Beknopte bio van George de Lalaing , graaf van Rennenberg, de stadhouder die overliep

“Op desen [Casper de Robles] is gevolgt Georg de Lalain, Graaf van Rennenberg, die, de zyde der Spanjaarden in ’t begin verlaten hebbende, uit last der Staten Groningen heeft belegert, dat tóch binnen korten door zyn verraat in een oploop by nacht weer in handen der Spanjaards is gevallen, wordende de braafste uit de Regering in gevankenis geworpen, zelfs de deugdzame Borgemeester Hillebrands, myner vrouwen overgrootvader, om hals gebragt, de Omlanden afgelopen, de sterktens en vastigheden overal ingenomen. Ten lesten is hy door wroeging van een quaad geweten geprikkelt, met groot leetwesen over zyne gebroke trouw, na alvorens zyne goederen doorgebragt te hebben, aan de teringe gestorven.”

Bron: Jacobus Gleintz JUD, Groningens Stadhouder- en lieutenantschap, der Hooftmannen kamer, van eerster opkomste der stad tot op dezen tegenwoordigen tyd : nevens eene lijste aller stadhouderen zo van zijde der Spaansche als Vereenigde Staten (1727) 13.

Advertenties

‘Maalende doorgaans ieder Landman voor zich zelven met slegt gereedschap’

“De laage landen onder GRONINGEN staan doorgaans van het begin van november, of somtyds nog vroeger, tot aan april, ook wel laater, onder. Dat veel afhangt van de menigte van den gevallen regen, doch voornamentlyk van de westewinden, die den afloop van het water beletten, en de oostewinden die het spoediger ontlasten. Terwyl men op zeer veele plaatsen de opdrooging als aan het geval overlaat. Want op weinige plaatsen heeft men tot de ontlasting gemeenschappen en goede molens; maalende doorgaans ieder Landman voor zich zelven met slegt gereedschap maar tot 2 voeten. Men heeft molens tot 3 en een half, het geen men meent het uiterste te zyn.”

Met andere woorden: nog tegen 1780 liet men op de lage gronden rond de stad Groningen vaak van november tot in april Gods water op Gods akkers liggen. De overheersende westenwinden beletten het spuien, collectieve polders met grote molens bestonden er nog nauwelijks, doorgaans bemaalden individuele boeren hun eigen grond met watermolens van geringe kwaliteit en capaciteit.

Ter vergelijking: Hoogkerk 1812.

Bron: Iman Jacob van den Bosch, Verhandeling van de oorzaken, voorbehoeding en geneezing van ziekten uit de natuuryke gesteldheid van het Vaderland voortvloeijende, dl. XVIII (1778) van de ‘Verhandelingen uitgegeeven door de Hollandsche Maatschappye der Weetenschappen te Haarlem’, het hoofdstuk over lage grond (294-320), bepaaldelijk 316.


De Kerstvloed volgens Engelse kranten



Bericht uit de Daily Courant van 28 december 1717. Jaren geleden liep er een trial op een databank van zulke kranten bij de Groninger Universiteitsbibliotheek, destijds moet ik deze screenprintjes hebben gemaakt, die ik onlangs weer terugvond.

Terwijl de Haerlemsche Courant, de belangrijkste Nederlandse krant, vrijwel met geen woord schreef over de ramp in het noorden, berichtten Engelse kranten er vrij vlot en uitgebreid over. Zoals wel vaker, waren die berichten echter vrijwel gelijkluidend.

Het bericht uit Groningen in de Engelse kranten blijkt een vertaling van een bericht in het Relaas van (…) de hoogen Watervloed, een los Amsterdams nieuwsvel dat mogelijk meermalen is herdrukt en waarvan zich een exemplaar uit 1718 in het Rijksmuseum bevindt:


‘Bescherming tegen atoomoorlog mogelijk – geen reden voor paniek of hysterie’

Meppeler Courant 21 februari 1955.


Winschoter predikant gaf archief “ten proij aan rotten & muizen”

Muizenvraat. Collectie RHC Groninger Archieven 1785-15848.

Eind april 1802 dienden de kerkvoogden van Winschoten een verzoekschrift in bij de Oldambtster drost. Omdat ze daarover “zeer ongunstige berigten” hadden gekregen, waren ze meteen na hun aantreden een onderzoek begonnen “na den staat en gesteldheid der prothocollen met den aankleve van dien”. Kennelijk ging het hierbij om het archief van de verzegelingen, zeg maar de notariële akten, waarvoor de oudste predikant en de kerkvoogden als zegelaars gezamenlijk verantwoordelijk waren. In de motivatie voor hun bemoeienis met dit archief legden de kerkvoogden immers een verband met het materiële wel en wee van de Winschoters,

“als te zeer overtuigd van het groot gewigt dezer waarborgen voor de eigendommen van der ingezetenen bezittingen, dan dat zij zig hadden durven veroorloven ten dien opzigte onverschillig te zijn…”

Bij hun onderzoek dan, kwamen ze er “tot hunne grootste verbaasdheid” achter dat niet alleen het lopende archief, maar ook de oudere delen onvindbaar waren bij de oudste predikant, ds. Smit,

“aan wien de trouwe bewaaring van dezelve was gedemandeert”.

Leuk was anders, vonden de kerkvoogden, maar ze voelden zich verplicht om hun dominee aan te raden het vermiste archief weer tevoorschijn te brengen in zijn weem, zodat dit door hen kon worden onderzocht.

Een paar weken later, vlak voor kerst 1801, begaven de kerkvoogden zich andermaal naar de pastorie van ds. Smit. Dit keer kregen ze de vermiste protocollen wel te zien. Ze hadden er, zo vertelden ze de drost,

“meest alle die archieven van het carspel in een allerdeerniswaardigen toestand bevonden, onder elkanderen op de grond geworpen in de grootste verwarring, veel van dezelve ten proij gegeven aan rotten & muisen, anderen defect, en weder anderen met losse bladen van onderscheidene jaaren aangevuld…”

Kortom, de archiefzorg geschiedde hier met “de grootste & onvergeeflijke slordigheid”. Kennelijk voelde ds. Smit zich onder druk gezet, want vlak na nieuwjaar diende hij een rekest in bij de drost, met het verzoek om zijn schoonzoon, een lokale ondernemer, in de eed te nemen als secretaris-kerkvoogd, zodat die dan voortaan de verzegelingen zou schrijven en kopiëren. Gelukkig, aldus de kerkvoogden, had de drost hen om advies gevraagd, een advies dat ze ook hadden gegeven en negatief voor de schoonzoon uitviel, maar sindsdien was de zaak in het slop geraakt, omdat ds. Smit niets meer van zich liet horen.

Nu, eind april was de maat vol. Al drie maanden hadden de kerkvoogden vergeefs zitten wachten op hun oudste predikant en nu gedoogde de zaak geen uitstel meer. Daarom dienden ze een klacht tegen hem in. Ze hadden zwart op wit een verklaring van hem, dat hij “de carspelprothocollen van Winschoot, beginnende met den jaare 1609 tot 1782, bij goede overlevering heeft ontvangen”. Dit archief was eind vorig jaar echter als janboel bij hem aangetroffen en daarom golden de volgende overwegingen:

“Gemerkt nu de zekerheid der eigendommen en derzelver beveili[gi]ng is een der gewigtigste objecten van justitie & policy; overzulks de instrumenten & chartres door welken dezelve bestaat in geene handen vermogen verplaatst te worden, tenzij van hem die met opzigt der getrouwe eeds- en ambtsbetragting aan de maatschappij niet alleen niet de geringste aanleidende vermoedens van verwaarlozing, slordigheid & pligtverzuim hebben gegeven, maar daarenboven ten dien opzigte bekend staan voor personen bij welker administratie en surveilance men gerust kan zijn. Gemerkt het tegendeel van dit alles ten dezen opzicht gebleeken is in dezen alhier plaats te hebben in de bezorging en de bewaaring dezer prothocollen van dat carspel. En overzulks eindelijk de zaak voor hetzelve carspel is van dat gewigt, dat daarin ten spoedigsten behoord te worden voorzien, zoo nemen de rem[onstran]ten de vrijheid zig bij dezen te addresseeren en met gedienstig verzoek teneinde de rem[onstran]ten mogen worden geauthoriseert der voorgemelt carspelprothocollen van denzelven oudsten praedicant C.H. Smit in hunne bewaaring te nemen…”

Met andere woorden: de kerkvoogden wilden met steun van de drost, dus eventueel met behulp van zijn sterke arm, het notarieel archief bij de predikant weghalen. Ook wilden ze zelf een “een bekwaam persoon” als hun scriba kunnen aanstellen, die dan door de drost beëdigd moest worden.

Op 7 mei 1802 besloot de Oldambtster drost beide partijen te horen. Een week later vond die sessie plaats. De drost probeerde partijen tot “concordia” te bewegen, maar deze mediatie bleek ‘vrugteloos”. Ds. Smit ontkende dat het archief in zijn tijd in de aangetroffen staat was beland. Bovendien vond hij dat de toestand lang niet zo slecht was als de kerkvoogden beweerden. De laatsten echter, hielden voet bij stuk. De drost moest zelf maar eens in de pastorie van ds. Smit gaan kijken, zeiden ze, ze waren er zeker van “dat de zaak aldus zal bevonden worden”. Ds. Smit was naar hun mening verplicht om opening van zaken te geven. Als hij dat niet wilde, moest de drost “tot securiteit des carspels” zulke maatregelen nemen “als het belang der zaak vordert”.

Inderdaad zegde de drost toe, een kijkje te nemen bij het archief in de Winschoter weem. Maar die “oculaire inspectie” liet nog wel bijna een jaar op zich wachten. Pas op 28 april 1803 kwam de drost eraan toe. Bij die bezichtiging trof hij inderdaad het beschreven zootje aan. De kerkvoogden hadden dus gelijk. Alleen hield ds. Smit staande,

“dat het defectueuze aan de oude prothocollen reeds bestaan had ten tijde der overneming van zijne voorzaat en hij door zijn afgegeven hand van goede overlevering alleen bedoelt hadde het getal der prothocollen”.

Anders gezegd, de overdracht was destijds kwantitatief heus wel in orde geweest, maar kwalitatief bepaald niet. Tegelijkertijd kwam er een doorbraak uit de patstelling. Ds. Smit verklaarde namelijk tevens,

“wegens lichaams swakheden de kerspel prothocollen met hetgeene daaraan verbonden is, niet langer te kunnen administreeren, verzoekende daar van salvo honore et emolumentis eene decharge”,

met welk verzoek de kerkvoogden konden instemmen, al wilden ze dit wel gerechtelijk vastgelegd zien. Dat gebeurde vervolgens op 3 mei 1803 in een laatste beschikking van de drost.

“In aanmerking nemende het groot belang der ingezetenen dat de carspel prothocollen nauwkeurig bewaard en geadministreerd worden”,

gaf hij de kerkvoogden toestemming deze in ruil voor een bewijs van afgifte van ds. Smit over te nemen. Als de kerkvoogden het schrijfwerk zelf niet meer wilden doen, dan konden ze “een bekwaam en vertrouwt persoon” als scriba voordragen aan de drost. In dat geval bleven ze echter zelf verantwoordelijk. Ds. Smit kreeg het bevel het archief over te dragen. Voortaan had hij er geen bemoeienis meer mee. Alleen bleef hij de bijverdienste houden, die hij als oudste predikant uit hoofde van de archiefzorg genoot.

RHC Groninger Archieven Toegang 731 (rechterlijke archieven beide Oldambten) inv.nr. 6142 (rekesten).


Winschoter kalligrafie


Twee stukjes schrijfkunst uit het kerspelarchief van Winschoten. Het linker stamt uit 1747, het rechter uit 1817. Is links nog redelijk eenvoudig en sober, op het rechter specimen heeft de schrijver, vermoedelijk een schoolmeester, zich finaal uitgeleefd. Hij moet daar dagenlang aan hebben gewerkt, zijn pen voortdurend versnijdend, met het puntje van zijn tong uit zijn mond en zweetdruppeltjes op zijn voorhoofd. Vanuit de bedstede riep zijn gade hem tot haar, maar steeds vergeefs. Hij moest deze eervolle opdracht van de kluftmeesters afmaken, ook al zou het hem zijn huwelijk nog kosten.


Korte historie van Neerlands Reformatie

Collectie British Museum.

De vier hervormers Wyclif, Luther, Calvijn en Beza hebben het licht op de kandelaar gezet en een kardinaal, bisschop, paus en monnik proberen vanaf deze kant van de tafel het licht uit te blazen. (Het valt nog mee dat er geen duivel met ze meedoet.)

Waaruit bestond dat licht? Zèlf de bijbel lezen in de volkstaal. Het woord als uitgangspunt nemen in plaats van het beeld. Sinten en papen terugzetten tot gewoon maar mensen. Alleen het geloof laten tellen. De zonde niet langer kwijt kunnen door te biechten, wat weesgegroetjes te bidden of een aflaat aan te schaffen. En bij de avondmaalsviering Christus niet meer fysiek in je opnemen met het brood (alsof je een kannibaal bent) maar louter geestelijk. Vooral ook beseffen dat je lot al vaststond voordat je geboren werd, omdat God eeuwig en alwetend is.

Zulke geloofsartikelen zorgden voor een ijverig en zuinig slag volk dat andere mensen graag de maat nam. Voorouders in een gereformeerd gidsland waar je niet speciaal trots op wil zijn.

Toch blijft de ziel van Nederland calvinistisch. Zelfs onze katholieken zijn het.

Die Luther heeft dus wel wat losgemaakt. Alleen maakte hij het karwei niet af, dat liet hij over aan Calvijn en Beza. En verder was het een volgevreten monnik die gewoon een pesthekel had aan joden.