Schoolmeester Noordhorn maakt muziek in herbergen en samenkomsten der jeugd (1629)

Cornelis Pietersz. Bega, Musicerende en dansende boeren, midden 17e eeuw, Rijksmuseum.

Handelingen classis Westerkwartier, 7 september 1629.

“Ende also eenige klachten sijn gewest over Petrum Eppens, schoelmester tot Northorn, als dat he sick solde cunde onderwinden in harbargen ende andere sosamenkomsten der jeucht up instrumenten te spoelen, het walke een schoelmesteren niet en betaemt; ock stridet tegens ordeninge der kercken ende den dienst der schoele marcklick verhindert. So is hem petro vors[zeide] belastet worden sulck doen achter te laaten, mede sick sines schoelmestes allene anneemen; het walke he dan te doen belofet heeft.”

Vertaling: Er zijn wat klachten geweest over Petrus Eppens, de schoolmeester van Noordhorn, dat hij in herbergen en samenkomsten der jeugd muziek maakt. Dat past een onderwijzer niet, druist in tegen de kerkorde, en gaat zeer ten koste van het schoolwerk. Daarom is Petrus aangezegd deze praktijk na te laten, en zich louter met het onderwijs bezig te houden. Wat hij ook beloofd heeft.

Commentaar: Als er in een herberg muziek gespeeld werd, was dat meestal op een viool en dan werd ervoor gedanst. Dat aspect zal de predikanten van de classis Westerkwartier het meest dwars gezeten hebben. Als voorzanger of organist maakte de schoolmeester immers ook muziek die bij zijn kerkelijke functie hoorde, sacrale muziek. Het ging de predikanten dus vooral om het profane, als zondig ervaren aspect van spelen in de herberg..


Dijkbouwfraude bij de Beersterzijl

De Sint Maartensvloed lag nog vers in de herinnering. Die was nog geen twintig jaar eerder en Thomas Wietens moet daarvan geweten hebben, zou je zeggen. Maar toch, als het aan hem had gelegen, was de Kerstvloed van twaalf jaar later nog een veel grotere ramp geworden dan die al was.

Wietens was gezworen heimeester, zeg maar een heibaas die door de provincie werd beëdigd om gesjoemel met heipalen en ander hout bij dijkwerk te voorkomen. Maar wegens zulke fraude zetten de heren hem nu juist gevangen in hun cachot, de Provinciale Geweldige.

In het algemeen had Wietens onder zijn toezicht bij de Beersterzijl post- en paalwerk de grond in laten slaan,

“niet conform besteck, maer op een seer verfoeijelijcke en godloose maniere”.

Het ging, meer specifiek, om geknoei met schoren (steunhout). Een aannemer had hem voorgesteld om schoren doormidden te zagen, zodat ze er 24 kregen in plaats van de 12 die klaarlagen en voldeden aan het bestek. Bij het zagen hielp Wietens zelf mee. Ook had hij de arbeiders bevolen het zo te doen.

Met zulke gehalveerde schoren schoten ze veel sneller op. Wietens had alleen maar een handhei bij het werk, waarmee die schoren slechts in de modder gedrukt werden. Een en ander scheelde niet alleen materiaal, maar ook arbeidsloon – in twee of drie dagen tijd schoten ze zo 24 roeden op, veel meer dan ze hadden kunnen doen als ze het bestek ordentelijk hadden gevolgd. Ook was een groot deel van het werk van het verkeerde ijzeren bevestigingsmateriaal voorzien: beunnagels in plaats van vijf à zesduimsrongen. Toen een provinciale commissie het werk op kwam nemen, hield Wietens, anders dan zijn eed en instructie hem geboden, dit allemaal stil. Het was zelfs zo dat hij de commissie “met veele assurantie ende als met eede” had durven verzekeren, dat alles conform bestek gemaakt was. Naderhand ontkende hij zelfs nog dat hij het op een akkoordje met de aannemers had gegooid, terwijl er een onderling contract tevoorschijn was gekomen waaruit dat zwart op wit en zonneklaar bleek. Op dat schriftelijk bewijsstuk gaat het vonnis verder niet in, maar zou daaarin niet hebben gestaan hoe de heibaas en de aannemers de winst aan materiaal en arbeidslon verdeelden? Elk van de partijen bijvoorbeeld de helft?

Wietens had, kortom, zijn eer en plicht vergeten. Hij had de provincie aanzienlijk proberen te benadelen, en dat niet alleen,

“maer oock het geheele landt bij opkoomende sware storm daerdoor in gevaer gestelt”.

Wietens bekende en de heren G.S. verzonnen voor hem een toepasselijke straf. Ze lieten hem naar de plaats brengen in de buurt van de Beersterzijl, waar hij dit paalwerk had laten slaan. Daar stond een paal opgesteld en daaraan werd Wietens vastgebonden. Hij kreeg een strop om zijn hals. Vervolgens werd hij streng gegeseld en tot slot van de ceremonie “ten eeuwigen dage” uit de provincie verbannen.

RHC Groninger Archieven, Toegang 1 (Statenarchief) inv. nr. 1350 (sententies), die van 20 februari 1705.


Intimidatie bij de Goldhoorn

Reclameplaatje van Tiktak. Collectie RHC Groninger Archieven 2137-230.

Op een zondagavond in juli 1893 reden de socialistische logementhouder en aannemer Jan Poppes Hommes en zijn vrouw in hun rijtuigje van Finsterwolde naar Midwolda. Daar haalden ze Ferdinand Domela Nieuwenhuis op, waarschijnlijk omdat de voorman van de Sociaal Democratische Bond later die week een toespraak zou houden in Finsterwolde, waar hij tot 1915 gewoonlijk in Hotel Hommes logeerde. Onderweg maakte het gezelschap een hachelijk avontuur mee:

“Op een der stilste en donkerste deelen, van den weg, schoten plotseling op de ruwste wijze drie mannen te paard naast het ruituig, een aan de eene, de beide anderen aan de andere zijde. Het was alsof roovers een ruituig aanvielen op den openbaren weg! Maar het bleken drie maréchaussées – N. B. ordebewaarders (?) – te zijn.

Zij deden het zoo woest, dat de eene met zijn paard op den grond slingerde en een heel eind ver werd gegooid door ’t paard, en over dat liggende paard struikelde de tweede, die ook viel, doch spoedig weer op was. Toen stelden die twee zich dwars voor het ruituig, welks paard gelukkig zeer mak was, anders waren er de grootste ongelukken gebeurd, waarom het die ellendelingen zeker te doen was.

Ze bleven stapvoets voor het rijtuig rijden, den geheelen weg beslaande, om zoo ’t voortrijden te beletten. Hommes bleef zeer kalm, en voorziende welke partij die snotneuzen wilden spelen, reed hij stapvoets voort.”

Er waren in Finsterwolde wel meer klachten over de marechaussees die er sinds 1892 de orde moesten handhaven. Voortdurend stonden er berichten in de socialistische kranten over intimidaties en mishandelingen. Klachten bij het bevoegd gezag haalden niets uit.

Bron van het bericht: De Toekomst; socialistisch weekblad voor Zeeland en Westelijk Brabant, jrg 1, (1893-1894) nr. 16, 22 juli 1893.


Dynamiet, merk ‘Vaderlandsliefde’

De Arbeider, 24 januari 1903.

Bron


Portretten van wijlen Domela gewild in Finsterwolde

“Bij mijn rondreis door Finsterwold met de portretten van F. D. N. (vervaardiger Kok van Hilversum) is het mij mogen gelukken 33 foto’s plus één album te plaatsen”,

aldus ene H. Greven in De Arbeider van zaterdag 14 februari 1920. Ferdinand Domela Nieuwenhuis, want van hem waren die initialen, was drie maanden eerder gestorven. De fotograaf Jan Jacobus Kok uit Hilversum maakte zes portretten van hem, vijf in één lange sessie toen Domela nog leefde, en één van Domela op zijn doodsbed. Die portretten zaten met elkaar in een album of map, waarvan Greven in Finsterwolde mogelijk één exemplaar verkocht, terwijl hij daarnaast nog 33 losse portretten wist te slijten. Al met al een teken dat het anarchisme na de Russische revolutie nog niet dood was in Finsterwolde; mensen die al een portret van Domela in huis hadden, zullen immers niet zo gauw een extra portret hebben besteld.

Greven, die andere inwoners van Finsterwolde nog enkele dagen de tijd gaf om ook zo’n fotoportret te bestellen, deelde mee dat een dorpsgenoot van hun er passende lijsten bij maakte. Wie dat was, kon men aan Greven vragen. Blijkbaar wilde die dorpsgenoot niet met zijn naam in de krant.

De Groningse anarchiste Cathrien Eimers herinnerde zich zestig jaar later nog hoe na de dood van Domela

“als schilderij van die hele grote gekleurde foto’s van hem uitkwamen. Dat kostte toen 35 gulden.”

Mocht het in Finsterwolde om dezelfde ingekleurde foto’s gaan, dan is dat debiet van Greven nog van extra betekenis, want arbeiders moesten er in dat geval flink voor in hun buidel tasten.


“Een zwarte soldaat op een eenzame post” – M.J. Burema, de NSB-burgemeester van Hoogkerk

Als in 1935 de gemeente Hoogkerk wil gaan bezuinigen op het salaris van de lokale veldwachter, verzet het gemeenteraadslid M.J. Burema zich daartegen. Dat doet hij onder andere door het sturen van een ingezonden brief naar het Nieuwsblad van het Noorden, waarin hij een kenschets geeft van Hoogkerk en bovendien gewag maakt van het in elkaar slaan, aldaar, van een paar NSB-ers:

“Onze gemeente is geen rustige plattelandsgemeente, doch een gemeente waar door de groote industrieën en het veelvuldig verkeer van den politieman meer dan normale dienst wordt gevraagd; een gemeente, waar men nog wel eens op een relletje is belust; waar bepaalde elementen, zooals hier eenige weken geleden b.v. gebeurde, zich de luxe meenen te mogen permitteeren om het simpele feit, dat eenige jonge kerels uit Groningen colporteerden met „Volk en Vaderland” deze maar te kunnen mishandelen. In zoo’n gemeente ben ik er huiverig voor den ambtenaar, belast met de handhaving van het gezag, een minderwaardig salaris toe te kennen.”

Bij het nagaan van zijn antecedenten in de krantendatabank Delpher, bleek deze Michiel Jan Burema een tamelijk vooraanstaand figuur. Lokaal was hij actief als secretaris en later als voorzitter van de gymnastiek- en atletiekvereniging Hercules. Ook was hij voorzitter van de ijsclub, secretaris van het zoutwaterzwembad en secretaris van het Oranjecomité. Deze sportieve figuur had plaatselijk dus een vrij groot netwerk.

En dat terwijl hij helemaal nog niet zo lang in Hoogkerk woonde. Hij was in 1900 geboren in Drieborg (gemeente Beerta) als zoon van een boer en kocht na het doorlopen van de vierjarige HBS in Winschoten en de Rijkslandbouwwinterschool te Groningen in 1923 de grote boerderij Koningspoort, in de hoek tussen het Koningsdiep en het Hoendiep, waar nu de vloeivelden liggen van de Hoogkerker suikerfabriek. Deze boerderij ging door voor een “kleibouwplaats” – het meeste land dat erbij hoorde zal dus een stuk noordelijker hebben gelegen. Dat Burema akkerbouwer was, wordt bevestigd door kleine rubrieksadvertenties, waarin hij grote hoeveelheden stro van koolzaad, erwten, rogge, tarwe, gerst en haver aanbood, naast suikerbietenloof en capucijners. Toch deed hij ook in paarden en in mindere mate in vee, vermoedelijk deels als fokker.

Veelzeggend voor Burema’s status en aspiraties in Hoogkerk is zijn telefoonnummer: 1. Vanaf 1931 zat hij er in de raad namens een Algemeene Vrijzinnige Kiesvereeniging. Na de ARP en de SDAP, partijen die elk met drie zetels in de raad vertegenwoordigd waren, was deze club met zijn twee zetels de derde partij in de Hoogkerker gemeenteraad. Hoewel dus een nieuwkomer in Hoogkerk, kreeg Burema bij de verkiezingen van dat jaar 90 voorkeurstemmen. Zijn naam valt wat dat betreft als enige in de krant, waarschijnlijk ging het om het hoogste aantal voorkeursstemmen van alle kandidaten en wijst het aantal op een zekere populariteit, vooral bij boeren en middenstanders, want die stonden met name op de lijst van Burema’s kiesclub.

In elk geval ging Burema in 1935 nog door voor een vrijzinnig democraat, en daarmee links-liberaal. Bij de verkiezingen van dat jaar betoogde hij echter dat hij het lidmaatschap van de Vrijzinnig Democratische Bond had opgezegd. Die partij had zich op lokaal niveau verzet tegen het ontslag van een gehuwde onderwijzeres en was bovendien niet tegen het houden van politieke vergaderingen in de school. Vandaar de afscheiding van een aparte vrijzinnige kiesvereniging in Hoogkerk.

Naast het plaatselijke verenigingsleven en de lokale politiek ontplooide Burema zich in regionale landbouworganisaties. Zo was hij bestuurder van een Hagelverzekeringsmaatschappij, de Groninger Boerenbond en later Landbouw & Maatschappij.

Dat Landbouw & Maatschappij is berucht geworden als club die in fascistisch vaarwater raakte en daarin tal van boeren meezoog. Een van die boeren was Burema. Na de Duitse inval werd hij lid van de NSB en raakte als bestuurder van de Landstand, de gelijkgeschakelde boerenorganisatie, doordrenkt met de bloed en bodemideologie van de nazi’s. Burema werd zo geschikt geacht door de bezetter, dat die hem in januari 1942 tot burgemeester van Hoogkerk benoemde.

In de toespraak bij zijn ambtsaanvaarding verklaarde Burema dat het handhaven van orde en rust zijn belangrijkste doel was. Hij wilde loyaal samenwerken met de Duitse overheid als “soldaat van Mussert” en in het midden van zijn gemeente staan. De Oostfrontstrijders noemde hij zijn “kameraden” en hij zou korte metten maken met “saboteurs”. Onder de aanwezigen bij deze plechtigheid waren J. Maarsingh van Stadskanaal als gemachtigde van Mussert, de beruchte politiecommissaris Blank uit de stad en diverse kringleiders van de NSB. Een daarvan noemde Burema “een zwarte soldaat op een eenzame post”: “Immers, de nieuwe geest is hier nog niet doorgedrongen”. Ondanks zijn (vroegere) populariteit had Burema in Hoogkerk kennelijk niet zoveel politieke medestanders meer. Tot slot van de plechtigheid defileerden eenheden van de SS en de WA voor de nieuwe functionaris.

Als je op de kranten afgaat, wass burgemeester Burema vooral actief bij de regionale luchtbescherming. In oktober 1943 werd hij tevens waarnemend burgemeester van Marum, een gemeente waar nogal wat mensen neergeknald waren bij de April-Meistaking. Meteen na de Bevrijding, op 30 april 1945, werd Burema geschorst en in december definitief ontslagen als burgemeester en dat met terugwerkende kracht, want met ingang van 16 april van dat jaar.

In 1946 kwam eerst de vrouw van Burema voor het Tribunaal. Zij werd onder meer beticht van het collecteren voor Winterhulp en het verraden van een ondergedoken student. Ze ontkende dat laatste en deed het voorkomen alsof ze altijd tegen de bezetter was geweest, reden voor de aanklager om haar een Januskop toe te dichten. Het Tribunaal achtte de aantijgingen bewezen en veroordeelde haar tot de internering die ze tot dan toe onderging, met daarbovenop maar liefst 12.500 gulden boete en tien jaar ontzegging van het kiesrecht. Een maand later liet ze zich scheiden van haar man.

Burema zelf moest zich twee jaar later voor het Bijzonder Gerechtshof verantwoorden. De officier beschuldigde hem van het opstellen van gijzelaarslijsten, het doorgeven aan de Duitsers van namen van potentiële dwangarbeiders en het verraden van J. Giezen. Deze Giezen, een communist, was voor de oorlog gemeenteraadslid voor de CPH geweest, en had bij de April-Meistaking van 1943 een boer uit Peizermade, die rustig melk bleef leveren, de huid volgescholden. Dankzij Burema kreeg Giezen een enkele reis naar het concentratiekamp Buchenwald, dat hij net als vele anderen niet overleefde. Vooral dit geval legde gewicht in de schaal. Het Bijzonder Gerechtshof veroordeelde Burema in juli 1948 tot zeven jaar gevangenisstraf met aftrek van voorarrest, naast een levenslange ontzegging van het kiesrecht.

Na zijn vrijlating leefde Burema als stil burger en rentenier. Hij zou opnieuw trouwen en woonde met zijn tweede vrouw in Huize Maarwold in Haren. Hij overleed in 1984 in een ziekenhuis te Groningen.


Het verbod op straatvoetbal in Hoogkerk

Voetballende studenten in de Groninger Hoekstraat (2007).

Van de heilige Johan Cruyff weten we allemaal dat hij in het Amsterdamse Betondorp opgroeide en daar op straat voetballen leerde. Dat was in de jaren 50. Het aantal auto’s viel nog mee, langzamere voertuigen kon Cruyff gemakkelijk ontwijken. Of de buren het wel zo leuk vonden, weet ik niet. Er zal heus wel eens een bal door een raam zijn gegaan of in beslag zijn genomen.

Moest aan Cruyff en Betondorp denken, toen me vandaag een APV-artikel van de voormalige gemeente Hoogkerk onder de ogen kwam. Het spelen (gokken) om geld op de openbare weg was hier al verboden. Het college van B&W wilde nu, in april 1935, in één adem door het voetballen op straat verbieden. Zijn motivatie:

“Het mag voldoende bekend worden geacht, dat het verkeer langs de weg hiervan herhaaldelijk hinder ondervindt. Zozeer geeft men zich dikwijls aan dit spel, dat voorbijgangers voorzichtig moeten zijn om niet met de bal in aanraking te komen of zich de weg door de spelers te zien versperd. Ook eigenaren van aangrenzende percelen moeten het meermalen aanzien, dat de bal in tuin of soms ook tegen ruiten enz. wordt getrapt of geworpen. Het lijkt zeer nodig, hieraan paal en perk te stellen en te bevorderen, dat het voetballen plaats vindt op afgesloten terreinen ofwel terreinen, welke daarvoor meer speciaal zijn aangewezen.”

De Raad stemde in met het voorgestelde straatvoetbalverbod, maar de provincie deed dat niet. Althans niet wat betreft de plaatsing van dit verbod bij het verbod op het spelen om geld, omdat zodoende de suggestie zou worden gewekt dat alleen het voetballen om geld verboden was. De provincie achtte het voetbalverbod meer op zijn plaats bij het vechtverbod in een ander artikel van de Hoogkerker APV. En aldus geschiedde. De gemeenteraad van Hoogkerk trok zijn oorspronkelijke besluit in en besloot de APV als volgt aan te vullen:

“in artikel 30 wordt achter het woord “vechten” gelezen “voetballen”

Naderhand bleek dat men het voegwoordje ‘of’ voor ‘voetballen’ vergeten was, maar dat werd in een extra briefwisseling met de provincie alsnog rechtgezet.

Zo’n verbod op straatvoetbal markeert eigenlijk het moment dat voetbal in zo’n gemeente een heel brede volkssport geworden is. Wanneer zou het in Amsterdam oftewel Betondorp verboden zijn? Vast ook allang voor de oorlog. Ik denk dat er destijds in Nederland tal van gemeenten waren die voetballen op straat verboden. Die verboden zouden eigenlijk eens in kaart gebracht moeten worden. Het groeiende aantal stippen op die kaart staat dan voor de opmars, destijds, van de volkssport voetbal.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 1748 (archief voormaliger gemeente Hoogkerk) inv.nr. 1689 (mutaties APV).