Hooiwagen stuift dijk af

Soms lees je in de krant dat een auto zich in een voorgevel van een woning geboord heeft, waarbij zowel de bestuurder als de bewoners van het huis er met de schrik afgekomen zijn. Niets nieuws onder de zon, zelfs in het tijdperk van de paardentractie kon zoiets al gebeuren:

“Gisteren kwamen te Ganzedijk twee paarden voor ecu wagen vracht kwelderhooi, en met twee mannen van Beerta op het voorkistje gezeten, op den loop. De viervoeters stoven met het gansche gevolg van den kop des dijks — omstreeks 4 Ned. el (= meter, HP) boven bet maaiveld — naar beneden, en braken in snelle vaart door eene vrij sterke schutting, staande voor de behuizing van den landbouwer H. Kaspers. Maar wat meer zegt, een der paarden maakte zulk eene bres in den voorgevel, en vooral in een raam, dat het ter halver lengte in de kamer aankwam, alwaar het in eene half staande, half knielende positie halt maakte. Nopens de uitwerking van den eersten schrik bij de bewoners hebben wij alsnog niet gehoord en hopen wij het beste. Meest is echter in dit voorval te verwonderen, dat zoowel mannen als voerlieden er ongedeerd ziju afgekomen.”

Bron: Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant van 7 augustus 1861, in een bericht dat deze krant overnam uit de Provinciale Groningsche Courant van vier dagen eerder.

Advertenties

Muizengolf geeft massa katten

“Bij de algemeene klagt over de sterke vermenigvuldiging van de muizen, mag het niet onopgemerkt worden gelaten, dat ook haar vijand in evenredigheid schijnt te zullen vermeerderen, wanneer ze slechts niet wordt vernietigd. Als voorbeeld daarvan schrijft men dat bij een burger te Nieuw-Beerta twee katten dit jaar een gezamenlijk getal van 33 jongen hebben geworpen.”

Bron: Rotterdamsche Courant 20 november 1860.


Schaatsdrama in Bellingwolde

“Bellingwolde (prov. Groningen), den 24 Januarij.
Als eene ontzettende gedachtenis aan het thans voorbij gaande vriesweder blijft ons overig dat dezen morgen uit het ijs der Westerwoldsche-Aa, achter dit dorp, zijn opgehaald drie vóór eenige dagen, aldaar gelijktijdig verdronken personen; zijnde een daglooner Geerd Friederichs van Lang, oud 38 jaren benevens 2 zijner zonen van 15 en 13 jaren, die vrijdag laatstleden, ter beoefening van hunne schamele broodwinning, met schaatsen en schuifsleeden hunne woning te Nieuw – Beerta hadden verlaten, en thans in dezelve, tot een onder rouw en behoefte zwijgend huisgezin, nu bestaande uit de weduwe met 3 nog jongere kinderen, dood terug gebragt zijn.”

Bron: Staatscourant 30 januari 1826.


Sappemeerster Elfringen en Olderwetsche Zeeuwen

dsc08368

Twee maal bleef de Veendammer Albert Gerrits in gebreke. Drie weken na Sint Jacob 1787 zou hij Jan Derks, een koopman van buiten de streek, “50 zakken zoomer zeeuwse aardappelen en 50 zakken elfring aardappelen” leveren. De eerste soort was blijkbaar wat beter dan de andere, want de Zeeuwen deden ruim 16 stuiver de zak, terwijl de Elfrings 2 stuivers minder kostten.

Wat later beloofde Albert Gerrits bovendien Jan Derks voor Slochtermarkt 1000 zakken “elfring aardappelen” te fourneren voor 8 stuivers per zak, met nog 8 dukaten op de koop toe. Omdat Jan beide keren de beloofde piepers niet ontving, sprak hij Albert erop aan voor het Oldambtster gerecht. Het ene zaakje eindigde met een schikking, het andere komt daarna evenmin ter sprake, zodat ook dat zal zijn bijgelegd.

Deze rechtszaakjes zijn interessant om de tijdsaanduidingen en – vooral – de beide aardappelrassen. Slochtermarkt (de eerste woensdag van oktober) was kennelijk een algemeen bekende verwijzing. Over Sint Jacob heb ik het hier wel vaker gehad. De laatste melding die ik zag, was van 1745, maar ook in tweede helft van de achttiende eeuw kende men de heiligendag blijkbaar nog.

Van de beide aardappelrassen had ik nog nooit gehoord en ik dacht even dat het ging om de oudste melding van aardappelrassen überhaupt, maar daarin bleek ik me te vergissen. Bieleman citeert in zijn magnifieke proefschrift namelijk een vooraanstaand Eeldenaar die circa 1773 melding maakte van tien soorten aardappels, waaronder Zeeuwse Rode en Elferingen.

Volgens die Eeldenaar was de aardappel in zijn omgeving inmiddels een “algemene spijs” bij rijk en arm geworden. Bij de gegoeden stond er zelfs aardappeltaart op het menu. De armen aten al helemaal geen andere kost meer dan piepers. Daar in Noord-Drenthe was de opmars van de knol in 25 jaar voltooid, want de allereerste melding van aardappelteelt hier kwam in 1748 uit Zuidlaren. In de naburige veenkoloniën begon men er een jaar of wat eerder mee. Of het daar net als op het zand de grotere boeren waren, die ermee pionierden, is vooralsnog onbekend, maar ligt voor de hand.

Volgens de sociograaf Keuning bestond er voor 1773 al veenkoloniale uitvoer van consumptieaardappelen naar Hamburg. Het ging onder meer om Sappemeerster Elfringen en Olderwetsche Zeeuwen. Blaupot ten Cate noemt dezelfde soorten voor 1800, toen er zo’n 200.000 zakken vanuit de veenkoloniën naar Hamburg werden verscheept.

Dominee Rutgers van Kolham meldt dat de Elfringen daar omstreeks 1790 als beste aardappelras algemeen werden verbouwd. Rond 1850 kwam de variëteit nog steeds “legio” voor in die omgeving.

Zijn ambtgenoot Uilkens van Wehe en Zuurdijk, die zijn tuindershandboek (1855) nog veel meer soorten noemt, schaart de Zeeuwen en Elfringen bij de vroege aardappels en heeft een alternatieve naam voor de laatsten:

“Elfringen, ook Muizen genaamd, groeijen uitmuntend op zand en duingronden. Zij schieten hare wortelen uit de vele putten die deze aardappels hebben, doch door den bovengrond en minder benedenwaarts, waarop men dezelve op grooteren afstand poot dan de kruipers; zij hebben veel loof en eene witte bloem. De knol is langwerpig en fijn van meel, doch het zware of dikke einde van den knol is beter van smaak als het dunne puntige, zijnde deze punt ook meer witachtig, spekkig of glazig, dan het dikke einde, wanneer men den aardappel gekookt heeft.”

Een jaar nadien memoreert T. Borgesius, landeigenaar en burgemeester van Oude Pekela,  dat de fijne consumptie-aardappels van de zandige klei of zavel, ook in Groningerland, geheel verdwenen zijn door de aardappelziekte die vanaf 1845 heerste:

“zoodat het, bij het eventuee ophouden der ziekte, zelfs zeer moeilijk zal vallen, om de muisjes, Zeeuwschen en Elfringen-soorten in voldoende hoeveelheid ter uitplanting te verkrijgen.”

Ook Molema maakt later in zijn Groninger woordenboek melding van de Elfringen, volgens hem elders ook wel ‘Elfen’ genoemd. Bij het lemma terzake voert hij een hele reeks aardappelrassen of -variëteiten van voor 1845 op, waaronder de ‘zomerzijsen’ ‘zömerzeeusen’, ‘zeelanders’ of ‘zeilanders’. Met de Elfringen behoorden deze tot de puikste soorten.

De Elfringen en de Zomerzeeuwsen, beide namen staan ook op de Oranje Lijst van de Oerakker, een stichting voor het behoud en gebruik van oude groentegewassen onder auspiciën van de Wageningse universiteit. Bij beide rassen staat evenwel aangetekend dat ze niet meer in de handel zijn, en dat er zelfs geen genetisch materiaal van bewaard gebleven is. Wat ooit doorging voor een beste aardappelsoort, lijkt nu dus van de aardbodem verdwenen.

Bronnen:

  • RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 59 (civiele processen) notities d.d. 28 augustus, 16 oktober en 20 november 1787.
  • Jan Bieleman, Boeren op het Drentse zand (1987) 536-538 en achterin bij de noten 537-543, noot 97.
  • H. Molema, Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19de eeuw (Groningen 1887) 100, lemma elfringen.
  • S.J. Rutgers, Beschrijving van Kolham (Groningen 1849) 80-81.
  • S. Blaupot ten Cate, Voorlezing over de opkomst van de veenkoloniën Hoogezand en Sappemeer (Hoogezand-Sappemeer 1854) 41.
  • T. F. Uilkens, Groot Warmoeziershandboek deel I (Arnhem 1855) 12.
  • T. Borgesius, ‘Verhandeling over de teelt van aardappelen op veenondergronden of zogenaamde dallanden’, Tijdschrift ter bevordering van Nijverheid 1856, 277.
  • J. Kok, Het landbouwbedrijf in de Veenkoloniën (Deventer 1919) 62-67.
  • H.J. Keuning, De Groninger veenkoloniën; een sociaal-geografische studie (Amsterdam 1933) 122-125.

Breien was ooit mannenwerk

“De mannen en jongens achten het nu wel meestal schande om te breiden en laten dit aan de vrouwen en meisjes over; doch vroeger was het algemeen dat niet de vrouwen maar de mannen verschillende kleedingstukken breidden, zoo niet om te verkoopen, dan toch voor zoo veel eigene huishouding behoefde.”

Uit: S.J. Rutgers, Beschrijving van Kolham (Groningen 1849) 87.

Bijzonder aardige plaatsbeschrijving, die her en der veel aandacht geeft aan de lokale flora en fauna. Eigenlijk zou een dskundige natuurliefhebber uit die omgeving eens de natuur van toen met die van nu moeten vergelijken.

De kaart achterin het boekje is ook te vinden in de repository van de Groninger UB.


“Wagenwijd open, die deur!”

Sluitzegel van het Universitair Asyl Fonds, het latere University Assistance Fund (UAF), op een Clercke Cronike van 18 november 1949:

dsc00511

Dat jaar hielp het fonds, dat gelden inzamelde bij studenten en alumni, zo’n 70 studenten, “die om der gewetenswille uit het eigen land zijn  uitgeweken”. Het ging voornamelijk om Tsjechoslowaken die geen toekomst zagen onder het communistische bewind. Voor deze studentvluchtelingen hielden studentmusici ook wel eens een “Weldadigheidsconcert“.


Boete voor inpikken andermans zitplaats in de kerk van Wildervank

Die keer dienden een collega van de drost als stadsbestuurder, Raadsheer S. Gockinga, en doctor J. Venema zich aan bij de drostenborg in Zuidbroek. Met zijn beiden vormden ze de kerkvoogdij van Wildervank, d.w.z. het college dat de kerkelijke gebouwen ter plaatse in een goede staat moest zien te houden en de fondsen daartoe inde. Tot die inkomsten behoorde de huur van de voorste kerkbanken, op te brengen door de wat meer gegoeden die deze banken hadden gehuurd. Soms echter, vonden die hun plaatsen bezet. Het gevolg laat zich raden: stennis in de kerk. De kerkvoogden Gockinga en Venema klaagden daarom bij de drost,

“hoe dat hare gehuirde kerkesitplaatsen meermalen door anderen worden geoccupeert, versoekende dienshalven dat hierop een penaliteit van 10 à 15 st[uiver] voor de armen te verbeuren, by kerckenkundig[ing]e te laten waarschouwen en dat de kercke dienaar by weigeringe tot dadelike pandhalinge werde geauthoriseert.”

Anders gezegd: op het innemen van andermans gehuurde zitplaats moest een boete van 10 tot 15 stuivers komen te staan, welke boete voor de diaconie bestemd was. Voor het invoeren zou deze regeling eerst na een godsdienstoefening worden aangekondigd. Een overtreder van het verbod kon dan niet zeggen dat er niet gewaarschuwd was. Als hij of zij niet dadelijk betaalde, dan mocht de dienaar van de kerkvoogdij een onderpand bij hem of haar in beslag nemen, bijvoorbeeld een jas, of een bijbel of testament met zilveren of koperen krappen. De overtreder moest dat onderpand dan met het bedrag van de boete komen lossen, of het beslag aanvechten bij de drost.

Op 14 juni 1740 gaf de drost hiervoor toestemming. Hij bepaalde dat de boete op het innemen van andermans gehuurde zitplaats in de Wildervankster kerk 10 stuivers per overtreding zou zijn. Voor een niet onaanzienlijk deel van de bevolking benaderde dat bedrag een dagloon, als het al niet een dagloon was.