Geknipt voor u !

Programma-overzicht van maandag `17 februari 1969, ontleend aan De Stem van die dag.
Primetime en ook nog het langste onderdeel van een avondje TV dat slechts van tien voor zeven tot uiterlijk kwart voor elf duurde…

Advertenties

Bijen houden niet van hoortoestellen

Op het imkerforum Bijenhouden.nl, staat deze klacht van iemand die slechthorend is en zich Franschman noemt:

Door noodlottige omstandigheden ben ik plotseling bijzonder doof geworden. Tuten en kwaken hoor ik niet meer en ook zoemverandering door stemmingsverandering bij de bijen zijn niet meer hoorbaar. Een uiterst vervelende bijkomstigheid is dat bijen geïrriteerd raken door de electro-magnetische straling van de gehoortoestellen. Bijen steken mij nu in de oren (…) als ik in de buurt van de kasten kom met gehoortoestellen in, en zonder kapwerk.”

Bij andere bijenhouders op het forum roept het geconstateerde verschijnsel herkenning op. Het doet mij eraan denken hoe weinig mijn vader had met de bijenhobby van zijn vader, mijn opa. Hij ging liever niet mee naar diens bijenstal en als hij dat toch deed, bleef hij op een zeer eerbiedige afstand staan. Dat kwam, begrijp ik nu, doordat de bijen gepikeerd reageerden op zijn hoorapparaat. Als slechthorende heeft hij die toestelletjes van jongs af aan gedragen. Ze werden steeds kleiner van formaat en steeds kekker van vormgeving, maar brachten mijn vader niet dichterbij de bijen.


Overtreding van een samenscholingsverbod

Mijn oudste, zeer gewaardeerde collega kwam vandaag aanzetten met een proces-verbaal van de “openbare terechtzitting van het Kantongerecht Winschoten” op 15 augustus 1929.

In die zitting moest voorkomen Jan Perton, geboren 23 januari 1895, van beroep timmerman en wonende te Finsterwolde op het adres Klinkerweg D 183. De kantonrechter had er weinig werk van, want de beklaagde liet verstek gaan. Als getuige werd gehoord Auke Feenstra, opperwachtmeester der marechaussee, gestationeerd in Finsterwolde. Hij had Jan bekeurd wegens een “algemeen politie-voorschrift krachtens de gemeentewet in buitengewone omstandigheden, door den Burgemeester uitgevaardigd” op 29 mei 1929.

Het herkennen hiervan vereist wat achtergrondkennis. Dat jaar was het jaar van de grote landarbeidersstaking. Op de avond van 28 mei was hotel De Unie in Finsterwolde belegerd door honderden arbeiders, die er onderkruipers vermoedden. Ramen waren er ingekinkeld. De marechaussee voerde charges uit en had daarbij ook geschoten. Drie mensen raakten gewond. Een van de drie, de venter Eltjo Siemens die alleen maar toeschouwer was, kreeg een kogel in de buik en stierf op de 29ste mei. Het voorschrift dat Jan Perton overtrad, was die ochtend om 8 uur afgekondigd. Het betrof een samenscholingsverbod voor groepen van meer dan vijf personen.

Wanneer Jan Perton het samenscholingsverbod overtrad, staat niet in het proces-verbaal. Dat kan ook een maand of wat later geweest zijn. Hoe dan ook, de kantonrechter veroordeelde Jan tot 4 gulden boete, waarschijnlijk het standaard-tarief.

Deze Jan Perton (1895-198?) was een drie jaar jongere neef van mijn grootvader en woonde twee huizen verderop aan de Klinkerweg. Hij was een zoon van Aike Perton, een timmerman, en net als zijn vader timmerman. Zo staat hij tenminste in dat proces-verbaal van 1929 geregistreerd. Maar hij moet toen ook al chauffeur geweest zijn. In 1950, als hij en zijn vrouw naar de Stationsstraat in Winschoten verhuisd zijn, krijgt hij namelijk een ANWB-insigne met bijbehorend diploma voor een kwarteeuw professioneel chaufferen. Hij is dan buschauffeur bij de GADO.

Zijn vrouw, Grietje Kuipers, kwam uit de Stad. Haar vader was stoombootkapitein. Ze schijnt nogal goedlachs te zijn geweest. Vlak voor de Bevrijding, toen ze nog in Finsterwolde woonden, vierden ze hun zilveren huwelijk. Dat was noodgedwongen een sober feest, vernam ik jaren geleden eens van hun neef. De jenever die op tafel kwam, was verkregen via een ruilhandeltje, en mensen namen hun eigen vleeswaren mee voor de hap bij dit borreltje.

Voor zover ik kon nagaan zijn Jan Perton en zijn vrouw eind vorige eeuw uit de tijd geraakt. Er staat nog een foto op Flickr uit 1961, toen Jan net gepensioneerd was en ze samen met een ander echtpaar op reis waren.

Met dank aan Reg Mulder.


Op de boeldag van mijn betovergrootmoeder

In mei 1908 overleed mijn betovergrootvader Elzo Perton. Zijn weduwe, mijn betovergrootmoeder Geeske Boog, volgde hem twee jaar later in het graf. In de tussentijd was ze in hun huisje aan de Klinkerweg te Finsterwolde blijven wonen, zoals blijkt uit het financieel verslag van de boeldag, dat in het notarieel archief bewaard bleef en dat een lijst bevat van alle kavels, de hoogste bieders en hun herkomst.

Op die boeldag, begin september 1910, kwamen slechts 58 kavels onder de hamer, terwijl er 34 hoogste bieders genoteerd staan. Op één na waren die personen allemaal man, wellicht omdat die van de notaris qua betaling moesten instaan voor hun (handelingsonbekwame) vrouwen. Een hoogste bieder sleepte gemiddeld dus nog geen twee items in de wacht. Geen enkele hoogste bieder kocht meer dan een handvol items, de meesten stelden zich tevreden met één of twee. Zo te zien waren er dus geen opkopers aanwezig.

Van de 34 hoogste bieders kwamen er 28 uit Finsterwolde en 5 van de Ekamp, dat vlak om de hoek van de Klinkerweg ligt en deels onder de gemeente Finsterwolde viel. De enige persoon die van wat grotere afstand moest komen, was de jonge joodse koopman Henri of Henrij Slager, die later met zijn vrouw Naatje vergast werd in Auschwitz. De inboedelveiling van mijn betovergrootmoeder was, kortom, van zéér lokaal belang – de plaatselijke veilingmeester vond het ook niet de moeite waard, deze in de Winschoter Courant aan te kondigen. Onder de aanwezigen vallen bovendien de namen van verschillend buurmannen op, zoals die van de dan 53 jaar oude anarchistische landarbeider Harm Harms Tuin, alias Harm Boukje. Hij woonde wat hogerop aan de Klinkerweg tussen Geeskes beide zoons in. Qua leeftijd viel hij nauwelijks uit de toon bij de aanwezigen, die gemiddeld ongeveer 50 jaar oud waren (de jongsten liepen zo’n beetje tegen de 30).

Die leeftijden checkte ik aan de hand van Alle Groningers, evenals de beroepen van de hoogste bieders:

arbeider / dagloner 17
timmerman 5
wagenaar / voerman / vrachtrijder / bode 3
schippersvrouw 1
visventer 1
schoenmaker 1
koopman 1
landbouwer 1
? / onbekend 4

Voor zover bekend, ging het in meerderheid dus om dagloners en arbeiders, en verder betrof het veelal kleine middenstand. Die ene boer was de uitzondering die de regel bevestigde.

De spullen die op de boeldag werden geveild, laten zich indelen in acht groepen:

  • Verwarming (2 kachels waaronder 1 kookkachel die als enige item werd gekocht door de joodse koopman, turf, tang, (turf-)bak en minstens 5 stoven);
  • Wasgerei (o.a. aker, tobbe, balie);
  • Kookgerei (pan, 2 x ketel, pot);
  • Drinkgerei (lampje oftewel theelichtje, een theepot, allerlei kopjes en schoteltjes, glasgoed, koffiemolen, koffiepot, dienblad, watervat);
  • Slaapgerei (3 bedden, 4 kussens, 3 dekens);
  • Zitgelegenheid (5 stoelen, armstoel, tafel);
  • Wand – en bergmeubels (klok, kabinet met beide kommen erop, commode);
  • Landbouw/tuingereeedschap (2 x schop, hark, schoffel, vork, krouwel, boor, snit?, zeis, 2x kruiwagen, kooi).

Het aantal stoven en de turfvoorraad in deze tijd van het jaar doen vermoeden dat Geeske wat kouwelijk was aangelegd. De vijf stoelen corresponderen met de grootte van haar vroegere gezin (met man en drie zoons), terwijl het landbouw- en tuingereeedschap herinnert aan het beroep van wijlen haar man Elzo Perton, die landarbeider of dagloner was.

In totaal bracht Geeskes boedel ƒ 78,85 op, niet veel. De duurste spullen bleken:

Kavel Hoogste bod Hoogste bieder
Klok ƒ 9,- Aiko Perton voor zijn zoon Elzo
Turf ƒ 8,50 Aiko Perton
Kabinet ƒ 7,- Pieter Ottes Kuiper
Bed ƒ 6,50 Hanno Speelman
Commode ƒ 3,50 Klaas Alles
Bed ƒ 2,80 Anno Speelman
Bed ƒ 2,60 Roelf Ahlers
Kruiwagen ƒ 2,40 Geert Perton

Opmerkelijk was, dat Geeskes beide in Finsterwolde woonachtige zoons op haar boeldag meeboden. Zoals gezegd, woonden zij vlakbij haar aan de Klinkerweg. Aico, een timmerman, kocht naast de klok de turfvoorraad van zijn moeder, haar koffiepot en een stoof. Die klok bracht meer op dan het kabinet en het duurste bed, mogelijk zat er een affectieve waarde aan vast – Aico kocht dat stuk immers voor zijn oudste zoon, die hij naar zijn vader genoemd had – al kan die klok ook het pronkstuk van het huis geweest zijn. De schoenmaker Geert Perton, mijn overgrootvader, bood het hoogst op de betere kruiwagen, de tafel, de koffiemolen en glaswerk. De koffiemolen zou later wel eens naar mijn grootvader gegaan kunnen zijn, en zo ja, dan heb ik hem nu.

Dat Geeskes beide zoons meeboden en zulke blijkbaar begerenswaardige objecten niet bij voorbaat aan de veiling onttrokken, zal gelegen hebben aan het feit dat hun broer Freerk in Amerika recht had op een derde deel van de opbrengst. Het moest er dan natuurlijk wel eerlijk aan toegaan.

Maar is dat ook gebeurd? De lijst met kavels lijkt een redelijk complete landarbeidersinboedel te omvatten, maar toch missen er dingen. En dan doel ik niet op boeken, muziekinstrumenten en spelletjes – aan dergelijke luxe deden arbeiders destijds nog niet, al hadden ze soms wel een bijbel of testament in huis, maar die ontbraken hier ook. Opsmuk aan de wanden kwam er evenmin onder de hamer – die hoeft er dus niet geweest te zijn, maar zou sowieso niet veel hebben voorgesteld. Wat wèl echt ontbrak waren borden en bestek – mogelijk waren die voorwerpen onderhands overgenomen door een zoon, misschien ook wel omdat Geeske haar warme eten in het huis van die zoon kreeg. Tevens ontbraken Geeskes kleding en mogelijk wat eenvoudige sieraden bij de kavels. Zulke ‘lijfstoebehoren’ werden vanouds echter altijd apart gehouden op boedelinventarissen en zullen aan de schoondochters gegeven zijn.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 110 (archief notaris A.H. Koning, Finsterwolde) inv.nr. 134, akte nr. 193: proces-verbaal van veiling d.d. 6 september 1910.


Elzo Perton koopt een lap grond en bouwt er een huis

Het anno 1880 in bouwpercelen verdeelde stuk weiland (E 543) van boer Wester, links bij de Klinkerweg, en zijn ligging ten opzichte van Finsterwolde. Bron: HisGis.

Jan Jans Wester, een boer op de westkant van Finsterwolde, bezat daar vrij veel grond. Onder meer een kamp weiland aan de westkant van de nog onbewoonde Klinkerweg, die nagenoeg 1 hectare groot was en kadastraal bekend stond als E 543 (zie kaartje, links). Eind 1879, begin 1880 besloot Wester de kleinste helft van dat perceel van de hand te doen. Hij liet langs de Klinkerweg vijf bouwpercelen afbakenen, “huisplaatsen” van elk 9 are en 60 centiare groot, en deed deze uit in beklemming (erfpacht met vaste, onveranderlijke huur). Elk perceel moest voortaan 12 gulden beklemhuur per jaar gaan doen. Op 9 januari 1880 vond in een herberg de veiling van deze beklemmingen plaats.

Van noord naar zuid waren dit de hoogste biedingen, met erachter de namen van de mannen die het hoogst voor de beklemmingen boden:

Koopsom: Koper:
ƒ 150,- Elze Perton, arbeider te Finsterwolde
ƒ 150,- Freerk van Dijk, dienstknecht te Oostwold
ƒ 140,- Elze Principaal, dienstknecht te Finsterwolde
ƒ 140,- Harm Bakker, arbeider te Finsterwolde
ƒ 100,- Jan van Dijk, arbeider te Finsterwolde

Hoe zuidelijker het perceel lag, hoe minder er werd geboden. Mogelijk hing dat samen met hoogte of de afwatering, misschien speelde de afstand tot Finsterwolde ook wel een rol. Alle bieders behoorden tot de arbeidersstand, we zien hier de eerste fase van de Klinkerweg als roemruchte arbeidersstraat. Mijn betovergrootvader Elzo Perton ging aan de haal met het perceel dat het dichtst bij Finsterwolde lag.

Omdat boer Wester nogal wat stukken (akker)land om de nieuwe huisplaatsen heen had liggen (zo’n dertien percelen) verbood hij zijn nieuwe meiers op hun grond “pluimgedierte” te houden, op straffe van 10 gulden boete. In de veilingakte liet hij dit verbod en de sanctie vastleggen als erfdienstbaarheid op de huisplaatsen. Geen arbeiderskip zou hem het graan wegpikken!

Specifiek voor Elzo Perton gold nog de bepaling dat de laan langs de noordgrens van zijn perceel het eigendom van boer Wester bleef. Elzo mocht er dus niet zomaar gebruik van gaan maken. Langs de laan moest er een sloot komen van een meter breed, waarvoor Wester de helft van de grond leverde, terwijl Elzo de andere helft voor zijn rekening moest nemen. Elzo draaide echter in zijn eentje op voor het onderhoud – hij moest zorgen dat de sloot haar breedte bleef houden. Bovendien mocht hij binnen twee meter vanaf de laan geen “houtgewas”, dus bomen en heesters planten.

Net als de andere kopers moest Elzo op 1 mei 1880 zijn beklemming betalen. Bleef hij of een van zijn nieuwe buren in gebreke, dan gold een rente van 5 % over de schuld, Zolang er niet afbetaald was, hield Wester een recht van hypotheek., en mocht een beklemde meier zijn vastgoed niet van de hand doen.

Naderhand, op 21 mei 1880, leende Elzo Perton 650 gulden van Jan, Eildert en Albertje Schuitema. Het ging om twee broers en een zus te Beerta, waar de ene broer (Jan) blauwverver en de andere (Eildert) bakker was. Elzo groeide op in Beerta, waarschijnlijk ging het om oude kennissen die hem vertrouwden. Van het geld zal 150 gulden voor de betaling van Westers beklemming bestemd zijn geweest, en 500 gulden voor de bouwkosten van de dubbele woning die er kwam. In Beerta tekenden partijen ook de hypotheekakte, en wel bij kastelein Jan Hindrik Puister, die tevens optrad als getuige. Elzo zou jaarlijks 5 % rente over zijn schuld aan de Schuitema’s betalen, en zij verkregen als geldschieters de gebruikelijke hypothecaire rechten over Elzo’s behuizing en de beklemming van de bijbehorende grond, kadastraal nog steeds aangemerkt als E 543 (zij het gedeeltelijk). Elzo moest zich verplicht tegen brand verzekeren en dat was maar goed ook, gezien de ervaring in 1892, toen door de wind vlammen van de overkant van de Klinkerweg oversloegen en zijn huis tot de grond toe afbrandde.

Bronnen: RHC Groninger Archieven, Toegang 110 (archief notaris A.H. Koning te Finsterwolde) inv.nr. 48, akte 1880 nr. 6 (veilingakte d.d. 9 januari 1880); en inv.nr. 50, akte 1880-146 (hypotheekakte d.d. 21 mei 1880).

De handtekeningen onder de koopakte van 1880. Links van de rode streep de onbeholpen pootjes van de kopers, allen arbeiders; rechts van de rode streep de veel geroutineerdere signaturen van de verkoper, diens getuige, een notarisklerk en de notaris zelf.


Waar Freerk Perton als emigrant terechtkwam

In een hypotheekakte uit 1880 van mijn betovergrootvader Elzo Perton ligt dit briefje dat, hoe simpel ook, me lichtelijk euforisch maakte:

Het is het adres van zijn zoon Freerk Perton, een kleermaker die in 1893 met zijn gezin naar Amerika emigreerde. Freerk woonde daar als Frederick Perton in Kalamazoo Michigan, en wel op het adres 15-15 North Park Street.

Waarom dat adres na minstens dertien jaar in de akte terechtkwam is een raadsel. Mogelijk moest Freerk eventueel instaan voor zijn vader, als diens hypotheek niet geheel afgelost kon worden. Geheel ondenkbeeldig was dat niet, want zijn pa was nogal accident-prone. Zo brak er in 1892 brand uit bij Elzo en kreeg hij vijf jaar later een trap van een paard tegen zijn dijbeen. In elk geval is het handschrift op het cedeltje dat van Freerks broer Geert Perton, mijn overgrootvader.

Het precieze adres van Freerk was mij tot vandaag onbekend. Wel beschik ik allang over een foto, vermoedelijk uit het eerste decennium van de twintigste eeuw, van zijn huis in Kalamazoo. Zijn vrouw en dochter Geesina/Geeske/Gé poseren er voor the porch, de smalle veranda:

Mogelijk was het gedeelte rechts een zelfstandige woning, waar andere mensen woonden. Als ik namelijk google op het gevonden adres, komt deze recente opname van Streetview tevoorschijn:

Het rechter gedeelte blijkt verdwenen en ook verder is er uiteraard het een en ander veranderd. Zo zijn de veranda en de ruimte onder de vloer dichtgemaakt en de ramen aanzienlijk vergroot. Toch oogt het pandje onmiskenbaar nog als het huisje (of het linker gedeelte van het complex in den brede) op de foto van 1900-1910. Mogelijk berust de gelijkenis op een vergissing (zie reactie Harmien), bijvoorbeeld omdat de nummers veranderd zijn in de tussentijd. De huizen in deze buurt zijn echter vrij gelijkvormig, zodat we in ieder geval meer in het algemeen een actueel beeld krijgen.

Freerk of Frederick Perton, geboren in 1861, overleed in 1944. Hij had een zoon Harry (!), die zijn zoon weer Frederick noemde. Deze kleinzoon was als soldaat een onzer bevrijders, toen zijn grootvader overleed. Volgens zijn bio had Frederick jr. dertig jaar lang een kruidenierswinkeltje in Kalamazoo, tot hij het in 1963 opgaf en in dienst kwam van een grootwinkelbedrijf in levensmiddelen.


‘Een ongescheiden praam of bolschip’

In het oudste repertorium van notaris Koning van Finsterwolde, trof ik een verwijzing aan naar een akte van 3 maart 1869, waarbij Freerk Harms Boog aan Elzo Heikes Perton een halve praam verkocht voor 50 gulden.

Zowel de koper als de verkoper was in Finsterwolde woonachtig. Elzo, een dagloner van middelbare leeftijd, was mijn betovergrootvader. Freerk, evenzo dagloner, en al bejaard, was sinds 1857 Elzo’s schoonvader. Vandaar dat ik deze op zich misschien onbeduidend lijkende akte maar eens opzocht, ook omdat zulke transacties tussen arbeiders niet zo heel vaak voorkwamen.

In de akte staat het overgedragen goed wat ruimer omschreven als

“De ongescheiden helft in eene opene praam of zoogenaamd bolschip, groot negen tonnen in den jare achttienhonderd zeven en vijftig nieuw gebouwd te Winschoterzijl en in de Nederlanden te huis behoorende.”

Erg groot was de schuit dus niet en dan ook nog mandelig. Wie de andere helft bezat, staat er niet bij, maar mogelijk was die al van Elzo – 1857 was namelijk ook het jaar dat hij met Geeske, de dochter van Freerk trouwde. Als de gissing juist is, dan namen Elzo en zijn schoonvader voor gezamenlijke rekening werkzaamheden aan, bijvoorbeeld het vervoer van grond, kwelderhooi, steen en hout. Nu had Finsterwolde niet zoveel wateren waarop je met zo’n praam uit de voeten kon, eigenlijk ging het alleen om het Beersterzijldiep, het Bellingwolderzijldiep, de Buiten-Tjamme en de Dollardgeulen. De actieradius van de schuit zal dan voornamelijk aan de oostkant van Finsterwoilde hebben gelegen, waar Ganzendijk, Finsterwolderhamrik, Hongerige Wolf, Kostverloren, Beersterhogen en Ulsda de bereikbaarste nederzettingen waren. In de akte staat dat Freerk niet kon tekenen, “wegens zwakheid van het gezicht”. Dat was waarschijnlijk ook de reden waarom hij van zijn aandeel in de schuit afwilde: hij kon het werk niet meer naar behoren doen.

Elzo betaalde de 50 gulden koopsom meteen bij de notaris aan zijn schoonvader. Een som van 50 gulden was in 1869 heel wat voor een arbeider, misschien wel een een vijfde à een kwart van wat hij in een jaar kon verdienen. Veel arbeiders zaten na de winter ook in de schulden. Dat een arbeider over zo’n praam beschikte, kwam niet zo vaak voor. Ik maak eruit op dat Elzo tot de bovenlaag van de arbeiders behoorde. Hij had tenminste nog wat kapitaal.