Weduwe wil hertrouwen binnen de verboden tijd

Op 5 juli 1785 maakte Grietje Jans, de weduwe van Jan Folkerts, woonachtig bij Enumatil, haar opwachting in het rechthuis van Leek met een door haarzelf getekend en dus zonder de hulp van een advocaat opgesteld verzoekschrift.

Driekwart jaar eerder, zo vertelde ze de rechter, trof haar het ongeluk dat ze haar man door de dood had verloren. Vanaf die dag ondervond ze

het merkelijk gemis van een hoofd des huisgezins vooral in de behering van een omslagtige boererij”.

Het viel haar dus tegen, het bedrijf helemaal in haar uppie te moeten runnen. Maar er gloorde hoop. Ze had namelijk een huwelijksaanzoek gekregen van de wedman Willem Cornellis,

en welke partij zij niet ongenegen was, om des te eerder een goed toeversigt over haare zaken te erlangen…’’.

Grietje wilde binnenkort dus graag ja zeggen op Willems aanzoek. Alleen werd ze daarvoor teruggehouden “op het eerste aanschouw” van artikel 13, boek III Ommelander Landrecht. Deze wetsregel bepaalde dat een vrouw een vol jaar moest wachten na de dood van haar man, “eer sy sick met eenen anderen man wederom eerlicks al moghen versellen”, dus voordat ze opnieuw mocht trouwen:

Als een vrouw zich hier niet aan hield, dan verloor ze alle bezittingen die ze aan haar vorige huwelijk te danken had.

Grietje Jans meende echter dat “de reden van deze” niet op haar van toepassing was en had daarom een ”certificaat” bij zich van een vroedvrouw, die blijkbaar had onderzocht of Grietje zwanger was en daarmee de verboden (rouw)tijd had geschonden. En dat bleek niet het geval. Daarom verzocht Grietje het gerecht om toestemming voor het voorgenomen huwelijk, hoewel dat binnen een jaar na de dood van haar vorige man was. Bovendien wilde ze graag verschoond blijven van de landrechtelijke sanctie.

De rechter willigde haar verzoek in.

Bron: Groninger Archieven, Toegang 735 (Gerechten Westerkwartier) inv.nr. 98: rekestboek Vredewold, notitie d.d. 5 juli 1785 (folio 133, 134).

Naschrift 10 januari 2020
Edwin Groot merkte op Twitter op:
“De regel is denk terug te voeren op het feit dat kinderen die tijdens huwelijk worden geboren geacht worden kinderen te zijn van de echtelieden. Als moeder nou een jaar wacht na het overlijden van vader weet je zeker dat de kinderen die dan nog worden geboren niet van de vader zijn.”


Bliksemafleiders en brandcontracten in Groningerland

Rond 1820, zo verhaalt Botke in zijn prachtige boek Boer en Heer, zag men nergens in Nederland meer bliksemafleiders dan in de provincie Groningen, waar een menigte boerenplaatsen erdoor beschermd werd. Dit was vooral zo in Hunsingo en de Marne. Onder aanvoering van ds. Uilkens van Eenrum implementeerden verlichte geesten hier massaal de uitvinding van Benjamin Franklin.

Bij orthodox-bevindelijke hervormden echter, zag je geen bliksemafleiders op het dak. Zij zagen blikseminslag als een straf van God: “God deed het onweer verwekken, opdat het ons tot straf zou verstrekken”. Het voorkomen van die welverdiende straf met een bliksemafleider gold als een inbreuk op Gods almacht. Orthodox-bevindelijken keurden het gebruik van bliksemafleiders daarom af. Het vele gebruik van bliksemafleiders in Groningerland en dan met name Hunsingo en De Marne, wees er dus ook op, dat die orthodox-bevindelijke opvattingen daar hadden afgedaan, tenminste: onder de eigenaars en beklemde meiers van boerderijen.

Voor de orthodox-bevindelijke mens bestond de zin van het leven uit het dienen van God. Van het nastreven van geluk is geen sprake in hun catechismus. Menselijk geluk wordt pas iets nastrevenswaardigs met de Verlichting. Denk maar aan het “Life, Liberty and the pursuit of Happiness”, uit de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring van 1776. Waarschijnlijk werd geluk daarin overigens vooral begrepen als voorspoed en welvaart. In die zin komt het ook terug in een rekest van een aantal vooraanstaande boeren uit Beerta, in 1802. Zij vonden het “de eerste plicht van de leden der burgerlijke Maatschappij”, om

alles wat in hun vermogen is bij te dragen, waardoor het belang, het nut, de voorspoed en de beveiliging der Maatschappij kan en moet worden bevordert.

Geluk is ook te bevorderen door het voorkomen van het tegenovergestelde, dus ongeluk. In dat opzicht zijn er nog twee innovaties die, net als de bliksemafleiders, als een soort van lakmoesproef voor het veldwinnen van de Verlichting kunnen dienen. Dat zijn de variolatie of of inenting tegen de pokken en de oprichting van brandcontracten of onderlinge brandverzekeringen. De inenting heb ik hier al eens kort behandeld, bij de brandcontracten sta ik nu stil, uitgaande van de vraag hoe deze innovatie ingang vond, en dan vooral in sociaal opzicht: wie waren de early adopters en wie volgden hun voorbeeld?

Brandcontracten

Net als tegen tegen vaccinatie waren orthodox-bevindelijke gereformeerden gekant tegen brandverzekeringen. Ook die vormden immers een inbreuk op de voorzienigheid Gods, maakten Gods straffen tot een illusie, en waren daarmee uit den boze. Bij verzekeringen gaat het net als bij vaccinatie om de toekomst, en die ligt in Gods hand en alleen daarop mag je vertrouwen.

Dat deze opvatting in de achttiende eeuw steeds minder effect had, blijkt uit de opkomst van de brandverzekeringen. Volgens Slechte waren verzekeringsmaatschappijen voor 1720 überhaupt nog onbekend in Nederland, maar werden er dat jaar vier actief die onder meer tegen brandschade verzekerden. In 1727 kwam er bovendien een collectieve brandverzekering voor Zaanse oliemolens tot stand. Na 1770 trad er een lichte versnellling op, met tien brandverzekeringsmaatschappijen tussen dat jaar en 1800. Na 1800 zou het verschijnsel pas echt een grote vlucht gaan nemen en schoten vooral de lokale, onderlinge brandverzekeringsmaatschappijtjes als paddestoelen uit de grond.

Molens

Kijken we naar de provincie Groningen, dan blijkt dat hier de ontwikkelingen op enige afstand werden gevolgd. De allereerste brandverzekeringen hier, waren louter bestemd voor molens, niet alleen zeer kostbare stukken onroerend goed, maar ook zeer ontvlambare. De eerste twee brandcontracten voor molens werden opgericht in 1743: een in de Stad, de andere in de Ommelanden. Die van de Stad dateert uit februari dat jaar en verzekerde vooral houtzaag- en oliemolens in de Stad en haar directe omgeving. Hun maximaal verzekerde waarde bedroeg 4500 gulden en de ondergrens zat op 1000 gulden voor een molen die minstens 2000 gulden waard moest zijn. De premie bedroeg per jaar een half procent van de verzekerde waarde. De kas werd beheerd door vier bestuurders, die Jan Gerrits Beerta, een oliemulder van het Winschoterdiep op de Stadstafel, tot hun volmacht en boekhouder kozen.

Het andere brandcontract voor molens werd drie maanden later te Mensingeweer opgericht en richtte zich louter op pelmolens in De Marne en Hunsingo. Bij aanvang werden er elf pelmolenaars lid. Bij hun brandcontract werd er geen fonds gevormd, maar verplichtte elk van de leden zich maximaal 1000 gulden uit te keren aan een gedupeerde van brand uit hun midden. Het contract besteedt ook aandacht aan brandpreventie: de molens moesten in een goede staat verkeren en er diende permanent bluswater aanwezig te zijn in de molen. Een tweekoppig bestuur ging jaarlijks de molens langs voor hertaxatie en controle op de brandpreventie.

Opmerkelijk is, dat in het conservatieve Oldambt pas veel later een brandcontract voor molens tot stand kwam. Dat gebeurde in 1781 en de eerste boekhouder was de molenaar Gerardus Molema uit Midwolda. In 1800 maakte dit brandcontract, naar het zich laat aanzien, een doorstart onder leiding van enkele veenkoloniale molenaars.

Boerderijen en andere huizen

De eerste onderlinge brandverzekering voor boerderijen in Stad en Lande kwam er in 1794. Daarna ging het snel, zoals dit lijstje laat zien:

  • 1794: Winsum
  • 1795: Leens, Uithuizen, Wehe den Hoorn, Middelstum, Zeerijp.
  • 1796: Usquert
  • 1798: Aduard, Uithuizermeeden
  • 1801: Eenrum, Grijpskerk
  • 1802: Oosterwijtwerd
  • 1802: Beerta
  • 1802: Midwolda, Zeerijp
  • 1803: Ezinge, Houwerzijl
  • 1805: Siddeburen
  • 1811: Ten Boer

Net als bij de brandcontracten voor molens, is hier sprake van een faseverschil tussen het voorlijke westen van de provincie, met name De Marne en Hunsingo, en het wat latere oosten, met name Fivelingo en het Oldambt. Ik zie hier een verband met de publieke opinie, die in het oosten destijds veel conservatiever was.

Wijde omgeving

Al deze brandcontracten bedienden een wijdere omgeving dan de vestigingsplaats alleen. Ze hadden dus een regiofunctie, hoewel de meeste leden vaak wel in de vestigingsplaats woonden. Dat van Winsum verzekerde opstallen in het Halfambt, dat van Uithuizen had noordelijk Hunsingo als zijn ressort, dat van Leens was er voor De Marne, dat van Ezinge voor Middag-Humsterland, dat van Beerta voor het oosten van het Oldambt en dat van Siddeburen voor Duurswold of de Woldstreek.

Voortrekkers, bestuurders, ledendemocratie

Van de ‘Sociëteit van Onderlinge Bijstand in geval van Brand’ in Winsum was Geert Reinders de oprichter. Deze bekende boer, die ook inenting tegen de veeziekte propageerde, kwam na de Bataafse Revolutie in het Ommelander bestuur. Hij was nota bene de zoon van een molenaar en werkte zelf in zijn jonge jaren ook op een molen. Wellicht dat hij daarom het fenomeen brandverzekering al wat langer kende. Reinders was patriot en ook in Eenrum schijnt een patriot de voortrekker te zijn geweest, namelijk de bekende landbouwhervormer ds. Uilkens.

Naast Reinders traden er in Winsum twee Huismannen, net als hij landbouwers, als directeuren op. De eerste dertig jaar was de schoolmeester Berend Swaagman hun secretaris-boekhouder. Die zal het meeste werk hebben gedaan. Prominent waren ook de eerste bestuurders in bijvoorbeeld Midwolda. Het betrof de dorpsdokter en enkele grote boeren. In Beerta ging om de grootste boeren van dat dorp, Nieuw-Beerta, Oostwold en Finsterwolde. Net als overal elders werden de volmachten er met meerderheid van stemmen door de leden gekozen. De leden beslechtten ook eventuele kwesties op democratische wijze. Dat gebeurde op een rekendag of jaarvergadering, die altijd in het voorjaar plaatsvond.

Werkzaamheden, methodiek

De brandcontracten konden op punten sterk verschillen. Hoe verder de tijd voortschreed, hoe gedetailleerder hun reglementen werden. Toch valt er voor deze periode ook nog wel iets algemeens over te zeggen. Zo taxeerden de bestuurders van de brandcontracten praktisch overal de woningen en schuren naar hun actuele waarde. Jaarlijks gingen ze bovendien de leden langs voor eventuele herziening van die waarde. De premie bedroeg alom een half procent van de taxatiewaarde, terwijl bij brand de hele taxatiewaarde werd uitgekeerd. Stond er na brand nog iets bruikbaars overeind, dan werd dat getaxeerd door timmerlieden, om tot een raming van de schade te komen. Omdat er niet zo heel vaak brand was, hadden de brandcontracten nogal eens flink wat geld in kas, dat dan werd belegd in hypothecaire leningen aan leden. Zodoende had zo’n verzekering ook een bankfunctie, lang voordat er banken waren op het platteland.

Aantallen leden

Van een handvol brandcontracten zijn de aanvankelijke aantallen leden bekend:

Winsum (1794) 43
Uithuizen (1795) 54
Leens (1795) 77
Ezinge (1805) 78
Siddeburen (1803) 124

In de loop van de tijd wordt dit aanvankelijke ledenbestand dus steeds hoger, mogelijk een teken dat er steeds minder sprake was van schroom. Hoewel er ook iets anders gespeeld kan hebben, waarover straks meer.

Gemiddelde taxatiewaardes

In Winsum en omgeving werden de 43 boerderijen in 1794 getaxeerd op gemiddeld een kleine 1500 gulden. Een jaar later bedroeg die gemiddelde taxatiewaarde in Leens iets meer dan 1200 gulden, terwijl dat in Ezinge anno 1803 1300 gulden was. In de Ommelanden kon je dus voor 1200 tot 1500 gulden een gemiddelde boerderij kopen.

Sociaal

Inderdaad kenden de brandcontracten voornamelijk of zelfs uitsluitend boeren als lid. Toch ging het doorgaans maar om een beperkt deel van de boeren in een bepaalde omgeving. In Winsum bijvoorbeeld, bestond er een relatief grote animo in Bellingeweer, terwijl er uit Obergum nauwelijks leden waren.

In Beerta sloot het contract huizen van minder dan 600 gulden waarde zelfs uit. Kleine middenstanders en arbeiders konden daarmee hun huizen nog niet verzekeren tegen brand. In Siddeburen gebeurde dat juist met de dure en licht ontvlambare windmolens. Opmerkelijk is dat het brandcontract voor die omgeving verder alle huizen toeliet, ook de goedkopere. Wellicht is dat ook de reden voor het grote aantal leden bij aanvang. Toch woog het aantal feitelijke leden hier in de vestigingsplaats bij lange na niet op tegen het totale aantal huishoudens.

Op drie ledenlijsten vinden we de taxatiewaardes van de verzekerde opstallen. Deze heb ik samengevat in het bijgaande staatje:

Taxatiewaarde Tot 500 500 tot 1000 1000 tot 2000 2000 of hoger
Leens 1795 (77) 3 % 19 % 70 % 8 %
Uithzn, 1795 (54) 0 % 15 % 56 % 29 %
Siddb. 1805 (124) 17 % 21 % 47 % 15 %
  • Bij de categorie tot 500 gulden zitten de arbeiderswoningen en kleine middenstandswoningen, eventueel als twee-onder-één kappers.
  • In de tweede, wat duurdere categorie, zitten onder andere winkelhuizen van koop- en ambachtslui.
  • Grotere bedrijven zitten net als de gemiddelde boerderijen in categorie III
  • Terwijl de grotere boerderijen net als de brouwerijen in de duurste groep zitten.

Wat met name opvalt is dat in Leens en Uithuizen niet of nauwelijks huizen uit het goedkoopste marktsegment in het brandcontract opgenomen zijn. In Siddeburen, met dat grote aantal leden bij aanvang, gaat het al om 17 % van het bestand. De onderlinge brandverzekering van dat dorp markeert de externe democratisering of verdere openstelling die na 1800 moet hebben plaatsgevonden bij de brandcontracten. Als er in de tweede helft van de negentiende eeuw in de krant verslag wordt gedaan van een brand in een arbeiderswoning, blijkt zo’n woning immers meestal verzekerd.

Dit is een deel van mijn lezing op de Dag van de Groninger Geschiedenis in oktober 2017. De tekst heb ik iets bijgesteld.


Liedjeszangers, -venters en -verkopers

Heb met %lied* en %liet* in Alle Groningers gezocht naar liedjeszangers, -venters en-verkopers, beroepsaanduidingen die doorgaans op hetzelfde neerkomen: het zingen van liederen of liedjes op jaarmarkten en langs huizen en boerderijen, in de hoop dat die liederen de toehoorders zo bevallen, dat deze een exemplaar van het gedrukte liedvel of de liedbundel afnemen. In totaal ben ik zo 28 vertegenwoordigers van die beroepsgroep op het spoor gekomen, die ik in bijgaande tabel heb ondergebracht.

In kolom 1 staan het jaar en de maand waarin de burgerlijke standsakte is opgemaakt met de melding van een liedjeszanger etc. Mei springt er qua aantal meldingen uit – blijkbaar is in die maand de beroepsgroep het meest actief. Het betreft de maand met de dienstbodenvakanties en de meikermis in de Stad.

In kolom 2 zie je de aard van de akte. In de grote helft van de gevallen gaat het om geboorteaktes, in de kleine helft om overlijdensaktes, terwijl slechts een enkele akte een huwelijk betreft.

In kolom 3 staan de namen van de liedzangers etc. In 17 gevallen gaat het om mannen, in 11 om vrouwen. Die vrouwen zijn in 8 gevallen ongehuwd, vaak met een kind waarvan de vader onbekend is. De leeftijden van de liedzangers etc. – zie kolom 4 – lopen uiteen van 24 tot 64 jaar.

Interessant is hun woonplaats, in kolom 5. In slechts een minderheid van 12 gevallen ligt die in Groningen, maar hierbij gaat het vooral om de latere meldingen. Vooral het veenkoloniale zuidoosten van de provincie (Stadskanaal, Zuidbroek) springt eruit. Maar meestal wonen de liedzangers elders en zwerven ze rond. Bij de elders gedomicilieerden komt Friesland 5 maal als woonplaats voor (Kollumerzwaag springt eruit), terwijl er 4 uit Holland (en dan met name Amsterdam) en 2 uit Gelderland komen. Van 5 liedzangers etc. zegt de akte dat ze zonder vaste woonplaats zijn – een van deze zwervelingen blijkt geboren in Friesland, een ander in Oost-Friesland.

Tot slot hun verblijfplaatsen: die liggen redelijk verspreid over de provincie Groningen. De nadere adressen, als ze genoemd worden, geven echter te denken. Achter de Muur en de Jonkerstraat zijn in de Stad min of meer achterbuurten, terwijl in het hospitaal, nosocomium of stadsziekenhuis gewoonlijk alleen de zeer armen baren en sterven – anderen willen er dood nog niet gevonden worden Qua platteland duiden plekken als Plaggenburg (een heidenederzetting bij Jipsinghuizen) of “in eene hut zonder nummer” onder Stadskanaal evenmin op een grote welstand. En verder wijzen de verblijfplaatsen buiten de provincie Groningen erop, dat het ook de autochtone liedzangers etc. niet ontbreekt aan zwerflust.

Jaar akte Soort akte Naam Leeftijd Beroep Woont in Verblijft te
1816-2 Geb. Ernst Groeneveld Liedverkoper Leeuwarden Groningen, Achter de Wal
1816-11 Geb. Jan Leendert Korsse Liedzinger Franeker Groningen, Jonkerstraat
1817-3 Geb. Israël Mozes Visscher 24 Liedjeszanger Amsterdam Kleinemeer
1818-10 Geb. Jakob Timmer 45 Liedboekverkoper Ingen (Gld.) Pieterburen

“bij gelegenheid in”

1820-3 Geb. Hendrik Everts Meiring 28 Liedjesverkoper Enkhuizen Oude Pekela
1830-5 Geb. + Ov. Bettje Lazarus 24 Liedjeszangster Geen vaste woonplaats Groningen, hospitaal
1832-2 Geb. Johannes Hendriks 34 Liedjeszanger Amsterdam, Roosjestraat Oude Pekela
1833-1 Geb. Elisabeth Oukes van der Zwaag 40 Liedjesverkoopster Kollumerzwaag Loppersum
1833-6 Geb. Salomon Heimans le Grand 29 Liedjeszinger Leeuwarden Groningen, Prinsenstraat
1834-10 Ov.* Isel Meijer 45 Liedjeszanger Elburg Wildervank, Oosterdiep
1835-7 en 8 Ov. + Ov. Kind, geb. App. 1834 Jantje Jans Kuiper 24 Liedjeszangster Geen vaste woonplaats, geb.

Hatzum (O-Fr.)

Groningen, stadsziekenhuis
1836-4 Ov. Hermanus Jacobus van Oosterhout 43 Liedjesverkoper Amsterdam Garrelsweer
1836-5 Ov. Kind van 3 mnd Johannes Peter Hertog en Liedjeszanger Groningen Ermelo
idem idem Elisabeth de Hoijer Liedjeszangeres Groningen Ermelo
1837-5 Ov. (door diakonie) Doede Bades de Vos 64 Liedjesverkoper Zonder vaste woonplaats (geb. Warga (Fr.) Eenrum
1838-4 Ov. (kind) Elske Oukes van der Swaag Liedjesverkoopster Kollumerzwaag Loppersum
1838-5 Geb. Jan Idzes Bakker 24 Liedjeszanger Stadskanaal Plaggenborg, gem. Vlagtwedde
1838-8 Geb. Wijtske Wijtses Korveboer 24 Liedjeszangster Geen vaste woonplaats, geb. Drachten Groningen, Nosocomium academicum
1840-11 Geb. Martje Egberts van der Linde Liedjeszangeres Farmsum Eenrum
1841-5 Geb. Pietertje Korsse-Bakker (vgl 1816) * Liedjeszangeres Stadskanaal, gem. Onstwedde Stadskanaal, gem. Onstwedde
1843-3 Ov. Zelfde kind Idem +

Tjerk Jans Kosse

Liedjezanger idem Idem + “in eene hut zonder nummer”
1844-10 Ov. Hendrik ter Burg 37 Liedjeszanger Slochteren Kampen
1845-5 Geb. Maria Dotter 33 Liedjeszangster Zonder vaste woonplaats, geb. Berlicum (NB) Groningen
1846-5 Geb. Helena van Vriezen Liedjeszangster Groningen Eenrum
1851-11 Ov. Hans Harmens Popstra 60 Liedjesventer Oldekerk Haulerwijk
1883-6 Ov. kind August Wilhelm König Liedjeszanger Zuidbroek Zuidbroek
idem idem Rozina Frederica König- Bosse Liedjeszangeres Zuidbroek Zuidbroek
1909-3 Huw Roelf Hebels 49 Liedjeszanger Vlagtwedde (geb. Borger, later Wildervank) Vlagtwedde

Plaggenburg of Erica – duel om een boerderijnaam

Frederiksoord, 18 Aug. Eenige dagen geleden had in de onmiddelijke nabijheid dezer plaats een even komiek als zeldzaam voorval plaats. Op een gedeelte heideveld van de verscheiden (= verdeelde) marke van Vledder wordt eene kapitale boerderij opgetrokken. Door het grootsch aanzien, dat deze boerderij voorzeker krijgen zal, kwam men op het denkbeeld de behuizinge een naam te geven. Men was het hieromtrent evenwel niet eens, daar de een het den naam van “Plaggenburg” en de ander het den naam van “Erica” wilde geven. Bij het leggen van den eersten steen kwam men op de plaats der timmering tezamen en ziet, op het onverwachts traden twee mannen geharnast tevoorschijn, de een met groote Ietters op het harnas geschreven hebbende den naam van Plaggenburg, de ander integendeel dien van Erica. Toen men het niet eens konde worden, begonnen de beide geharnasten om den naam te duelleren, en, tot groote vreugde der omstanders, moest hij, die den naam van Plaggenburg op zijn schild voerde, het onderspit delven.

Bron: Provinciale Drentsche en Asser Courant 20 augustus 1856.

Commentaar: Waarschijnlijk vond het publiek bij het duel de naam Erica (voor heide) toch wat sjieker dan Plaggenborg. Erica is ook gebleven: nog steeds ligt er op de westkant van Vledder een Hoeve Erica. Destijds, in 1856, verrees de vroegste voorganger daarvan dus op een stuk onontgonnen heideveld dat het  gemeenschappelijke bezit was geweest van de boeren in de marke van Vledder, Het ging om een perceel vlakbij de grens van Vledder met de Koloniën van de Maatschappij der Weldadigheid (Frederiksoord).

In Groningerland ligt intussen wèl een Plaggenborg, namelijk tussen Wollinghuizen en Jipsinghuizen in Westerwolde. Afgaande op een gelijknamige familie die er vandaan kwam en wat oude kaarten, dateert dit Plaggenborg uit het derde kwart van de achttiende eeuw. Het hoorde bij Jipsinghuizen, werd gesticht op een ontgonnen stuk heidegrond aan de rand van het grote Bourtangermoor en lag bij een ruime bocht in de weg naar Wollinghuizen.

Wikipedia geeft een volksetymologische verklaring voor de naam van dit Plaggenborg:

deze verwijst naar de plek waar men de plaggen borg. Dus niet alleen het steken van de plaggen maar ook het stapelen (het bergen) om ze te drogen.

In een eerdere versie van het lemma zei Wikipedia nog:

Hoewel het niet meer zo wordt ervaren, is de naam een scheldwoord, verwijzend naar de plaggenhutten die door de bewoners als borgen (kastelen) worden gezien.

Al zou ik liever van een spotnaam dan een scheldwoord spreken, dit sluit mijns inziens wel wat meer aan bij de mislukte vernoeming in Vledder. In beide gevallen gaat het immers om een vestiging op pas ontgonnen heideveld. Mogelijk werd er bij zo’n ontginning geplagd, waarbij de plaggen als onderlaag in een potstal dienden. De met mest en gier verzadigde plaggen werden vervolgens gebruikt voor het bemesten van het ontgonnen land. Mogelijk gaven een of meerdere stapels plaggen dan de (goedmoedige spot)naam in.


Een ‘ingekankerd vooroordeel’ bij de Polen

HAMBURG den 18 December. Van de Poolsche Grenzen word berigt dat de reeds meermaalen gemelde gevangen zittende Jooden in het Oostenryks aandeel van Poolen, die beschuldigd zyn een Christenkind te hebben omgebragt, niettegenstaande zeeven christen-geneesheeren eenpaarig hebben verklaard dat het bewuste kind eenen natuurlyken dood gestorven zy, het graauw egter aanhoud te eisschen dat de gevangenen door middel van den pynbank tot het bekennen van dien pretensen moord, zouden gedrongen worden. Onaangezien nu de welbereedeneerde Deductie of Verdeedingsschrift der gezaamentlyke Jooden, waarin zy het belagchelyk vooroordeel (alsof de Jooden tot het vieren van hun Pascha Christenbloed noodig hebben) te keer gaan, weet men nog niet wat het uiteinde weezen zal, hoewel men hoopt dat de genoemde Deductie der Jooden eindelyk de oogen der Polakken openen zal, teneinde van dit ingekankerd vooroordeel geneezen te worden.

Bron: Groninger Courant 27 december 1774.

Met het Oostenrijkse deel van Polen wordt bedoeld Galicië, dat even tevoren, namelijk in 1772, door Oostenrijk-Hongarije was veroverd. Een 170 jaar later lagen in deze landstreek vier van de vijf grootste vernietigingskampen van de nazi’s: Auschwitz, Sobibor, Majdanek en Belzec.


Brandpreventie in Midwolda

Op 19 mei 1808 lieten enkele boeren en de molenaar van Midwolda zich aandienen in de Oldambtster drostenborg, waar ze zich kwalificeerden als “directeuren van de brandkasse te Middewolda”. Met die brandkas bedoelden zij de onderlinge brandverzekering die er bijna zes jaar eerder was opgericht. In hun verzoekschrift klaagden ze over dorpsgenoten die geen lid van hun “brandcontract” wilden zijn. Ondanks herhaalde waarschuwingen, gingen deze gewoon door met het

”zeer onverzichtig handelen met hunne haardasch, welke zij dikwijls glooiende op de mesthopen brengen, waardoor als dan lichtelijk, zoo als ook nog onlangs zoo als bekend is, brand kan en is veroorzaakt geworden, waar door dan de rem[onstran]ten brandcontract eenige aanmerkelijke schade niet alleen kan worden toegebragt, maar ook bovendien met hunne medeburgers totaal geruïneerd kunnen worden”

De angst was zeker niet ongegrond. Destijds kwamen er nog grote dorpsbranden voor, zoals in Zuidlaren 1803. De Midwoldigers vroegen de drost om het nemen van “maatregelen ter voorkoming van ongelukken”. Een paar dagen later besloot de drost om een gerechtelijke publicatie tegen de aangekaarte misstand uit te vaardigen. Helaas lijkt deze niet bewaard, al is ook zonder dat wel ongeveer te raden wat er in heeft gestaan.

De brandverzekering diende hier zo als aanjager voor brandpreventie.


De aanvoer op de Weddermarkt

Ben ooit eens een avond aan het stoeien geweest met de aantallen paarden en koeien die werden aangevoerd op de Wedder najaarsmarkt. Meen dat ik de cijfers uit krantenverslagjes haalde, ze leverden in elk geval dit grafiekje op dat ik jarenlang kwijt was maar zoëven weer terugvond:

In blauw de aantallen paarden als absolute getallen (staafjes) en omgezet in voortschrijdende vijfjaarlijkse gemiddelden (doorlopende lijn). In rood de aantallen koeien in beide varianten.

In één oogopslag is zo te zien dat de aloude Weddermarkt qua levende have vooral een paardenmarkt was: de aanvoer van paarden bleek altijd veel groter dan die van koeien, met uitzondering van enkele jaren in de Eerste Wereldoorlog.

Voor die oorlog kwamen er gemiddeld zo’n 300 paarden ter najaarsmarkt, dat daalde aanzienlijk in de jaren van die oorlog, en wat langzamer maar nog steeds gestaag in het Interbellum tot er in de Tweede Wereldoorlog zo goed als niets van overbleef.

Voor de Eerste Wereldoorlog bedroeg de aanvoer van koeien zo’n 150 per Weddernajaarsmarkt. Maar ook dat aantal kachelde zienderogen achteruit in de jaren tussen beide oorlogen.

De gloriejaren van de Weddermarkt als paarden- en veemarkt waren na de Eerste Wereldoorlog voorgoed voorbij.