Voedselpakket voor gijzelaar Jan Tuin

Twee dagen voor D-Day kreeg Jan Tuin, gijzelaar van de Duitsers te Sint Michielsgestel, een voedselpakket van het Amerikaanse Rode Kruis. Dit kaartje diende als ontvangstbewijs. Het is getekend –


– maar nooit verzonden:

Jan Tuin werd in 1942 door de Duitsers ontslagen als burgemeester van Hoogezand en vervolgens in gijzeling genomen. In de Brabantse gijzelaarskampen hielden de Duitsers veel meer prominente Nederlanders vast. Bij verzet in hun thuisomgeving konden deze bij wijze van represaille worden geëxecuteerd. Dat is inderdaad enige malen gebeurd.

Na de overval op het gemeentehuis van Hoogezand in februari 1944, waarbij de ondergrondse een opperwachtmeester van de politie doodschoot, schijnt Jan Tuin in Brabant voor het vuurpeloton te hebben gestaan. Deze executie is op het nippertje afgelast.


Aan de Klinkerweg in Finsterwolde (2)

Mocht vandaag bij de familie Tuin het prachtige fotoalbum bekijken, dat burgemeester Jan Tuin bij zijn afscheid in 1965 cadeau kreeg van de gemeente Groningen.  De fotograaf was onder andere langs geweest bij diens geboortehuis aan de Klinkerweg in Finsterwolde, volgens dichter Jan Boer, die de teksten in het album verzorgde, een “Vaailig hoeske” mit “vrundelk zicht” :


Mogelijk zit in deze regels de herinnering van Jan Tuin zelf aan de krimpjeswoning verwerkt. Ik verbeeld me dat hij hier voor het huisje met de postbode over vroeger staat te praten:

Ging hij met de fotograaf mee? Achter de postbode zie je het huis waar mijn grootvader Harm Perton geboren is. Hij was een neef van Jan Tuin, zijn moeder en de vader van Jan Tuin waren zus en broer.

Kennelijk had Jan Tuin ook herinneringen aan de molens van Finsterwolde. Maar die waren verdwenen:

Het Oude Rechthuis van Finsterwolde stond er in 1965 nog wel:

In 1972 is dat eeuwenoude pandje alsnog gesloopt. Het stond op de hoek van de Hoofdweg en de Leeuwerkeslaan, waar naderhand dorpshuis De Pyramide verrees:


Friese schipper dacht slim te zijn

Zoals wel meer schippers uit die tijd had Tiete Wijpkes (65), geboren te Bolsward, nergens een vaste woon- of verblijfplaats en was hij “altoos in zijn schip zig ophoudende”. Sinds een jaar of tien, twaalf voer hij vaak in de provincie Stad en Lande “om zeezand, zark en schulpzand te verkopen”. Dat zand zal hij, getuige zijn historie in december 1773, vooral van het eiland Ameland hebben betrokken. Daar bracht hij dan goederen uit Groningen heen, om plaatselijke producten als retourlading mee terug te nemen.

Dat we dit kunnen concluderen, komt door een vonnis van Gedeputeerde Staten van Stad en Lande. Want Tiete dacht slim te zijn, maar haalde een enorme stommiteit uit.

Op 2 december dat jaar kocht hij bij de koopman Wilhelmus Schneijder in de stad Groningen drie ankers (= al met al 114 liter) brandewijn, die hij contant afrekende. Net als een identieke hoeveelheid op 13 november was de brandewijn bestemd voor een Pieter Johannes van Ameland, wonend op Ameland. Omdat de brandewijn op dat eiland geconsumeerd zou worden, was de koper er er in Groningen geen accijns voor verschuldigd. Tiete Wijpkes kon dus volstaan met het afhalen van een vrijcedel bij het Goudkantoor, het provinciale belastingbureau bij de Grote Markt. Op 3 december stak Tiete van wal en voer langs het Reitdiep naar Zoutkamp, zo leek het. Diezelfde avond echter, kwam hij via de Aduarderzijl weer “binnen” en voer het Aduarderdiep op. Daar werd hij de volgende dag om een uur of 12 tussen Garnwerd en het Bolshuis (nu Bolshuizen) aangehouden door een stel Landsbedienden. Zij doorzochten zijn schip, troffen de vaatjes brandewijn aan en constateerden dat Tiete daar geen aangifte van had gedaan in het inklaringskantoortje bij de Aduarderzijl. Ze bevonden daarmee dat hij

“alzo de meergemelde drie ankers afgeschrevene brandewijn wederom ter sluik in deze Prov[inci]e heeft ingevoerd”.

Bij Gedeputeerde Staten , die als fiscale rechters over dit geval moesten oordelen, beriep Tiete zich op zijn onwetendheid. Ook zou er een timmermansknecht uit Aduard bij hem gekomen zijn, toen hij voor de Aduarderzijl lag. Die man wilde graag meevaren naar Ameland, en zou daar 4 gulden reisgeld voor betalen, als Tiete tenminste zijn spullen bij de Steentil zou komen afhalen. Maar Tiete wist geen naam van deze passagier-in-spe te noemen, en ook trapten de heren niet in Tietes geveinsde onwetendheid. Met zijn ervaring als schipper wist hij immers donders goed hoe het er in Groningerland aan toe ging. De heren veroordeelden Tiete daarom tot levenslange verbanning uit de provincie Stad en Lande en vonden dat nog een lankmoedig vonnis, hoewel ze toch geweten moeten hebben dat ze hiermee de Groninger negotie onmogelijk maakten, waarmee de Friese schipper zih in zijn levensonderhoud voorzag.

Niet alleen de Groninger negotie, trouwens, want naar gewoonte zou met de contrabande het schip verbeurd worden verklaard. Tiete was echter niet de eigenaar, zo bleek nog net op tijd. Een paar dagen voordat hij in de provinciale nor zijn vonnis te horen kreeg, diende namelijk ene Schelte Douwes, een collega-schipper, namens de voogden van het (diaconale) Armenhuis te Bolsward een verzoekschrift in met (notariële) bewijsstukken die konden aantonen

“hoe eenen Tijte Wijpkes hebben laaten vaaren op een kofschipje zoo aan gezeide voogden in eigendom is toebehorende (…) op welke kofschipje gezeide Tijtte Wijpkes alleenlijk geplaatst hebben om hem met zijn vrouw en kinderen aan de kost te helpen en dezelve van de diaconie opgenoemd af te houden..”

Als het kofscheepje vanwege Tietes smokkelarij “na strict recht” verbeurd verklaard zou worden, zou dat “ten eenemaal ongelukkig” voor genoemde instelling uitpakken, omdat deze haar armen moest onderhouden uit slechts weinig bezittingen. Daarom verzochten de Bolswarder armvoogden GS om het beslag op ‘t schip weer op te heffen en het terug te geven aan hun Armenhuis. Na bestudering van de stukken besloten Gedeputeerden dit verzoek te honoreren. De Bolswarder instelling kreeg het schip, “bevorens bij Tijtte Wijpkes bevaaren”, inderdaad “om Gods wille” terug “met zijn toebehorend zeil en treil”. Of dat schip nog weer aan Tiete ter beschikking werd gesteld, onttrekt zich aan mijn waarneming, maar lijkt me hoogst twijfelachtig, want hij maakte toch ook misbruik van het vertrouwen, door zijn weldoeners in hem gesteld.

Bronnen: RHC Groninger Archieven, Toegang 1 (archief Staten van Stad en Lande) inv.nr. 1352 (sententies GS in belastingzaken) het vonnis d.d. 20 december 1773; idem inv.nr. 445 rekest met apostille 16 dedember 1773.


Van aardappelmeel tot zwelstijfsel

Aardappelplanten, omhoog rijzend uit een aardappelhoop, met de namen van de producten op rode wapenschildjes: aardappelmeel natuurlijk, maar ook dextrine, kleefstoffen, spiritus en zwelstijfsel:

Linksonder een evocatie van het fabrieksgebouw, rechtsonder een artist impression van Groningen, met de Martinitoren. Op de uitgebotte piepers het logo van Scholten, dat jodensterachtig aandoet. Vraag me nu af dat nog veel langer bestond, c.q. wanneer het afgeschaft is.

Onderaan de gelegenheid waarvoor dit glas in loodraam tot stand kwam, Het gezamenlijke personeel van Scholten bood het aan in 1939, toen er een nieuw kantoorgebouw in Hoogezand tot stand kwam, waar tevens het eeuwfeest van ’t bedrijf werd gevierd.

Volgens het krantenverslag van die gebeurtenis stelt het stuk “de bekende productiestamboom” voor. Het was geplaatst in het trappenhuis van het nieuwe gebouw. De Groninger glazenier Jan Wijkmans maakte het.

Zou het er nog zijn?

Bron: RHC Groninger Archieven Toegang 2139 (collectie fotoalbums) inv.nr. 251: Herinneringsalbum met foto’s en toespraken van de viering van het 100-jarig bestaan van W.A. Scholten’s Aardappelmeelfabrieken, 1939.


Garnalenventster had bijverdienste

Vrouw met twee manden aan een juk. Ets, ca. 1780. Rijksmuseum.

Zoals bekend bleef Finsterwolde heel lang een “woonplaats van armoedige vissers, die in het vangen van bot en garneel hunne kost zogten”. Pas de inpoldering van de Oostwolderpolder (1769) en de Finsterwolderpolder (1819) bracht daar verandering in, hoewel er ook in het midden van de negentiende eeuw nog wel op garnaal werd gevist in de Dollard bij Finsterwolde.

De Finsterwoldiger ingezetene Willem Jans was waarschijnlijk garnalenvisser. In elk geval ventte zijn vrouw Sjouwke Pieters (45) met garnalen in de wijde omgeving. Op 6 augustus 1783 werd ze op Veenhuizen, een buurtschap onder Finsterwolde, staande gehouden,

“dragende aan een juk twee garnate korven, waarin bij visitatie zijn bevonden vier blazen waarin omtrent tien kroezen genever, twee flessen met een kroes brandewijn, twee ponden tabak en 1 ½ [pond] koffijbonen, alle welke waaren door haar waren gekogt in de Nieuweschans van den koopman Ferreek, en vandaar ter sluik in deze provincie ingebragt met intentie om tegelijk met het omlopen der garnaten dezelve bij de huizen te verkopen…”

Ik weet niet hoe het met Sjouwkes klandizie zat, maar de heren Gedeputeerde Staten waren minder ingenomen met haar assortimentsverbreding of branchevervaging. Zij noemden het “sluikhandel” en achtten deze “ten hoogsten strafbaar”. Sjouwke werd voor vijf jaar buiten de provincie verbannen. Of ze hier nog weer terugkwam lijkt twijfelachtig.

Bron: RHC Groninger Archieven Toegang 1 (archief Staten van Stad en Lande) inv.nr. 1353 (sententies of vonnissen door GS wegens belastingontduiking).


Heere Boon en zijn smokkelaarsbende

De Pylaars in Tolbert bestaat nog steeds.

De Pylaars in Tolbert bestaat nog steeds.

In de oude landschap Drenthe waren genotsmiddelen als jenever, brandewijn, tabak, koffie en thee veel lager belast dan in Stad en Lande. Daarom werd er vanuit Drenthe veel van dat spul naar Groningerland gesmokkeld. Dit gebeurde vooral vanuit plaatsen dichtbij de grens, zoals Eelderwolde, Roderwolde en Zuidlaarderveen. Nietap bij Leek spande echter de kroon. Niet alleen mensen uit het zuidelijke deel van het Westerkwartier kwamen hier contrabande halen, maar ook mensen uit het aanpalende deel van de Friese Woudstreek, die dan een route door het Westerkwartier namen. In een enkel geval trad er zelfs bendevorming op van min of meer professionele smokkelaars. Deze sluikten niet slechts voor eigen gebruik, maar deden dat grootschalig voor de verkoop. Desnoods verdedigden ze de spullen gewapenderhand. In 1756 werd deze bende van Heere Boon opgerold.

Heere Boon, officieel Heere Gerrits Oldeboon (43), en in het Friese misschien ook wel Boonstra geheten, was geboren in Zuider Drachten, en woonde aan de Drachtster kant van het Ureterper Verlaat. Al vanaf 1751 keken de Groninger Landsbedienden, zeg maar de belastingcontroleurs, naar hem uit. Dat jaar maart hadden ze hem namelijk “met een pak op de rugge” bij Leek zien lopen. Een van hen had hem ook tussen Leek en Tolbert achterhaald. Maar bij zijn aanhouding bleek Boon dat pak niet meer bij zich te dragen. Gevraagd waar hij vandaan kwam en waar hij zijn bagage liet, antwoordde hij, dat hij van Nietap kwam en dat er wol in zat. Uiteraard wilden de Landsbediende dat graag bewezen zien. Maar Boon weigerde de verblijfplaats van zijn pak aan te wijzen: “Dat doe ik om de duivel niet”. Hij viel de Bediende zelfs aan en gaf deze “eene slag met een seer dikke stok aan ’t hooft dat er bloed op volgde, en een tweede over den arm”. De Bediende, niet bang uitgevallen, wist Boon naar de grond te werken, wrong hem zijn stok uit handen, maar moest hem loslaten, waarna Boon met een mes op hem inliep: “Nu salstoe sterven of ik”. Blijkbaar was de Bediende nog behendig genoeg, want hij kwam er vanaf met “ses of seven sneeden in sijne klederen”, “waarvan drie tot op het hemd”. Ook Boon zelf kwam met de schrik vrij – hij nam de benen.

Vijf jaar later opereerde Boon niet meer in zijn eentje. Op 21 januari 1756 deden de Landsbedienden met een Statenbode een inspectie ten huize van Jan Tonnis in Tolbert, toen Boon daar “met vier andere personen, zijnde Friesen” over het kerkhof kwam aanlopen, “hebbende jeder een pack op de rug met brandewijn en taback”. Boon kreeg al gauw door dat er controleurs aanwezig waren en daagde ze uit Jan Tonnis zijn huis. Hij riep dat hij de “schrobbers” (= afpersers, schurken) wel eens wilde spreken, waarop de Landsbedienden en de Statenbode het pand uitkwamen en de Friezen vroegen naar hun namen en de inhoud van hun pakken. Deze wilden ze graag visiteren; of de Friezen ze wilden neerzetten. Boon, “als de voorste zijnde”, gaf inderdaad nog zijn naam op – “Ik hiet Heere Boon’’ – al gebeurde dat zeker niet uit welwillendheid: “Wat duivel raakt u onse naemen”. Hij zette zijn pak op de grond en provoceerde de belastingmannen opnieuw: “Daar staat mijn pak, een van u duivels tast die eens an”. Tegelijkertijd stelde hij zich dreigend op met een soort van polsstok: “Het scheelt mij niet of ik slaa op u duivels nog, dat je niet weder opstaat”. Bovendien hitste hij zijn makkers op: “Sla op de duivels”. De Bedienden zagen zich daarom gedwongen van hun visitatie af te zien en lieten de groep passeren. Ook Boon nam zijn pak weer op zijn rug en vervolgde met zijn metgezellen de weg door Tolbert.

Wie hier verder bij waren, is onbekend, maar op 6 mei dat jaar trok Boon opnieuw door Tolbert met dit keer drie andere personen, waaronder het Ureterper echtpaar Claas Doitses (34), in de volksmond Kay Doit, en Renske Lammerts (44). Het was ’s ochtends zeven uur, dus klaarlichte dag, en elk van de vier droeg een lege zak op de rug, waarmee ze de weg naar Nietap insloegen. ’s Middags zag men de groep daar uit het huis van de koopman Pieter Santé komen, een bekende leverancier van smokkelwaar, ook in grotere hoeveelheden. De groep passeerde de Leekster brug en pleisterde rond vier uur in een herberg te Tolbert, en wel “in het soogenaamde huis in de Pijlaars”, waar de bendeleden hun pakken neerzetten, en Boon begon te pochen over zijn ontmoeting, de afgelopen winter, met een Landsbediende:

“hadde verhaalt, als wanneer sijn mes wat scherper waere geweest hij de Landsbediende beter gesneden zoude hebben, maar dat deselve al was weggelopen soo ras de scheede van het mes maar gezien hadde, beroemende sig wijders dat hij toen de Baas was geweest, maar sijn ander volk al bange waren geworden..”

Wellicht was iemand uit de herberg toen al op weg om de Landsbedienden te waarschuwen, want na nog wat geweldpleging was Boon “achter uit de Pylaars weggelopen”, en niet langs de weg, maar “over het land” uit zicht geraakt. Zijn drie metgezellen namen ook zijn pak mee, en liepen daarmee gewoon langs de weg door Tolbert. De enige die kon worden aangehouden was Kay Doit. Hij had maar liefst 25 pond tabak en een vaatje met 7 kroes (= 8,75 liter) brandewijn bij zich, alles gekocht bij Pieter Santé op de Nietap.

Anderhalve maand later, in de nacht van 19 op 20 juni 1756 hielden de Landsbedienden in Leek de vrouw van Kay Doit aan. Zij had toen bij zich een pak met 6 pond tabak, 3 pond thee en twee “borrels” (= flessen) met twee kroes en een oort brandewijn, ook weer betrokken bij Santé. In haar gezelschap was er een Meindert waarvan ze de achternaam niet kende, “zijnde een arbeider en mede woonagtig tot Ureterp”. Bij haar arrestatie dreigde hij “tot haare ontzettinge” de beide Landsbedienden “met het mes tot riemen te snijden, soo sij de gedetineerde niet wilden loslaten”. Deze Meindert wist te ontkomen.

Zoniet Boon, die op een ongespecificeerd moment tegen de lamp liep. Op 17 augustus kregen hij, Kay Doit en diens vrouw hun sententies voorgelezen in het provinciale gevang. Uit de vonnissen blijkt duidelijk, dat de heren Boon als aanvoerder zagen. Volgens hen maakte hij zich schuldig aan

“verregaande sluikerijen, geweldadige resistentiën aan ’s Lands bedienden in ’t Westerquartier en [heeft hij] voorts sig niet ontsien van innorme insolentiën te plegen, hebbende sig met scherp gewapent, zijnde als aan het hoofd van een bende sluijkers begeven, om nevens deselve de waeren uit het Landschap Drenth te halen en vandaar in deese provincie ter sluik in te voeren en se te verkopen waar maar best konden.”

Dat waren uiteraard hoogst strafbare zaken. Daarom kreeg Boon tot loon een strop om zijn hals terwijl hij aan de kaak stond. Ook werd hij streng gegeseld door de scherprechter. Verder kreeg hij nog een brandmerk en levenslang tuchthuis.

Kay Doit werd veroordeeld wegens “menigvuldige sluikerijen van tabak en brandewijn om deselve ten voordeele wederom te verkopen”,

“(…) strekkende tot merkelijke bekortinge van ’s Lands regten en inkomsten, stooringe van de maatschappij en bederf van andere, goede ingesetenen en vilipidentie van de ordres en placaten van den Landen.”

Zijn straf: kaak, geseling, tien jaar tuchthuis en daarna levenslange verbanning uit de provincie. En hoewel zijn vrouw zich van het geweld distantieerde, hielp dat haar niet, want zij kreeg kaak, geseling en een verbanning voor onbepaalde tijd uit de provincie.

Als ze die ban verbrak, dan ging ze levenslang het tuchthuis in. Ze bleek echter onverbeterlijk en werd nog geen anderhalve maand later, namelijk op 28 september 1756, tussen Leek enTolbert aangehouden met 2,5 pond thee die ze zonder aangifte te doen vanuit Drenthe de provincie Stad en Lande had ingevoerd. Op 8 oktober maakten de heren hun belofte waar en veroordeelden haar tot een levenslange tuchthuisstraf.

Van haar horen we niet weer. Wel van Heere Boon en Kay Doit. Boon brak in de nacht van 22 op 23 maart 1759 met twee anderen dwars door een muur uit het tuchthuis en bleef daarna, zoals het lijkt, uit zicht.

Kay Doit was net als zijn vrouw een recidivist. Op 17 maart 1763 werd hij op vrije voeten gesteld, waarmee de heren hem drie van zijn tien jaar tuchthuisstraf kwijtscholden. Hij vestigde zich weer in Ureterp en was dus net die kwijtgescholden periode op vrije voeten, toen hij op 10 oktober 1766 door ’s Lands bedienden even voorbij Tolbert “agter de Holm in ‘t Veld” werd aangehouden met 20 pond koffiebonen, 15 pond thee, 9 pond tabak en een halve kroes brandewijn, ook nu weer gekocht bij Pieter Santé op de Nietap en zonder aangeving in Stad en Lande ingevoerd. Naar zijn zeggen waren de spullen bestemd voor een koopman Focke Hayes in Ureterp. Drie weken later, op 31 oktober 1766, oordeelden de heren opmerkelijk zacht over hem – dit keer kreeg hij zes jaar tuchthuis, gevolgd door een levenslange verbanning.

Bronnen: RHC Groninger Archieven, Toegang 1 (archief Staten van Stad en Lande) inv.nr. 1352 (sententieboek GS) de vonnissen d.d. 17 augustus 1756, 8 oktober 1756, 10 april 1759 (van Salomon Elias, met melding ontsnapping Boon) en 10 oktober 1766.


Hoe een snikkevaarder zijn trekschuit kwijtraakte

Trekschuit op een prent van Reinier Vinkeles. Collectie Rijksmuseum.

Trekschuit op een prent van Reinier Vinkeles. Collectie Rijksmuseum.

Je had in Stad en Lande provinciale trekvaarten, zoals het Damsterdiep, het Boterdiep en het Hoendiep. En je had er stedelijke trekvaarten, zoals het Winschoterdiep en het Muntendammerdiep. Zowel de provincie als de stad zorgde voor de eigen kanalen. Dit gold ook voor de flankerende trekpaden, waarover de paarden liepen die de trekschuiten voorttrokken. En terwijl de provincie toezicht hield op de provinciale trekschippers (en hun snikkejongens), deed de stad dat voor de stedelijke.

In de stedelijke prothocollen kwam ik echter niet zo’n mooi zaakje tegen als vandaag in een sententieboek van Gedeputeerde Staten. Dronken trekschippers waren er natuurlijk ook wel op de vaarten van de stad, maar dit provinciale gevalletje is toch extra speciaal en buitencategorie.

Het ging om Albert Jans. Hij bevoer als huurder van trekschuit numero 5 het Hoendiep van de stad naar Strobos, in dit geval vice versa. Op maandag 3 november 1760 vertrok hij nog volgens dienstregeling om 8 uur ’s morgens uit Stroobos, maar was zo dronken,

“dat de schuite in plaats van des middaags te 12 uur, dien naedemiddag tegens vier uir eerst bij de stad is aangekomen…”

(En dan klagen wij nog over de NS.) Blijkbaar was Albert zijn snikkejongen net zo dronken, want die kon het trekpaard op zeker moment niet langer berijden. Daarom had de schipper diens plaats op het paard ingenomen, wat bepaald niet verstandig was, want

“hij op het peerd sittende bij het tweede verlaat soo sterk heeft aangerukt, dat de schuit soo ver op de sijd sloeg dat het water tot het luik is ingeslagen, wanneer de lijn door een der passagiers tot voorkominge van verdere ongelukken zijnde losgemaakt, de schuit op het land is geraakt, alwaar anderhalf uur heeft moeten zitten, zijnde intusschen Albert Jans met het peerd en de lijn tot digt aan de stadt voortgereden sonder te weten dat de schuite miste.”

Met andere woorden: onze snikkevaarder had zijn paard eerst zoveel haast laten maken dat de trekschuit zwaar slagzij maakte en bijna kapseisde, zodat het water de toegang naar het passagiersruim al binnenkwam. Vervolgens had een van de passagiers pijlsnel de lijn losgegooid. Maar de schipper merkte hier niets van. Hij reed doodgemoedereerd door tot hij bijna in de stad was.

Gedeputeerde Staten vonden deze omgang met hun openbaar vervoer minder amusant. Een week later lieten ze Albert Jans ophalen en naar het provinciale cachot overbrengen. Daar mocht hij acht dagen op water en brood nadenken over zijn zonden.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 1 (Staten van Stad en Lande) inv.nr. 1352 (sententieboek GS) 10 november 1760.