Voornaamprovenance, of: waar komt mijn voornaam vandaan?

Genealogieën of stambomen betreffen gewoonlijk mensen van meerdere generaties die dezelfde familie- of achternaam dragen. Maar er is ook een exercitie of gedachtenspelletje mogelijk met de overerving van een voornaam.

Tot in de jaren 60/70 bestond hier in Nederland nog de eeuwenoude gewoonte om althans de oudste kinderen de namen van grootouders te geven. Zo ben ik als oudste zoon genoemd naar mijn grootvader van vaderskant Harm Perton (Oostwold 1892 – Havelte 1973). Maar hoe ging dat dan verder het verleden in?

Hij bleek zijn voornaam te hebben gekregen van Harm Harms Tuin (Beerta 1832- Finsterwolde 1883), zijn grootvader van moederskant die hij nooit in levende lijve had gezien. Dat gold getuige de kwartierstaat van de familie Tuin wel voor meer naamerfgenamen. Ook eerder ging de voornaam inderdaad steeds op traditionele wijze over van grootvader op kleinzoon. Dit is de teruggaande lijn:

Harm Adolfs Tuin
(Bellingwolde 1771 – Ulsda 1828)
<
Harm Jans Tuin,
(Bellingwolde 1723 – Bellingwolde ca. 1813)
<
Harm Jans (Kuiper),
(Lengerich ca. 1675 – Bellingwolde vóór 1721)

Dat Lengerich kon slaan op een plaats in het Emsland in het graafschap en vlakbij de stad Lingen, of op een ‘vlek’ met stedelijke allures en enkele honderden inwoners een eind verderop in Westfalen, zo grofweg tussen Osnabrück en Münster. Ik denk niet dat mijn vroegst bekende voorvader met de naam Harm die voornaam al in die Duitse contreien voerde, maar dat hij bij zijn komst naar Bellingwolde zijn eigenlijke voornaam Hermann in Harm heeft veranderd.

De voornaam Harm raakte na zijn vestiging, ca. 1700, te Bellingwolde dus verbonden aan de familie Tuin, die daar tot in de negentiende eeuw bleef wonen en daarna verhuisde naar respectievelijk Beerta en Finsterwolde, een verhuisbeweging die ook in de familie Perton is gemaakt. In Finsterwolde nam die de voornaam van de Tuinen over.

Advertenties

Harm Boukje en zijn anarchistische boekhandel

Harm Tuin, de anarchistische broer van mijn overgrootmoeder, kwam op dit weblog al menigmaal ter sprake. Pas vrij kort geleden echter, hoorde ik van zijn nazaten dat hij in Finsterwolde een bijnaam had, te weten ‘Harm Boukje’ (in het Nederlands Harm Boekje). Hetgeen perfect aansloot bij een passage in een artikel over socialisme in Finsterwolde  Daarin staat over Harm Tuin dat hij een boekendepot had met anarchistische werken. Omdat er geen noot bij deze passage opgenomen is, benaderde ik een paar jaar geleden een van de auteurs, die als meest waarschijnlijke bron een advertentie in de Vrije Socialist of De Arbeider noemde. En aangezien je voor de complete jaargangen van deze bladen naar het IISG in Amsterdam moest, bleef deze advertentie voorlopig even buiten bereik.

Maar zie, Delpher zette eergister o.a. de IISG-leggers van het Groninger socialistenblad De Arbeider online en daarmee was het opeens heel licht werk geworden om die advertentie te achterhalen. Sterker nog, ik vond niet één, maar vier verschillende advertenties van of met Harm Tuin. Elk van die advertenties stond bovendien meermalen in het blad.

De eerste werd geplaatst in de editie van nota bene 1 januari 1900 en de eerste zin na het kopje getuigt zowel van een socialistisch vormingsideaal als een wil om mee te gaan met de moderne tijd die aanbreekt:

Het gaat om goedkope edities van godheden uit het anarchistische pantheon zoals Bakoenin, Kropotkin en Domela Nieuwenhuis, naast andere werken die vrijdenkers destijds graag lazen, bijv. van Multatuli en Darwin.

De tweede advertentie dateert van precies een jaar later. Het betreft een opsomming van alle lokale agenten van De Arbeider in Groningen, Friesland en elders in den lande en Harm Tuin kreeg hierin als vertegenwoordiger te Finsterwold (zonder e) een extra H als initiaal welke verwees naar zijn vaders voornaam, zulks waarschijnlijk om verwarring te voorkomen met een andere H. Tuin ter plaatse:

Uiteraard betaalde Harm Tuin die advertentie niet, dat gebeurde voor De Arbeider zijn eigen rekening. De volgende, vanaf 9 maart 1901 in het weekblad, plaatste hij wel weer zelf om reclame te maken voor een brochure die waarschijnlijk Domela Nieuwenhuis onder pseudoniem geschreven had:
Mogelijk leverde Domela, die later wel eens bij Harm Tuin logeerde en wiens portret er op de schoorsteenmantel hing, de brochures zelf aan.

Tot slot nog een advertentie van de in Amsterdam woonachtige anarchistische uitgever Jan Sterringa, Deze is vanaf 22 februari 1902 in De Arbeider te vinden en noemt Harm Tuin als intekenadres (en agent) voor een in afleveringen verschijnend werk van Kropotkin:

Bronnen, afgezien van de gelinkte:
– De aangehaalde passage in het artikel van Houkes en Hoekman over Socialisme in Finsterwolde staat in de bundel van O.S. Knottnerus e.a. (red.), Rondom Eems en Dollard, op pag. 314.


Werdegang van een grafsteen

Deze foto dateert uit de jaren 70 en is waarschijnlijk gemaakt door een oud-tante van me. Het betreft de grafsteen van mijn betovergrootouders Jan Vondeling en Trientje Bottinga in Termunten:

De letters waren toen nog redelijk leesbaar. Dat was al een stuk minder toen Hiltje Zwarberg in 2005 voor Graftombe.nl een opname van hetzelfde grafmonument maakte – van het letterzwart resteren nog slechts enkele plekjes en veegjes:

Sindsdien lijkt ook het reliëf van de letters afgevlakt. Nabootsing van de foto uit de jaren 70:

En imitatie van die uit 2005:


Met de vrouwenvereniging op stap


Vrouwen – ze zullen zo tussen de 20 en 70 jaar oud zijn – poseren voor een kleine bus naar een model uit de jaren dertig. Ze dragen ook kleding van die tijd. Slechts enkelen lachen tegen het vogeltje. De meeste gezichten staan strak, gespannen. Het zijn serieuze mensen.

De bus staat op zandgrond. Linksachter meen ik een watermolen te zien. Het zal een uitje naar de Veluwe zijn geweest.

De geüniformeerde chauffeur staat rechtsachter. Links naast hem heb je mijn overgrootmoeder Grietje Vondeling-Van der Velde. Als je het mij vraagt was dit een uitje van de hervormde vrouwenvereniging van Zuidhorn. Daar woonde ze.


Fennie

Fennie midden tussen haar moeder (uiterst rechts) en tantes. Mijn moeder tweede van links. Circa 1953.

Vanochtend was er een item in OVT over ongehuwde moeders die hun kinderen ter adoptie moesten afstaan. Het ging over de jaren 50 tot 80, maar eerder gebeurde dat ook wel. Niet dat dat afstaan wettelijk verplicht was, maar de druk van de familie op ongehuwde moeders kon enorm zijn. Normaal trouwde een zwanger geraakt meisje met de vader van haar kind, maar dat gebeurde ook wel eens niet en dan werd er schande van gesproken. Vooral de ouders van de ongehuwde moeder wilden nogal eens graag van de tastbare kant van die schande af. Ze drongen dan sterk aan op het afstaan van het kind.

Door dat OVT-item moest ik denken aan een verhaal in mijn eigen familie, het verhaal van mijn nicht Fennie.

Fennies moeder was mijn tante Antje, de oudere zuster van mijn vader. Zoals ik het verhaal van mijn moeder hoorde, had tante Antje in haar jeugd wel eens een scharrel, maar was mijn grootvader zo kritisch op al deze vrijers – “Gieniene was goed genog” – dat de een na de ander met de staart tussen de benen afdroop. Tot Antje zwanger raakte van een collega op het verzekeringskantoor waar ze werkte, een getrouwde man. Volgens mijn moeder was dit stellig te wijten opa’s kritische houding. “Zoiets is vraogen om moeilijkheden”, oordeelde ze.

Enfin, een huwelijk was uitgesloten. Maar mijn grootouders deden destijds in 1948 geheel iets anders dan in zulke gevallen kennelijk gebruikelijk was. Ze lieten hun dochter niet het kind afstaan, nee, ze gingen dat kind zèlf opvoeden, waarbij ze deden alsof het hun eigen kind was. Fennie wist ook niet beter, dan dat opa en oma haar ouders waren – ze sprak deze zelfs als zodanig aan. Haar echte moeder was intussen meer een soort van tante die bij ze in huis woonde.

Natuurlijk was in de omgeving wel bekend hoe de vork in de steel zat. Met haar krullebol leek Fennie ook sterk op haar biologische vader. Maar voor zover ik weet werd er normaal omgegaan met mijn tante, en speelden de buurtkinderen ook gewoon met Fennie. Havelte was kerkelijk een vrijzinnig dorp, dat maakte wellicht nogal wat verschil qua behandeling.

In 1955 reageerde tante Antje op een contactadvertentie van een West-Friese boerenzoon, naderhand mijn oom Jan. Zoals hier al uit blijkt kwam er een huwelijk uit voort en in de akte heeft oom Jan zijn vrouws voordochter Fennie voor zijn eigen kind erkend. Geëcht zoals dat heet, hoewel hij dus niet haar biologische vader was. Voor Fennie, toen een jaar of zeven, acht, betekende dat huwelijk niet alleen een andere achternaam en een verhuizing naar Noord-Holland, maar ook een afscheid van degenen die ze tot dan toe als haar ouders had beschouwd. Van oom Jan kreeg ze een nieuwe fiets, een geste die zeer gewaardeerd werd door mijn moeder: “Fietsen waren hiel duur in die tied.”

Fennie ging later als tiener wel eens met ons mee met ons op vakantie. In 1962 of 1963 met de Friesland naar Terschelling, waar een huisje op een camping in Midsland gehuurd was, Het regende constant, er stonden grote plassen op het campingterrein, binnen droop de condens voortdurend van de ramen af en mijn ouders maakten ruzie.

De laatste keer dat ik Fennie zag, was bij de begrafenis van mijn moeder, ruim anderhalf jaar geleden. Fennie bleek een sympathieke en opgeruimde vrouw, hoewel het leven haar qua gezondheid behoorlijk te grazen had genomen. Ze bevestigde de verhalen van mijn moeder.

Ik zou nog eens bij Fennie langsgaan om bij te praten, vooral over familie, natuurlijk. Het kwam er niet van, wegens 1001 urgentere zaken. Maar door die uitzending vanochtend, nam ik me voor er haast achter te zetten en er nog dit voorjaar werk van te maken.

Het hoefde al niet meer, zo bleek vanavond. Ik kwam net van een fietstocht thuis en mijn broer belde: Fennie is overleden, nog maar 68 jaar oud.


Wat voor straffen er op het houden van je radio stonden en het luisteren naar de Engelse zender

Mijn Havelter grootvader, een ambtenaar, had in 1943 de radio in zijn bijenstal willen verstoppen. Daar stak mijn wat bang uitgevallen grootmoeder een stokje voor. Het toestel werd ingeleverd.
Heel anders ging het bij mijn Dwingeler grootvader, een electriciën met een handel in elektrische apparaten. Hij hield zelf een radio aan en luisterde naar de Engelse zenders. Bovendien verstopte hij het opgeëiste verkoopregister van de radio’s onder de winkelvloer, en deed dat ook met een stuk of vijftien radiotoestellen van dorpsgenoten. Zij kregen van hem in ruil een oud apparaat terug dat ze dan bij de Duitsers konden inleveren.

Hetgeen de vraag oproept wat voor sancties er stonden op het houden van je radio en het luisteren naar de Engelse zenders.

Eerst de regelgeving.

Op 13 mei 1943 verordonneerde de Duitse bezetter de verbeurdverklaring van alle radiotoestellen. Hiervoor bleef het politiestandrecht gelden. Op het houden van je radio stond een gevangensisstraf van maximaal vijf jaar en een arbitrair vast te stellen geldboete. Ook kreeg de Sicherheitspolizei een vrijbrief om corrigerend op te treden. Dat kon concentratiekamp Vught betekenen als je naar de Engelse zender luisterde.

In oktober boden de Duitsers nog nog een laatste mogelijkheid om de radio in te leveren. Daarna zouden ze bijzonder streng gaan optreden, zo kondigden ze alvast aan. Naast celstraf en arbitraire boete kwam er een nieuwe strafmaatregel: de verbeurdverklaring van de huisraad, die dan naar bombardementsslachoffers in Duitsland zou gaan.

Dat was dus wat je boven het hoofd hing bij bezit en gebruik van je eigen radio, nu de werkelijke straffen en dat dan met de blik vooral gericht op het Noorden.

In juli 43 kreeg een Leeuwarder, bij wie een radio was aangetroffen, 2 maand celstraf in Duitse gevangenissen, plus een boete van 120 gulden. Bovendien moest hij de kosten van het geding betalen (ƒ 38,-).

Een maand later behandelde het Landesgericht Groningen/Assen maar liefst 95 zaken wegens “Nichtablieferung von Rundfunkapparaten”. Het veroordeelde 65 verdachten tot gemiddeld twee à drie maanden gevangenisstraf. Twee moeten een jaar of zelfs veertien maanden zitten, omdat bewezen was dat ze met hun verstopte radio’s naar Engelse zenders hadden geluisterd.

Na de na-inlevering willen de Duitsers opnieuw voorbeelden stellen. Weldra raken twee Groningse families hun huisraad kwijt aan Bombengeschädigte.

In februari 1944 moeten maar liefst 42 inwonersvan Bellingwolde en 78 van Finsterwolde maar even op hun gemeentehuis komen verklaren waarom ze hun geregistreerde toestellen niet hebben ingeleverd. Van deze gemeenten zijn de aantallen bekend, in andere moeten ook tientallen personen zo’n oproep hebben gehad. Te Sappemeer vallen drie boetes van 1000 gulden en eentje van 5000. Van waarschijnlijk die laatste veroordeelde wordt ook een deel van de inboedel verbeurd verklaard. Zijn zoon gaat voor straf via kamp Amersfoort naar het Duitse Waddeneiland Wangeroog. Na de oorlog loopt het schip waarmee deze jongeman repatrieert bij Bierum op een mijn. Daarbij komt hij om, in het zicht van de haven.

Dat het houden van een radio en het luisteren naar de Engelse zenders je het leven kon kosten blijkt nog veel pregnanter in oktober 1944 op Oostvoorne, dan frontgebied. Een evangelist organiseert er in zijn lokaal bijeenkomsten waar naar Radio Oranje wordt geluisterd. Bij een huiszoeking vinden de Duitsers er meerdere radio’s. Ze hebben de evangelist zonder pardon tegen de muur gezet.

Mijn Havelter grootmoeder was niet voor niets bang. Mijn Dwingeler grootvader liep weloverwogen een groot risico.

Bron voor de sancties:
Gidi Verheijen, Het radiotoestel in de Tweede Wereldoorlog (Buchten 2009).


Voedselpakket voor gijzelaar Jan Tuin

Twee dagen voor D-Day kreeg Jan Tuin, gijzelaar van de Duitsers te Sint Michielsgestel, een voedselpakket van het Amerikaanse Rode Kruis. Dit kaartje diende als ontvangstbewijs. Het is getekend –


– maar nooit verzonden:

Jan Tuin werd in 1942 door de Duitsers ontslagen als burgemeester van Hoogezand en vervolgens in gijzeling genomen. In de Brabantse gijzelaarskampen hielden de Duitsers veel meer prominente Nederlanders vast. Bij verzet in hun thuisomgeving konden deze bij wijze van represaille worden geëxecuteerd. Dat is inderdaad enige malen gebeurd.

Na de overval op het gemeentehuis van Hoogezand in februari 1944, waarbij de ondergrondse een opperwachtmeester van de politie doodschoot, schijnt Jan Tuin in Brabant voor het vuurpeloton te hebben gestaan. Deze executie is op het nippertje afgelast.