Paradijselijk palet

In 1769-1770 verfde de Meppeler schilder Hendrik Vos in etappes de verlaatsmeesterswoning bij het Paradijsschut. Zijn rekening heeft een chronologische opzet, waardoor diverse soorten posten door elkaar heen staan, maar je ook goed de opbuw van het schilderwerk ziet. Ik noteer hier de kleurstoffen, zonder me verder te bekommeren om arbeidslonen, de gebruikte olie, de grondverven (loodwit en rode menie) en stopverf. Het gaat me erom hoe dat huis er qua kleuren uitzag.

Steeds heb ik de data en de plekken van het werk genoteerd en vervolgens in vier kolommen de gebruikte hoeveelheden verfstoffen in ponden, de kleurstof in kwestie, de totale prijs (in guldens stuivers en penningen) en de prijs in stuivers per pond van de desbetreffende verfstof.

3 november 1769 – de kozijnen van binnen en buiten:

5,62 pond Wit 1-02-8 4,00 st/pond

5 december 1769 – de vensters en deuren:

4,00 pond Wit, olijf en rood 0-16-8 4,13 st/pond gem.

24 april 1770 – (kamer)beschot gelijmd en geverfd:

6,00 pond Geeloker 0-09-0 1,50 st/pond
1,00 pond Loodwit 0-02-12 2,75 st/pond
Ton Zwart 0-03-0 ?

14-17, 21 en 23 mei 1770 – huis van binnen gelijmd en geverfd – zolder en beschot:

15,90 pond Geeloker 1-03-4 1,46 st/pond
2,50 pond Rood 0-03-2 1,25 st/pond
? Omber 0-02-8 ?
? Mooi blauw (kozijns en ramen) 0-09-0 ?
Ton Zwart 0-03-0 ?

25 en 26 mei 1770 – Kozijnen en ramen in de keuken:

1,56 pond Mooi Blauw 1-02-0 14,10 st/pond
0,06 pond  (2 lood) Mooi rood 0-02-0 33,33 st/pond
3,00 pond Toegemaakt wit 0-12-0 4,00 st/pond

11, 12 en 18 juni – buitenshuis incl. tafels en banken:

? ws. 0,06 pond (z.b.) Mooi rood 0-02-0 (vgl. boven) ?
1,50 pond Toegemaakt wit 0-06-0 4,00 st/pond

Het kleurenpalet bestond dus voornamelijk uit, in afnemende volgorde:

  • Zwart – 2 ton (binnen, vloeren?);
  • Geeloker – 22 pond (binnen, beschotten);
  • Wit – 11,8 pond (incl. toegemaakt – vooral buiten, maar ook wel binnen);
  • Rood – 4,2 pond (incl. mooi rood – accenten kozijnen deuren en vensters);
  • Blauw –  2,0 pond (incl. mooi blauw – kozijnen en ramen binnen).

Kortom, binnen domineerden zwart en geeloker, buiten was dat vooral wit.

Het duurst was mooi rood, mooi blauw volgde en daarna toegemaakt wit. Gewoon rood en geeloker waren het goedkoopst.


Sint Jacob als tijdsaanduiding (2)

Archief marke Havelte, inv.nr. 1.

Medio achttiende eeuw was Sint Jacob (25 juli) nog heel gewoon als tijdsaanduiding in Groningerland, ondanks de calvinistische weerzin tegen heiligen. Zelfs ambtenaren en bestuurders gebruikten deze tijdsaanduiding. Zo gold Sint Jacob als uiterste betalingstermijn in het Gorecht (Hoogezand en Haren).

In de stad Groningen was er tot 1669 nog een Sint Jacobsmarkt op of rond 25 juli, die wel veertien werkdagen kon duren. Omdat de boeren het dan druk hadden met oogsten en ploegen, achtte het stadsbestuur dit een “onbequame tijt” voor een jaarmarkt. De heren vervroegden deze markt daarom op de kalender en wel naar eind april, om haar op dat tijdstip te combineren met de Paasmarkt, die daarmee door de bank genomen wat later op de kalender kwam te staan, en zonder die naam. Na 1700 werd de gecombineerde nieuwe jaarmarkt begin mei gehouden, waarmee de meikermis ontstond.

De afschaffing van de Sint Jacobsmarkt heb ik destijds geplaatst tegen de achtergrond van Groningens ontwikkeling van veeteelt naar akkerbouwprovincie. Nu zie ik dat anders. Een wat later opgepikte opmerking van Harm Tiesing wijst eigenlijk al de weg – de Oost-Drentse boer en publicist noemde Sint Jacob “de dag dat het koren gewoonlijk rijp is”.

Onder koren verstond Tiesing rogge. Onlangs vond ik in de momberprotocollen van Havelte en Vledder en in het rekeningenboek van de marke Havelte nog wat latere meldingen van Sint Jacob als tijdsaanduiding, die stroken met de Groninger meldingen en Tiesings kwalificatie. Ik geef deze Zuidwest-Drentse meldingen hier kort weer en kom dan terug op de afschaffing van de Groninger Sint Jacobsmarkt.

1
Op 2 februari 1765 sluiten de erfgenamen van Albert Harms in Uffelte een akkoord over diens nalatenschap en die van wijlen zijn schoonmoeder. Albert is twee keer getrouwd geweest en liet kinderen ‘uit beide bedden’ na. Enerzijds is dat zoon Harmen Alberts uit zijn eerste huwelijk. Deze krijgt voor de komende zes jaar “de beesten, schapen en voerasi, neffens het boer- en huismansgereedschap” voor hem alleen, en betaalt zijn halfzuster, uit het tweede huwelijk van zijn vader, daarvoor in ruil 125 gulden ineens, omdat zij eigenlijk recht heeft op de helft van alles. Het al uitgezaaide koren (winterrogge) en het nog uit te zaaien koren (zomerrogge etc.) blijven echter mandelig tot telkenjare op “Sunt Jacob” en dat geldt ook voor de roggepachten van het “uitgedane”, dus verpachte land. Harmen kreeg dus voor zes jaar de beschikking over de hele keuterij van zijn vader en grootmoeder en moest voor het aandeel van zijn halfzuster daarin ook nog jaarlijks 7 gulden als huur aan haar voogden betalen, plus “de darde garve” van het eigen gebruikte zaailand en de helft van de pachtgarven (een zesde deel van de totale opbrengst van het verpachte land). Uit het hele stuk valt op te maken, dat de rekening en de verdeling van de oogst steeds plaatsvond op Sint Jacob. Dan was immers pas duidelijk, hoe groot het aantal roggegarven was, dat moest worden verdeeld. Uit een rekening van vier maanden later blijkt dan nog, dat de oogst van “Sunt Jacob 1764” is “ingetrokken” door een Harm Jans, die voor deze dienstverlening 3 gulden betaald krijgt.

2
Uit een andere momberrekening, op 5 januari 1788 opgemaakt in Havelte, maar waarschijnlijk een familie te Nijensleek betreffend, staan de opbrengsten van rogge, boekweit, haver, aardappelen, turf en kippen vermeld. Een week eerder ontving de boekhoudend voogd de “Sintjacobs opslags penningen van de rogge en haver”. De daarmee aangeduide veiling van eind juli bracht het lieve sommetje van ruim 318 gulden op.

3
Ene Berend Jacobs van Zuidveen, een notoire wanbetaler, pacht begin jaren 1780 een flink stuk heideveld van de marke of “boer” van Havelte. Eigenlijk moet hij de marke daarvoor veel meer huur betalen, maar dat kan Bruin niet trekken. Op 10 juni 1782 geeft Berend wel alvast een voorschot van 15 gulden aan schatbeurder Hendrik Eleveld van Havelte. Hij doet er een briefje met een belofte bij :

Sullende bij wel zijn tegens Sundt Japik nog wat geven, soo veel als ik uijtbreken kan, en versoeke vrindlijk dat de boer mij gunstig belieft te behandelen, gelijk ik aan mijn kant altoos gedaan hebbe aan de minder luij.

Kortom
Sint Jacob bleek ook in Zuidwest-Drenthe het moment dat het koren – hier ging het voor driekwart om rogge – oogstrijp was en ingehaald en verkocht kon worden. Er kwam dan veel geld bij de boeren binnen. Het was een periode om schulden te delgen, de teugels even te laten vieren, en aankopen te doen. Het Groninger stadsbestuur leek in 1668 wel gek met haar besluit om de Sint-Jacobsmarkt af te schaffen!

Alleen: afgezien van de typische zandstreken (zoals het Gorecht, delen van het Westerkwartier en Westerwolde, verbouwde men niet zoveel rogge (meer) in Groningerland. De stadjers aten vanouds gewoonlijk roggebrood, maar betrokken hun rogge voor het overgrote deel uit Drenthe. In de Groninger akkerbouwgebieden waren waarschijnlijk andere granen gaan domineren, zoals weite (tarwe), gerst en haver. Daarvan kwam de oogst wat later dan die van rogge, waardoor de klad kwam in de Groninger Sint Jacobsmarkt. Met meer akkerbouw en minder veeteelt, zoals ik eerst dacht, heeft die afschaffing niet te maken. Dat was een ontwikkeling die pas diep in de achttiende eeuw op gang kwam. Nee, de afschaffing van de Jacobsmarkt had veeleer te maken met een specialisering van akkerbouwgebieden en daarmee het uit zicht raken van de roggeteelt op de Groninger klei.

Bronnen
Drents Archief, Assen – Toegang 102 (archieven Schultengerechten) inv.nrs. 180.3, 180.4 en 180.6: momberprotocollen Havelte en Vledder op de aangegeven data. Verder uit hetzelfde archief  Tg. 519 (marke Havelte) inv.nr, 1, het ingespelde briefje bij de ontvangsten van juni 1782 en de opmerking bij de uitgaven op 5 maart 1787.


Arbeiders bij voorbaat gewaarschuwd


Zo berucht waren dijkwerkers, polderjongens en kanaalgravers om hun vernielingen en stakingen, dat de heren van Drentse in het voorjaar van 1769 een speciaal artikel aan wijdden in hun bestek voor de Smildiger-, Landschaps- of ook wel Drentse Hoofdvaart. Baldadigheden, ongeregeldheden en ordeverstoringen, de heren moesten er niets van hebben en dreigden bij voorbaat met de strengste straffen.

Zulke bestekken zullen vrij veel bewaard zijn gebleven in archieven van provincies, steden, waterschappen en polderbesturen. Vraag me nu af of dit een standaard-artikel was, of dat de Drentse heren wat banger waren aangelegd dan die van elders.

 


Landelijke contrasten in voogdijrekeningen

Ben bezig met de momberprotocollen van Havelte/Vledder. Daar staan allerlei voogdijstukkken in uit de lange achttiende eeuw, zoals boedelinventarissen en rekeningen van ontvangsten en uitgaven voor (half)wezen. Zulke rekeningen zijn in Groningerland nauwelijks bewaard, terwijl ze in Drenthe juist systematisch werden afgeschreven door het lokaal gezag. Boedelinventarissen zijn er voor beide gebieden. Wat betreft het Oldambt heb ik daar vrij veel van gezien en onderhand vallen me twee verschillen op tussen Zuidwest-Drenthe met zijn vele kleine boeren en vrij platte sociale structuur, en het Oldambt met zijn grote boeren en grote ongelijkheid.

Eerst een belangrijke overeenkomst: in beide streken prevaleert de akkerbouw in de achttiende eeuw. De ontvangsten voor de Drentse (half)wezen bestaan voor driekwart uit opbrengsten van rogge, verder van wat boekweit, een beetje haver en een luttel vlas. In het Oldambt ligt het accent meer op tarwe en gerst, kool- en ander oliehoudend zaad.

Nu de verschillen die me opvielen dankzij die voogdijstukken: in Zuidwest Drenthe hebben de boeren nauwelijks sjezen, in het Oldambt is er bijna geen boer zonder zo’n min of meer persoonlijk vervoermiddel. Wie het breed had, liet het breed hangen. In het Oldambt heeft de doorsnee-boer ook veel meer paarden.

Het andere verschil, dat in het oog loopt: in Zuidwest-Drenthe hadden de boeren nauwelijks en in het Oldambt bijna allemaal een vuurwapen in huis. Wie het breed heeft laat het breed hangen, maar is ook het meest beducht voor verlies van have en goed.


Een herinnering aan joodse manufacturiers

Bij mijn doortocht door Leek, gistermiddag, viel me opeens deze muurreclame op:

Hij is niet nieuw, maar werd vijf jaar geleden herontdekt en gerestaureerd.

Denneboom was een joodse familie, wier zaak in 1942 moest sluiten. Alleen enkele dochters overleefden de oorlog, waarvan een er in Auschwitz medische experimenten had moeten ondergaan. De familie was al ver voor de oorlog zionistisch, alle drie de dochters vertrokken na de oorlog naar Israel.

Het hele verhaal (pdf).


Rijksontvanger heeft lak aan zondagsrust

Men leest in de Winschoter Ct.:
Te Beerta, het vrijzinnige Beerta — waar de heer Rijksontvanger zóó liberaal is, dat hij de aanslagbilletten voor de personele belasting telkenjare op Zondag bij de belastingschuldigen laat rondbrengen, zooals, tot ergernis van sommigen, nu ook weer gister is geschied — vraagt men of ZEd. ook verpligt is op den dag des Heeren het bedrag der aanslagen in ontvangst te nemen?

Bron: Dagblad van Zuid-Holland en ’s Gravenhage 6 juli 1875. Het berichtje werd een paar dagen later nog overgenomen door De Standaard, het antirevolutionaire blad van Abraham Kuyper. Mogelijk had ook het genoemde Dagblad een confessionele signatuur.

Commentaar: Het berichtje is van belang omdat het iets zegt over de verhoudingen in Beerta: de vrijzinnigen hadden er de absolute meerderheid, maar de confessionelen lieten niet alles over hun kant gaan. De rijksontvanger die lak had aan de zondagsrust was waarschijnlijk Roelof Johannes Jannette, geboren 1827 te Ravestein (N.Br.) en overleden in 1890 te Beerta, waar hij ook begraven ligt. Dat is bijzonder, want na de kritische noot in de kranten moet Jannette door de belastingdienst verplaatst zijn naar Drachten. Daar ontmoette Von Weiler hem, die Jannette omschreef als een “potsierlijk mannetje, die een goed figuur zou hebben geslagen in de Pickwick-club”.


Hoe de schroom voor Jefta week

Jefta de naam Meertens

Ik hoorde een verhaal over een jongetje dat Jephta of Jefta heet.

Jephta, Jefta – iets zei me dat er wat met die naam was. Iets bijbels. Daarom op naar de Wikipedia. Ah juist, een van de Richteren:

Jefta was een buitenechtelijke zoon van Gilead en een naamloze prostituee.”

Vandaar ook, dat die naam zelden voorkwam. In Alle Groningers, met in principe alle doop- en geboorteakten vanaf de zeventiende eeuw tot 1920, is die naam slechts één enkele keer genoteerd en wel in de ph-variant. Eind 1679 lieten Harmen Geerts en zijn vrouw Geesjen, die bij de Herepoort woonden, hun zoon Jephta dopen in de Groninger Martinikerk.

De gegevens van de laatste 140 jaar staan op de Voornamenbank van het Meertensinstituut (zie grafiek boven). Jephta levert daar te weinig gevallen op voor een grafiek, maar tot medio jaren 50 werd de naam Jefta nooit vergeven! Vanaf de jaren 60 kwakkelt het wat op laag niveau, en sinds 2004 lijkt de naam in de mode te komen.

Dat de naam voor 1954 niet vergeven werd, moet haast wel samenhangen met de bijbelvastheid van mensen. Geen mens dat zich (min of meer) christelijk (of joods) noemde, wilde dat zijn kind geassocieerd werd met een hoerenzoon en bastaard uit de Schrift.

Sindsdien schreden ontkerkelijking, ontkerksing en ontkerstening voort en week de schroom voor de vernoeming Jefta. Men vindt het gewoon een mooie naam, zonder zich te bekreunen om de achtergrond.

Naschrift 27.4
Kreeg een mailtje dat de schroom voor het gebruik van de naam Jefta te maken heeft met Jefta’s bereidheid zijn dochter te offeren aan God, als Jefta een veldslag zou winnen. Dat zal best ook zo zijn, maar de mailschrijver onderschat volgens mij de rol van eer in vroeger tijden.

Maar ook als we de amendering  accepteren, tast dat de stelling niet wezenlijk aan.  Hoe dan ook bestond er schroom tegen de naam, en die schroom is sinds de jaren 50 geweken voor een esthetische waardering, die er niet zou zijn geweest als men het bijbelverhaal nog goed kende. Overigens zou het interessant zijn de verschillende bijbelse namen eens te bekijken op hun werdegang in de periode 1650-1920.


Akelige kroegen in Beerta

Sedert eenige jaren, na de verdubbeling van de belasting op het gedestilleerd , zijn te Beerta in Groningen vele kroegjes ontstaan, waar liet dienstbaar volk zich bijna iederen avond het vermaak verschaft zich voor een dubbeltje dronken te drinken en later bij den weg de rustige burgers op een concert te vergasten, als deze liever slapen dan het ellendig geschreeuw, dat bijna altyd met rusie vergezeld gaat, te hooren.

Nu vraagt men misschien, waarom het wordt toegelaten, dat daar na 10 uur wordt getapt ? Wel – is het antwoord – eenvoudig omdat deze kroeghouders geen patent hebben. Daardoor heeft de politie – al is zij nog zoozeer overtuigd dat daar voor geld wordt getapt – in die huizen geen toegang en moet het dus maar rustig aanzien, dat daar de paria der maatschappij zich ontwikkelt, zoowel in mannen als vrouwen.

Eene dezer kroeghoudsters is reeds door den invloed der actieve ambtenaren onder het regt van patent gekomen, terwijl op den gang der anderen wordt gelet. Eergister werd nog eene vrouw van die soort bekeurd. De rijksambtenaren, bijgestaan door den veldwachter, deden onderzoek in het kamertje van de wed. Lameijer, en, niettegenstaande zij den spiritus nog in tegenwoordigheid der commiezen poogde weg te maken, werd zij toch bekeurd, terwijl de ambtenaren de satisfactie hadden eenige kannen voorloop van brandewijn aan het kantoor van den ontvanger te kunnen bezorgen, waarmede tevens, naar men hoopt, één van die akelige kroegen zal worden opgeruimd.

Bron: Dagblad van Zuidholland en ’s Gravenhage 6 januari 1870.

Commentaar

In principe mocht de politie alleen neringdoenden met een patent controleren. Dat patent was een soort vergunning voor het mogen uitoefenen van een nering, waarvoor de overheid van de ambachtsman of winkelier een som gelds beurde. De besproken kroegjes te Beerta waren geen officiële nering en dus had de politie er niets te zoeken.

Terwijl er van alles aan de hand was. Dat het hier om smokkelkroegen ging, stille knijpen of knippen, vaak gedreven door vrouwen, blijkt allereerst uit het gelegde verband tussen hun ontstaan en de verhoging van de belasting op sterke drank. Net als later Al Capone waren de kroeghoud(st)ers alleen te pakken door de belastingdienst. Die betrapte de weduwe Lameijer op heterdaad met spiritus en kannen voorloop of foezel, typisch smokkelwaar.

Tot ver na de gewone sluitingstijd van 10 uur ’s avonds zaten dienstboden en arbeiders in zulke kroegjes. De krant noemde ze “paria der maatschappij”. Op weg naar huis hielden ze de brave burgerij uit de slaap met hun gezang.


Stro voor het huis en toch naar de stembus

De verzameling leggers van de Winschoter Courant bij de Groninger Archieven begint pas met die van 1873. Toch bestond er al eerder, in 1857, een krant met gelijke titel, waarvan een curieus bericht werd overgenomen door het Residentie-blad dat deze week op Delpher is gezet.

Dat bericht gaat over de gemeenteraadsverkiezing, begin augustus dat jaar, in Finsterwolde. Destijds traden gemeenteraden periodiek voor een gedeelte af, waarna er een verkiezing voor de opengevallen plaatsen kwam. Aan zo’n verkiezing mochten alleen die mannen deelnemen , die een bepaalde minimumsom (census) bijdroegen aan de hoofdelijke omslag. Dat zullen in Finsterwolde vrijwel alle boeren geweest zijn en een bovenlaag van burgerij en middenstand. Bij dit selecte gezelschap waren er zo te zien twee partijen – de (oud)liberalen en de jong-liberalen of radicalen. Welke partij er bovenlag, is niet bekend, maar de verkiezingsstrijd was fel en de oppositie deed er alles aan om haar kandidaten in de raad te krijgen:

o. a. is door haar een zeer bejaarde kiezer, die reeds eenigen tijd bedenkelijk ziek was, naar het gemeentehuis vervoerd en letterlijk naar de stembus gesleept tot verwondering van allen die dit schouwspel zagen, aangezien reeds eenigen tijd voor diens behuizing de weg met stroo was belegd, en men ieder oogenblik zijnen dood tegemoet ziet.

Aardig is dat detail van het stro, dat op de weg was gelegd voor het huis van de doodzieke kiezer. Dat stro temperde het lawaai van de ijzeren wagenwielbanden voor diens huis, zodat de stervende geen last van het geratel ondervond. Desondanks was hij naar de stembus gesleept. Dat gold ook voor een blinde man van 86, al werd die erheen “geleid”. Zoveel moeite deed de oppositie om de verkiezing te winnen, waarmee ze mogelijk een raadsmeerderheid zou krijgen. En toch mislukte de toeleg, want alle drie de zetels gingen naar de afgetreden leden. De oude raad keerde onveranderd terug.

Bron: Residente-blad 5 augustus 1857.


De achternaam Zonderbroek

Louis Léopold Boilly (1761-1845), Sans-culotte 2 blog

Louis Léopold Boilly (1761-1845), Sans-culotte.

In het Lutherse doopboek van Nieuwe Pekela staat een paar maal de familienaam Zonderbroek genoteerd (1793, 1796). De vader was beide gevallen ene Fridrich Fridrichs Zonderbroek, getrouwd met een Geertje Harms. Een lang leven was diens achternaam niet beschoren – ze heeft de naamsaanneming van 1811 niet overleefd, althans niet in Groningen; wel was er nog een enkele naamdraagster die in 1857 genoemd wordt in het overlijdensregister van Haarlem.

Bij de naam Zonderbroek kan men zich van alles voorstellen, maar als je het mij vraagt, is het waarschijnlijk niet toevallig dat ze in het jaar 1793 opdook. De Franse Revolutie was behoorlijk aan het radicaliseren en de sansculotten kwamen in Parijs aan de macht: nijvere koop- en ambachtslieden die anders de de elite geen luxe kniebroeken (of culottes) meer droegen, maar eenvoudige werkmansbroeken met lange pijpen. Fridrich moet de revolutie via de krant hebben gevolgd en koos partij. Naar de sansculotten noemde hij zich Zonderbroek.


‘De grootste boer van Nederland’

de grootste boer van Nederland DSC02592

Onder de kop ‘De grootste boer van Nederland’ wijdde het familieblad Revue in 1963 een artikel aan de uitgebreide bezittingen van de stad Groningen in Oost-Groningen, waarbij het de Groninger burgemeester Jan Tuin in verschillende agrarische situaties liet poseren als hereboer.

Gek genoeg bevat het stuk geen interview met of citaten van Tuin. Het is ook geen reportage, zoals het zich eerst voordoet. Het behelst qua tekst vooral een feitenrelaas van voorlichtende aard, waarvan ik vermoed dat Jan Tuin de informatie zelf aan de Revue verschafte. Het blad hoefde dan een en ander alleen wat smeuiïger op te schrijven, wat overigens tamelijk goed gelukt is.

De stad Groningen had destijds nog twee grote boerderijen die ze nog zelf exploiteerde, een bij de Dollard en de ander bij Ter Apel, samen 1200 hectare groot. Twee andere boerderijen, beide in de Ruigezandster polder, samen 400 hectare groot, werden periodiek verpacht. Dan had de Stad sinds de vervening nog 10.000 hectare in Oost-Groningen in bloot eigendom, maar ook 80 kilometer kanaal, 40 kilometer weg, 19 sluizen, 50 bruggen, 40 vonders en 47 woningen die haar in tegenstelling tot de boerderijen bij de Dollard en Ter Apel alleen maar geld kostten.

De boerderijen bij Ter Apel en de Dollard leverden de Stad jaarlijks nog een mooi sommetje op. Als burgemeester was Jan Tuin eindverantwoordelijk voor de exploitatie.

Dat de Revue hem portretteerde als “de grootste boer van Nederland”, zal vele Groningers die week hebben doen glimlachen. Ze droegen hun burgemeester op handen en vereenzelvigden zich bijna met hem. Dat kwam doordat Tuin van zeer eenvoudige komaf was. Hij stamde uit een landarbeidersfamilie in Finsterwolde – heel wat anders dan een boer! Zijn vader Harm, een anarchistische dagloner en geheelonthouder, verkocht vanuit ‘t huis aan de Klinkerweg socialistische en anarchistische lectuur en dankte daaraan de bijnaam ‘Harm Boukje’.

Als onderwijzer in Finsterwolde, Winschoten Oude Pekela, was zoon Jan Tuin regionaal actief voor de SDAP en maakte via de Groninger Staten carrière in de politiek: burgemeester van Hoogezand (1937), gedeputeerde en kamerlid voor de PvdA (1946) en burgemeester van de stad Groningen (1951). Jan Tuin was hier de eerste sociaaldemocraat in deze functie. Vanwege zijn komaf en politieke kleur bestond er aanvankelijk wel wat weerstand tegen hem, maar hij overwon die door zich van meet af aan onpartijdig op te stellen. In het college van B&W nam hij de zware wederopbouwportefeuille op zich, met woningbouw, stadsuitbreiding en verkeerszaken. Onder zijn verantwoordelijkheid kwamen o.a. het nieuwe (inmiddels weer gesloopte) stadhuis op de Grote Markt, het hoofdbureau van politie aan de Rademarkt en zwembad de Papiermolen tot stand.

Bij zijn pensionering in 1965 waren links en rechts het erover eens, dat ze ‘een echte burgervader’ kwijtraakten, die steeds boven de partijen stond en gewaakt had voor handhaving van een goede sfeer. De bestuurlijke spil van de Groninger wederopbouw kreeg een geweldig afscheid met o.a. een défilé van duizenden Groningers en hun organisaties op de Grote Markt.

Jan Tuin, een neef van mijn grootvader – de gezinnen woonden naast elkaar in Finsterwolde – was tevens de ontwerper van de Groninger vlag zoals die nu nog steeds in gebruik is. De toegang tot zijn archief staat sinds vannacht online.

Bron: Groninger Archieven, Toegang 3043 , archief Jan Tuin (1919 – 1972), met name inv.nr. 29: Revue, Nederlands familieblad, 7 september 1963, met op pag. 8-10 ‘De grootste boer van Nederland’.


De prijs van de Sint-Maartensgans 1630-1750

Prijs van de Sint-Maartensgand 1630-1750 blog

Tussen de los gepubliceerde bijlagen op Tijms’ boek over de Groninger graanprijzen (2000) zit ook een tabel over de gemiddelde prijs van de Sint-Maartensgans. Tijms construeerde deze tabel door de prijzen die hij aantrof in de rekeningen van het Geertruids- of Pepergasthuis, het Sint-Anna- en Jacobsgasthuis en het Armhuiszittend gasthuis, te middelen. In het Geertruidsgasthuis bijvoorbeeld, aten de maximaal 66 conventualen jaarlijks met Sint-Maarten dertien of veertien ganzen, wat neerkwam op minstens 0,2 gans per conventuaal. Na 1750 bleek het middelen van de betaalde prijzen helaas niet meer mogelijk, door het verdwijnen  van de ganzen uit de gasthuisrekeningen. Waarschijnlijk was dit een gevolg van het veel vromere en meer sobere gereformeerde regime na de omwenteling van 1748 – opeens werkte de associatie met een roomse praktijk tegen de Sint-Maartensgans.

Om de fluctuaties wat af te vlakken, heb ik een rode lijn met de voortschrijdende vijfjaarlijkse gemiddelden over de blauwe staafjes voor de gemiddelde jaarprijzen heen gelegd. In het begin van de periode liggen de prijzen nog laag, hetzij door veel aanbod, hetzij door een reformatorisch offensief tegen de Maartensgans, wellicht ook door beide factoren samen. Zo tussen 1640 en 1720 kon je een gans kopen voor een daalder à 2 gulden. Wel is de trend op lange termijn een iets dalende. Nadien zakt de prijs opnieuw: een effect van de Nadere Reformatie, vermoed ik. In 1737 waren de ganzen extreem duur, waarschijnlijk het gevolg van een virusziekte die het aanbod decimeerde. Reken je die uitbijter niet mee, dan lag de prijs van een Sint-Maartensgans tussen 1720 en 1750 ongeveer op een gulden à een daalder, ruim het dagloon van een vakbekwame scheepstimmerman.


Hoerehondjes

Het Noorden in Woord en Beeld 14 december 1934.

Op een pagina over het Groninger Museum in het onvolprezen fotoblad Het Noorden in Woord en Beeld, jaargang 1934, trof ik bovenstaande foto aan.

Hoewel ik het verhaal ook wel eens apocrief heb horen noemen door een niet nader aan te duiden museumpersoon, weet ik niet beter of zulke hondjes stonden in verre havens in de vensterbanken van prostituees. Als de hondjes naar binnen keken, was zo’n vrouw zeg maar bezet en als zij naar buiten keken, kon de passagierende zeeman er bij de deur belet gaan vragen. Of andersom, dat weet ik niet meer zo goed.

In elk geval nam menig zeeman zo’n setje hondjes mee naar huis, waar zijn niet vermoedende eega en huisvrouw deze souvenirs in de vensterbank plaatste. Blijkbaar waren ook ongetrouwde Groninger jongedames niet ongevoelig voor de charmes van de aardewerken beestjes, als we Het Noorden in Woord en Beeld mogen geloven..

Overigens gaat het eerder om King Charles Cavalier Spaniels, dan om Staffordshire Terriërs. Dat wou ik qua raszuiverheid nog wel even hebben gezegd.

Op een tentoonstelling over prostitutie, Noordelijk Scheevaartmuseum begin 2017.


Een kleine beschouwing over landarbeiderswoningen

Ewer

In Noord-Groningen valt een groot onderscheid waar te nemen tusschen de landarbeiders,

  1. die in de oude landarbeidershuisjes wonen, meest éénkamerwoningen;
  2. die in huisjes wonen van den woningbouw;
  3. die een plaatsje bezitten volgens de Landarbeiderswet.

Ad. a. De behuizing van de onder a. bedoelde categorie is minimaal. Via een klein gangetje komt men in het woonvertrek, een kamer van ongeveer 3 bij 4 meter. Hierin moet dan alles gebeuren: koken, poetsen, strijken, eten, slapen, enz. Voor slaapgelegenheid zijn twee bedsteden aanwezig met daar tusschen in een kast. Dikwijls zijn de bedsteden veel te kort, zoodat de menschen met opgetrokken beenen moeten liggen. In de eene bedstede slapen dan de ouders, in de andere de kinderen.

In het Oldambt gaat dat nog eenigszins, omdat daar de huishoudens hoogstens drie kinderen tellen. In Noord-West-Groningen is dat erger. Daar zijn de huishoudens over het algemeen grooter en slapen de meisjes meestal beneden in de tweede bedstede en de jongens op den open zolder. Deze zolder wordt tevens gebruikt voor het opbergen van turven, aardappelen en alle mogelijke andere dingen, die in een huishouden zoo al bewaard worden. Ventilatie en verlichting is er alleen door een klein dakraampje, indien dat tenminste aanwezig is.

In het Oldambt komt ook nog een speciaal type landarbeidershuisjes voor. Naast de woonkamer treft men daar dan nog een klein hokje aan onder het schuin afloopende dak. Dit wordt dan meestal ook als slaapruimte gebruikt. Dat deze ruimte koud en vochtig is en dat het dak doorgaans lekt, is wellicht overbodig om te vermelden. Ondanks dergelijke behuizing krijgt men zelfs daar een goeden indruk van de bewoning. Wat er aan huisraad aanwezig is, is over het algemeen goed verzorgd en onderhouden.

Ad. b. De behuizing van de landarbeiders, die een huisje betrekken van den woningbouw, is direct veel beter. Hier heeft men behalve een woonkeuken nog een zoogenaamde “goeie kamer” en een afzonderlijke slaapkamer. In de woonkeuken wordt gehuisd. Slechts zelden komt men in de „goeie kamer”. Naast de woonkeuken treft men veelal een schuur aan, waarin de regenbak staat met gootsteen en aanrecht. Deze schuur dient gewoonlijk tot bijkeuken en tot verblijfplaats van het aanwezige vee. In de schuur zelf bevindt zich een zolder met afgetimmerde slaapkamer.

Ad. c. De behuizing van de landarbeiders, die in zoogenaamde landarbeidersplaatsjes wonen, is ruimer en ook beter. Deze landarbeidersplaatsjes zijn de ideale woningen voor deze categorie arbeiders en omdat het meestal de meest vooruitstrevenden zijn, die zoo’n plaatsje bezitten, is de bewoning zelf er ook het best. En wanneer de bezitter nu maar geregeld werk heeft, gaat het hem, althans wat de bewoning betreft, goed. Voor de losse arbeiders is zoo’n eigen plaatsje vaak een zware dobber, omdat in de weken van werkloosheid de rente en aflossing niet kan worden opgebracht. Voor de vaste en los-vaste landarbeiders levert dit over het algemeen geen bezwaar op.

Bevindingen van een onderzoek door het maatschappelijk werk, weliswaar uitgevoerd in de oorlog, maar zo te zien onbesmet. Frappant is dat landarbeidersgezinnen in Noordwest-Groningen groter zouden zijn dan die in het Oldambt: ik denk dan meteen aan de tegenstelling orthodox x ontkerstend. Eveneens opmerkelijk is dat de families die in een huis van een woningbouwcorporatie of gemeente woonden, een kamer reserveerden als ‘goeie kamer’ en gewoonlijk verbleven in de dagelijkse woonkeuken. De elite onder de landarbeiders had, naast vast werk, een eigen plaatsje met een lapje grond.

Bron: Theodorus Johannes Platenburg, Landarbeiders (1943).


Kameraad Stalin gefeliciteerd voor zijn zestigste verjaardag vanuit Finsterwolde

„Stalin veel geluk. Leider van het proletariaat. Naar het communisme! Onverschrokken generaal tegen de contrarevolutie! Bevrijder van het Finse volk!

H. SCHWERTMAN,
Finsterwolde.”

Bij zijn zestigste verjaardag, begin 1940, bereikten Stalin, de leider van communistisch Rusland, niet alleen de felicitaties van Hitler en Von Ribbentrop, met wie hij net een niet-aanvalsverdrag had gesloten. In het Volksdagblad van de CPN stond bovenstaande gelukwens van Hindrik Schwertman uit Finsterwolde.

Schwertman was daar voor de oorlog al prominent communist, na de oorlog werd hij er opnieuw gemeenteraadslid en tussendoor, toen Stalin en Hitler geen vriendjes meer waren, zat hij onder andere gevangen in het beruchte concentratiekamp Buchenwald.

Toch curieus, om zoiets tegen te komen.

Bron