Kinderboeken van mijn vader.

Ja ik ben zo’n gek die de kinderboeken van zijn ouders bewaart. Dit zijn de meeste van mijn vader, allemaal stammend uit de jaren dertig. Met het vrijmaken van plankruimte in mijn boekenkasten zijn deze nu naar de berging verdwenen. het voorgeborchte van de boekenhel. Een plan om ze nog eens te lezen zal er niet van komen.

Jac Grosman – Uit het leven van Gijsje Goochem:

Piet Hein en de Zilvervloot – A4 -formaat, zeer goedkoop papier, matige illustraties, maar stukgelezen en in de jaren tachtig nog herdrukt::

Piet van der Zanden, De dikke verkenner (van dezelfde uitgeverij, de Nederlandsche Jeugdbibliotheek):

C. Vermeer, Franse Jan (Callenbach, Nijkerk):

J.M. Westerbrink-Wirtz, Flauwerd (Callenbach, Nijkerk; mogelijk net als de vorige een kerstcadeau van de zondagschool):

Twee deeltjes Jules Verne uit eenzelfde serie:

Don Quichotte (bij nader inzien van mijn vaders oudere zuster):

Oude Sipke:

Advertenties

Certificaat van Onvermogen

Verklaring van onvermogen, op 1 mei 1852 afgegeven door de burgemeester van Scheemda aan Geert Heikes Perton (ook wel eens Peton genoemd) en diens vrouw Grietje Brouwer, arbeiders wonend te Westerlee.

Geert en Grietje hadden de verklaring nodig voor een rechtszaak, die tegen ze was aangespannen door Grietjes wat oudere halfbroer. Hun moeder was overleden, en Grietjes halfbroer eiste scheiding van de nalatenschap. Bij de erfenis hoorde volgens hem het huis, dat Geert en Grietje bewoonden. Volgens Grietje echter, was dat huis van haar en haar man en had haar moeder alleen wat kleding en losse spullen nagelaten, waarvan de opbrengst nauwelijks voldoende was om de begrafenis van te betalen.

Het staat niet in de bijkomende stukken, maar er schemert doorheen dat die moeder bij Geert en Grietje inwoonde, en ze voor de kost en verzorging beloonde met het huis. Bij de rechtbank zullen Grietje en haar halfbroer dan gesteggeld hebben over de rechtmatigheid van die overdracht. Mocht die niet notarieel vastgelegd zijn, dan moesten Geert en Grietje verhuizen, denk ik.

Deze Geert Perton was de oudere broer van mijn betovergrootvader Elzo Perton, de smokkelaar.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 882 (archief Arrondissementsrechtbank Winschoten) inv.nr. 1181 (verzoekschriften 1851-1852). Met dank aan Jan-Paul Wortelboer.


Een suikeroom in Tichelwarf?

Jan-Paul Wortelboer vond weer een stuk familiegeschiedenis voor me:

“Procuratie door de meerderjarige kinderen van wijlen Haike Aeikes Peton en Ettjen Hendriks, gewoond hebbende te Beerta en Bonda, op den Justiscommissarius en not[ariu]s Johan Antoon Kirchhoff te Weener.”

Deze volmacht vanwege de kinderen van de oudste Perton in Nederland, werd eind 1820 opgemaakt door mr. Rudolf de Sitter, notaris te Winschoten. Die kinderen, dat waren:

  • Aeike Heikes Peton (32), van beroep dienstknecht, wonend in Beerta;
  • Aaltje Heikes Peton (30) met haar man Feije Jans Hems, arbeider, te Beerta;
  • Janna Heikes Peton (26) met haar man Sebo Freerks Goring, arbeider, in Midwolda;
  • Hendrik Heikes Peton (22), dienstknecht, te Beerta.

Opmerkelijk is dat notaris De Sitter steeds Peton schreef, waar de naam toch echt Perton was. Dat gebeurde ook wel eens in akten burgerlijke stand, die de familienaam bovendien soms als Puton weergaven. Een teken dat dat Perton met een onhoorbare r en een stomme e werd uitgesproken.

Met de volmacht die de comparanten bij De Sitter lieten registreren, machtigden ze diens ambtgenoot Kirchhoff te Weener, over de landsgrens aan de Eems, om de “erfmassa” van wijlen Klaas Heikes te laten verzegelen en inventariseren, voor zover dat nog niet gebeurd was. Deze Klaas Heikes woonde in Tichelwarf (vlak onder Bunde), maar was medio dat jaar overleden in Amsterdam. Wat hij daar uitspookte, mag Joost weten en een overlijdensakte heb ik ook niet kunnen vinden. Maar hij zal een broer van Haike Aeikes (Perton) zijn geweest en daarmee een oom van de comparanten. Dat hij juist niet met de naam Perton of Peton werd aangeduid, is weer een teken dat deze achternaam pas in Nederland aan de familie verbonden raakte.

In de plaats tredend van hun vader, waren comparanten ab intestato (bij ontstentenis van een testament) Klaas Heikes zijn erfgenamen, “wegens maagschap”. Namens hen moest de notaris uit Weener Klaas Heikes zijn eigendommen sub benefico inventarii aanvaarden en in bezit nemen. Hij diende alle roerende en onroerende goederen te laten veilen en daarvan Klaas zijn schulden af te betalen. En als er dan nog wat overbleef, moest hij dat onder de comparanten verdelen.

Bij de ondertekening van de akte verklaarden Aeike, Aaltje en Janna Heikes Peton, dus de drie oudste kinderen van hun vader, “haare namen niet te kunnen zetten”. Alleen Hindrik Heikes Peton was daartoe bij machte, net als zijn beide aanwezige zwagers. Alle drie zetten ze een beetje houterige handtekening.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 112 (notarissen Midwolda en Winschoten) inv.nr. 39 (bundel akten 1820), akte nr. 203 d.d. 27 december 1820. Met dank aan Jan-Paul Wortelboer.


Geknipt voor u !

Programma-overzicht van maandag `17 februari 1969, ontleend aan De Stem van die dag.
Primetime en ook nog het langste onderdeel van een avondje TV dat slechts van tien voor zeven tot uiterlijk kwart voor elf duurde…


Bijen houden niet van hoortoestellen

Op het imkerforum Bijenhouden.nl, staat deze klacht van iemand die slechthorend is en zich Franschman noemt:

Door noodlottige omstandigheden ben ik plotseling bijzonder doof geworden. Tuten en kwaken hoor ik niet meer en ook zoemverandering door stemmingsverandering bij de bijen zijn niet meer hoorbaar. Een uiterst vervelende bijkomstigheid is dat bijen geïrriteerd raken door de electro-magnetische straling van de gehoortoestellen. Bijen steken mij nu in de oren (…) als ik in de buurt van de kasten kom met gehoortoestellen in, en zonder kapwerk.”

Bij andere bijenhouders op het forum roept het geconstateerde verschijnsel herkenning op. Het doet mij eraan denken hoe weinig mijn vader had met de bijenhobby van zijn vader, mijn opa. Hij ging liever niet mee naar diens bijenstal en als hij dat toch deed, bleef hij op een zeer eerbiedige afstand staan. Dat kwam, begrijp ik nu, doordat de bijen gepikeerd reageerden op zijn hoorapparaat. Als slechthorende heeft hij die toestelletjes van jongs af aan gedragen. Ze werden steeds kleiner van formaat en steeds kekker van vormgeving, maar brachten mijn vader niet dichterbij de bijen.


Overtreding van een samenscholingsverbod

Mijn oudste, zeer gewaardeerde collega kwam vandaag aanzetten met een proces-verbaal van de “openbare terechtzitting van het Kantongerecht Winschoten” op 15 augustus 1929.

In die zitting moest voorkomen Jan Perton, geboren 23 januari 1895, van beroep timmerman en wonende te Finsterwolde op het adres Klinkerweg D 183. De kantonrechter had er weinig werk van, want de beklaagde liet verstek gaan. Als getuige werd gehoord Auke Feenstra, opperwachtmeester der marechaussee, gestationeerd in Finsterwolde. Hij had Jan bekeurd wegens een “algemeen politie-voorschrift krachtens de gemeentewet in buitengewone omstandigheden, door den Burgemeester uitgevaardigd” op 29 mei 1929.

Het herkennen hiervan vereist wat achtergrondkennis. Dat jaar was het jaar van de grote landarbeidersstaking. Op de avond van 28 mei was hotel De Unie in Finsterwolde belegerd door honderden arbeiders, die er onderkruipers vermoedden. Ramen waren er ingekinkeld. De marechaussee voerde charges uit en had daarbij ook geschoten. Drie mensen raakten gewond. Een van de drie, de venter Eltjo Siemens die alleen maar toeschouwer was, kreeg een kogel in de buik en stierf op de 29ste mei. Het voorschrift dat Jan Perton overtrad, was die ochtend om 8 uur afgekondigd. Het betrof een samenscholingsverbod voor groepen van meer dan vijf personen.

Wanneer Jan Perton het samenscholingsverbod overtrad, staat niet in het proces-verbaal. Dat kan ook een maand of wat later geweest zijn. Hoe dan ook, de kantonrechter veroordeelde Jan tot 4 gulden boete, waarschijnlijk het standaard-tarief.

Deze Jan Perton (1895-198?) was een drie jaar jongere neef van mijn grootvader en woonde twee huizen verderop aan de Klinkerweg. Hij was een zoon van Aike Perton, een timmerman, en net als zijn vader timmerman. Zo staat hij tenminste in dat proces-verbaal van 1929 geregistreerd. Maar hij moet toen ook al chauffeur geweest zijn. In 1950, als hij en zijn vrouw naar de Stationsstraat in Winschoten verhuisd zijn, krijgt hij namelijk een ANWB-insigne met bijbehorend diploma voor een kwarteeuw professioneel chaufferen. Hij is dan buschauffeur bij de GADO.

Zijn vrouw, Grietje Kuipers, kwam uit de Stad. Haar vader was stoombootkapitein. Ze schijnt nogal goedlachs te zijn geweest. Vlak voor de Bevrijding, toen ze nog in Finsterwolde woonden, vierden ze hun zilveren huwelijk. Dat was noodgedwongen een sober feest, vernam ik jaren geleden eens van hun neef. De jenever die op tafel kwam, was verkregen via een ruilhandeltje, en mensen namen hun eigen vleeswaren mee voor de hap bij dit borreltje.

Voor zover ik kon nagaan zijn Jan Perton en zijn vrouw eind vorige eeuw uit de tijd geraakt. Er staat nog een foto op Flickr uit 1961, toen Jan net gepensioneerd was en ze samen met een ander echtpaar op reis waren.

Met dank aan Reg Mulder.


Op de boeldag van mijn betovergrootmoeder

In mei 1908 overleed mijn betovergrootvader Elzo Perton. Zijn weduwe, mijn betovergrootmoeder Geeske Boog, volgde hem twee jaar later in het graf. In de tussentijd was ze in hun huisje aan de Klinkerweg te Finsterwolde blijven wonen, zoals blijkt uit het financieel verslag van de boeldag, dat in het notarieel archief bewaard bleef en dat een lijst bevat van alle kavels, de hoogste bieders en hun herkomst.

Op die boeldag, begin september 1910, kwamen slechts 58 kavels onder de hamer, terwijl er 34 hoogste bieders genoteerd staan. Op één na waren die personen allemaal man, wellicht omdat die van de notaris qua betaling moesten instaan voor hun (handelingsonbekwame) vrouwen. Een hoogste bieder sleepte gemiddeld dus nog geen twee items in de wacht. Geen enkele hoogste bieder kocht meer dan een handvol items, de meesten stelden zich tevreden met één of twee. Zo te zien waren er dus geen opkopers aanwezig.

Van de 34 hoogste bieders kwamen er 28 uit Finsterwolde en 5 van de Ekamp, dat vlak om de hoek van de Klinkerweg ligt en deels onder de gemeente Finsterwolde viel. De enige persoon die van wat grotere afstand moest komen, was de jonge joodse koopman Henri of Henrij Slager, die later met zijn vrouw Naatje vergast werd in Auschwitz. De inboedelveiling van mijn betovergrootmoeder was, kortom, van zéér lokaal belang – de plaatselijke veilingmeester vond het ook niet de moeite waard, deze in de Winschoter Courant aan te kondigen. Onder de aanwezigen vallen bovendien de namen van verschillend buurmannen op, zoals die van de dan 53 jaar oude anarchistische landarbeider Harm Harms Tuin, alias Harm Boukje. Hij woonde wat hogerop aan de Klinkerweg tussen Geeskes beide zoons in. Qua leeftijd viel hij nauwelijks uit de toon bij de aanwezigen, die gemiddeld ongeveer 50 jaar oud waren (de jongsten liepen zo’n beetje tegen de 30).

Die leeftijden checkte ik aan de hand van Alle Groningers, evenals de beroepen van de hoogste bieders:

arbeider / dagloner 17
timmerman 5
wagenaar / voerman / vrachtrijder / bode 3
schippersvrouw 1
visventer 1
schoenmaker 1
koopman 1
landbouwer 1
? / onbekend 4

Voor zover bekend, ging het in meerderheid dus om dagloners en arbeiders, en verder betrof het veelal kleine middenstand. Die ene boer was de uitzondering die de regel bevestigde.

De spullen die op de boeldag werden geveild, laten zich indelen in acht groepen:

  • Verwarming (2 kachels waaronder 1 kookkachel die als enige item werd gekocht door de joodse koopman, turf, tang, (turf-)bak en minstens 5 stoven);
  • Wasgerei (o.a. aker, tobbe, balie);
  • Kookgerei (pan, 2 x ketel, pot);
  • Drinkgerei (lampje oftewel theelichtje, een theepot, allerlei kopjes en schoteltjes, glasgoed, koffiemolen, koffiepot, dienblad, watervat);
  • Slaapgerei (3 bedden, 4 kussens, 3 dekens);
  • Zitgelegenheid (5 stoelen, armstoel, tafel);
  • Wand – en bergmeubels (klok, kabinet met beide kommen erop, commode);
  • Landbouw/tuingereeedschap (2 x schop, hark, schoffel, vork, krouwel, boor, snit?, zeis, 2x kruiwagen, kooi).

Het aantal stoven en de turfvoorraad in deze tijd van het jaar doen vermoeden dat Geeske wat kouwelijk was aangelegd. De vijf stoelen corresponderen met de grootte van haar vroegere gezin (met man en drie zoons), terwijl het landbouw- en tuingereeedschap herinnert aan het beroep van wijlen haar man Elzo Perton, die landarbeider of dagloner was.

In totaal bracht Geeskes boedel ƒ 78,85 op, niet veel. De duurste spullen bleken:

Kavel Hoogste bod Hoogste bieder
Klok ƒ 9,- Aiko Perton voor zijn zoon Elzo
Turf ƒ 8,50 Aiko Perton
Kabinet ƒ 7,- Pieter Ottes Kuiper
Bed ƒ 6,50 Hanno Speelman
Commode ƒ 3,50 Klaas Alles
Bed ƒ 2,80 Anno Speelman
Bed ƒ 2,60 Roelf Ahlers
Kruiwagen ƒ 2,40 Geert Perton

Opmerkelijk was, dat Geeskes beide in Finsterwolde woonachtige zoons op haar boeldag meeboden. Zoals gezegd, woonden zij vlakbij haar aan de Klinkerweg. Aico, een timmerman, kocht naast de klok de turfvoorraad van zijn moeder, haar koffiepot en een stoof. Die klok bracht meer op dan het kabinet en het duurste bed, mogelijk zat er een affectieve waarde aan vast – Aico kocht dat stuk immers voor zijn oudste zoon, die hij naar zijn vader genoemd had – al kan die klok ook het pronkstuk van het huis geweest zijn. De schoenmaker Geert Perton, mijn overgrootvader, bood het hoogst op de betere kruiwagen, de tafel, de koffiemolen en glaswerk. De koffiemolen zou later wel eens naar mijn grootvader gegaan kunnen zijn, en zo ja, dan heb ik hem nu.

Dat Geeskes beide zoons meeboden en zulke blijkbaar begerenswaardige objecten niet bij voorbaat aan de veiling onttrokken, zal gelegen hebben aan het feit dat hun broer Freerk in Amerika recht had op een derde deel van de opbrengst. Het moest er dan natuurlijk wel eerlijk aan toegaan.

Maar is dat ook gebeurd? De lijst met kavels lijkt een redelijk complete landarbeidersinboedel te omvatten, maar toch missen er dingen. En dan doel ik niet op boeken, muziekinstrumenten en spelletjes – aan dergelijke luxe deden arbeiders destijds nog niet, al hadden ze soms wel een bijbel of testament in huis, maar die ontbraken hier ook. Opsmuk aan de wanden kwam er evenmin onder de hamer – die hoeft er dus niet geweest te zijn, maar zou sowieso niet veel hebben voorgesteld. Wat wèl echt ontbrak waren borden en bestek – mogelijk waren die voorwerpen onderhands overgenomen door een zoon, misschien ook wel omdat Geeske haar warme eten in het huis van die zoon kreeg. Tevens ontbraken Geeskes kleding en mogelijk wat eenvoudige sieraden bij de kavels. Zulke ‘lijfstoebehoren’ werden vanouds echter altijd apart gehouden op boedelinventarissen en zullen aan de schoondochters gegeven zijn.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 110 (archief notaris A.H. Koning, Finsterwolde) inv.nr. 134, akte nr. 193: proces-verbaal van veiling d.d. 6 september 1910.