Waar de joden woonden in Groningerland

De volkstelling van 1809 geeft voor het eerst een kwantitatief beeld van de aanhang der verschillende religies in Nederland. Zo kan je aan de hand van de uitkomsten mooi zien, waar in absolute of relatieve zin veel joden gevestigd waren. Zij kwamen pas vanaf 1740 in wat ruimer getale Groningerland binnen, dat in genoemd volkstellingsjaar 1847 joodse inwoners telde, zo’n 1,3 % van de totale bevolking.

De in absolute aantallen grootste joodse gemeenschappen waren anno 1809 in deze provincie:

Groningen 516
Oude Pekela 190
Veendam 163
Winschoten 150
Appingedam 106

Het ging dus om de enige twee steden, met drie Oost-Groninger centrumplaatsen.

Maar een absoluut aantal hoeft nog niets te zeggen over het aandeel in de bevolking als geheel. Zoals gezegd maakten de joden in 1809 een 1,3 % van de Groninger bevolking uit. Op het bovenstaande kaartje zijn aangestipt de plaatsen waar hun aandeel groter was dan dat provinciale percentage. Zo komen nog wat kleinere handelsplaatsen in beeld, zoals Leek en Delfzijl. Verder drie vestingen aan de grens (Nieuweschans, Oudeschans, Bourtange), nog een stuk of wat oude veenkolonies (Hoogezand, Sappemeer, Wildervank), een centrale as in het Oldambt (Midwolda, Nieuwolda) en een wat willekeurig lijkende verzameling plaatsen in de Ommelanden (Eenrum, Ezinge, Godlinze, Kloosterburen, Leegkerk, Middelstum en Sauwerd).

Soms ging het om kleine plaatsen, waar slechts enkele huishoudens het percentage behoorlijk omhoog konden krikken: de 20 joden van Leegkerk maakten op een totaal van 168 inwoners bijna 12 % uit; de 27 joden van Bourtange, met zijn in totaal 291 inwoners, zorgen voor een percentage van 9,8.

Bij de grotere plaatsen echter, zijn de percentages wel van betekenis. In dit opzicht vallen Groningen en Appingedam helemaal niet op – deze lopen in de pas met het provinciale percentage. Maar Winschoten telt 150 joden op een bevolking van 2332 zielen. Daarmee zit het op ruim 6 %, op korte afstand gevolgd door Oude Pekela met bijna 6 %. Dat Winschoten later verhoudingsgewijs de op een na grootste joodse bevolkingsgroep van Nederland zou herbergen, dat het de bijnaam Sodom zou krijgen en in zijn stadsdialect veel jiddisch idioom zou opnemen, tekende zich in 1809 al enigszins af.

Maar het opvallendst aan het kaartje zijn de lege vlekken, oftewel de streken waar joden zich relatief weinig hadden gevestigd. Het ging om het Westerkwartier (uitgezonderd Leek), Westerwolde (uitgezonderd Bourtange) en het Duurswold. Dit waren regio’s met kleinere boeren en een schralere economie. Daar was veel minder emplooi voor joodse slachters en kooplui.

 

Advertenties

Oververtegenwoordigde minderheden

Ben een beetje aan het stoeien met de volkstelling van 1809, met name voor wat betreft het Westerkwartier.

In het algemeen is 87,2 % van de Groninger bevolking dan hervormd. De katholieken maken 7 % uit, de doopsgezinden 2,6 %, de lutheranen 1,9 % en de joden 1,3 %. Interessant is dan, waar minderheden die percentages overstijgen.

Ik beperk me even tot der twee belangrijkste minderheden: katholieken en doopsgezinden. In het Westerkwartier zijn er in 1809 alleen meer dan 7 % katholieken (geel) in Aduard en Den Ham. Je vraagt je af of dat misschien samenhangt met het rond 1600 gesloopte klooster – in de hervorming van Aduard zou wel eens een aardig onderwerp van studie kunnen zitten.

De doopsgezinden (blauw) zijn qua Gronings gemiddelde oververtegenwoordigd in het noorden, op de klei, met de grotere boerderijen. De vestiging van Zwitserse mennonieten, begin achttiende eeuw, in de streek rond Hoogkerk is ook nog duidelijk te zien. Ten zuiden van het Hoendiep, op het zand en veen van Vredewold en Langewold zijn de mennonieten veel minder zichtbaar, Alleen in wat kerspelen die aansluiten bij het kleigebied (Lutjegast, Niekerk en Faan, Oostwold en Lettelbert), zijn ze daar oververtegenwoordigd.

De doopsgezinden zijn vooral in de achttiende eeuw sterk in aantal afgenomen. Waarschijnlijk gingen de meer conservatieve elementen over naar de hervormde kerk, door zichzelf en/of de kinderen in die kerk te laten dopen. Ook hierin zit nog een aardig onderzoek. De kerspelen waar de doopsgezinden in 1809 oververtegenwoordigd zijn, zullen denkelijk ook eerder de doopsgezinde kernen geweest zijn.


Een vroeg jachtreglement voor ‘t Vredewold

Prod. an de secret den 1 Junij 170[?]

Placaet soo ordinaris op heemelvaertsdag volgens older gewoonte moet gepubliceert by de respective Grietmannen van Vredewolt op den dag van answeringe onder de blauwe hemel in t’ Olbert ende in de Nuyss uyt de name van t huyss van Nienoord, luydende van woort te woort alss volget:

N.N., wegen t’ huyss van Nienoort gestelde Grietman over Vredewoldt, doe mits desen wel expresse interdiceren ende verbieden, dat niemandt sick sall onderstaen ende verstouten haesen, reen, courhoenders, velt- offte patrijse hoenders met netten, roers, honden, strikken offte andere sinistre practycquen te doen vangen offte laeten vangen. Insgelycken doet gemelten Grietman verbieden, dat niemandt sick sall onderstaen drie weeken voor May ende 3 weeken nae May eenige visch te vangen offte doen vangen, dat oock niemandt des anders grafften, vischenijen ende slooten, buyten consent van die eigenaers sall meugen vischen, oock die Swaenen haere eijers offte Jongen te verwa[r]en, dit alles op die poena ende verbeurte van sestig franse schilden, die men den contraventeur offte contraventeuren ten scherpsten sall affneemen, waer naer een yder syck sall weeten te reguleeren. Aldus gepubliceert ten fine niemandt eenige ignorantie hebbe te praetenderen.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (archief gerecht van Vredewold) inv.nr. 82: rechtdagenprotocol 1661-1663.

Uitleg en interpretatie: Hoewel pas in het begin van de achttiende eeuw ter secretarie geregistreerd, is het handschrift van dit plakkaat ouder – het komt overeen met de akten die erna geboekt zijn en die dateren uit de jaren 1661-1663. Mogelijk komt het stuk zelfs uit een nog oudere periode. De munt waarin de boete gesteld is, de Franse schild, werd immers in de zestiende eeuw al niet meer geslagen en was vervolgens tot het begin van de zeventiende eeuw rekenmunt.

In de aanhef van het plakkaat is er sprake van, dat de grietman of rechter van ’t Vredewold het elk jaar afkondigde. Dat Vredewold was de heerlijkheid van de heer of vrouw van Nienoord, die deze grietman aanstelde. Het bestond uit de dorpsgebieden van Oostwold, Lettelbert, Midwolde-Leek, Tolbert, Niebert, Nuis en Marum, een streek langs een oude zandrug waar in de zeventiende en achttiende eeuw nog vrij veel onontgonnen natuur te vinden was. De afkondiging van het plakkaat gebeurde ieder jaar op Hemelvaartsdag na de traditionele aanzwering van de grietman “onder de blauwe hemel” in Tolbert en Nuis. Met het voorlezen van het plakkaat verbood de zetbaas namens Nienoord de algehele jacht op hazen, reeën, korhoenders en patrijzen, waarmee vast de belangrijkste diersoorten in de vrije natuur van ’t Vredewold opgesomd zijn: fazanten en konijnen ontbreken waarschijnlijk niet voor niets in het lijstje. Op de genoemde dieren werd gejaagd met netten, geweren, honden, strikken en “andere sinistre practycquen”. Uiteraard waren die jachtmethoden niet duister maar legaal, als het om de heer van Nienoord zelf en/of diens loonjager of gemachtigden ging. Het plakkaat beoogde dan ook niet zozeer faunabescherming, als wel protectie van Nienoords jachtterreinen.

Ook stelde het plakkaat een verboden tijd voor het vissen in: drie weken voor en drie weken na mei, dat wil zeggen het begin van mei. Na de kalenderwisseling van 1700 zal dit de Oude Mei geworden zijn oftewel 12 mei; de verboden vistijd duurde sindsdien dus van de derde week van april tot begin juni. Bovendien werd het vissen zonder vergunning in andermans grachten, visvijvers en sloten verboden. Buiten Nienoord zullen er niet zo vreselijk veel grachten en visvijvers geweest zijn, sloten waren natuurlijk wel algemeen, maar of daar nou zoveel vis in zat? Ten slotte beschermde het plakkaat zwanen, hun eieren en jongen – ook zwanendrift en -jacht golden als een voorrecht voor de heer.

De boete op overtreding van het plakkaat was lang niet mals: 60 Franse schilden, waar niets vanaf onderhandeld mocht worden. Zo’n Franse schild was anderhalve goudgulden, oftewel twee gulden en twee stuivers waard. De totale boete kwam dus neer op 126 gulden, destijds een arbeiders jaarloon !

Dat het plakkaat ieder jaar werd afgekondigd, was met het oog op de smoes van overtreders, dat ze niets van zo’n verbod afwisten. Door die jaarlijkse afkondiging kon niemand nog onwetendheid veinzen.


“De mogelijkheden van de computer zijn welhaast ongelimiteerd”

In 1984-1985, toen dit filmpje uitkwam, was ik als dienstweigeraar werkzaam op het Drents Rijksarchief. In die periode arriveerde daar de allereerste computer en stafleden gingen van hoog tot laag op cursus om tekstverwerken en een primitieve database voor het inventariseren van archivalia onder de knie te krijgen. Als dienstweigeraar kwam ik daarvoor niet in aanmerking, wat me vanwege dat tekstverwerken wel enigszins verdroot. Het ding, begreep ik, had me een zee van tijd kunnen besparen. Mijn doctoraalscriptie, bijvoorbeeld, schreef ik nog op een elektronische Brother-schrijfmachine (met margrietwieltjes voor de diverse lettertypen) en die kon wel al twintig tekens terug corrigeren, maar moest ook nog heel wat fouten laten staan, zodat ik die scriptie in totaal zo’n acht, negen maal heb overgetypt voor ik tevreden kon zijn. Wat een verspilling van moeite! Met een computer ging dat toch allemaal veel vlotter.

Maar om beroepsmatig iets met computers te gaan doen? Nee, geen haar op mijn hoofd die daaraan dacht. Terwijl er destijds een enorme werkloosheid bestond en er voor historici al helemaal nauwelijks een baan te vinden was. Vanuit de vervangende dienst, belandde ook ik in de bijstand en ik weet nog goed dat je je via de sociale dienst kon laten omscholen tot programmeur. Het leek me helemaal niets, of louter iets voor bèta’s. Internet bestond ook nog niet (of misschien alleen als usenet), de communicatiekant van de computerij lag dus nog volslagen buiten beeld.

In 1991 of 1992 las ik voor het eerst iets in de NRC over die kant van de zaak. Mijn interesse was meteen gewekt, ik weet nog dat ik dat stuk met een zekere opwinding las. Als ze me op dat moment een cursus zouden hebben aangeboden, was ik daar ook dadelijk op ingegaan. In werkelijkheid duurde het nog tot eind 1996 voor ik voor het eerst op internet kwam. Dat was bij de UK, de universiteitskrant van de RUG, en de browser daar was nog Netscape Navigator. Ik zie nog het stuurwiel. Heel vaak zat er nog stroop op de lijn. Het laden van een website duurde vaak eeuwen. Regelmatig liep je tegen een virus aan of zat je muurvast. Zulke kinderziekten zijn er nu wel uit.

Een eigen computer heeft financieel vrij lang buiten mijn bereik gelegen. De eerste was, dacht ik, een aflegger van mijn broer, zo rond 2000. De eerste nieuwe die ik zelf kocht, was in 2004, van een paar duizend euro gewonnen met de Postcodeloterij. Sindsdien ben ik ook thuis aangesloten op internet. Naar alle tevredenheid.


Verkiezingsbord, Eexta 1962

Plakbord voor de statenverkiezingen van eind maart 1962. Het stond bij de lagere school op de hoek van de Stationsstraat en de Badhuislaan in Eexta (Scheemda):

Hoewel slechts de vijfde partij, pikte de CPN de meest prominente plek in. Haar leuzen waren onder meer: “Geen oorlog om Nieuw-Guinea” en “Naar een neutraal en atoomvrij Nederland”.

De PvdA zocht het niet zozeer in een leuze, als wel in moderne grafische vormgeving in wit, rood en zwart en de PSP propageerde “socialisme zonder atoombom”

Rechts deden de protestants-christelijke partijen CHU en ARP het met wat minder papier. De eerste zei “heel het volk” te dienen, terwijl de laatste als enige aan het regionale karakter van deze verkiezing refereerde met  haar motto “Voor het welzijn van Stad en Land”. Ook toen al drukte de algemene, landelijke politiek blijkbaar een zwaar stempel op de statenverkiezingen. De VVD had ten tijde van deze opname, gemaakt door Hemmo Blaauw, nog geen plakploeg langs het bord gestuurd.

Heb de uitslag van deze verkiezingen er nog even bijgezocht:

Het politieke landschap was vrij stabiel. De percentuele verschuivingen waren minimaal. Op links pakte de nieuwkomer PSP, landelijk de grote winnaar, in Groningen 2 zetels.  De CPN daarentegen, moest 1 van haar 3 zetels inleveren. En dat terwijl het zetelaantal van 1958 op 1962 uitgebreid werd, iets waarvan vooral de PvdA profiteerde. De stemming moet destijds erg sip geweest zijn in het Groninger hoofdkwartier der communisten. Op rechts profiteerden de KVP, ARP en GPV van die zeteluitbreiding – CHU en VVD bleven op dezelfde aantallen steken.


Gratis naar school in Zuidbroek

“Is besloten dat behoeftige ingezetenen, welke van de Diakonij niet genieten, en het schoolgeld voor hunne kinder niet betalen konnen, hunne kinder op kosten van de arme middelen ter school mogen zenden, mits dezelve zulks van den boekhouder der armen verzoeken, die aan hen een blijk zal geven, hetwelk zij aan den schoolmeester zullen overhandigen.”

Je had armoe in gradaties. De allerarmsten moesten leven van de karige steun, hen verstrekt door de diaconie, de kerkelijke armenkas. Hun kinderen konden sowieso gratis naar school. Maar er was ook een subcategorie: mensen die zich op zich net konden redden, maar voor wie het schoolgeld buiten de mogelijkheden lag. Die groep kreeg in 1766 te Zuidbroek kwijtschelding van schoolgeld, op voorwaarde dat er een vrijwaringsbriefje gehaald werd bij de boekhouder van de diaconie. Dat briefje moesten zulke mensen dan inleveren bij de schoolmeester, die er weer een vordering op de diaconie mee kon onderbouwen.

Bron: Handelingen kerkeraad Zuidbroek 3 september 1766.


Bijenslachting over de landsgrens

‘BOERTANGE, 22 Sept. Een slachting op reusachtige schaal heeft hier gisteren aan de overzijde der grens plaats gehad. De heer Eskamp van Papenburg, die niet minder dan 40.000 pond honig a 46 ½ ct. per kilo aankocht van den bijenhoudersbond ‘Vooruitgang’ welke hare leden in het Oldambt en Westerwolde telt, ontvangt thans die ontzaglijke hoeveelheid te Neu Rhede. Daartoe moeten evenwel de nijvere koninkrijken levend worden ingevoerd, want alleen in zoodanigen toestand kan de honig van ons land in Duitschland worden toegelaten. Alle wagens beladen met korven levende bijen worden gedood, de honig uitgebroken en in groote vaten gestampt. De meeste leveranciers ontvangen ƒ 100 tot ƒ 200. Sommigen veel meer, een werd over de ƒ 6000 uitbetaald.’

Aangezien een pond een halve kilo was, ging er 20.000 kilo honing over de grens. Bij de genoemde prijs van ƒ 0,465 per kilo maakte dat 9300 gulden. Als een van de aanbieders 6000 gulden uitbetaald kreeg, dan nam die dus tweederde van het aanbod voor zijn rekening. Kan haast niet anders, of dat was een opkoper, als het niet de bijenhoudersbond zelf was. De 6000 gulden die deze ontving, maakte een heel riant jaarsalaris. Voor een arbeider was 100 gulden misschien nog aantrekkelijk bijwerk, maar 200 gulden substantieel.

De 20.000 kilo geëxporteerde honing is ook af te zetten tegen de gemiddelde opbrengst in kilo’s honing per ‘geslachte’ korf. We spreken over 1904. De met moderne methoden werkende imker die in het Nieuwsblad van het Noorden een bijenteeltrubriek schreef, had een zwaarste korf die 40 kilo honing opleverde. Een derde van zijn korven woog meer dan 30 kilo, driekwart meer dan 20 kilo. De gemiddelde opbrengst per korf zal bij hem dus zo’n 25 kilo zijn geweest. Maar afgaand op de gemeenteverslagen van dat jaar waren de gemiddelde korfopbrengsten van alle imkers in een gemeente, inclusief de traditioneel werkende, aardig wat lager. In Finsterwolde, waar mijn grootvader het imkeren leerde, bedroeg dat gemiddelde nog 20 kilo, maar in Slochteren bleek het 15 en in Wedde 10. Het gemiddelde voor Oldambt en Westerwolde samen zal dan zo’n 15 kilo honing per korf geweest zijn. De 20.000 kilo aanvoer in Neu-Rhede vertaalt zich derhalve in zo’n 1300 korven. Inderdaad behoorlijk wat wagens vol – er stond een file met bijen voor de grens!

De 6000 gulden van de opkoper of de bijenhoudersbond gold bij de genoemde prijs 12.903 kilo honing. Gedeeld door de 15 kilo gemiddeld per korf, maakte dat maar liefst 860 korven. De 100 tot 200 gulden opbrengst voor de meeste leveranciers, stonden voor resp. 14 tot 29 korven. Ook dat waren hoeveelheden die de aantallen korven bij tuinimkers overtroffen. Wellicht waren er ook kleine collectieven of opkopers actief.

Bron van het aanleidende bericht: Nieuwsblad van het Noorden, 23 september 1904.