Hindrik Latijn

En daar duikt opeens een Hindrik Latijn op in de diaconierekening van Nieuwolda. Zijn doopgift op 10 oktober 1784 van een sestehalf (=5,5 stuiver), destijds traditioneel voor kleine middenstanders, steekt nogal mager af bij de omringende: allereerst natuurlijk bij de daalder van “doctor” Van der Molen, die een paar jaar later pardoes zijn dienstmeid door het hoofd zou schieten, maar des te meer nog bij de ducaat (5 gulden en 5 stuivers) die afkomstig was van ‘dikke’ boeren als Harm Smeedes, F. Fockens en Pieter Jans.

Met die achternaam Latijn heeft Hindrik Alle Groningers niet gehaald. Bij de inschrijving op die datum van zijn dochter Engeltje in het doopboek staat de naam Hindrick Hansen. Als achternaam staat Latijn slechts één keer in Alle Groningers, namelijk bij de ondertrouw, in 1682, van een Denijs Latijn met een Catharina Hindricx. Deze Denijs Latijn kwam van Rouen, en zijn eigenlijke naam zal wel op z’n Frans Denis Latin zijn geweest. Diens verloofde was oorspronkelijk afkomstig uit Gulikerland. Eerder was weduwe van een Isaack van Sameur (Saumur). Mogelijk ging het bij dit stel dus om Hugenoten, al moest de grote vluchtelingstroom van gereformeerden uit Frankrijk toen nog op gang komen.

Tussen de stad-Groninger ondertrouw van Denijs Latijn en de melding van Hindrik Latijn te Nieuwolda zit ruim een eeuw waarin de achternaam Latijn niet in Groninger doop-, trouw-, en begraafboeken staat. Kwam Hindrik dan van elders? Best mogelijk, bij WieWasWie blijkt immers dat er in de tweede helft van de achttiende eeuw voornamelijk in Leiden een familie Latijn leefde.

Maar het lijkt ook wat onwaarschijnlijk dat zo’n Leidse Latijn, of all places, opeens in het Groningse Nieuwolda verzeild raakt. Ik denk daarom dat de achternaam Latijn bij de doopgift van 1784 een bijnaam is. Hindrik zal af en toe een mondje boven zijn stand hebben gepraat en met de bijnaam Latijn beloonden zijn dorpsgenoten Hindriks al te geleerde aspiraties.


Inentingstoebereidselen

Het encyclopedische woordenboek van Chomel uit 1778 bevat een lang artikel over “inenting der kinderpokjes”, dat Groningen en Petrus Camper nogal eens noemt. Mijn oog bleef haken bij een passage over de voorbereiding tot de handeling – de heren onderzoekers dachten destijds heel verschillend over nut en noodzaak daarvan:


Baksteen uit De Helle voor Groninger kerken

Kaartje van De Helle (nu Terheijl) en omgeving in de Middeleeuwen, gemaakt door alle latere toevoegingen, zoals Nienoord, de veenkolonie Leek en Nietap, te verwijderen uit een kaartje dat Beckeringh ca 1750-1760 vervaardigde. NB: de oriëntatie is de omgekeerde van de gebruikelijke: zuid is hier boven en noord is onder. Je moet dus als het ware kijken vanuit Nienoord, dat onderaan het kaartfragment stond, maar dat is weggepoetst.

De Helle lag op Drents grondgebied in de hoek tussen enerzijds de landweg Roden-Tolbert/Midwolde en anderzijds het grensriviertje De Lek tussen Drenthe en het het Vredewold. Dat was in the middle of nowhere. De dichtstbijzijnde nederzettingen waren de buurtschap De Zulthe onder her kerspel Roden aan de Drentse kant en Tolbert/Midwolde aan de Vredewoldster kant. Deze uithoek bestond tot ongeveer 1300 voornamelijk uit een onontgonnen wildernis van hoog- en laagveen en heide.

De reden dat het grote klooster Aduard destijds hier een uithof vestigde, was, zoals bekend, dat er aan de oppervlakte potklei gevonden werd, terwijl er ook turf kon worden gewonnen. Met de turf verbakten de bewoners van de uithof in veldovens de potklei tot bakstenen en dakpannen, waarmee bijvoorbeeld de prachtige romanogotische kerken van Groningerland werden gebouwd.

De uithof van De Helle was geheel en al georiënteerd op Aduard in het noorden, zoals je ook kunt zien aan het doodlopen in het veen van een weg naar het zuiden (nu de Scheperij). Via het dichtstbijzijnde bevaarbare punt van de Lek – misschien bij de boerderij Romen, of anders nog wat dichterbij het Zulthermeer (nu Leekstermeer) – en verder het Leekstermeer, de Munnikevaart en de Gave bij Oostwold, de Zuidwending, het Aduarderdiep en de Lindt gingen de producten naar Aduard, waar ze werden gebruikt en verhandeld.

In 1807 is uithof De Helle allang veranderd in een havezate of buitenhuis Terheijl, dat intussen ook aanzienlijk uitgebreid en verfraaid werd, maar een lijstje van de dan door de eigenaar zelf geëxploiteerde percelen (Drents Archief OSA 1513), laat zien hoe het verleden nog in de veldnamen voortleeft. Bij het Huis Ter Heyl en zijn hoven en singels horen dan:

  • De Duivekamp, bos(s)ie en Osseboerskamp
  • De Rutsche camp
  • De Vagevuur kamp
  • De Tichel kamp
  • De Sante(e)’s kampen
  • Leekster veld
  • 4 campen bij de Nietap
  • ’t Zuyderveld en -veen
  • 10¾ waaren (aandeken) in ’t gescheyden veen
  • ’t Baggelveld

De onderstreepte namen, komen ook voor op de veldnamenkaart van Wieringa, ca. 1970 (zie HisGis). Opvallend zijn het Vagevuur (dat als het ware reageert op De Helle, ooit een schansje)  en de Tichelkamp, een plek waar potklei zal zijn gewonnen. Het Leeksterveld, het Zuiderveld, het Baggelveld en de naamloos gescheiden venen hebben te maken met de winning van turf. Toch zullen deze venen niet allemaal al in de Middeleeuwen in exploitatie zijn genomen. Het Zuiderveld ten zuidwesten van De Helle, en het |Leeksterveld even over de provinciegrens kwamen pas veel later aan snee. Het Baggelveld, dichter bij de uithof, heeft dan wat betere papieren, ook omdat baggelen duidt op laagveenderij (vanonder de grondwaterspiegel vandaan), die een turf met een hogere calorische waarde voor de steenbakkerij opleverde. Verder lijken ook de Santeekampen – overgenomen van of gepacht door de ondernemersfamilie Santee – een aanwinst uit een veel jongere periode, ik schat tweede helft achttiende eeuw..

Een Jan Smit bracht in 2012 de hem bekende veldnamen van Terheijl e.o. in kaart (pdf) voor Staatsbosbeheer:

NB: dit kaartfragment heeft wel weer de gewone noordzuidoriëntie. Afgezien van het Zuiderveld, het  Leeksterveld en het Baggelveld, maar inclusief de diverse in 1807 ongenoemd gebleven Hellen, liggen de in 1807 genoemde percelen in een  opstrek tegenover het huis, zeker als we de Santeekampen niet meerekenen. Met de kampen onmiddellijk ten westen en zuiden van het huis die in 1807 evenmin worden genoemd (Olle Tuun, Heerskamp, Klaverkamp) en  met de eveneens ongenoemde Klaaiedobben, de Voorste Ganzenkamp en wellicht het Baggelveld aan de westkant moeten ze behoord hebben tot de middeleeuwse uithof De Helle, waar dus die kloostermoppen vandaan kwamen voor onze prachtige oude Groninger kerken.

 


Oldambtster landarbeiders en hun verdiensten

Dagloners bij het bieten poten op het land. Nieuw-Scheemda, jaren 30. Collectie Groninger Archieven 818-10704.

Bij de landarbeidersstaking van 1907 in het Oldambt publiceerden verschillende kranten loongegevens. Die uit de Land en Volk van 8 mei 1907, nogal onoverzichtelijk achter elkaar opgeschreven, heb ik hieronder in tabel gebracht en wat nader toegelicht:

Jaarlonen in guldens volgens zegsman te:
Arbeider Beerta Boer Beerta Arbeider? Finsterwolde Boer Nieuw-Scheemda Boer? Nieuw-Beerta
Boerenknecht 150 à 160 160
Boerenmeid 90 à 100 100
Arbeider vast 305 320 294 325 390
Arbeider los 280 370 294+ 350 400+
Vrouw 70 67,50 à 57,50

Met boerenknechten en boerenmeiden werden bedoeld het op de boerderij inwonende, ongetrouwde personeel van in de regel zo’n 12 à 25 jaar oud. Opgegeven zijn de maximum-lonen voor knechten en meiden die volledig op hun taak berekend waren qua ervaring en kracht. Bij de geldlonen kwamen dan nog de kost- en inwoning, of eigenlijk moet je het andersom zeggen want de kost en inwoning vormden de basis, het geld kwam erbij. Kinderen die nog maar pas op een boerderij kwaren kijken, kregen vaak ook niet of nauwelijks geld in handen, daarvoor golden de kost- en inwoning als loon. Bij winnen aan kracht en ervaring, groeiden dan de geldbedragen van jaar op jaar. Minderjarigen stonden het verdiende geld overigens meestal af aan ouders of voogden als bijdrage in het gezinsinkomen. Bij gezinnen die onder de diaconie vielen, beurde de diaconie dat loon.

Met vaste arbeiders zijn bedoeld de arbeiders met een vast dienstverband op de boerderij. Op elke boerderij was er één, in totaal waren er dus evenveel vaste arbeiders als boerderijen. Zo was mijn betovergrootvader Elzo Perton vast arbeider op de Onnesheerd in de Reiderwolderpolder. Die viel onder Finsterwolde, zijn kale loon zal dan ongeveer 294 gulden hebben bedragen. Maar daar zaten de emolumenten in natura nog niet bij. Omgezet in geldwaarde werden die in Finsterwolde op minstens 59 gulden begroot. Het ging dan om walgras (ƒ 25); het mogen lezen en zoeken van aren, erwten en bonen op afgeoogst land (ƒ 7.50); twee pak gerstestro (ƒ 1,50); het mogen gebruiken van de boer zijn paarden en wagens voor het halen van bijvoorbeeld turf en kwelderhooi (ƒ 20); en gratis weide voor schapen (à ƒ 5). Inclusief deze emolumenten bedroeg het jaarloon van een vaste arbeider in  Beerta 305 à 320 gulden, die was uiteindelijk dus wat minder af dan zijn collega in Finsterwolde. Die van Finsterwolde (te begroten op 353 gulden) deed echter weer onder voor die van Nieuw-Beerta (390 gulden inclusief emolumenten). De daglonen liepen daarbij op en af met het aantal (werkbare) uren daglicht en de oogstdrukte, zoals bijkomende specificaties uit Beerta en Nieuw-Beerta laten zien:

Beerta Nieuw-Beerta
Maart tot half juli (8 uur) ƒ 0,75 ƒ 0,75
Half juli tot september (14 uur) ƒ 1,25 ƒ 2,00
September-november (12 uur) ƒ 1,25 ƒ 1,00
November tot maart (7 uur) ƒ 0,60 ƒ 0,75

Ook hieruit blijkt weer, dat de vaste arbeider vooral in Nieuw-Beerta goed af was.

Maar veel groter dan het aantal vaste arbeiders, was in een Oldambtster dorp het aantal losse arbeiders of dagloners, al gauw enkele honderden per dorp. Volgens opgave uit Finsterwolde namen zij (en hun ploegen) werkzaamheden vaak per perceel aan en verdienden dan een kwartie meer per dag dan een vaste arbeider. Hoewel ze door de tijdsdruk vaak harder aan moesten poten, was hun arbeidsdiscipline minder groot: “Ze verloopen vaker een dag en zijn ook in tijden van overgang vaker zonder werk, zoodat ze per jaar niet veel meer verdienen dan vaste arbeiders”. Ze profiteerden vooral van de oogstdrukte in de zomer.

Een arbeider uit Beerta begrootte het jaarloon van een dagloner op 280 gulden, terwijl een boer uit hetzelfde dorp dat op 370 gulden raamde. In 1893 was dat nog ruim 230 gulden, zodat de daglonen rond 1900 sowieso verhoogd moeten zijn. Daarbij valt het verschil tussen beide jaarloonopgaven uit Beerta nogal op. Dat komt doordat de arbeider elders verdiend loon uit veenarbeid niet meetelde, omdat lang alle losse arbeiders daaraan deden. De specificatie die de Beertster boer leverde, zag er vanaf eind maart zo uit:

7 weken in de venen 80 gulden
2 weken wieden 8 gulden
4 weken maaien in Friesland 44 gulden
4 weken divers werk 24 gulden
6 weken oogst (vooral augustus) 90 gulden
6 weken divers werk (september, oktober) 40 gulden
4 weken (november) 20 gulden
4 weken (december) 16 gulden
8 weken (januari, februari) 24 gulden
5 weken (februari, maart) 26 gulden
TOTAAL: 372 gulden incl. of 292 gulden excl veenwerk

Tot slot de vrouwen: zij werkten vooral mee op het land voor zover hun huishouden dat toeliet. In Beerta werden hun verdiensten wat hoger geschat dan in Nieuws-Scheemda. De verschillen tussen beide bedragen, in het laatste dorp opgegeven, komen doordat de vrouw van de vaste arbeider ook meehielp in het huishouden en op de tuin van de boer, bij wie haar man in dienst was.  Een specificatie van daglonen voor vrouwen is er uit Finsterwolde:

Wieden ƒ 0,40
Schoven binden ƒ 1,75
Aardappelen en bieten rooien ƒ 0,60 à 1,00
Erwten plukken ƒ 0,80 à 1,20
Oogst inhalen ƒ 0,60 à 0,75

Dit zullen dan de bedragen zijn, die Geeske Boog, de vrouw van Elzo Perton, ongeveer zal hebben verdiend.


Veldslagen aan de Tjamme

In het voorjaar van 1886 haalde een bericht uit de Winschoter Courant meerdere landelijke kranten zoals het Algemeen Handelsblad en De Tijd. Ook regionale kranten namen het over, met onderling minieme verschillen. Dit is de versie uit de Provinciale Drentsche en Asser Courant van 29 maart dat jaar:

Tusschen de boerenknechten van Finsterwolde en die van Beerta hebben twee keeren vrij ernstige vechtpartijen plaats gehad. Waren den eersten keer de Beerters overwinnaars, de laatste maal moesten ze afdruipen, zelfs werden zij tot in Beerta achtervolgd. Enkelen hebben lichte wonden gekregen. Er wordt gevochten met stokken en palen, welke aan het eene eind voorzien zijn van spijkers. Naar we vernemen, zouden de vechtersbazen eergisterenavond elkaar weer ontmoeten. De oorzaak van een en ander moet zijn, dat de knechten van Finsterwolde soms het hof maken aan de meiden van Beerta. (W. Ct.)

Kennelijk waren deze collectieve veldslagen zelfs in Drenthe nieuws. Terwijl het daar toch maar al te bekend was, hoe jongens uit het ene dorp een mededinger uit een ander dorp afrosten, tenminste, als hij zo’n vechtpartij niet afkocht met een fles jenever.

Dat zulke praktijken destijds in het rap moderniserende Oldambt nog bestonden, daar stond ik wel van te kijken. Beerta en Finsterwolde komen later in zoveel opzichten overeen, dat je geneigd bent te denken dat het ‘dorpisme’ hier in 1886 allang uitgebannen was, een veronderstelling die destijds, gezien de verspreiding van het bericht, blijkbaar ook in den lande leefde.


Harm Boukje als propagandist

Bij de nieuwste aanwinsten van Delphers krantenbank vandaag, staat o.a.  De Vrije Socialist (1898-1940), een krant van Domela Nieuwenhuis. Uiteraard was ik benieuwd of Finsterwolde er ook in voorkwam en dan natuurlijk speciaal de anarchistische broer van mijn overgrootmoeder Antje Tuin. Dat bleek inderdaad het geval, namelijk in een bericht van 21 december 1901:

Finsterwolde. Tuin uit Finsterwolde en de ontslagen werkman Eimers zijn begonnen de propaganda in den noordoostelijken hoek van Groningen ter hand te nemen. Eerst gingen zij des maandags op de markt staan te Winschoten, maar de regen noodzaakte hen weg te gaan, zoodat zij maar voor 80 cents aan brochures verkochten. Dit was niet zeer bemoedigend.

Te Oudeschans hielden zij een openbare vergadering. Een 20-tal belangstellenden waren ter vergadering. Na opening der vergadering door Tuin, kreeg Eimers het woord en ofschoon hij zijn rede voorlas, dit hinderde niets. Spoedig zal hij wel de noodige vrijmoedigheid hebben om vrij te spreken. Ook droeg hij eenige gedichten voor, die zeer in den smaak vielen.

Tuin sloot weer de vergadering met een opwekkend woord, om aan te dringen op solidariteit onder de arbeiders. Terwijl de boeren werken aan de veredeling van paarden en vee, werken de socialisten aan de veredeling van de menschen en voor dat doel te werken, is wel de moeite waard. Tuin kolporteert ook met brochures en brengt in die streken heel wat lektuur ouder de menschen.

Harm had dus niet alleen een handeltje in boeken en brochures, maar ging ook in de wijde omgeving op stap als propagandist. Voor de veredeling der mensheid stond hij op de Winschoter markt, ging hij langs de deuren met zijn lectuur en hield hij openbare bijeenkomsten.

De jongere en nog onervaren kompaan met wie hij dat deed, was de huisschilder Christiaan Eimers, geboren in 1880 te Vlagtwedde. Waarschijnlijk werkte Eimers in 1901 bij een patroon in Winschoten en was door deze ontslagen. Enige jaren laten vestigde Eimers zich in de stad Groningen, waar hij trouwde en een schildersbedrijf had in de Van Julsinghastraat, Oosterpoortwijk. Hij zou nog wel vaker in de kolommen van de De Vrije Socialist voorkomen, ook als spreker. Volgens Eimers’ nazaten was het een forse kerel, die altijd zijn anarchistische overtuiging trouw is gebleven. Hij overleed in 1940.

Bron: De Vrije Socialist 21 december 1901.


Kampioenen der vaccinatie

De Dwingeler arts Johannes Crebas rapporteerde in juni 1809 dat hij in de kerspelen Beilen, Smilde, Diever Dwingeloo en Ruinen in totaal 224 kinderen tegen de pokken had gevaccineerd met entstof van koepokken. Hij zette er helaas niet bij in hoeveel tijd hij die kinderen inentte.

Uit Assen kwam ongeveer tegelijkertijd het bericht van de chirurgijn Thurkow dat zolang verscheidene andere heren zich op de inenting hadden toegelegd, hij zich daar niet mee had willen bemoeien. Toen zij ermee ophielden, was hij ermee begonnen. In drie maanden tijd had hij  ongeveer 40 kinderen gevaccineerd

en continuere daarmede dagelijks, zoodat thans nog elf kindern behandele.

In 1807 telde het kerspel Assen 621 inwoners, terwijl er van 1805-1807 gemiddeld 25 kinderen werden gedoopt. Dan zijn die 40 ingeënte kinderen toch redelijk wat, in aanmerking genomen dat er voor Thurkow met het intenten begon, ook al kinderen ingeënt waren en dat hij vooral de jongere kinderen zal hebben gevaccineerd, en bijvoorbeeld niet de kinderen die al pokken hadden gehad. Neemt niet weg dat een percentage helaas niet uit te rekenen is.

Zowel het rapportje van Crebas uit Dwingeloo als dat van Thurkow uit Assen zag ik een jaar of vier geleden op het eind van een dag onderzoek in het Nationaal Archief. Ze maken deel uit  van een forse stapel fascinerende berichten over de pokkeninenting uit de nadagen van Koning Lodewijk Napoleon. Veel tijd om er wat meer dan een stuk of wat te fotograferen had ik destijds niet, en aan een dergelijke treinreis wil ik ook pas weer denken als ik zelf tegen de corona  ingeënt ben. Voorlopig komt het dus niet van het verdere onderzoek dat ik van plan was te doen, zodat het hier bij een impressie moet blijven.

Het is ook de vraag wat je aan het materiaal hebt. Zo stuurde de Departementale Commissie van Geneeskundig Onderzoek & Toevoorzigt in Groningen op 24 grasmaand 1810 een bericht aan ’s Konings minister over de geneesheren in haar ressort die de meeste inentingen hadden verricht zonder daarvoor enige beloning ontvangen te hebben. Deze weldoeners waren:

  • Medisch doctor Antonius Otto Hermannus Tellegen te Groningen met 572 inentingen;
  • Heelmeester (chirurgijn) Johan Albrecht Friedrich Schoeler te Vlagtwedde – 165 inentingen;
  • Heelmeester Pieter Nanninga Zuidhorn – 130 inentingen.

Het gaat hier om vaccinaties van kinderen van armen en minvermogenden. Mensen die de inenting wel konden betalen, zitten niet in de primitieve statistiek, maar vormden waarschijnlijk nog de meerderheid van alle gevallen, afgaande op andere berichten. Bovendien zullen er naast deze vaccinatiekampioenen nog ettelijke ongenoemde medici geweest zijn die minder armen vaccineerden. Vermoedelijk zijn dan die getallen voor Groningen, Vlagtwedde e.o. en Zuidhorn e.o. met een factor 2 of 3 te vermenigvuldigen. De pokkenvaccinatie werd inderdaad voortvarend aangepakt in Groningerland.

Bron: Nationaal Archief, Den Haag, Toegang 2.01.12  inv.nr. 750.

 


Het Pekelderdiep, vol blauwe vlammetjes (2)

Oude Pekela en het Pekelderdiep op een ansichtkaart van ca. 1910. Goed te zien is hoe sterk vervuild het water is. Collectie Groninger Archieven 1986-14654.

Ik heb hier wel eens iets verteld over het Pekelderdiep en hoe je dat vroeger dankzij alle vervuiling en daaruit vrijkomende methaan in brand kon steken, wat dan resulteerde in een kanaal vol blauwe vlammetjes, waarlijk een magisch-realistisch gezicht. Daarbij putte ik uit Pekelder herinneringen die deels teruggingen tot 1916. Vandaag vond ik bij toeval nog een krantenbericht uit september 1904, dat daarmee dateert van kort nadat de vervuiling zijn intrede deed. Het verhaal stond het eerst in de Nieuwe Winschoter Courant, die niet gedigitaliseerd is, maar werd overgenomen door het Nieuwsblad van het Noorden., waaraan ik het heb ontleend. Hier volgt het:

Woendagavond om ongeveer 8 uur wierp te Oude Pekela nabij de cartonfabriek ‘Ceres’, een schipper, die zijn pijpje had opgestoken, een nog brandenden lucifer buiten boord in de vaart, die, sedert de fabrieken hier maar ongestoord hun afval daarin laten vloeien, een breed, onbedekt en stinkend riool is geworden en die vooral dezen zomer ten gevolge van den lagen waterstand bijzonder zwaar bedekt is met een vuil geelgroene, grauwe, vieze massa, waarop het stuifzand, de afgevallen boombladeren en zelfs zwaardere voorwerpen rustig blijven liggen.

Een lichte ontploffing volgde, blauwe vlammetjes schoten her- en derwaarts tusschen het schuim door en weldra stond een deel van het Pekelderdiep gewoonweg in brand. Pogingen om de vlammen te dooven mislukten.

Eenige schippers beproefden met boomen de vlammen uit te slaan, doch dan volgden telkens hevige explosies waarbij de vlammen wel een meter hoog en zelfs meer opflikkerden. Ook toen getracht werd het vuur te smoren door er zand op te werpen, verhief zich een lichte laaie op de plekken, waar het zand werd gestort.

Dit maakte dan in ‘t schuim openingen voor het daarin ontwikkelde moerasgas en waar dit ontsnappen kon en met een vlammetje in aanraking kwam, ontplofte het als buskruit. Dit moerasgas of mijngas is licht koolwaterstofgas, dat zich in mijnen of in slooten of plassen ontwikkelt, waarin planten tot verrotting overgaan. Honderden van menschen sloegen aan weerszijden van de vaart het zeldzame schouwspel gade.

De onbezonnen jeugd vond het “een leuke boel”, doch den meer bedachtzamen sloeg de angst om ’t hart. Er lagen zooveel stroo- en turfschepen in de vaart, onmiddellijk in de buurt waar de vlammen over ’t water speelden.

Ze lekten langs de zijden van een met stroo geladen vaartuig, ze verhieven zich een paar voet hoog boven ’t water. De menigte zag onder ademlooze stilte toe, hoe ’t wel zou afloopen, maar gelukkig, ’t ging goed, het vrij groote schip droeg het stroo te hoog boven water.

Een paar waaghalzen gingen met een roeiboot te water, ze willen dwars door de blauwe vlammetjes heenvaren, maar hoog-op sloegen de felle vlammen rondom het bootje en de drieste bemanning zocht een goed heenkomen.

Steeds verder, — onder de brug door, vervolgde het vuur zijn weg door het natte element. Het gevaar werd dreigender; het vuur naderde reeds de fabriek ‘Albion’, in welker nabijheid verscheidene geladen schepen lagen.

Juist toen het vuur een diep geladen turfschip had bereikt, doofde het langzamerhand uit in een plek met open water, een ‘wak’ in het schuim-ijs.

Voorloopig is ’t gevaar voorbij. ’t Vreemde geval heelt een ernstige bijdrage geleverd tot het besef van de noodzakelijkheid om paal en perk te stellen aan de verregaande verontreiniging van het Pekelderdiep. (N.W.Ct.)”


Een vriendschapsbetuiging van Wigbolt Ripperda, de geuzenheld van Haarlem

Inschrijving van Wigbolt Ripperda in het vriendenboek van Eiso Jarges, Orleans 12 december 1565. Collectie Groninger Archieven 541-6.

En daar zit je dan onverwacht met een stukje vaderlandse geschiedenis voor je snufferd: het familiewapen met een tekstje van Wigbolt Ripperda, de Ommelander verdediger van Haarlem bij het beruchte beleg van 1572-1573.

Wigbolt studeerde in 1563 nog bij Calvijn in Genève. Kennelijk heeft hij twee jaar later ook in Orleans vertoefd, waar hij de jonge Jarges tegenkwam en het tekstje in diens vriendenboek neerpende. In 1566 teruggekeerd in de Ommelanden, was Wigbolt een van de vier gebroeders Ripperda die de Beeldenstorm in de kerk van Winsum organiseerden, waaraan ze zelf trouwens heel dapper meededen . Toen Alva in 1568 een eind maakte aan alle toegeeflijkheid en de Nederlandse Opstand uitbrak, nam Wigbolt de wijk naar Emden en werden al zijn goederen verbeurd verklaard.

In 1572 blijkt dezelfde Wigbolt dan de bevelhebber van de troepen in Haarlem, dat als stad trouw aan de prins gezworen heeft. Een deel van het stadsbestuur is echter wankelmoedig en onderhandelt in het geniep met de Spaansgezinde landsoverheid over capitulatie. Hiertegenover stelt zich Ripperda op, en hij weet zijn soldaten en de gewapende burgers tot een fanatiek verzet aan te sporen. Mede door hem zou het beleg zeven maanden duren en aan duizenden mensen, zowel binnen als buiten de stad, het leven kosten. Aanvankelijk was er nog wel aanvoer van voedsel over het Haarlemmermeer mogelijk, maar toen de watergeuzen op het meer door een Spaanse vloot werden verslagen, kwam het neer op de uithongering van de stad. In juli 1567 gaf Haarlem zich alsnog over. Ripperda werd als een van de eersten uit een kerk vol gevangenen gehaald en onthoofd, gevolgd door een massale onthoofdings-, ophangings-, en verdrinkingspartij. Aan de geuzen gaf men geen kwartier.

Over Wigbolt Ripperda, de held van Haarlem,  is verder maar heel weinig bekend. Aardig is nog dat hij de schakel vormt tussen twee legendarisch sterke vrouwen. Zijn grootmoeder van moederszijde, die hij als jongen zeker nog gekend moet hebben, was Beetke van Raskwert, de rücksichtslose onderneemster van de Nienoord. Aan de andere kant is daar Kenau Simonsdr Hasselaar. Zonder Wigbolts aansporingen zou deze Haarlemse nooit opgestaan en tot een icoon geworden zijn.


De Pilemelles of Pijlmels

Naamsvariant Aantal meldingen AG Periode meldingen Plaats
Pilemelli 1 1707 Oudeschans
Pilemelle 15 1708-1730 Oudeschans
Pillemel 1 1712 Bellingwolde
Pillemelle 1 1722 Oudeschans
Pijlmelle 1 1734 Bellingwolde
Pijlmel 1 1736 Oudeschans
Pijlmell 1 1744 Groningen
Pijlmel (vv 1) 21 1753-1825 Groningen
Pilemelle (vv 1) 4 1758-1777 Groningen
Pijlmel (vv 2) 4 1759-1826 Veendam
Pijlmels 5 1783-1812 Groningen
Pilemel 2 1792-1846 Groningen
Pilmels 1 1807 Groningen
Pielmel 1 1810 Groningen
Pilenel 1 1847 Groningen
Totaal 60

Mijn onderzoekje naar de nooit gerealiseerde Groninger maliebaan vloeide voort uit een fascinatie voor een curieuze familienaam, die ik al wel vaker was tegengekomen. De varianten van die naam heb ik vanuit Alle Groningers hierboven in schema gebracht op volgorde van hun verschijning en daarna op plaats. De naam duikt in 1707 als Pilemelli op in Oudeschans, maar gezien de Nederlandse voornamen gaat het waarschijnlijk niet om een Itaiaanse komaf. Een volgend jaar komt ze ook al meermalen voor als Pilemelle, in de eerste helft van de achttiende eeuw tevens de sterk overheersende variant, althans in Stad en Lande, waarbij Oude- of Bellingwolderschans in het leeuwendeel van de gevallen de woonplaats van de naamdragers is.

Daar en in het naburige Bellingwolde voltrekt zich in de jaren 1730 een verschuiving van Pilemelle naar Pijlmelle en Pijlmel, een variant die de overheersende is tussen 1744 en 1847, als de naamdragers voornamelijk in de stad Groningen wonen.

Qua oorsprong van de naam zijn er twee verklaringen denkbaar:

  • een verbastering van het Franse pêle-mêle, wat staat voor: mengelmoes, allegaartje, warboel;
  • een vernoeming van het maliespel op een vaste baan, dat in het Frans pallemaille heette, wat weer verwees maar het Italiaanse pallamaglio, in het Nederlands ook wel vervormd tot palmalie.

De tweede naamsverklaring lijkt het verst gezocht, maar landelijk bleek de vroegste naamdrager de Haagse militair Bernardus Pijlmel (!), die in 1707 opduikt, dus vlak voordat Jacobus Pilemelli en (diens broers?) Anton, Derck en Jan Pilemelle eind 1707 en begin 1708 vanwege hun belijdenissen ingeschreven worden in het Oudeschansker lidmatenregister. In Den Haag was er destijds nog een grote en fraaie maliebaan. Daar zou de bijnaam aan kunnen zijn ontleend. Dat Haagse soldaten in de vesting Oudeschans terechtkwamen, is evenmin ondenkbaar: de garnizoenen circuleerden over heel het land en zelfs langs de vestingen van de Barrièresteden in de Zuidelijke Nederlanden. Dat de familie- of bijnaam in Oudeschans vrij curieus werd opgeschreven, ligt zelfs voor de hand: maliebanen waren er in Groningerland niet. Naderhand, en dan vooral nadat de familie grotendeels naar de Stad Groningen verhuisde, zal de bijnaam dan weer naar de oorspronkelijke, Haagse spelling ‘gefatsoeneerd’ zijn.

Een en ander roept ook  de vraag op naar de maatschappelijk status van de Pilemelles of Pijlmels. Over die eersten kon ik maar weinig vinden. Jacobus Pilemelli of Pijlmelle werd echter medio 1720 door GS benoemd als chercher – lagere belastingambtenaar – bij de molen van Grijpskerk.

Wat meer is bekend over de latere Pijlmels. Zo was Coenraadt Anthonie Pijlmel vanaf de jaren 1740, 1750 custos of huisbewaarder(-schoolmeester) van de Latijnse school aan de Zwanestraat nz. in de Stad Groningen. Hij bewoonde daar een eigen huis, dat na zijn dood in 1785 werd geveild met enkele hoven in de Appelstraat, waar hij bovendien een tweede huis bezat. Daar in de buurt, aan de noordkant Leliestraat woonde zijn zoon “Monsieur” Anthonie Coenraad Pijlmel, een meester-timmerman, die in 1787 tevens musketier was bij het Groninger exercitiegenootschap Voor Onze Duurste Panden. Later had deze Anthonie een groter huis aan het A-kerkhof zz., maar ging daar failliet.  En dan hebben we nog Jacob Pjjlmel, ook een patriot, die in 1796 door het stadsbestuur werd benoemd tot turfstouwer. In 1806 had hij nog financiële belangen bij Oudeschans. Maar de bekendste Pijlmel zal toch Coenraadts dochter Margaretha of Marchien geweest zijn. Na 1800 trad ze als schoolhouderes te Veendam min of meer in de voetsporen van haar vader, maar als huisbewaarster behoedde ze in haar jonge jaren eens de Oude Boteringestraat voor een regelrechte ramp door kloekmoedig een achteloos weggezette, maar brandende kaars bij een vat buskruit weg te halen. Om deze heldendaad gold ze later ook wel als een “Kenau van een maid”.

Kortom, bij de Groninger Pilemelles en Pijlmels ging het voornamelijk om lagere ambtenaren en kleine middenstand. Waarschijnlijk kwam de familie via een militaire route in Oudeschans terecht. Mogelijk had een Haagse voorzaat de bijnaam opgedaan doordat hij ‘iets had’ met de Haagse maliebaan. Dit echter, staat zeker niet vast.


Ze zouden haar wel krijgen!

Cornelia Bonties de Kerkenraad niet nae behoren gekent hebbende in haar trouwen, schoon sij van de diaconie veele jaaren was onderhouden geweest, soo word dit ter neder gestelt ter onderrigtinge van den Eerw[aarde] Kerkenraed, als sij Cornelia voorn[oemd] haer hulp eens mogt van nooden hebben.

Op 2 september 1731 trouwde Cornelia Bonties, een jongedochter geboren te Oudeschans die daar jarenlang steun van de lokale diaconie had gekregen, met Leendert Leenderts Stousmeier of Stoutemeier, soldaat in de compagnie van de plaatselijke commandeur van Maneil. Cornelia vroeg geen toestemming voor haar huwelijk van de diaconie, hoewel ze daartoe eigenlijk verplicht was. De kerkeraad zon op wraak, maar kon weinig doen. Als Cornelia nog eens bij de diaconie aanklopte, wilden ze het haar wel even laten merken en daarom schreven ze het later die week maar op voor de toekomst.

Waarschijnlijk was dat verspilde moeite, want Leendert en Cornelia verhuisden, na een paar kinderen in Oudeschans te hebben gekregen, eerst naar Sappemeer, waar in 1739 nog een kind van hen gedoopt werd, en vervolgens naar de Kalkwijk onder Hoogezand, waar er tussen 1743 en 1757 opnieuw drie bijkwamen. Uit de 25 jaar tussen het eerste en het laatste kind kan je opmaken dat Cornelia er vrij vroeg bij was en nog minderjarig tijdens haar huwelijk. Ze zal dan als wees of halfwees aan de diaconie gekomen zijn, waarvan ze het bewind met die soldaat ontvluchtte.

Bron: Kerkeraadsnotitie Oudeschans d.d. 7 september 1711, in Toegang 732 (rechterlijk archief Westerwolde) inv.nr. 1074: kerspelprothocol, fol. 51 op scan 101.


De Groninger maliebaan

Op zaterdag 21 maart 1646 namen Burgemeesteren en Raad van Groningen het besluit  om een “maille baene” of maliebaan aan te laten leggen naar een ontwerp dat ze al klaar hadden liggen. De baan zou moeten lopen aan de binnenkant van de oostelijke stadswal vanaf de Jacobijnerdwinger (uiteind Bloemstraat) tot aan de Steentildwinger (waarschijnlijk uiteind Nieuweweg bij het Damsterdiep, omdat ze anders het Damsterdiep had moeten passeren). De maliebaan werd daarmee zo’n 800 meter lang. Verder zou ze 2 roeden, dus 8,2 meter breed moeten worden, maar er zou ook nog een parallelweg aan de stadskant langs moeten  komen van 1 roe of 4.1 meter breed, en een sloot ter breedte van 8 voeten, dus bijna 2,4 meter. Al met al zou het project daarmee een strook van  zo’n 800 bij 15,7 meter grond gaan innemen. Ook werd besloten dat er een touwslagerij voor moest wijken.

Tegenwoordig ligt de Oostersingel zo’n beetje op het tracé. Die had dus ook Maliebaan kunnen heten, ware het niet dat we verder niets meer vernemen van het hele project. Bijgevolg ging ook de ontwerptekening helaas verloren. En dat terwijl het plan toch vrij ambitieus begon, met een vrij zware commissie onder leiding van burgemeester Julsingh, waarvan niet alleen vier raadsheren, maar ook een rentmeester en de stadsbouwmeester deel uitmaakten. Mogelijk had men de kosten toch wat onderschat: er moesten bijvoorbeeld niet één, maar twee lijnbanen wijken (zowel bij de Jacobijnerdwinger als de Steentilpoort). Wilde men een geheel rechte baan, zoals elders gebruikelijk, dan had de Stad ook heel wat lapjes tuingrond moeten kopen in de oostelijke stadsuitleg.

Waar de voorgenomen maliebaan ongeveer moest komen, met rood afgetekend op de kaart van Haubois (ca. 1640). Collectie Groninger Archieven 1536-1743.

Het maliën of maliespel (pag. 330-332) was ten tijde van het Groninger plan zéér in de mode. Het kwam zoals we meer zaken, uit Frankrijk overwaaien, waar hovelingen zich er in de zestiende eeuw al mee vermaakten. Hier in Nederland verdrong het maliën vooral het kaatsen, waar de deftige lui hun neus voor optrokken. Qua spelregels hield het ’t midden tussen croquet en golf. Met een hamer op een lange steel moest de bal in zo min mogelijk slagen van het ene naar het andere uiteinde van de baan worden geslagen. Bij de finish stond een paal die de deelnemers moesten zien te raken. Later schijnt er een poort te zijn bijgekomen, waar de bal onderdoor moest. Het spel vereiste net als golf dus kracht èn finesse, al moest de bal wel laag worden gehouden. Bij de baan stond vaak dan vaak nog een wijnhuis of herberg, waar de deelnemers hun dorst konden lessen. De waard had tevens het materiaal in bewaring.

Maliebaan op een Italiaanse prent. Collectie Rijksmuseum.

In Nederland waren er maliebanen op ’t Loo bij Apeldoorn, in Arcen (L.), Groenlo (Gld) en naar het schijnt ook in Jorwerd (Fr.), maar de bekendste banen lagen toch in of bij de steden Den Haag, Utrecht, Leiden en Amsterdam. Die van Den Haag, naast het Malieveld, schijnt relatief lang geweest te zijn. Die van Utrecht, in 1637 door de stad aangelegd tot “cieraat deeser Stad”, was uitdrukkelijk bestemd

tot eerlyk vermaak en exercitie van de burgers ende inwoonders van dien, ende der geener, die de Academie alhier frequenteeren

De Utrechtse baan was ruim 800 meter lang, dus ongeveer van de lengte die de Groninger baan ook had moeten krijgen. Er lagen “verscheyden allées ofte wandelpaden” langs met hoge lindebomen die de baan ruim van schaduw voorzagen. De baan zelf was afgeperkt met lage schuttingen, waarop getallen de afstanden aangaven. Aan beide uiteinden stonden palen met het Utrechtse stadswapen De Utrechtse baan gold als dermate fraai, dat toen de Fransen in 1672 Utrecht veroverden, de Zonnekoning haar graag als oorlogsbuit mee wilde nemen naar Versailles, iets wat tot zijn grote spijt onmogelijk bleek.

Was de Utrechtse baan een initiatief van het stadsbestuur aldaar, de Leidse werd ongeveer tegelijkertijd aangelegd door het universiteitsbestuur. De Amsterdamse maliebaan, gelegen in de Diemermeer, was mogelijk particulier. Deze was bijna 700 meter lang – dus wat korter dan de Haagse, Utrechtse en voorgenomen Groningse – en ze had aan weerzijden, net als de Utrechtse, geschoren lindebomen.

De Amsterdamse baan oefende tot medio achttiende eeuw grote aantrekkingskracht uit op de Amsterdamse jeugd. Daarna kwam er de klad in – zoals het spel in heel Holland in vergetelheid raakte – en al voor het revolutiejaar 1795 was deze baan verdwenen. In Utrecht werd het spel toen nog wel wat gedaan, maar het stadsbestuur liet hier in 1811 de schotten en palen weghalen.  Als Groningen überhaupt een maliebaan gekregen had, zou die niet veel langer hebben bestaan.

Adriaen van de Venne, Prins Frederik Hendrik en de Winterkoning op een maliebaan. Collectie British Museum.


Omzet uit dierlijke producten op een Oldambtster boerderij

Er bestond enige behoefte aan informatie over boerenboekhoudingen, dus haalde ik mijn notities dienaangaande uit de jaren tachtig tevoorschijn en trof een bult cijfertjes aan die ik nooit gebruikt heb. Die van een boerderij op Het Waar onder Nieuwolda bijvoorbeeld, waarop een familie De Groot had gezeten.

De meeste boerenboekhoudingen uit het Oldambt die ik zag, bevatten alleen het “gemaak”, dat wil zeggen de omzet van granen (gerst, tarwe, haver), zaden (kool-, raap-, aweel- en mosterdzaad) en peulvruchten (erwten en bonen). De omzet uit dierlijke producten, boter maar ook ossen bijvoorbeeld en opgefokte paarden, was vergeleken daarbij vaak niet noemenswaard. Jacob Jans en Jan Jacobs de Groot daarentegen, noteerden in de periode 1790-1859 zulke inkomsten wel  en ik bleek ooit eens te hebben uitgerekend welk percentage die van de gehele bedrijfsomzet uitmaakten. Die percentages staan in bovenstaande grafiek per jaar in blauw, met in rood de voortschrijdende zevenjarige gemiddelden om door de al te grote fluctuaties de ontwikkelingen op termijn beter te kunnen zien.

Tot zo 1805 zorgden de dierlijke producten voor ruim een vijfde van de omzet.  Dat halveerde gaandeweg naar 10 % tussen 1805 en 1820. In die periode waren de graanprijzen bijzonder hoog: mogelijk is daarom grasland gescheurd voor bouwland, wat ook kon door de toepassing van watermolens die het land droger hielden. Rond 1820 kelderden de graanprijzen echter door goedkope import uit Rusland die een agrarische crisis teweegbracht, waar met name boeren aan onderdoor gingen die net flink hadden geïnvesteerd in een nieuwe, peperdure boerderij. Op Het Waar steeg het aandeel veeteelt in de omzet nu weer trendmatig, zij het met ups en downs, tot in de jaren 1850, zonder dat ooit het niveau aan het begin van de eeuw werd  geëvenaard:. In de jaren vijftig of eerste ‘champagnejaren’ gingen de graanprijzen opnieuw omhoog, en nam het aandeel van dierlijke producten in de omzet weer af.


Johann Willebrand in Groningen (1757)

Deze reiziger kwam bij Nieuweschans ons land binnen en zag daar voor het eerst van zijn leven en tot zijn “aangename verwondering” jaag- of trekschuiten. Hij stuurde zijn koets terug en besloot meteen met  zo’n schuit verder te gaan. Over het stuk tussen Nieuweschans en Groningen had hij weinig te vertellen, maar de volgende etappe van zijn reis, die hem van Winschoten naar Groningen bracht, waardeerde hij des te meer:

De vaart van Winschoten tot aan Groningen is, wegens de menigvuldige prachtige tuinen, dorpen en landwegen, betooverend. Men passeert er door meer dan dertig Chinesche ophaalbruggen.

Wat voor hem Chinese bruggen waren, zullen voor ons de gewone bruggen geweest zijn. Eenmaal in Groningen bezocht hij de gebruikelijke bezienswaardigheden: de Martinikerk – “met een der beste torens en klokkenspelen van Holland”, het Prinsenhof, het Provinciehuis, het Academiegebouw, de Hortus, het Kruithuis en de “veelbeduidende” Helperlinie. Alles beviel hem even goed in deze “groote en heerlijke stad” die de “de schoonste pleinen en wandelplaatsen” herbergde. Hij gaf bij elke bezienswaardigheid “naar eene vastgestelde orde” twee dubbeltjes fooi aan zijn gids of rondleider.  ’s Avonds zag hij op de Grote Markt een compagnie van de burgerwacht optrekken, en voor de Hoofdwacht een drievoudig geweersalvo geven. Navolgenswaardig vond hij het gebed om wijsheid, dat hij gedrukt en op een bord geplakt aantrof in de raadszaal van het stadhuis. Hij kreeg te horen dat een stadssecretaris het aan het begin van iedere vergadering hardop voorlas.

Hij maakte hier in Groningen ook de 28ste augustus mee:

Ik heb het jaarlijksche feest (van het opbreken der belegering door den gemelden Bisschop) bijgewoond, en vind niets kluchtiger; en, daar er hier anders eene goede politie is, begrijp ik niet, hoe men het werpen van voetzoekers onverschillig kan aanzien. De teugelloosheid van het gepeupel bleek intusschen daaruit, dat men de op het St. Maartens Kerkhof aan den toren paraderende bezetting, ik geloof met warm water, besproeide. Dit is toch de hoogste trap van vrijheid en vermetelheid!

Jurist uit Altona
Nee, daar moest deze reiziger niets van hebben. Voluit heette hij Johann Peter Willebrandt, hij stamde uit een Rostockse koopmansfamilie, studeerde rechten in Halle en was (in Deense dienst) nog lid van het Hof van Beroep te Altona, toen hij deze reis in 1757 maakte. Datzelfde jaar werd hij hoofd van de politie in Altona, tot een conflict hem tien jaar later dwong tot een vrijwillig ontslag en verhuizing naar het nabije Hamburg, waar hij zich helemaal aan zijn schrijverij kon wijden. Naast reisbeschrijvingen publiceerde hij onder meer een kroniek over de Hanze en een tractaat over stadsplanning. De in het Nederlands vertaalde passages uit zijn reisbeschrijving van 1758 werden later opgenomen in het Letterkundig magazijn van wetenschap, kunst en smaak voor het jaar 1817 (deel VIII, afleveringen 6 en 7, pagina’s 260-275 en 311-328), Deze zijn inmiddels te vinden in Google Books, waar ik ze aantrof met de zoektermen ‘snikken’ en ‘roeven’. Overigens zette de Nederlandse redacteur er in het Magazijn vraagtekens bij Willebrands betrouwbaarheid:

De schrijver betoonde zich in alles een man van kunde en was zelfs op kleinigheden zeer oplettend, maar evenwel ver van eene in alles juiste en waarachtige opgave van zaken. Hoeveel er ook, sinds hij ons land doortrok, in hetzelve veranderd is, men bemerkt evenwel nog heden ten dage ligtelijk, dat hij geenszins alles zoo beschreef, als het eigenlijk en inderdaad gesteld was, toen hij het bezigtigde.

Of deze kritiek ook voor de Groningse passages geldt, zou ik echter niet durven zeggen. In het algemeen komt de informatie als juist op mij over.

Van Groningen reisde Willebrand naar Friesland, waar hij onder meer Dokkum, Leeuwarden en Franeker bezocht. Vanaf Harlingen stak hij de Zuiderzee over naar Enkhuizen, om alle grote steden in Holland aan te doen en zijn reis te vervolgen via de Zuidelijke Nederlanden, Frankrijk en Engeland. Terug uit Engeland kwam hij opnieuw langs Amsterdam, en via Utrecht en Nijmegen ging hij naar Duitsland terug.

Trekschuiten of snikken
In Nederland reisde Willebrand bij voorkeur met de trekschuit, waarvoor hij zelfs meermalen het Groninger woord ‘snik’ in de mond neemt. De antipathie die later in het stoomtijdperk gangbaar was, staat nog ver van hem – hij vond de trekschuit een “alleraangenaamste” vorm van vervoer:

Men vaart in eene kamer zeer gemakkelijk langs de kanalen, waar men aan weerskanten niets dan akkers, weilanden boschjes, geboomte, tuinen, dorpen, vlekken en steden ziet; en de vracht(prijs) is inmiddels ongemeen gering. Ik wensch U gedurende uw gansche leven zulk eene tevredenheid, als ik op deze reis genoten heb.

Toch kon hij er niet omheen dat de trekschuit ook “veel ongemakkelijks” had. Dat gold vooral de medereizigers in dit openbaar vervoer.

…zij bevat toch doorgaans een vrij groot aantal Janhageldat op menigerlei wijze, althans uit de tabakspijpen, dampt. Naast zich heeft men dan eens een Jood en een oud wijf, dan eens eene vrouw met kleine kinderen welke zij zonder verlof te vragen zuivert. Men loopt zelfs meermalen gevaar van een dronkenen boer zijn ingewand voor zich te zien uitstorten; hetwelk alsdan het aangename genot der landstreek, door welke men henen vaart, reeds zeer matigt. Vooral, bijaldien men zich, om daarvan gezigt te hebben (hetwelk doorgaans het geval is) voor togtwinden moet blootstellen, of als de schuit zoo vol loopt, dat men er bijkans stikt.

Natuurlijk kon een heer als Willebrand het zich best veroorloven om een trekschuit voor zichzelf af te huren (of charteren). Maar dat was hetzelfde

als alleen in een onbewoond huis te zitten, en zou het regte middel zijn om zwaarmoedig te worden.

Daarom was het maar ‘t beste, een plekje in de roef van de gewone trekschuit te nemen en niet in het ruim, al kon dat weer niet in Friesland, want daar hadden de snikken geen roeven. Maar ook in de roef, waar men toch gauwer met standgenoten te maken had, moest men liever niet al te familiair omgaan met reisgenoten. Men diende er een vriend te zijn voor iedereen, maar met niemand al te vertrouwelijk.

Vanaf Groningen per wagen en dus over land naar de Lemmer te rijden, ried Willebrand sowieso af:

Men rijdt alsdan bijkans over louter zand en heide, en moet de reis zoo inrigten, dat men den nacht te Donkerbroek kunne doorbrengen. Daar men intusschen met de snikken over Stroobos , Dokkum en Leeuwarden, naar Sneek en van hier gevoegelijk verder naar de Lemmer varen kan, raad ik niemand die landreis aan.”

Reiskosten
Aardig is dat Willebrand ook de reiskosten bij de verschillende vervoersvormen noemt. Voor het traject Nieuweschans-Groningen-Dokkum kwamen die per snikke neer op:

Snikke als publiek vervoer: Snikke als charter:
Nieuweschans- Winschoten 6 stuivers 65 stuivers
Winschoten – Groningen 14 stuivers 110 stuivers
Groningen – Stroobos 9 stuivers
Stroobos – Dokkum 11 stuivers

Met de snik van Nieuweschans naar Stroobos, dus helemaal van oost naar west in Stad en Lande, kostte al met al 29 stuivers, oftewel ruim een goudgulden, zo’n drie daglonen voor een doorsnee-arbeider. Daarbij kwamen van plaats tot plaats dan nog twee duiten (een kwart stuiver) voor de “voorrijder of het Jagertje”, dat wil zeggen de snikjongen of scheepsjager die met zijn paard de schuit door het kanaal trok. Huurde men voor zichzelf of het eigen reisgezelschap een snik af, dan was dat acht tot tien maal zo duur. Helemaal prijzig was het reizen over land: van Groningen via Donkerbroek naar Lemmer kostte dat 18 gulden (of 360 stuivers). Met een beurtschip van Groningen naar Amsterdam was zelfs nog iets duurder: 22 gulden. Wat dat betreft waarschuwde Willebrand echter voor de loopplanken: die waren in zijn ogen louter begaanbaar voor koorddansers.


Visgezelschap poseert bij café Otter, Enumatil

Nog een vondst in De Melangeur, het personeelsblad van Tammes’ chocoladefabriek aan de Peperstraat in Groningen: een los ingeplakte foto in het nummer van juli 1941 van de personeelsleden die deelnamen aan een onderlinge viswedstrijd in Enumatil. Winnaars waren de heren H.J. Buurlage en B. Hermse. Waarschijnlijk zijn zij het, die je glunderend midden vooraan ziet hurken.

Volgens het bijbehorende verslagje deden 15 mensen mee aan de wedstrijd. Er staan echter 16 op de foto. Die ene persoon extra, dat zou wel eens de uitbater van het café op de achtergrond kunnen zijn, en zo ja, dan is dat waarschijnlijk de enige man met een pet op. Als enige heeft hij ook een gebruind hoofd. Mogelijk had hij ook wat vee en kwam daarom vaker buiten dan de arbeiders en kantoorfrikken van de chocoladefabriek.

In het bovenlicht rechtsachter staat de naam van de café-eigenaar: H. Otter. Die naam was van 1920 tot 1986 aan dit Enumatilster café verbonden. Maar al is dat niet meer in bedrijf, het staat er nog steeds bij de Enumatilster brug, met zelfs de gelagkamer uit die tijd.

Het interieur is hier te zien op een aantal foto’s van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed. De van boven ronde kast met flessen drank en glazen, de lage toog met tap, we kennen ze ook van andere oude cafés zoals die in Thesinge en Westerwijtwerd. Vorig jaar was het café in Enumatil eenmalig open met Monumentendag. Helaas heb ik die gelegenheid gemist, maar wie weet doet zich ooit nog eens de kans voor.