Over de familienaam Tillema

Bij een Twittergesprek over oude tilnamen, kwam CC namens Delpher aan met een knipsel uit het Nieuwsblad van het Noorden de dato 2 april 1930:

Bij Warffum had je dus een ‘Pietstil’ en volgens de krant was die naam afkomstig van een Piet Sikkes Tillema, die rond 1880 in een boerderijtje bij de brug zou hebben gewoond.

Die brug, bleek al gauw, bestaat nog steeds en ligt vlakbij Onderdendam in de weg naar Winsum over het Warffumerdiep. Alleen heeft een Piet Sikkes Tillema nooit bestaan. Waarschijnlijk ging het om een Pieter Sikkes Woest, die er rond 1800 met vrouw en kinderen woonde. Juist in die tijd wordt de tilnaam, naar het zich laat aanzien, ook voor het eerst genoemd.

Maar Woest is geen Tillema, en een goed deel van het stukje kan je daarmee afdoen als speculatief: de vermoede samenhang tussen familienaam en til bestond immers niet.

Wel echter, is er in het algemeen iets te zeggen over de familienaam Tillema in samenhang met tillen. Volgens de telefoonboeken van 2007 is die familienaam typisch noordelijk. Vooral in enkele Groninger gemeenten komt hij veel voor:

Bij de Volkstelling van 1947, toen veel familienamen nog lang niet zo waren uitgezwermd als in 2007, bleek de familienaam Tillema zelfs typisch Gronings:

Maar liefst 295 van de 480 gezinshoofden die destijds de familienaam Tillema droegen, oftewel 61,5 %, woonden in Groningen. De provincies Zuid- en Noord-Holland volgden met 10 à 11 % en Friesland met een schamele 6,7 %. Schamel, omdat ook in Friesland menige brug een til werd genoemd. Buiten Groningen en Friesland gebeurde dat nauwerlijks.

De oudste naamdragers landelijk woonden volgens WieWasWie ook in Friesland: tussen Leeuwarden (1638) en Achtkarspelen (1783) komen alleen wat meldingen uit Harderwijk voor. De eerste Groningers met de achternaam Tillema dienden zich, als we afgaan op Alle Groningers, pas daarna aan: in 1797 te Uithuizen), in 1803 in de Stad Groningen, in 1807 in Hoogezand en Kropswolde en in 1811 te Winsum, Loppersum en Zuidhorn.

Groningen had dus niet de oudste Tillema’s, maar de familienaam kreeg hier in het tijdperk van de burgerlijke stand, na 1811, wel de allergrootste verspreiding. Waar de naam zich concentreerde, is mooi te zien als je de heatmap-functie van Alle Groningers aanzet:

Het Noorden van Hunsingo, globaal tussen Winsum en Uithuizen, is het gebied waar je de Tillema”s vooral kon vinden en verder waren er clusters in de Oude Veenkoloniën ten zuiden van het Winschoterdiep. Waarschijnlijk ging het om meerdere families, die gemeen hadden dat ze rond 1811, toen het nemen van een familienaam verplicht werd, in de buurt van een til woonden. Dit zullen mogelijk ook de gebieden zijn geweest waar de term til voor een boogbrug of hoogholt met een ‘opgetild’ brugdek hoog boven water, het meest in zwang was.


Monumentenwel & -wee in Tolbert en Marum

Gister zijn bij Fredewalda in Tolbert de oorlogsschilderingen op het betonnen mestbassin officieel opgeleverd. Ze vervullen een educatieve functie.

Luchtafweergeschut, in 1940 geplaatst bij de pastorie van Tolbert:

Katrijn Huizinga (1908-1990), die in de oorlog actief was voor de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers (LO) en het Nationaal Steunfonds Verzet. Op 30 juni 1944 werd ze bij een huiszoeking door Landwachters opgepakt en belandde via het Scholtenshuis en Kamp Vught in het vrouwenkamp Ravensbrück en het al even beruchte Dachau. De fiets waarmee ze haar illegale werk deed (zoals het verspreiden van buitgemaakte distributiemateriaal en illegale lectuur), was een Fongers:

Een onderduikershol:

Twee joodse kinderen uit het dorp, op weg naar een vernietigingskamp in Polen:

Helaas is enige educatie over de oorlog in het Westerkwartier wel nodig, gezien het feit dat er afgelopen weekend vernielingen zijn aangericht bij het oorlogsmonument dat bij Marum de herinnering aan enige gefusilleerde slachtoffers levend houdt. Zo te zien betreft het een belendend bankje, en niet het monument zelf. Dat het stuk ongeluk, dat hiervoor verantwoordelijk is, maar veroordeeld mag worden tot zoveel rondjes om de Tolberter mestsilo, dat hij levenslang draaierig blijft.


Fredewalda belicht communicatie in de oorlog

Fredewalda, de ‘oudheidkamer’ van het dorp Tolbert, heeft momenteel een tentoonstelling over communicatiemiddelen in de oorlog, die voorlopig vanwege de corona alleen op zaterdagmiddagen te zien is, na digitale aanmelding. Het loopt er niet echt storm en dat is jammer, want er zijn bijzonder aardige dingen te zien. Zoals:

  • Dit tafellaken waarmee de Bevrijding werd gevierd:
  • Het lichtkogelpistool van het RAF-bemanningslid Robert Mower, die in de oorlog met zijn vliegtuig neerstortte bij de Auwemalaan in Tolbert:
  • De kepie van Jan Cazemier, een vroegere bewoner van de Cazemierboerderij waarin Fredewalda nu is gehuisvest, Jan droeg deze op 10 mei 1940, toen hij bij Coevorden lag en de Duitsers over de grens kwamen om ons land vijf jaar lang te bezetten:
  • Een Philips buizenradio uit het begin van de oorlog – met op de display lang verdwenen zenders zoals Beromünster:
  • Postzegels met Germaanse symbolen, ontworpen door de kunstenaar Pyke Koch, die na de oorlog jarenlang niet meer mocht exposeren:
  • Een houten postduif:
  • De brievenbesteller Bralt Hovinga, die tevens schoenmaker, barbier en klokkenluider was:
  • Dit later ingevoerde uniform van de postbodes die in dienst waren bij het staatsbedrijf der PTT:
  • Een kapperswinkel op zolder:
  • Een kinderwagen:
  • Met daarin een dubbele bodem voor het stiekem kunnen vervoeren van illegale bladen:
  • En dit lichtgevende molenspeldje van WHN (Winterhulp Nederland), zodat je in het donker goed kon zien dat er een NSB’er of andere landverrader aankwam:

Een ‘tobruk’ bij de Westerwoldse Aa

Bij Nieuwe Statenzijl aan de Westerwoldse Aa ligt deze holle klomp beton met een gat boven en een gat opzij. Het betreft een ‘tobruk’, een Duits prefab schuttersputje uit 1944 voor één man met een machinegeweer. Deze Italiaanse uitvinding werd ten tijde van de woestijnoorlog overgenomen door de Duitsers.

Oorspronkelijk lag deze tobruk aan de Duitse kant van de Aa, maar bij de kanalisatie van een paar jaar geleden is hij aan de Nederlandse kant komen te liggen. Er staat een informatiepaneel bij. Zoals u ziet denken sommige passanten echter, dat het om een wat vreemd gevormde afvalbak gaat.


Duitse trekarbeiders in Groningerland (1811)

GemeenteAantal hierMaandenHerkomst (dep.)Werk
Stad Groningen104aprLippe, Weser, Boven-Eems 
Haren7apr-junLippe, Hannover, Boven-Eemsvenen
Hoogezand65apr-oktWeser, Lippevenen
Noorddijk60mrt-oktBoven-Eemsvenen
Aduard8apr-augLippe, Blombergtichelen
Ezinge10mrt-oktLippetichelen, weven
Grijpskerk22mrt-novLippe, Bentheimweven e.a.
Oldehove2mrt-oktLippeweven
Zuidhorn6jun-augHannoverhooien
Grootegast2apr-aprOldenburgvenen
Leek100apr-junLippe, Osnabrückvenen
Marum5mrt-oktBentheimweven
Oldekerk7mrt-novWestfalenvenen
Noordbroek4mrt-novBoven-Eemsweven, metselen
Veendam-Wildervank575mrt-junBoven-Eemsvenen
Zuidbroek20mrt-novLippetimmeren, schoenmaken kleermaken, venen
Beerta40aug-novJemgum, Weeneroogsten
Midwolda50apr-novBoven-Eems, Lippevenen, oogsten, timmeren
Nieuwolda110apr-oktBoven-Eems, Lippeoogsten ea veldwerk
Scheemda13mei-augBoven-Eems,  Lippetichelen, timmeren, weven
Termunten60jun-augBoven-Eems,  Lippetichelen, timmeren, weven
Winschoten40mrt-oktBoven-Eems,  Lippetichelen
Bellingwolde9apr-novBoven-Eemstimmeren, weven
(Oude) Pekela250apr-julLippevenen, timmeren

Zoals we hebben gezien, was er vooral trekarbeid vanuit Groningerland in het hooiseizoen, zo’n beetje vanaf de langste dag tot eind juli wanneer thuis het oogstwerk op de korenvelden begon. Waarschijnlijk trokken de Groningers eind juni mee met de stroom van Duitse hannekemaaiers naar Friesland en Holland, waarbij hun bescheiden aantallen – ruim 220 in totaal anno 1811– tegen die van de Duitsers in het niet vielen, vandaar dat je ook nooit over Groninger hannekemaaiers hoort of leest.

Een seizoen eerder, tijdens de campagne in de venen die van eind maart tot eind juni duurde, zat Groningerland anno 1811 duidelijk aan de ontvangstkant van Duitse arbeiders. Dat waren er ook veel meer dan Groningers die elders gingen hooien. Alleen al in de gemeente Veendam-Wildervank, waaronder het oudste deel van Stadskanaal viel, werkten er in de turfgraverijen maar liefst  575, in Oude Pekela 250, in Leek 100 en in Hoogezand 60. Deze kwamen vooral uit het gebied rond de bovenloop van de Eems en Lipsland (bij Bielefeld en Detmold), of breder: het stuk Westfalen ter hoogte van Westerwolde en Drenthe. Veelal ging het om armelijke boertjes en hun zonen. Waarschijnlijk trok een flink deel van deze trekarbeiders eind juni door naar Friesland en Noord-Holland om daar te hooien, als het veenwerk in Groningerland erop zat. Het noordelijker gelegen Oost-Friesland wordt daarentegen nauwelijks als brongebied van trekarbeiders genoemd, eigenlijk alleen in een specifiek geval (Beerta, waarover straks meer).

De Lipskers staan vooral bekend om hun werk in tichelarijen (of steen- en pannenbakkerijen), maar dat was duidelijk lang niet hun enige, laat staan hun voornaamste inkomstenbron hier. Een kleiner deel zal vanuit de venen naar de veldovens op de grens van veen en klei zijn doorgestroomd en bleef dan soms hangen tot diep in het najaar.

Naast veenarbeiders en tichelwerkers kende Groningerland in het zomerseizoen een flinke instroom van Westfaalse ambachtsknechten, vooral wevers, maar ook bouwvakkers of timmerlui. In Grijpskerk (22) en Marum (5) wordt als herkomst van de wevers Bentheim genoemd, net over de grens bij Twente. In Drenthe kwamen de wevers ook nogal eens uit die regio.

De ‘Velingen’ (scheldnaam voor Westfaalse Duitsers) assisteerden veel minder vaak bij de graanoogst, grofweg in augustus. Eigenlijk hielpen ze uitsluitend in Nieuwolda (110) en Midwolda (50) bij het graanzichten, terwijl de polderboeren in het nabije Beerta daarrvoor arbeiders (40) uit het noorden van het nabije, ingelijfde Reiderland (Jemgum, Weener) inzetten. Het kleigedeelte van het Oldambt was daarmee al met al het enige gebied met korenzichters van over de landsgrens.

Tot slot nog een curiositeit. Hooien als werk voor Duitse trekarbeiders wordt louter in Zuidhorn genoemd. Terwijl daar in de hooitijd 4 ‘inboorlingen’ naar de campagne in Friesland gaan, komen er vanuit het Hannoverse 6 mannen over om in Zuidhorn mee te helpen met het maaien. Hooien was net als korenzichten vaak aangenomen werk (vaste prijs per oppervlakte-eenheid per perceel). Blijkbaar konden de Zuidhorners in Friesland meer beuren dan thuis, terwijl de aanneemsommen in Zuidhorn nog interessant genoeg waren voor een ploegje Hannoveranen.


Groninger ‘hannekemaaiers’ (1811)

Ik heb hier wel eens beschreven hoe er rond 1900 jaarlijks honderden landarbeiders uit het Oldambt naar Friesland trokken, om daar in juni en juli als ‘hannekemaaiers’ mee te helpen met de hooioogst. Zeker is wel dat het er eerder lang niet zoveel waren, maar vandaag vond ik in het archief van de opeenvolgende ministeries van Binnenlandse Zaken uit de Bataafs/Franse periode cijfers die een meer precieze indruk geven hoe het daar in 1811 mee was gesteld. Deze heb ik voor Groningerland samengebracht in dit staatje:

Gemeenten WesterkwartierAantalMaandenWaarheen
Zuidhorn4jun-augFriesland
Grootegast20jun-augFriesland
Leek20jun-julFriesland
Marum13jun-julFriesland
Oldekerk4jun-julFriesland
Gemeenten Wold-Oldambt   
Noordbroek10jun-julFriesland
Zuidbroek30jun-augFriesland
Beerta10jun-augFriesland
Midwolda10jun-julFriesland
Scheemda10jun-augFriesland
Winschoten20jul-augZuiderzee
Bellingwolde15jun-augFriesland
Oude Pekela20jul-augFriesland
Nwe Pekela30jun-augFriesland + Zuiderzee
Nieuweschans2mei-junFriesland

Deze trekarbeid bleef toen qua herkomst beperkt tot het zuidelijke deel van het Westerkwartier en het klei-gedeelte van het Oldambt met de Pekela erbij. In totaal ging het om ruim 220 arbeiders. De trek begon in juni, als er weinig werk in de akkerbouw was en de campagne in de venen afliep, maar kon tot in augustus duren, waarschijnlijk vooral als de graanoogst thuis wat langer op zich liet wachten.

Friesland blijkt niet de enige bestemming te zijn geweest, want er waren ook arbeiders die naar het Departement van de Zuiderzeee trokken, dus Noord-Holland. Deze wat meer reisbeluste arbeiders kwamen met name uit Winschoten en de Pekela. Per gemeente ging het hooguit om enkele tientallen personen, dus enkele ploegen volk. Zuidbroek (met Muntendam) en Nieuwe Pekela waren de belangrijkste leveranciers. Vergeleken bij de Drentse veenkolonies Smilde (150 trekarbeiders) en Hoogeveen (50) viel het nogal mee, wat zich vanuit Groningerland westwaarts begaf.

Naschrift: De Dokkumer Sneuper deed op Twitter deze suggestie: Supersneuperzeesluis op Twitter: “@Gelkinghe Die Pekelders die verder reisden hadden wellicht meer scheepsvervoer ter beschikking?” / Twitter

Daar zit wel wat in.


Paal en perk aan klokgelui

Bij het vorige stukje, over het illegale klokluiden te Lagemeeden op Prinsjesdag, vroeg ik me af hoe dat vòòr de Bataafse Revolutie van 1795 geregeld was. Wat betreft de orangistische Ommelanden kon ik het niet vinden, maar het stadsbestuur had er in 1789 paal en perk aan geteld in de even orangistische stadsjurisdicties.

Dat voorts de aangestelde klokluider zal hebben den klokke te luiden op de verjaardagen van Zyne Doorluchtige Hoogheid, den Heere Prince Erfstadhouder, en Mevrouw de Princesse van Orange in drie posen, als ’s morgens van agt tot negen uur, ’s middags van twalv tot één uur en ’s avonds van vyf tot zes uur

Aldus de klokluidersregeling voor de stadsjurisdicties (Gorecht en Sappemeer, de beide Oldambten) die uitgevaardigd werd op 20 juli 1789. Lettend op het jaar, zo vlak na de Oranje-oproeren van najaar 1787 tot in het voorjaar van 1788, moet de regeling (mede) ingegeven zijn door het gebruik van de dorpsklok in deze contreien als middel tot alarmering en oproeping van oranjeklanten. Die reden noemt het stuk echter wijselijk niet. Wel maakt het gewag van

het geweldig en ongestadig trekken der klokken in de Stadsjurisdictiën, ’t welk door de nabuuren geschied [die] daartoe dikwyls onkundige gebruiken en waardoor meermaalen de klokken kwamen te bersten, die dan hergooten moesten worden.

Dat laten hergieten van klokken kostte nogal wat geld. Vandaar dat de kerkvoogden in ieder kerspel een officiële klokkenluider moesten aanstellen, die voortaan nog als enige de klok mocht luiden bij overlijdens, begrafenissen en  ceremoniële gelegenheden. Bij een overlijdensgeval van iemand, ouder dan 12 jaar, was dat een half uur in twee pozen ’s morgensvroeg om acht uur, wat dan enkele dagen later onmiddellijkvoor en na de begrafenis herhaald werd. Hier verdiende de klokluider zelf 6 stuiver mee, te betalen door het sterfhuis, terwijl de kerk er 3 kreeg.  Bij een jonge dode was dat tarief gereduceerd tot respectievelijk  4 en 2 stuivers, terwijl de luidperioden gehalveerd waren tot een kwartier op zowel de sterf- als de begrafenisdag.

Naast de Oranje hoogtijdagen werd er nog voor Groningens Ontzet geluid, hier op het platteland te vieren op de eerste zondag na de 28e augustus. Geluid wed er dan tussen 5 en 6 uur ‘s middags. Voor de rest bleef alles bij het oude.

De kerkvoogden moesten dit reglementje stipt laten uitvoeren en nakomen en er vooral voor zorgen dat geen onbevoegden nog aan de klepeltouwen hingen.


Ongewenst klokgelui op Lagemeeden

Op donderdag 8 maart 1804 werd tot twee maal toe langdurig de klok van Lagemeeden geluid. Tien jaar eerder was dat nog traditie op die datum en zou niemand ervan opgekeken hebben. Het was immers Prinsjesdag, de verjaardag van prins Willem V, de stadhouder. Maar die leefde al tien jaar in ballingschap. Sterker nog: inmiddels had de prins zich door Napoleon laten afkopen met een Duits vorstendommetje en daarmee de Bataafse republiek erkend. Zijn aanhangers had hij bovendien de vrijheid gegeven om binnen het nieuwe staatsbestel samen te werken met het ‘patriotse’ bestuur. Desondanks waren er ook nog altijd vurige oranjeklanten gebleven, die hoopten op een terugkeer van de oude orde. Via dat klokgelui demonstreerden die waar hun sympathie lag. En dat zat de autoriteiten niet lekker, zulke politieke manifestaties waren nog steeds verboden.

De drost van het Westerkwartier besloot de zaak in onderzoek te nemen. Hij stuurde zijn fiscaal (aanklager) naar Lagemeeden voor het inwinnen van informatie. Ook kregen de boer die het dichtst bij de kerk woonde en de schoolmeester van Lage- en Hogemeeden een uitnodiging om in het gerecht een verklaring af te komen leggen.

Die buurman is hier wel eens ter sprake gekomen vanwege een parkeerkwestie. Wat de schoolmeester ermee te maken had, is een raadsel, want die woonde bij de school op Hogemeeden (waarschijnlijk in Den Horn). Maar er waren wel vaker klachten geweest over het “ergerlijk gedrag” van deze Hidde Pieters Feringa, onder andere omdat hij een bevindelijke oefenaar toestond godsdienstige bijeenkomsten in zijn school te houden. Op de orthodox-bevindelijke flank van de hervormde kerk zaten de fanatiekste aanhangers van het Huis Oranje. Zou meester Feringa misschien de hand hebben gehad in het politiek ongewenste klokgelui?

Op 21 maart beoordeelde de drost de verschafte informatie als onvoldoende. De kerkvoogden Enne Everts en Jacob Abels kregen eveneens een uitnodiging om een verklaring voor het gerecht af te komen leggen.

Op de eerste rechtdag na de Paasvakantie – 11 april – meldden die “dat zij geen beheringe of toeverzigt hadden over de klokstoel” die in Lagemeeden aan de westkant van het kerkhof stond. Bij de scheiding van de kerkgoederen tussen de diverse gezindten in 1797 was de kerk van Lagemeeden uiteraard aan de hervormden gebleven, maar de klokkestoel onder een aparte, gezamenlijke beheerscommissie geplaatst, die bestond uit Tijmen Jans van de Lagemeeden en Roelf Sinninge van de Hogemeeden. Ook deze twee kregen nu een oproepje om voor de drost te verschijnen.

De kerkvoogden maakten intussen nog even van de gelegenheid gebruik om te klagen over schoolmeester Feringa. Die zou “dikwijls nalatig” zijn in het afsluiten van de Lagemeedenster kerk na de  godsdienstoefeningen aldaar. Dat het godshuis goed dicht was, achtten de kerkvoogden noodzakelijk, ook vanwege het armblok in de kerk – een soort houten kluis voor de diaconale collecte-opbrengsten, gezekerd met veel ijzeren beslag. De meester weigerde hun orders te gehoorzamen, zo luidde de klacht van de kerkvoogden.

Op 18 april hoorde de drost Timen Jans en Roelf Sinninge als volmachten van de Legemeedenster klokkestoel over het illegale klokgelui op prinsjesdag.  Ze namen de verantwoordelijkheid op zich, zo verklaarden deze,

om tegen alle gelegenheden, bij welke dat misdrijf wederom zoude kunnen plaatshebben, het kloktouw eraf te nemen

De drost liet aantekening van deze belofte maken in de gerechtsakten. Ook onderhield hij meester Feringa over de klacht van de kerkvoogden, gaf de pedagoog zijn “welmening” te kennen en gelastte hem “op het ernstigste” om voortaan de kerk na iedere dienst goed af te sluiten. Waarschijnlijk heeft Feringa daar keurig aan voldaan. We horen immers geen nieuwe klachten.

Bronnen:

  • Groninger Archieven, Toegang 735 (gerechten Westerkwartier) inv.nr. 610: notulen criminele zittingen 1803-1806, die van 14 en 21 maart, en 11 en 18 april 1804.

“Hoerkind” wordt vondeling

In het doopboek van Nieuwolda staat op 12 maart 1779 aangetekend:

“Thobias Philippus, geboren 8 juni 1778, zijnde een hoerkind, zoon van Aaltjen Thobias, die betuigde dat Philippus Jans deszelfs vader was.”

“Hoerkinderen”, zeg maar liever kinderen van ongehuwde moeders, kwamen destijds überhaupt al weinig voor, maar dat de moeder hier bij de doop de vader van haar kind aanwees, was helemaal zeldzaam. Tenminste, ik ken slechts twee andere gevallen, en vraag me af of er ook in dit geval in Nieuwolda geen rechtszaak is geweest. Bijvoorbeeld van de moeder tegen de vader van haar kind om alimentatie, of van de (vermeende) vader tegen de moeder vanwege eerroof of laster. Helaas ontbreken de rechtdagprotocollen die er uitsluitsel over zouden kunnen geven, zodat we dat niet gewaar kunnen worden. In elk geval zaten er ruim acht maanden tussen de geboorte en de doop van het kind, wat extreem lang is en ook wel eens op bezwaren van ds. Siertsema kan wijzen. Wel noteerde die zonder mankeren Philippus Jans als vader. Of Philippus daar zo blij mee was?

Bij de doop van haar zoontje legde de ongetrouwde Aaltjen Tobias zegge en schrijve één stuiver in het doopbekken, zo’n beetje de laagst mogelijke doopgift aan de armen. Aaltje was 25, dus net meerderjarig naar de maatstaven van die tijd. Haar vader was de hondenslager, puistentreder en schoonmaker van de kerk in Nieuwolda “Luttie Tobiejes” oftewel Kleine Tobias Hindriks, die af en toe steun van de diaconie kreeg, als hij van zijn werk in de kerk en elders niet rond kon komen.

De maatschappelijke  positie van Aaltjen Tobias was dus zeer bescheiden. De man die haar bezwangerde, Philippus Jans, was getrouwd en stond een stuk hoger op de maatschappelijke ladder, zo mogen we opmaken uit de doopgiften die hij in 1767, 1770 en 1778 bij de doop van zijn echtelijke kinderen deed aan de armen van het dorp: steeds minstens een gulden, een bedrag, kenmerkend voor een betere middenstander of kleine boer. Wie weet was Philippus Aaltjes baas geweest – er moeten praatjes zijn rondgegaan.

Zoals wel vaker, werd het “hoerkind” niet oud. De kleine Tobias was nog geen 2, toen hij op 16 februari 1781 bij de lokale kerk ter aarde werd besteld:

Aaltjen Tobias haar vondling begraven

In het bekken op het kerkhof lagen na afloop van de plechtigheid 5 stuivers en 5 duiten, de laagste opbrengst van een begraafcollecte in dat diaconale boekjaar 1780/1781. Veel volk zal er niet bij zijn geweest.

Met Aaltje Tobias kwam het althans in materiële zin nog goed. Ze trouwde een Jannes Bron(d)sema, met wie ze weldra een dochtertje kreeg. Gezien de lage gift aan de armen bij de doop van dat kind was deze Bronsema arbeider. In 1787 kochten hij en zijn vrouw een huisje, dat verhuurd was geweest aan een jood. Het kostte 525 gulden en deed eerder 36 gulden huur per jaar. Voor een arbeidersgezin was dat een ruim bezit.

Rest nog een opmerking over die term ‘vondeling’, in 1781 in het begraafboek. Voor ons gevoel is die onterecht en misplaatst: van de kleine Thobias was immers zowel de moeder, als de vader bekend. Door zijn moeder was hij ook niet in de steek gelaten, laat staan dat hij ergens gevonden was. De term ‘vondeling’ echter, vond zo’n twee eeuwen terug wel vaker een nogal ruime toepassing. Mijn oudste voorvader van moederskant werd begin negentiende eeuw ook zo genoemd, terwijl diens moeder wel degelijk bekend was.


Hondenslager, puistentreder en kerkschoner

Dit postje staat in de kerkvoogdijrekening van Nieuwolda over 1787. We kunnen er allereerst uit opmaken dat de boekhouder der kerkvoogdij een mondje Gronings sprak.

De Tobias Hindriks waarvan hier sprake is, heette, om hem van Lange of Grote Tobias Uuntjes te kunnen onderscheiden, ook wel “Luttie” of Kleine Tobias. Bij de diaconie noemden ze Tobias Hindriks bovendien wel “hontslager” – hij moest ervoor zorgen dat al te heilbegerige honden de kerkdeur niet binnen konden lopen tijdens een plechtige godsdienstoefening.

Een tweede rol van Tobias Hindriks was die van “puistentreeder” – Tobias bediende de blaasbalg van het pas verworven, fraaie orgel in de kerk van Nieuwolda. En ten derde verkreeg hij nog arbeidsloon uit “kerk schoonen”, zoals postjes elders in de kerkerekening bewijzen..

Met deze werkzaamheden verdiende Kleine Tobias ruim tweederde van een arbeidersjaarinkomen. Ongetwijfeld zal hij ook buiten de kerk nog zijn klusjes hebben gehad.

Rest nog de vraag hoe Tobias het puistentrederschap met de hondenslagerij combineerde. Op de orgelbeun kon hij toch nooit goed “deur oppassen”, zou je denken. Als er een hond de kerk inliep, trippelde die vast al bij de kansel op het koor voordat Tobias de beun af was.

Naschrift:

In 1797 wordt het ambt van Tobias verbaal opgewaardeerd. Hij verdient dan 25 gulden van de kerk “weegens polijsijamt en balkenist”.


Oudste en jongste in het graf

Op 31 juli 1767 zijn er twee begrafenissen op het kerkhof van Nieuwolda, iets wat er vrij zelden voorkomt. Enerzijds gaat het om het zoontje Edzo van de schatbeurder Harm Edzes. Edzo was slechts veertien dagen oud geworden. Na afloop van de uitvaart ligt er ruim 5 gulden in het begraafbekken dat de de diaconie op het kerkhof opstelde.

Bij de teraardebestelling van Sijbrig Stoffers is de opbrengst voor de armen van Nieuwolda ongeveer de helft van dat bedrag. Dat ligt niet aan haar leeftijd, want ze is 93 jaar mogen worden. De boekhoudende diaken schrijft:

Dese twie overledenen waren op dese tijd de jongste en de oudste in onse Dorp…


Hindrik Latijn

En daar duikt opeens een Hindrik Latijn op in de diaconierekening van Nieuwolda. Zijn doopgift op 10 oktober 1784 van een sestehalf (=5,5 stuiver), destijds traditioneel voor kleine middenstanders, steekt nogal mager af bij de omringende: allereerst natuurlijk bij de daalder van “doctor” Van der Molen, die een paar jaar later pardoes zijn dienstmeid door het hoofd zou schieten, maar des te meer nog bij de ducaat (5 gulden en 5 stuivers) die afkomstig was van ‘dikke’ boeren als Harm Smeedes, F. Fockens en Pieter Jans.

Met die achternaam Latijn heeft Hindrik Alle Groningers niet gehaald. Bij de inschrijving op die datum van zijn dochter Engeltje in het doopboek staat de naam Hindrick Hansen. Als achternaam staat Latijn slechts één keer in Alle Groningers, namelijk bij de ondertrouw, in 1682, van een Denijs Latijn met een Catharina Hindricx. Deze Denijs Latijn kwam van Rouen, en zijn eigenlijke naam zal wel op z’n Frans Denis Latin zijn geweest. Diens verloofde was oorspronkelijk afkomstig uit Gulikerland. Eerder was weduwe van een Isaack van Sameur (Saumur). Mogelijk ging het bij dit stel dus om Hugenoten, al moest de grote vluchtelingstroom van gereformeerden uit Frankrijk toen nog op gang komen.

Tussen de stad-Groninger ondertrouw van Denijs Latijn en de melding van Hindrik Latijn te Nieuwolda zit ruim een eeuw waarin de achternaam Latijn niet in Groninger doop-, trouw-, en begraafboeken staat. Kwam Hindrik dan van elders? Best mogelijk, bij WieWasWie blijkt immers dat er in de tweede helft van de achttiende eeuw voornamelijk in Leiden een familie Latijn leefde.

Maar het lijkt ook wat onwaarschijnlijk dat zo’n Leidse Latijn, of all places, opeens in het Groningse Nieuwolda verzeild raakt. Ik denk daarom dat de achternaam Latijn bij de doopgift van 1784 een bijnaam is. Hindrik zal af en toe een mondje boven zijn stand hebben gepraat en met de bijnaam Latijn beloonden zijn dorpsgenoten Hindriks al te geleerde aspiraties.


Inentingstoebereidselen

Het encyclopedische woordenboek van Chomel uit 1778 bevat een lang artikel over “inenting der kinderpokjes”, dat Groningen en Petrus Camper nogal eens noemt. Mijn oog bleef haken bij een passage over de voorbereiding tot de handeling – de heren onderzoekers dachten destijds heel verschillend over nut en noodzaak daarvan:


Baksteen uit De Helle voor Groninger kerken

Kaartje van De Helle (nu Terheijl) en omgeving in de Middeleeuwen, gemaakt door alle latere toevoegingen, zoals Nienoord, de veenkolonie Leek en Nietap, te verwijderen uit een kaartje dat Beckeringh ca 1750-1760 vervaardigde. NB: de oriëntatie is de omgekeerde van de gebruikelijke: zuid is hier boven en noord is onder. Je moet dus als het ware kijken vanuit Nienoord, dat onderaan het kaartfragment stond, maar dat is weggepoetst.

De Helle lag op Drents grondgebied in de hoek tussen enerzijds de landweg Roden-Tolbert/Midwolde en anderzijds het grensriviertje De Lek tussen Drenthe en het het Vredewold. Dat was in the middle of nowhere. De dichtstbijzijnde nederzettingen waren de buurtschap De Zulthe onder her kerspel Roden aan de Drentse kant en Tolbert/Midwolde aan de Vredewoldster kant. Deze uithoek bestond tot ongeveer 1300 voornamelijk uit een onontgonnen wildernis van hoog- en laagveen en heide.

De reden dat het grote klooster Aduard destijds hier een uithof vestigde, was, zoals bekend, dat er aan de oppervlakte potklei gevonden werd, terwijl er ook turf kon worden gewonnen. Met de turf verbakten de bewoners van de uithof in veldovens de potklei tot bakstenen en dakpannen, waarmee bijvoorbeeld de prachtige romanogotische kerken van Groningerland werden gebouwd.

De uithof van De Helle was geheel en al georiënteerd op Aduard in het noorden, zoals je ook kunt zien aan het doodlopen in het veen van een weg naar het zuiden (nu de Scheperij). Via het dichtstbijzijnde bevaarbare punt van de Lek – misschien bij de boerderij Romen, of anders nog wat dichterbij het Zulthermeer (nu Leekstermeer) – en verder het Leekstermeer, de Munnikevaart en de Gave bij Oostwold, de Zuidwending, het Aduarderdiep en de Lindt gingen de producten naar Aduard, waar ze werden gebruikt en verhandeld.

In 1807 is uithof De Helle allang veranderd in een havezate of buitenhuis Terheijl, dat intussen ook aanzienlijk uitgebreid en verfraaid werd, maar een lijstje van de dan door de eigenaar zelf geëxploiteerde percelen (Drents Archief OSA 1513), laat zien hoe het verleden nog in de veldnamen voortleeft. Bij het Huis Ter Heyl en zijn hoven en singels horen dan:

  • De Duivekamp, bos(s)ie en Osseboerskamp
  • De Rutsche camp
  • De Vagevuur kamp
  • De Tichel kamp
  • De Sante(e)’s kampen
  • Leekster veld
  • 4 campen bij de Nietap
  • ’t Zuyderveld en -veen
  • 10¾ waaren (aandeken) in ’t gescheyden veen
  • ’t Baggelveld

De onderstreepte namen, komen ook voor op de veldnamenkaart van Wieringa, ca. 1970 (zie HisGis). Opvallend zijn het Vagevuur (dat als het ware reageert op De Helle, ooit een schansje)  en de Tichelkamp, een plek waar potklei zal zijn gewonnen. Het Leeksterveld, het Zuiderveld, het Baggelveld en de naamloos gescheiden venen hebben te maken met de winning van turf. Toch zullen deze venen niet allemaal al in de Middeleeuwen in exploitatie zijn genomen. Het Zuiderveld ten zuidwesten van De Helle, en het |Leeksterveld even over de provinciegrens kwamen pas veel later aan snee. Het Baggelveld, dichter bij de uithof, heeft dan wat betere papieren, ook omdat baggelen duidt op laagveenderij (vanonder de grondwaterspiegel vandaan), die een turf met een hogere calorische waarde voor de steenbakkerij opleverde. Verder lijken ook de Santeekampen – overgenomen van of gepacht door de ondernemersfamilie Santee – een aanwinst uit een veel jongere periode, ik schat tweede helft achttiende eeuw..

Een Jan Smit bracht in 2012 de hem bekende veldnamen van Terheijl e.o. in kaart (pdf) voor Staatsbosbeheer:

NB: dit kaartfragment heeft wel weer de gewone noordzuidoriëntie. Afgezien van het Zuiderveld, het  Leeksterveld en het Baggelveld, maar inclusief de diverse in 1807 ongenoemd gebleven Hellen, liggen de in 1807 genoemde percelen in een  opstrek tegenover het huis, zeker als we de Santeekampen niet meerekenen. Met de kampen onmiddellijk ten westen en zuiden van het huis die in 1807 evenmin worden genoemd (Olle Tuun, Heerskamp, Klaverkamp) en  met de eveneens ongenoemde Klaaiedobben, de Voorste Ganzenkamp en wellicht het Baggelveld aan de westkant moeten ze behoord hebben tot de middeleeuwse uithof De Helle, waar dus die kloostermoppen vandaan kwamen voor onze prachtige oude Groninger kerken.

 


Oldambtster landarbeiders en hun verdiensten

Dagloners bij het bieten poten op het land. Nieuw-Scheemda, jaren 30. Collectie Groninger Archieven 818-10704.

Bij de landarbeidersstaking van 1907 in het Oldambt publiceerden verschillende kranten loongegevens. Die uit de Land en Volk van 8 mei 1907, nogal onoverzichtelijk achter elkaar opgeschreven, heb ik hieronder in tabel gebracht en wat nader toegelicht:

Jaarlonen in guldens volgens zegsman te:
Arbeider Beerta Boer Beerta Arbeider? Finsterwolde Boer Nieuw-Scheemda Boer? Nieuw-Beerta
Boerenknecht 150 à 160 160
Boerenmeid 90 à 100 100
Arbeider vast 305 320 294 325 390
Arbeider los 280 370 294+ 350 400+
Vrouw 70 67,50 à 57,50

Met boerenknechten en boerenmeiden werden bedoeld het op de boerderij inwonende, ongetrouwde personeel van in de regel zo’n 12 à 25 jaar oud. Opgegeven zijn de maximum-lonen voor knechten en meiden die volledig op hun taak berekend waren qua ervaring en kracht. Bij de geldlonen kwamen dan nog de kost- en inwoning, of eigenlijk moet je het andersom zeggen want de kost en inwoning vormden de basis, het geld kwam erbij. Kinderen die nog maar pas op een boerderij kwaren kijken, kregen vaak ook niet of nauwelijks geld in handen, daarvoor golden de kost- en inwoning als loon. Bij winnen aan kracht en ervaring, groeiden dan de geldbedragen van jaar op jaar. Minderjarigen stonden het verdiende geld overigens meestal af aan ouders of voogden als bijdrage in het gezinsinkomen. Bij gezinnen die onder de diaconie vielen, beurde de diaconie dat loon.

Met vaste arbeiders zijn bedoeld de arbeiders met een vast dienstverband op de boerderij. Op elke boerderij was er één, in totaal waren er dus evenveel vaste arbeiders als boerderijen. Zo was mijn betovergrootvader Elzo Perton vast arbeider op de Onnesheerd in de Reiderwolderpolder. Die viel onder Finsterwolde, zijn kale loon zal dan ongeveer 294 gulden hebben bedragen. Maar daar zaten de emolumenten in natura nog niet bij. Omgezet in geldwaarde werden die in Finsterwolde op minstens 59 gulden begroot. Het ging dan om walgras (ƒ 25); het mogen lezen en zoeken van aren, erwten en bonen op afgeoogst land (ƒ 7.50); twee pak gerstestro (ƒ 1,50); het mogen gebruiken van de boer zijn paarden en wagens voor het halen van bijvoorbeeld turf en kwelderhooi (ƒ 20); en gratis weide voor schapen (à ƒ 5). Inclusief deze emolumenten bedroeg het jaarloon van een vaste arbeider in  Beerta 305 à 320 gulden, die was uiteindelijk dus wat minder af dan zijn collega in Finsterwolde. Die van Finsterwolde (te begroten op 353 gulden) deed echter weer onder voor die van Nieuw-Beerta (390 gulden inclusief emolumenten). De daglonen liepen daarbij op en af met het aantal (werkbare) uren daglicht en de oogstdrukte, zoals bijkomende specificaties uit Beerta en Nieuw-Beerta laten zien:

Beerta Nieuw-Beerta
Maart tot half juli (8 uur) ƒ 0,75 ƒ 0,75
Half juli tot september (14 uur) ƒ 1,25 ƒ 2,00
September-november (12 uur) ƒ 1,25 ƒ 1,00
November tot maart (7 uur) ƒ 0,60 ƒ 0,75

Ook hieruit blijkt weer, dat de vaste arbeider vooral in Nieuw-Beerta goed af was.

Maar veel groter dan het aantal vaste arbeiders, was in een Oldambtster dorp het aantal losse arbeiders of dagloners, al gauw enkele honderden per dorp. Volgens opgave uit Finsterwolde namen zij (en hun ploegen) werkzaamheden vaak per perceel aan en verdienden dan een kwartie meer per dag dan een vaste arbeider. Hoewel ze door de tijdsdruk vaak harder aan moesten poten, was hun arbeidsdiscipline minder groot: “Ze verloopen vaker een dag en zijn ook in tijden van overgang vaker zonder werk, zoodat ze per jaar niet veel meer verdienen dan vaste arbeiders”. Ze profiteerden vooral van de oogstdrukte in de zomer.

Een arbeider uit Beerta begrootte het jaarloon van een dagloner op 280 gulden, terwijl een boer uit hetzelfde dorp dat op 370 gulden raamde. In 1893 was dat nog ruim 230 gulden, zodat de daglonen rond 1900 sowieso verhoogd moeten zijn. Daarbij valt het verschil tussen beide jaarloonopgaven uit Beerta nogal op. Dat komt doordat de arbeider elders verdiend loon uit veenarbeid niet meetelde, omdat lang alle losse arbeiders daaraan deden. De specificatie die de Beertster boer leverde, zag er vanaf eind maart zo uit:

7 weken in de venen 80 gulden
2 weken wieden 8 gulden
4 weken maaien in Friesland 44 gulden
4 weken divers werk 24 gulden
6 weken oogst (vooral augustus) 90 gulden
6 weken divers werk (september, oktober) 40 gulden
4 weken (november) 20 gulden
4 weken (december) 16 gulden
8 weken (januari, februari) 24 gulden
5 weken (februari, maart) 26 gulden
TOTAAL: 372 gulden incl. of 292 gulden excl veenwerk

Tot slot de vrouwen: zij werkten vooral mee op het land voor zover hun huishouden dat toeliet. In Beerta werden hun verdiensten wat hoger geschat dan in Nieuws-Scheemda. De verschillen tussen beide bedragen, in het laatste dorp opgegeven, komen doordat de vrouw van de vaste arbeider ook meehielp in het huishouden en op de tuin van de boer, bij wie haar man in dienst was.  Een specificatie van daglonen voor vrouwen is er uit Finsterwolde:

Wieden ƒ 0,40
Schoven binden ƒ 1,75
Aardappelen en bieten rooien ƒ 0,60 à 1,00
Erwten plukken ƒ 0,80 à 1,20
Oogst inhalen ƒ 0,60 à 0,75

Dit zullen dan de bedragen zijn, die Geeske Boog, de vrouw van Elzo Perton, ongeveer zal hebben verdiend.