Korte historie van Neerlands Reformatie

Collectie British Museum.

De vier hervormers Wyclif, Luther, Calvijn en Beza hebben het licht op de kandelaar gezet en een kardinaal, bisschop, paus en monnik proberen vanaf deze kant van de tafel het licht uit te blazen. (Het valt nog mee dat er geen duivel met ze meedoet.)

Waaruit bestond dat licht? Zèlf de bijbel lezen in de volkstaal. Het woord als uitgangspunt nemen in plaats van het beeld. Sinten en papen terugzetten tot gewoon maar mensen. Alleen het geloof laten tellen. De zonde niet langer kwijt kunnen door te biechten, wat weesgegroetjes te bidden of een aflaat aan te schaffen. En bij de avondmaalsviering Christus niet meer fysiek in je opnemen met het brood (alsof je een kannibaal bent) maar louter geestelijk. Vooral ook beseffen dat je lot al vaststond voordat je geboren werd, omdat God eeuwig en alwetend is.

Zulke geloofsartikelen zorgden voor een ijverig en zuinig slag volk dat andere mensen graag de maat nam. Voorouders in een gereformeerd gidsland waar je niet speciaal trots op wil zijn.

Toch blijft de ziel van Nederland calvinistisch. Zelfs onze katholieken zijn het.

Die Luther heeft dus wel wat losgemaakt. Alleen maakte hij het karwei niet af, dat liet hij over aan Calvijn en Beza. En verder was het een volgevreten monnik die gewoon een pesthekel had aan joden.

Advertenties

Harm Tuin jr. en de uniciteit van Finsterwolde

Harm Tuin jr.

De ogen en het haar zijn anders, maar voor de rest, en dan vooral voor wat betreft de onderkant van zijn gezicht, leek mijn vader sterk op Harm Tuin jr., de neef van zijn vader die het schopte tot burgemeester van Finsterwolde en Slochteren. Blijkbaar waren er bij mijn vader trekken overerfd van zijn grootmoeder Antje Tuin, die weer tante was van de latere burgemeester.

De foto van Harm Tuin vond ik  bij een interview uit 1950. Daarin kreeg hij onder meer een vraag voorgelegd waarover wel meer mensen zich het hoofd hebben gebroken, namelijk waarom juist Finsterwolde zoveel communisten of (of communistische kiezers) telde, terwijl die in het naburige Oostwold en Midwolda nagenoeg ontbraken.

“Daar is moeilijk een antwoord op te geven”, vond ook Harm Tuin, die  desalniettemin een antwoord gaf:

“Misschien wel, omdat in Midwolda de kerk orthodox gericht was en bleef, terwijl in Finsterwolde het modernisme ingang vond. Hier zijn onder de predikanten veel knappe koppen geweest, die echter de binding met de mensen verloren. De kerk geeft innerlijk houvast. Als men die verliest en er komt niets voor in de plaats en men leeft daarbij onder slechte omstandigheden, zoals hier het geval was, dan is de baan geopend voor allerlei extremistische richtingen. De tegenstelling tussen boeren en arbeiders is hier zeker groot, maar niet groter dan elders. De reactie is wel groter geweest. Die vroegere boerengeneratie telde prachtige kerels, conservatief liberaal, mensen die niet van buigen wisten. En de arbeiders wilden óók eigen baas zijn en wisten óók niet van buigen.”

Helemaal origineel is de verklaring niet, ik meen me te herinneren dat de sociograaf Hofstee tot een soortgelijke analyse kwam. Die had veel invloed in het gebied dat hij voor zijn proefschrift bestudeerde.


Soesjesgoed

De Muntendammer Jacob Jacobs kwam op zaterdag 11 augustus 1770 met het Lemmerder schip in de stad Groningen aan. Waarschijnlijk was hij in Amsterdam geweest om inkopen te doen. Hij had namelijk een reiszak bij zich “met eenig bondgoed”, koopwaar waarmee hij de hele stad doorsjouwde naar het Winschoter veer bij het Binnen-Winschoterdiep.

Blijkbaar gaf hij dat goed onderweg niet aan. “Om reden dat op zijn Sabbat geen geld vermog aan te tasten”, verzocht hij een van de snikkevaarders van het Winschoterveer om dat  voor hem te willen doen. In het Goudkantoor werd bij het openen van Jacobs reiszak echter een stuk “soesjesgoed” (gestreepte zijden doek uit China, later ook wel van katoen) bevonden, waarvan Jacob meende dat het onder de kramerij hoorde, terwijl dat in werkelijkheid onder de manufacturen was. Over die manufacturen moest meer belasting betaald worden. Omdat het door de snikkevaarder ingeleverde aangiftebiljet en de werkelijke inhoud van de reiszak niet overeenkwamen, nam de Administrator der Gemene Landsmiddelen, zeg maar de opperbelastingman van de provincie, Jacobs reiszak met inhoud in beslag.

Jacob zat in zak en as en kwam met hangende pootjes bij Gedeputeerde Staten, de opperste regelaars en rechters in belastingzaken. Hij zou niet graag met de Administrator willen “discreperen”, zo zei hij, en verzocht daarom arbitrage.

Na een hoorzitting met beide partijen, streken de heren inderdaad de hand over hun hart. Ze scholden Jacob de boete kwijt, mits hij zelf, maar dan goed, aangifte zou doen van dat door hem ingevoerde soesjesgoed.

Bron: RHC Groninger Archieven Toegang 1 (archief Staten van Stad en Lande) inv.nr. 193 (aktenboek G.S.).


Een beruchte oplichter

RHC Groninger Archieven, Toegang 1605 (stadsbestuur 1594-1816) inv.nr, 316 (ingekomen missives) 1769.

Kwam bij de ingekomen brieven van het Groninger stadsbestuur dit signalement tegen van de beruchte oplichter Maggaris, alias Jan Cato Kamerling. De man die soms voorgaf theoloog te zijn en dan weer arts, wist met zijn vrome praatjes en voorspiegelingen van zijn grote rijkdom op verschillende plaatsen, o.a. Hoogeveen (Drenthe) en Brouwershaven (Zeeland) jongejuffrouwen uit de betere kringen het hoofd op hol te brengen en zelfs tot huwelijken te verleiden. Vaak spon hij een soort van brievenweb, waarmee hij zijn pseudologica fantastica bij hun familie aannemelijk wist te maken. Volgens een van zijn biografieën moet hij ook nog een poosje in Groningen hebben gewoond. In 1769 was hij kennelijk even ontsnapt, maar wist men hem al snel weer in te rekenen.

Meer lezen?

Abraham Maggaris, bijgenaamd Jan Cato Kamerling, dan 72 jaar oud, in 1792. Collectie Rijksmuseum.



Rebulie bij de polderdijk

De Oostwolderpolder op een kaart uit 1791. Donkergroen de nieuwe dijk van 1769, lichtgroen die van 1701, blauw de Olde Geut, rood de voornaamste plaatsen. Bron: RHC Groninger Archieven 817-836.

Na jaren voorbereiding begon op dinsdag 14 maart 1769 om 9 uur ’s ochtends dan eindelijk de openbare aanbesteding van het dijkwerk voor de nieuwe Oostwolderpolder. Elke grote aannemer uit Groningerland en aanpalende gewesten met belang bij grondwerk liet zich toen vinden in de herberg van Harm Jans Golthoorn te Oostwold, waar de bestekken al een poos ter inzage lagen.

In totaal ging het om ongeveer 1300 roeden (5,4 kilometer) hoofddijk en een gelijke lengte aan (minder zware) kadijk, die “by putten” zouden worden aanbesteed. Aan zo’n put (graafkarwei) schepte en krooide een ploeg van acht tot twaalf dijkwerkers onder leiding van een ‘putbaas’ of voorman, die zelf vaak onderaannemer was.

De nieuwe zeedijk zou bijna 2700 deimt (of 1200 bunder) kwelder gaan insluiten. Ongeveer de helft hiervan lag in de opstrek achter Oostwold, maar ook de grondeigenaren en boeren van Finsterwolde kregen er land bij, ongeveer een vijfde van het polderareaal. Daar bij Finsterwolde, ten noorden van de kerk, sloot de nieuwe dijk ook aan op de oude dijk. Een derde van de polder lag aan de overkant van de Olde Geut onder Oostwolderhamrik.

Het project werd niet getrokken door de lokale boeren. Dat gebeurde door de grondeigenaren, voornamelijk stadjers, die enige vooraanstaande heren uit hun midden hadden aangesteld als hun “volmagten tot de aanstaande indijkinge van de Uiterdijkslanden agter Oostwold, Hamrik, Goldhoorn en Finsterwolde” – kortweg “gevolmagtigden” of “volmachten”. Hiervan regelden burgemeester W. Siccama, stadsrentmeester A.H. Berghuijs en de prominente katholiek J.J. Cremers de aanbesteding. Maar zij beleefden daar op die dag weinig plezier aan. Al bij de gunning van het eerste stuk dijkwerk ging het mis, zo berichtten ze naderhand de drost van het Oldambt. Kennelijk waren er naast aannemers ook veel dijkarbeiders afgekomen op de aanbesteding, want toen de aanneemsom van dat eerste, maatgevende stuk dijk in hun ogen veel te laag uitviel, waardoor ze konden voorzien dat hun loon eveneens mager zou zijn, werd

“den aannemer van het eerste pand door quadaardige menschen (…) vervolgt en met stokken geslagen, zodat die ternauwernood heeft kunnen worden gered, zijnde de verdere anneemeren hierdoor geïntimideert, zodat dien dag de verdere uitbestedinge heeft moeten worden gestaakt,…”

De volmachten, beducht dat een tweede publieke aanbesteding precies zo zou aflopen, besloten toen tot een list: de onderhandse gunning van al het dijkwerk tegen 9 gulden de put, “met dat gevolg dat nog dien avond het grootste gedeelte van de dijk is uitbesteed”. De volgende dag kwamen de betrokken aannemers hun bestekken bij Goldhoorn tekenen. “’t Geen meerendeels in een goede orders is verrigt”, aldus de volmachten, tot uiteindelijk “een groote menigte quadaardige menschen” dreigend hun herbergkamer binnendrong, die zodanig “bezet” raakte, dat ook die dag het verdere gunningswerk onmogelijk was gemaakt.

Problemen voorzien

Dijkarbeiders hadden een reputatie op te houden. In 1740 en 1762 legden ze voor een hoger loon het werk neer bij de dijkbouw voor de Stadspolder en de Landschaftspolder. Dat wisten de volmachten van de Oostwolderpolder natuurlijk en die hadden dan ook al problemen voorzien. Een maand voor de aanbesteding maakten ze al hun opwachting in het Groninger stadhuis, waar ze vertelden,

“hoe bij indijkinge van genoemde landerijen een meenigte vreemde arbeidslieden zullen moeten emploijeren om ’t werk spoedig te kunnen perfecteren, waaronder dikwerf kwaadwilligen worden bevonden, die off niet langer willen arbeiden, of meerder penningen dan hebben bedongen willen trekken, ook beletten dat de goedwillige om ’t begonnen werk voort te zetten, zoo als de ondervindinge in diergelijke gevallen heeft geleerd…”

De volmachten verzochten om voorspraak van het stadsbestuur, “dat zij ter beveil[ig]inge van het werk met een detachement militie mogten werden voorsien”. Op 10 maart, enkele dagen voor de aanbesteding, reageerden Burgemeesteren en Raad welwillend op dit verzoek. Zij vroegen de garnizoenscommandant, luitenant-generaal Van Holsten, om voldoende troepen naar het Oldambt te sturen “ter protectie van onze goede ingezetenen”, en om “desnoods alle tumulten en geweld (…) te weeren en te beteugelen”.

Enkele dagen na de aanbesteding bleek Van Holsten bezwaren tegen zo’n missie te koesteren. Het garnizoen was al zwak en er kwamen oefeningen aan. Sowieso diende eerst de opperbevelhebber, prins Willem V, er zijn toestemming voor te geven, vond hij. En daar moest het stadsbestuur de prins zelf maar om vragen. Hetgeen gebeurde. Op 21 maart ging er een brief naar de prins, waarin Burgemeesteren en Raad uitlegden dat het ging om een belangrijk werk waar maar liefst “1300 à 1400 meest vreemde arbeiders” op af zouden komen. Als raddraaiers ook maar het geringste oponthoud veroorzaakten, zou de indijking “voor het geheele zomer onnut kunnen werden gemaakt”. En omdat het werk al op 25 april begon, was er haast geboden. Of de prins de garnizoenscommandant bevel wilde geven,

“om een convenabel detachement militie ter requisitie van de volmagten te laaten volgen uit het guarnisoen van Groningen (…), teneinde deselve te dekken en de tumultueuse te apprehenderen en an de domiciliaire regter over te geeven, en dus dat werk in een behoorlijke tranquiliteit te laaten verrigten…”

Anders gezegd: de manschappen stonden ter beschikking van de volmachten; ze moesten deze beschermen, terwijl ze bij het dijkwerk de rust dienden te handhaven en eventuele oproerkraaiers moesten oppakken en aan de drost overleveren. Op 4 april honoreerde de prins, “overtuigt van de billijkheid”, het verzoek om militaire bijstand. Hij gaf commandeur Van Holsten schriftelijk bevel tot de Oldambtster missie.

Uiteraard moest er in het Oldambt gezorgd worden voor kost en inwoning van de militairen. De verdere organisatie en vooral ook de sterkte van het detachement liet de prins aan de commandeur over, al bepaalde hij nog wel dat het “sterk genoeg” moest zijn “om geen gevaar te loopen van aan affronten blootgestelt te zijn”. Van Holsten diende nog te overleggen met de volmachten. Ook moest hij de prins op de hoogte blijven houden.

De zoetelaarster en de schildwacht

Vanuit Groninger bronnen is het exacte aantal soldaten onbekend, maar uit de rang van hun bevelhebber laat zich afleiden dat het om enkele tientallen ging. Hun hoofdofficier was de 84-jarige Jean Valat, een hugenoot geboren in de Languedoc, inmiddels opgeklommen tot luitenant-kolonel en kapitein der infanterie. De eerste maand had zijn detachement weinig te doen en bleef het rustig. Dat Valat schildwachten langs de nieuwe zeedijk uitzette, die communiceerden met een wachtlokaal, blijkt pas uit een akkefietje dat zich op 9 juni voordeed.

Die avond bezochten twee Oldenburger dijkarbeiders, Geert Berends (28) en Berend Ipsen (25), het schip van Geerts zwager, om er enige “montprovisie” op te halen die de zwager vanuit Oldenburgerland had ingevoerd. Diens schip lag “in de Oude Gote agter Oostwoldt bij de nieuwe dijk” en pal ernaast lag een andere schuit “om drank en eetwaren an de arbeijders uit te suidelen”. De Oldenburger dijkwerkers besloten daar eens even langs te gaan. Ze dronken er “verscheidene half oorden genever met suiker” en het ging er vrolijk aan toe, want iemand pakte zijn viool en men ging dansen. Op een gegeven moment raakten beide Oldenburgers echter “door drank bevangen” en begonnen ze onbehoorlijke taal uit te slaan tegen de zoetelaarster, die ze ook “stoeijender wijze” beetpakten. Een aanbod van haar en haar man om koffie te gaan drinken, sloegen ze af, en ze pakten zelfs haar man bij de schouders, waarbij diens “hemtrock” scheurde. Sein voor de angstige vrouw om de dichtstbijzijnde schildwacht te roepen. Die arresteerde beide dijkwerkers, en leverde ze over aan de achterwacht.

Inderdaad raakten beiden zo in handen van de Oldambtster drost, die ze echter na enkele weken brommen in de Zuidbroekster toren weer vrij liet. Volgens de drost was de zoetelaarster namelijk “gene smerte, nog enige wondinge” aangedaan, terwijl hij de verdachten hun uitlatingen niet aanrekende, omdat die “inter personas vilioris conditionis” waren gedaan – kennelijk vond de drost dat soort uitlatingen normaal voor lieden van geringe stand. Ook had de zoetelaarster de schildwacht er “meer uit confusie, dan eminent gevaar” bij geroepen. Bovendien hadden de verdachten hun spijt betuigd. Weliswaar viel “ het antasten van jemant in zijn eigene schuite” niet te tolereren, maar daarvoor volstond het voorarrest als straf. Verder liet de drost het bij een ernstige waarschuwing.

“Schiet mij maar dood”

Het gevalletje in de zoetelaarsschuit was nog onschuldig vergeleken bij wat er op zondag 2 en maandag 3 juli gebeurde. Die zondag werd ergens een “wagen met smokkelwaaren” aangehouden, waarvan de lading bestemd was voor iemand bij de nieuwe dijk. Toen de dijkarbeiders op de polder bij de Goldhoorn hiervan lucht kregen, gingen er zo’n vijftig via Oostwold en Midwolda naar Scheemda, waar de wagen zou staan. Dat bleek niet het geval, zo ontdekten ze. De wagen stond inmiddels in de schuur van substituut-wedman Jacob Egges te Winschoten, waar hij niet alleen door landsbedienden (belastingcommiezen), maar ook door een sergeant, een korporaal en elf soldaten bewaakt werd.

Hoewel de dijkarbeiders opdringerig waren, bleef het daarbij. De volgende ochtend echter, vertrok er een ”menigte” arbeiders van de nieuwe dijk achter Finsterwolde via de Ekamp naar Winschoten met het voorneen om de in beslag genomen goederen te heroveren. Van twee kanten sloten ze het huis van Egges in. Ditmaal drongen ze zo op, dat ze de soldaten wisten te overmeesteren. Die raakten hun geweren kwijt en vervolgens werd de contrabande in triomf naar de dijk gevoerd.

Over de indentiteit van de arbeiders die bij deze actie betrokken waren, zijn de bronnen ambigu. Terwijl een eerste stuk het heeft over Oldenburgers, spreekt een tweede van “arbeiders van de dijk en andere”, terwijl de de “desordres” volgens een derde werden gepleegd “zo door de Oldenburgers als ingezetenen”.

In elk geval waren twee van de drie aanvoerders die naderhand werden opgepakt, geen Oldenburgers. De eerste was Jan Elses (35) uit Beerta, die ‘s zondags in Winschoten de gewapende soldaten had uitgedaagd: “Hyr staa ik, duivels, schiet mij maar dood’.’ Ook had hij de militairen uitgescholden voor “canaille”. Gedeputeerde Staten, die recht spraken in belasting- en smokkelzaken, veroordeelden hem hiervoor tot twee jaar verbanning.

Een heel wat zwaardere straf kregen de Pekelder Jan Hindriks Karstens (40), in de wandeling Starke Jan, ook wel Jan Oldenburger, en de putbaas Jan Beerends (ca. 59) die uit Bonderhamrik afkomstig was. Zij golden als leiders van de arbeiders die op maandagochtend Winschoten waren binnengetrokken. Starke Jan had daar bovendien een soldaat ontwapend en diens geweer afgeschoten. Hij raakte daarbij gewond aan een hand. Net als zijn Oostfriese collega werd hij veroordeeld tot een levenslange verbanning uit de provincie.

Intussen kregen de belaagde soldaten een extra beloning van GS, namelijk 25 gulden voor de sergeant. 10 gulden voor de korporaal en 5 gulden voor elk van de manschappen. Ook omdat er na de rebulie opeens erg veel belasting ontdoken werd, besloten GS nog veel meer troepen te sturen naar de nieuwe Dollarddijk dan er al lagen. In overleg met commandeur Van Holsten, de Oldambtster drost Berghuijs en kapitein Valat werd de versterking bepaald op één officier, twee onderofficieren en zestig man voetvolk. Deze moesten een feitelijk samenscholingsverbod afdwingen en zoveel mogelijk zorgen dat de dijkarbeiders bij hun werk bleven en niet meer “bij troepen over den ouden dijk” kwamen.

Het nieuwe detachement vertrok op maandagochtend 24 juli in trekschuiten naar Scheemda, en marcheerde vandaar naar Finsterwolde. Daar sloot de nieuwe dijk immers op de oude aan, zodat eventuele “samenrottingen” daar ook het gemakkelijks te voorkomen waren. Op vier wagens, elk met twee paarden bespannen, werd de bagage van het nieuwe commando vervoerd. Daartoe bevolen door de drost regelden de dijkrichters (waterschapsbestuurders) van Finsterwolde dit vervoer. Zij ook, moesten voor de inkwartiering zorgen. Alleen de huishoudens die grondbelasting betaalden, kregen ermee te maken. De drost gaf nog de aanwijzing,

“dat de heer capitain en de beijde officieren in het dorp de fraeijste en geschikste behuijsing werden toegevoegt, hetzij bij de meester off jemant anders. Voor ’t overige moeten de biljetten voor de gemienen, waaronder nogthans de sergeanten niet te rekenen, geformeert worden na quantiteit der behuisingen en vermogen der ingezetenen.”

Het eerste wat het nieuwe commando deed, was het arresteren van de bovengenoemde aanvoerders van de rebulie in Winschoten. Zodoende werd “de justitie dienst gedaan en het ligchaam van sijn hoofden berooft”. Ook beschermde het detachement een “administrator” (hoofdbelastinggaarder) die permanent in de omgeving gestationeerd werd. Naar het zich laat aanzien, was hun missie zeer effectief – voortaan bleven de dijkarbeiders rustig.

“Belastinge met egaliteit”

Maar zoals dat gaat, ging de inkwartiering tegelijkertijd zwaarder wegen. Op 23 augustus klaagde kapitein Budde van het detachement bij de drost dat ene Harm Hindriks Groot drie van zijn manschappen de inwoning had ontzegd, terwijl Groot ze voor hun geld ook geen eten meer wilde geven, “zeggende dat zijn vrouw, oud zijnde, dat niet beredden konde”. Budde probeerde hem nog te overreden, maar “alles tevergeefs, willende nae niets hooren”. Het draaide zelfs nog op ruzie uit. En dus zwierven er drie soldaten door Finsterwolde, “niet wetende waar zij voor haar geld te eeten zullen krijgen”. Budde stelde de drost voor om ze te huisvesten in een herberg, waarbij de meerkosten voor Groot zouden zijn,

“dan word hij als een ongehoorsaeme gestraft, op welke wijse de andere ook best in toom gehouden kunnen worden, anders vreese ik dat meer het voorbeeld van deezen Harm Hindrik Groot volgen sullen.”

De kapitein klaagde bovendien over wedman Roemeling van Finsterwolde. Ondanks een bevel van de drost wilde Roemeling de soldaten geen stro bezorgen: “Wilt gij stroo hebben, ziet dat gij het krijgt”. Zodoende moest Budde zijn mannen ’s avonds na de taptoe nog ligstro laten halen.

Budde zal blij zijn geweest, dat hij en zijn troepen zes dagen later werden afgelost. Bij zijn vertrek kreeg hij nog woorden met een dijkrichter over het bagagevervoer. Ook Harm Groot was blij, die raakte de soldaten voorlopig kwijt. Volgens de instructie moest het nieuwe detachement namelijk “zo veel doenlijk bij andere lieden” worden ondergebracht dan voorheen, “opdat de belastinge met egaliteit werde gedragen”.

Het nieuwe commando bleef een stuk minder lang dan dat van kapitein Budde. Voortaan werden de troepen ook sneller afgelost. Eind oktober werd het detachemernt gehalveerd en toen GS op maandag 13 november vernamen dat

“de nieuwe dijk achter Oost- en Finsterwold in den Oldambte met de afloop van deze week geheel en al stond te worden geëindigt, en dat er bovendien voor het tegenwoordige niet veel boven de honderd arbeiders, alle inlanders, in ’t werk waren”,

kon het commando zelfs helemaal inrukken, waarmee er een eind aan de missie kwam. Overigens kreeg elke soldaat die eraan deelnam een beloning, bestaande uit een extra week soldij. Hiervoor leverden de kapiteins attestaties in, waarbij de “huislieden” (boeren) van Finsterwolde verklaarden “zeer tevreden te zijn over de voorschr[even] commando met opzigte tot derzelver gedrag”.

Finsterwolde kwam er daarentegen nogal bekaaid vanaf. Drost Berghuijs deed op 25 november nog een goed woordje voor het kerspel bij GS. Hij schreef de heren dat de inwoners door de ongeveer achttien weken durende inkwartiering “zeer veele inconveniënten en aanmerkelijke nadeelen” hadden ondervonden. Hij verzocht ze derhalve om een schadevergoeding voor deze mensen, “voor ’t grootste gedeelte in bekrompene omstandigheden zijnde”. In de provinciale stukken echter, is er geen spoor van een dergelijke tegemoetkoming te vinden. En daarmee lijkt het er sterk op dat de militaire bescherming van het dijkwerk ten koste van Finsterwolde is gegaan.

Wie er uiteraard wel garen bij sponnen waren de boeren en vooral de eigenaars van land in de nieuwe polder. In 1770 vroegen en kregen die nog een vrijdom van de grondbelasting voor 25 jaar. Voorafgaand aan de indijking hadden ze jaarlijks nog 2 stuivers per deimt voor hun “hooikwelders” betaald. Zelfs daar waren ze nu vanaf.

Bronnen per paragraaf

Aanbesteding

  • Stratingh en Venema, De Dollard (Groningen 1855) 117-118.
  • Groninger Courant 10 januari; 3, 21 en 28 februari; 3 maart 1769 (aanbesteding); 18 april 1769 (Golthoorn); 15 april.1763 en 3 februari 1769 (kwelderaanwas),
  • WNT: de lemmata kaaidijk (kadijk) en put (putbaas).

Problemen voorzien

  • RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (plaatselijke gerechten) 6153 (inzet militaire bij indijking, 1769), dossier met diverse brieven naar en van de Oldambtster drost.
  • Vriendelijke mededelingen over dijkstakingen van Otto S. Knottnerus in mails d.d. 25 en 26 juni 2017 (waarvoor hartelijk dank!).
  • RHC Groninger Archieven, rekest aan het stadsbestuur 10 maart; resoluties van het stadsbestuur 10, 20 en 21 maart; uitgaande missive 21 maart (in 1605-502); ingekomen missive 4 april (in 1605-316); resuluties 6 en 12 april, alles uiteraard 1769.
  • Via http://www.allegroningers.nl het begraafboek van de Waalse gemeente Groningen, september 1772 (kapitein Valat).

De zoetelaarster en de schildwacht

  • RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (plaatselijke gerechten) 5694, de sententies van 17 juni 1769.
  •  WNT, het lemma zoetelaar.

“Schiet mij maar dood’”

  • RHC Groninger Archieven, Toegang 1 (Staten) 1352, de sententies van G.S. d.d. 9 september (Jan Elses) en 23 serptember (Starke Jan en Jan Berends) 1769.

Belastinge met egaliteit”

  • RHC Groninger Archieven, Toegang 1 (Staten) 193: akten GS 10, 21, 24, 27 en 31 juli; 26 augustus; 7, 21 en 23 september; 3. 4 en 21 oktober; 1, 9, 13 en 22 november; en 11 december 1769.
  • RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (plaatselijke gerechten) 6153 (dossier met brieven over de inzet van militairen bij de indijking, 1769).
  • RHC Groninger Archieven, Toegang 1-444 (rekesten dec. 1769-eind 1770, ihb die van 2 of 3 april 1770), 1-193 (akten GS over dezelfde periode), en 1-60 (resoluties Landdag, ihb die van 23 april 1760.

Snikkevaarders Hoendiep geven beeld van hun bedrijf

dsc01137

Het rekest geeft een zeldzaam mooi inkijkje in het reizen per trekschuit over het Hoendiep, anno 1770. Het werd eind dat jaar bij Gedeputeerde Staten van Stad en Lande ingediend door de olderman en heuvelingen, zeg maar het onderling bestuur van de trekschippers in het Westerkwartier. Namens de achterban wilde dat bestuur graag een hoger wintertarief voor “afgewonnen schuiten”, dat wil zeggen de trekschuiten die buiten de dienstregeling om door reisgezelschappen werden ingehuurd. Want destijds had je qua trekschuiten eenzelfde onderscheid als er nu in de passagiersluchtvaart bestaat tussen lijnvluchten en chartervluchten.

Jaarlijks, zo betoogden de trekschippers van het Hoendiep in hun rekest, werden er ongeveer honderd afgewonnen schuiten ingezet. Dit kwam vooral door “de menigte passagiers” die in het najaar vanuit Friesland aankwamen in Stroobos, de plaats op de Fries-Groningse grens waar men overstapte van de Friese op de Groningse trekschuiten (en andersom). Vaak waren die schepen

“opgepropt van menschen, meestendeel behoeftig en onbegoedet, ook tevens onbeschaaft, waarvan wel het grootste gros ’s voorjaars van hier na andere provinciën vertrekken, om een stuivertje te profiteren, dewelke in die tijden dikwijls voor halve vragt, ook wel gratis door de trekschippers naar Strobos worden gebragt…”

Het ging om een nogal internationaal gezelschap, mensen van “allerhande soorte van natiën”, maar met name “een groot aantal van Oldenborgers en smousen” (Duitse joden). In het voorjaar op de heenreis naar Friesland of Holland betaalden deze hannekemaaiers, polderjongens, trekarbeiders en andere gelukszoekers – zoals hieruit impliciet blijkt – een gereduceerd tarief voor armen en onbemiddelden. In het najaar of ‘s winters op de terugweg, hadden ze echter “eenige voorraadt opgedaan”, dus veel meer bagage bij zich, en kennelijk ook meer geld te spenderen, gezien het aantal schuiten dat ze dan afwonnen. Vaak kwamen ze tegen de late avond of zelfs tegen middernacht aan, als de gewone dienstregeling al afgelopen was. Menigmaal wilden ze dan onmiddellijk hun reis voortzetten met een afgewonnen schuit. Dit ging zelfs ten koste van de reguliere ochtendschuiten die van Stroobos naar Groningen voeren, en die nogal eens “ontblood van passagiers”, dus leeg, op weg moesten gaan.

Het nachtelijke reizen maakte “de vaart ten uitersten lastig en beswaarlijk” voor de schippers,

“deels wegens de donkere nagten, deels wegens hagel en sneeuwvlagen, deels door ’t hoge water die nauwlijks het trekpad onbedekt laat, zodat de trekschippers veelmaalen in die tijden levensgevaar lopen op hunne schuiten…”

Daarbij kwam dat het wintervervoer veel meer van schuiten en materiaal als jaaglijnen vergde, terwijl de jaagpaarden dan veel gauwer afgemat en onbruikbaar waren. Hoewel dus “de moeijlijkheid der togten, het gevaar en de slijtagie” bij zomer- en winterdag “oneindig” verschilden, stond het door de overheid vastgestelde tarief voor een afgewonnen trekschuit tussen Stroobos en Groningen (vv) het hele jaar door op dezelfde 4 gulden en 10 stuivers. En dat vonden de trekschippers vreemd. Vanwege de ”dispariteit” tussen zomer- en winterreizen verzochten ze GS om een hoger tarief voor het winterhalfjaar. Daarvan zouden niet alleen zij, maar ook de provincie financieel wijzer worden. Ze voerden aan dat een dergelijk gedifferenteerd tarief ook in sommige delen van Friesland, en op vele plaatsen in Holland en elders bestond. Ja, in Stad en Lande konden de provinciale boden en dienaars ’s winters dubbel zoveel reisgeld declareren als ‘s zomers – zouden de trekschippers dan geen recht hebben op een soortgelijke regeling?

Gedeputeerde Staten, die een en ander rustig aanhoorden en uitgebreid lieten noteren, voelden er echter niet voor. Zij wezen het verzoek resoluut van de hand.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 1 (archief Staten van Stad en Lande) inv.nr. 193 (aktenboek GS), de apostille d.d. 10 december 1770 met het samengevatte rekest.


Hoe de gemeente Groningen een middeleeuws maar naar de knoppen hielp

Hoorde gisteravond bij mijn lezing over veld-, water-, weg- en huisnamen van Hoog- en Leegkerk, dat de naam Moar na de oorlog nog steeds bekend was in Hoogkerk. De lokale jeugd schaatste ’s winters op dit kanaaltje, want er lag altijd mooi ijs.

Dat Moar is de Groningse naam voor het Oude Maar of de Brundekemaar, dat vanaf de bocht in het Hoendier nabij kartonfabriek De Halm eerst met wat verspringingen en vervolgens in een lange rechte lijn naar het noorden liep, vervolgens bij boerderij De Balk aan de Friesestraatweg naar het westen zwenkte, en voorbij Slaperstil, watermolen de Jonge Held en de beide Washuizen op het Aduarderdiep uitkwam. Ziehier het tracé volgens het kadaster van 1830 in de Hisgis-versie:

Wat die scheuvelende jeugd niet besefte, was dit dat Oude Maar bijna zeven eeuwen oud was, want het werd aangelegd op het eind van de dertiende eeuw. Het nam de functie over van het Eelderdiep, toen dat ten zuiden van Hoogkerk, bij het huidige transferium Hoogkerk, omgelegd werd naar het Peizerdiep. Het Maar maakte kleine scheepvaart met bijvoorbeeld hooipramen mogelijk, maar diende toch vooral voor de afvoer van overtollig water uit het oostelijk deel van Lieuwerderwolde, zoals Hoogkerk in de Middeleeuwen nog heette. Naderhand kwamen er vanaf het oosten de Hoensloot (de voorganger van het Hoendiep), de Woldsloot (parallel aan de Legeweg) en het Vinkemaar (vanaf het Vinkeland bij Vinkhuizen) op uit.

Dat Oude Maar bestaat voor twee gedeelten nog steeds, delen die we dus mogen beschouwen als middeleeuws waterstaatkundig erfgoed. Alleen heeft de gemeente Groningen zo’n vijftien, twintig jaar geleden de nieuwbouwwijk Gravenburg over een centraal gelegen stuk laten aanleggen.

Er staan dus nu huizen en bijbehorende opstallen op grond, gestort in een diep van ruim zeven eeuwen oud. Ik weet niet hoe die huizen gefundeerd zijn, maar geheid dat die grond nog verder gaat werken en inklinken en dat de eigenaren van dat vastgoed, als dat funderen niet op een vaste laag in de ondergrond is gebeurd, gaan klagen over scheuren in hun panden. Mogelijk zullen ze bij de NAM gaan aankloppen voor aardbevingsschade. Maar feitelijk zijn ze dan aan het verkeerde adres, want het was de gemeente Groningen die hier – ook afgezien van dat funderingsaspect – een kolossale stommiteit heeft uitgehaald.

Wat foto’s van het Oude Maar, zoals het er gisterochtend bij lag:

Het Oude Maar gezien vanaf de Hoogkerker rondweg naar het noorden.

Het Oude Maar gezien vanaf De Groenhof naar het zuiden. Midden-rechts aan de horizon de schoorsteenpijp van De Halm.

Het Oude Maar vanaf de Legeweg naar het zuiden. Rechtsachter de nieuwbouw aan De Groenhof.

Het doodlopende eindje Oude Maar gezien vanaf de Legeweg naar het noorden. Zonder enige terughoudendheid is er nieuwbouw op het middeleeuwse tracé gezet.

Het Oude Maar gezien vanaf de noordzijde van Gravenburg naar het noorden. In de verte boerderij De Balk.