Gemeentehuis Scheemda zat in Hotel Panman

Algemeen Handelsblad 27 maart 1886.

Op het Loket voor Lief & Leed heb ik wel een wat verteld over de Groninger gemeentehuizen, die in de negentiende eeuw doorgaans in herbergen waren gevestigd. Vooral bij aangiften burgerlijke stand kon dat nog wel eens minder wenselijke gevolgen hebben, bijvoorbeeld doordat een nieuwbakken vader besloot een borrel of wat op zijn geluk te nemen.

Hoe de zaken nu precies waren geregeld tussen de herbergier en de bij hem inwonende gemeente, blijft veelal in nevelen gehuld. Bij het doornemen van de repertoria van notaris Koning uit Finsterwolde (die een soort van streeknotaris was voor alle Oldambtster dorpen) had ik echter een mooie bijvangst, die licht werpt op de regeling zoals die in de gemeente Scheemda bestond. Op 3 augustus 1886 sloot het gemeentebestuur hier, zoals vertegenwoordigd door burgemeester De Beer en wethouder Crol, een huurcontract  voor 25 jaar af met Eildert Panman, de eigenaar en uitbater van een zeer bekend logement in Scheemda.

Het gemeentebestuur huurde niet dat gehele logement, maar slechts vier vertrekken op de bovenverdieping, te weten

“Eene raadzaal, ene secretarie met brandvrij archief, eene burgemeesterskamer en eene wachtkamer voor het publiek, met eigen toegang van de openbare straat over den grond van verhuurder.”

Panman moest voor 1 november daaraan volgende deze vertrekken met hun toegangen en de tussenliggende corridor hebben ingericht conform de plannen die daarvoor waren gemaakt, en die inmiddels waren goedgekeurd door de gemeenteraad. Hij had dus nog bijna drie maanden de tijd om de ruimten te laten aftimmeren en verven.

Vanaf de oplevering kwam al het onderhoud van ‘t binnenwerk in die vertrekken en ook alle stukadoor-, schilder- en glaswerk, voor rekening van de gemeente. Het onderhoud van het meeste buitenwerk – dak, dakgoten, bovenste zolder, zolderkozijnen, drempels en buitenmuren – was echter voor Panman, die moest zorgen

“dat het gemeente archief noch het ameublement door lekken of vochtigheid eenige schade zal kunnen lijden”.

Panman diende zijn hele logement bij een solide brandverzekering onder te brengen. Wederopbouw bij een brand of een andere ramp kwam ook voor zijn rekening. Als het gemeentebestuur zou besluiten het binnenonderhoud aan Panman uit te besteden, dan betaalde het hem daarvoor een vast bedrag van 50 gulden per jaar.

Blijkbaar zat de gemeente Scheemda ruim bij kas, want ze voldeed de 4000 gulden huur voor de algehele huurtermijn van 1 november 1886 tot en met 31 oktober 1911 in één keer aan Panman op de opleveringsdatum 1 november 1886. In de begrotingen en gemeenterekeningen van de opvolgende jaren zal men zodoende geen posten voor huisvesting vinden. Men was er in één keer vanaf.

Taande naarmate de termijn verstreek het vertrouwen tussen huurder en verhuurder? Het huurcontract werd immers niet helemaal uitgediend. Na het overlijden van burgemeester De Beer (1902) duurde het niet lang, of de gemeente Scheemda betrok een eigen onderkomen (1906), overigens wel vlakbij Hotel Panman aan de Winschoterweg (nu Esborgstraat).

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 110 (notarissen van de standplaats Finsterwolde) inv.nr. 67 (akten van 1886), akte nummer 179, opgemaakt door notaris A.H. Koning te Finsterwolde op 3 augustus 1886.

Hotel Panman te Scheemda, 1904. Collectie RHC Groninger Archieven 1986-15306.

Advertenties

De familienaam Jager

Als je de dragers van de familienaam Jager naar de herkomst en betekenis van die naam vraagt, zal een grote meerderheid menen dat een voorvader dat beroep uitoefende en ‘dus’ wild schoot voor zijn broodwinning. Deze verklaring lijkt net zo voor de hand te liggen als die voor Boer, Bakker, Timmerman, Slager, Koopman, Schipper etc.

Maar wat voor de hand ligt, hoeft nog niet juist te zijn. Laten we eerst eens kijken naar het kaartje van de gemeenten waar in 2007 deze familienaam in meerdere of mindere mate in absolute aantallen voorkwam in de telefoongidsen:

De stad Groningen spant dan de kroon met 391 naamdragers, in de gelijknamige provincie gevolgd door de gemeenten Veendam (207), Hoogezand-Sappemeer (138), Menterwolde (133), Scheemda (103) en Delfzijl (101). De aantallen van de stad Groningen en Veendam worden elders in den lande nergens overtroffen. Enschede en Amsterdam kennen hier de grootste concentraties Jagers (178 om 162), terwijl in Friesland Leeuwarden (136) en Smallingerland (116) er bovenuit steken, wat in Drenthe geldt voor de gemeenten Emmen (118), Assen (107) en Tynaarloo (105). Opmerkelijk is verder dat de naam onder de grote rivieren nauwelijks voorkomt, net of ze daar nauwelijks professionele wildschutters hebben gehad.

De concentratie van de naam in het noorden krijgt nog veel meer reliëf op een kaartje van de percentages Jagers op het totale aantal naamdragers per gemeente in 2007:

De concentratie ligt dan helemaal in het Noorden, met name de gemeente Menterwolde, met als goede tweede en derde Veendam en Scheemda. In Menterwolde draagt zelfs meer dan 1 % van de mensen in het telefoonboek de naam Jager, Verder is de familienaam in heel Oost-Groningen met uitzondering van Westerwolde goed vertegenwoordigd, terwijl er ook relatief veel Jagers voorkomen in de veengebieden van Friesland en in Noord- en Midden-Drenthe (met o.m. Smilde).

Als we dan zestig jaar teruggaan in de tijd, en wel naar de Volkstelling van 1947, dan blijkt die noordelijke concentratie nog veel pregnanter te zijn geweest:

Met 1951 van de 5180 gezinshoofden die deze familienaam droegen, herbergde de provincie Groningen zelfs 37,7 % van alle Jagers. Gemeenten die eruit sprongen waren destijds Groningen, Veendam, Winschoten, Muntendam, Meeden, Hoogezand, Slochteren en Scheemda. De tweede provincie, Friesland, lag met een aandeel van 17 % op het landelijke totaal aantal Jagers een straatlengte achter.

Je zou kunnen veronderstellen dat die concentratie in Groningerland verder terug in het verleden, nog groter zou zijn. Voor de periode 1811-1821 geeft de landelijke genealogische website WieWasWie 652 kinderen, bij de burgerlijke stand aangegeven met de achternaam (De) Jager. Daarvan werden er 243 geboren in Groningerland, oftewel 37,3 %. Dat cijfer komt nagenoeg overeen met het percentage uit 1947 – Groningerland mocht dan van alle provincies de meeste Jagers voortbrengen, maar haar aandeel lijkt tussen 1811 en 1947 min of meer gelijk te zijn gebleven – het had dus ook in die vroege periode zeker niet het alleenrecht.

Tot slot ben ik dan nog via Alle Groningers voor die vroege periode 1811-1821 nagegaan, welke Groningse gemeenten eruit sprongen qua baby’s met de achternaam Jager. Dat bleken de stad Groningen (29), Meeden (18), Muntendam (15), Hoogezand (10), Delfzijl (10) en Nieuwolda (10). Ook toen al kwamen de Jagers vooral voor in Oost-Groningen, en dan met name de Veenkoloniën.

Waarom dat zo was? Voor een antwoord op die vraag kunnen we te rade gaan bij het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT). Dat geeft als negende verklaring voor de term ‘jager’: scheepsjager, oftewel “de bestuurder, drijver, en geleider — man of jongen — van het paard of de paarden voor een vaartuig dat gejaagd wordt”. De verkorting van scheepsjager tot jager werd weliswaar ook elders gebruikt, zo tonen de WNT-voorbeelden opnieuw aan, maar de veenkoloniën werden in buitengewone mate bepaald door hun infrastructuur van kanalen, diepen en wijken. Hier waren dus meer dan elders scheepsjagers in touw, vandaar dat hier ook meer dan elders mensen de familienaam Jager kozen om zich te onderscheiden van mensen met een ander beroep.


Demografische effecten van een polderaanleg

Sprekend over het Oldambtster Oostwold, zegt de Tegenwoordige Staat van Stad & Lande uit 1794:

“Het lag voorheen op den uithoek des Dollards en was daarom, evenal Finsterwold, eene wykplaats voor de garneelvisschers, Maar zedert de indykingen van den noorder inham, vooral zedert de laatste van 1769, is het een treffelyk dorp geworden…”

Met andere woorden: Oostwold was voor de indijkingen een armoedig vissersplaatsje, maar kreeg vooral na de totstandkoming van de Oostwolderpolder (1769) een heel ander, vooral welvarender aanzien.

Die polder vermeerderde het aantal boerderijen en het areaal akkerland en zorgde daarmee voor een groeiende werkgelegenheid. Op een doorsnee-Oldambtster boerderij werkten destijds zo’n drie of vier inwonende knechten en meiden, en zeker in het drukke zomerhalfjaar kwamen daar nog ettelijke dagloners bij. Je zou dus kunnen veronderstellen dat de ruimtelijke en economische ontwikkelingen zouden doorwerken in de aantallen huwelijken en gedoopte kinderen in de plaatselijke hervormde gemeente, die bijna de gehele plaatselijke bevolking herbergde. De aantallen huwelijken en dopen zouden moeten groeien. Maar was dat ook zo?

Eerst maar de huwelijken. De volgende grafiek geeft hun aantallen per vijf jaar weer over de periode 1730-1809:

De aanleg van de polder had wat betreft de in Oostwold geregistreerde huwelijken een enorme boom ten gevolge. In de 40 jaar voor 1770 was het gemiddelde 14 huwelijken per vijf jaar, daarna werd dat gemiddelde 43 huwelijken voor eenzelfde tijdsbestek, een verdrievoudiging. Voor 1770 was er bovendien sprake van een dalende trend, zeker als je de tweede helft van de jaren 1760 buiten beschouwing laat. Na 1770 was de trend stijgend.

Dan de aantallen gedoopte kinderen over dezelfde periode:

De dalende trend van voor 1770 bij de huwelijken, zien we in verhevigde mate terug bij de aantallen dopen. Mogelijk was er vergrijzing en trokken er al jongere vissersgezinnen weg naar plaatsen waar eerst niet brede kwelders moesten worden overgestoken om garnalen en bot te kunnen vangen. In de tweede helft van de jaren 1760 neemt het aantal dopen plots weer wat toe. Het lijkt een voorschot op wat komen ging – vestigden zich voor de inpoldering al daarop anticiperende gezinnen? In elk geval was in de 40 jaar voor 1770 het gemiddelde 43 dopen per vijf jaar, daarna werd dat 80 dopen voor eenzelfde tijdsbestek, een verdubbeling. De inpoldering zorgde dus onmiskenbaar voor een groter kindertal. al ging de groei niet zo snel als bij de huwelijken.

Oostwold kreeg inderdaad een heel ander aanzien, demografisch gesproken.


Viertorenkerk Midwolda – symbool voor het Oldambt als regio

Van de week kwam ik dit wapen tegen in het archief van het Termunterzijlvest:

Het betreft de kerk met de vier (juffer?)torens, die van ca. 1170 tot ca. 1720, 1730 in de oude kern van Midwolda heeft gestaan, op een plek die nu ‘Ol Kerke’ heet, zo’n beetje halfweg Midwolda en Nieuwolda. In 1819 bevestigde de Hoge Raad van Adel dat het Termunterzijlvest de voorstelling van deze kerk in zijn wapen mocht blijven voeren:

Het zijlvest voerde dit wapen al vanaf de zeventiende eeuw, getuige divers zilverwerk. En hoewel het zijlvest allang is opgegaan in grotere verbanden, vinden we de viertorenkerk nog steeds op de gevel van gemaal Cremer in Termunterzijl:

Vanaf 1894 voerde ook de in gemeente Midwolda (1811-1989) een wapen met de viertorenkerk – het staat nog steeds als mozaïek op het oude gemeentehuis in het lintdorp:

Oudtijds stond het op Groninger tabakszakken als herkenbaar bedrijfslogo:

Waarbij de uitwerking nogal verschilde van die op een kaart uit 1734:

Zelfs zijn er wafelijzers met de viertorenkerk, zoals deze in het bakkerijmuseum Mendels te Middelstum:

Op zeventiende-eeuwse pamfletten voor de Oldambtster onafhankelijkheid is dit het beeld:

Zo ongeveer stond de kerk op het landschapszegel, dat de Oldambtster dorpsvolmachten vanaf medio veertiende gebruikten voor zaken van gemeenschappelijk en bovenlokaal belang. Tot het zegelsignet in 1698 op last van het Groninger stadsbestuur werd omgesmolten.

Zoals enkele voorbeelden hierboven aantonen, bleef het Oldambtster wapen echter nog lang in zwang als regionaal symbool voor het Oldambt, ook toen de viertorenkerk allang  afgebroken was. Zo sierde het in 1748 nog het vaandel van een orangistische militie uit Midwolda, terwijl het in de revolutionaire jaren 1795-1797 aan het hoofd stond van de proclamaties, uitgevaardigd door het Oldambtster comité dat de politieke gelijkberechtiging van de regio in de provincie voorstond.

Momenteel bedient alleen de PKN-gemeente Midwolda zich nog van het wapen. Eigenlijk best wel jammer dat zo’n veelgebruikt symbool het loodje moest leggen in het streven naar almaar grotere bestuurlijke verbanden.

Literatuur: J.P. Koers, ‘De viertorenkerk, beeldmerk van de Oldambtster identiteit’, Duvekoater 60 (november 2017) 29-32.


De Oostwolderpolder, voor en na aanleg

De voorgenomen Oostwolderpolder staat op de manuscriptkaart van Beckeringh uit 1767. En de gerealiseerde Oostwolderpolder wordt getoond door de gedrukte Beckeringhkaart uit 1781. Mijn zelfopgelegde opdracht: zoek de verschillen.

Ten eerste de nieuwe dijk. Op de handschriftkaart schampt die dijk het Munnikeveen, een Dollardeiland. Op de gedrukte kaart loopt die dijk over het Munnikeveen heen.  Dit zou nog een correctie door Beckeringh kunnen zijn, maar de dijk ziet er ook anders uit. In de oorspronkelijke opzet bestaat hij uit vier rechte stukken. Het noordelijkste daarvan lijkt precies zo gerealiseerd, maar naar het zuidoosten toe wordt die dijk steeds kronkeliger. Nog veel belangrijker: hij takt niet voorbij Finsterwolde aan op de oude dijk van 1701, maar halverwege dat lintdorp. Er werd dus een flinke lap minder ingepolderd dan aanvankelijk in de bedoeling lag. De dijk houdt veel meer afstand tot de Beerster- en de Bellingwolder zijlen (uitwateringen|). Zo te zien had de herencommissie die de inpoldering regelde, hier een probleem met het Tienkerspelenzijlvest dat de afwatering van o.a. Bellingwolde, Winschoten, Beerta en ook Finsterwolde regelde. Finsterwolde werd daarvan dan de dupe, in die zin dat het veel minder deelde in de baten van de nieuwe polder.

Verder het inwendige van die polder. In 1767 watert de oude polder nog uit via de Olde Geut en de Swaagzijl. Die zijl wordt in de nieuwe polder een eind verderop in de Oude Geut vervangen door de nieuwe Oostwolderpolderzijl. Bovendien zijn er landwegen gekomen en boerderijen gebouwd.

In het achterland is het oude Oostwolderhamrik, vlak achter de oude dijk en ten zuiden van de Oude Geut, van de kaart verdwenen. Woonden hier misschien de vissers van Oostwold? Ook hebben de oude dijkdorpen Midwolda, Oostwold en Finsterwolde tussen 1767 en 1781 een veel bosachtiger aanzien, althans veel meer bomen gekregen. De Goldhoorn is typografisch prominenter op de kaart gezet.

Bronnen: Reinder Reinders e.a., De atlas van Beckeringh (Zwolle 2016) pag. 70-71 (detail manuscriptkaart) en RHC Groninger Archieven 1536-631 (detail gedrukte kaart).


Een Rottumer predikant blikt terug

“Niet spoedig zal ik vergeten het uitzicht dat ik had van het kerkhof af in mijn eerste gemeente. ’t Lag op een hooge, oude terp, zooals zoovele dorpen in Groningen. En dan zag ik de wijde, vlakke velden, de groote boerderijen met de boomen rondom, de stoere zadeldaktorens van vele kerken, tot ver weg, en hoorde ik over die stille avondvelden de carillonklanken komen uit den ouden toren van Middelstum…”

Aldus ds. Marius Nicolaas Wisse Smit (1903-1980), later nogal een carrière-predikant, die in zijn jonge jaren echter drie jaar lang, van 1930 tot 1933, hervormd predikant was van de kleine gemeente Rottum en Stitswerd. Smit had voor zijn betrekking hier alleen gewerkt als hulppredikant van een evangelisatie in Emmen. Mogelijk waren de ervaringen daar van invloed op zijn Noord-Groninger waarnemingen. In elk geval schreef hij enkele jaren later een essay over zijn tijd in Groningen, waarin hij de verhouding tussen de Noord-Groningers en de hier ooit zo dominante hervormde kerk onderzoekt.

Allereerst komen in dat stuk enkele vooroordelen tegen de Noord-Groninger aan bod. Die was meestal kort van stof, bepaald niet geneigd tot lyriek, en wars van pluimstrijkerij. Met zijn geslotenheid beschermde hij zijn gevoeligheid. Zijn nuchterheid stond vooral voor zakelijkheid. Een Groninger was materialistisch en mocht zich graag verbeteren, ook qua gezag en macht. Van geld moest je in zijn ogen vooral meer geld zien te maken.

“Blijft een huishoudster ergens uit liefde, terwijl haar elders ƒ 150 meer per jaar wordt geboden, dan vindt het dorp dit wel mooi, maar eigenlijk vreemd en het zal zich in de vraag verdiepen of zij misschien een spaarbankboekje heeft. (…)

En bedankt een dominee voor een beroep naar een plaats, waar het traktement ƒ 1000 „dikker” is, dan gaat dit tegen den werkelijkheidszin, tegen de zakelijkheid van den Noord-Groninger in. Hij vindt het vanzelfsprekend dat ook een dominee „zich verbetert”, als hem daartoe de gelegenheid geboden wordt.”

Zakelijkheid, geldzucht en ambitie beheersten ook de onderlinge verhoudingen tussen boeren, arbeiders en middenstand, aldus ds. Smit. Enkele veelbesproken uitzonderlingen daargelaten, bestonden er geen affectieve banden tussen boeren en arbeiders. Zonder verklaarde partijgangers te zijn, stemden de arbeiders rood. De boer had ook liever cocksiaansche arbeiders aan het werk, want gereformeerden brachten nog eerbied op voor het gezag.

Maar deze voorkeur had niets te maken met een levensbeschouwelijk standpunt. Verreweg de meeste boeren gingen zelf niet meer naar de kerk, wat voor kerk dan ook. De dominee mocht heus wel bij ze op visite komen, maar absoluut niet op visitatie. Dan konden ze vrijblijvend meningen uitwisselen, zonder dat er een boodschap ter sprake kwam. Want

“…zoodra hij de boodschap hoort klinken, sluit hij zich af. Hij wil desnoods hooren wat de dominee over God denkt, beslist niet wat God over den Noord-Groninger boer denkt.”

Die boer bad niet meer. Hij voelde zich onafhankelijk. De kunstmest was zijn God. De kerk was in zijn ogen best wel  een nuttige instelling, maar voor anderen, die dat helemaal zelf moesten weten. Beter dat mensen de Bijbel lazen dan een revolver pakten. De boeren lieten hun kinderen al niet meer dopen, die gingen ook niet naar de catechisatie.

In de gemeenten rond Rottum en Stitswerd was er in die jaren onder de arbeiders al vrij veel bewuste onkerkelijkheid. Zo’n kwart van de mensen vulde bij de Volkstelling in dat ze nergens meer bij hoorden. Toch had de kerk bij zulke arbeiders nog een voet tussen de deur, als ze dominee tenminste een “nuvere kerel” vonden, wat afhing van zijn luisterbereidheid, en zijn neiging om ze, als ze tegenslag hadden, iets van hun pacht kwijt te schelden. Maar zulke arbeiders bonden zich verder niet. Het lag ze voorin de mond bestorven dat de kerk, net als Jezus, moest opkomen voor de armen en verdrukten. De kerk moest de boeren maar eens flink de waarheid zeggen. Zoals het er voorstond waren de boeren bezorgder voor hun paarden dan voor hun arbeiders.

Net zomin als de boer liet de arbeider zijn kinderen nog dopen. Als die naar catechisatie wilden, moesten ze dat zelf maar weten. Hij zou ze nergens toe dwingen, je wist vooraf ook niet met wie ze gingen trouwen. Maar als dominee op ziekenbezoek kwam, dan werd diens “meeleven” zeer op prijs gesteld. En bij begrafenissen van onkerkelijke arbeiders vroegen ze dominee ook nog steeds om te komen spreken.

“Al is ’t gesprek in ’t arbeidersgezin bewogener dan met de boerenfamilie: practisch leven ook zij niet kerkelijk mee en in hun critiek kastijden zij de kerk in hun gekrenkt vertrouwen. Eigenlijk is er onder deze arbeiders geen die van onze kerk nog werkelijk veel verwacht. Hun liefde en hun hoop hebben zij van haar afgetrokken en hun verwachting hebben zij gesteld op andere bewegingen.”

Onder de dorpsmiddenstand waren er relatief nog veel kerkgangers, maar ook nogal eens vanwege de klandizie van de kerk, die met de bijbehorende verenigingen, de zondagschool en de diaconie best veel te spenderen had. Zulke en meer bezielde middenstanders vormden dan met een deel van de arbeiders de meelevende gemeente.

En passant schetst Smit een beeld van hoe het er in Rottum qua kerkgang aan toeging:

“In dit onkerkelijke dorp, met pl.m. tweehonderddertig Hervormden, stond de kerk net even buiten het dorp. Zondags preekte ik dan voor gemiddeld vijf en dertig menschen. Een enkele avonddienst bracht zestig in het kerkgebouw, meerdere ochtend- en middagdiensten vijf en twintig. De mannen zaten links, de vrouwen rechts. Behalve de mannenbroeders uit den kerkeraad en één kerkvoogd, die vlak bij den preekstoel zaten, zaten er in de kerk nog vier mannen, door sterven tot twee teruggebracht, als trouwe kerkgangers aan de linkerzijde. De anderen waren vrouwen. Hun aller leeftijd was tusschen de veertig tot tachtig jaar. Als de jeugdige orgeltrapper zijn moeder niet verving, was er geen jeugd, tenzij er doopelingen waren.”

Stitswerd was veel kerkelijker dan Rottum. Verder wisselde het beeld in de omgeving nogal. In de meeste gemeenten kwam er weinig jeugd in de kerk, maar er waren ook gemeenten waar die jeugd nog steeds in de kerkbanken zat. Ouderen lieten geregeld verstek gaan wegens familiebezoek. In dorpen waar de onkerkelijkheid dominant was geworden, bleven mensen ook uit de kerk weg vanwege de spot die ze ten deel viel.

Bron: M.N.W. Smit, ‘Onder Noord-Groningers’ in: S.F.H.J Berkelbach van der Sprenkel e.a., Kerke-werk. Beschrijvingen van den arbeid der hervormde kerk in stad en land (Nijkerk 1938) 16-30.


Grofsmid was de Mozes van Oostwold (2)

Nortonpomp Oostwold

Het hok met de Nortonpomp in Oostwold. Foto met dank aan Daniel Oudman.

Natuurlijk moet je een mooi verhaal niet kapotchecken, maar ergens kwam het gedicht dat mijn zegsman declameerde me bekend voor. Ik kon het dus niet laten en ging op zoek.

En zo bleek, dat het poeem over Frans Kant en de Nortonpomp van Oostwold ook staat in een ‘Noorder Rondblik’ uit 1980 en in een verzameling dorpsgeschiedenissen door Abel Blokzijl uit 2006 (p.14-16). Beide bronnen geven het pomp-opschrift met minieme variaties. De versie uit de Noorder Rondblik luidt:

“Gelijk eens Mozes met zijn staf
Zijn volk uit rotsen water gaf,
Zoo bracht Frans Kant ter goeder stond,
Hier kost’lijk water uit den grond.
Wat vroeger boren niet vermocht
Heeft nu Frans Kant voor ons gewrocht.”

Verder verschilt de bijkomende informatie enigszins, bijvoorbeeld voor wat betreft de locatie van de pomp. In de Noorder Rondblik, een regionale cultuurrubriek van het Nieuwsblad van het Noorden, komt de oud-Oostwolder Edzo de Groot aan het woord, die zich afvraagt waarom de Nortonpomp “aan de Huningaweg, naast het perceel van mevrouw De Groot—Baas (vroeger rijksveldwachter Welbergen)” moest verdwijnen:

“Aan die pomp, destijds een overvloedige bron in hete droge zomermaanden, ingebouwd in een houten huisje, hing een ijzeren nap, stevig vastgeklonken met een ketting; voor de voorbijganger een pauzeteken om even de dorst te lessen.”

Volgens Blokzijl stond de pomp tegenover de pastorie, vlakbij de ingang van het kerkhof. Hij meent dat ze werd geslagen door de gemeente Midwolda, waarbij zelfs op 70 meter diepte nog geen wel van geschikt grondwater was gevonden. Daarom beschouwde men het project als mislukt en kwam er een dop op de buis. Totdat de lokale grofsmid Frans Kant de grond huurde en die dop er weer vanaf draaide. Het water spoot er uit en dat werd het gesprek van de dag in Oostwold. Waarop de gemeente het water liet onderzoeken – het bleek van puike kwaliteit en zeer geschikt voor consumptie. Vanaf die dag had Oostwold dus in tijden van droogte goed drinkwater. Wat Blokzijl, anders dan mijn zegsman, echter niet vermeldt is dat de gemeente het houten bord liet overschilderen.

Voor ik nog verder in de historie duik, eerst maar even de summiere biografie van de hoofdfiguur. Dat deze Frans Kant werkelijk grofsmid te Oostwold is geweest, bewijzen de burgerlijke standsakten met zijn naam. Hij werd in 1862 geboren in Oostwold als zoon van de smid Lammert Kant, trouwde, zelf smid geworden, op zijn 33ste, kreeg met zijn vrouw een hele serie kinderen, waarvan er enkele jong stierven, en kwam zelf uit de tijd in 1931. De historie moet zich dus voor dat sterfjaar hebben afgespeeld. Misschien in de jaren twintig?

Nee, ze is nog ouder, zo blijkt uit de krantendatabank Delpher. Op 27 april 1907 berichtte het Nieuwsblad van het Noorden:

“OOSTWOLD (O) 25 April. Voor eenige jaren sloeg hier iemand uit Leeuwarden een Nortonpomp circa 570 voet in den grond, maar daar het water onbruikbaar was, staakte men het werk maar liet de buis zitten. Een onzer smeden kwam dezer dagen op ’t idee het ding eens weer te probeeren en men pompte, pompte 2½ dag en heeft nog volop water. De heer Van Dam, apotheker te O. Pekela, die het drinkwater onderzocht, verklaarde het voor uitstekend drinkwater. Gelukkig Oostwold !”

De grondwaterwel waar de pomp op aansloeg zat dus op bijna 168 meter, nog veel dieper dan de 70 meter die Abel Blokzijl noemt. De rest van het verhaal komt overeen met de overleveringen. Uit een bericht van eind september 1907, bijna vijf maanden later, blijkt wie het bord met het gedicht op de pomp bevestigde:

“OOSTWOLD 23 Sept. Dankzij ’t werken van onzen smid Kant hebben wij hier een Nortonpomp gekregen, die ons dezen zomer voor watergebrek heeft behoed. De kerkeraad heeft gemeend niet beter het véle goede, door K. gedaan, te kunnen beloonen, dan door ’t aanbrengen van ’n gedenkplaat aan de pomp waarop een passend gedichtje.”

Het was derhalve niet een anonieme spotvogel, zoals mijn zegsman wilde, maar het hervormd consistorie, dat hiermee zijn dankbaarheid wilde betonen. Zodat het overschilderen op last van het gemeentebestuur ook minder waarschijnlijk is, temeer daar de Nortonpomp op notabel hervormd initiatief geslagen blijkt te zijn. In oktober 1908 bezocht namelijk een Zweedse hoogleraar, Hjalmar Nilsson, de Oostwolderpolder en omgeving, waarbij zijn rondleiders hem ook de Nortonpomp toonden:

“Dat onze kerkvoogden voor eenige jaren in een werkelijk bestaande behoefte wilden voorzien, bewees deze dag het bezoek aan onze bekende Nortonpomp, die bijna 600 voet diep is. Reusachtig is de hoeveelheid water, die zij in dezen drogen tijd elken dag maar weer met volle stroomen opgeeft. Deze datum is vanwege het kerkbestuur het aantal emmersvol, dat uit de pomp werd gehaald, geteld door onzen doodgraver, die den geheelen dag als ’n politieagent op den weg flaneerde. De man kreeg het respectabel aantal van ruim 500 om ± 6 uur des avonds.

Bij deze gelegenheid kreeg de dorpssmid nog eens een pluim:

“Een eeresaluut zij bij dezen nog aan Frans Kant gebracht, die ons die weldaad heeft bewezen, want zonder hem, zouden we ook hier, evenals andere jaren te strijden hebben tegen watergebrek. En nu – volop van het heerlijkste bronwater.”

Dat de Nortonpomp er op initiatief van de hervormde kerkvoogdij van Oostwold kwam, wordt ook aangetoond door wat raadsverslagen uit 1938 en 1939, die melden dat die kerkvoogdij de burgerlijke gemeente Midwolda verzocht om een jaarlijkse subsidie voor het onderhoud. Op voorstel van B&W stelde de raad toen zonder hoofdelijke stemming een bedrag van 25 gulden per jaar vast.

Helaas lijkt het archief van de hervormde gemeente Oostwold poter, zodat niet is na te gaan hoeveel de kerkvoogdij betaalde voor aanleg en onderhoud van de pomp. Een Nortonpomp in Zuidhorn, in 1911 te slaan tot een diepte van 60, 65 meter, moest die gemeente echter 1600 gulden kosten bij gebleken succes, en ruim 300 gulden aan materiaal en arbeidsloon als de zaak mislukte. Gezien het feit dat de pomp in Oostwold bijna drie maal zo diep kwam, terwijl de arbeidslonen flink zullen toenemen bij een grotere diepgang, moet de pomp in Oostwold minstens drie maal zoveel hebben gekost, dus 900 gulden bij de aanvankelijke mislukking. Of de Leeuwarder firma die het werk uitvoerde na het later gebleken succes nog wat extra beurde, blijft een open vraag.

De pomp in Zuidhorn moest volgens de raming vooraf zo’n 25.000 liter zuiver drinkwater per uur kunnen leveren. De hierboven gemelde 500 volle emmers op een oktoberdag in 1908 te Oostwold vallen daarbij in het niet. Ook de vergelijking met een Nortonpomp op het oosteind van Midwolda, geslagen in 1913, valt negatief uit voor Oostwold. De Midwoldiger pomp, reikend tot slechts 42 meter diepte, had een capaciteit van 12.000 liter per uur. Ook daar werd overigens de waterkwaliteit gecontroleerd door apotheker Van Dam uit Oude Pekela, die haar uitstekend bevond. Bij de pomp van oost-Midwolda kwam er nog een “ontijzeringstoestel”, “zoodat het water ook voor de wasch gebruikt zal kunnen worden”.

De Midwoldiger pomp was gemeentelijk, anders dan die van Oostwold. Ook elders in de gemeente Midwolda kwamen pompen tot stand op particulier initiatief. Zo willigde de gemeenteraad in 1929 een verzoek van H. Hagenus en anderen in, om een Nortonpomp aan de Klinkerweg in Oostwold te plaatsen. Deze verrees op een perceeltje van de gemeente op de hoek van de Klinkerweg en de weg naar Kromme Elleboog. Een soortgelijk verzoek van de bewoners van Niesoord werd in 1938 echter afgewezen.

Zoals gezegd was de pomp in Oostwold in 1980 verdwenen. Via de Noorder Rondblik vroeg Edzo de Groot destijds om een foto van het opschrift. In 1990 kreeg de vereniging Dorpsbelangen Oostwold 500 gulden van de Heidemij voor een reconstructie. Volgens Abel Blokzijl kwam deze er in 1997, waarbij het houten bord is vervangen door een bord van metaal.