Vrouw neemt dienst als soldaat

“Also Geertruit van Duiren de stoutheijd heeft gehad niet alleen zig in manluiden klederen te kleden, maar nog daar en boven zig eerst te laten engageren als fuselier in het regiment van de generaal Glabbeek in de compagnie van capitain Petersen op den 23 maart jongst, en daags daar an als soldaat in de compagnie van de lieutenant-generaal B. Lewe; so hebben de Heeren Gedeputeerden na gehoudene deliberatie goedgevonden en verstaan dat deselve voor de tijd van een jaar in het provinciale tughthuijs sal worden gebragt om aldaar met haar handen arbeijd de kost te verdienen.”

Commentaar: In de zeventiende en achttiende eeuw kwam het geregeld voor dat vrouwen zich in mannenkleren hulden en zo dienst namen in het leger of bij de marine. Vaak lijkt dat een soort van roeping. In dit geval zou je dat kunnen betwijfelen gezien het dienst nemen bij meerdere legeronderdelen, waarbij steeds een handgeld werd geïncasseerd. Die twijfel wordt er niet minder op doordat de vrouw, zelf afkomstig uit de stad Groningen, daar twee jaar eerder getrouwd was met een Beierse soldaat.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 1 (archief Staten van Stad & Lande) inv.nr. 1351 (sententies in fiscale- en militaire zaken), bepaaldelijk die van 28 maart 1748.


Blinde smokkelaar komt met de schrik vrij

“Door de pagtenaren van de toebak op de daad zijnde agterhaalt eenen Jan Hindricks van ’t Niebert ter sluik inbrengende vijf pond toebak zonder angevinge, en daarover in de Geweldige gefaiseert, en ondersogt bevonden een blind man te zijn, die voorgaf hem de voorschr[even] toebak vereert te zijn; en daarvoor intercederende de diaconie van ’t Niebert; – hebben de Heeren Gedeputeerden Jan Hindriks uit zijn detentie ontslagen, mits de diaconie voorn[oemd] hem zullen zoeken te onderhouden en van het smokkelen te rugge te houden, wordende de Capit[ei]n Geweld[ige] gelast de kosten in zijne declaratie te brengen.”

Vrij vertaald: De pachters van de tabaksaccijns betrapten Jan Hindriks van Niebert op heterdaad. Hij had, waarschijnlijk vanuit Drenthe, vijf pond tabak over de provinciegrens gesmokkeld. In de provinciale gevangenis te Groningen bleek dat hij blind was. Hij vertelde dat hij de tabak bij wijze van aalmoes had gekregen, nogal ongeloofwaardig gezien de hoeveelheid. Dankzij de tussenkomst van de Nieberter armvoogden, kregen de heren rechters in dit soort zaken echter medelijden met Jan. Waar ze gewone smokkelaars minstens een paar jaar verbanden of in het tuchthuis opsloten, lieten ze Jan vrij op voorwaarde dat de diaconie hem steun gaf en van het smokkelen afhield. Jan hoefde zelfs de kosten van zijn detentie niet te betalen.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 1 (archief Staten van Stad & Lande) inv.nr. 1351 (sententies in fiscale- en militaire zaken), bepaaldelijk die van 19 juni 1741.


Reizigers beroofd van leeftocht

Natuurlijk mochten Meindert Harms en Erenst Hindriks controleren op de aangifte en betaling van een belasting, namelijk de bieraccijns. Dat jaar pachtten beide Noordbroeksters immers de inning van die impost in het Oldambt. Ook hun metgezel Rudolph Keun had wel degelijk een fiscale opsporingsbevoegdheid, want hij was chercher in Meeden, zodat hij toezag op de aangifte aldaar van het gemaal, een belasting die men moest betalen voor graan dat naar de molen ging. Maar de bevoegdheden van dit trio strekten zich niet uit tot andere belastingen, en dat was nou net, wat ze wel deden voorkomen. Op 24 oktober 1727 patrouilleerden ze in de heidevelden tussen Pekela en Meeden, een berucht smokkelgebied, hielden er een paar, waarschijnlijk Duitse voetreizigers aan en gingen daarbij hun boekjes ver te buiten. Zoals in het vonnis van Meindert staat, maakte elk van de drie zich eraan schuldig,

“onder praetext van op het frauderen der gemeene middelen inquisitie te doen, hem heeft onderstaan met sijne meede complicen twee vreemdelingen over het veen van de Pekell A na de Meeden passerende, te beroven van twee schinken, 2 stoeten en eenige nieuwe jaarskoeken, niet tegenstaande geen pagtenaer van de wage was, nogh van deselve gelast, en de hammen ònder het gewigte den impost van de wage subject…”

De quasi-belastingcontroleurs hielpen de reizigers dus van hun leeftocht af: hammen, brood en koeken. Aardig is dat we deze mondkost kunnen vergelijken met het voedsel dat een Westfaalse hannekemaaier anno 1767, maar dan in het voorjaar, bij zich had. Ook hij nam brood en koek mee, maar koos voor worst in plaats van ham. Opmerkelijk aan het geval in 1727 is trouwens, dat er eind oktober al nieuwjaarskoeken in omloop waren: in de verkrijgbaarheid lang voor de datum, zijn onze pepernoten blijkbaar niet uniek.

Voor hammen van boven een bepaald gewicht moest er waagaccijns betaald worden, maar daar hadden de drie speurneuzen uit Noordbroek en Meeden niets mee uit te staan, en dus ook geen opsporingsbevoegdheid voor. Bovendien haalden de hammen van beide vreemdelingen niet eens het vereiste gewicht waarvoor waagaccijns betaald moest worden.

Desalniettemin namen de de drie ´controleurs´ zowel de schinken als de stoet in beslag, om ze naderhand onder elkaar te verdelen. En dat terwijl ze donders goed wisten,

“dat de goederen over sluikerijen angehaalt niet tot particulieren gebruik mogten emplojeren maar in sequester (= verzekerde bewaring, HP) brengen”.

Waarschijnlijk doordat de reizigers hun beklag deden, kwam het weldra uit. Het trio ‘controleurs’ belandde in het Geweldige Hof, zeg maar het huis van bewaring in Groningen. Gedeputeerde Staten, die recht spraken in belastingzaken, keurden het machtsmisbruik sterk af, ze vonden dit eigenlijk

“een seer zware misdaat, d[i]e anderen ten exempel, op het swaarste behoorde te worden gestraft”.

Desalniettemin streken de Heren Gedeputeerden met hun hand over het hart, en veroordeelden elk van de drie knevelaars tot een boete van 50 gulden, die meteen moest worden voldaan. Gebeurde dat niet, dan ging de schuldenaar voor acht dagen op water en brood in het “stockhuis”. Uiteraard moest het trio ook nog de beroofde vreemdelingen hun schade vergoeden en de rechtskosten betalen.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 1 (archief Staten van Stad & Lande) inv.nr. 1351 (sententies in fiscale- en militaire zaken), bepaaldelijk die van 6 januari 1728.


“Het glansnummer van alle smokkeltrucjes”

“Het glansnummer van alle smokkeltrucjes is tot dusver: de doodskist-smokkelarij, hetgeen, naar verluidt, zich aldus heeft toegedragen. Een grensbewoner was overleden en de voor den doode benoodigde kist moest vervoerd worden uit de 1e linie tot onmiddellijk bij de grens. Een zoo groote ruimte als de inhoud van een doodskist onbenut te laten, zou dwaasheid zijn. Zoo iets bestaat gewoonweg niet! 500 à 600 pond vet kan er in en gaat er in! De kist, geladen op de schouders van 6 stoere mannen, wordt grenswaarts gedragen, in onvervalschte bijbehoorende stemming, De grenswacht wordt gepasseerd, en deze, vol piëteit, salueert model, terwijl zelfs enkelen hunner de treurige stoet met ontblooten hoofd laten passeeren.”

Winschoter Courant, 23 juni 1916, in een bericht dat de redactie overnam uit de Noord-Ooster (Veendam). Vanavond kwam de anekdote voorbij in de lezing van Henk Wierts over smokkelarij aan de Groninger oostgrens.


Topografie met vrouwelijk naakt

In een boek over Groninger bedrijven en instellingen anno 1913, valt mijn oog op deze helaas overlapte prent van ruim een eeuw eerder. Het betreft de zaagmolen van de zwagers Haitzema & Post aan de Rensel in Winschoten, gezien vanaf de Beertsterweg aan de westkant:
img853-2
De molen, van 1784, met hout op de werf bij het tamelijk lege balkgat:
img853-3
De mulderswoning, van 1795, waar bedrijfsleider Eisso Post woonde. Hij komt net met zijn paard thuis van een zakenreis – of zou het een klant zijn die ginder over het hoogholtje gaat?:
img853-4
Op de voorgrond twee schepen met vrouwen aan dek. Een heeft een kind op haar arm. Ze lijken te kijken naar andere vrouwen, niet op, maar in het water:
img853-5
Kinderen zien toe vanaf de dunne wal tussen de vaart en het balkgat. Het moet zomer zijn.

Groninger topografie met vrouwelijk naakt, dat lijkt me toch vrij zeldzaam.

Naderhand blijkt dat de prent ook in de Beeldbank zit, maar dan grover en donkerder. Vraag me af of zij nog ergens bestaat en zo ja, of ze dan ook in kleur is.


Hooiwagen stuift dijk af

Soms lees je in de krant dat een auto zich in een voorgevel van een woning geboord heeft, waarbij zowel de bestuurder als de bewoners van het huis er met de schrik afgekomen zijn. Niets nieuws onder de zon, zelfs in het tijdperk van de paardentractie kon zoiets al gebeuren:

“Gisteren kwamen te Ganzedijk twee paarden voor ecu wagen vracht kwelderhooi, en met twee mannen van Beerta op het voorkistje gezeten, op den loop. De viervoeters stoven met het gansche gevolg van den kop des dijks — omstreeks 4 Ned. el (= meter, HP) boven bet maaiveld — naar beneden, en braken in snelle vaart door eene vrij sterke schutting, staande voor de behuizing van den landbouwer H. Kaspers. Maar wat meer zegt, een der paarden maakte zulk eene bres in den voorgevel, en vooral in een raam, dat het ter halver lengte in de kamer aankwam, alwaar het in eene half staande, half knielende positie halt maakte. Nopens de uitwerking van den eersten schrik bij de bewoners hebben wij alsnog niet gehoord en hopen wij het beste. Meest is echter in dit voorval te verwonderen, dat zoowel mannen als voerlieden er ongedeerd ziju afgekomen.”

Bron: Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant van 7 augustus 1861, in een bericht dat deze krant overnam uit de Provinciale Groningsche Courant van vier dagen eerder.


Muizengolf geeft massa katten

“Bij de algemeene klagt over de sterke vermenigvuldiging van de muizen, mag het niet onopgemerkt worden gelaten, dat ook haar vijand in evenredigheid schijnt te zullen vermeerderen, wanneer ze slechts niet wordt vernietigd. Als voorbeeld daarvan schrijft men dat bij een burger te Nieuw-Beerta twee katten dit jaar een gezamenlijk getal van 33 jongen hebben geworpen.”

Bron: Rotterdamsche Courant 20 november 1860.