Wapens, krijgslieden en graftombes – tatoeages bij jeugddelinquenten (1901)

Stukje mensenhuid met diverse tattoos, Frankrijk 1930-1900. Science Museum Londen.

“De voorstellingen, die de jonge delinquenten op hun lichaam hebben, versterken de waarschijnlijkheid dezer theorie. Werktuigen en andere voorwerpen, die herinneringen zijn aan een beroep, vindt men daaronder ongeveer niet. Zeelieden tatoeëeren zich een anker, soldaten het onderscheidingsteeken van het wapen waartoe zij behooren, handwerkslieden een werktuig. Onder de bewoners van de verbeterhuizen (= gevangenissen, HP) zijn wapens de meest geliefde onderwerpen voor tatoeage: in de eerste plaats dolken, dan pistolen, degens, lansen, pijlen; sommigen hebben deze wapens een aantal malen afgebeeld, anderen hebben doorstoken harten er aan geregen, tot zelfs 7 toe, of het aantal slachtoffers dat zij maakten er naast geschreven.

 Op de afbeeldingen van wapens volgen die van krijgslieden; dan graftombes, soms met de namen van slachtoffers, verder ook bloemen, vogels, vreemde phantastische geslachtswapens, kruisen, kransen, sterren enz. Daarbij komen ook veel opschriften voor, waardoor oproerige, als: ‘Leve de anarchie’, ‘Dood aan C.I.U.’, ‘Leve de misdadigers’. Ook zeer onzedelijke voorstellingen en woorden vindt men, die bewijzen voor de vroegrijpheid van deze jeugdige misdadigers op erotisch gebied.”

Bron: ‘Wetenschappelijke mededeelingen’ in Soerabajjasch Handelsblad, 3 mei 1901.

Bron van de illustratie: Preserved tattoos (een collectie historische tatoeages op sterk water).

Advertenties

Hoe ds. Picardt de slavernij rechtvaardigde (1660)

In 1660 publiceerde de Coevorder predikant Johan Picardt een werkje, dat als allereerste geschiedschrijving van het oude Drenthe geldt. Daarin verwijlde dominee ook even bij de gezegende welvaart der witte christenen, die hij contrasteerde met het lot van de ongelovige Afrikanen:

“Letten wy op Cham en zijne nakomelingen, al zijnse machtige natiën gheworden, hoe seer heeft evenwel de slavernije op haer geheerscht! Zijn niet de meeste Africanen doorgaens geweest slaven hunner koningen? Een groot gedeelte der selviger, zijnse niet noch heden slaven der Turcken? De inwoonderen van Congo, Angola, Guinea, Monomotapa, Bagamidri &c, zijn het niet der slaven nesten, waer uyt soo veel herwaerts en derwaeryts gesleept, verkocht en tot alle slaef-achtige wercken gebruyckt werden?

Deze menschen zijn alzoo genaturaliseert, soo wanneer zy in vrijheydt ghestelt, of lieftalligh gekoestert werden, soo en willen zy niet deugen, en weten haer selfs niet te gouverneeren. Maer by aldien men geduerigh met rottingen in hare lenden woont, en dat men de selvige t’elckens sonder genade bastoneert, soo heeft men goede diensten van de selve te verwachten, alsoo haare welvaart bestaat in slavernije.”

Bron: Johannes Picardt, Korte Beschryvinge van eenige Vergetene en Verborgene ANTIQUITETEN Der Provintien en Landen gelegen tusschen de Noord-Zee, de Yssel, Emse en Lippe… (Amsterdam 1660) pag. 9.


Groninger jood was Gronings, Friese jood was Fries

Folkingestraat voor de oorlog.

Het provinciale Jodendom, zo karakteristiek als het was, heeft slechts een enkele maal een penvoerder gevonden, die het geschilderd heeft in zijn samenhang met zijn omgeving, in zijn aangepastheid, die toch zulk een schat van innige Joodsheid overliet. Ook hier is iets onherstelbaars verloren gegaan.(…) Wat een typen, wat een variaties! Verdwenen zij.

De onmiddellijk herkenbare Groninger Jid, die souverein heerste in zijn gebied in zijn vrolijke, levendige Folkingestraat. Lezer, ga niet naar de Folkingestraat. Het is een gore, droeve, neerdrukkende achterbuurt geworden.

De Jood uit de veenkoloniën, slagerveehandelaar, niet bang voor, noch afkerig van een fiks vechtpartijtje, die Grönnegs sprak in onvervalst dialect, echt van kleur en klank, waarin toch de Joodse bewogenheid telkens weer doorbrak.

De Limburger Jood, waarschijnlijk de meest geassimileerde en meest aangepaste van Nederland, die naar sjoel ging en daarna desgewenst een kaarsje voor het raam plaatste ter ere van een voorbijtrekkende processie. Joutse für Gott und für die Leute.

De Brabander, gul en gemoedelijk, met zijn Zuid-Nederlands „hebdege en bendege“, met zijn genoegelijke levensblijheid, gemakkelijke levensopvatting, met zijn gulle eenvoudige gastvrijheid.

De Friese Jood, zo oer-Joods gebleven, en toch zo vergroeid met zijn omgeving, dat hij Fries of Leeuwardens sprak als ware het Losjoun hakoudesj. En die zelfs als hij opgeroepen werd in de Beroche de Friese “G” niet overwinnen kon, asjer bokar bonoe. Ach, hoe eenzaam is de Put, dit Rapenburg van het Noorden. Me-ein jousjeiw. Geen vrolijke groep jongeren host meer door de buurt, op de avond van uitgaande Pesach op de melodie van het lied „Chomeitsdikke sterren“. Slechts de grote, onbeschadigde Leeuwarder Sjoel — eens hun trots en glorie — staart weemoedig-statig naar de leegte. Oj, mee haja lanoe!

Bron: Nieuw Israëlitisch Weekblad 15 juli 1949.


Hoe ome Joop in Veendam de loop op zijn apentent kreeg

Albert Eckhout – Ara.

Na de Tweede Wereldoorlog stond ome Joop Groninger vooral met dierententen op kermissen. Je kon er apen, vliegende honden, beverratten en exotische vogels aanschouwen. Als het slecht met die nering ging, dan hing Joop bijvoorbeeld een kooi met een papegaai op bij de ingang van de tent. Er kwam een klein bordje naast: “Gelieve Lorre niet aan te spreken, daar hij alleen vieze woorden zegt.” Dan tippelde het volk bij drommen de tent binnen.

In Veendam haalde hij eens een andere stunt uit, met een aap:

“Vlak voor de kermis in Veendam wordt er een jong aapje geboren. Dat is in Veendam vast en zeker nog nooit gebeurd, denk ik. Joop, hoe pak je dat aan? Ik hou me mooi van de domme en stap naar het bevolkingsregister.
– Meneer, ik kom een nieuwe wereldburger aangeven.
– Gefeliciteerd mijnheer Groninger, een jongen of een meisje?
– Jongen of meisje? Hoe komt u erbij? Een aap.
– Een aap?
– Ja, een aap.
– Maar dat kan helemaal niet, mijnheer.
– Oh, ik dacht…
– Luistert u eens, mijnheer Groninger. Mag ik een bevriende journalist bellen?
– Nou, meneer als u denkt dat dat iets is…”

Jongens, ik ben als een haas teruggehold naar de wagen. Amper was ik thuis of die college van je stond al voor mijn neus. Ja meneer, op weg naar het ziekenhuis in een taxi geboren…

Wil je geloven dat ik in Veendam goed heb gedraaid?”


Wanschepsel boeit meer dan vredesboodschap

Gebroken geweertje uit het interbellum. Foto: Andrys Stienstra, Wikimedia commons.

In de jaren 1920 tikt ome Joop Groninger, de kermisman,  een wel heel bijzondere attractie op de kop. Het betreft een antimilitaristisch reismuseum:

“In het noorden ontmoette ik een duizendpoot. Dat is een geboren kermisman, een jongen die alles kan. Jan Immel heette hij. Die jongen reisde met een soort oorlogsmuseum. Allemaal afgerukte lichaamsdelen: hoofden, armen, benen en rompen. Gemaakt van was. Ernaast had-ie alle mogelijke projectielen liggen. Kon je zien hoe gruwelijk de oorlog was. Hij liet de hele zaak steeds in oude theekisten door een bode vervoeren. Hij zocht dan lui van ’t gebroken geweertje op, die een soort tentoonstelling voor hem in mekaar zetten. Handige jongen, maar hij was er nu misselijk van. Je weet dat ik zo’n beetje antimilitarist ben en ik zag er dus wel wat in. Hij moest nog een paar afspraken nakomen en zou ’t spul een poosje later afleveren.

Toen ik dat museum eenmaal had, gingen de zaken verdraaid slecht. Niemand wou het zien. En ik had er nog wel een tent voor gekocht. Duizend gulden op de pof. Weet je wat ik gedaan heb? Ik kocht een Siamese varkenstweeling op sterk water en zette die bij ’t oorlogsspul. Jongen, het was in één keer weer krent. De mensen tippelden van heb ik jou daar.”


Steilwand (5) Varia en slot

Waar engpret de belangrijkste attractie vormde, was lef het eerst benodigde kapitaal. Men kon goed verdienen met een steilwand, maar de kost ging natuurlijk wel aan de baat vooraf:

Leeuwarder Courant 5 december 1957.

De ervaring van het ronddaveren op zo’n “Wand des Doods” van trillende en allengs meer dreunende planken, vond ik nog het best verwoord in een ‘fuliton’:

Nieuwsblad van het Noorden 19 november 1960.

Met een goeie conditie kon je een steilwand blijkbaar ook per fiets berijden:

Friese Koerier 26 januari 1956.

Tot zover de steilwand, rond 1960 een van de top-attracties op vooral plattelandskermissen:

Friese Koerier 2 september 1961.


Steilwand (4) De meisjes

Als je zou denken dat de steilewandwereld met zijn motorgeronk en benzinedampen louter door jongens en mannen werd bevolkt, dan vergis je je. Want ook meisjes en vrouwen reden in/op  steilwanden rond. Zo was ene Miss Silvia een aparte vermelding waard in een aankondiging voor de Lopster kermis van 1965:

Nieuwsblad van het Noorden 16 september1965.

Silvia was een Groningse, straks meer over haar. – Afgaande op een personeelsadvertenties bestond er zelfs een steilewandsrijdster met een eigen zaak:

Telegraaf 27 april 1960.

Meermalen werden er ook meisjes gevraagd:

Vrije Volk 6 mei 1958.

Parool 26 maart 1959.

De miss Sylvia zoals ze voorkwam in de bovenste advertentie bleek overigens een pseudoniem van Gerry Kinds, alias “De Blonde Motorduivelin”. Een interview met haar vinden we op de Vrouwenpagina van een Telegraaf uit 1959. Op dat moment was Gerry (34) de enige acrobatische steilewandrijdster “in de kleine bonte en ruige wereld der kermissensaties”. Dat wil zeggen: ze had wel een collega, maar die was in verwachting.

Opmerkelijk: Gerry Kinds kwam uit Kielwindeweer bij Hoogezand. “Ik heb aardappels gekrabd en geschoffeld”, vertelde ze over haar veenkoloniale jeugdjaren: “Man, ik zat al op het land, toen ik 11 jaar was”.

In en vlak na de oorlog stierven haar beide ouders. Met haar jongste broer, voor wie ze zorgde, vertrok ze naar Amsterdam. Ze was er tramconductrice, winkeljuffrouw, dienstmeisje, en ijsverkoopster geweest. Nog nooit had ze naar motoren getaald, maar in 1954 ontmoette ze haar man, de steilewandrijder Herman de Haan en dat veranderde haar leven. Met hem ging ze “voor de gein” eens mee, voorop de motor. In 55 was dat, dus op haar dertigste. Drie seizoenen reed ze met Herman mee voorop, maar ook wel achterop:

“…om de goeie ligging van de motor te leren aanvoelen. Je moet weten hoe de motor tegen de wand ligt. Als je dat niet weet donder je zo naar beneden. Ik reed achterop ook mee, omdat je dan het gevoel krijgt, dat je zelf rijdt. In het begin heb ik wel veel last gehad van duizeligheid. Vorig jaar ben ik alleen gaan rijden. Maar voordat ik kon zeggen “In ben rijdster”, viel ik elf keer. Dan was ik overal bont en blauw. Soms dacht ik: “Ik hou ermee op”, maar als je dan eenmaal goed draait dan denk je: “Waar heb ik me druk over gemaakt?”

Ze reisde half Europa af. Haar Groningse familie zag ze niet meer:

“Ze houden daar niet van m’n beroep. Ze houden helemaal niet van het kermisbedrijf. Niet dat we ruzie hebben, maar ze vinden het gek wat ik doe.”