Spittend op het slagveld van Heiligerlee

HisGis

Onlangs kwam het repertorium van de eerste notaris in Finsterwolde gescand online. Het gebeurt niet zo vaak, maar in dat repertorium zit een index. Via die snelle weg ontdekte ik dat Heiko Perton (1824-1911), een oudere broer van mijn betovergrootvader, in 1861 een woning met een lapje grond kocht in Heiligerlee. De precieze locatie was in het Kloosterholt aan de Provincialeweg, op de hoek van de Weg naar de Oude Werf (die tegenwoordig Hoethslaan heet). Heiko’s erf en tuin bevonden zich tussen die laan en de huidige Piekeniersweg in, dus naast het wat later gebouwde en nu nog steeds gebruikte kerkje “Graaf Adolf Stichting“. Even verderop aan die Provincialeweg heb je het Museum Slag bij Heiligerlee, en nog weer wat verder naar het westen staat het monument voor graaf Adolf, de gesneuvelde broer van Willem van Oranje. Ten noorden van Heiko’s nieuwe domein lag bovendien ooit het klooster van Heiligerlee, waar Adolf van Nassau zijn hoofdkwartier had.

Nu vraag ik me af of die lokatie van oom Heiko zijn home ook een rol heeft gespeeld in de straks te herdenken Slag. Hoe groot was de kans dat Heiko bij het spitten in zijn tuin botten van gesneuvelde soldaten aantrof? Kan het zijn dat graaf Adolf hier het leven liet?

Advertenties

Lamlendig gewauwel over uiterlijkheden

Het lamlendige gewauwel over de outfit van SP-kamerlid Peter Kwint doet me weer denken aan wijlen mijn oud-tante Annie. Zij zeulde bijna een halve eeuw geleden eens met een koffer door de Groninger Herestraat op weg naar het Hoofdstation. Het ding was overbeladen en loodzwaar – voortdurend moest ze het even neerzetten, om haar uitgerekte armen wat rust te gunnen.

Maar als de nood het hoogst is, zo weet men van oudsher, is de redding nabij: daar kwam uit de tegenovergestelde richting warempel een jongeman die haar grootmoedig zijn belangeloze hulp aanbood. “Hij was werkelijk keurig gekleed”, aldus tante Annie achteraf. Dat had voor haar de doorslag gegeven om deze jongeman te vertrouwen. Ze overhandigde hem dus de koffer, maar in plaats van met haar mee te blijven lopen, sloeg hij plotseling een zijstraat in en verdween razendsnel uit zicht. En toen ze bij de politie aangifte kwam doen, hadden ze daar wat meewarig zitten lachen.

Een keurige verschijning is, kortom, nog geen garantie voor keurig gedrag. Ik heb liever eerlijke achenibbisj dan schone schijn  die een rot gemoed bedekt en durf zelfs de stelling aan, dat er in Nederland oneindig veel meer laaienlichters in keurige pakken rondlopen, dan in shabby kloffies of pluizige slobbertruien. Kijk alleen maar even bij de hogere echelons bij allerlei banken, die nu weer hun gang mogen gaan, tot wij hun tekorten weer aan mogen zuiveren.

Kamerleden zoals mevrouw Arib, die van zo’n bijzaak een hoofdzaak maken, laden de verdenking op zich dat ze hoofdzaken maar bijzaak vinden. De oplichters van deze samenleving, die met onze bagage aan de haal gaan, zijn ze er maar wàt dankbaar voor.


De klanten van mijn vader

Het gebied waar mijn vader met zijn boekhoud- en administratiekantoor in de jaren zestig klandizie had:

Er wat dichter op inzoomend:

Nu het allemaal in kaart gebracht is, zie ik dat er naar het noorden en westen meer rek in zat, dan naar het oosten en zuiden. In de Stellingwerven, over de grens met Friesland, had hij verspreid nog wel wat klanten zitten, maar hij kwam nauwelijks over de provinciegrens met Overijssel. Wanneperveen was daar de uitzondering. Waarschijnlijk was de concurrentie uit Steenwijk en Meppel in Noordoost-Overijssel te groot. In het oosten vormde de lijn Ommen-Hoogeveen-Assen de uiterste limiet. De dorpen met de meeste klanten waren in mijn herinnering Wapserveen, Uffelte, Ruinerwold, de Veendijk en Nijeveen.

Nog in de jaren 60 ging hij overal heen op zijn brommer, een Zündapp. Hij zei dan ’s morgens altijd waar hij naar toe ging. De meeste klanten waren destijds nog boeren, vaak met een 5 tot 15 koeien. Soms kwamen die hem schoenendozen vol ongesorteerde rekeningen brengen. Bij wijze van vakantiewerk heb ik die wel eens een week of wat op volgorde gelegd en ingeboekt, maar al te lang hield ik dat niet vol. Het was “klotewerk”, vond ik.


Hindrik Uildriks en zijn plaats in de Beertster samenleving

Bij het doornemen van het diaconieboek van Beerta uit de achttiende eeuw kwam ik natuurlijk ook mijn voorvader, de timmerman en kleine aannemer Hindrik Uildriks of Uilders tegen. Toen hij met Pinksteren 1762 trouwde, duidde de boekhoudend diaken hem zelfs alleen met zijn voornaam aan, een familiariteit, die samen moet hangen met een meer dan gewone bekendheid tussen de twee. Misschien waren ze buren. Helaas was Hindrik niet de enige bruidegom in die trouwdienst, en werden de opbrengsten van meerdere bruidsparen met elkaar als som genoteerd, zodat je weinig aan dit gegeven hebt.

Na ruim zeven maanden, begin 1763, lieten Hindrik en zijn vrouw een kind dopen: hun dochtertje Ettjen. Omdat er die zondag meerdere kinderen in de namiddaagse doopdienst werden besprenkeld, laat zich ook dit keer niets aan de collecteopbrengst aflezen. Het meisje overleed nog dezelfde maand. Bij haar begrafenis werd wèl een eigenstandige collecte-opbrengst genoteerd – het bekken dat de diakens bij die gelegenheid op het kerkhof neerzetten, bracht 17 stuivers op, een bedrag dat we nog maar even in ons achterhoofd moeten houden. Ook bij de doop van het zoontje Ulrich, het enige kind in de Beertster doopdienst van 27 mei 1764, staat er weer een bekkenopbrengst in het diaconieboek genoteerd: 5,5 stuivers, oftewel een sestehalf, een afgezette schelling. Deze destijds ronde waarde doet vermoeden dat alleen Hindrik als doopheffer geld in het bekken legde, iets wat wordt bevestigd als we nog wat verder kijken naar de bekkenopbrengsten bij enkelvoudige doopbedieningen. In totaal waren dat er 41 in het Beerta van de periode januari 1762 – juli 1764, waarvan er 39 (95 %) neerkomen op de enkelvoudige of dubbele waardes van indertijd courante munten. Kopergeld ging er voor het oog niet in het bekken, de opbrengsten bevatten louter zilver- en goudgeld:

Notatie in de diaconierekening (guldens-stuivers-duiten) Munt(en) Aantal maal deze bekkenopbrengst
0-1-0 stuiver 1
0-2-0 dubbele stuiver (dubbeltje) 7
0-4-0 twee dubbeltjes 4
0-5-4 sestehalf 12 *
0-6-0 schelling 1
0-11-0 dubbele sestehalf 4
0-12-4 ? 1
1-0-0 gulden 4
1-8-0 goudgulden 1
1-10-0 daalder 3
2-16-0 dubbele goudgulden 1
3-0-0 drieguldenstuk of dubbele daalder 1
5-4-0 ? 1

Bij de gulle gevers van de enkele en dubbele stuivers en dubbeltjes zitten een Snijder en een Muirker (metselaar, opperman). Ik neem aan dat deze groep ook arbeiders herbergt en dat deze muntjes vooral werden gegeven door mensen in loondienst, in de taal van die tijd: de dienstbare stand. Bij de gevers van de populaire sestehalven (afgezette schellingen) zit dus mijn voorvader (*) de timmerman en kleine aannemer, en afgezien van hem ook nog een Verver. Een van de guldens is afkomstig van Hindrik Gosselaar, een boer. De goudgulden komt van Oest Berends, de brouwer van het kerspel, en een van de daalders, het enige drieguldenstuk, en de hoogste, dit keer wel samengestelde som werden in het bekken gelegd door resp. de landbouwers Eltie Hillenius, Ellerus Hillenius (dezelfde?) en Sieto Roberts (Brederode). Boeren gaven dus goudgeld (vanaf een gulden), zilvergeld kwam in afnemende waarden van middenstanders en dienstbaren.

Dat zulke bekkenopbrengsten naar stand onderscheiden zijn, blijkt ook bij begrafenissen van kinderen. In totaal vond ik 35 van zulke bekkencollectes in het diaconieboek van Beerta over de jaren 1762-1764 en daarbij vertonen de sommen weliswaar een veel grotere variatie dan bij de dopen – waarschijnlijk omdat een wijdere kring aanwezigen iets bijdroeg in het bekken – maar verder blijkt er eenzelfde sociale gelaagdheid uit:

Opbrengst in stuivers Aantal van deze opbrengsten
0-9 12
10-19 8 **
20-29 5
30-39 1
40-49 1
50-59
60-69 3
70-79 2
80-89 3
90-99
Meer dan 100 1

Bij de begrafenis van een kind van de grote boer Poppo Jans bracht het bekken het meest op: ruim 6 gulden. Kinderen van andere boeren, Eltje Hillenius en Hindrik Gosselaar ‘deden’ 3 tot 5 gulden. Met zijn bijna 5 gulden hoort ook het kind van brouwer Oest Berends tot deze hooggeplaatste groep. De 17 stuivers, in het bekken gelegd bij de begrafenis van mijn voorvader Hindrik Uildriks’ kind (**), blijkt dan een relatief kleine opbrengst. Maar deze zit niet in de groep met de allerlaagste opbrengsten. Die werden genoteerd bij de begrafenissen van “Jantien dogters kind” (een kind van een ongehuwde moeder) en kinderen van een schoenmaker en een metselaar.

Kortom, zelfs aan het begin van hun leven bestond er al sociaal verschil tussen de mensen. Een boerenkind leverde de diaconie bij doop en begraven veel meer op dan een arbeiderskind. Getuige de opbrengsten van de bekkencollectes bij de doop- en begrafenis van zijn kinderen, behoorde mijn voorvader Hindrik Uildriks tot de op een na laagste groep in de Beertster samenleving, die van de kleine middenstand.


Bij de kerstboom in huize Perton

Mijn broertjes bij de kerstboom, anno 1969.

Mijn vader heeft die boom net opgetuigd met echte kaarsjes. Wat dat betreft waren we zo’n beetje de laatsten in de buurt. “Het licht is veel warmer”, vond mijn moeder. Er droop natuurlijk wel kaarsvet uit en daarvoor lagen de Meppeler Couranten op de vloer, die naderhand misschien ook dienst deden tegen de uitval van naalden, al ging de boom vlot na Nieuwjaar de deur uit. De emmer met bluswater staat er nog niet of blijft buiten beeld. Inderdaad is onze kerstboom een keer in de fik gevlogen, een jaar of wat later. Wat een consternatie gaf dat. Toen kwamen er alsnog elektrische lampjes. Dat het licht zo warm werd, was nou ook weer niet de bedoeling.

Verder biedt de foto een unieke blik op onze radio- en TV-hoek. Die TV, nog zwartwit, ging niet lang nadien haperen en als je hem dan aan de zijkant een beste klap gaf, functioneerde hij weer even. Deze handeling moest je op een avond steeds vaker herhalen. Boven de TV hangt de kalender van Pro Juventute (kinderbescherming) en op de beeldbuis staat het portret van mijn oma die op Sinterklaasdag 1962 overleed.  Onder de TV staat de radio, die in dit geval met wat bananenstekers achterin diende als versterker voor de pick-up. De naald staat vast op een draaiende grammofoonplaat met kerstliedjes. Rechts aan de wand drie ronde lijstjes met miniatuur-borduurwerkjes en op de voorgrond een ovalen salontafel met vergulde “kroeme poties” en in kunsthars gelegde brokken natuursteen (deels marmer). Aan dat loeizware ding, een hartewens van mijn moeder weet ik nog, kon je gemeen je schenen stoten. Er staan een brandewijnkom en een asbak op.

Mijn moeder wilde ons alle vier ook graag altijd even op de foto hebben. Dit was een van de zeer zeldzame keren in mijn leven dat ik een das omhad:


Wat met Midwinter in een Groninger bakkerskorf zat

Vond een foto van een broodventster in Het Noorden in Woord en Beeld van 17 december 1926:

Zo ongeveer moet mijn overgrootmoeder erbij gelopen hebben, in Zuidhorn. Aardig is dat de bijbehorende conversatie ook het midwinterse assortiment in zo’n broodkorf weergeeft:

“Stoede? Kedetjes? Frizze olwieven? Mit krenten? ’n kwartje moar. Twaibakken? Kniepkoukjes en rollertjes veur neijoar?”

 


Twee keer Perton in Amsterdams Dagboek

Opdat we ons in de kerstvakantie niet gaan vervelen, heeft Delpher vandaag de edities van het Parool, Trouw en de Volkskrant uit de periode 1945-1995 online gezet, Voor het zoekwoord Perton leverde dit 99 resultaten op. Veel van dat spul was me al wel bekend uit regionale kranten, zo figureert de tafeltenniskampioene met mijn achternaam weer menigmaal in de sportkolommen, en blijkt Frits Perton de makelaar te adverteren voor een verplaatsbare boerenschuur uit de omgeving van Winschoten.  Maar de leukste resultaten zijn toch de paar keer dat een (ver) familielid figureerde in de Paroolrubriek ‘Amsterdams Dagboek’ van ‘Dagboekanier’ Henri Knap, later een bekende TV-persoonlijkheid.

De eerste keer betreft het de verschijning, in 1949, van een Bertus Perton in de afdeling ‘Goed zo!’ van Knaps rubriek, welke afdeling ook wel de “Parade der Braven” heette:

Oudezijds Achterburgwal 140 zal het hotel van de piccolo geweest zijn. Tegenwoordig ziet het er zo uit.

Mijn oudtante Siene, die net weer in Amsterdam woonde in een flatje in de Stadionbuurt, raakte in 1953 zèlf iets kwijt en schakelde blijkbaar Knap in om het verlorene weer terug te krijgen. Haar oproep belandde in de ‘Verdrietige afdeling’ van diens rubriek:

Siene werd wel aanbeden door een belastingcollega, waar ze echter weinig van moest hebben, terwijl ze verder levenslang vrijgezel is geweest. Reden voor mij om te denken dat dit ovalen horloge van haar moeder was geweest. Toch  jammer, dat het op zo’n manier weg is geraakt, maar wel aardig dat er nog een beschrijving van is.