mijn voorvader Hindrik Uildriks tot de op een na laagste groep in de Beertster samenleving, die van de kleine middenstand.

Advertenties

Bij de kerstboom in huize Perton

Mijn broertjes bij de kerstboom, anno 1969.

Mijn vader heeft die boom net opgetuigd met echte kaarsjes. Wat dat betreft waren we zo’n beetje de laatsten in de buurt. “Het licht is veel warmer”, vond mijn moeder. Er droop natuurlijk wel kaarsvet uit en daarvoor lagen de Meppeler Couranten op de vloer, die naderhand misschien ook dienst deden tegen de uitval van naalden, al ging de boom vlot na Nieuwjaar de deur uit. De emmer met bluswater staat er nog niet of blijft buiten beeld. Inderdaad is onze kerstboom een keer in de fik gevlogen, een jaar of wat later. Wat een consternatie gaf dat. Toen kwamen er alsnog elektrische lampjes. Dat het licht zo warm werd, was nou ook weer niet de bedoeling.

Verder biedt de foto een unieke blik op onze radio- en TV-hoek. Die TV, nog zwartwit, ging niet lang nadien haperen en als je hem dan aan de zijkant een beste klap gaf, functioneerde hij weer even. Deze handeling moest je op een avond steeds vaker herhalen. Boven de TV hangt de kalender van Pro Juventute (kinderbescherming) en op de beeldbuis staat het portret van mijn oma die op Sinterklaasdag 1962 overleed.  Onder de TV staat de radio, die in dit geval met wat bananenstekers achterin diende als versterker voor de pick-up. De naald staat vast op een draaiende grammofoonplaat met kerstliedjes. Rechts aan de wand drie ronde lijstjes met miniatuur-borduurwerkjes en op de voorgrond een ovalen salontafel met vergulde “kroeme poties” en in kunsthars gelegde brokken natuursteen (deels marmer). Aan dat loeizware ding, een hartewens van mijn moeder weet ik nog, kon je gemeen je schenen stoten. Er staan een brandewijnkom en een asbak op.

Mijn moeder wilde ons alle vier ook graag altijd even op de foto hebben. Dit was een van de zeer zeldzame keren in mijn leven dat ik een das omhad:


Wat met Midwinter in een Groninger bakkerskorf zat

Vond een foto van een broodventster in Het Noorden in Woord en Beeld van 17 december 1926:

Zo ongeveer moet mijn overgrootmoeder erbij gelopen hebben, in Zuidhorn. Aardig is dat de bijbehorende conversatie ook het midwinterse assortiment in zo’n broodkorf weergeeft:

“Stoede? Kedetjes? Frizze olwieven? Mit krenten? ’n kwartje moar. Twaibakken? Kniepkoukjes en rollertjes veur neijoar?”

 


Twee keer Perton in Amsterdams Dagboek

Opdat we ons in de kerstvakantie niet gaan vervelen, heeft Delpher vandaag de edities van het Parool, Trouw en de Volkskrant uit de periode 1945-1995 online gezet, Voor het zoekwoord Perton leverde dit 99 resultaten op. Veel van dat spul was me al wel bekend uit regionale kranten, zo figureert de tafeltenniskampioene met mijn achternaam weer menigmaal in de sportkolommen, en blijkt Frits Perton de makelaar te adverteren voor een verplaatsbare boerenschuur uit de omgeving van Winschoten.  Maar de leukste resultaten zijn toch de paar keer dat een (ver) familielid figureerde in de Paroolrubriek ‘Amsterdams Dagboek’ van ‘Dagboekanier’ Henri Knap, later een bekende TV-persoonlijkheid.

De eerste keer betreft het de verschijning, in 1949, van een Bertus Perton in de afdeling ‘Goed zo!’ van Knaps rubriek, welke afdeling ook wel de “Parade der Braven” heette:

Oudezijds Achterburgwal 140 zal het hotel van de piccolo geweest zijn. Tegenwoordig ziet het er zo uit.

Mijn oudtante Siene, die net weer in Amsterdam woonde in een flatje in de Stadionbuurt, raakte in 1953 zèlf iets kwijt en schakelde blijkbaar Knap in om het verlorene weer terug te krijgen. Haar oproep belandde in de ‘Verdrietige afdeling’ van diens rubriek:

Siene werd wel aanbeden door een belastingcollega, waar ze echter weinig van moest hebben, terwijl ze verder levenslang vrijgezel is geweest. Reden voor mij om te denken dat dit ovalen horloge van haar moeder was geweest. Toch  jammer, dat het op zo’n manier weg is geraakt, maar wel aardig dat er nog een beschrijving van is.


Harm Tuin jr. en de uniciteit van Finsterwolde

Harm Tuin jr.

De ogen en het haar zijn anders, maar voor de rest, en dan vooral voor wat betreft de onderkant van zijn gezicht, leek mijn vader sterk op Harm Tuin jr., de neef van zijn vader die het schopte tot burgemeester van Finsterwolde en Slochteren. Blijkbaar waren er bij mijn vader trekken overerfd van zijn grootmoeder Antje Tuin, die weer tante was van de latere burgemeester.

De foto van Harm Tuin vond ik  bij een interview uit 1950. Daarin kreeg hij onder meer een vraag voorgelegd waarover wel meer mensen zich het hoofd hebben gebroken, namelijk waarom juist Finsterwolde zoveel communisten of (of communistische kiezers) telde, terwijl die in het naburige Oostwold en Midwolda nagenoeg ontbraken.

“Daar is moeilijk een antwoord op te geven”, vond ook Harm Tuin, die  desalniettemin een antwoord gaf:

“Misschien wel, omdat in Midwolda de kerk orthodox gericht was en bleef, terwijl in Finsterwolde het modernisme ingang vond. Hier zijn onder de predikanten veel knappe koppen geweest, die echter de binding met de mensen verloren. De kerk geeft innerlijk houvast. Als men die verliest en er komt niets voor in de plaats en men leeft daarbij onder slechte omstandigheden, zoals hier het geval was, dan is de baan geopend voor allerlei extremistische richtingen. De tegenstelling tussen boeren en arbeiders is hier zeker groot, maar niet groter dan elders. De reactie is wel groter geweest. Die vroegere boerengeneratie telde prachtige kerels, conservatief liberaal, mensen die niet van buigen wisten. En de arbeiders wilden óók eigen baas zijn en wisten óók niet van buigen.”

Helemaal origineel is de verklaring niet, ik meen me te herinneren dat de sociograaf Hofstee tot een soortgelijke analyse kwam. Die had veel invloed in het gebied dat hij voor zijn proefschrift bestudeerde.


Grietjes groene voordeur

Heb de laatste keer dat ik in Eelde was toch maar even een foto van haar voordeur gemaakt. Ook die stickers zeggen immers wat over Margriet Toppen, wijlen de nicht van mijn vader. Toen ik haar executeur-testamentair vroeg of ze veel liefdadige instellingen had moeten afzeggen, lachte die wat, bij wijze van halve bekentenis.

Moest zelf, toen ik hier in Hoogkerk kwam wonen, zo’n veertig, vijftig charitatieve instellingen afzeggen die door de overleden vorige bewoonster van mijn appartement werden ondersteund. Sommige zijn bijzonder hardnekkig. Die sturen ondanks de opzegging nog steeds bedelpost. Het overlijden van een weldoenster is blijkbaar moeilijk te verteren.

De vorige bewoonster van mijn flat steunde vooral christelijke instellingen. Hoewel ze artikel 31 was, zat daar zelfs Moeder Theresa bij, die als blijk van waardering en als attendering dat er een nieuwe gift verwacht wordt nepzilveren kettinkjes met crucifixjes stuurt.

De instellingen van Margriet haar deur vind ik stuk voor stuk ondersteuningswaardig. Maar je kunt niet alles doen. De Vogelbescherming, dat lijkt me wel wat.

 


Kinderen van de Tine Marcusschool

Kinderen bij draaiorgel de Arabier in de Groninger Oude Ebbingestraat, 1958 of 1959:

Misschien verbaast het, dat ze zo dicht op die lawaaidoos staan. Maar het waren  niet zomaar kinderen, het ging om leerlingen van de Tine Marcusschool voor slechthorende kinderen aan de Ossenmarkt.

De foto is gemaakt door hun juf Grietje, ook wel Margriet Toppen (1921-2017), de nicht van mijn vader. Na haar kweekschoolopleiding was ze eerst jarenlang in het reguliere lagere onderwijs werkzaam geweest, met name te Bellingwolde, maar  naderhand koos ze met hart en ziel voor dit bijzondere onderwijs. Van 1953 tot 1980 was ze aan de Tine Marcusschool verbonden, waar ze altijd de aanvangsgroep onder haar hoede had en ook het spraakcorrectief onderwijs opzette en verzorgde. Voor dat doel was er in de school een speciaal ‘Praathuis’ ingericht, waar de leerlingen graag mochten  komen. Ook nam ze haar leerlingen regelmatig  mee naar buiten voor aanschouwelijk onderricht. En af en toe maakte ze daarbij dus foto’s met haar cameraatje.

Leerlingen spelen blindemannetje op de stoep voor de school: op de achtergrond rijdt een Citroën Traction Avant over de zuidzijde van het Lopende Diep (1955):

Leerlingen volgen een les met koptelefoons op en microfoons voor zich, Als ze het woord wilden hebben, moesten ze net als Tweede Kamerleden eerst op een knopje drukken. Voor hen zit een klasse-assistente. Deze foto zal ca. 1957 gemaakt zijn: 
Herfst 1958 – leerlingen vergelijken herfstbladeren op een trottoir vlakbij hun school. Op de achtergrond bekijken twee mannen een brommer. Rechts staat een bakfiets die niet op de haak is gezet: