“Zeegewasjes die men zwijntjes noemt”, of slavernijgeld in Hoogkerk

Monetaria annulis. Foto: Harry Rose, Flickr cc.

Op een kwade dag in 1807 miste Lourens Passe, boerenknecht bij Hans Gerbers in Hoogkerk, de geldbuidel uit zijn broekzak. In die beurs zaten een dubbeltje en “twee zeegewasjes die men zwyntjes noemd”. Gelukkig ontving Lourens zijn schatten terug van de dienstmeid, die hij van de diefstal had verdacht.

Over die zeegewasjes las ik al vaker iets, zo meende ik, alleen wist ik niet meer waar. Vaag associeerde ik het met Egge Knol, die zich al van jongs af aan bezighoudt met schelpen. Daarom mailde ik Egge of hij wist wat er met die zeegewasjes bedoeld werd. Hij kon zich er niets bij voorstellen en vroeg zich af of het niet gewoon schelpen waren geweest.

Zelf dacht ik in eerste instantie aan koraal. Volgens het WNT werd het woord zeegewas zo ook gebruikt door Dodenaeus (1568). Een inleiding op de penningkunde uit 1717 meldt echter dat “zeekere zeehoorentjes (Caurits genaamd)” door de bewoners van Siam als “duyten” (kleingeld) werden gebruikt, “welk zeegewas” hier vanaf de Malediven werd aangevoerd. Een andere WNT-bron  noemt bovendien “schulpkens” (schelpjes) als zeegewassen. Het Nederlands-Franse woordenboek van Halma (1710) definieert zeegewas ook als alles wat de zee voortbrengt, zowel koraal als schelpen.

Egge kwam weldra terug met een stokoud artikel uit zijn ‘lijfblad’ Basteria, het orgaan van de Nederlandse Malacologische Vereniging, dat inderdaad een goede verklaring geeft voor het raadsel, wat er anno 1807 bedoeld werd met die “zeegewasjes die men zwyntjes noemd”.

Dat artikel gaat in bij een vondst in het voorjaar van 1954. Bij grondwerk in de Wieringermeer ten zuiden van het vroegere eiland Wieringen kwamen er toen in een smalle opstrek van kavels op een voormalige zandbank bijna 4000 kauri’s tevoorschijn van de soorten Monetaria moneta en Monetaria annulus. Dat wekte bevreemding, want zulke schelpen zijn niet hier inheems, maar in de Indische Oceaan en bij de Molukken.

De curieuze schelpenvondst in de Wieringermeer deed ook sterk denken aan eerdere, soortgelijke vondsten in Zeeland. Op zaterdag 28 juni 1738, anders een rustige dag, was het VOC-retourschip Reygersbroek door een onverwachte windvlaag tegen de Westkapelse Zeedijk te pletter geslagen, waarbij het grootste deel van de bemanning, inclusief kapitein Moens, het leven liet. Slechts dertig manschappen konden deze schipbreuk navertellen. Hun schip kwam van Ceylon en was deels geladen met kauri’s. Nog jaren na de schipbreuk werden er vooral in Westkapelle, op Walcheren en verder op alle stranden tussen westelijk Zeeuws-Vlaanderen en Goeree grote hoeveelheden van deze schelpen gevonden. Zelfs in 1955 trof men nog af en toe een exemplaar aan.

Kauri’s speelden een belangrijke rol in de koloniale handel tussen Europa, Azië, Afrika en Amerika. De schelpen werden vooral gewonnen bij de Malediven. Rond 1700 gingen ze “in menigte”, want soms wel met dertig, veertig schepen tegelijk, naar Bengalen, waar ze, net als in Siam, gangbaar waren als kleingeld. Sommige inheemse vorsten hadden er pakhuizen vol van. Vanaf Bengalen, Ceylon en de Molukken verscheepten de Nederlanders deze kauri’s naar West-Afrika, waar ze deze vooral ruilden tegen slaven, maar ook wel andere goederen. Een slaaf deed 20.000, 30.000 kauri’s. Op de slavenkust werden de lege ruimen vervolgens gevuld met slaven voor de Amerikaanse plantages, die koloniale producten als koffie, suiker en tabak voor de Nederlandse thuismarkt terug leverden. Niet alleen de Nederlanders hadden zo’n mondiaal handelssysteem, maar de Engelsen en Fransen evenzo.

Zoals de kauri’s van Westkapelle door stromen en getijden verspreid raakten over de stranden van een veel wijdere kustregio, zo bleken de kauri’s van Wieringen tevens te vinden langs de kusten van de Kop van Noord Holland tussen Bergen en Enkhuizen. Bij Wieringen  is er echter geen schipbreuk van een Oostindiëvaarder gedocumenteerd, laat staan een wrak gevonden. Mogelijk heeft een schip hier een deel van zijn lading verloren of overboord gezet, toen het op weg van of naar Amsterdam in nood raakte.  Dat moet dan gebeurd zijn voor de afschaffing van de slavernij in 1863, die aan het gebruik van grote hoeveelheden kauri’s voor de slavenhandel een eind maakte.

In de kustregio’s van Walcheren en westelijk Zeeuws-Vlaanderen hebben de kauri’s zelfs nog sporen nagelaten op de folklore. Nog  heel lang na de schipbreuk van 1738 gebruikte de plattelandsbevolking hier ze als pasmunt en fiches bij (kaart)spelletjes. De kauri’s werden er gewoonlijk “keutjes” genoemd, omdat ze leken op varkenssnuitjes. De koers was twintig keutjes voor één cent. In sommige plaatsen noemde men ze ook wel “varksjes” en “zeugjes”. En daarmee zijn we weer  beland bij de “zwyntjes” in het Hoogkerk van anno 1807.

Het schelpengeld dat in West-Afrika de slavenhandel faciliteerde, was destijds dus zelfs te vinden in de geldbuidel van een Groninger boerenknecht. Het kan zijn dat die het aan een potje kaarten overhield. Neemt niet weg dat de kauri’s in zijn beurs tot nadenken stemmen. Slavernij was niet alleen iets van plantages in de koloniën, en grote stadspaleizen in patria. Ze zat in de haarvaten van de samenleving.

Met dank aan Egge Knol.

Bronnen, behalve de gelinkte:

  • Groninger Archieven, Toegang 136 (archief Hoge Justitiekamer) inv.nr. 2170 (Grietje Lammerts, Leegkerk) nr. 28: getuigeverklaring Hans Gerbers, Hoogkerk, 10 wintermaand 1809).
  • W,S.S. van Benthem Jutting (Zoölogisch Museum, Amsterdam), ‘Vondsten van tropische kauri’s in Nederland’, Basteria: Tijdschrift van de Nederlandse Malacologische Vereniging, XIX (1955) nr. 1, pag. 1-20.

Heerlijk zondagsmaal op arbeiderstafels dankzij jongens in Adamskostuum

Nu ik toch over het water schrijf, wil ik meteen mededeelen, dat de jongens alhier tegenwoordig op eene aardige wijze de waterbewoners in de Tjamme weten te verschalken. In Adams-costuum vormen ze in dat riviertje twee rijen, die op elkaar toeloopen en ondertusschen het water ferm troebel maken. De visschen worden daardoor flauw en laten zich gemakkelijk met de handen grijpen. Vele arbeiders hebben hierdoor een heerlijk Zondagsmaaltje.

Winschoter Courant, 20 juli 1887, bericht uit Beerta.


Bij de Beertster dorpspomp

Dorpstafereel bij een dorpspomp in Beerta, begin jaren dertig, toen het dorp nog geen waterleiding had. Een manspersoon in stuutsiekoorden jas en broek, met een pet, een smeugeltje en op klompen, kijkt toe hoe zijn zinken emmer zich vult. Hij heeft een wagentje bij zich met een groot watervat erop. Straks gaat daar de inhoud van de emmer in, iets wat zich nog enkele keren zal herhalen, zodat zijn vrouw straks een mooie watervoorraad heeft. En hij hoeft er nog niets voor te doen ook. Twee kinderen staan binnen het hek rond de pomp en ze bedienen om en om de pompzwengel, wat ze goed afgaat, gezien de stroom water die uit de kraan komt.

Bron van de foto: Het Noorden in woord en beeld, 16 september 1932.


Waar de vissers het vruchtbaarst waren. Over de rangorde van Finsterwolde en Termunten als vissersplaatsen in de Dollardregio

Voordat de Oostwolderpolder er in 1769 voor de kust kwam te liggen, was Oostwold nog een armoedig garnalenvissersdorpje. Na de indijking lag de kustlijn een heel eind verderop en hoor je er niet meer over vissers. Die lijken te zijn weggetrokken naar het naburige Finsterwolde, dat in 1794 nog gold als enige woonplaats aan de Dollard van “vischers, die in het vangen van bot en garneel hunne kost zogten”.

Door verhoging van de kwelders en de komst van de Finsterwolderpolder van 1819, zou ook hier echter de kustlijn opschuiven, een ontwikkeling  die nog een extra impuls kreeg na de indijking van beide Reiderwolderpolders (1862-1874). Een gevolg was, dat ook in Finsterwolde de visvangsten verminderden. Dat gebeurde midden negentiende eeuw al. Toch waren toen van de 15 Dollardvissers die met hun gezinnen volledig van de visvangst leefden er 10 woonachtig Finsterwolde,

Tegelijkertijd verhuisden de Bottinga’s, vissers in mijn voorfamilie. van Finsterwolde naar Termunten, de gemeente die later om haar Eems- en Dollardvisserij bekend zou staan, terwijl de visserij van Finsterwolde juist totaal verdween. Of die verhuisbeweging tussen Finsterwolde en Termunten meer algemeen en structureel mag noemen voor de regionale visserij, is dan de vraag, en die komt hier aan de orde.

Omdat beroepsstatistieken me nog ontbreken en bevolkingsregisters lacuneus en vaak ook nog moeilijk leesbaar zijn, beantwoord ik de vraag voorlopig even aan de hand van de burgerlijke stand, zoals gedigitaliseerd in Alle Groningers. Primair gaat het dan om de geboorteakten van enerzijds Finsterwolde en anderzijds Termunten. Hoe vaak noemen die akten vissers als vaders en zit daar dan ook een ontwikkeling in, waarbij Finsterwolde zijn voorrang als vissersplaats afstaat aan Termunten? Eerst zijn met %visscher alle vissers uit het materiaal gehaald, en vervolgens is die groep gefilterd op beide gemeenten afzonderlijk, geboorteakten en de vadersrol. Daarna heb ik de kinderen met vissers als vaders per tien jaar geteld. Het resultaat vindt u in dit tabelletje:

PeriodeFinsterwoldeTermunten
1810 t/m 1819144
1820 t/m 1829153
1830 t/m 183991
1840 t/m 1849177
1850 t/m 1859203
1860 t/m 186911
1870 t/m 187948
1880 t/m 1889194
1890 t/m 1899150
1900 t/m 1909187
1910 t/m 19191010
TOTAAL14248

Over de gehele periode 1810-1919 werden in Finsterwolde bijna drie maal zoveel kinderen met een visser als vader aangegeven, dan in Termunten.  In elke decade lag Finsterwolde een straatlengte voor op Termunten, met uitzondering van de periode 1860-1879 en het decennium vanaf 1910. De tijdelijke voorsprong  tussen 1860 en 1880 van Termunten moet samenhangen met de verhuizing van de Bottinga’s en enkele andere gezinnen.

Maar dat er nog geen sprake van een structureel vertrek van de visserij uit Finsterwolde was, wordt ook duidelijk. De definitieve leegloop moet pas gaandeweg de twintigste eeuw op gang zijn gekomen, waarbij het gelijk opgaan in het decennium vanaf 1910 wellicht de opmaat vormde tot de latere ontwikkeling.

Voor vissers als bruidegoms in huwelijksakten en vissers als overledenen in overlijdensakten zijn de getallen veel kleiner en daarom moeilijker te periodiseren zonder dat ze hun zeggingskracht verliezen. Maar over de hele periode 1811 tot 1940 noteerde de gemeente Finsterwolde 30 vissers als bruidegoms terwijl Termunten er slechts 22 had, dus ook weer veel minder dan Finsterwolde. Hetzelfde geldt voor overleden vissers in overlijdensakten uit de periode 1811-1950: Finsterwolde registreerde er 18, tegen Termunten 4.

Anders gezegd: in de openbare burgerlijke standsakten van Finsterwolde zitten drie maal zoveel kinderen met een visser als vader, anderhalf maal zoveel vissers als bruidegoms en bijna vijf maal zoveel vissers als overledenen, dan in dezelfde akten van Termunten. Finsterwolde bleef dus tot in de twintigste eeuw dè vissersplaats bij uitstek van deze regio. De dip van 1860-1879 was niet structureel – anders dan eerder bij Oostwold hadden de inpolderingen en (daarmee samenhangende?) verhuizingen eerst nog geen blijvende invloed. Pas na de Eerste Wereldoorlog zou de visserij definitief uit Finsterwolde verdwijnen, terwijl Termunten haar plaats innam als vissersplaats nummer 1 van de Dollardregio.

Het kaartje: Groninger Archieven 1536-2318.


“Een sober, maar eerlijk middel van bestaan” – de verdiensten van een Dollardvisser

Volgens een historisch-statistisch bericht in het Nieuwsblad van het Noorden van 16 september 1926, waren er rond 1850 in totaal nog vijftien vissers op de Dollard actief, die met hun gezinnen volledig van de visvangst leefden. Deze vissers hadden hun ‘thuishaven’ niet in Termunten/Termunterzijl, zoals we, geredeneerd vanuit het nu, misschien geneigd zijn te denken: 10 van de 15 woonden er in Finsterwolde en slechts 3 in Termunten, terwijl er bovendien nog 2 bij de Beersterzijl zaten. Op elke visser waren er twee “omlopers” of venters, gewoonlijk vissersvrouwen of -dochters, die de garnalen en bot wat verder van de kust in het binnenland verkochten. Te Finsterwolde had je bovendien nog enkele gespecialiseerde voerlui, die met hun viskarren grotere partijen van de Beersterzijl naar dat dorp en naar Scheemda vervoerden. De kinderen meegerekend, hadden er zo’n 150 ‘Finnewolmers’ in de visvangst op de Dollard “een sober, maar eerlijk middel van bestaan”.

In 1851 , aldus een ander bericht, vingen die tien vissers van Finsterwolde samen 8000 korven garnalen en 200 korven bot. Inclusief wat kleinere posten genereerden die een gezamenlijke jaaromzet van ruim 4000 gulden, dus zo’n 400 gulden per visser. Maar dat was uiteraard een bruto-inkomen. Daar gingen nog de kosten voor aanschaf en onderhoud van het scheepje, het zeil, de netten, kubben, korven en wilgentenen schutten of “hargen” vanaf. Volgens het Nieuwsblad-artikel bleef er na aftrek van die investeringen per visser een netto-inkomen van minder dan 250 gulden over. Een visventster bracht daarbij nog een kleine 100 gulden in het visserswoninkje, maakte samen hooguit 350 gulden, waarschijnlijk niet eens zoveel meer dan een landarbeidersgezin destijds te besteden had.

Medio negentiende eeuw verminderden de opbrengsten: door de steeds  verder oprukkende landaanwinning en inpoldering, maar ook door de steeds hoger opslibbende kwelders aan de buitenkant van de zeedijk.


Een bruinvis in de Dollard

Coverfoto van Het Noorden in Woord en Beeld de dato 7 juni 1929, waarop de garnalenvisser Jurjen Bakker uit de Reiderwolderpolder (gemeente Finsterwolde) poseert met een bruinvis die hij een week eerder aantrof in een van zijn garnalenkuilen. Volgens het bijschrift zou het beest niet lang meer “speulen as ’n broenvisch”. De visserman droeg het dan wel op handen, maar had het getuige de bloedsporen bij de snuit een beste klap verkocht.

Bruinvissen waren destijds al zeldzaam. Voor zover ik het kan overzien, heeft dit exemplaar niet eens de kranten gehaald, maar dat zal komen doordat er dat jaar al eerder wat bruinvissen bij de kust waren gesignaleerd. Het nieuwtje was er dus even af.

Jurjen of Jurrien Bakker (1869-1946) kon het geld dat hij voor de bruinvis ging beuren, goed gebruiken. In 1888, op zijn negentiende, trouwde hij een buurmeisje van de Ganzendijk, en samen kregen ze tussen dat jaar en 1912 maar liefst negentien kinderen, waarvan er vier als zuigeling overleden. Die kinderen werden doorgaans in de Reiderwolderpolder en soms op de Ganzendijk geboren, maar de jongste drie kwamen ter wereld in Termunten, waar het gezin in 1906 of 1907 naar toe verhuisd was. Naderhand keerde het weer naar de Reiderwolderpolder terug, waar Bakker ook stierf.

Die verhuisbeweging van Finsterwolde aan de zuidkant, naar Termunten aan de noordwestkant van de Dollard, kwam trouwens vaker voor onder visserlui. Ook de Bottingas’s, voorfamilie van mij, deden dat een paar generaties eerder. Je zou allicht kunnen denken dat die verhuisbeweging voortkwam uit de steeds verdere inpoldering van de Dollard bij Finsterwolde, maar of het om iets structureels voor de hele bedrijfstak der visserij ging, ben ik nog aan ’t onderzoeken,


Locomobielen van Buiskool te Beerta

Advertentie uit de Winschoter Courant van 8 augustus 1898, waarin zes boeren uit de Reiderwolderpolder een goed woordje doen voor de zuinige locomobielen van machinefabriek G. Buiskool te Beerta. Gezien de advertentie erboven maakte dit in elk geval sinds 1893 bestaande bedrijf naast locomobielen ook stoomketels, dorsmachines en zaagmachines. Bovendien is er vlak na de vestiging sprake van korenpletters, bonenbrekers en sproeimachines. Vanaf 1898 deed Geert Buiskool echter tevens in fietsen van de Duitse merken Hercules en Albatros.

Van de ondertekenaars der aanbevelng in de krant waren D.J. Mellema, F. Brinkman en E. Roelofs getuigen bij het huwelijk van mijn overgrootouders. Onnes en Barlagen waren bovendien zoon en schoonzoon van de vierde getuige bij dat huwelijk.

Barlagen op de Onnesheerd was werkgever van mijn overgrootvader Elzo Perton (1831-1908) die tot op hoge leeftijd nog werkte. Als vaste arbeider zal Elzo dus ook te maken hebben gehad met zo’n locomobiel van Buiskool voor de aandrijving van de dorsmachine .

Het bedrijf van Geert Buiskool (Beerta 1866-Zuidlaren 1936) bestond tot 1921, toen Buiskool en zijn gezin naar Zuidlaren verhuisden. Zijn meesterknecht zette de zaak voort en de locomobielen ervan zijn getuige advertenties nog in 1930 te koop. Er zijn nog enkele van bewaard. Een achterkleinzoon vertelt over het bedrijf in een aardig filmpje.

Naschrift:

Buiskool en zijn autobus, een Spijker, uit 1906.


Hoe de kommiezenvriend verdween

Onder de overkoepelende titel ‘Aan de boorden van de Tjam’ bevat de Winschoter Courant van de jaargangen 1889/1890 een serie sfeerstukken, deels spelend in het Finsterwolde van medio negentiende eeuw. De schrijver noemde zich Henry, en presenteerde zich als een in Finsterwolde opgegroeide en weer naar dat dorp teruggekeerde zeeman. Deel VI, in de editie van 24 mei 1889, gaat over de Dollard en besluit met dit smokkelverhaal:


De drukste vaarroute?

Drukte bij de Groninger suikerfabriek, Het Noorden in Woord en Beeld, 6 november 1925

‘Honderd jaar geleden was het Hoendiep de drukste vaarroute van Nederland’, lees ik hier.

O ja, is dat zo, vraag ik me dan af. Klopt dat?

Voor een antwoord op die vraag ben ik te rade gegaan bij het verslag over 1921 van de gemeente Groningen, het ontegenzeggelijke begin- en eindpunt van alle Groninger scheepvaartkanalen van enig belang. Als het Hoendiep hier al niet de drukste vaarroute was, dan kan het dat evenmin zijn geweest in heel Nederland.

De tabel op pagina 175 van dat gemeenteverslag splitst de schepen die dat jaar de Groninger kanalen  hebben bevaren op in drie categorieën: zeeschepen, binnenschepen en houtvlotten. De aantallen zeeschepen waren zeer laag: op het Eemskanaal waren het er 4, op het Reitdiep slechts 3. Meestal zal het gegaan zijn om coasters die van of naar een werf gingen. Het Hoendiep werd bevaren door geen enkel zeeschip.

Ook bij de houtvlotten ging het om kleine getallen: het havenkantoor aan de Noorderhaven registreerde er dat jaar 16 op het Reitdiep, 12 op het Eemskanaal en 6 in het kluster Verbindingskaaal-Hoornsediep-Eendrachtkanaal-Hoendiep. Noch qua zeeschepen, noch qua houtvlotten stak het Hoendiep er dus bovenuit.

Resteert de veruit belangrijkste categorie, die van de binnenvaartschepen. De stad-Groninger kanalen in  volgorde van druk naar minder druk:

Kanaal / klusterAantal binnenschepenTotale inhoud in kubInhoud gem. schip
Reitdiep2564272.860106,4
(Oude)Winschoterdiep2404161.42567,2
VBK, Hoornse- + Hoendiep2184182.81483,7
Eemskanaal1156150.989130,6
Boterdiep17412.44171,5
Damsterdiep17310.87162,8

Op het Reitdiep en het Winschoterdiep voeren dus de meeste binnenvaartschepen, daarna kwam pas het kluster waarvan het Hoendiep deel uitmaakte. Voor het Hoendiep alleen zal het cijfer nog beduidend lager uitgevallen zijn. Anderzijds viel het opgegeven getal voor het Winschoterdiep juist te laag uit, omdat hierbij niet werden meegerekend de 581 schepen die bij de gemeentelijke verzamelplaats van faecaliën, kortweg de Drekstoep, hun lading kwamen ophalen. Die Drekstoep zat bij het oostelijke uiteind van het Helperdiepje dat hier op het Winschoterdiep uitkwam. Doorgaans was de frisse lading die hier werd ingenomen bestemd voor Oost-Groninger dalgronden en ging de reis dus ook weer via het stad-Groninger deel  van het Winschoterdiep, dat al met al bevaren werd door 2965 schepen en daarmee helemaal ver voor het Hoendiep kwam, althans qua drukte in de stad.

De bewering dat het Hoendiep het drukst bevaren kanaal van het land  was, honderd jaar geleden, kan je dus met een korrel zout nemen. Misschien was dat periodiek even zo, in het najaar, tijdens de suikerbieten en strokartoncampagnes (die ook veel scheepvaartverkeer in de stad genereerden), maar dat gold zeker niet voor de rest van het jaar. Qua totale inhoud kwam het Hoendiep wat minder ver achter, en was het een goede tweede achter het Reitdiep. Overigens droeg ook het formaat van de schepen bij aan deze klassering: de schepen waren op het Hoendiep gemiddeld het grootst na die op Eemskanaal en Reitdiep.

Een slimmerik zou nu kunnen tegenwerpen dat Hoogkerk met zijn strokarton- en  zijn suikerfabriek ook nog schepen buiten de stad om kreeg, namelijk via het Hoendiep vanuit het westen en via het Aduarderdiep vanuit het noorden. Helaas hield de gemeente Hoogkerk in haar jaarverslagen geen cijfers hiervan bij, zodat het effect niet valt te begroten.

Voorlopig is mijn conclusie dat het Winschoterdiep honderd jaar geleden de drukste vaarroute van Groningen was, al waren die binnenvaarders hier aan de kleine kant, en zal het Hoendiep in het najaar tijdens de suikercampagne heel misschien wat drukker geweest zijn. Buiten die najaarspiek om en over het hele gehele jaar genomen bleef het Hoendiep echter achter. De stelling dat het generiek de drukste vaarroute was, houdt geen stand.

Binnenkort nog maar eens kijken of de provincie ook scheepvaartcijfers in haar verslagen heeft staan.


‘Smolensko’ stak tot twee maal toe de Berezina over

In Winschoten woonde in de eerste helft van de negentiende eeuw een bijzondere kerel, een echte stadsfiguur. Hij komt ter sprake in een nostalgisch getint stukje over de middenstand in het centrum van het toenmalige Winschoten, en was de vader van bakker Funt die daar in deTorenstraat pal onder de toren woonde. De ouwe Funt was zo bijzonder, omdat hij in 1812 de tocht van Napoleon naar Moskou had meegemaakt – èn overleefde. Als een van de weinigen kon hij dat navertellen:

Twee maal was hij de Beresina over geweest en nadat men in geen vijf jaren iets van hem had gehoord en niet anders dacht, dan dat hij inde sneeuwvelden van Rusland zijn graf had gevonden, Was hij in 1817 plotseling weer boven water gekomen. De Winschoters noemden hem bij voorkeur „Smolensko” en men zag hem ondanks zijn hoge leeftijd veel op straat, met een echte Poolmuts.

Bron: ‘Winschoten voor omstreeks 75 jaar’, Winschoter Courant, 19 maart 1938.


Buit van Guinea verbrast in haven van Delfzijl

Plattegrond van de vesting Delfzijl, circa 1640. Collectie Groninger Archieven 817-2389.1.

Zeer bekend is lokaal en regionaal het verhaal over de toevlucht, die admiraal Michiel de Ruyter in augustus 1665 zocht te Delfzijl. Dat deed hij met een flottielje van twaalf oorlogsschepen, omdat de Engelsen  afgezien van de Eems zo’n beetje alle Nederlandse zeegaten afsloten, nadat ze de zeeslag bij Lowestoft hadden gewonnen. Het Groninger haven- en vestingstadje kende wegens de oorlogsomstandigheden destijds een buitengewoon grote bezetting van zo’n 1500 soldaten. Daar kwamen nu minstens even zovele matrozen bij.

In de schaduw van de zeeheld krijgen al die mannen weinig aandacht van de geschiedschrijvers, maar de Delfzijlster middenstand beleefde een gouden tijd door hun komst. De Haerlemsche Courant bericht na het vertrek van de zeeheld:

Delfzijl den 14 augusti. Desen middagh is den Heer de Ruyter van hier na Groeningen vertrocken. Het is hier op het Hooft als Kermis, daer het vol Kramen staet: de Schepen leggen hier voorde Fortresse Op het afgaen van den Heer de Ruyter zijn eenige canonschoten gedaen. De ingekomen Boots gesellen beginnen te vertoonen, dat sy op de Kuste van Guinea seer schoonen Buyt hebben gemaeckt.

Bron: Oprechte Haerlemsche Courant, 18 augustus 1665.


Museum Appingedam andermaal bezocht

Na zeven jaar werd het ook wel weer eens tijd om het Museum Stad Appingedam opnieuw te bekijken. Ik kreeg er een rondleiding van vrijwilliger Henk Bolt. En zag andere dingen dan de vorige keer.

Schippersklokje uit de zeventiende eeuw (met een enkele wijzer):

Krukje met gereedschap in de koperslagerswerkplaats, onder in de kelder:

Kanonnetje dat tevoorschijn kwam bij een opgraving op het terrein van de voormalige borg (Oost-)Snelgersma; de wielen zijn er naderhand bij gemaakt:

Bord met de namen van de Damster beurtvaarders op Amsterdam, 1696. Als iemand onderweg was, kwam er een stop in zo’n gaatje rechts:

Jan Gewald (1840-1921?), de blinde stadsomroeper van Appingedam, met zijn vrouw die hem altijd begeleidde en waarschijnlijk ook souffleerde, want bij het memoriseren van de om te roepen boodschappen ging er natuurlijk wel een iets mis:

Raampje met gebrandschilderd glas dat me sterk deed denken aan soortgelijk werk uit 1718 op het koor van de kerk in Noordwolde:

Tegeltableau met schaap (volgens mij zeldzaam, gewoonlijk zie je koeien en paarden, maar geen schapen):

Vrouwenfiguur op een vroegmoderne schouw:

Op zolder het uithangbord van een lokale schoenenwinkel:

In een van de kamers hangt en staat werk van Jan S. Niehoff, dat me deels bekend voorkwam. Zo niet dit aardige wintertafereeltje:

Karel Arkema (1901-1964), De pastorie van Solwerd:

Sip Hofstede (1948-2019), Wijkstraat Appingedam:


Ommetje Speelgoedmuseum Roden

Was alweer zeven jaar geleden dat ik in speelgoedmuseum Kinderwereld in Roden was. Het is dermate overladen, dat je er ook wel een dag kunt blijven kijken. Elke keus van foto’s is daarom noodzakelijkerwijs een beperkte.

In een opstelling met poppen dit miniatuurtheatertje met een reis rond de wereld in 30 minuten. Het voorliggende plaatje toont het Escorial in Madrid:

In een ander tafereel met poppen: de duvel en zijn ouwe moer:

Een van de stoommachines:

Lang niet de mooiste blikken auto, maar wel een van de leukste, omdat mijn grootvader als aannemer van kabelwerken eind jaren vijftig ook zo’n wagentje met laadbak voor een kabelhaspel had:

Apparaat dat voor een luttel bedrag uw hand leest en toekomst voorspelt:

Brochure van racebanenmaker:

Het hoekje met autobanen bewijst dat het museum wel eens teveel wil laten zien: ik zou gekozen hebben voor het gebouw (de garage?) rechtsboven en het circuit onder. maar dat komt ook doordat ik zo’n racebaan gehad heb. Het merk was Jouef. Dat was Frans en dus uit te spreken als zjoefff:

In een hoekje met spoorwegen dit modernistische stationnetje:

Houten paard:

Een van de zaaltjes is gewijd aan het lager onderwijs. Meisje met lei en griffeldoos op haar schoolbankje:

Poppen – Jan Klasen nam het Nieuwsblad mee voor zijn vrouw, maar Katrijn had liever dat hij wat minder in de kroeg zat:

In een poppenhuis staat nog steeds dit allerbekoorlijkste fornuisje met braadpannen en een strijkijzer:

Met bouwdozen van Meccano en het Groninger equivalent Constructor zou je met gemak een hele zaal, wat zeg ik, een heel museum kunnen vullen:

Blikken dragline:

Boer op trekker aan het hooien:

Toen de trekhonden werden afgeschaft, moest de venter van kruidenierswaren het zelf maar doen. Deze ging welgemoed op pad:


Doodslag en zoengeld

De Afghaanse Taliban spelen wel mooi weer voor de buitenwacht, maar zijn niet van zins hun strafrechtelijke praktijken te hervormen, zo bericht Associated Press. Executies zullen misschien niet meer in het openbaar worden voltrokken, maar verder verandert er niets ten opzichte van de jaren negentig. In het bericht trof mij vooral deze passage:

Executions of convicted murderers were usually by a single shot to the head, carried out by the victim’s family, who had the option of accepting “blood money” and allowing the culprit to live.

Dat accepteren van een ‘vergoeding’ of zoengeld door de nabestaanden van het slachtoffer in ruil voor genade voor de moordenaar, was een mogelijkheid die begin 17e eeuw ook nog in Groningen en Drenthe bestond. Ik kwam deze meermalen tegen. Bij de sententies door het stadsbestuur zit er bijvoorbeeld een uit 1616 wegens een doodslag, begaan door een Hindrik Cranssen, Deze nam de benen, terwijl het bloed van zijn slachtoffer “na dezen stadsboek niet bevredigd” was. Hij had zich dus niet verzoend met de familie. Daarom zou er op de uitvaart, bij het graf van de dode uit naam van de familie “moord geroepen worden”. Doordat hij zijn schuld niet delgde, was Cranssen vervallen verklaard van al zijn rechten en verviel hij van (half) civiele rechtsregeling in een puur lijfstraffelijke, als hij gepakt werd. Soortgelijk moordgeroep klonk ook in 1617 en 1618 nog bij begrafenissen na manslagen.

Naar het zich laat aanzien was Cranssen van een gegoede familie, voor het kunnen afkopen van een doodslag moest een dader ook wel over voldoende geld kunnen beschikken. Voor onbemiddelde daders gold deze mogelijkheid niet, die kregen, als de overheid de hand op ze wist te leggen en hun delict voldoende bewezen achtte, te maken met de volle kracht van de wet in de vorm van zwaard, galg of rad.

De laatste keer dat ik zo’n vergoeding wegens doodslag tegenkwam, was bij een kwestie in Havelte, ca. 1670. De kandidaat voor een bepaalde functie kwam volgens diens tegenstanders niet in aanmerking omdat ze die functie zagen als vergoeding wegens een doodslag begaan door de lokale schulte Struuck.

Het afkopen van doodslag met zoengeld was een regeling die in de Middeleeuwen veelvuldig werd toegepast bij vetes. In dit opzicht loopt Afghanistan opnieuw een half millennium achter.


Over de familienaam Tillema

Bij een Twittergesprek over oude tilnamen, kwam CC namens Delpher aan met een knipsel uit het Nieuwsblad van het Noorden de dato 2 april 1930:

Bij Warffum had je dus een ‘Pietstil’ en volgens de krant was die naam afkomstig van een Piet Sikkes Tillema, die rond 1880 in een boerderijtje bij de brug zou hebben gewoond.

Die brug, bleek al gauw, bestaat nog steeds en ligt vlakbij Onderdendam in de weg naar Winsum over het Warffumerdiep. Alleen heeft een Piet Sikkes Tillema nooit bestaan. Waarschijnlijk ging het om een Pieter Sikkes Woest, die er rond 1800 met vrouw en kinderen woonde. Juist in die tijd wordt de tilnaam, naar het zich laat aanzien, ook voor het eerst genoemd.

Maar Woest is geen Tillema, en een goed deel van het stukje kan je daarmee afdoen als speculatief: de vermoede samenhang tussen familienaam en til bestond immers niet.

Wel echter, is er in het algemeen iets te zeggen over de familienaam Tillema in samenhang met tillen. Volgens de telefoonboeken van 2007 is die familienaam typisch noordelijk. Vooral in enkele Groninger gemeenten komt hij veel voor:

Bij de Volkstelling van 1947, toen veel familienamen nog lang niet zo waren uitgezwermd als in 2007, bleek de familienaam Tillema zelfs typisch Gronings:

Maar liefst 295 van de 480 gezinshoofden die destijds de familienaam Tillema droegen, oftewel 61,5 %, woonden in Groningen. De provincies Zuid- en Noord-Holland volgden met 10 à 11 % en Friesland met een schamele 6,7 %. Schamel, omdat ook in Friesland menige brug een til werd genoemd. Buiten Groningen en Friesland gebeurde dat nauwerlijks.

De oudste naamdragers landelijk woonden volgens WieWasWie ook in Friesland: tussen Leeuwarden (1638) en Achtkarspelen (1783) komen alleen wat meldingen uit Harderwijk voor. De eerste Groningers met de achternaam Tillema dienden zich, als we afgaan op Alle Groningers, pas daarna aan: in 1797 te Uithuizen), in 1803 in de Stad Groningen, in 1807 in Hoogezand en Kropswolde en in 1811 te Winsum, Loppersum en Zuidhorn.

Groningen had dus niet de oudste Tillema’s, maar de familienaam kreeg hier in het tijdperk van de burgerlijke stand, na 1811, wel de allergrootste verspreiding. Waar de naam zich concentreerde, is mooi te zien als je de heatmap-functie van Alle Groningers aanzet:

Het Noorden van Hunsingo, globaal tussen Winsum en Uithuizen, is het gebied waar je de Tillema”s vooral kon vinden en verder waren er clusters in de Oude Veenkoloniën ten zuiden van het Winschoterdiep. Waarschijnlijk ging het om meerdere families, die gemeen hadden dat ze rond 1811, toen het nemen van een familienaam verplicht werd, in de buurt van een til woonden. Dit zullen mogelijk ook de gebieden zijn geweest waar de term til voor een boogbrug of hoogholt met een ‘opgetild’ brugdek hoog boven water, het meest in zwang was.