Wat voor straffen er op het houden van je radio stonden en het luisteren naar de Engelse zender

Mijn Havelter grootvader, een ambtenaar, had in 1943 de radio in zijn bijenstal willen verstoppen. Daar stak mijn wat bang uitgevallen grootmoeder een stokje voor. Het toestel werd ingeleverd.
Heel anders ging het bij mijn Dwingeler grootvader, een electriciën met een handel in elektrische apparaten. Hij hield zelf een radio aan en luisterde naar de Engelse zenders. Bovendien verstopte hij het opgeëiste verkoopregister van de radio’s onder de winkelvloer, en deed dat ook met een stuk of vijftien radiotoestellen van dorpsgenoten. Zij kregen van hem in ruil een oud apparaat terug dat ze dan bij de Duitsers konden inleveren.

Hetgeen de vraag oproept wat voor sancties er stonden op het houden van je radio en het luisteren naar de Engelse zenders.

Eerst de regelgeving.

Op 13 mei 1943 verordonneerde de Duitse bezetter de verbeurdverklaring van alle radiotoestellen. Hiervoor bleef het politiestandrecht gelden. Op het houden van je radio stond een gevangensisstraf van maximaal vijf jaar en een arbitrair vast te stellen geldboete. Ook kreeg de Sicherheitspolizei een vrijbrief om corrigerend op te treden. Dat kon concentratiekamp Vught betekenen als je naar de Engelse zender luisterde.

In oktober boden de Duitsers nog nog een laatste mogelijkheid om de radio in te leveren. Daarna zouden ze bijzonder streng gaan optreden, zo kondigden ze alvast aan. Naast celstraf en arbitraire boete kwam er een nieuwe strafmaatregel: de verbeurdverklaring van de huisraad, die dan naar bombardementsslachoffers in Duitsland zou gaan.

Dat was dus wat je boven het hoofd hing bij bezit en gebruik van je eigen radio, nu de werkelijke straffen en dat dan met de blik vooral gericht op het Noorden.

In juli 43 kreeg een Leeuwarder, bij wie een radio was aangetroffen, 2 maand celstraf in Duitse gevangenissen, plus een boete van 120 gulden. Bovendien moest hij de kosten van het geding betalen (ƒ 38,-).

Een maand later behandelde het Landesgericht Groningen/Assen maar liefst 95 zaken wegens “Nichtablieferung von Rundfunkapparaten”. Het veroordeelde 65 verdachten tot gemiddeld twee à drie maanden gevangenisstraf. Twee moeten een jaar of zelfs veertien maanden zitten, omdat bewezen was dat ze met hun verstopte radio’s naar Engelse zenders hadden geluisterd.

Na de na-inlevering willen de Duitsers opnieuw voorbeelden stellen. Weldra raken twee Groningse families hun huisraad kwijt aan Bombengeschädigte.

In februari 1944 moeten maar liefst 42 inwonersvan Bellingwolde en 78 van Finsterwolde maar even op hun gemeentehuis komen verklaren waarom ze hun geregistreerde toestellen niet hebben ingeleverd. Van deze gemeenten zijn de aantallen bekend, in andere moeten ook tientallen personen zo’n oproep hebben gehad. Te Sappemeer vallen drie boetes van 1000 gulden en eentje van 5000. Van waarschijnlijk die laatste veroordeelde wordt ook een deel van de inboedel verbeurd verklaard. Zijn zoon gaat voor straf via kamp Amersfoort naar het Duitse Waddeneiland Wangeroog. Na de oorlog loopt het schip waarmee deze jongeman repatrieert bij Bierum op een mijn. Daarbij komt hij om, in het zicht van de haven.

Dat het houden van een radio en het luisteren naar de Engelse zenders je het leven kon kosten blijkt nog veel pregnanter in oktober 1944 op Oostvoorne, dan frontgebied. Een evangelist organiseert er in zijn lokaal bijeenkomsten waar naar Radio Oranje wordt geluisterd. Bij een huiszoeking vinden de Duitsers er meerdere radio’s. Ze hebben de evangelist zonder pardon tegen de muur gezet.

Mijn Havelter grootmoeder was niet voor niets bang. Mijn Dwingeler grootvader liep weloverwogen een groot risico.

Bron voor de sancties:
Gidi Verheijen, Het radiotoestel in de Tweede Wereldoorlog (Buchten 2009).


Paasbrood was armenbrood

De meester van Alkmaar, Het voeden van de hongerigen (detail). Collectie Rijksmuseum.

— Men schrijft ons uit Uskwerd den 30sten Maart:
“Wordt er op vele plaatsen in ons land veel gedaan tot leniging der armoede van de minvermogenden — ook hier kan men zich daarover met blijdschap verheugen , doordien de landbouwers en eenige burgers reeds sedert eenige jaren het zoogenoemde bedelen om Paaschrogge hebben afgeschaft, door het vrijwillig geven van rogge en geld, waardoor eene commissie, bestaande uit burg. en weth., in staat wordt gesteld om aan alle arbeiders, geen uitgezonderd , een groot Paaschbrood te kunnen geven…”

Dat Pasen een bijzonder charitatief moment op de jaarkalender vormde, merkte ik ook bij het doornemen van de resoluties van het Groninger stadsbestuur. Deze maken ergens rond 1760, 1770 melding van het uitdelen van wittebroodjes door de bakkers met Pasen.

Op het Noord-Groninger platteland bestond kennelijk met Pasen de traditie van het inzamelen van paasrogge door de armen bij de boeren. Dit werd opgevat als bedelarij en daaraan werd in Usquert – zo’n beetje de rijkste gemeente van heel Groningerland – een eind gemaakt doordat het gemeentebestuur zich transformeerde tot een liefdadigheidscommissie, die het inzamelen overnam, en die het ingezamelde, naar eigen zeggen, eerlijker verdeelde dan voorheen het geval kon zijn. Bij het Nieuwjaarslopen ging het op veel plaatsen precies zo, dit was voor verlichte geesten hèt recept om aan (verkapte) bedelarij bij de huizen een eind te maken.

Bron van het citaat: Groninger Courant 1 april 1853.


De oorlog in Bourtange


Reboelie in Opende

Opende en omgeving op de kaart van Beckeringh (1781).

Destijds verhuisde men meestal aan het begin van de maand mei en daarom vonden de boeldagen waarop de overtollige spullen werden verkocht vaak in april plaats. Daar kwam veel volk op af, dat behoorlijk veel dronk. Zodoende kon het flink uit de hand lopen, zoals ook weer bleek op 9 april 1779, bij de boeldag van Hindrik Hindriks te Opende.

Bij die boeldag was Jannes Jans Koop (70), een geboren en getogen Opendenaar, de enige tapper. Hij had zijn zoon Hindrik Johannes Koop (25), die gewoonlijk als boerenknecht of arbeider bij een landbouwer in het dorp werkte, meegebracht om hem te helpen. Toch leek Koop sr. niet zoveel omzet te verwachten. Volgens de Landsbedienden (belastingcontroleurs) die ’s ochtends zijn drankvoorraad kwamen peilen, had hij niet meer dan 4 kroes (= 5 liter) jenever en 5,5 kroes (bijna 7 liter) brandewijn meegenomen naar de boeldag.

De Landsbedienden constateerden naderhand dat “de menigte menschen” veel meer drank consumeerde, dan op grond van die voorraad verwacht mocht worden, zodat er volop reden was om te denken dat Koop af en toe wat “sluikwaren” aangeleverd kreeg. Door het vele aanwezige volk kregen ze er niet echt vat op, maar ’s middag om vijf uur, toen ze opnieuw de drankvoorraden van de tapper wilden controleren, ontstond er een “groot opstand”.

Het peilen in de vaten werd de Landsbedoenden meteen onmogelijk gemaakt “door een oproerig samenrotten van een troep van de t’samengekomene menigte, voorzien met stokken”. En daar bleef het niet bij, want de bedienden werden ook nog gehoond, beschamperd, uitgescholden, bedreigd en – met die stokken – geslagen en mishandeld. Een van hen, H. Pots, kreeg van Koop jr. verscheidene vuistslagen in zijn gezicht, waarbij hem een tand uit de mond vloog. De assistent Land werd met een stok het notitieboek uit de handen geslagen, terwijl de roderoe (of veldwachter) Hindrik Gerrits een dichtgeslagen oog aan zijn tussenkomst overhield, om het bij deze “geweldenarijen” te laten. De Landsbedienden konden “verdere onheilen” alleen maar ontkomen door te vluchten uit een venster van de “binnenkamer” (dat was het voorhuis van de boerderij waar de boeldag plaatsvond: de eigenlijke boeldag in het achterhuis of de schuur, de tapperij in het voorhuis).

Uiteraard kwam het college van Gedeputeerde Staten, als opperste magistraat in belastingzaken, in actie. Het besloot tot de arrestatie van vader en zoon Koop. In de nacht van 13 op 14 april, vier dagen na het gebeurde, reisde een troepje Lands- en gerechtsbedienden onder dekking van de duisternis naar Opende, waar ze aanklopten bij de boerenplaats van Egbert Lykels de Haan, bij wie Koop jr. als knecht inwoonde. Hij was wel thuis, maar weigerde de deur open te doen en probeerde via de achterdeur te ontkomen. Dat mislukte kennelijk, maar de arrestatiepoging was inmiddels ruchtbaar geworden, want de Lands- en gerechtsbedienden werden “onverhoeds overvallen” door naar schatting twaalf à veertien met stokken bewapende personen die ze sloegen en achtervolgden. Hierbij raakte de roderoede Hindrik Gerrits “zwaar gekwetst” aan zijn arm, die sterk bloedde. In elk geval mislukte de toeleg van de groep, “moetende zij alzo, door geweld belet zijnde, onverrichterzaken weg gaan”.

Koop junior nam naderhand de benen over de nabijgelegen grens met Friesland. Hij hield zich daar ook nog schuil op 9 juni, toen zijn vader in de Provinciale Geweldige in Groningen zijn sententie voorgelezen kreeg. GS veroordeelden senior wegens “verboden handel”, een poging deze te camoufleren en het aanstichten van een oproer. Hij kon dan wel hardnekkig ontkennen, maar de heren achtten het overtuigend bewezen dat hij de “eerste en voornaamste oorzaak van deze gepleegde violentiën” was. Zijn straf: drie jaar verbanning uit de provincie.

Je zou denken dat Koop junior voorlopig wel mooi in Friesland zou blijven, maar begin 1780 kwam hij toch op Gronings territoir en wisten de heren alsnog de hand op hem te leggen. Wegens zijn schamperen, dreigen en het mishandelen van Landsbediende Pots kreeg hij op 3 februari een verbanning van zes jaar aan zijn broek.

Van hem horen we niet weer, wel van zijn vader. Die was dezelfde maand zo onverstandig zijn verbanning met voeten te treden. Daarom lieten de heren hem eerst een jaar in het tuchthuis opsluiten, waarna hij de volgende twee jaar weer in ballingschap mocht gaan leven.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 1 (Staten van Stad en Lande), inv.nr. 1353 (sententies GS in belastingzaken).


Kerkbezoek vergde sterk gestel

E. de Witte – Kerkinterieur met grafdelver.

Het is ten uitersten nadeelig voor de gezondheid, eene lucht in te ademen, die met rottende en verdervende uitwaassemingen opgevuld is. Hieruit ontstaan veelerlei ziekten, kwaalen en ongemakken, kwaadaartige koortsen enz. Dit is eene beweezene zaak, en het is daarom onnoodig hiervan voorbeelden by te brengen.
Dit nadeel heeft aniet lleen plaats, wanneer men bedorvene lucht inademt, die besloten is in een vertrek of gebouw, maar ook wanneer diergelyke rottende uitwaassemingen in de opene lucht plaatsvinden. Meermaalen zyn hieruit volksziekten ontstaan en hebben groote verwoestingen onder het menschdom aangerecht. Wanneer wy nu nagaan wat er plaats heeft in ’t begraaven van lyken in en by de kerken, zoo zal het niet moeilyk zyn de schadelykheid daarvan aan te toonen.

Dagelyks worden er in een beslootene plaats lyken gebragt en bewaard, die reeds een zekeren graad van verrotting hebben, de eene meer, de andere min, vooral in den zomer. Zoodanige plaats moet noodzaakklyk opgevuld worden met rottende en stinkende dampen en uitwaassemingen, die uit den grond opryzen. Het is waar, dewyl de grond met steenen bedekt is, wordt de opdamping van onderen wel eenigzins verhinderd, maar niet geheel belet, byzonder indien de lyken niet diep onder den grond geplaatst worden, dat niet altyd gebeurt. Maar hier dient vooral ook in aanmerking genomen te worden dat telkens by het begraven van ieder lyk de grond geopend wordt, die vervuld is met doode lyken, de eene geheel, de andere half verrot. – Welke schadelyke dampen ryzen niet op uit die graven, die eenen geruimen tyd open blyven! Hierby moet men nog opmerken dat door de bepaalde ruimte in de kerken er dikwyls gebrek aan plaats is, wegens de menigvuldige lyken. De doodgraavers ruimen derhalven, om ledige graven te maaken, dikwyls de lyken die nog niet geheel vergaan zyn op. Wanneer men dit alles aandachtig overweegt, wie gevoelt dan geen afkeer van zoodanige plaats die de zuiverste van allen behoorde te zyn? Ook zyn de gevolgen hiervan niet moeilyk naar te gaan. Men wordt immers by het intreeden van eene kerk waarin veele lyken begraaven worden, byzonder in den zomer, eene onaangenaame, stinkende en rottende lucht of damp veeltyds gewaar, die hoofdpynen, duizelingen, flaauwten, benauwdheden en meer andere toevallen, vooral in zwakke gestellen, veroorzaakt.

Aldus de Groninger huisarts Jakob van Geuns in 1798. Met zijn essay tegen het begraven in en om kerken wist hij zijn kritische vader, de Utrechtse hoogleraar geneeskunde Matthias van Geuns, te overtuigen. Toen Jakob zeven jaar later zijn dochtertje in een kerk liet begraven, kwam hem dat op een standje van zijn vader te staan.

Bronnen:

  • Jacob van Geuns, ‘Over het begraaven der lyken in en by de kerken’, Weekblad voor den zoo genaamden gemeenen man deel II (Nut Groningen 1798) nr. 60, 477-478 (het citaat).
  •  J. Sypkens Smit, Leven en werken van Matthias van Geuns M.D. 1735-1817 (Assen 1953) 464-468.
  • Isabella H. van Eeghen, Meniste vrijage. Jakob van Geuns (1769-1832) Gronings dokter, Amsterdams ‘kassier’ (Haarlem 1969) 131, 207.

Gronings miniboekje moet in Boston 8500 dollar opbrengen

In 1952, zo gaat het verhaal, doken verscheidene exemplaren op van een tot dan toe volslagen onbekend miniboekje met de titel ‘t Oranje Geslagt. Het drukwerkje telde 48 paginaatjes, bevatte een soort van stamlijn van het illuster Oranjehuis alsmede lofdichten op de achtereenvolgende prinsen-stadhouders, en het was gebonden in rood kalfsleer met goudopdruk. Een antiekhandelaar zou de exemplaren gevonden hebben in een doos vol met zulke miniboekjes. Hij verkocht de hele bups, maar kreeg er naar eigen zeggen spijt van, omdat de boekjes in zijn etalage nogal de aandacht hadden getrokken.

Ik weet niet of het verhaal van die antiekhandelaar waar is en ken de kwaliteit van het boekje, het bandje en het papier niet. Maar de Groninger boekhandelaar, drukker en uitgever H. Spoormaker zou het hebben gemaakt in 1749, het jaar dat Oranje en zijn regentenaanhang een bijna monarchale opperheerschappij vestigden binnen Neerlands staatsbestel. Met welk doel Spoormaker de boekjes fabriceerde, weten we niet. Om de inhoud kan het de kopers haast niet gegaan zijn, die was uiterst dun en overbekend. Als het boekje inderdaad uit 1749 dateert, zou je het verwachten in een poppenhuis, of als een soort van talisman bij orangisten om de hals.

Bromer Booksellers in Boston vraagt nu voor een exemplaar van dit “extreem zeldzame boek” ruim 8000 euro.

Met dank aan Kie Ellens voor het attenderen.

DvhN-bericht 6.4.2017

Naschrift 10 april:

Op dat bericht kwam er, zo vernam ik, een reactie van de heer Kingma, die het boekje ooit verworven heeft voor de Groninger Universiteitsbibliotheek..

 


Naar Den Haag en Katwijk

Gisterochtend in alle vroegte naar het Nationaal Archief in Den Haag om in het archief van het Ministerie van Binnenlandsche Zaken van de Franse Tijd te kijken of dat een bepaalde bron bevatte. Dat bleek niet het geval. Kwam, zoals gewoonlijk, onderweg wel andere fraaiigheden tegen. Zoals de proclamatie uit maart 1808 waarbij de nieuwe Landdrost van het pas geannexeerde Oost-Friesland zich kenbaar maakte:


Een recept voor het maagelixer van J. Tiggelaar te Deventer:

Een band met een gemarmerd omslag:

Een verklaring van de (oorspronkelijk uit Winschoten afkomstige) geneesheer S. Crebas te Dwingeloo d.d. 11  juni 1809 dat hij (dat schooljaar) 224 kinderen in de wijde omgeving van zijn woonplaats had ingeënt tegen de pokken:

De tweede helft van de middag en ’s avonds bij mijn broer en schoonzus geweest, die vlakbij de duinen en nog geen anderhalve  kilometer van het strand af wonen. Flinke wandeling gemaakt – knienegies in de duinen:

Gezicht op Noordwijk:

De muide voorbij de spuisluis in de Oude Rijn bij Katwijk:

In een strandtent kreeft gezien: