Predikant rijdt bij dorpsgenoot de pannen van het dak

Op 24 augustus 1803 liet Laurens Hindriks, woonachtig te Garnwerd, door zijn advocaat een rekest indienen bij de drost van het Westerkwartier. In dat verzoekschrift klaagde Hindriks over de plaatselijke predikant, ds. Broese, die

zedert eenigen tijd heeft kunnen goedvinden van deszelvs land met paarden en wagens zijn koorn etc. te vervoeren langs een pad of drift, lopende bijlangs de noordzijde van Rem[onstran]ts behuizinge aldaar; welk pad bevorens nimmer tot een wagenreede is gebezigt, en alleen tot een voetpad en tot een overdrift voor beesten heeft gediend, wordende ook hetzelve des winters, als de weg niet is te passeren, tot een doodepad gebruikt zonder dat egter de lijken met de wagen daarlangs gevoerd worden, maar integendeel bij de dam worden afgezet en daarlangs gedraagen.

De predikant maakte dus een onconventioneel gebruik van dat voetpad: hij liet er zijn wagens met pas geoogst koren overheen rijden, terwijl het pad geen wagenweg was. Volgens Hindriks berokkende dit hem “veel ongemak en schade”,

doordien dikwijls de wagen met koorn beladen digt bijlangs Rem[onstran]ts huis om de nauwheid van het pad moetende passeren, daarvan de pannen medenemen…

Meer dan eens had Hindriks ds. Broese “in het vriendelijke” verzocht om het voetpad langs zijn huis niet meer als “wagenreede” te gebruiken,

en zijn koorn langs de gewoone uitvaart voorbij de agtergevel van Wilke Egges huis, en bijlangs de agtergevel van de kosterie te vervoeren…

Helaas waren die verzoeken steeds tevergeefs geweest. Nu wilde Hindriks niet graag een gewone civiele rechtszaak tegen de predikant beginnen (als boekhoudend kerkvoogd had Broese ook vrij veel macht in het dorp),  vandaar dat hij zich tot de drost wendde met de vraag om samen met ds. Broese gehoord te worden, zodat de drost de zaak “in der minnen” kon bijleggen. De drost echter, vroeg eerst om de visie van ds. Broese, voordat hij zo’n hoorzitting uitschreef.

Ds. Broese bleek van zijn kant bitter weinig te voelen voor zo’n sessie. Volgens een briefje had hij

de eer te berigten dat hij niet voorzigtig oordeelt zig op den posita ten requeste in te laten, verkiezende liever de voorgewende questie ten requeste ordinario modo te ventileren, weshalven de vrijheid neemt in dezen te opponeren de exceptio informalis processus.

Vrij vertaald: Broese kon zich niet vinden in de gekozen rechtsgang en stuurde aan op een gewoon proces. Op 7 september werd zijn briefje in het gerecht aan Laurens Hindriks voorgelezen. Deze kreeg er ook nog een afschrift van.

Inderdaad kwam er geen hoorzitting, sterker nog, we horen helemaal niets meer van de zaak. Of de heren zijn er onderling uitgekomen – al lijkt dat vanwege de langdurigheid der kwestie tamelijk onwaarschijnlijk – of Lourens Hindriks durfde een gewoon proces niet aan, of ds. Broese had zich in het vervolg stilzwijgend onthouden van het aan gort rijden van Lourens zijn dakrand, maar welke mogelijkheid zich voordeed, we weten het niet. Alleen dat het gedrag van dominee allesbehalve sympathiek op ons overkomt.

Dorpskern Garnwerd, ca 1830. Bron: http://www.hisgis.nl

In elk geval zal het voor iemand die enigszins bekend is met de situatie ter plaatse duidelijk zijn, dat het hierbij ging om het tegenwoordig tamelijk beroemde Burgemeester Brouwersstraatje. Op het bovenstaande kaartje, gebaseerd op de kadastertekeningen van omtrent 1830, is die situatie weergegeven. De brede oranje lijn van rechts naar links is de hoofdweg (nu Hunzeweg) in Garnwerd. Centraal in beeld staat de kerk, met in wit het kerkhof eromheen. Ten noorden van de kerk staat de pastorie (P). Vanaf de pastorie wijst een pijl naar het zuiden: dat is de meest voor de hand liggende verbinding tussen de pastorie en de hoofdweg, oftewel “de gewoone uitvaart voorbij de agtergevel van Wilke Egges huis”. Maar dominees wagens konden ook langs de zuidelijke tuin van de pastorie (paars) en de steeg bij de kosterij (K) of school (zie het liggende pijltje), De bedoeling was dan wel om met een wagen rechtsaf (meest rechtse pijltje) langs de achtergevel van de kosterij (K) naar de hoofdweg te gaan. Dit nu, deed ds. Broese niet. Hij liet zijn wagens rustig door de nauwe steeg naar het oosten (X) rijden, waar ze de pannen van Lourens Hindriks’ dak afwierpen.

Het Garnwerder pastorieland (geel) ca. 1830. Bron: http://www.hisgis.nl

Vreemd is nog wel dat die wagens überhaupt langs die steeg moesten gaan. Het pastorieland lag immers voor het grootste deel pal achter en ten noorden van de pastorie (P). De wagens van dominee hoefden daar alleen langs de noordelijke tuin en boomgaard van de weem, die aan die kant ook een baander of in- en uitgang voor wagens had. Een ander deel van het pastorieland lag ten westen, en juist niet ten oosten van Garnwerd. Passage langs het latere Brouwersstraatje lag voor het bereiken van dat land ook absoluut niet in de rede. Maar misschien huurde de predikant er elders, meer ten oosten van Garnwerd nog land bij.

Resteert nog Hindriks interessante opmerking over het gangbare gebruik van de steeg, die later Brouwersstraat is gaan heten. Deze steeg werd dus nooit als wagenweg gebruikt en was louter een voetpad voor de passage mensen en vee. ’s Winters, als de gewone, vrij steile toegangsweg naar kerk en kerkhof voor wagens niet te gebruiken viel, werd het latere Brouwersstraatje nog wel eens als lijkweg gebruikt. Daarbij hield de wagen met de doodskist echter stil voor de “dam”, het oostelijke uiteind van de steeg, en werden de doden verder langs de steeg naar het kerkhof gedragen.

Bronnen: Groninger Archieven, Toegang 735 (gerechten Westerkwartier) inv.nr. 724: rekesten 24 augustus en 7 september 1803; ibidem, inv.nr. 722, ingekomen brieven (m.n. berichten op rekesten): ongedateerd briefje van ds. B.J. Broese, dat op 7 september 1803 in het gerecht cum exhibitum werd getekend.

Advertenties

In hoeverre bestond de woningvoorraad uit arbeiderswoningen?

In 1808 wilde de overheid met het oog op een nieuwe belasting weten hoeveel woningen er in elk dorp stonden, en hoeveel van die onderkomens arbeiders- en armenwoningen waren. Voor het Westerkwartier zijn de opgaven bewaard gebleven. Ik heb ze in deze tabel ondergebracht:

Plaats Totaal bewoonde huizen Boeren en ingezetenen Arbeiders dagloners + armen Percentage arbeiders
Vredewold
Marum +

de Wilp

115 51 44,3 %
Nuis 49 12 24,5 %
Niebert 55 20 36,4 %
Tolbert 119 52 43,7 %
Midwolde 49 15 30,6 %
Leek 151 45 29,8 %
Zevenhuizen 200 145 72,5 %
Lettelbert 46 10 21,7 %
Oostwold 35 11 31,4 %
Lagemeeden 22 6 27,3 %
Hoogkerk &c.
Hoogkerk 76 26 34,2 %
Leegkerk 31 11 35,5 %
Dorkwerd 17 4 23,5 %
Aduard etc.
Aduard 98 44 44,9 %
Hogemeeden 44 12 27,3 %
Den Ham 42 12 28,6 %
Fransum 23 6 26,1 %
Wierum 26 1 3,8 %
Oostum 14 3 21,4 %
Garnwerd 85 48 56,5 %
Westerdeel-Langewold
Grijpskerk 124 85 33 + 6 31,5 %
Kommerzijl + drie Waarden 82 50 61,0 %
Sebaldeburen 62 40 19 + 3 35,4 %
Lutjegast 93 59 28 + 6 36,6 %
Grootegast 145 84 55 + 6 42,1 %
Doezum 123 80 40 + 3 35,0 %
Opende 47 36 10 + 1 23,4 %
Lucaswolde 16 11 5 31,2 %
Oosterdeel-Langewold
Zuidhorn 133 57 42,9 %
Noordhorn 135 54 40,0 %
Niekerk 70 28 40,0 %
Oldekerk 68 37 54,4 %
Faan 10 1 10,0 %
Niezijl 78 39 50,0 %
Visvliet etc.
Visvliet en Pieterzijl 130 50 38,5 %
Kommerzijl + drie Waarden 82 50 61,0 %
Middag-Humsterland
Oldehove 134 63 47,0 %
Niehove 100 44 44,0 %
Saaksum 40 21 52,5 %
Ezinge 98 36 36,7 %
Feerwerd

De grootste kernen Zevenhuizen en Leek waren juist ook hele jonge – ze hadden hun ontstaan aan de vervening te danken. Maar terwijl Zevenhuizen het hoogste aandeel arbeiderswoningen van het Westerkwartier kende (72,5 %) was dat in Leek juist aan de lage kant (29,8 %). Zevenhuizen was veel proletarischer dan het verzorgingscentrum Leek, mag je concluderen. Hoge percentages arbeiderswoningen waren er ook in Kommerzijl en Garnwerd met hun kleinschalige havenactiviteiten. Door de bank genomen zal in het Westerkwartier ruim een derde van de woningvoorraad uit arbeiderswoningen hebben bestaan. Laag waren de percentages in typische boerendorpen als Dorkwerd en Lettelbert.

Verder heb ik de percentages geclassificeerd in vier groepen: 20-29% (geel), 30-39 % (oranje), 40-49 % (rood) en meer dan 50 % (paars). Hoe donkerder de kleur, hoe hoger het percentage arbeiderswoningen op de gehele woningvoorraad. In kaart gebracht levert dat het volgende beeld op:

De paarse stippen (relatief veel arbeiderswoningen) zitten vooral vlakbij het Reitdiep, waar afgezien van de haventjes de grote boerderijen op de jonge zeeklei ’s zomers behoefte aan veel losse arbeidskrachten hadden. In de omgeving van de stad en het noorden van het Vredewold vallen juist de lage percentages op. Ten zuiden van het Hoendiep is het paars van Zevenhuizen vrij uitzonderlijk.

Bron; Groninger Archieven, Toegang 735 (gerechten Westerkwartier) inv.nr. 752.


‘Trouwe seingever bij de overvaart’

Het Noorden in Woord en Beeld 25 november 1932 (pag. 847).

Toen in 1932 de nieuwe brug van Garnwerd bijna gereed was en dus het einde naderde voor het lokale veer over het Reitdiep, plaatste Het Noorden in Woord en Beeld naast een foto van de nieuwe brug er eentje van hèt symbool van de eerdaags overbodige overzet: een soort van afdakje op poten met een kloeke scheepsbel. Deze miniatuur klokkestoel stond aan de overkant van het Reitdiep tegenover het welbekende Café Hammingh, waarvan de uitbater tevens reder en kapitein van het veer was. Met het belsignaal waarschuwden klanten, dat ze gaarne overgezet wilden worden. De veerman kwam er dan met gezwinde spoed aan, hoopten ze.

De Groninger Archieven beschikken over een wat oudere foto van het verdwenen icoon. In hun prentenverzameling zit bovendien een fijne tekening uit 1920 van Ids Wiersma, die altijd een goed gevoel had voor bouwsels die weldra het veld moesten ruimen.

Mede met dank aan MdJ, voor deze in dialoog tot stand gekomen ontdekking.


Meineed (2)

Volgens een bepaling, anno 1505 toegevoegd aan het Groninger Stadboek (boek IX art. 42), stond in de Stad precies dezelfde straf op meineed, als een eeuw later nog in de Ommelanden:

Wel staat in deze bepaling het bedrag waarvoor de bewezen meineedpleger zijn vingers houden kon: 50 Rijnse goudguldens. Zo’n goudgulden deed zelfs in de achttiende eeuw nog een gulden en 8 stuivers, vijftig van die dingen waren dus 70 gulden waard, in de achttiende eeuw een half jaar loon voor een oppassend werkman.

Mij staan geen voorbeelden bij van stadsburgers die wegens meineed zijn veroordeeld, maar misschien vind ik die nog terug in mijn oude notities. Wel trof ik in mijn digitale bestanden een onderaannemer Jan Dorenbos aan, die op 9 augustus 1725 werd berecht door Gedeputeerde Staten van Stad en Lande, omdat hij het als gemachtigde van belastingpachters op een akkoordje had gegooid met een fraudeur. Dorenbos gaf de fraude niet door, maar ontving daarvoor geld van de fraudeur, zodat hij niet alleen de pachters benadeelde, maar zich ook schuldig maakte “an eenen swaeren meijneedts”. Van de heren gedeputeerden mocht Jan zijn vingers houden, maar ze verbanden hem wel voor twee jaar uit de provincie.


Meineed, en de straf erop

Ommelander landrecht (1601), boek VII, art 47:

Van een Meneed te sweeren
Sweerd jiemand een meneed, ende daervoor rechtlijck word verwonne, die sal verbeurt hebben zijn twee vorderste vingeren van sijn rechterhand. Ende de vingeren mach hij vryen met een manne-gelt, een rigter dubbelt. Dan wie de vingeren in der manieren niet lossen can, dien salmen zijn recht doen sonder genade. Ende alle degene die eenmaal eenen valschen Eed heeft gedaen, die sal stedes onteeret blijven ende niet weerdigh wesen eenigh recht te bedienen ofte voor recht eenigh tuygenisse te doen.

Interpretatief vertaald: Wordt bewezen dat iemand meineed heeft gepleegd, dan heeft die persoon de twee voorste vingers van zijn rechterhand verbeurd. Deze straf kan hij ontgaan door zijn vingers met een flinke som geld ‘vrij te kopen’. Wie dat geld niet opbrengen kan, ondergaat zonder pardon die straf. Iemand die eenmaal veroordeeld is wegens meineed, blijft levenslang infaam, inhabiel en eerloos, mag nooit weer een eed zweren, kan dus geen enkel ambt bedienen en mag ook niet als getuige optreden in wat voor zaak dan ook.


Naar de bollen bij de Ennemaborg

Dit is MIDWOLDA, ziet daar gintzen staat de kerk,
En hier de hofstee van den raadsheerlyken HORA,
O cierlyk bloemhof daar de Goddelyke flora!
Godts wysheit meine ik, uit een rei van bloemen straaldt,
O aardsche regenboog, die met meer kleuren praaldt!
Als ’s hemels boog; hoe brandt de gloeyende ranonkel
By Persische Yrias, elk krokus een karbonkel
Vertoont als peers en blauw en wit en helder geel,
Wyl purperen narcis hier sluimerd op zyn steel;
De schoone tulpen ook hun vlammig hooft ontluiken
Terwyl de geurge roos op haare scherpe struiken
Te pronk staat. Ziet hier lis dat ’s hemels booge afmaalt,
Ook bloem van eenen dag ver uit Peru gehaaldt;
Den schoonen hyacinth, en geurige filetten,
En witte lelyen, gezicht en reuk hier wetten,
De bloeme van damast, de roode martagom,
Annemos en fiool, de wondre passiblom,
Den Raadsheer met haar kleur en zoeten reuk verblyden,
Zyn oogen feest aandoen, en ’s Heeren handt belyden;
Ja d’alderkleinste bloem in zynen ryken hof,
Op haare blaadtjes voerdt des grooten Scheppers lof.

Bronnen: Het poeem komt uit Quintyn Pabus, Lof der Stadt Groningen (1741) 14; de tekening van Ennema (1772, door mij bewerkt) uit de collectie van RHC Groninger Archieven: 818-9953.


De reglementering van de vossenjacht in Groningen en Friesland

Jean Bernard – Dode vos, hangend aan zijn poten, 1815. Collectie Rijksmuseum.

Naar aanleiding van de vossenjacht die in januari 1805 werd gehouden in de woudstreek van het Westerkwartier, heb ik eens gekeken of het provinciale jachtreglement iets zei over zulke jachten. De nieuwste versie daarvan dateerde destijds van 31 augustus 1803 en bevat er inderdaad een paar bepalingen over.

Ten eerste mocht iedereen met een jachtakte “ten allen tyde” op vossenjacht gaan. Er gold dus geen gesloten tijd zoals bij regulier jachtwild: de vos was het hele jaar bejaagbaar en werd impliciet gezien als een plaag. Zelfs was het zo dat in mandelige jachtvelden alle jagers op vossenjacht mochten, terwijl voor het gewone jachtwild gold, dat het ene jaar de ene jager en het andere jaar de andere mocht jagen, terwijl ze nooit tegelijk aan bod konden komen. De vos was dus onbeperkt vogelvrij. Wel moesten jagers die individueel of samen op stap gingen om vossen te schieten dat vooraf melden aan het gerecht ter plaatse, waaronder we wat betreft het Westerkwartier de wedman van een voormalige rechtstoel moeten verstaan.

Een melding bij een wedman was vrij laagdrempelig. Diens toestemming was zelfs niet vereist. De wedman moest er alleen van afweten.

Naast de kleinschalige jacht op vossen, was er echter sprake van

generale vossejachten van het ene district in het andere (…) door de gerechtigde tot de jagt in zodanige districten…

Deze algemene, dus grootschalige jachtpartijen over een ruim gebied dat meerdere (vroegere) jurisdicties besloeg, doen haast denken aan de collectieve wolvenjachten zoals die ooit werden gehouden. Dit soort vossenjachten werd in Groningerland wat strenger gereglementeer: er was “consent van het gerichte” voor nodig, wat in het Westerkwartier neerkwam op toestemming van de drost. Het zal duidelijk zijn dat er bij de vossenjacht in de wijde omgeving van Grootegast in 1805 sprake was van een dergelijke, grootschalige jacht.

Ik heb het Friese jachtreglement, dat van twee weken eerder dateerde, nog even naast het Groningse gelegd. Globaal ket het dezelfde bepalingen als het Groningse op het punt van de vossenjacht. Maar het is wat uitgebreider. Zo noemt het ten eerste een sanctie voor mensen zonder jachtakte, die toch “met schietgeweer” op vossen jagen. Om te beginnen gaat het om een boete van 25 gulden, die bij onvermogen tot betaling wordt omgezet in drie maanden tuchthuis.

In Friesland werd vossenstropers dus expliciet de wacht aangezegd, wat in Groningerland niet gebeurde. Uit dat benadrukken van het voorrecht, verbonden aan een jachtakte, mogen we echter niet concluderen dat vossen in Friesland minder voorkwamen of als een geringer probleem werden gezien dan in Groningerland. Integendeel. Daarop wijst de premieregeling voor Friesland, terwijl die in Groningen niet bestond. Gevangen of gedode exemplaren deden in Friesland:

Volwassen moervos ƒ 3,00
Volwassen rekel ƒ 2,50
Jonge moervos ƒ 2,00
Jonge rekel ƒ 1,50

De scheiding tussen oud en jong legde het Friese reglement bij 1 november:

Voor oude vossen zullen worden gerekend alle die na Allerheiligendag gevangen worden en voor jonge alle onvolwassenen welke voor dien dag gevangen zijn.

Kortom, het Friese jachtreglement maakte meer werk van de vossenjacht, en kende een premieregeling die in Groningen ontbrak. Daarmee zullen vossen in Friesland als een grotere last zijn ervaren dan in Groningerland. In elk geval was het voor slimme jagers mogelijk in Friesland premies te vangen voor vossen die ze in Groningerland hadden geschoten.

Bronnen:
Publicatie van het Departementaal Bestuur van Stad en Landen van Groningen, houdende het provisioneel reglement op de jagt en visscherye in gemelde departement. Gearresteerd den 31 augustus 1803, art. 35-36.

Publicatie betreklijk het reglement, op de jagt en visscherijen in Friesland, gearresteerd den 17 Augustus 1803, art. 58-63.