Doorvaarttarieven Aduarderzijl

Minimumtarief 30 cent, maar ’s avonds en ’s nachts ƒ 1,30.  De waarman of zijlwaarder kon dus redelijk van zijn avond- en nachtrust genieten.

In 1952 had je blijkbaar nog houtvlotten die het Aduarderdiep opgesleept werden.

De vrijstellingen zullen vastgesteld zijn, om de waarman (nog eens) te behoeden voor een al te grote inhaligheid.

Advertenties

“De ondergang der bijenteelt zou eene onherstelbare ramp voor ooft- en landbouw zijn”

In 1896 diende de Friesche Maatschappij van Landbouw een subsidieverzoek in bij de minister van landbouw. Van het gevraagde geld wilde ze graag een “bekwaam imker” aanstellen, die op winteravonden in Zuidoost Friesland bijspijkercursussen bijenteelt moest geven. De bijenhouders waren qua vakkennis namelijk niet helemaal up to date. Minder vriendelijk geformuleerd: ze liepen decennia achter. Omdat de minister het Friese verzoek kon billijken, zette hij 150 gulden op zijn begroting voor de nieuwe vorm van kennisoverdracht.

Interessant is wat het vrijzinnige kamerlid Houwing, een Stellingwerver die als modern predikant naar het Drentse Havelte gekomen was en daar nog steeds woonde, bij de begrotingsbehandeling opmerkte. Allereerst constateerde hij dat het aantal bijenvolken in Nederland in de dertig jaar tussen 1864 en 1893 meer dan gehalveerd was:

“Dit vak van landbouwbedrijf, dat vroeger in betrekkelijk bloeienden toestand verkeerde, toen het nog een honiggewin opleverde, waarvan de jaarlijksche opbrengst op circa 1½ millioen guldens kon worden geschat, is in de laatste 30 jaren hard achteruitgegaan en dreigt geheel te gronde te gaan. Terwijl in 1864, volgens het Landbouwverslag, 216.000 bijenkorven door de gezamenlijke imkers gehouden werden, bleek dat getal in 1893 gedaald te zijn tot ruim 92.000. In de provincie Friesland was de verhouding tusschen toen en thans nog ongunstiger, en daalde het cijfer van ruim 17.000 tot ruim 6000 korven.”

Deze halvering tot tertiëring van het aantal bijenvolken komt overeen met de ontwikkeling in het aantal beroepsimkers in de akten burgerlijke stand, die ik voor Groningen constateerde. Ook daarin zit er een zeer forse dip in de tweede helft van de negentiende eeuw.

Houwing beaamde wat de minister schreef over het gebrek aan vakkennis. Terwijl de modulaire bijenkasten met bijenramen al in opkomst waren, zaten de Nederlandse imkers nog te klooien met korven waarin ze wat latjes hingen als verbindingsmateriaal voor zeer ongelijkvormige honingraten.

Houwing zag bovendien het bredere belang van de bijenteelt voor land- en tuinbouw:

“… het geldt hier niet in eerste plaats en vooral de bijenteelt als middel van bestaan, en het belang der imkers. Er is meer mede gemoeid dan eenig loonend honiggewin. De ondergang der bijenteelt zou eene onherstelbare ramp voor ooft- en landbouw zijn wegens de belangrijke rol, die de bijen vervullen in het huishouden der natuur. Het is meermalen gebleken dat het geheel of ten deele mislukken van den ooftbouw, en van het verbouw van sommige landbouwgewassen als klaver, boekweit, koolzaad en boonen is veroorzaakt door de ontstentenis van bijen, die het stuifmeel van de eene bloem op de andere overdragende, voor de bevruchting zorgen.”

In iets andere bewoordingen en met wellicht wat andere gewassen zou het vandaag de dag nog precies zo kunnen worden gesteld.

Bron: Begrotingsbehandeling in Tweede Kamerverslag van de zitting op 9 december 1896 (via Staten Generaal Digitaal).


‘De grootste ijmker in het Oldambt’

Nieuwsblad van het Noorden 14 juli 1898.

Met 180 à 200 bijenvolken, minstens, was Jan Doornbos in 1898 de grootste imker van het Oldambt. Hij had het er maar druk mee, er waren dagen dat hij wel eens twintig zwermen in zijn schepkorf moest zien te krijgen. Maar de zwermen waren klein, en dus moest hij volken gaan samenvoegen.

Deze Jan Doornbos was een kleinzoon van de bijenhouder Jan Eisses Doornbos die begin 1879 overleed in Hellum (gemeente Slochteren). Jan junior was in 1864 geboren aan het Achterdiep te Sappemeer, en trouwde in 1890 een bijna tien jaar oudere vrouw. Met haar vestigde hij zich niet lang daarna op een huurboerderij in het Finsterwoldiger deel van Ekamp-Meerland, dat nu praktisch van de aardbodem verdwenen is vanwege de Blauwe Stad. Kinderen kreeg het paar niet, en in 1905 stierf Jans eerste vrouw. Jaren later, in 1913 en 1916, verwekte hij twee dochters bij zijn veel jongere huishoudster, die hij pas naderhand trouwde. Je zou kunnen vermoeden dat hun concubinaat wel wat boze tongen losmaakte, maar het nam niet weg dat Jan Doornbos algemeen vertrouwen genoot: van meerdere lokale en regionale verenigingen was hij jarenlang bestuurslid.

Allereerst betrof dat dus de imkersbond Excelsior, in 1898. In de jaren 1907-1917 was Doornbos bovendien voorzitter van de Nijverheid, zoals de afdeling van de landelijke Bijenhoudersbond in het Oldambt en Westerwolde heette. Deze afdeling telde in 1910 tegen de 100 leden, een aantal dat in 1915 aangegroeid was tot 118, terwijl er in 1917 zo’n 130 werden genoteerd.

Als voorzitter zat Doornbos tevens in de commissie die voor deze imkersclub de collectieve honingverkoop regelde. Dat dit een belangrijke taak was, blijkt wel uit het feit dat het in het uitstekende honingjaar 1910 ging om maar liefst 14.000 kilo. Hoogstwaarschijnlijk is deze honing in Duitsland verkocht, omdat daar de honingprijs wat hoger lag, namelijk op 63 cent de kilo. In totaal moet deze honing dan 8800 gulden hebben opgebracht, gemiddeld 88 gulden per lid, een mooie aanvulling op het inkomen. Daarbij blijft de eigen particuliere verkoop van de leden uiteraard nog buiten beeld.

In 1915 en 1917 was de hoeveelheid honing voor de collectieve verkoop overigens heel wat geringer, respectievelijk 5000 en 6500 kilo. In ruil voor voedersuiker werden zulke voorraden in deze oorlogsjaren opgekocht door de regering en als rijkscontroleur moest Doornbos ervoor zorgen, dat de distributie van die voedersuiker in zijn Oost-Groningse ressort eerlijk verliep. Uit 1926, ten slotte, is er nog een bericht over de afdeling Oldambt van de Bijenhoudersbond, dat de herverkiezing van Doornbos als preses meldt.

Doornbos was dus een soort van super-imker, zowel qua hoeveelheid korven als qua aanzien onder collegae. Toch beschouwde zelfs hij het bijenhouden niet als zijn hoofdberoep, want in akten burgerlijke stand noemt hij zich telkens landbouwer. Ook in boerenkring was hij nog bestuurlijk actief, onder meer als (vice-)voorzitter van de landbouwvereniging Ekamp-Meerland in de jaren twintig en dertig. Voor die club onderhield hij onder meer het contact met de Groninger Maatschappij van Landbouw.

Jan Doornbos overleed in 1945 op 87-jarige leeftijd.


Oude Veenkoloniën waren hèt bijenteeltgebied bij uitstek in Groningerland

Dat ik de boedelinventaris van Jan Davids Braam vond, kwam door een nieuw ‘trucje’ in de geavanceerde modus van Alle Groningers. Door een procentteken (%) zonder spatie voor een beroepsaanduiding te zetten, krijg je – spelfouten daargelaten – alle akten van de burgerlijke stand waarin dat beroep genoemd wordt. Deze truuk kan je bijvoorbeeld uithalen met bijenhouder, bijker, ijmker, iemker, imker en bijhouder. In totaal krijg je voor die synoniemen dan 94 akten, die als volgt verdeeld zijn over de periode die de Burgerlijke Stand bestrijkt, onder aftrek van de min of meer recente decennia waarvoor een embargo op de akten berust:

Akten Burgerlijke Stand waarin bijenhouder, bijker, ijmker, iemker, imker of bijhouder genoemd wordt als hoofdberoep van een persoon in die akte. Bron: allegroningers.nl .

Vooral in de eerste decennia van de negentiende eeuw, duidden mensen zichzelf of wijlen hun vader nog aan met een dergelijk hoofdberoep. In de tweede helft van de negentiende eeuw viel dat duidelijk terug, waarna er een partieel herstel optrad in de eerste helft van de twintigste eeuw.

Of de grafiek ook werkelijk het voorkomen van professioneel imkerschap weerspiegelt blijft onzeker. Zoals je aan Braam kon zien, gaf men wel eens de voorkeur aan een andere beroepsaanduiding, terwijl het werkelijke hoofdberoep toch bijenhouder was. Je moet er dan ook rekening mee houden dat er veel meer professionele imkers waren, dan in de akten voorkomen. Het is ook nog mogelijk dat de grafiek vooral het beroepsimago weergeeft. Bovendien zijn de cijfers vanaf 1918 gedrukt doordat de geboorte-aangiften voor die periode nog niet in Alle Groningers zitten.

Uiteraard betreffen die 94 akten niet even zovele bijenhouders, omdat ettelijke imkers in meerdere akten voorkomen. In totaal kon ik 56 mannen identificeren die de bijenteelt als hoofdberoep noemden of als imker etc. werden aangeduid. De namen staan in een lijst die ik bij wijze van bijlage onderaan dit stukje heb geplaatst. In enkele gevallen, vooral in de eerste decennia van de negentiende eeuw, droegen die mannen ook familienamen, ontleend aan hun beroep. Zo hadden imkers in Wolfsbarge en Wehe de achternaam Bijker, terwijl een collega uit Warfhuizen Bijman, ook wel Bijma heette en een vakbroeder uit Hoogezand De Bij genoemd werd. In enkele gevallen zie je bovendien imkerdynastieën, waarbij het beroep van vader op zoon overging. Zoiets had ik al geconstateerd bij de familie Braam (Hoogezand e.o), maar het bleek ook ’t geval bij de Potjewijds (Oude Pekela) en de Van Timmerens (Slochteren).

Hiermee zijn al wat plaatsnamen genoemd. Verreweg het interessantst is inderdaad de vraag waar de mannen woonden, die als hoofdberoep bijenhouder opgaven, of ermee werden genoemd. En dan bedoel ik niet de gemeenten, maar de plaatsen waar deze imkers werkelijk woonden. Die woonplaatsen heb ik op een kaartje gemarkeerd:

Vooral in de omgeving van Slochteren, Hoogezand-Sappemeer, Veendam-Wildervank, het oudste deel van Stadskanaal en de beide Pekela’s kwam de beroepsaanduiding veel voor. In het Westerkwartier was het al beduidend minder, terwijl er in Hunsingo, Fivelingo (met uitgezondering van de omgeving Bierum), het Oldambt en Westerwolde maar weinig mannen waren die zich bijenhouder enz. noemden.

Nogmaals, er is een dark number van mannen die het beroep wel uitoefenden, maar de voorkeur aan een andere aanduiding gaven. Toch weerspiegelt het kaartje mijns inziens wel, waar mensen vooral van de bijenteelt konden leven, namelijk in Midden-Groningen en de oude Veenkoloniën. Dit was ook het gebied, dat centraal gelegen was tussen gebieden met verschillende dominante drachtplanten. Zelf kende het veel boekweitteelt, verder konden bijen naar het koolzaad in het Oldambt en de Ommelanden en naar de heide in Drenthe en Westerwolde.

Dat er veel bijen tussen zulke gebieden vervoerd werden, kan je ook zien aan enkele overlijdensakten. Zo stierf Jan Klaassens Bijman uit Warfhuizen in augustus 1824, tijdens de heidebloei, in het Drentse Hoogeveen, terwijl de Hoogeveense bijker Hendrik Smith in juni 1818, tijdens de koolzaadbloei, in Pieterburen overleed. De laatste heb ik overigens niet in onderstaande lijst opgenomen, net zomin als een andere Drent en enkele Friese imkers. Het was me immers louter te doen om de Groningse bijenhouders.

Bijenhouders etc., genoemd in Alle Groningers:

WOONPLAATS NAAM BIJENHOUDER GENOEMD IN AKTEN UIT JAAR
     
Bedum Jan de Neu (vgl. Zuidbroek) 1900, 1905, 1907, 1909,
Bierum Derk Jans Draak 1827
Jan Gerrits Schuurman 1838
Tjark Alberts van Dijk 1850
Foxhol (gem. Hoogezand) David Jans Braam (vgl. Hoogezand) 1845, 1846
Grijpskerk Eduard Poppema 1911, 1913, 1914
Groningen Willem Spiekman 1826
Haren Evert Heidema 1927
Hellum (gem. Slochteren) Jan Eisses Doornbos 1879
Hoogezand Hindrik Stoffers de Bij 1816
Jan Davids Braam (vgl. Foxhol) 1820
Kalkwijk (gem. Hoogezand) Arend Aljes Smit 1822, 1823
Kleinemeer (gem. Sappemeer) Derk Vegter 1868
Jan Barkman 1901
Kolham (gem. Slochteren) Jannes Tepper 1876, 1877
Pieter Schuur 1879
Midwolda Willem Baas 1943
Nieuwe Pekela Pieter Alles de Jonge 1813, 1814
Willem Jans Horlings 1832
Harm Jans de Weerd 1833
Noordhorn Jan Vlietstra 1906, 1912, 1913
Opende (gem Grootegast) Pieter van Velden 1921
Oude Pekela Harmen Klaassens Pottjewijd 1814
Geert H. Potjewijd 1816, 1818
Schildwolde Eisse Folkersma 1920, 1929, 1930, 1931, 1934, 1943
Jans Folkersma 1930, 1931
Sebaldeburen (gem. Grootegast) Johannes Schaafsma 1919, 1923
Siddeburen (gem. Slochteren) Kornelis Koning 1894, 1896
Slochteren Jakob Jans Meelker 1856
Eisse van Timmeren 1913
Jakob Hindrik van Timmeren 1927
Spijk (gem Bierum) Klaas Simons Groenewold 1827
Stadskanaal (gem. Wildervank) Gozen Albertus van Groenendal 1838
Stadskanaal (gem. Nieuwe Pekela) Pieter Hindriks Brouwer 1826
Harm Arends 1882
Veendam Arend Hindriks Bolhuis 1830
Jan Geerts Kool 1856
Derk Vos 1901
Koert Kram 1906
Vlagtwedde Heero Harms Tammes 1828
Warfhuizen Jan Klaassens Bijman (ook 3x Bijma) 1818, 1820, 1821, 1824, 1836, 1838
Wehe (gem. Leens) Jan Tammes Bijker 1814
Westerbroek (ge, Hoogezand) Eildert Jans Braam 1819, 1824, 1826, 1836, 1838, 1842
Westerlee (gem. Scheemda) Albertus Hermannus Rademaker 1937
Westerzand (vgl. Sebaldeburen) Johannes Schaafsma 1918
Wildervank Abraham Harms Staal 1837, 1839, 1841
Jacob Jans Boer 1851, 1852, 1855
Lourens Fokkes Kroon 1852, 1859
Hindrik Haijes Rubing 1864, 1869
De Wilp (gem Marum) Eelke Nieman 1921
Jelle/Jelke Tienstra 1926, 1934
Windeweer (gem Hz) Reint Arents Nieboer 1812, 1822
Folkert Buitenhof 1923, 1930
Winschoten Jan Wever 1934
Wolfsbarge (gem Hz) Arend Berend Bijker 1824
Zuidbroek Jan de Neu (vgl. Bedum) 1899

Een professionele imkerij in Hoogezand

In een huwelijksakte uit 1820 heet het van Jan Davids Braam, wijlen de vader van de bruidegom in die akte, dat hij bij leven bijenhouder was geweest. In latere trouw- en sterfakten van zijn kinderen, opgemaakt tussen 1826 en 1846, heet dezelfde Jan Davids Braam echter koopman.

Deze Jan Davids Braam woonde zijn leven lang in Hoogezand. Hij bleek daar geboren in 1753 als zoon van een David Braam en trouwde er in 1782 een Sietske Eilders, met wie hij zeven kinderen kreeg. Zijn oudste zoons David en Eildert kwamen later even ambigu in burgerlijke standsakten terecht als imker en koopman.

Eind 1800 stierf Davids Jan Braam door een “uitterende ziekte van enige weken”. Omdat zijn weduwe zeven jaar later wilde hertrouwen, werd er in mei 1807 een boedelinventaris opgemaakt, die heel mooi laat zien wat de belangrijkste kostwinning van Jan Braam en zijn directe nazaten was.

Allereerst werd het huis getaxeerd op 1900 gulden. Zo’n bedrag stond destijds voor een degelijke middenstandswoning. Ook het interieur was goed burgerlijk, met weinig bijzonders, of het moest het dambord zijn, dat een liefhebberij verraadt. Bij de keukenspullen zitten al een paar potten met honing, maar dat is niets vergeleken bij wat er verderop genoteerd staat. Maar eerst passeren we de winkel, waar Jan Braam en zijn vrouw o.a. vet, cichorei, siroop, tabak, snuif, koffiebonen, zout, suiker, kandij, erwten en bonen, luiwagens, vegers, kammen , brillen, lampekatoen, verfstoffen en papier verkochten, naar ik vermoed vooral aan passerende schippers – het huis stond ook aan het diep.

De winkel voorbij, komen we bij de spullen van Braams’ bijenhouderij:

 

ITEM

GETAXEERD BEDRAG

(in guldens, stuivers en duiten)

Eenige ijmeplanken

15-00-0

149 korf ijmen à 6-5-0

931-00-0

Eenige lege korven

18-00-0

Eenige opzetsels

15-00-0

6 ymeledders

13-00-0

parsgereetschappen

95-00-0

15 pond witte honing à 5 ½ stuiver

41-05-0

Eenige ijme doeken

32-05-0

Eenige ijme kappen

17-00-0

3932 pond honing à 21 stuiver

825-14-3

10 Kroes Mee à 6 stuiver

3-00-0

De winkelinventaris, op zichzelf genomen, was iets meer dan 223 gulden waard. De spullen die met de bijenhouderij te maken hadden, werden met elkaar echter op ruim 2006 gulden getaxeerd, zo’n beetje het negenvoudige! Er zat dus veel meer geld in de imkerij dan in de winkel. Jan Braam was primair bijenhouder en daarna pas koopman en de latere burgerlijke standsakten geven een scheef beeld van zijn primaire kostwinning. Met die bijna 150 korven had hij ’s zomers ook wel een dagtaak aan zijn imkerij – denk alleen al aan de vele zwermen. De winkel zal in het bijenseizoen dan ook het domein geweest zijn van zijn vrouw.

Hoe ze boerden, is eveneens na te gaan aan de hand van de boedelinventaris. Bij zijn huwelijk in 1782 bracht Jan Davids Braam 900 gulden bij de gezamenlijke huishouding in. Na zijn dood schoot er voor gezamenlijke rekening van hem en zijn vrouw 3000 gulden over. De helft van dat bedrag was Jans aandeel, en die 1500 gulden ging naar de kinderen. De imkerij had goed gerendeerd, het gezin van de bijenhouder kon er ook na Jans dood best van leven.

 

 


Zwanendriften (1814)

Het onlangs verschenen genealogisch jaarboek Gruoninga bevat een lijst van zwanendriften. Het is een cumulatieve lijst die is aangelegd in 1814, waarna de mutaties en aanvullingen tot 1837 zijn bijgeschreven. Op de lijst staan ruim 400 namen, vooral van jonkers, dikke boeren, en hogere burgers, die van de provincie het recht op zwanendrift hadden gekocht. Zo iemand, een ‘zwanendrifter’ geheten, mocht een bepaald aantal knobbelzwanen houden in zijn omgeving, waaraan hij deze vogels bond door ze te laten leewieken (hun vleugels iets in te korten). Oorspronkelijk was het recht van zwanendrift een jachtrecht, behorend tot de heerlijke rechten die men na de Bataafse Revolutie van 1798 afgeschaft had, maar die in 1814, na een partiële restauratie, weer hersteld waren als gewoon eigendomsrecht. Zwanenvlees gold van oudsher als herenkost, maar afgezien van het vlees hield men zwanen waarschijnlijk ook om hun dons en pennen.

Omdat me iets opviel aan de lijst, heb ik de plaatsen waar die zwanendriften gevestigd waren in 1814, dus toen de oorspronkelijke lijst met vergunningen opgemaakt werd, in kaart gebracht. Deze plaatsen bevonden zich vooral in Hunsingo en Fivelingo en in het kleigedeelte van het Westerkwartier, met andere woorden: het aloude jonkersgebied. Het zuidelijk Westerkwartier, het Oldambt, de Veenkoloniën en Westerwolde zijn niet of nauwelijks vertegenwoordigd. In de Oost-Groninger contreien bestonden voor 1795 ook geen heerlijke rechten meer. Aan de ene kant zal er dus continuïteit met de toestanden van voor de Bataafse Revolutie zijn geweest; aan de andere kant vormden de hogere zand- en hoogveengebieden ook niet zo’n biotoop voor zwanen: of er was te weinig breed, open water, of dat water werd te druk bevaren.

Bron: J.P.A. Wortelboer, ‘Zwanendriften in de provincie Groningen (1814-1837’, Gruoninga 2012, 177-186.


Uitgevlakt landschap

In 1981 waren ze er nog, de stukjes Oostwolderpolderdijk achter Finsterwolde, waarop eerder een voetpad lag. Ze staken zo’n anderhalf, twee meter boven het omringende landschap uit:

In 1982 waren ze er niet meer. Ze werden verwijderd zonder dat er een haan naar kraaide. Vermoedelijk maakte een ruilverkaveling er een eind aan:

Jammer dat ze verdwenen zijn. Een polder zonder dijk is als een veenkolonie zonder vaart – de ziel is eruit.