Kerkhofruzie om een uitvaartcollecte

Het kerkhof van Oostwold, september 2019.

Op 14 juli 1803 werd op het kerkhof van Oostwold (Westerkwartier) een inwoner van dat dorp begraven, die als manslidmaat tot de “mennoniten” of doopsgezinde gemeente van Den Horn e.o. had behoord. Voor de begrafenis namen de diakenen (armvoogden) van die gemeente hun kerkbekken mee naar Oostwold, om er “liefde giften” voor hun armen mee in te kunnen zamelen. Toen ze dat bekken echter opstelden op het kerkhof van Oostwold, wilden de gereformeerde diakenen uit dat dorp dat niet hebben. Ze beweerden dat alleen zij op dat kerkhof mochten collecteren en dat de opbrengsten van deze collectes ook louter voor de gereformeerde diaconie van Oostwold waren bestemd. De discussie met hun doopsgezinde ambtgenoten van Den Horn liep zelfs zo hoog op dat de gereformeerde diakenen het doopsgezinde bekken omver gooiden en hun eigen bekken daarvoor in de plaats zetten. Ook eigenden ze zich de collecte-opbrengst toe en namen ze die mee naar huis, terwijl de doopsgezinde diakenen van Den Horn e.o. meenden er recht op te hebben.

Die diakenen – Reinder Derks op Hogemeeden en Derk Ekkes van de Enumatil – namen het niet en maakten er werk van. Binnen een week dienden ze zich aan bij de drost van het Westerkwartier met een rekest, waaraan het bovenstaand relaas ontleend is. Op wat voor rechtsgrond het “eigenherige” gedrag van de Oostwoldigers gebaseerd was, wisten ze niet, maar er was hun veel aan gelegen dat ze de begraafcollecten niet kwijtraakten als inkomstenbron. Bij elke “lijkstatie” afzonderlijk kwam er misschien “geen grote som” uit het bekken, maar door de tijd heen en met al die sommetjes bij elkaar opgeteld ging het toch om een bedrag van belang. Daarom verzochten ze de drost om beide partijen te horen en dan een besluit te nemen. De drost echter, brandde zijn handen liever niet aan dit probleem en stuurde de klagers door naar een hogere instantie: het Departementaal Bestuur van Stad en Lande van Groningen, de bovenbazen van onze provincie.

Even Iets over de achtergrond: doopsgezinden hadden, afgezien van Amsterdam, nergens eigen kerkhoven en ze werden dus begraven op de kerkhoven rond de oude dorps- en stadskerken, welke godshuizen vrijwel uitsluitend in handen waren van de gereformeerde (= hervormde) gemeenten. Tot de scheiding van kerk en staat in 1796 was de gereformeerde kerk nog de bevoorrechte kerk geweest. Alleen zij mocht prominent zichtbaar zijn in de openbare omgeving, alleen zij mocht klokken laten luiden en alleen zij mocht voor de armen laten collecteren op kerkhoven, om drie van haar privileges te noemen. De scheiding van kerk en staat maakte een eind aan dergelijke voorrechten. Bij de ruzie van 14 juli 1803 op het Oostwolder kerkhof, leek het er echter sterk op, dat de gereformeerde diakenen van Oostwold in elk geval aan één van genoemde voorrechten vast wilden blijven houden.

Eind september kwam het rekest van de diakenen der doopsgezinde gemeente Den Horn e.o. in vrijwel ongewijzigde vorm onder ogen van het Departementaal Bestuur, dat het liet beoordelen door een onderzoeks- en adviescommissie. Deze moest ook die van Oostwold horen om dan een rapport over de zaak op te maken. Op 17 november rondde deze commissie haar onderzoek af. Het was haar gebleken dat het er in Oostwold inderdaad zo aan was toegegaan als de doopsgezinde diakenen van Den Horn hadden verteld. De gereformeerde diakenen namen het gecollecteerde geld mee, maar hadden dit wel apart gehouden, hangende een uitspraak in de kwestie. De feiten zo vastgesteld zijnde, ging het commissierapport in op het recht dat beide partijen meenden te hebben op het collecteren bij doopsgezinde begrafenissen op het Oostwolder kerkhof. De doopsgezinden fundeerden hun claim op “de tegenwoordige order van zaken”, met andere woorden de gelijkberechtiging van alle religies, hier toegepast op begrafeniscollecten: als de gereformeerden uitvaartcollectes mochten houden, dan mochten de minderheden dat ook. Tegenover deze zienswijze, fundeerden de gereformeerde diakenen van Oostwold de hunne “op het aloud gebruik niet alleen, maar ook vooral op hun eigendom van de kerk en het kerkhof zonder dat daarin door de wet verandering gemaakt zij”.

De commissie haalt in haar rapport vervolgens een stukje bestuursrechtelijke jurisprudentie aan. In Surhuisterveen, even over de provinciegrens met Friesland, had zich in 1799 namelijk een soortgelijke kwestie voorgedaan. Deze had zelfs geleid tot een decreet van het Vertegenwoordigend Lichaam. Dit parlement van de Bataafse Republiek gaf de doopsgezinde diakenen van Surhuisterveen in principe het recht om te collecteren bij begrafenissen van doopsgezinden op het dorpskerkhof, zij het dat ze hun bekken daar niet mochten opstellen “buiten consent van de eigenaars” van dat kerkhof, die in zo’n geval ook zelf met een schotel mochten collecteren. Het was de commissie van het Departementaal Bestuur gebleken dat het kerkhof te Oostwold , net als dat van Surhuisterveen, het eigendom was van de lokale gereformeerde gemeente – het nationale decreet was dus ook toepasbaar op de situatie in Oostwold. Daarom adviseerde de commissie het Departementaal Bestuur om de diakenen van de doopsgezinde gemeente Den Horn het recht te verlenen om te collecteren bij teraardebestellingen van de eigen leden op het kerkhof van Oostwold. Voor zulke collectes moesten de doopsgezinden echter wel om toestemming vragen aan de gereformeerde gemeente Oostwold, terwijl die van haar kant het recht hield om ook bij zo’n begrafenis te mogen collecteren. Bij het aanleidende geval, de uitvaart van juli, had de doopsgezinde gemeente Den Horn geen toestemming van gereformeerd Oostwold gevraagd, zodat zij geen recht had op de collecteopbrengst. De gereformeerde gemeente Oostwold mocht die dus houden.

Nog op de dag dat de commissie het rapport vaststelde, ging dat naar het Departementaal Bestuur, dat het diezelfde dag ongewijzigd goedkeurde en overnam. De partijen in Den Horn en Oostwold kregen een afschrift.

De doopsgezinde diakonie Den Horn e.o. moest dus voortaan eerst de gereformeerde diakonie Oostwold om toestemming vragen voor een collecte, als een van haar leden op het kerkhof van Oostwold werd begraven. Je zou zeggen dat gereformeerd Oostwold die toestemming kon weigeren, maar dan toch niet met goed fatsoen. Als zoiets gebeurde, konden de doopsgezinden natuurlijk altijd nog hun bekken buiten de kerkhofpoort opstellen. Als de gereformeerden toch hun toestemming gaven en een eigen bekken naast het doopsgezinde bekken zetten, zullen de meeste volgers bij een doopsgezinde uitvaart ook vast wel geweten hebben in welk bekken ze hun geld moesten deponeren. Zo loste het probleem zich in de praktijk wel op. En niet alleen in Oostwold, maar ook elders, want reken maar dat het oordeel van het Departementaal Bestuur ook voor andere Groninger plaatsen gold.

Toch blijft er iets knagen. Het Departementaal Bestuur zette immers geen vraagteken bij het exclusieve eigendomsrecht van de gereformeerde gemeente Oostwold op het kerkhof aldaar, integendeel, dat recht nam het voetstoot aan. Maar in de Middeleeuwen (en later ook nog) werden kerkhoven door de gezamenlijke kerspelluiden (of dorpelingen) aangelegd. Die waren toen nog allemaal katholiek, wat met de Hervorming, rond 1600, veranderde. Daarna lagen de gereformeerden en de minderheden weliswaar gebroederlijk naast elkaar op de kerkhoven, maar mochten alleen de gereformeerden collecteren voor de armen. Hun recht om dat te mogen doen, hing echter samen met de plicht om ook te zorgen voor niet-gereformeerde armen die in hun directe omgeving niet bij een minderheidsdiaconie konden aankloppen, dus de mensen die in het naar religie verkavelde armenzorgsysteem tussen wal en schip dreigden te vallen. Het eigendom van het kerkhof had daar op zich niets mee te maken. Terwijl in 1797 de gereformeerde gemeenten nog eens werden verplicht tot het betalen van schadevergoeding aan minderheden wegens de usurpatie van de kerkgebouwen twee eeuwen eerder, was dat niet, of niet expliciet, voor de kerkhoven gebeurd. Het eigendomsrecht daarop zou dus, even goed als dat op de kerken, mede kunnen toekomen aan de erfgenamen van de aanleggers, dus alle dorpsgenoten samen, inclusief de minderheden, die er volgens het gelijkheidsprincipe dan ook gelijkelijk voor hun armenkassen zouden mogen collecteren .

Doordat zowel het besluit van het Vertegenwoordigend Lichaam in 1799 inzake Surhuisterveen, als dat van het Groninger provinciebestuur vier jaar later inzake Oostwold, deze historische dimensie negeerde, kwamen beide besluiten neer op een machtsspreuk ten gunste van de religieuze meerderheid. Deze besluiten boden wel recht, maar geen billijkheid. Dat een onbewezen en op de keper beschouwd controversieel eigendomsrecht van de gereformeerden prevaleerde op de gelijkheid of gelijke behandeling van alle gezindten, is er zo’n voorbeeld van dat er voor het oog dan wel een eind aan de privileges van de gereformeerde kerk werd gemaakt, maar dat de praktijk in dit opzicht aanzienlijk weerbarstiger was. Pas met de komst van gemeentelijke begraafplaatsen, later in de negentiende eeuw, kwam er wat dit betreft een eind aan het gemaakte verschil.

Bronnen – alles in de Groninger Archieven:

  • Toegang 735 (Gerechten Westerkwartier) inv.nr. 724: rekesten, dat van 20 juli 1803;
  • Toegang 3 (Gewestelijke Besturen) inv.nr. 399, rekest aan Departementaal Bestuur van 29 september 1803; inv.nr. 409: rapporten op rekesten, fo. 194 vso – 196 vso – dat van 17 november 1803; idem inv.nr. 246: besluiten Tweede Departement, dat van 17 november 1803; idem inv.nr. 199: resoluties Departementaal Bestuur, die van 17 november 1803 nr. 13.
Advertenties

Een anarcho-feministisch affiche

Vanmiddag zo’n 150 feministische affiches uit de periode 1975-2000 door mijn handen laten gaan. Dit was er een van:


Volgens het lijntje tekst onderin betrof het een uitgave van het Anarchisties Kollektief Utrecht. Het IISG, dat hem ook heeft, dateert de poster voorzichtig op 1974-1984.  Een Duitse variant stamt uit 1974-1975 en is dus wellicht het wat oudere voorbeeld.

Het affiche blijkt echter gemodelleerd naar een nog weer iets oudere, mànnelijke versie. Opmerkelijk is dat deze bommengooier alleen maar “Si” zegt tegen “Anarchia”, terwijl de vrouwelijke navolging daarvan “Si si” maakt, wat verdacht veel lijkt op beaming van het mannelijke voorbeeld. Dit laatste lijkt me niet geheel en al te stroken met de axioma’s en premissen van het anarcho-feminisme, maar wellicht moet men daaar ook weer niet al te zwaar aan tillen.

Zou het nog bestaan, het anarcho-feminisme?
Je hoort er tegenwoordig zo weinig van.


Onkerkelijkheid in het Groningerland van 1930


Beetje aan het stoeien geweest met de onkerkelijkheidscijfers, blijkend uit de volkstelling van 1930 en zoals  Banning ze geeft in zijn Handboek Pastorale Sociologie (deel III uit 1955). De gemeenten waar minder dn 10 % geen kerkgenootschap wenste op te geven zijn geel gemarkeerd, die met 10 tot 20 % goud, die met 20 tot 30 % oranje en die met meer dan 30 % onkerkelijken rood.

In het overgrote deel van de Groninger gemeenten is nog weinig aan de hand. In een aantal half-verstedelijkte en geïndustrialiseerde (Hoogkerk, Appingedam, Delfzijl, Winschoten en Nieuweschans is de onkerkelijkheid al vrij substantieel, maar de kroon spannen wat dat betreft de Stad, Usquert, Sappemeer – dat in dit opzicht nogal verschilt van Hoogezand – Zuidbroek, Noordbroek, Finsterwolde en Beerta. In Beerta vindt zelfs meer dan 40 % van de mensen zich al niet meer bij een kerk horen.

Gemeenten als Usquert, Beerta en Finsterwolde hebben gemeen dat er de rijkste boeren van de provincie wonen. Het socialisme van de landarbeiders is er ook het radicaalst. Hier heerst de klassenstrijd en hebben de mensen geen boodschap meer aan de kerk met zijn “opium voor het volk”.


Scheepsbouworden van de Lage Landen

Via Twitter verneem ik dat Gerrit Jan Schutten begin juli overleden is. Bij zijn promotie in 2004 heb ik hem geïnterviewd. Hieronder de neerslag van dat gesprek.

Kaartje, ontleend aan Schuttens dissertatie, van de verspreiding van de Friese bouworde met haar verschillende scheepstypen.

Fysicus promoveert op verdwenen schepen

“Ik ben altijd al gek geweest van zeiljachten”, verklaart Gerrit Jan Schutten. “Sinds ik als jongen een Kapitein Rob-boekje van mijn vader kreeg, hebben die me gefascineerd.”

Met het onderzoek dat vandaag tot zijn promotie leidt, begon hij al in 1963. “Als student”, vertelt hij, “zag ik toen het ultieme ontwerp voor een zeiljacht in een Engels blad. Via een boek over Nederlandse rond- en platbodems kwam ik vervolgens terecht bij de traditionele houten schepen van ons eigen land. In dat boek stond een tekening van een zomp, een schip uit mijn geboortestreek Twente, en als Tukker zag ik meteen dat er iets niet klopte. Vandaar dat ik ouwe zompschippers ben gaan opzoeken. En van die schippers hoorde ik zulke fascinerende verhalen, dat ik in deze totaal verschillende wereld terechtkwam.”

Op dat moment studeerde Schutten natuurkunde, een vak waarin hij ook altijd werkzaam is geweest. Hij was stralingsdeskundige, onder andere bij de RUG, waar hij vijf jaar geleden met pensioen ging. Dat er uit zijn langzamerhand enorm uitdijende scheepsdocumentatie een proefschrift zou groeien, lag dan ook lange tijd niet zo voor de hand: “Daar heb ik heel lang over geaarzeld”, zegt hij. “Wat ik er oorspronkelijk mee van plan was weet ik niet meer, al vond ik het wel vreselijk belangrijk om dat bijna totaal verdwenen culturele erfgoed vast te leggen en voor de herinnering te redden. Maar een plan om een boek te maken kwam er eigenlijk pas in ’89, door een lezing die ik hield voor een club in het Zuiderzeemuseum in Enkhuizen. Daarna besloot ik om de leemtes in mijn onderzoek aan te vullen en schepen op te meten en tekeningen te maken, zodat er langzamerhand toch een publicatie van zou kunnen komen. In 1996 zocht ik professor Reinders op die ik al kende van het scheepsarcheologisch depot in Ketelhaven, en sindsdien heb ik aan dit proefschrift gewerkt.”

Schuttens dissertatie valt in twee delen uiteen. Enerzijds is het een uitvoerige catalogus van alle vijfhonderd bekende kleine houten beroepsvaartuigen, vrachtvaarders en vissersschuiten die anno 1900 in de Lage Landen in gebruik zijn geweest. Deze verdeelde Schutten onder naar de manier waarop ze gebouwd werden, en hij voorzag elk scheepstype van historisch fotomateriaal en precieze tekeningen die hij zelf maakte. Op basis van die catalogus analyseerde hij anderzijds het ontstaan van al deze scheepstypen in hun historisch-geografische context.

Van alle beschreven schepen – zoals tjalken, aken, pramen, jollen, bokken, schouwen en boeiers – moeten er voor 1850 ongeveer 60.000 stuks hebben rondgevaren, becijferde Schutten. Maar veel is er niet van bewaard: “Een hoop liefhebbers hebben voor eigen rekening houten schepen opgekalefaterd, in Hoogwoud staat er een loods met zeventig, tachtig van die boten en verder heb je op diverse plekken nog een stuk of vijftig, maar dan houdt het op, en beschik je alleen nog over modellen en tekeningen in de scheepvaartmusea.”

En dat terwijl ongeveer een vijfde van ons land zonder zulke schepen geheel en al onbereikbaar zou zijn geweest. “Dat geldt met name voor de veenweidegebieden”, zegt Schutten. “In Holland benoorden het IJ werden de venen in negende, tiende eeuw al ontwaterd door het graven van sloten, elders in Holland gebeurde dat later. Op het ontwaterde veen hielden boeren vee en teelden ze eerst ook granen. Na een paar eeuwen was dat veenland ingeklonken tot de grondwaterspiegel en was er alleen nog veeteelt mogelijk. Dat veen was te zacht voor vervoer over land, zodat de boeren hun koeien en mest alleen nog maar over water konden vervoeren.”

Elk scheepstype raakte in de loop der tijd optimaal aangepast en gestandaardiseerd op de breedte en diepte van haar vaarwater, hindernissen als sluizen en bruggen, de aard van de vervoerde goederen, en/of de soort vis die ermee gevangen werd. Schutten onderscheidt zo veertig vaarzones voor de kleine beroepsvaartuigen, elf voor de beroepsvaartuigen, en veertien voor de vissersschuiten. “Dat begrip vaarzone”, haast hij zich te verklaren, “komt van de Zweed Westerdahl, die het gebruikte voor een maritiem landschap waar scheepstypen zo specifiek zijn, dat ze niet snel door andere vervangen worden. Hier in Nederland bleek de situatie wel wat complexer dan in Westerdahls gebied, maar verder bleken zijn ideeën hier heel goed toepasbaar.”

Ook bekeek Schutten hoe alle scheepstypen gebouwd waren, hoe de scheepstimmerlieden de planken groepeerden en samenvoegden tot de scheepshuid, wat voor stevens de schepen hadden enzovoorts. Uiteindelijk kon hij zo negen principiële constructieplannen of bouworden voor de Lage Landen onderscheiden en deze lieten zich ook zeer ver in de tijd terug traceren.

De wijze waarop uit die slechts negen bouworden, door aanpassing aan een specifiek vaarmilieu, al die verschillende scheepstypes ontstonden lijkt sterk op de manier waarop diersoorten in hun aparte biotopen evolueerden. “Dat klopt”, beaamt Schutten. “Darwin baseerde zich op de classificatie van Linaeus, en ik heb eerste zo’n classificatie voor schepen ontwikkeld. Net als bij dieren heb je bij die schepen ook bepaalde overgangssoorten tussen de hoofdtypen. Zo zou je de bacove, een tuindersschuit die bij Saint Omer in Frans Vlaanderen in gebruik was, kunnen betitelen als het vogelbekdier onder de vaartuigen, omdat ze qua typologie tussen de Friese en de Vlaamse bouworden inzit. Ze heeft heel duidelijk Friese kenmerken wat betreft bouw en vlak, maar vertoont ook veel overeenkomsten met de goedkope Vlaamse schuiten. Mogelijk waren die daar al in de twaalfde eeuw in gebruik, toen monniken op grote schaal veen ontgonnen. Dezelfde bouworde was ook bij Utrecht en bij Gent te vinden; ook daar begon men in de twaalfde eeuw veen te graven.”

Dat een bouworde zulke oude wortels kan hebben, verbaasde ook Schutten. Zelf vindt hij moeilijk te zeggen wat zijn grootste ontdekking is geweest, maar dat de bekende middeleeuwse koggen teruggaan op een prototype uit de Karolingische tijd, komt daar zeker voor in aanmerking, evenals zijn bevinding dat de kogge en dat prototype beide eigenlijk behoren tot de Friese bouworde.

“Schepen van die bouworde”, verklaart Schutte, “zijn overnaads gebouwde platbodems met een ronde overgang tussen het vlak en de zijkanten. De oudste afbeelding van zo’n soort schip dateert van omstreeks 825. Al langer is duidelijk, dat de vroege Friese handelsscheepvaart toen een enorme omvang kende Waarschijnlijk moesten koggen en hun voorgangers wel een plat vlak hebben, omdat ze droog moesten kunnen vallen op een strand of in een kreek. Met een kiel zouden ze door de lading kapotgedrukt worden en ook veel moeilijker kunnen loskomen. Door die functie is de constructie eeuwenlang bewaard gebleven, want daar had men goeie ervaringen mee. Anno 1900 was die Friese bouworde alleen nog te vinden in Friesland en in een vijftig kilometer brede strook langs de kust van Vlaanderen tot Oostfriesland. Dit betreft dan met name tjalken, al kende elke streek daarin eigen vormen.”

G.J. Schutten – ”Verdwenen schepen. De houten kleine beroepsvaartuigen, vrachtvaarders en vissersschepen van de Lage Landen. De Walburg Pers Zutphen, 512 pagina’s, € 44,95,

Ongeveer zo gepubliceerd in de UK van 15 september 2004.


Waar stond dit huis?


Joël Stoppels ontdekte in een Canadees archief een onbekend filmpje van Canadese militairen die met een metaaldetector aan het zoeken zijn naar een verstopt blik met sieraden. Het filmpje is in Groningen (of in de buurt ervan) gemaakt. Van de omgeving zijn onder meer te zien een huis met een plat, fors overhangend dak, van een type zoals dat in de jaren 20 en begin jaren 30 werd gebouwd. Bij het huis bevindt zich een tuin met vrij recent in rijtjes aangeplante fruitbomen en mogelijk staan er ook bessenstruiken bij de muur van het huis. Het zou dus kunnen gaan om een kwekerij in bijvoorbeeld Eelderwolde, Paterswolde, Eelde, Glimmen, Loppersum of Zandeweer. Is er iemand van de lezers die het huis herkent? Alvast zeer bedankt voor uw reactie!


Wildwest in Sappemeer

SAPPEMEER, 5 Febr. Zaterdag en Zondag werd hier oorlog gevoerd tusschen twee schippers en eenige scheepsjagers uit Groningen. De eersten hadden zaterdag te Groningen over het sleeploon hunner zwaargeladen tjalken naar Zuidbroek onderhandeld met de laatsten, doch deze eischten zulk een hoog loon, dat de schippers zelf in de lijn gingen. Dit nu duldden de jagers niet. Van Groningen tot hier, waar de schepen aan den grond raakten, achtervolgden zij scheldende en tierende de schepen, en, toen het donker was geworden, bombardeerden zij deze met steenen. De schippers beantwoordden dit met revolverschoten, zoodat een heele opschudding ontstond. (…)

Het schijnt echter, dat geen der kogels doel getroffen heeft…

Bron: Schuttevaêr 25 januari 1896.


Organiseren of niet – dat was de kwestie

Op de voorpagina van Vereenigt U, het landelijk orgaan van de landarbeidersbond, vinden we op 9 februari 1924 twee berichten uit Oost-Groningen.

Het ene is gewijd aan een vergadering in Finsterwolde, waar een anarchistische spreker voor een gehoor van honderd veldarbeiders waarschuwde tegen organisatie. Vereenigt U wijst op de gevolgen van dit sentiment: mislukte stakingen, lonen die in Finsterwolde lager liggen dan elders. Conclusie:

Zóó gaat het arbeiders, die meenen het zonder organisatie te kunnen stellen…

Nee, dan het 18 kilometer zuidelijker gelegen Vriescheloo, De bondsafdeling daar, een combinatie met Veelerveen, vierde haar tienjarig bestaan. In 1914 werd ze opgericht door 14 mannen,

die het toen aandurfden om openlijk tegen de boeren in verzet te komen…

In 1918 was er in Vriescheloo en Veelerveen zelfs bijna geen ongeorganiseerde landarbeider meer te vinden. Naar mijn schatting had de landarbeidersbond er dan minstens 150 leden. Door de na-oorlogse landbouwcrisis en loonsverlagingen haakten de meesten echter al snel weer af en in het jubileumjaar 1924 waren er nog maar 24 over. Natuurlijk vormde de contributie een beletsel, het geld kon men ook anders gebruiken. Maar door het afhaken kregen de boeren steeds meer macht, en dat kostte de arbeiders op termijn nog veel meer geld dan die contributie.

Ook organisatorisch stelde de afdeling Vriescheloo/Veelerveen nog maar weinig voor. Slechts één van de oprichters was nog actief:

Is het niet intreurig kameraden dat onze organisatie zoo in verval komt? Is het niet droevig dat er van al die menschen die hier de organisatie hebben opgericht er slechts één is, die de organisatie trouw is gebleven, n.l. onze penningmeester H. Perton. Wij willen hierbij dan ook dezen strijder een woord van dank brengen voor ’t geen hij voor onze afdeeling is geweest en hem voor de jongeren ten voorbeeld stellen.

Terwijl er in Finsterwolde, dankzij het anarchisme, dus nog een structurele weerzin tegen vakbondsorganisatie bestond, was er in Vriescheloo sprake van een aflopend getij door de slechte conjunctuur. Daar waren de arbeiders ook gematigder en veel meer geporteerd voor de sociaaldemocratie.