Een herinnering aan joodse manufacturiers

Bij mijn doortocht door Leek, gistermiddag, viel me opeens deze muurreclame op:

Hij is niet nieuw, maar werd vijf jaar geleden herontdekt en gerestaureerd.

Denneboom was een joodse familie, wier zaak in 1942 moest sluiten. Alleen enkele dochters overleefden de oorlog, waarvan een er in Auschwitz medische experimenten had moeten ondergaan. De familie was al ver voor de oorlog zionistisch, alle drie de dochters vertrokken na de oorlog naar Israel.

Het hele verhaal (pdf).


Rijksontvanger heeft lak aan zondagsrust

Men leest in de Winschoter Ct.:
Te Beerta, het vrijzinnige Beerta — waar de heer Rijksontvanger zóó liberaal is, dat hij de aanslagbilletten voor de personele belasting telkenjare op Zondag bij de belastingschuldigen laat rondbrengen, zooals, tot ergernis van sommigen, nu ook weer gister is geschied — vraagt men of ZEd. ook verpligt is op den dag des Heeren het bedrag der aanslagen in ontvangst te nemen?

Bron: Dagblad van Zuid-Holland en ’s Gravenhage 6 juli 1875. Het berichtje werd een paar dagen later nog overgenomen door De Standaard, het antirevolutionaire blad van Abraham Kuyper. Mogelijk had ook het genoemde Dagblad een confessionele signatuur.

Commentaar: Het berichtje is van belang omdat het iets zegt over de verhoudingen in Beerta: de vrijzinnigen hadden er de absolute meerderheid, maar de confessionelen lieten niet alles over hun kant gaan. De rijksontvanger die lak had aan de zondagsrust was waarschijnlijk Roelof Johannes Jannette, geboren 1827 te Ravestein (N.Br.) en overleden in 1890 te Beerta, waar hij ook begraven ligt. Dat is bijzonder, want na de kritische noot in de kranten moet Jannette door de belastingdienst verplaatst zijn naar Drachten. Daar ontmoette Von Weiler hem, die Jannette omschreef als een “potsierlijk mannetje, die een goed figuur zou hebben geslagen in de Pickwick-club”.


Hoe de schroom voor Jefta week

Jefta de naam Meertens

Ik hoorde een verhaal over een jongetje dat Jephta of Jefta heet.

Jephta, Jefta – iets zei me dat er wat met die naam was. Iets bijbels. Daarom op naar de Wikipedia. Ah juist, een van de Richteren:

Jefta was een buitenechtelijke zoon van Gilead en een naamloze prostituee.”

Vandaar ook, dat die naam zelden voorkwam. In Alle Groningers, met in principe alle doop- en geboorteakten vanaf de zeventiende eeuw tot 1920, is die naam slechts één enkele keer genoteerd en wel in de ph-variant. Eind 1679 lieten Harmen Geerts en zijn vrouw Geesjen, die bij de Herepoort woonden, hun zoon Jephta dopen in de Groninger Martinikerk.

De gegevens van de laatste 140 jaar staan op de Voornamenbank van het Meertensinstituut (zie grafiek boven). Jephta levert daar te weinig gevallen op voor een grafiek, maar tot medio jaren 50 werd de naam Jefta nooit vergeven! Vanaf de jaren 60 kwakkelt het wat op laag niveau, en sinds 2004 lijkt de naam in de mode te komen.

Dat de naam voor 1954 niet vergeven werd, moet haast wel samenhangen met de bijbelvastheid van mensen. Geen mens dat zich (min of meer) christelijk (of joods) noemde, wilde dat zijn kind geassocieerd werd met een hoerenzoon en bastaard uit de Schrift.

Sindsdien schreden ontkerkelijking, ontkerksing en ontkerstening voort en week de schroom voor de vernoeming Jefta. Men vindt het gewoon een mooie naam, zonder zich te bekreunen om de achtergrond.

Naschrift 27.4
Kreeg een mailtje dat de schroom voor het gebruik van de naam Jefta te maken heeft met Jefta’s bereidheid zijn dochter te offeren aan God, als Jefta een veldslag zou winnen. Dat zal best ook zo zijn, maar de mailschrijver onderschat volgens mij de rol van eer in vroeger tijden.

Maar ook als we de amendering  accepteren, tast dat de stelling niet wezenlijk aan.  Hoe dan ook bestond er schroom tegen de naam, en die schroom is sinds de jaren 50 geweken voor een esthetische waardering, die er niet zou zijn geweest als men het bijbelverhaal nog goed kende. Overigens zou het interessant zijn de verschillende bijbelse namen eens te bekijken op hun werdegang in de periode 1650-1920.


Akelige kroegen in Beerta

Sedert eenige jaren, na de verdubbeling van de belasting op het gedestilleerd , zijn te Beerta in Groningen vele kroegjes ontstaan, waar liet dienstbaar volk zich bijna iederen avond het vermaak verschaft zich voor een dubbeltje dronken te drinken en later bij den weg de rustige burgers op een concert te vergasten, als deze liever slapen dan het ellendig geschreeuw, dat bijna altyd met rusie vergezeld gaat, te hooren.

Nu vraagt men misschien, waarom het wordt toegelaten, dat daar na 10 uur wordt getapt ? Wel – is het antwoord – eenvoudig omdat deze kroeghouders geen patent hebben. Daardoor heeft de politie – al is zij nog zoozeer overtuigd dat daar voor geld wordt getapt – in die huizen geen toegang en moet het dus maar rustig aanzien, dat daar de paria der maatschappij zich ontwikkelt, zoowel in mannen als vrouwen.

Eene dezer kroeghoudsters is reeds door den invloed der actieve ambtenaren onder het regt van patent gekomen, terwijl op den gang der anderen wordt gelet. Eergister werd nog eene vrouw van die soort bekeurd. De rijksambtenaren, bijgestaan door den veldwachter, deden onderzoek in het kamertje van de wed. Lameijer, en, niettegenstaande zij den spiritus nog in tegenwoordigheid der commiezen poogde weg te maken, werd zij toch bekeurd, terwijl de ambtenaren de satisfactie hadden eenige kannen voorloop van brandewijn aan het kantoor van den ontvanger te kunnen bezorgen, waarmede tevens, naar men hoopt, één van die akelige kroegen zal worden opgeruimd.

Bron: Dagblad van Zuidholland en ’s Gravenhage 6 januari 1870.

Commentaar

In principe mocht de politie alleen neringdoenden met een patent controleren. Dat patent was een soort vergunning voor het mogen uitoefenen van een nering, waarvoor de overheid van de ambachtsman of winkelier een som gelds beurde. De besproken kroegjes te Beerta waren geen officiële nering en dus had de politie er niets te zoeken.

Terwijl er van alles aan de hand was. Dat het hier om smokkelkroegen ging, stille knijpen of knippen, vaak gedreven door vrouwen, blijkt allereerst uit het gelegde verband tussen hun ontstaan en de verhoging van de belasting op sterke drank. Net als later Al Capone waren de kroeghoud(st)ers alleen te pakken door de belastingdienst. Die betrapte de weduwe Lameijer op heterdaad met spiritus en kannen voorloop of foezel, typisch smokkelwaar.

Tot ver na de gewone sluitingstijd van 10 uur ’s avonds zaten dienstboden en arbeiders in zulke kroegjes. De krant noemde ze “paria der maatschappij”. Op weg naar huis hielden ze de brave burgerij uit de slaap met hun gezang.


Stro voor het huis en toch naar de stembus

De verzameling leggers van de Winschoter Courant bij de Groninger Archieven begint pas met die van 1873. Toch bestond er al eerder, in 1857, een krant met gelijke titel, waarvan een curieus bericht werd overgenomen door het Residentie-blad dat deze week op Delpher is gezet.

Dat bericht gaat over de gemeenteraadsverkiezing, begin augustus dat jaar, in Finsterwolde. Destijds traden gemeenteraden periodiek voor een gedeelte af, waarna er een verkiezing voor de opengevallen plaatsen kwam. Aan zo’n verkiezing mochten alleen die mannen deelnemen , die een bepaalde minimumsom (census) bijdroegen aan de hoofdelijke omslag. Dat zullen in Finsterwolde vrijwel alle boeren geweest zijn en een bovenlaag van burgerij en middenstand. Bij dit selecte gezelschap waren er zo te zien twee partijen – de (oud)liberalen en de jong-liberalen of radicalen. Welke partij er bovenlag, is niet bekend, maar de verkiezingsstrijd was fel en de oppositie deed er alles aan om haar kandidaten in de raad te krijgen:

o. a. is door haar een zeer bejaarde kiezer, die reeds eenigen tijd bedenkelijk ziek was, naar het gemeentehuis vervoerd en letterlijk naar de stembus gesleept tot verwondering van allen die dit schouwspel zagen, aangezien reeds eenigen tijd voor diens behuizing de weg met stroo was belegd, en men ieder oogenblik zijnen dood tegemoet ziet.

Aardig is dat detail van het stro, dat op de weg was gelegd voor het huis van de doodzieke kiezer. Dat stro temperde het lawaai van de ijzeren wagenwielbanden voor diens huis, zodat de stervende geen last van het geratel ondervond. Desondanks was hij naar de stembus gesleept. Dat gold ook voor een blinde man van 86, al werd die erheen “geleid”. Zoveel moeite deed de oppositie om de verkiezing te winnen, waarmee ze mogelijk een raadsmeerderheid zou krijgen. En toch mislukte de toeleg, want alle drie de zetels gingen naar de afgetreden leden. De oude raad keerde onveranderd terug.

Bron: Residente-blad 5 augustus 1857.


De achternaam Zonderbroek

Louis Léopold Boilly (1761-1845), Sans-culotte 2 blog

Louis Léopold Boilly (1761-1845), Sans-culotte.

In het Lutherse doopboek van Nieuwe Pekela staat een paar maal de familienaam Zonderbroek genoteerd (1793, 1796). De vader was beide gevallen ene Fridrich Fridrichs Zonderbroek, getrouwd met een Geertje Harms. Een lang leven was diens achternaam niet beschoren – ze heeft de naamsaanneming van 1811 niet overleefd, althans niet in Groningen; wel was er nog een enkele naamdraagster die in 1857 genoemd wordt in het overlijdensregister van Haarlem.

Bij de naam Zonderbroek kan men zich van alles voorstellen, maar als je het mij vraagt, is het waarschijnlijk niet toevallig dat ze in het jaar 1793 opdook. De Franse Revolutie was behoorlijk aan het radicaliseren en de sansculotten kwamen in Parijs aan de macht: nijvere koop- en ambachtslieden die anders de de elite geen luxe kniebroeken (of culottes) meer droegen, maar eenvoudige werkmansbroeken met lange pijpen. Fridrich moet de revolutie via de krant hebben gevolgd en koos partij. Naar de sansculotten noemde hij zich Zonderbroek.


‘De grootste boer van Nederland’

de grootste boer van Nederland DSC02592

Onder de kop ‘De grootste boer van Nederland’ wijdde het familieblad Revue in 1963 een artikel aan de uitgebreide bezittingen van de stad Groningen in Oost-Groningen, waarbij het de Groninger burgemeester Jan Tuin in verschillende agrarische situaties liet poseren als hereboer.

Gek genoeg bevat het stuk geen interview met of citaten van Tuin. Het is ook geen reportage, zoals het zich eerst voordoet. Het behelst qua tekst vooral een feitenrelaas van voorlichtende aard, waarvan ik vermoed dat Jan Tuin de informatie zelf aan de Revue verschafte. Het blad hoefde dan een en ander alleen wat smeuiïger op te schrijven, wat overigens tamelijk goed gelukt is.

De stad Groningen had destijds nog twee grote boerderijen die ze nog zelf exploiteerde, een bij de Dollard en de ander bij Ter Apel, samen 1200 hectare groot. Twee andere boerderijen, beide in de Ruigezandster polder, samen 400 hectare groot, werden periodiek verpacht. Dan had de Stad sinds de vervening nog 10.000 hectare in Oost-Groningen in bloot eigendom, maar ook 80 kilometer kanaal, 40 kilometer weg, 19 sluizen, 50 bruggen, 40 vonders en 47 woningen die haar in tegenstelling tot de boerderijen bij de Dollard en Ter Apel alleen maar geld kostten.

De boerderijen bij Ter Apel en de Dollard leverden de Stad jaarlijks nog een mooi sommetje op. Als burgemeester was Jan Tuin eindverantwoordelijk voor de exploitatie.

Dat de Revue hem portretteerde als “de grootste boer van Nederland”, zal vele Groningers die week hebben doen glimlachen. Ze droegen hun burgemeester op handen en vereenzelvigden zich bijna met hem. Dat kwam doordat Tuin van zeer eenvoudige komaf was. Hij stamde uit een landarbeidersfamilie in Finsterwolde – heel wat anders dan een boer! Zijn vader Harm, een anarchistische dagloner en geheelonthouder, verkocht vanuit ‘t huis aan de Klinkerweg socialistische en anarchistische lectuur en dankte daaraan de bijnaam ‘Harm Boukje’.

Als onderwijzer in Finsterwolde, Winschoten Oude Pekela, was zoon Jan Tuin regionaal actief voor de SDAP en maakte via de Groninger Staten carrière in de politiek: burgemeester van Hoogezand (1937), gedeputeerde en kamerlid voor de PvdA (1946) en burgemeester van de stad Groningen (1951). Jan Tuin was hier de eerste sociaaldemocraat in deze functie. Vanwege zijn komaf en politieke kleur bestond er aanvankelijk wel wat weerstand tegen hem, maar hij overwon die door zich van meet af aan onpartijdig op te stellen. In het college van B&W nam hij de zware wederopbouwportefeuille op zich, met woningbouw, stadsuitbreiding en verkeerszaken. Onder zijn verantwoordelijkheid kwamen o.a. het nieuwe (inmiddels weer gesloopte) stadhuis op de Grote Markt, het hoofdbureau van politie aan de Rademarkt en zwembad de Papiermolen tot stand.

Bij zijn pensionering in 1965 waren links en rechts het erover eens, dat ze ‘een echte burgervader’ kwijtraakten, die steeds boven de partijen stond en gewaakt had voor handhaving van een goede sfeer. De bestuurlijke spil van de Groninger wederopbouw kreeg een geweldig afscheid met o.a. een défilé van duizenden Groningers en hun organisaties op de Grote Markt.

Jan Tuin, een neef van mijn grootvader – de gezinnen woonden naast elkaar in Finsterwolde – was tevens de ontwerper van de Groninger vlag zoals die nu nog steeds in gebruik is. De toegang tot zijn archief staat sinds vannacht online.

Bron: Groninger Archieven, Toegang 3043 , archief Jan Tuin (1919 – 1972), met name inv.nr. 29: Revue, Nederlands familieblad, 7 september 1963, met op pag. 8-10 ‘De grootste boer van Nederland’.