Nieuwigheden in Openluchtmuseum Het Hoogeland

Was er dertien jaar niet geweest, in Openluchtmuseum Het Hoogeland. Maar nu is er een tentoonstelling over lager onderwijs.

Eerst maar even in de kosterij en het bijbehorende klaslokaal gekeken. Schoolbord:

Voor mij het topstuk op de expositie: een van de drie of vier houten schooltassen:

Dat Garnwerd niet bekend staat om zijn voetballers, is louter te danken aan het schoolplein, dat de aanwezige talenten in de knop brak:

Sommige schoolboekjes blijken pure poëzie:

Alle eendjes:

Naar buiten – dit houtzaagmolentje, de David, stond er nog niet, bij mijn laatste bezoek:

Er kwam net een boer voorbij:

Detail model potschip in het schippershuisje:

Het wasgebeuren:

Interieur (ben vergeten van welk huis):

Exterieur:

In de drukkerswerkplaats was de vrijwilliger net bezig met het drukken van een levenswijsheid:

Vaak vind ik zulke musea de keukens het mooist:

Stilleven van een wrijfsteen met pigment in de ververswerkplaats:

Ook hier staat alles in bloei, wat de charme sterk vergroot:

Ook nieuw voor mij: het TBC-huisje. Zo’n patiënt had alle tijd om de krant te lezen:

Volgende maand wordt er een smederij en fietsenmakerswerkplaats van rond de Eerste Wereldoorlog geopend. Komt dat zien!

Advertenties

Harddraverijen in het Westerkwartier – een Friese impact?

Kaartje van de plaatsen in het Westerkwartier waar tussen 1803 en 1809 harddraverijen werden gehouden, hèt volksvermaak destijds, in Groningerland gewoonlijk georganiseerd door herbergiers die zilveren zwepen uitloofden..

In totaal ging het om 15 races, aangetroffen in vooral de rekesten, maar ook in andere archivalia van de toenmalige jurisdictie Westerkwartier. Op één na liggen alle lokaties ten noorden van het Hoendiep, in het kleigedeelte van het Westerkwartier. Meer nog,  ze bevinden zich daar juist niet bij het Reitdiep, maar allemaal aan een route naar Friesland die in 1840  vervangen werd door de Friesestraatweg. In Friesland waren harddraverijen eerder populair dan in Stad en Lande, waar de eerste publieke harddraverij pas in 1754 schijnt te hebben plaatsgevonden (ze werd gewonnen door het paard uit Aduard). Mogelijk heeft die merkwaardige klustering langs die route naar Friesland te maken met het gegeven dat het verschijnsel van deze paardenrennen uit Friesland kwam overwaaien.

Van de 15 harddraverijen vonden er 4 in Aduard en 4 in Grijpskerk plaats. Dorkwerd had er 2 en in alle andere plaatsen ging het om een eenmalige aangelegenheid. In Aduard is de traditie het sterkst geweest. Het kende vanaf ongeveer 1960 een renbaan, waar sinds 1983 alleen nog maar incidenteel paardenraces worden gehouden – dit jaar bijvoorbeeld niet. Curieus is dat de stichting die deze wedstrijden organiseert/organiseerde lange tijd een boegbeeld had met dezelfde naam als de herbergier die tussen 1803 en 1809 de harddraverijen in Grijpskerk organiseerde. Hij heette Tjerk Dijkstra – nou u het zegt: dat is een Friese naam.


Luitenant blijkt lastpak in Termunten

Termunten op de kaart van Beckeringh (1781).

Men zag de nationale vlag wajen, de klokken wierden drie posen geluid, de 24-ponders donderden van de batterijen, de bekende aanspraak is door den praesident aan de militairen voorgelesen en met een Hoesee! beantwoord. De uitdeling van wijn, brood en kaas is des avonds tegens 5 uuren geschied en de vergaderde leden van het Plaatselijk Bestuur met den commandeerende officier den luitenant Hombach en een bombardier zochten zich ter vieringe van dit feest te zamen vrolijk te maken, waartoe men te meer reden hadde omdat alles zonder eenig ongeluk was afgelopen.

Aldus secretaris Schuuringh namens het gloednieuwe Plaatselijk Bestuur van Termunten in een brief aan het eveneens net aangetreden, radicaal-patriotse provinciebestuur. Het feest waarover Schuuringh schrijft, was georganiseerd “wegens de aanneming van de Staatsregeling voor de Bataafsche Republiek”. Na de radicale staatsgreep van 22 januari 1798 waren eerst alle federalisten hun stemrecht kwijtgeraakt, vervolgens had het gezuiverde stemvee de constitutie aangenomen waarbij Nederland definitief een eenheidsstaat werd – dat was de aanleiding voor het feest.

Al kwam het verslag van Schuuringh daarvoor wel wat laat – zijn brief verzond hij op 29 mei, terwijl het constitutiefeest al op de 19e plaatvond – zijn verslag voldeed geheel aan de conventies in krantenberichten over dergelijke politieke festiviteiten. Maar er was ook een verschil. Zelden of nooit bevatten zulke krantenverslagen een wanklank; Schuuringh echter, berichtte dat de vreugde in Termunten “eenigzints” verstoord was geweest. Luitenant Hombach, de commandant van de lokale kustbatterijen, had het plaatselijk bestuur namelijk gemeld,

dat er, bij gelegenheid dat het Plaatselijk Bestuur met de militairen uitging naar een stuk lands om aldaar de aanspraak te doen, in ’t voorbijgaan van het huis van Symon Tiddes bij Termunterzijl, zeeker perzoon van Wagenborgen, in den wandel Harm Orange genaamd, tegenswoordig zijnde, gevraagd of hij niet wilde mede gaan om die aanspraak te horen, zou gezegd hebben, “Liever te willen dat zijn beenen verlamden dat ze hem nimmer weder naar Wagenborgen konden dragen, dan te gaan om dese aanspraak te hooren!”

De luitenant zou de brutale prinsman natuurlijk ingerekend hebben, ware het niet dat deze hem ontvlucht was “met agterlating van een zijner schoenen”. Je zou kunnen denken dat Harm Orange nog wel boet- of strafrechtelijke gevolgen van zijn dissidente uitlatingen zou ondervinden. Maar in dit verhaal zouden die een zijpad vormen – hier gaat het om luitenant Hombach en de lokale verhoudingen tussen burgerlijk bestuur en militair gezag.

Deze Willem Hombach (ca. 1761-1803) was afkomstig uit een familie van katholieke militairen in Den Haag. Als bombardier had hij waarschijnlijk al heel wat vestingen in ons land gezien, in elk geval Hulst en Bergen op Zoom. In 1787, toen hij een tijd in Vreeswijk aan de Vaart lag, was hij gepromoveerd tot onderluitenant. Hij trouwde met een hervormde vrouw uit Menkeweer bij Onderdendam en eind 1797 was hun zoontje gedoopt in de hervormde kerk Termunten, een teken dat de “luitenant van het corps artillerie van deezen staat”, daar op dat moment al leiding gaf aan de kustbewakingscompagnie, die verdeeld was over een batterij kanonnen bij de haven van Termunterzijl en een batterij op de Punt van Reide.

Hombach zou zich in Termunten ontpoppen als een lastpak voor het Plaatselijk Bestuur. Een maand later berichtten dominee J.A. Smith en koopman Syze G. Bart immers namens dat bestuur, dat de luitenant ze te kennen had gegeven,

dat de vlag voor de batterie bij Termunterzijl, door rotten of muusen doorknaagd, volstrekt onbruikbaar was geworden, en er door het Plaatslijk Bestuur van Termunten gezorgd moeste worden, dat er ten spoedigsten een nieuwe vlag kwam, teneinde in voorkomende omstandigheden daarvan tot de nodige seinen gebruik te kunnen maken…

Omdat de plaatselijke bestuurders niet zomaar tot deze uitgave wilden overgaan, verzochten ze Hombach eerst om de oude vlag eens te mogen zien. Met eigen ogen konden ze zodoende constateren dat het “allerslegtst gesteld was” met het dundoek. Toch hielden ze hun twijfels. Zo’n aanschaf hoorde immers niet voor hun rekening te komen. Vandaar dat ze het provinciebestuur om een “uitdruklijke last en order” verzochten tot het fourneren van een nieuwe vlag “op kosten van de Republiek”. Bovendien wilden ze niet aansprakelijk zijn voor de gevolgen als er “bij voorkomende omstandigheden geen seinvlag aanwezig was”.

Inderdaad kreeg het lokaal bestuur de gevraagde machtiging om de oude vlag, zo deerlijk gehavend door ratten en muizen, te vervangen door een gloednieuw exemplaar, opdat de eventuele verschijning van een Brits flottielje voor Termunterzijl tijdig zou kunnen worden doorgeseind. Luitenant Hombach echter, was hier niet mee tevreden. Hij ontpopte zich als een Rupsje Nooitgenoeg, getuige een brief die dezelfde plaatselijke bestuurders in augustus aan het provinciebestuur schreven. Opnieuw ging het ze om een toestemming voor het doen van uitgaven, waartoe ze niet zelfstandig wilden besluiten. Daarbij brachten ze het vorige contact in herinnering:

Het is ULieden bekend, dat de ondergeteekende voorheen verzogt hebben om geauctoriseerd te mogen worden tot het bezorgen van een nieuwe seinvlag voor de batterie bij Termunterzijl, welke vlag ook, naa bekomene permissie, geleverd is, en de ondergeteekende meenden, dat het daarmede gedaan zoude zijn. Dan, die vlag was nauwlijks geleverd, of de commanderende officier gaf kennis, dat er volgens nadere aanschrijvinge van den commandant te Delfzijl ook vier nieuwe seinwimpels – twee voor de batterie te Termunterzijl en twee voor die van Reide – vereischt wierden.

De plaatselijke bestuurders hadden op basis van de vorige toestemming het verzoek ingewilligd en Hombach zijn wimpels gegeven. Echter:

Daarmede was het nog niet gedaan, de luitenant W. Hombach vorderde toen een nieuwen vlaggestok op de batterie van Termunterzijl, uit hoofde dat de oude niet hoog genoeg zou zijn om daarmede de vereischte seinen te doen. De ondergetekende hebben daaraan alweer voldaan, hebbende een spier van 50 voeten (= ruim 14 meter, HP) lang tot een seinstok laaten gereed maken en oprichten.

Tot zover hadden de plaatselijke bestuurders luitenant Hombach, “die maar requireert”, steeds braaf zijn zin gegeven, zonder het provinciebestuur opnieuw lastig te vallen.

Edog, daar gemelde officier Hombach nu weer gerequireert heeft een nieuwe seinstok voor de batterie op Reide, en daarbij te kennen gegeven heeft, dat de ondergeteekende gedurig bijnaa dagelijks verwagten moesten dat er het een of ander vereischt wierd, en ook al een en andermaal gezegt heeft dat hem door de ondergeteekende een goede verrekijker zou bezorgd worden, als ook dat de ondergeteekende bij gerucht gehoort hebben dat hij commanderend officier zou gezegt hebben dat de nieuwe seinstok bij Termunterzijl nog merkelijk langer zou gemaakt worden, ’t geen niet dan met vrij veel kosten zal kunnen geschieden…

verzochten ze het provinciebestuur toch maar weer om een machtiging voor het doen van de door Hombach gevergde uitgaven, of anders om een gedragslijn, ook omdat ze hun twijfels bij Hombachs eisen hadden:

De ondergeteekende zouden minder zwarigheid maken om aan de order van gemelden officier te voldoen indien hun alles voorkwam als redelijk en dat ’s Lands financiën daarbij in acht genomen wierden…

Of er nog een vervolg is geweest weet ik niet, zo ver ben ik nog niet gevorderd in de brievenbundels, maar dat de verhoudingen tussen het burgerlijk en het militair gezag in Termunten zo langzamerhand behoorlijk verstoord raakten, moge duidelijk zijn. De militaire onvergenoegdheid botste op de lokale zuinigheid, en wellicht heeft dat ook een rol gespeeld bij de overplaatsing van Hombach naar Holwierde aan de andere kant van Delfzijl. Tenminste, hier vinden we hem in 1800 terug. In 1802 zat hij in Harlingen, en een jaar later in zijn geboorteplaats Den Haag, waar hij ook is gestorven.

In elk geval is het verhaal illustratief voor de verhoudingen in de Bataafsche Republiek. Door de permanente oorlogstoestand kregen militairen het steeds meer voor het zeggen, niet alleen nationaal, maar ook lokaal. Burgerlijke autoriteiten konden hen maar moeilijk iets ontzeggen en op het platteland ging de relatie steeds meer lijken op de parasitaire, zoals die tijdens het Ancien Regime had bestaan tussen huursoldaten op veldtocht en ‘boeren’. Ook zo raakte het revolutionaire elan allengs bekoeld.

Bronnen, behalve de gelinkte:

  • Groninger Archieven, Toegang 3 (archieven Gewestelijke Besturen) inv. nr. 9: brief d.d. 29 mei 1798 van G.J. Schuuringh namens PB Termunten aan het Intermediair Administratief Bestuur (IAB) van het voormalig gewest Stad en Lande.
  • Idem inv.nr. 10: brief d.d. 27 juni 1798 van het PB Termunten aan het IAB.
  • Idem inv.nr. 12: brief d.d. 9 augustus 1798 van het PB Termunten aan het IAB.

De oorlog met Engeland en zijn economische gevolgen

Napoleontische medaille voor volksvlijt (1808). Collectie Rijksmuseum Amsterdam.

Dat een volkomen handelsoorlog tussen het Verenigd Koninkrijk als zeemogendheid enerzijds, en anderzijds het vasteland van Europa voornamelijk verliezers kent, wordt mooi aangetoond door bedrijfsstatistieken uit de Franse Tijd, toen Napoleon een volkomen boycot van Britse producten en diensten, het zogenaamde Continentale Stelsel, afgekondigd had. Neem een staatje uit 1808 van bedrijvigheid in de beide Oldambten (het kleigebied bij de Dollard + de veenkoloniën ten zuiden ervan zoals Veendam- Wildervank en de beide Pekela’s), een staatje dat gebaseerd is op een enquête onder de ondernemers zelf. Verdeeld over vier sectoren, komt het effect van de oorlog hierop neer:

Scheepsbouw
Met de 22 scheepswerven, de 7 lijnbanen, de 7 blokmakerijen en de 3 zeilmakerijen in de Oldambten gaat het zeer slecht in vergelijking tot vroeger. Schepen onder eigen vlag kunnen immers nauwelijks het zeegat uit, zonder gevaar te lopen op kaping door de Britten. De ondernemers snakken daarom naar vrede en vrije zeevaart en handel. Eventueel zouden stimulerende maatregelen in de vorm van bedrijfssubsidies en inkomsensondersteuning voor scheepstimmerlui de hoogste nood kunnen lenigen.

Bouw
Ook de gewone bouw zit flink in het slop, getuige de opmerkingen bij de 6 houtzaagmolens, de 10 kalkovens en de 7 steenfabrieken en pannenbakkerijen. Door de oorlog op zee komt er weinig hout uit Noorwegen en het Oostzeegebied – het is dus schaars en duur. Daardoor zijn bouwprojecten tot het uiterste minimum beperkt: reparaties van de bestaande woningvoorraad. De oplossing is ook hier: vrede en vrije zeevaart en handel. Verder is het maar afwachten – anders dan in de scheepsbouw opperen de ondernemers in deze sector geen stimulerende maatregelen of inkomensondersteuning.

Kleding en schoeisel
De 17 blauwververs en 5 leerlooiers geven een gemengd beeld. Met de leerlooiers gaat het vrij goed. Een deel van hun concurrentie is uitgeschakeld. De blauwververs krijgen echter geen grondstoffen meer van overzee. Ook zij verlangen zeer naar vrede, vrije zeevaart en handel.

Voedings- en genotmiddelen
De 19 korenmolenaars, 13 bierbrouwers en 4 oliemulders uiten evenmin als de leerlooiers klachten. Hun grondstoffen komen uit de streek zelf, terwijl er geen concurrentie van buiten is. De 30 grutters (met ros- oftewel paardemolens) en 7 pelmulders, die gerst en boekweit verwerken tot grutten voor het andere volksvoedsel naast brood, namelijk pap, klagen echter over concurrentie van de korenmolenaars. De laatsten mogen wel gerst vermalen tot meel, terwijl de pelmulders en grutters geen rogge of andere broodgranen mogen vermalen. Ze roepen om lastenverlichting en marktordening: maximering van het aantal bedrijven en prijszetting door de overheid. De problemen van de pelmulders en grutters hebben echter weinig te maken met het feit dat Brittannia buitengaats heerst. Hun grondstoffen komen eveneens van dichtbij, alleen is er structureel iets mis met hun bedrijfstak.

Kortom:
Vooral voor de scheepsbouw en in iets mindere mate in de huizenbouw had de situatie op zee gevolgen: deze sectoren lagen op hun gat, of bijna op hun gat. Aanvoer van hout over land, bijv. uit Drenthe en Westfalen, was kennelijk veel duurder dan aanvoer van hout over zee. In de kleding en schoeisel heerste een gemengd beeld, en alleen bij de voeding had de internationale politieke situatie geen (directe) gevolgen, omdat de grondstoffen van dichtbij kwamen. Weliswaar waren ze ook duur, maar daar hadden mensen in loondienst veel meer last van dan ondernemers en boeren.

Bron: Groninger Archieven Toegang 731 (Plaatselijke gerechten Oldambt) inv.nr. 7062.

P.S. De getranscribeerde tabel met zes kolommen kon ik hier niet kwijt – steeds viel een kolom buitenboord. Mocht iemand er toch belang hebben, dan hoor ik dat graag.


De neergang van de standerdmolen in Groningerland

De standerdmolen aan het Sarriespad in Zuidhorn, gezien vanuit het zuidwesten, ca. 1908. Collectie gemeente Zuidhorn.

Als mijn overgrootouders in Zuidhorn uit het raam van hun voorkamer keken, zagen ze links, op een meter of 70 afstand, deze standerdmolen. Hij werd naar verluidt opgericht in het jaar dat Columbus Amerika ontdekte (1492) en gesloopt in 1910. Het was een van de laatste drie werkzame in onze provincie. Nu staat er alleen nog een authentiek exemplaar in Ter Haar, Westerwolde, en een reconstructie in de vesting Bourtange.

Het type van de standerdmolen ontstond in de Hoge Middeleeuwen in Vlaanderen en verspreidde zich eind twaalfde eeuw eerst naar Franse en Engelse kuststreken en vervolgens naar Duitsland en de rest van Europa. Anders dan het tegenwoordig dominante type windmolen, dat van de bovenkruier, werd de standerdmolen niet met de wieken op de wind gezet door alleen het kopje, maar door het algehele molenlichaam te draaien, een vrij pittig karwei, waar vast paardekracht aan te pas kwam. Die molenkast rustte en draaide op een ‘standerd’, een rechtop gezette, zware stam van zo’n 60 à 80 centimeter dik, die vanonder werd verankerd en geschoord met dikke balken. Bovenop de standerd verhinderde een ‘stormpen’ dat de molenkast kapseisde en weggleed, onderop steunde de molenkast ook nog, maar dan in veel lichtere mate, op een ‘zetel’ halverwege de standerd.

Standerdmolens waren te onzent uitsluitend korenmolens, of liever gezegd roggemolens want hier werd voornamelijk roggebrood gegeten. De industriële windmolens die vanaf ongeveer 1600 in zwang kwamen voor het zagen van hout, het slaan van olie en het pellen van gerst etc. waren louter bovenkruiers, die op termijn voor het graanmalen veel standerdmolens zouden gaan vervangen, omdat ze een grotere productie- en opslagcapaciteit hadden en minder onderhoudsgevoelig waren.

Voor 1656 waren er nog geen bovenkruiers in Groningerland. De primitieve middeleeuwse, maar volgens mij oneindig veel mooiere standerdmolens hadden hier nog het alleenrecht. Hoe deze hier verdwenen, is door Bob Poppen gedocumenteerd. De lijsten in diens artikel bleken dermate precies, dat ze heel goed bruikbaar zijn voor verspreidingskaartjes.

In 1628 stonden er op het platteland van de drie Ommelanden en de beide Oldambten 109 van zulke roggemolens. Deze waren lang niet allemaal even rendabel. Ook om die reden werd de belasting op het gemaal nogal eens ontdoken. Om nu èn de winstgevendheid te verhogen èn de controle op het gemaal te vergemakkelijken, besloot het provinciebestuur in 1628 tot een grootschalige sanering: maar liefst een derde van de roggemolens moest (tegen vergoeding) het veld ruimen, wat neerkwam op 36 standerdmolens. Op onderstaande kaartje, aangevuld met incomplete gegevens uit de stad en Westerwolde (dat een ander belastingregime kende) zijn de molens die mochten blijven aangegeven met groene stippen, terwijl de verdwijnende met rode stippen gelokaliseerd zijn:

Groningerland beschikte dus over een dicht netwerk van zulke molens, en er werd duidelijk met de kaasschaaf gewerkt, waarbij eigenlijk alleen het zuiden van het Westerkwartier werd ontzien. Mogelijk zat men in deze venige streken niet met een overcapaciteit, al kan het ook aan de invloed van Nienoord gelegen hebben.

Poppen is de resterende standerdmolens blijven volgen, waarbij hij vooral benieuwd was naar hun sloop of vervanging door een bovenkruier (veelal) of een stellingmolen (vrij zelden). Ook noteerde hij de nieuwkomers. Afgaande op zijn ‘burgerlijke stand’ van standerdmolens, waren er in 1750 in heel Groningerland nog minstens 90 over, nog steeds heel mooi verspreid over het gewest:

Daarna, en dan vooral in de tweede helft van de achttiende eeuw, toen verlichte geesten ook heel hard werkten aan de technische vervolmaking van de bovenkruier, kwam er fors de klad in en verminderde het aantal standerdmolens zienderogen. In 1850 waren het er nog maar 25:

In een heel groot deel van de provincie bleken ze verdwenen. Bij de polders langs de kust, in het Lageland, Duurswold, het Gorecht, de Veenkoloniën, het Oldambt en de Stad zag je ze niet of nauwelijks meer. Concentraties waren er nog slechts in het Westerkwartier, De Marne bij het Reitdiep, en Westerwolde. In twee van de drie gevallen ging het om beslist armere gebieden op zand- en veengrond. Daar waagden molenbezitters blijkbaar minder gauw de innovatieve overstap naar een bovenkruier.

Ook de drie laatste werkzame standerdmolens stonden in die armere gebieden. Het betrof de exemplaren van Vriescheloo, Zuidhorn en Mussel, respectievelijk afgebroken in 1909, 1910 en 1943.

De standerdmolen waarop mijn overgrootouders uitkeken, die van Zuidhorn, raakte eerst “deerlijk gehavend” door een hevige rukwind op Sint Maartensdag. Hij sloeg van de pal of rem, de wieken begonnen hevig te draaien, maar veroorzaakten in dit geval geen brand, Een ervan raakte namelijk los en stortte via het dak van een belendend huis neer op de molenvoet, waarvan het een stuk balk en een deel van de fundering wegsloeg. Verder zeilde er “een menigte latten en borden” van de overige wieken door de lucht. Er zat geen enkele lat meer aan een wiek. Sloop van de molen was onvermijdelijk. Ook dat maakten mijn overgrootouders van dichtbij mee:

Sloop van de standerdmolen aan het Sarriespad te Zuidhorn, eind 1910 of begin 1911. Foto: Wikimedia commons.

Bron: B.D. Poppen, ‘Het verloop van de Groninger standerdmolens na de resolutie van 25 juni 1628’, Molinologie, nr. 28 (2007) 1-10.


Vermist: Arabische schoenen, een met een “voorstootje” op de neus

Gestolen te Aduard in 1804: “Schoenen met vier lange gespleren; Arabische schoenen, zijnde aan de ene een voorstootje en maar weinig gebruikt”. De gespen, gemaakt door zilversmid Hubert in Groningen, hadden “een strik erop, daar de beugels waren ingezet”.

Weet iemand  een plaatje met schoenen die erop lijken? Zo goed als nieuw, met of zonder “voorstootje” (lichte beschadiging op de punt)?


De waakzame roderoede van Aduard

 

Opmerking in de marge van een brief uit 1804, waarin wedman Luitjen Raangs van Aduard het signalement van een dievegge doorgeeft aan de drost van het Westerkwartier.

Raangs had mogelijk geen al te beste verstandhouding met zijn roderoede (of veldwachter). “Het loopt hijr vol met bedelaars”, zo merkt hij op. En dat terwijl het de taak van de roderoede was om zulke mensen als “schooiers” het dorp uit te zetten. Blijkbaar gebeurde dat niet, want: “Onse rode roe heeft het drok met sijn affaires”, met andere woorden: zijn zaakjes, zijn bijverdiensten. De diefstal vond bij de buren van de roderoede plaats en de verdachte vrouw was de roderoede zelfs in diens eigen tuin voorbij gelopen!