Het raadselachtige fenomeen der plevers

Groninger Archieven Toegang 1774 (documentatie) inv.nr. 4224. (map Sappemeer).

Een toevalsvondst, deze rekening uit 1893 van de koek- en banketbakker Schierbeek uit Sappemeer wegens soeskes, plevers, bitterkoeken, weespermoppen en ridderbrood.

Interessant zijn vooral de ‘plevers’, ook wel ‘pleverkouken’ genoemd. Het waren de eierkoeken die vroeger na begrafenissen bij de koffie werden genuttigd.

De naam van dit baksel is Gronings-Drents. Zowel Henk Scholte als Martin Hillenga  heeft zich in de herkomst van die naam verdiept, zonder tot een definitief oordeel te kunnen komen.

Zo is er een hardnekkig verhaal dat de koeken genoemd zijn naar een bakker P. Lever uit Stadskanaal, of Musselkanaal. Alleen heeft daar nooit zo’n bakker gewoond. In heel Groningen niet.

Een andere hypothese wijst op een Portugees-joodse afkomst: plava > palevie > plever, ofwel palabra (lang praten) > palaveren > plever. Via een joodse bakker in Winschoten zou de term dan in Oost-Groningen gemeengoed geworden zijn. Echter, hier in het noorden waren sefardische joden niet of nauwelijks voorhanden; het veronderstellen van een dergelijke taalinvloed vanuit die hoek lijkt nogal gewaagd. Mogelijk om die reden wees de uit Winschoten afkomstige Jaap Meijer (de vader van Ischa), op de Jiddische termen ‘plajenen’ en ‘planjenen’ voor klagelijk huilen. Wat natuurlijk heel goed past bij rouw, alleen is de klankverwantschap van die termen met plever nogal gezocht.

Of het bij de plevers bij de begrafeniskoffie om een lange traditie ging, lijkt sowieso twijfelachtig. Voor 1830/1840 werd er in Groningen en Drenthe na begrafenissen nog witte rijst met grauwe erwten gegeten. Door de auteurs die zich laatstelijk in het pleverfenomeen verdiept hebben, worden ook geen oudere bronnen dan publicaties uit de twintigste eeuw aangehaald. De hierboven vertoonde nota lijkt voorlopig het oudste stuk, dat plevers noemt.

Advertenties

De “blinde kaart” van meester Kremer

Mulerius, een twitteraccount van de UB, tweette vandaag “een blinde kaart van de provincie Groningen uit 1819”.

Ook de achterliggende beschrijving van de UB rept van een “blinde kaart” Er wordt verwezen naar De kaarten van Groningerland van Vredenberg-Alink, die op haar beurt weer verwijst naar de provinciale plaatsbeschrijving van H. Kremer, onderwijzer te Finsterwolde, uit 1819. Bij diens boekje zat de kaart oorspronkelijk, iets wat de UB niet noemt.

De terminologie “blinde kaart” verleidde me intussen tot de uitspraak:

Blijkbaar was de onderwijzer van Finsterwolde nogal veeleisend qua geografie: zijn leerlingen moesten niet alleen vele tientallen plaatsen in Groningen kennen, maar ook nog allerlei oorden in Drenthe en Reiderland.

Naderhand kreeg ik daar echter mijn bedenkingen bij.

Ten eerste is het kaartje zeker geen zuivere blinde kaart: de oude landschappen van Groningerland, zoals Hunsingo en Fivelgo worden afgekort aangeduid (bijv. Hunz., Fiv.) en hetzelfde geldt voor verschillende kanalen zoals het Schuitendiep (of Winschoterdiep) en Boterdiep (Sch.d. en Bot.d.). Ook nummers komen gewoonlijk net voor op blinde kaarten. Bovendien is het aantal plaatsen veel te groot om te ‘behappen’ voor de doelgroep van blinde kaarten als leermiddel: kinderen in de lagere schoolleeftijd. In totaal staan er, exclusief de 28 voor Friesland, Drenthe en  Oost-Friesland namelijk 219 plaatsen op het kaartje, die als volgt verdeeld zijn over de aloude onderdelen van de provincie:

  • 17 Gorecht en Sappemeer;
  • 42 Westerkwartier;
  • 56 Hunsingo;
  • 45 Fivelingo;
  • 31 Oldambt en Veenkoloniën;
  • 28 Westerwolde.

Zelfs de kleinste kerkdorpen zijn meegenomen. Per landschap volgde Kremer verder een route (zie de kleurtjes), die soms uiterst grillig is, met zigzagbewegingen en grote sprongen, wat je de lieve kleinen nou juist niet zou willen aandoen. Die zijn didactisch gezien veel meer gebaat bij heldere opeenvolgingen. Zo zat de veenkoloniale trits Hoogezand-Sappemeer-Veendam-Wildervank-Oude Pekela-Nieuwe Pekela er later zo ingehamerd, dat zelfs menige Indonesiër haar na tientallen jaren nog feilloos op wist te dreunen.

Nee, dat de plaatsnamen niet op meester Kremers kaartje staan, heeft een andere reden. Dat komt louter doordat er de ruimte voor ontbrak. De kaart bij zijn boekje was geen leermiddel voor het lager onderwijs. De nummers bij de plaatsen correspondeerden met de volgorde waarin Kremer in dat boekje de plaatsen behandelt. De term “blinde kaart” is, kortom, inadequaat en misleidend.


Naar Essen geweest om de opgraving te zien

Gister was er Open Dag van de opgraving op het voormalige kloosterterrein van klooster Yesse te Essen, tussen Haren en Groningen. Anders dan voorgaande jaren zijn er nog geen spectaculaire vondsten gedaan, zoals loden zegels (bullae) van de paus. Misschien dat daarom de belangstelling tegenviel? Op grondsporen alleen komt men niet zo snel af.

Bij mijn aankomst waren de professionals, studenten en meewerkende vrijwilligers aan het schaften:


In een soort loopgraaf kwam het graf van een rund tevoorschijn. Nu begroef men runderen alleen bij besmettelijke ziekten (anders werden ze wel opgegeten). Gevalletje veepest of miltvuur?

De lange loopgraaf bood zicht op een lemen vloer, een brandlaag, teelaarde van toen het klooster er nog niet stond en de ondergrond van geel zand:

Archeoloog laat scherf zien aan zijn dochtertjes:

De mannen van de grove zeef. Er werden wat noppen aangetroffen van een noppenbeker, een duur stukje serviesgoed:

Het intekenen van een keienlaantje:

De laatste werkput, met zo te zien vrijwilligers:

Er leek een vloertje in zicht:


Nieuwigheden in Openluchtmuseum Het Hoogeland

Was er dertien jaar niet geweest, in Openluchtmuseum Het Hoogeland. Maar nu is er een tentoonstelling over lager onderwijs.

Eerst maar even in de kosterij en het bijbehorende klaslokaal gekeken. Schoolbord:

Voor mij het topstuk op de expositie: een van de drie of vier houten schooltassen:

Dat Garnwerd niet bekend staat om zijn voetballers, is louter te danken aan het schoolplein, dat de aanwezige talenten in de knop brak:

Sommige schoolboekjes blijken pure poëzie:

Alle eendjes:

Naar buiten – dit houtzaagmolentje, de David, stond er nog niet, bij mijn laatste bezoek:

Er kwam net een boer voorbij:

Detail model potschip in het schippershuisje:

Het wasgebeuren:

Interieur (ben vergeten van welk huis):

Exterieur:

In de drukkerswerkplaats was de vrijwilliger net bezig met het drukken van een levenswijsheid:

Vaak vind ik zulke musea de keukens het mooist:

Stilleven van een wrijfsteen met pigment in de ververswerkplaats:

Ook hier staat alles in bloei, wat de charme sterk vergroot:

Ook nieuw voor mij: het TBC-huisje. Zo’n patiënt had alle tijd om de krant te lezen:

Volgende maand wordt er een smederij en fietsenmakerswerkplaats van rond de Eerste Wereldoorlog geopend. Komt dat zien!


Harddraverijen in het Westerkwartier – een Friese impact?

Kaartje van de plaatsen in het Westerkwartier waar tussen 1803 en 1809 harddraverijen werden gehouden, hèt volksvermaak destijds, in Groningerland gewoonlijk georganiseerd door herbergiers die zilveren zwepen uitloofden..

In totaal ging het om 15 races, aangetroffen in vooral de rekesten, maar ook in andere archivalia van de toenmalige jurisdictie Westerkwartier. Op één na liggen alle lokaties ten noorden van het Hoendiep, in het kleigedeelte van het Westerkwartier. Meer nog,  ze bevinden zich daar juist niet bij het Reitdiep, maar allemaal aan een route naar Friesland die in 1840  vervangen werd door de Friesestraatweg. In Friesland waren harddraverijen eerder populair dan in Stad en Lande, waar de eerste publieke harddraverij pas in 1754 schijnt te hebben plaatsgevonden (ze werd gewonnen door het paard uit Aduard). Mogelijk heeft die merkwaardige klustering langs die route naar Friesland te maken met het gegeven dat het verschijnsel van deze paardenrennen uit Friesland kwam overwaaien.

Van de 15 harddraverijen vonden er 4 in Aduard en 4 in Grijpskerk plaats. Dorkwerd had er 2 en in alle andere plaatsen ging het om een eenmalige aangelegenheid. In Aduard is de traditie het sterkst geweest. Het kende vanaf ongeveer 1960 een renbaan, waar sinds 1983 alleen nog maar incidenteel paardenraces worden gehouden – dit jaar bijvoorbeeld niet. Curieus is dat de stichting die deze wedstrijden organiseert/organiseerde lange tijd een boegbeeld had met dezelfde naam als de herbergier die tussen 1803 en 1809 de harddraverijen in Grijpskerk organiseerde. Hij heette Tjerk Dijkstra – nou u het zegt: dat is een Friese naam.


Luitenant blijkt lastpak in Termunten

Termunten op de kaart van Beckeringh (1781).

Men zag de nationale vlag wajen, de klokken wierden drie posen geluid, de 24-ponders donderden van de batterijen, de bekende aanspraak is door den praesident aan de militairen voorgelesen en met een Hoesee! beantwoord. De uitdeling van wijn, brood en kaas is des avonds tegens 5 uuren geschied en de vergaderde leden van het Plaatselijk Bestuur met den commandeerende officier den luitenant Hombach en een bombardier zochten zich ter vieringe van dit feest te zamen vrolijk te maken, waartoe men te meer reden hadde omdat alles zonder eenig ongeluk was afgelopen.

Aldus secretaris Schuuringh namens het gloednieuwe Plaatselijk Bestuur van Termunten in een brief aan het eveneens net aangetreden, radicaal-patriotse provinciebestuur. Het feest waarover Schuuringh schrijft, was georganiseerd “wegens de aanneming van de Staatsregeling voor de Bataafsche Republiek”. Na de radicale staatsgreep van 22 januari 1798 waren eerst alle federalisten hun stemrecht kwijtgeraakt, vervolgens had het gezuiverde stemvee de constitutie aangenomen waarbij Nederland definitief een eenheidsstaat werd – dat was de aanleiding voor het feest.

Al kwam het verslag van Schuuringh daarvoor wel wat laat – zijn brief verzond hij op 29 mei, terwijl het constitutiefeest al op de 19e plaatvond – zijn verslag voldeed geheel aan de conventies in krantenberichten over dergelijke politieke festiviteiten. Maar er was ook een verschil. Zelden of nooit bevatten zulke krantenverslagen een wanklank; Schuuringh echter, berichtte dat de vreugde in Termunten “eenigzints” verstoord was geweest. Luitenant Hombach, de commandant van de lokale kustbatterijen, had het plaatselijk bestuur namelijk gemeld,

dat er, bij gelegenheid dat het Plaatselijk Bestuur met de militairen uitging naar een stuk lands om aldaar de aanspraak te doen, in ’t voorbijgaan van het huis van Symon Tiddes bij Termunterzijl, zeeker perzoon van Wagenborgen, in den wandel Harm Orange genaamd, tegenswoordig zijnde, gevraagd of hij niet wilde mede gaan om die aanspraak te horen, zou gezegd hebben, “Liever te willen dat zijn beenen verlamden dat ze hem nimmer weder naar Wagenborgen konden dragen, dan te gaan om dese aanspraak te hooren!”

De luitenant zou de brutale prinsman natuurlijk ingerekend hebben, ware het niet dat deze hem ontvlucht was “met agterlating van een zijner schoenen”. Je zou kunnen denken dat Harm Orange nog wel boet- of strafrechtelijke gevolgen van zijn dissidente uitlatingen zou ondervinden. Maar in dit verhaal zouden die een zijpad vormen – hier gaat het om luitenant Hombach en de lokale verhoudingen tussen burgerlijk bestuur en militair gezag.

Deze Willem Hombach (ca. 1761-1803) was afkomstig uit een familie van katholieke militairen in Den Haag. Als bombardier had hij waarschijnlijk al heel wat vestingen in ons land gezien, in elk geval Hulst en Bergen op Zoom. In 1787, toen hij een tijd in Vreeswijk aan de Vaart lag, was hij gepromoveerd tot onderluitenant. Hij trouwde met een hervormde vrouw uit Menkeweer bij Onderdendam en eind 1797 was hun zoontje gedoopt in de hervormde kerk Termunten, een teken dat de “luitenant van het corps artillerie van deezen staat”, daar op dat moment al leiding gaf aan de kustbewakingscompagnie, die verdeeld was over een batterij kanonnen bij de haven van Termunterzijl en een batterij op de Punt van Reide.

Hombach zou zich in Termunten ontpoppen als een lastpak voor het Plaatselijk Bestuur. Een maand later berichtten dominee J.A. Smith en koopman Syze G. Bart immers namens dat bestuur, dat de luitenant ze te kennen had gegeven,

dat de vlag voor de batterie bij Termunterzijl, door rotten of muusen doorknaagd, volstrekt onbruikbaar was geworden, en er door het Plaatslijk Bestuur van Termunten gezorgd moeste worden, dat er ten spoedigsten een nieuwe vlag kwam, teneinde in voorkomende omstandigheden daarvan tot de nodige seinen gebruik te kunnen maken…

Omdat de plaatselijke bestuurders niet zomaar tot deze uitgave wilden overgaan, verzochten ze Hombach eerst om de oude vlag eens te mogen zien. Met eigen ogen konden ze zodoende constateren dat het “allerslegtst gesteld was” met het dundoek. Toch hielden ze hun twijfels. Zo’n aanschaf hoorde immers niet voor hun rekening te komen. Vandaar dat ze het provinciebestuur om een “uitdruklijke last en order” verzochten tot het fourneren van een nieuwe vlag “op kosten van de Republiek”. Bovendien wilden ze niet aansprakelijk zijn voor de gevolgen als er “bij voorkomende omstandigheden geen seinvlag aanwezig was”.

Inderdaad kreeg het lokaal bestuur de gevraagde machtiging om de oude vlag, zo deerlijk gehavend door ratten en muizen, te vervangen door een gloednieuw exemplaar, opdat de eventuele verschijning van een Brits flottielje voor Termunterzijl tijdig zou kunnen worden doorgeseind. Luitenant Hombach echter, was hier niet mee tevreden. Hij ontpopte zich als een Rupsje Nooitgenoeg, getuige een brief die dezelfde plaatselijke bestuurders in augustus aan het provinciebestuur schreven. Opnieuw ging het ze om een toestemming voor het doen van uitgaven, waartoe ze niet zelfstandig wilden besluiten. Daarbij brachten ze het vorige contact in herinnering:

Het is ULieden bekend, dat de ondergeteekende voorheen verzogt hebben om geauctoriseerd te mogen worden tot het bezorgen van een nieuwe seinvlag voor de batterie bij Termunterzijl, welke vlag ook, naa bekomene permissie, geleverd is, en de ondergeteekende meenden, dat het daarmede gedaan zoude zijn. Dan, die vlag was nauwlijks geleverd, of de commanderende officier gaf kennis, dat er volgens nadere aanschrijvinge van den commandant te Delfzijl ook vier nieuwe seinwimpels – twee voor de batterie te Termunterzijl en twee voor die van Reide – vereischt wierden.

De plaatselijke bestuurders hadden op basis van de vorige toestemming het verzoek ingewilligd en Hombach zijn wimpels gegeven. Echter:

Daarmede was het nog niet gedaan, de luitenant W. Hombach vorderde toen een nieuwen vlaggestok op de batterie van Termunterzijl, uit hoofde dat de oude niet hoog genoeg zou zijn om daarmede de vereischte seinen te doen. De ondergetekende hebben daaraan alweer voldaan, hebbende een spier van 50 voeten (= ruim 14 meter, HP) lang tot een seinstok laaten gereed maken en oprichten.

Tot zover hadden de plaatselijke bestuurders luitenant Hombach, “die maar requireert”, steeds braaf zijn zin gegeven, zonder het provinciebestuur opnieuw lastig te vallen.

Edog, daar gemelde officier Hombach nu weer gerequireert heeft een nieuwe seinstok voor de batterie op Reide, en daarbij te kennen gegeven heeft, dat de ondergeteekende gedurig bijnaa dagelijks verwagten moesten dat er het een of ander vereischt wierd, en ook al een en andermaal gezegt heeft dat hem door de ondergeteekende een goede verrekijker zou bezorgd worden, als ook dat de ondergeteekende bij gerucht gehoort hebben dat hij commanderend officier zou gezegt hebben dat de nieuwe seinstok bij Termunterzijl nog merkelijk langer zou gemaakt worden, ’t geen niet dan met vrij veel kosten zal kunnen geschieden…

verzochten ze het provinciebestuur toch maar weer om een machtiging voor het doen van de door Hombach gevergde uitgaven, of anders om een gedragslijn, ook omdat ze hun twijfels bij Hombachs eisen hadden:

De ondergeteekende zouden minder zwarigheid maken om aan de order van gemelden officier te voldoen indien hun alles voorkwam als redelijk en dat ’s Lands financiën daarbij in acht genomen wierden…

Of er nog een vervolg is geweest weet ik niet, zo ver ben ik nog niet gevorderd in de brievenbundels, maar dat de verhoudingen tussen het burgerlijk en het militair gezag in Termunten zo langzamerhand behoorlijk verstoord raakten, moge duidelijk zijn. De militaire onvergenoegdheid botste op de lokale zuinigheid, en wellicht heeft dat ook een rol gespeeld bij de overplaatsing van Hombach naar Holwierde aan de andere kant van Delfzijl. Tenminste, hier vinden we hem in 1800 terug. In 1802 zat hij in Harlingen, en een jaar later in zijn geboorteplaats Den Haag, waar hij ook is gestorven.

In elk geval is het verhaal illustratief voor de verhoudingen in de Bataafsche Republiek. Door de permanente oorlogstoestand kregen militairen het steeds meer voor het zeggen, niet alleen nationaal, maar ook lokaal. Burgerlijke autoriteiten konden hen maar moeilijk iets ontzeggen en op het platteland ging de relatie steeds meer lijken op de parasitaire, zoals die tijdens het Ancien Regime had bestaan tussen huursoldaten op veldtocht en ‘boeren’. Ook zo raakte het revolutionaire elan allengs bekoeld.

Bronnen, behalve de gelinkte:

  • Groninger Archieven, Toegang 3 (archieven Gewestelijke Besturen) inv. nr. 9: brief d.d. 29 mei 1798 van G.J. Schuuringh namens PB Termunten aan het Intermediair Administratief Bestuur (IAB) van het voormalig gewest Stad en Lande.
  • Idem inv.nr. 10: brief d.d. 27 juni 1798 van het PB Termunten aan het IAB.
  • Idem inv.nr. 12: brief d.d. 9 augustus 1798 van het PB Termunten aan het IAB.

De oorlog met Engeland en zijn economische gevolgen

Napoleontische medaille voor volksvlijt (1808). Collectie Rijksmuseum Amsterdam.

Dat een volkomen handelsoorlog tussen het Verenigd Koninkrijk als zeemogendheid enerzijds, en anderzijds het vasteland van Europa voornamelijk verliezers kent, wordt mooi aangetoond door bedrijfsstatistieken uit de Franse Tijd, toen Napoleon een volkomen boycot van Britse producten en diensten, het zogenaamde Continentale Stelsel, afgekondigd had. Neem een staatje uit 1808 van bedrijvigheid in de beide Oldambten (het kleigebied bij de Dollard + de veenkoloniën ten zuiden ervan zoals Veendam- Wildervank en de beide Pekela’s), een staatje dat gebaseerd is op een enquête onder de ondernemers zelf. Verdeeld over vier sectoren, komt het effect van de oorlog hierop neer:

Scheepsbouw
Met de 22 scheepswerven, de 7 lijnbanen, de 7 blokmakerijen en de 3 zeilmakerijen in de Oldambten gaat het zeer slecht in vergelijking tot vroeger. Schepen onder eigen vlag kunnen immers nauwelijks het zeegat uit, zonder gevaar te lopen op kaping door de Britten. De ondernemers snakken daarom naar vrede en vrije zeevaart en handel. Eventueel zouden stimulerende maatregelen in de vorm van bedrijfssubsidies en inkomsensondersteuning voor scheepstimmerlui de hoogste nood kunnen lenigen.

Bouw
Ook de gewone bouw zit flink in het slop, getuige de opmerkingen bij de 6 houtzaagmolens, de 10 kalkovens en de 7 steenfabrieken en pannenbakkerijen. Door de oorlog op zee komt er weinig hout uit Noorwegen en het Oostzeegebied – het is dus schaars en duur. Daardoor zijn bouwprojecten tot het uiterste minimum beperkt: reparaties van de bestaande woningvoorraad. De oplossing is ook hier: vrede en vrije zeevaart en handel. Verder is het maar afwachten – anders dan in de scheepsbouw opperen de ondernemers in deze sector geen stimulerende maatregelen of inkomensondersteuning.

Kleding en schoeisel
De 17 blauwververs en 5 leerlooiers geven een gemengd beeld. Met de leerlooiers gaat het vrij goed. Een deel van hun concurrentie is uitgeschakeld. De blauwververs krijgen echter geen grondstoffen meer van overzee. Ook zij verlangen zeer naar vrede, vrije zeevaart en handel.

Voedings- en genotmiddelen
De 19 korenmolenaars, 13 bierbrouwers en 4 oliemulders uiten evenmin als de leerlooiers klachten. Hun grondstoffen komen uit de streek zelf, terwijl er geen concurrentie van buiten is. De 30 grutters (met ros- oftewel paardemolens) en 7 pelmulders, die gerst en boekweit verwerken tot grutten voor het andere volksvoedsel naast brood, namelijk pap, klagen echter over concurrentie van de korenmolenaars. De laatsten mogen wel gerst vermalen tot meel, terwijl de pelmulders en grutters geen rogge of andere broodgranen mogen vermalen. Ze roepen om lastenverlichting en marktordening: maximering van het aantal bedrijven en prijszetting door de overheid. De problemen van de pelmulders en grutters hebben echter weinig te maken met het feit dat Brittannia buitengaats heerst. Hun grondstoffen komen eveneens van dichtbij, alleen is er structureel iets mis met hun bedrijfstak.

Kortom:
Vooral voor de scheepsbouw en in iets mindere mate in de huizenbouw had de situatie op zee gevolgen: deze sectoren lagen op hun gat, of bijna op hun gat. Aanvoer van hout over land, bijv. uit Drenthe en Westfalen, was kennelijk veel duurder dan aanvoer van hout over zee. In de kleding en schoeisel heerste een gemengd beeld, en alleen bij de voeding had de internationale politieke situatie geen (directe) gevolgen, omdat de grondstoffen van dichtbij kwamen. Weliswaar waren ze ook duur, maar daar hadden mensen in loondienst veel meer last van dan ondernemers en boeren.

Bron: Groninger Archieven Toegang 731 (Plaatselijke gerechten Oldambt) inv.nr. 7062.

P.S. De getranscribeerde tabel met zes kolommen kon ik hier niet kwijt – steeds viel een kolom buitenboord. Mocht iemand er toch belang hebben, dan hoor ik dat graag.