Rondje Noordlaren

Langs het paadje naar de vogelkijkwand in de Onlanden: is dit een nieuwe invasieve exoot?

Er even op ingezoomd::

Rijpende bramen. Vrij laag hangend en dus ook straks niet consumabel (omdat er een vos overheen kan hebben gepiest):

Bekoorlijk rietpolletje:

Meestal zie je ze wel in plukjes, maar zoveel bij elkaar dat komt wat minder vaak voor:

Langs het Omgelegde Eelderdiep staat momenteel veel wilde peen, met witte bloemen. Deze roze lijken erop, maar ze zijn er geen variant van:

Holdert bij de Hooiweg, Paterswolde (het was nog voor enen):

Bij een zandweg in Noordlaren: de autodokter kan er zelf wel een gebruiken. Wagen lijkt vanachter trouwens verlegd:

Noordlaren:

Omdat er een trouwerij was geweest, stond de kerk open. Buiten veegde een man witte bloemblaadjes op, binnen was een jong stel mensen de boel aan het opruimen. Ik mocht wel even rondkijken – engel met bazuin bij het orgel:

Fraai armblok voor het storten van collecte-inkomsten. Er zitten drie sloten op – elke diaken kreeg één sleutel, alleen gezamenlijk konden ze het blok openen om de inhoud te tellen:

Noordlaren – het diepje naar het Zuidaardermeer:

Waar ik het de laatste jaren wel eens minder druk heb gezien:

Groepje wit rundvee bij Onnen

Bloemenrand bij korenveld, Glimmen:

Haren, Rijksstraatweg:


Drentse herenjacht had Groninger stadsjacht als model

Na de aanleg (1769-1771) van de Smildinger- of Landschapsvaart, zoals destijds de Drentse Hoofdvaart nog vaak genoemd werd, wilden de Drentse Landschapsbestuurders voor de periodieke schouw van hun kanaal een eigen herenjacht, en wel naar het model van het Groninger stadsjacht:

Zo zou het er ongeveer uit moeten zien:

Van het Groninger voorbeeld is er maar één afbeelding, en inderdaad vertoont dat enige gelijkenis:

Het Groninger Stadsjacht op een kaart van de Eemsdijken door Henricus Teysinga, 1738. Collectie Groniner Archieven 0817-1112.

Alleen is het schip hier onder zeil op zee, terwijl het in Groningen, zowel als in Drenthe hoofdzakelijk voor de vaart op kanalen bedoeld was. Zo’n binnenjacht mocht dan wel beschikken over zeilen, bij de heersende windrichting (zuidwest) begon je daar met name in de Groninger veenkoloniën maar weinig mee.  Dan hadden ze in Drenthe wat meer geluk met die wind: van Assen naar Meppel moest je er weliswaar tegenin, maar van Meppel naar Assen kon je vaak wel zeilen. Echter, mede vanwege de vele bruggen en sluizen zal ook in Drenthe zo’n jacht vaak ‘gejaagd’ zijn door een scheepsjager met zijn paard. Het casco van zo’n binnenjacht leek dan ook vooral op dat van een snikke of trekschuit.

In Drenthe waren de heren nautisch misschien wat minder onderlegd, en ze informeerden eerst maar eens via diverse stromannen wat erbij de bouw kwam kijken:

Opmerkelijk genoeg deden ze dat niet in Groningen, waar ze hun voorbeeld vandaan haalden, of in Friesland (Leeuwarden en Dokkum), waar de stad Groningen zijn stadsjachten betrok. Nee, in weerwil van alle goede naber- en vrundschap, waar zo vaak mooie woorden aan werden gewijd, deden ze dat vooral in Holland. Er kwamen twee bestekken van scheepsbouwers binnen, waarvan er een, dat van Cornelis van der Bijl uit Warmond bij Leiden, ook voorzien was van een kostenplaatje of begroting:.

Deze ‘offerte’ voor het casco namen de Drentse heren graag aan. Met alle opgoed (mast, zeilen, tuigage, vlaggen, meubilair en huisraad) zou hun statenjacht uiteindelijk iets meer dan 800 gulden kosten. Toen hun archivaris later de stukken in een lias bundelde en opborg, vermeldde hij op de rug met enige trots dat het Groninger stadsjacht wel 5000 gulden had gekost:

Met andere woorden: lekker puh, wij Drenten doen het veel goedkoper. Dat was echter niet helemaal de waarheid, zoals Meindert Schroor ons leert. Voor de casco’s van hun nieuwe stadsjachten betaalden Burgemeesteren & Raad van Groningen respectievelijk in 1705 de somma van 400 gulden, in 1725 bijna 1600 gulden en in 1761 een bedrag van 2500 gulden. Gemiddeld dus 1500 gulden. De Drenten waren dus absoluut zuiniger, okee, wel drie keer, maar toch lang niet zoveel als ze lieten voorspiegelen. Kennelijk waren ze bevangen door een Veendammer wind vanuit het noordoosten.

(Wordt vervolgd.)

Bronnen (behalve de gelinkte):

  • Drents Archief, Toegang 1 (Oude Staten Archieven) inv.nr. 1286: “Jagt voor de landschap op de Smildingervaart”, stukken m.b.t. de aankoop door Drenthe van een casco voor een herenjacht, 1772/1773.
  • Meindert Schroor, ‘Groninger Stadsjachten werden in Friesland gebouwd’, Fryslan 2009-4, pag. 6-10.

Rot op met je echte dit of dat

Gister had ik een vervelende aanvaring op Twitter, vooral doordat ik te snel hapte. Ik sloeg aan op “èchte Noorderlingen” ­­­­­­­– in de ogen van enkele voorstanders van vliegveld Eelde waren alle “echte Noorderlingen” namelijk voor verdere uitbreiding van vliegveld Eelde. Met andere woorden: als je daartegen bent, hoor je er niet bij. Volgens deze lui moeten nog tientallen lijnen van prijsvechters bijkomen. Leve de bulderbaan voor vluchtige passanten naar vakantiebestemmingen, die juist het kalme toerisme van verblijfsrecreanten uit Noord-Drenthe wegjaagt en de boel op den duur onleefbaar maakt.

Het zichzelf als “echte” dit of dat benoemen, is een gratis lintje dat men zichzelf opspeldt, om daarmee een aristocratische status te verkrijgen waarvoor men helemaal niets heeft hoeven doen. Iemand die dat als argument in een maatschappelijke discussie hanteert, is uit op uitsluiting. Alleen de status “echt” geeft zeggenschap, andersdenkende “import” moet zijn bek houden.

Dit speelde al in het dorp waar ik geboren en getogen ben, namelijk Havelte, toen daar vanaf ongeveer 1970 steeds meer mensen van buiten kwamen wonen, vaak mensen uit het maatschappelijk middenveld – artsen, leraren – die ook beter gebekt waren dan de autochtonen. Voor aardrijkskunde wilde ik er op de middelbare school een scriptie over schrijven, maar Jan Datema, de uit Peize afkomstige leraar die zelf “import” in Havelte was, wilde er niet aan. Jammer, want zo’n stuk had ik nu nog wel eens willen lezen.

Het speelde decennialang ook in de Groninger volkswijk de Oosterpoort, waar studenten de plek van de meeste (los) arbeiders en kleine zakenlui hadden ingenomen. Nog in de jaren negentig probeerde een oude middenstandster, mevrouw B., me in een verkeersdiscussie de mond te snoeren met de opmerking dat zij een èchte Oosterpoorter was. Met andere woorden: zij had recht van spreken en ik niet. Terwijl zij nooit ene flikker voor de buurt had gedaan, en ik me als buurtvrijwilliger 30 uur per week de benen uit het lijf liep.

Ook waar ik nu woon, in Hoogkerk, bestaat deze buitensluitende strategie door autochtonen. Als twee mensen met eenzelfde project bezig zijn, dan geeft een club van Hoogkerkers altijd de voorrang aan de persoon die ze vanouds kent, ook al heeft de nieuwkomer een beter verhaal.

Zo langzamerhand wil ik me er niet meer over stil houden. “Echte Hoogkerkers” mogen graag zwijmelen in nostalgie naar hun o zo prachtige gemeente die in 1969 jammerlijk opgeslokt werd door de intens gemene metropool Groningen. Waar je die “echte Hoogkerkers” nooit over hoort is dat Hoogkerk anders met het Westerkwartier zou zijn samengevoegd – of men daarmee beter af zou zijn, is zeer de vraag. Maar dat willen de mensen dus niet zien. Ze volharden liever in hun veel te rooskleurige voorstellingen van een gewaand paradijs, ruim een halve eeuw terug.

Overigens annexeerde Hoogkerk zelf Leegkerk, maar daar hoor je die Hoogkerkers natuurlijk niet over. Geheel ten onrechte staat het plaatsnaambord Hoogkerk helemaal voorbij Gravenborg, halfweg die wijk en de Koperen Jan. Dit bord hoort anderhalf kilometer zuidelijker te staan, bij de brug over het Kliefdiep, de oude kerspelgrens tussen Hoogkerk en Leegkerk. Aan de andere kant van de brug moet een bord Leegkerk komen te staan.


Harddraverijen in het Westerkwartier – een Friese impact?

Kaartje van de plaatsen in het Westerkwartier waar tussen 1803 en 1809 harddraverijen werden gehouden, hèt volksvermaak destijds, in Groningerland gewoonlijk georganiseerd door herbergiers die zilveren zwepen uitloofden..

In totaal ging het om 15 races, aangetroffen in vooral de rekesten, maar ook in andere archivalia van de toenmalige jurisdictie Westerkwartier. Op één na liggen alle lokaties ten noorden van het Hoendiep, in het kleigedeelte van het Westerkwartier. Meer nog,  ze bevinden zich daar juist niet bij het Reitdiep, maar allemaal aan een route naar Friesland die in 1840  vervangen werd door de Friesestraatweg. In Friesland waren harddraverijen eerder populair dan in Stad en Lande, waar de eerste publieke harddraverij pas in 1754 schijnt te hebben plaatsgevonden (ze werd gewonnen door het paard uit Aduard). Mogelijk heeft die merkwaardige klustering langs die route naar Friesland te maken met het gegeven dat het verschijnsel van deze paardenrennen uit Friesland kwam overwaaien.

Van de 15 harddraverijen vonden er 4 in Aduard en 4 in Grijpskerk plaats. Dorkwerd had er 2 en in alle andere plaatsen ging het om een eenmalige aangelegenheid. In Aduard is de traditie het sterkst geweest. Het kende vanaf ongeveer 1960 een renbaan, waar sinds 1983 alleen nog maar incidenteel paardenraces worden gehouden – dit jaar bijvoorbeeld niet. Curieus is dat de stichting die deze wedstrijden organiseert/organiseerde lange tijd een boegbeeld had met dezelfde naam als de herbergier die tussen 1803 en 1809 de harddraverijen in Grijpskerk organiseerde. Hij heette Tjerk Dijkstra – nou u het zegt: dat is een Friese naam.


Ommetje Lauwers

Krokussen in de oude boomgaard op Westpoort:

Bij Noordhornertolhek:

Eindje verder het Van Starkenborghkanaal af:

Bij Gaarkeuken – een van de eerste scholeksters dit jaar:

Het Zuiderried achter Grijpskerk, bij de Bosscherweg:

De Oude Lauwers bij Pieterzijl:

Bij Burum:

Dorpsgezicht Oldehove:

Ploegende boer bij Noordhorn, gezien vanaf de Spanjaardsdijk:

Het wordt killer bij het Van Starkenborghkanaal:

De oude en de nieuwe brug van Aduard in één shot:

De avond valt over Leegkerk:


Verloting ‘Panorama van Friesland’ uit 1947

Bij het opruimen van mijn boekenkasten kwam ik deze tegen: de Panorama van Friesland uit 1947. Ik heb hem niet eens zo lang, maar weet niet meer hoe ik eraan gekomen ben – naar ik meen komt het blad niet uit een erfenis, maar heb ik het waarschijnlijk voor een prikkie gekocht in een antiquariaat in Zuidhorn.

Inhoudelijk zet het alle cliché’s over Friesland op een rijtje. Het zijn de vormgeving en de foto’s die er een begerenswaardig ding van maken:


Infographic over de Friese economie:

Reportage Ameland:

Beschouwing over Makkumer aardewerk:

Een stukje folklore:

De Friese boerderij (1):

De Friese boerderij (2):

Het Heerenveen van Abe Lenstra:

Een kaart van Friesland in het mdden:

Stukje over het zeilen:

Friese merkwaardigheden:

Reportage Hindeloopen:

Landbouwcursus van Volkshogeschool Bakkeveen:

Een mystieke schilder in Hurdegeryp:

De koe der koeien ontbreekt uiteraard niet:

En op de achterpagina wat reclame voor het tijdschrift Panorama:

Ik heb besloten dit drukwerkje, hoe fraai het ook is, niet aan te houden. Bij het Tresoar (het Fries Archief) bleken ze het al in de collectie te hebben en dan kan ik er wel mee gaan sjacheren, maar daar word ik meestal niet zo blij van. Daarom verloot ik dit grafische kleinood. Mensen die er graag voor in aanmerking willen komen, gelieve even een reactie te plaatsen, aankomende zondag is de trekking.


Grunneger zòkken, produced by Fryslân

Op de kop getikt bij de Poïesz-buurtsuper, deze fantastische Groninger vlaggesokken, die daar voor de spotprijs van slechts vier luttele roteurootjes in de impulsaankoopbak voor de kassa liggen:

Koen Meijer hoeft niet eens te mopperen dat de vlag verkeerd om hangt. En dat terwijl deze sokken nota bene geproduceerd zijn door een FRIES kledingbedrijf (dat ze liet maken in Turkije):

Nu moet ik nog even erover na gaan denken – en dat bij deze hitte, pffff – of ik ze ook daadwerkelijk aantrek. Voorlopig lijkt de drempel daarvoor nog te hoog. Voor je het weet komt het van kwaad tot erger en loop je er helemaal als een halve gare bij. Misschien moet ik ze maar bewaren voor nood, als alle andere sokken in de was zijn. (“Nee man, moet je niet doen joh, want dan weet gelijk iedereen dat je ze uit nood draagt.”)

Misschien geef ik ze maar weg.

Iemand?


Dagje Ameland

Ons personeelsuitstapje ging dit jaar naar Ameland, een eiland waar ik nog nooit was geweest, maar dat me zeer meeviel. Ik kom er vast nog eens terug.

Afvaartplek:

Mooi hoedje op de voorplecht:

Garnalenkotter vaart vissend langs de vaargeul:

Vlagvertoon:

We werden met handboeien aan op een puzzeltocht gestuurd. Ik vrees dat de rest van mijn groep niet zo veel aan me gehad heeft, want er waren natuurlijk weer allerlei interessante objecten op onze queeste door Nes, zoals deze gevelstenen op de kerk:

Het beeld van kardinaal De Jong, die zich in de oorlog wat minder toegeeflijk jegens de Duitsers schijnt te hebben gedragen dan paus Pius:

Een prachtig verweerde oude boerenschuur:

Next – naar het activiteitenstrand:

Dat geheel van ons was:

Inclusief het paviljoen:

Eerst maar een strandwandelingetje gemaakt – het bleek eb:

Altijd interessant die patronen in het zand:

Actievelingen konden raften met een kano in de branding, waarvoor ze hier wat instructies krijgen:

Veel branding was er helaas niet:

Maar het overeind blijven bleek soms toch problematisch:

Het suppen met een hele groep op een bovenmaatse surfplank vergde veel coördinatie:

En leverde enige spectaculaire beelden op:

Bijkomend van zulke activiteiten bleek er een opvallende gelijkenis te bestaan tussen het personage op ’t etiket van een Deens vlierbessendrankje enerzijds, en anderzijds een van onze reisgenoten:

In de nok van een parasol bouwde een zwaluwenpaar intussen aan een nest:

Bijna terug op het vasteland kwam uit dat de Kustwacht ons nauwlettend in de gaten hield, en dat nog wel in Belgische schutkleuren:


Rheiderland, Pogum, Ditzum, Bunde

Ik had van mijn broer nog een tripje met de auto tegoed, de gekozen bestemming was Ditzum. Onderweg kwamen we langs een smederij in Ditzumerverlaat:

Op de dijk bij Dyksterhusen:

Andere kant op:

Pogum vanaf de Diekhörn:

Op de dijk bij Pogum:

De zijlkom achter het Pogumer gemaal:

Windvaan ter herdenking van de stormvloed van 1962, toen de Dollarddijk hier brak, zodat er 2 meter water in het achterland kwam te staan:

Ditzum, dorpsgezicht met Lutje Brug over het Zijldiep – de kerktoren doet vuurtorenachtig aan:

Het haventje van Ditzum – links tilde een kraan net een zeiljacht in het water:

Opknappertje:

Het mijns inziens aardigste schip in de haven, die bruin met zwarte:

Het veerpontje naar Petkum aan de overkant van de Eems dat dagelijks tussen 10.00 en 1700 uur op elk heel uur afvaart, met uitzondering van 12.00 uur, als de bemanning gaat lunchen. Door de week ook nog wat vroeger en zelfs heel vroeg, maar zie hiervoor de dienstregeling;

Een weinig spraakzame lokalo, kennelijk gepensioneerd zeerob, smoorde een pijpje bij zijn stamcafé:

Terwijl er tegenover een visvrouw haar waren aanbood:

Vooral platvis:

De andere kant van het haventje:

Mijn favoriete schuit bleek Avalon te heten en kon bij nader inzien wel een likje verf gebruiken:

Waarvoor die staken dienden?

Op de terugweg nog even in Bunde bij de kerk wezen kijken. Tussen ca. 1680 en 1808 is menige voorouder van me hier gedoopt, getrouwd en begraven. Nog veel ouder zijn deze Romaanse bouwsporen:

Een merel op het kerkhof aldaar – niet schuw, maar wel oplettend:


Hoe een dorpspredikant zijn waarschuwing tegen de kermis moest bekopen

Prachtige anekdotes bevatten ze, de memoires van Ome Joop Groninger. Zo vertelt deze kermisreiziger hoe hij in de loop van 1915 weer rond ging trekken in het Noorden. Hij gaf zijn muizenstad eraan toen hij daar een compagnon ontmoette, ene Jan Wielenga. Samen dreven ze ruim een jaar lang een klein circus met paarden:

De mooiste kermis van allemaal hadden wij in een dorpje op de grens van Friesland en Drente. Daar komt de veldwachter naar ons toe en zegt tegen Jan: Ken je me nog, ik was je slapie. Jan was bij de marine geweest, moet je weten, maar had zich laten ontslaan omdat hij het zoute water zat was.

Zegt die veldwachter: ’t Zal jullie hier niet goed gaan, want dominee heeft de mensen gewaarschuwd niet naar het paardenspul te gaan omdat de duivel erin zit.

Jan grijpt pen en papier en schrijft de dominee een brief: Beleefd verzoek ik u morgenochtend om half elf bij de aanvang van de eerste voorstelling aanwezig te willen zijn en de duivel aan te wijzen. Dan grijp ik hem en breek ‘m zijn nek. Wij komen u om kwart over tien met paard en wagen halen. Hoogachtend…

De volgende ochtend maken we tour de ville met Hendrik Giesink, een straatmuzikant ‘uit Leeuwarden. De dominee komt, roepen we om, hij zal de duivel aanwijzen! Zegt het voort, zegt het voort! Kaarten zijn reeds thans aan de kassa verkrijgbaar.

De dominee liet zich niet zien, maar dat mocht de pret niet drukken. ’t Liep storm en het bleef storm lopen. We hebben nog nooit zo’n goede kermis gehad. Maar het verschrikkelijkste komt nog: ’s avonds laat hebben ze bij die dominee met grote stenen de ruiten en blinden ingesmeten. Drie weken later was hij weg.”


Steilwand (3) Het Gevaar

Wel wis en drie was een steilwand gevaarlijk. Bij de berichtjes die ik vond, zitten er meerdere over ongelukken.

  • Op de kermis van Oranjewoud viel eens een leerling steilewandrijder van de wand:

Friese Koerier 12 april 1955.

  • Op de kermis van Sint Annaparochie botsten twee steilewandrijders. Eén stortte naar benee:

Leeuwarder Courant 20 mei 1958.

Het bizarste op dit gebied viel voor in Boedapest. Een dompteur deed er op de vloer van een steilwand zijn leeuwennummer, terwijl diens vrouw op een motor rondjes tegen de steilwand reed. Sensationeel ensemble, vooral ook doordat de leeuw geïrriteerd raakte:

de Volkskrant 1 maart 1961.

In deze gevallen gold het gevaar steeds de actieve participanten in het theater, niet het publiek bovenop de pot.. Maar ook dat had wel eens wat te duchten, bijvoorbeeld brand:

Leeuwarder Courant 17 september 1960.


De Grouwelderij, vlak voor de verbouwing

Gelukkie! Zoekend op Midwinter in het Noorden in Woord en Beeld, vind ik opeens een foto van de Grouwelderij aan de Paddepoelsterweg. De plaat moet vlak voor de verbouwing van 1936 gemaakt zijn. Ik ga hier iemand heel blij mee maken:


Hoe je een hoefijzer ophangt

Naar aanleiding van de bekende schuur te Leutingewolde merkte Harmien laatst op:

“Vroeger werd ons verteld dat een hoefijzer boven een deur brengt geluk , maar dat de open kant naar boven behoort. Opdat het geluk er niet uit zou vallen….In tegenstelling tot de ‘bekende schuur’.”

Ten bewijze dat dit bijgeloof vrij universeel is, hoef ik enkel te verwijzen naar de Wikipedia, waar het lemma ‘hoefijzer’ het voorschrift aldus verwoordt:

“Een hoefijzer boven de deur hangen zou geluk brengen. Het is echter wel van belang hoe dat gebeurt. De juiste wijze is met het open gedeelte naar boven, in een U-vorm. Zo vangt men het geluk, dat van boven komt, op. Andersom zal het ijzer dat niet doen, sterker nog: er wordt gezegd dat dan het geluk eruit loopt.”

Sinds die opmerking van Harmien let ik wat scherper op opgehangen hoefijzers en dan kom he ze inderdaad ook meer tegen. De praktijk van het hoefijzers ophangen blijkt dan weerbarstiger dan het voorschrift. Zo zag ik in de het rijtuigdeel van Museum Nienoord, met name de stal, onlangs deze plank met verschillende soorten hoefijzers:

En in de Zuidhorner smederij Poort, die ik gisteren aandeed, was dit ooit het hoefijzerassortiment:

In beide gevallen hangen alle hoefijzers dus zo, dat het geluk eruit loopt. Met andere woorden: noch in het rijtuigmuseum, noch in de oude smederij hechtten de verantwoordelijken geloof aan het ongeluk brengende aspect van omgekeerde hoefijzers.

Nee, zuinigheid was sterker dan het bijgeloof. Een hoefijzer met het open eind naar beneden kan je immers met één spijker ophangen, terwijl een hoefijzer met het open eind naar boven er twee vergt, wil het niet heel gauw scheef gaan hangen. Qua materiaal en arbeidsloon scheelt de eerste methode dus de helft.

Zoiets moet ook overwogen zijn bij de hoefijzerophanging te Leutingewolde.

Hoefijzers in de Volksverhalenbank


Windmeeritje vanaf Buitenpost

Gezicht op de zuivelfabriek bij Gerkesklooster vanaf de brug bij Blauwverlaat:

Ouwe herberg bij een obsoleet verlaat in de Veenstervaart tussen Augustinusga en Surhuisterveen:

De Veenstervaart met die voormalige sluis:

Jugendstilachtig lijkenhuisje op de begraafplaats van Surhuisterveen (hier meer info):

Fraai gewei in dierenparkje Surhuisterveen:

De Tenten met het Grootegaster Hoofddiep:

Boerderijtje bij Lucaswolde:

Schuur aan de Ipo Haaimaweg:


Afsluitdijk

Tijd geleden dat ik daar overheen kwam, ik geloof wel 25 jaar:

Volgens enkele informatiepanelen gaat het zaakje er gigantisch op de schop.