Paal en perk aan klokgelui

Bij het vorige stukje, over het illegale klokluiden te Lagemeeden op Prinsjesdag, vroeg ik me af hoe dat vòòr de Bataafse Revolutie van 1795 geregeld was. Wat betreft de orangistische Ommelanden kon ik het niet vinden, maar het stadsbestuur had er in 1789 paal en perk aan geteld in de even orangistische stadsjurisdicties.

Dat voorts de aangestelde klokluider zal hebben den klokke te luiden op de verjaardagen van Zyne Doorluchtige Hoogheid, den Heere Prince Erfstadhouder, en Mevrouw de Princesse van Orange in drie posen, als ’s morgens van agt tot negen uur, ’s middags van twalv tot één uur en ’s avonds van vyf tot zes uur

Aldus de klokluidersregeling voor de stadsjurisdicties (Gorecht en Sappemeer, de beide Oldambten) die uitgevaardigd werd op 20 juli 1789. Lettend op het jaar, zo vlak na de Oranje-oproeren van najaar 1787 tot in het voorjaar van 1788, moet de regeling (mede) ingegeven zijn door het gebruik van de dorpsklok in deze contreien als middel tot alarmering en oproeping van oranjeklanten. Die reden noemt het stuk echter wijselijk niet. Wel maakt het gewag van

het geweldig en ongestadig trekken der klokken in de Stadsjurisdictiën, ’t welk door de nabuuren geschied [die] daartoe dikwyls onkundige gebruiken en waardoor meermaalen de klokken kwamen te bersten, die dan hergooten moesten worden.

Dat laten hergieten van klokken kostte nogal wat geld. Vandaar dat de kerkvoogden in ieder kerspel een officiële klokkenluider moesten aanstellen, die voortaan nog als enige de klok mocht luiden bij overlijdens, begrafenissen en  ceremoniële gelegenheden. Bij een overlijdensgeval van iemand, ouder dan 12 jaar, was dat een half uur in twee pozen ’s morgensvroeg om acht uur, wat dan enkele dagen later onmiddellijkvoor en na de begrafenis herhaald werd. Hier verdiende de klokluider zelf 6 stuiver mee, te betalen door het sterfhuis, terwijl de kerk er 3 kreeg.  Bij een jonge dode was dat tarief gereduceerd tot respectievelijk  4 en 2 stuivers, terwijl de luidperioden gehalveerd waren tot een kwartier op zowel de sterf- als de begrafenisdag.

Naast de Oranje hoogtijdagen werd er nog voor Groningens Ontzet geluid, hier op het platteland te vieren op de eerste zondag na de 28e augustus. Geluid wed er dan tussen 5 en 6 uur ‘s middags. Voor de rest bleef alles bij het oude.

De kerkvoogden moesten dit reglementje stipt laten uitvoeren en nakomen en er vooral voor zorgen dat geen onbevoegden nog aan de klepeltouwen hingen.


Ongewenst klokgelui op Lagemeeden

Op donderdag 8 maart 1804 werd tot twee maal toe langdurig de klok van Lagemeeden geluid. Tien jaar eerder was dat nog traditie op die datum en zou niemand ervan opgekeken hebben. Het was immers Prinsjesdag, de verjaardag van prins Willem V, de stadhouder. Maar die leefde al tien jaar in ballingschap. Sterker nog: inmiddels had de prins zich door Napoleon laten afkopen met een Duits vorstendommetje en daarmee de Bataafse republiek erkend. Zijn aanhangers had hij bovendien de vrijheid gegeven om binnen het nieuwe staatsbestel samen te werken met het ‘patriotse’ bestuur. Desondanks waren er ook nog altijd vurige oranjeklanten gebleven, die hoopten op een terugkeer van de oude orde. Via dat klokgelui demonstreerden die waar hun sympathie lag. En dat zat de autoriteiten niet lekker, zulke politieke manifestaties waren nog steeds verboden.

De drost van het Westerkwartier besloot de zaak in onderzoek te nemen. Hij stuurde zijn fiscaal (aanklager) naar Lagemeeden voor het inwinnen van informatie. Ook kregen de boer die het dichtst bij de kerk woonde en de schoolmeester van Lage- en Hogemeeden een uitnodiging om in het gerecht een verklaring af te komen leggen.

Die buurman is hier wel eens ter sprake gekomen vanwege een parkeerkwestie. Wat de schoolmeester ermee te maken had, is een raadsel, want die woonde bij de school op Hogemeeden (waarschijnlijk in Den Horn). Maar er waren wel vaker klachten geweest over het “ergerlijk gedrag” van deze Hidde Pieters Feringa, onder andere omdat hij een bevindelijke oefenaar toestond godsdienstige bijeenkomsten in zijn school te houden. Op de orthodox-bevindelijke flank van de hervormde kerk zaten de fanatiekste aanhangers van het Huis Oranje. Zou meester Feringa misschien de hand hebben gehad in het politiek ongewenste klokgelui?

Op 21 maart beoordeelde de drost de verschafte informatie als onvoldoende. De kerkvoogden Enne Everts en Jacob Abels kregen eveneens een uitnodiging om een verklaring voor het gerecht af te komen leggen.

Op de eerste rechtdag na de Paasvakantie – 11 april – meldden die “dat zij geen beheringe of toeverzigt hadden over de klokstoel” die in Lagemeeden aan de westkant van het kerkhof stond. Bij de scheiding van de kerkgoederen tussen de diverse gezindten in 1797 was de kerk van Lagemeeden uiteraard aan de hervormden gebleven, maar de klokkestoel onder een aparte, gezamenlijke beheerscommissie geplaatst, die bestond uit Tijmen Jans van de Lagemeeden en Roelf Sinninge van de Hogemeeden. Ook deze twee kregen nu een oproepje om voor de drost te verschijnen.

De kerkvoogden maakten intussen nog even van de gelegenheid gebruik om te klagen over schoolmeester Feringa. Die zou “dikwijls nalatig” zijn in het afsluiten van de Lagemeedenster kerk na de  godsdienstoefeningen aldaar. Dat het godshuis goed dicht was, achtten de kerkvoogden noodzakelijk, ook vanwege het armblok in de kerk – een soort houten kluis voor de diaconale collecte-opbrengsten, gezekerd met veel ijzeren beslag. De meester weigerde hun orders te gehoorzamen, zo luidde de klacht van de kerkvoogden.

Op 18 april hoorde de drost Timen Jans en Roelf Sinninge als volmachten van de Legemeedenster klokkestoel over het illegale klokgelui op prinsjesdag.  Ze namen de verantwoordelijkheid op zich, zo verklaarden deze,

om tegen alle gelegenheden, bij welke dat misdrijf wederom zoude kunnen plaatshebben, het kloktouw eraf te nemen

De drost liet aantekening van deze belofte maken in de gerechtsakten. Ook onderhield hij meester Feringa over de klacht van de kerkvoogden, gaf de pedagoog zijn “welmening” te kennen en gelastte hem “op het ernstigste” om voortaan de kerk na iedere dienst goed af te sluiten. Waarschijnlijk heeft Feringa daar keurig aan voldaan. We horen immers geen nieuwe klachten.

Bronnen:

  • Groninger Archieven, Toegang 735 (gerechten Westerkwartier) inv.nr. 610: notulen criminele zittingen 1803-1806, die van 14 en 21 maart, en 11 en 18 april 1804.

“Hoerkind” wordt vondeling

In het doopboek van Nieuwolda staat op 12 maart 1779 aangetekend:

“Thobias Philippus, geboren 8 juni 1778, zijnde een hoerkind, zoon van Aaltjen Thobias, die betuigde dat Philippus Jans deszelfs vader was.”

“Hoerkinderen”, zeg maar liever kinderen van ongehuwde moeders, kwamen destijds überhaupt al weinig voor, maar dat de moeder hier bij de doop de vader van haar kind aanwees, was helemaal zeldzaam. Tenminste, ik ken slechts twee andere gevallen, en vraag me af of er ook in dit geval in Nieuwolda geen rechtszaak is geweest. Bijvoorbeeld van de moeder tegen de vader van haar kind om alimentatie, of van de (vermeende) vader tegen de moeder vanwege eerroof of laster. Helaas ontbreken de rechtdagprotocollen die er uitsluitsel over zouden kunnen geven, zodat we dat niet gewaar kunnen worden. In elk geval zaten er ruim acht maanden tussen de geboorte en de doop van het kind, wat extreem lang is en ook wel eens op bezwaren van ds. Siertsema kan wijzen. Wel noteerde die zonder mankeren Philippus Jans als vader. Of Philippus daar zo blij mee was?

Bij de doop van haar zoontje legde de ongetrouwde Aaltjen Tobias zegge en schrijve één stuiver in het doopbekken, zo’n beetje de laagst mogelijke doopgift aan de armen. Aaltje was 25, dus net meerderjarig naar de maatstaven van die tijd. Haar vader was de hondenslager, puistentreder en schoonmaker van de kerk in Nieuwolda “Luttie Tobiejes” oftewel Kleine Tobias Hindriks, die af en toe steun van de diaconie kreeg, als hij van zijn werk in de kerk en elders niet rond kon komen.

De maatschappelijke  positie van Aaltjen Tobias was dus zeer bescheiden. De man die haar bezwangerde, Philippus Jans, was getrouwd en stond een stuk hoger op de maatschappelijke ladder, zo mogen we opmaken uit de doopgiften die hij in 1767, 1770 en 1778 bij de doop van zijn echtelijke kinderen deed aan de armen van het dorp: steeds minstens een gulden, een bedrag, kenmerkend voor een betere middenstander of kleine boer. Wie weet was Philippus Aaltjes baas geweest – er moeten praatjes zijn rondgegaan.

Zoals wel vaker, werd het “hoerkind” niet oud. De kleine Tobias was nog geen 2, toen hij op 16 februari 1781 bij de lokale kerk ter aarde werd besteld:

Aaltjen Tobias haar vondling begraven

In het bekken op het kerkhof lagen na afloop van de plechtigheid 5 stuivers en 5 duiten, de laagste opbrengst van een begraafcollecte in dat diaconale boekjaar 1780/1781. Veel volk zal er niet bij zijn geweest.

Met Aaltje Tobias kwam het althans in materiële zin nog goed. Ze trouwde een Jannes Bron(d)sema, met wie ze weldra een dochtertje kreeg. Gezien de lage gift aan de armen bij de doop van dat kind was deze Bronsema arbeider. In 1787 kochten hij en zijn vrouw een huisje, dat verhuurd was geweest aan een jood. Het kostte 525 gulden en deed eerder 36 gulden huur per jaar. Voor een arbeidersgezin was dat een ruim bezit.

Rest nog een opmerking over die term ‘vondeling’, in 1781 in het begraafboek. Voor ons gevoel is die onterecht en misplaatst: van de kleine Thobias was immers zowel de moeder, als de vader bekend. Door zijn moeder was hij ook niet in de steek gelaten, laat staan dat hij ergens gevonden was. De term ‘vondeling’ echter, vond zo’n twee eeuwen terug wel vaker een nogal ruime toepassing. Mijn oudste voorvader van moederskant werd begin negentiende eeuw ook zo genoemd, terwijl diens moeder wel degelijk bekend was.


Hondenslager, puistentreder en kerkschoner

Dit postje staat in de kerkvoogdijrekening van Nieuwolda over 1787. We kunnen er allereerst uit opmaken dat de boekhouder der kerkvoogdij een mondje Gronings sprak.

De Tobias Hindriks waarvan hier sprake is, heette, om hem van Lange of Grote Tobias Uuntjes te kunnen onderscheiden, ook wel “Luttie” of Kleine Tobias. Bij de diaconie noemden ze Tobias Hindriks bovendien wel “hontslager” – hij moest ervoor zorgen dat al te heilbegerige honden de kerkdeur niet binnen konden lopen tijdens een plechtige godsdienstoefening.

Een tweede rol van Tobias Hindriks was die van “puistentreeder” – Tobias bediende de blaasbalg van het pas verworven, fraaie orgel in de kerk van Nieuwolda. En ten derde verkreeg hij nog arbeidsloon uit “kerk schoonen”, zoals postjes elders in de kerkerekening bewijzen..

Met deze werkzaamheden verdiende Kleine Tobias ruim tweederde van een arbeidersjaarinkomen. Ongetwijfeld zal hij ook buiten de kerk nog zijn klusjes hebben gehad.

Rest nog de vraag hoe Tobias het puistentrederschap met de hondenslagerij combineerde. Op de orgelbeun kon hij toch nooit goed “deur oppassen”, zou je denken. Als er een hond de kerk inliep, trippelde die vast al bij de kansel op het koor voordat Tobias de beun af was.

Naschrift:

In 1797 wordt het ambt van Tobias verbaal opgewaardeerd. Hij verdient dan 25 gulden van de kerk “weegens polijsijamt en balkenist”.


Oudste en jongste in het graf

Op 31 juli 1767 zijn er twee begrafenissen op het kerkhof van Nieuwolda, iets wat er vrij zelden voorkomt. Enerzijds gaat het om het zoontje Edzo van de schatbeurder Harm Edzes. Edzo was slechts veertien dagen oud geworden. Na afloop van de uitvaart ligt er ruim 5 gulden in het begraafbekken dat de de diaconie op het kerkhof opstelde.

Bij de teraardebestelling van Sijbrig Stoffers is de opbrengst voor de armen van Nieuwolda ongeveer de helft van dat bedrag. Dat ligt niet aan haar leeftijd, want ze is 93 jaar mogen worden. De boekhoudende diaken schrijft:

Dese twie overledenen waren op dese tijd de jongste en de oudste in onse Dorp…


Hindrik Latijn

En daar duikt opeens een Hindrik Latijn op in de diaconierekening van Nieuwolda. Zijn doopgift op 10 oktober 1784 van een sestehalf (=5,5 stuiver), destijds traditioneel voor kleine middenstanders, steekt nogal mager af bij de omringende: allereerst natuurlijk bij de daalder van “doctor” Van der Molen, die een paar jaar later pardoes zijn dienstmeid door het hoofd zou schieten, maar des te meer nog bij de ducaat (5 gulden en 5 stuivers) die afkomstig was van ‘dikke’ boeren als Harm Smeedes, F. Fockens en Pieter Jans.

Met die achternaam Latijn heeft Hindrik Alle Groningers niet gehaald. Bij de inschrijving op die datum van zijn dochter Engeltje in het doopboek staat de naam Hindrick Hansen. Als achternaam staat Latijn slechts één keer in Alle Groningers, namelijk bij de ondertrouw, in 1682, van een Denijs Latijn met een Catharina Hindricx. Deze Denijs Latijn kwam van Rouen, en zijn eigenlijke naam zal wel op z’n Frans Denis Latin zijn geweest. Diens verloofde was oorspronkelijk afkomstig uit Gulikerland. Eerder was weduwe van een Isaack van Sameur (Saumur). Mogelijk ging het bij dit stel dus om Hugenoten, al moest de grote vluchtelingstroom van gereformeerden uit Frankrijk toen nog op gang komen.

Tussen de stad-Groninger ondertrouw van Denijs Latijn en de melding van Hindrik Latijn te Nieuwolda zit ruim een eeuw waarin de achternaam Latijn niet in Groninger doop-, trouw-, en begraafboeken staat. Kwam Hindrik dan van elders? Best mogelijk, bij WieWasWie blijkt immers dat er in de tweede helft van de achttiende eeuw voornamelijk in Leiden een familie Latijn leefde.

Maar het lijkt ook wat onwaarschijnlijk dat zo’n Leidse Latijn, of all places, opeens in het Groningse Nieuwolda verzeild raakt. Ik denk daarom dat de achternaam Latijn bij de doopgift van 1784 een bijnaam is. Hindrik zal af en toe een mondje boven zijn stand hebben gepraat en met de bijnaam Latijn beloonden zijn dorpsgenoten Hindriks al te geleerde aspiraties.


Inentingstoebereidselen

Het encyclopedische woordenboek van Chomel uit 1778 bevat een lang artikel over “inenting der kinderpokjes”, dat Groningen en Petrus Camper nogal eens noemt. Mijn oog bleef haken bij een passage over de voorbereiding tot de handeling – de heren onderzoekers dachten destijds heel verschillend over nut en noodzaak daarvan:


Baksteen uit De Helle voor Groninger kerken

Kaartje van De Helle (nu Terheijl) en omgeving in de Middeleeuwen, gemaakt door alle latere toevoegingen, zoals Nienoord, de veenkolonie Leek en Nietap, te verwijderen uit een kaartje dat Beckeringh ca 1750-1760 vervaardigde. NB: de oriëntatie is de omgekeerde van de gebruikelijke: zuid is hier boven en noord is onder. Je moet dus als het ware kijken vanuit Nienoord, dat onderaan het kaartfragment stond, maar dat is weggepoetst.

De Helle lag op Drents grondgebied in de hoek tussen enerzijds de landweg Roden-Tolbert/Midwolde en anderzijds het grensriviertje De Lek tussen Drenthe en het het Vredewold. Dat was in the middle of nowhere. De dichtstbijzijnde nederzettingen waren de buurtschap De Zulthe onder her kerspel Roden aan de Drentse kant en Tolbert/Midwolde aan de Vredewoldster kant. Deze uithoek bestond tot ongeveer 1300 voornamelijk uit een onontgonnen wildernis van hoog- en laagveen en heide.

De reden dat het grote klooster Aduard destijds hier een uithof vestigde, was, zoals bekend, dat er aan de oppervlakte potklei gevonden werd, terwijl er ook turf kon worden gewonnen. Met de turf verbakten de bewoners van de uithof in veldovens de potklei tot bakstenen en dakpannen, waarmee bijvoorbeeld de prachtige romanogotische kerken van Groningerland werden gebouwd.

De uithof van De Helle was geheel en al georiënteerd op Aduard in het noorden, zoals je ook kunt zien aan het doodlopen in het veen van een weg naar het zuiden (nu de Scheperij). Via het dichtstbijzijnde bevaarbare punt van de Lek – misschien bij de boerderij Romen, of anders nog wat dichterbij het Zulthermeer (nu Leekstermeer) – en verder het Leekstermeer, de Munnikevaart en de Gave bij Oostwold, de Zuidwending, het Aduarderdiep en de Lindt gingen de producten naar Aduard, waar ze werden gebruikt en verhandeld.

In 1807 is uithof De Helle allang veranderd in een havezate of buitenhuis Terheijl, dat intussen ook aanzienlijk uitgebreid en verfraaid werd, maar een lijstje van de dan door de eigenaar zelf geëxploiteerde percelen (Drents Archief OSA 1513), laat zien hoe het verleden nog in de veldnamen voortleeft. Bij het Huis Ter Heyl en zijn hoven en singels horen dan:

  • De Duivekamp, bos(s)ie en Osseboerskamp
  • De Rutsche camp
  • De Vagevuur kamp
  • De Tichel kamp
  • De Sante(e)’s kampen
  • Leekster veld
  • 4 campen bij de Nietap
  • ’t Zuyderveld en -veen
  • 10¾ waaren (aandeken) in ’t gescheyden veen
  • ’t Baggelveld

De onderstreepte namen, komen ook voor op de veldnamenkaart van Wieringa, ca. 1970 (zie HisGis). Opvallend zijn het Vagevuur (dat als het ware reageert op De Helle, ooit een schansje)  en de Tichelkamp, een plek waar potklei zal zijn gewonnen. Het Leeksterveld, het Zuiderveld, het Baggelveld en de naamloos gescheiden venen hebben te maken met de winning van turf. Toch zullen deze venen niet allemaal al in de Middeleeuwen in exploitatie zijn genomen. Het Zuiderveld ten zuidwesten van De Helle, en het |Leeksterveld even over de provinciegrens kwamen pas veel later aan snee. Het Baggelveld, dichter bij de uithof, heeft dan wat betere papieren, ook omdat baggelen duidt op laagveenderij (vanonder de grondwaterspiegel vandaan), die een turf met een hogere calorische waarde voor de steenbakkerij opleverde. Verder lijken ook de Santeekampen – overgenomen van of gepacht door de ondernemersfamilie Santee – een aanwinst uit een veel jongere periode, ik schat tweede helft achttiende eeuw..

Een Jan Smit bracht in 2012 de hem bekende veldnamen van Terheijl e.o. in kaart (pdf) voor Staatsbosbeheer:

NB: dit kaartfragment heeft wel weer de gewone noordzuidoriëntie. Afgezien van het Zuiderveld, het  Leeksterveld en het Baggelveld, maar inclusief de diverse in 1807 ongenoemd gebleven Hellen, liggen de in 1807 genoemde percelen in een  opstrek tegenover het huis, zeker als we de Santeekampen niet meerekenen. Met de kampen onmiddellijk ten westen en zuiden van het huis die in 1807 evenmin worden genoemd (Olle Tuun, Heerskamp, Klaverkamp) en  met de eveneens ongenoemde Klaaiedobben, de Voorste Ganzenkamp en wellicht het Baggelveld aan de westkant moeten ze behoord hebben tot de middeleeuwse uithof De Helle, waar dus die kloostermoppen vandaan kwamen voor onze prachtige oude Groninger kerken.

 


Oldambtster landarbeiders en hun verdiensten

Dagloners bij het bieten poten op het land. Nieuw-Scheemda, jaren 30. Collectie Groninger Archieven 818-10704.

Bij de landarbeidersstaking van 1907 in het Oldambt publiceerden verschillende kranten loongegevens. Die uit de Land en Volk van 8 mei 1907, nogal onoverzichtelijk achter elkaar opgeschreven, heb ik hieronder in tabel gebracht en wat nader toegelicht:

Jaarlonen in guldens volgens zegsman te:
Arbeider Beerta Boer Beerta Arbeider? Finsterwolde Boer Nieuw-Scheemda Boer? Nieuw-Beerta
Boerenknecht 150 à 160 160
Boerenmeid 90 à 100 100
Arbeider vast 305 320 294 325 390
Arbeider los 280 370 294+ 350 400+
Vrouw 70 67,50 à 57,50

Met boerenknechten en boerenmeiden werden bedoeld het op de boerderij inwonende, ongetrouwde personeel van in de regel zo’n 12 à 25 jaar oud. Opgegeven zijn de maximum-lonen voor knechten en meiden die volledig op hun taak berekend waren qua ervaring en kracht. Bij de geldlonen kwamen dan nog de kost- en inwoning, of eigenlijk moet je het andersom zeggen want de kost en inwoning vormden de basis, het geld kwam erbij. Kinderen die nog maar pas op een boerderij kwaren kijken, kregen vaak ook niet of nauwelijks geld in handen, daarvoor golden de kost- en inwoning als loon. Bij winnen aan kracht en ervaring, groeiden dan de geldbedragen van jaar op jaar. Minderjarigen stonden het verdiende geld overigens meestal af aan ouders of voogden als bijdrage in het gezinsinkomen. Bij gezinnen die onder de diaconie vielen, beurde de diaconie dat loon.

Met vaste arbeiders zijn bedoeld de arbeiders met een vast dienstverband op de boerderij. Op elke boerderij was er één, in totaal waren er dus evenveel vaste arbeiders als boerderijen. Zo was mijn betovergrootvader Elzo Perton vast arbeider op de Onnesheerd in de Reiderwolderpolder. Die viel onder Finsterwolde, zijn kale loon zal dan ongeveer 294 gulden hebben bedragen. Maar daar zaten de emolumenten in natura nog niet bij. Omgezet in geldwaarde werden die in Finsterwolde op minstens 59 gulden begroot. Het ging dan om walgras (ƒ 25); het mogen lezen en zoeken van aren, erwten en bonen op afgeoogst land (ƒ 7.50); twee pak gerstestro (ƒ 1,50); het mogen gebruiken van de boer zijn paarden en wagens voor het halen van bijvoorbeeld turf en kwelderhooi (ƒ 20); en gratis weide voor schapen (à ƒ 5). Inclusief deze emolumenten bedroeg het jaarloon van een vaste arbeider in  Beerta 305 à 320 gulden, die was uiteindelijk dus wat minder af dan zijn collega in Finsterwolde. Die van Finsterwolde (te begroten op 353 gulden) deed echter weer onder voor die van Nieuw-Beerta (390 gulden inclusief emolumenten). De daglonen liepen daarbij op en af met het aantal (werkbare) uren daglicht en de oogstdrukte, zoals bijkomende specificaties uit Beerta en Nieuw-Beerta laten zien:

Beerta Nieuw-Beerta
Maart tot half juli (8 uur) ƒ 0,75 ƒ 0,75
Half juli tot september (14 uur) ƒ 1,25 ƒ 2,00
September-november (12 uur) ƒ 1,25 ƒ 1,00
November tot maart (7 uur) ƒ 0,60 ƒ 0,75

Ook hieruit blijkt weer, dat de vaste arbeider vooral in Nieuw-Beerta goed af was.

Maar veel groter dan het aantal vaste arbeiders, was in een Oldambtster dorp het aantal losse arbeiders of dagloners, al gauw enkele honderden per dorp. Volgens opgave uit Finsterwolde namen zij (en hun ploegen) werkzaamheden vaak per perceel aan en verdienden dan een kwartie meer per dag dan een vaste arbeider. Hoewel ze door de tijdsdruk vaak harder aan moesten poten, was hun arbeidsdiscipline minder groot: “Ze verloopen vaker een dag en zijn ook in tijden van overgang vaker zonder werk, zoodat ze per jaar niet veel meer verdienen dan vaste arbeiders”. Ze profiteerden vooral van de oogstdrukte in de zomer.

Een arbeider uit Beerta begrootte het jaarloon van een dagloner op 280 gulden, terwijl een boer uit hetzelfde dorp dat op 370 gulden raamde. In 1893 was dat nog ruim 230 gulden, zodat de daglonen rond 1900 sowieso verhoogd moeten zijn. Daarbij valt het verschil tussen beide jaarloonopgaven uit Beerta nogal op. Dat komt doordat de arbeider elders verdiend loon uit veenarbeid niet meetelde, omdat lang alle losse arbeiders daaraan deden. De specificatie die de Beertster boer leverde, zag er vanaf eind maart zo uit:

7 weken in de venen 80 gulden
2 weken wieden 8 gulden
4 weken maaien in Friesland 44 gulden
4 weken divers werk 24 gulden
6 weken oogst (vooral augustus) 90 gulden
6 weken divers werk (september, oktober) 40 gulden
4 weken (november) 20 gulden
4 weken (december) 16 gulden
8 weken (januari, februari) 24 gulden
5 weken (februari, maart) 26 gulden
TOTAAL: 372 gulden incl. of 292 gulden excl veenwerk

Tot slot de vrouwen: zij werkten vooral mee op het land voor zover hun huishouden dat toeliet. In Beerta werden hun verdiensten wat hoger geschat dan in Nieuws-Scheemda. De verschillen tussen beide bedragen, in het laatste dorp opgegeven, komen doordat de vrouw van de vaste arbeider ook meehielp in het huishouden en op de tuin van de boer, bij wie haar man in dienst was.  Een specificatie van daglonen voor vrouwen is er uit Finsterwolde:

Wieden ƒ 0,40
Schoven binden ƒ 1,75
Aardappelen en bieten rooien ƒ 0,60 à 1,00
Erwten plukken ƒ 0,80 à 1,20
Oogst inhalen ƒ 0,60 à 0,75

Dit zullen dan de bedragen zijn, die Geeske Boog, de vrouw van Elzo Perton, ongeveer zal hebben verdiend.


Veldslagen aan de Tjamme

In het voorjaar van 1886 haalde een bericht uit de Winschoter Courant meerdere landelijke kranten zoals het Algemeen Handelsblad en De Tijd. Ook regionale kranten namen het over, met onderling minieme verschillen. Dit is de versie uit de Provinciale Drentsche en Asser Courant van 29 maart dat jaar:

Tusschen de boerenknechten van Finsterwolde en die van Beerta hebben twee keeren vrij ernstige vechtpartijen plaats gehad. Waren den eersten keer de Beerters overwinnaars, de laatste maal moesten ze afdruipen, zelfs werden zij tot in Beerta achtervolgd. Enkelen hebben lichte wonden gekregen. Er wordt gevochten met stokken en palen, welke aan het eene eind voorzien zijn van spijkers. Naar we vernemen, zouden de vechtersbazen eergisterenavond elkaar weer ontmoeten. De oorzaak van een en ander moet zijn, dat de knechten van Finsterwolde soms het hof maken aan de meiden van Beerta. (W. Ct.)

Kennelijk waren deze collectieve veldslagen zelfs in Drenthe nieuws. Terwijl het daar toch maar al te bekend was, hoe jongens uit het ene dorp een mededinger uit een ander dorp afrosten, tenminste, als hij zo’n vechtpartij niet afkocht met een fles jenever.

Dat zulke praktijken destijds in het rap moderniserende Oldambt nog bestonden, daar stond ik wel van te kijken. Beerta en Finsterwolde komen later in zoveel opzichten overeen, dat je geneigd bent te denken dat het ‘dorpisme’ hier in 1886 allang uitgebannen was, een veronderstelling die destijds, gezien de verspreiding van het bericht, blijkbaar ook in den lande leefde.


Harm Boukje als propagandist

Bij de nieuwste aanwinsten van Delphers krantenbank vandaag, staat o.a.  De Vrije Socialist (1898-1940), een krant van Domela Nieuwenhuis. Uiteraard was ik benieuwd of Finsterwolde er ook in voorkwam en dan natuurlijk speciaal de anarchistische broer van mijn overgrootmoeder Antje Tuin. Dat bleek inderdaad het geval, namelijk in een bericht van 21 december 1901:

Finsterwolde. Tuin uit Finsterwolde en de ontslagen werkman Eimers zijn begonnen de propaganda in den noordoostelijken hoek van Groningen ter hand te nemen. Eerst gingen zij des maandags op de markt staan te Winschoten, maar de regen noodzaakte hen weg te gaan, zoodat zij maar voor 80 cents aan brochures verkochten. Dit was niet zeer bemoedigend.

Te Oudeschans hielden zij een openbare vergadering. Een 20-tal belangstellenden waren ter vergadering. Na opening der vergadering door Tuin, kreeg Eimers het woord en ofschoon hij zijn rede voorlas, dit hinderde niets. Spoedig zal hij wel de noodige vrijmoedigheid hebben om vrij te spreken. Ook droeg hij eenige gedichten voor, die zeer in den smaak vielen.

Tuin sloot weer de vergadering met een opwekkend woord, om aan te dringen op solidariteit onder de arbeiders. Terwijl de boeren werken aan de veredeling van paarden en vee, werken de socialisten aan de veredeling van de menschen en voor dat doel te werken, is wel de moeite waard. Tuin kolporteert ook met brochures en brengt in die streken heel wat lektuur ouder de menschen.

Harm had dus niet alleen een handeltje in boeken en brochures, maar ging ook in de wijde omgeving op stap als propagandist. Voor de veredeling der mensheid stond hij op de Winschoter markt, ging hij langs de deuren met zijn lectuur en hield hij openbare bijeenkomsten.

De jongere en nog onervaren kompaan met wie hij dat deed, was de huisschilder Christiaan Eimers, geboren in 1880 te Vlagtwedde. Waarschijnlijk werkte Eimers in 1901 bij een patroon in Winschoten en was door deze ontslagen. Enige jaren laten vestigde Eimers zich in de stad Groningen, waar hij trouwde en een schildersbedrijf had in de Van Julsinghastraat, Oosterpoortwijk. Hij zou nog wel vaker in de kolommen van de De Vrije Socialist voorkomen, ook als spreker. Volgens Eimers’ nazaten was het een forse kerel, die altijd zijn anarchistische overtuiging trouw is gebleven. Hij overleed in 1940.

Bron: De Vrije Socialist 21 december 1901.


Kampioenen der vaccinatie

De Dwingeler arts Johannes Crebas rapporteerde in juni 1809 dat hij in de kerspelen Beilen, Smilde, Diever Dwingeloo en Ruinen in totaal 224 kinderen tegen de pokken had gevaccineerd met entstof van koepokken. Hij zette er helaas niet bij in hoeveel tijd hij die kinderen inentte.

Uit Assen kwam ongeveer tegelijkertijd het bericht van de chirurgijn Thurkow dat zolang verscheidene andere heren zich op de inenting hadden toegelegd, hij zich daar niet mee had willen bemoeien. Toen zij ermee ophielden, was hij ermee begonnen. In drie maanden tijd had hij  ongeveer 40 kinderen gevaccineerd

en continuere daarmede dagelijks, zoodat thans nog elf kindern behandele.

In 1807 telde het kerspel Assen 621 inwoners, terwijl er van 1805-1807 gemiddeld 25 kinderen werden gedoopt. Dan zijn die 40 ingeënte kinderen toch redelijk wat, in aanmerking genomen dat er voor Thurkow met het intenten begon, ook al kinderen ingeënt waren en dat hij vooral de jongere kinderen zal hebben gevaccineerd, en bijvoorbeeld niet de kinderen die al pokken hadden gehad. Neemt niet weg dat een percentage helaas niet uit te rekenen is.

Zowel het rapportje van Crebas uit Dwingeloo als dat van Thurkow uit Assen zag ik een jaar of vier geleden op het eind van een dag onderzoek in het Nationaal Archief. Ze maken deel uit  van een forse stapel fascinerende berichten over de pokkeninenting uit de nadagen van Koning Lodewijk Napoleon. Veel tijd om er wat meer dan een stuk of wat te fotograferen had ik destijds niet, en aan een dergelijke treinreis wil ik ook pas weer denken als ik zelf tegen de corona  ingeënt ben. Voorlopig komt het dus niet van het verdere onderzoek dat ik van plan was te doen, zodat het hier bij een impressie moet blijven.

Het is ook de vraag wat je aan het materiaal hebt. Zo stuurde de Departementale Commissie van Geneeskundig Onderzoek & Toevoorzigt in Groningen op 24 grasmaand 1810 een bericht aan ’s Konings minister over de geneesheren in haar ressort die de meeste inentingen hadden verricht zonder daarvoor enige beloning ontvangen te hebben. Deze weldoeners waren:

  • Medisch doctor Antonius Otto Hermannus Tellegen te Groningen met 572 inentingen;
  • Heelmeester (chirurgijn) Johan Albrecht Friedrich Schoeler te Vlagtwedde – 165 inentingen;
  • Heelmeester Pieter Nanninga Zuidhorn – 130 inentingen.

Het gaat hier om vaccinaties van kinderen van armen en minvermogenden. Mensen die de inenting wel konden betalen, zitten niet in de primitieve statistiek, maar vormden waarschijnlijk nog de meerderheid van alle gevallen, afgaande op andere berichten. Bovendien zullen er naast deze vaccinatiekampioenen nog ettelijke ongenoemde medici geweest zijn die minder armen vaccineerden. Vermoedelijk zijn dan die getallen voor Groningen, Vlagtwedde e.o. en Zuidhorn e.o. met een factor 2 of 3 te vermenigvuldigen. De pokkenvaccinatie werd inderdaad voortvarend aangepakt in Groningerland.

Bron: Nationaal Archief, Den Haag, Toegang 2.01.12  inv.nr. 750.

 


Het Pekelderdiep, vol blauwe vlammetjes (2)

Oude Pekela en het Pekelderdiep op een ansichtkaart van ca. 1910. Goed te zien is hoe sterk vervuild het water is. Collectie Groninger Archieven 1986-14654.

Ik heb hier wel eens iets verteld over het Pekelderdiep en hoe je dat vroeger dankzij alle vervuiling en daaruit vrijkomende methaan in brand kon steken, wat dan resulteerde in een kanaal vol blauwe vlammetjes, waarlijk een magisch-realistisch gezicht. Daarbij putte ik uit Pekelder herinneringen die deels teruggingen tot 1916. Vandaag vond ik bij toeval nog een krantenbericht uit september 1904, dat daarmee dateert van kort nadat de vervuiling zijn intrede deed. Het verhaal stond het eerst in de Nieuwe Winschoter Courant, die niet gedigitaliseerd is, maar werd overgenomen door het Nieuwsblad van het Noorden., waaraan ik het heb ontleend. Hier volgt het:

Woendagavond om ongeveer 8 uur wierp te Oude Pekela nabij de cartonfabriek ‘Ceres’, een schipper, die zijn pijpje had opgestoken, een nog brandenden lucifer buiten boord in de vaart, die, sedert de fabrieken hier maar ongestoord hun afval daarin laten vloeien, een breed, onbedekt en stinkend riool is geworden en die vooral dezen zomer ten gevolge van den lagen waterstand bijzonder zwaar bedekt is met een vuil geelgroene, grauwe, vieze massa, waarop het stuifzand, de afgevallen boombladeren en zelfs zwaardere voorwerpen rustig blijven liggen.

Een lichte ontploffing volgde, blauwe vlammetjes schoten her- en derwaarts tusschen het schuim door en weldra stond een deel van het Pekelderdiep gewoonweg in brand. Pogingen om de vlammen te dooven mislukten.

Eenige schippers beproefden met boomen de vlammen uit te slaan, doch dan volgden telkens hevige explosies waarbij de vlammen wel een meter hoog en zelfs meer opflikkerden. Ook toen getracht werd het vuur te smoren door er zand op te werpen, verhief zich een lichte laaie op de plekken, waar het zand werd gestort.

Dit maakte dan in ‘t schuim openingen voor het daarin ontwikkelde moerasgas en waar dit ontsnappen kon en met een vlammetje in aanraking kwam, ontplofte het als buskruit. Dit moerasgas of mijngas is licht koolwaterstofgas, dat zich in mijnen of in slooten of plassen ontwikkelt, waarin planten tot verrotting overgaan. Honderden van menschen sloegen aan weerszijden van de vaart het zeldzame schouwspel gade.

De onbezonnen jeugd vond het “een leuke boel”, doch den meer bedachtzamen sloeg de angst om ’t hart. Er lagen zooveel stroo- en turfschepen in de vaart, onmiddellijk in de buurt waar de vlammen over ’t water speelden.

Ze lekten langs de zijden van een met stroo geladen vaartuig, ze verhieven zich een paar voet hoog boven ’t water. De menigte zag onder ademlooze stilte toe, hoe ’t wel zou afloopen, maar gelukkig, ’t ging goed, het vrij groote schip droeg het stroo te hoog boven water.

Een paar waaghalzen gingen met een roeiboot te water, ze willen dwars door de blauwe vlammetjes heenvaren, maar hoog-op sloegen de felle vlammen rondom het bootje en de drieste bemanning zocht een goed heenkomen.

Steeds verder, — onder de brug door, vervolgde het vuur zijn weg door het natte element. Het gevaar werd dreigender; het vuur naderde reeds de fabriek ‘Albion’, in welker nabijheid verscheidene geladen schepen lagen.

Juist toen het vuur een diep geladen turfschip had bereikt, doofde het langzamerhand uit in een plek met open water, een ‘wak’ in het schuim-ijs.

Voorloopig is ’t gevaar voorbij. ’t Vreemde geval heelt een ernstige bijdrage geleverd tot het besef van de noodzakelijkheid om paal en perk te stellen aan de verregaande verontreiniging van het Pekelderdiep. (N.W.Ct.)”


Een vriendschapsbetuiging van Wigbolt Ripperda, de geuzenheld van Haarlem

Inschrijving van Wigbolt Ripperda in het vriendenboek van Eiso Jarges, Orleans 12 december 1565. Collectie Groninger Archieven 541-6.

En daar zit je dan onverwacht met een stukje vaderlandse geschiedenis voor je snufferd: het familiewapen met een tekstje van Wigbolt Ripperda, de Ommelander verdediger van Haarlem bij het beruchte beleg van 1572-1573.

Wigbolt studeerde in 1563 nog bij Calvijn in Genève. Kennelijk heeft hij twee jaar later ook in Orleans vertoefd, waar hij de jonge Jarges tegenkwam en het tekstje in diens vriendenboek neerpende. In 1566 teruggekeerd in de Ommelanden, was Wigbolt een van de vier gebroeders Ripperda die de Beeldenstorm in de kerk van Winsum organiseerden, waaraan ze zelf trouwens heel dapper meededen . Toen Alva in 1568 een eind maakte aan alle toegeeflijkheid en de Nederlandse Opstand uitbrak, nam Wigbolt de wijk naar Emden en werden al zijn goederen verbeurd verklaard.

In 1572 blijkt dezelfde Wigbolt dan de bevelhebber van de troepen in Haarlem, dat als stad trouw aan de prins gezworen heeft. Een deel van het stadsbestuur is echter wankelmoedig en onderhandelt in het geniep met de Spaansgezinde landsoverheid over capitulatie. Hiertegenover stelt zich Ripperda op, en hij weet zijn soldaten en de gewapende burgers tot een fanatiek verzet aan te sporen. Mede door hem zou het beleg zeven maanden duren en aan duizenden mensen, zowel binnen als buiten de stad, het leven kosten. Aanvankelijk was er nog wel aanvoer van voedsel over het Haarlemmermeer mogelijk, maar toen de watergeuzen op het meer door een Spaanse vloot werden verslagen, kwam het neer op de uithongering van de stad. In juli 1567 gaf Haarlem zich alsnog over. Ripperda werd als een van de eersten uit een kerk vol gevangenen gehaald en onthoofd, gevolgd door een massale onthoofdings-, ophangings-, en verdrinkingspartij. Aan de geuzen gaf men geen kwartier.

Over Wigbolt Ripperda, de held van Haarlem,  is verder maar heel weinig bekend. Aardig is nog dat hij de schakel vormt tussen twee legendarisch sterke vrouwen. Zijn grootmoeder van moederszijde, die hij als jongen zeker nog gekend moet hebben, was Beetke van Raskwert, de rücksichtslose onderneemster van de Nienoord. Aan de andere kant is daar Kenau Simonsdr Hasselaar. Zonder Wigbolts aansporingen zou deze Haarlemse nooit opgestaan en tot een icoon geworden zijn.


De Pilemelles of Pijlmels

Naamsvariant Aantal meldingen AG Periode meldingen Plaats
Pilemelli 1 1707 Oudeschans
Pilemelle 15 1708-1730 Oudeschans
Pillemel 1 1712 Bellingwolde
Pillemelle 1 1722 Oudeschans
Pijlmelle 1 1734 Bellingwolde
Pijlmel 1 1736 Oudeschans
Pijlmell 1 1744 Groningen
Pijlmel (vv 1) 21 1753-1825 Groningen
Pilemelle (vv 1) 4 1758-1777 Groningen
Pijlmel (vv 2) 4 1759-1826 Veendam
Pijlmels 5 1783-1812 Groningen
Pilemel 2 1792-1846 Groningen
Pilmels 1 1807 Groningen
Pielmel 1 1810 Groningen
Pilenel 1 1847 Groningen
Totaal 60

Mijn onderzoekje naar de nooit gerealiseerde Groninger maliebaan vloeide voort uit een fascinatie voor een curieuze familienaam, die ik al wel vaker was tegengekomen. De varianten van die naam heb ik vanuit Alle Groningers hierboven in schema gebracht op volgorde van hun verschijning en daarna op plaats. De naam duikt in 1707 als Pilemelli op in Oudeschans, maar gezien de Nederlandse voornamen gaat het waarschijnlijk niet om een Itaiaanse komaf. Een volgend jaar komt ze ook al meermalen voor als Pilemelle, in de eerste helft van de achttiende eeuw tevens de sterk overheersende variant, althans in Stad en Lande, waarbij Oude- of Bellingwolderschans in het leeuwendeel van de gevallen de woonplaats van de naamdragers is.

Daar en in het naburige Bellingwolde voltrekt zich in de jaren 1730 een verschuiving van Pilemelle naar Pijlmelle en Pijlmel, een variant die de overheersende is tussen 1744 en 1847, als de naamdragers voornamelijk in de stad Groningen wonen.

Qua oorsprong van de naam zijn er twee verklaringen denkbaar:

  • een verbastering van het Franse pêle-mêle, wat staat voor: mengelmoes, allegaartje, warboel;
  • een vernoeming van het maliespel op een vaste baan, dat in het Frans pallemaille heette, wat weer verwees maar het Italiaanse pallamaglio, in het Nederlands ook wel vervormd tot palmalie.

De tweede naamsverklaring lijkt het verst gezocht, maar landelijk bleek de vroegste naamdrager de Haagse militair Bernardus Pijlmel (!), die in 1707 opduikt, dus vlak voordat Jacobus Pilemelli en (diens broers?) Anton, Derck en Jan Pilemelle eind 1707 en begin 1708 vanwege hun belijdenissen ingeschreven worden in het Oudeschansker lidmatenregister. In Den Haag was er destijds nog een grote en fraaie maliebaan. Daar zou de bijnaam aan kunnen zijn ontleend. Dat Haagse soldaten in de vesting Oudeschans terechtkwamen, is evenmin ondenkbaar: de garnizoenen circuleerden over heel het land en zelfs langs de vestingen van de Barrièresteden in de Zuidelijke Nederlanden. Dat de familie- of bijnaam in Oudeschans vrij curieus werd opgeschreven, ligt zelfs voor de hand: maliebanen waren er in Groningerland niet. Naderhand, en dan vooral nadat de familie grotendeels naar de Stad Groningen verhuisde, zal de bijnaam dan weer naar de oorspronkelijke, Haagse spelling ‘gefatsoeneerd’ zijn.

Een en ander roept ook  de vraag op naar de maatschappelijk status van de Pilemelles of Pijlmels. Over die eersten kon ik maar weinig vinden. Jacobus Pilemelli of Pijlmelle werd echter medio 1720 door GS benoemd als chercher – lagere belastingambtenaar – bij de molen van Grijpskerk.

Wat meer is bekend over de latere Pijlmels. Zo was Coenraadt Anthonie Pijlmel vanaf de jaren 1740, 1750 custos of huisbewaarder(-schoolmeester) van de Latijnse school aan de Zwanestraat nz. in de Stad Groningen. Hij bewoonde daar een eigen huis, dat na zijn dood in 1785 werd geveild met enkele hoven in de Appelstraat, waar hij bovendien een tweede huis bezat. Daar in de buurt, aan de noordkant Leliestraat woonde zijn zoon “Monsieur” Anthonie Coenraad Pijlmel, een meester-timmerman, die in 1787 tevens musketier was bij het Groninger exercitiegenootschap Voor Onze Duurste Panden. Later had deze Anthonie een groter huis aan het A-kerkhof zz., maar ging daar failliet.  En dan hebben we nog Jacob Pjjlmel, ook een patriot, die in 1796 door het stadsbestuur werd benoemd tot turfstouwer. In 1806 had hij nog financiële belangen bij Oudeschans. Maar de bekendste Pijlmel zal toch Coenraadts dochter Margaretha of Marchien geweest zijn. Na 1800 trad ze als schoolhouderes te Veendam min of meer in de voetsporen van haar vader, maar als huisbewaarster behoedde ze in haar jonge jaren eens de Oude Boteringestraat voor een regelrechte ramp door kloekmoedig een achteloos weggezette, maar brandende kaars bij een vat buskruit weg te halen. Om deze heldendaad gold ze later ook wel als een “Kenau van een maid”.

Kortom, bij de Groninger Pilemelles en Pijlmels ging het voornamelijk om lagere ambtenaren en kleine middenstand. Waarschijnlijk kwam de familie via een militaire route in Oudeschans terecht. Mogelijk had een Haagse voorzaat de bijnaam opgedaan doordat hij ‘iets had’ met de Haagse maliebaan. Dit echter, staat zeker niet vast.