Rheiderland, Pogum, Ditzum, Bunde

Ik had van mijn broer nog een tripje met de auto tegoed, de gekozen bestemming was Ditzum. Onderweg kwamen we langs een smederij in Ditzumerverlaat:

Op de dijk bij Dyksterhusen:

Andere kant op:

Pogum vanaf de Diekhörn:

Op de dijk bij Pogum:

De zijlkom achter het Pogumer gemaal:

Windvaan ter herdenking van de stormvloed van 1962, toen de Dollarddijk hier brak, zodat er 2 meter water in het achterland kwam te staan:

Ditzum, dorpsgezicht met Lutje Brug over het Zijldiep – de kerktoren doet vuurtorenachtig aan:

Het haventje van Ditzum – links tilde een kraan net een zeiljacht in het water:

Opknappertje:

Het mijns inziens aardigste schip in de haven, die bruin met zwarte:

Het veerpontje naar Petkum aan de overkant van de Eems dat dagelijks tussen 10.00 en 1700 uur op elk heel uur afvaart, met uitzondering van 12.00 uur, als de bemanning gaat lunchen. Door de week ook nog wat vroeger en zelfs heel vroeg, maar zie hiervoor de dienstregeling;

Een weinig spraakzame lokalo, kennelijk gepensioneerd zeerob, smoorde een pijpje bij zijn stamcafé:

Terwijl er tegenover een visvrouw haar waren aanbood:

Vooral platvis:

De andere kant van het haventje:

Mijn favoriete schuit bleek Avalon te heten en kon bij nader inzien wel een likje verf gebruiken:

Waarvoor die staken dienden?

Op de terugweg nog even in Bunde bij de kerk wezen kijken. Tussen ca. 1680 en 1808 is menige voorouder van me hier gedoopt, getrouwd en begraven. Nog veel ouder zijn deze Romaanse bouwsporen:

Een merel op het kerkhof aldaar – niet schuw, maar wel oplettend:

Advertenties

Hoe een dorpspredikant zijn waarschuwing tegen de kermis moest bekopen

Prachtige anekdotes bevatten ze, de memoires van Ome Joop Groninger. Zo vertelt deze kermisreiziger hoe hij in de loop van 1915 weer rond ging trekken in het Noorden. Hij gaf zijn muizenstad eraan toen hij daar een compagnon ontmoette, ene Jan Wielenga. Samen dreven ze ruim een jaar lang een klein circus met paarden:

De mooiste kermis van allemaal hadden wij in een dorpje op de grens van Friesland en Drente. Daar komt de veldwachter naar ons toe en zegt tegen Jan: Ken je me nog, ik was je slapie. Jan was bij de marine geweest, moet je weten, maar had zich laten ontslaan omdat hij het zoute water zat was.

Zegt die veldwachter: ’t Zal jullie hier niet goed gaan, want dominee heeft de mensen gewaarschuwd niet naar het paardenspul te gaan omdat de duivel erin zit.

Jan grijpt pen en papier en schrijft de dominee een brief: Beleefd verzoek ik u morgenochtend om half elf bij de aanvang van de eerste voorstelling aanwezig te willen zijn en de duivel aan te wijzen. Dan grijp ik hem en breek ‘m zijn nek. Wij komen u om kwart over tien met paard en wagen halen. Hoogachtend…

De volgende ochtend maken we tour de ville met Hendrik Giesink, een straatmuzikant ‘uit Leeuwarden. De dominee komt, roepen we om, hij zal de duivel aanwijzen! Zegt het voort, zegt het voort! Kaarten zijn reeds thans aan de kassa verkrijgbaar.

De dominee liet zich niet zien, maar dat mocht de pret niet drukken. ’t Liep storm en het bleef storm lopen. We hebben nog nooit zo’n goede kermis gehad. Maar het verschrikkelijkste komt nog: ’s avonds laat hebben ze bij die dominee met grote stenen de ruiten en blinden ingesmeten. Drie weken later was hij weg.”


Steilwand (3) Het Gevaar

Wel wis en drie was een steilwand gevaarlijk. Bij de berichtjes die ik vond, zitten er meerdere over ongelukken.

  • Op de kermis van Oranjewoud viel eens een leerling steilewandrijder van de wand:

Friese Koerier 12 april 1955.

  • Op de kermis van Sint Annaparochie botsten twee steilewandrijders. Eén stortte naar benee:

Leeuwarder Courant 20 mei 1958.

Het bizarste op dit gebied viel voor in Boedapest. Een dompteur deed er op de vloer van een steilwand zijn leeuwennummer, terwijl diens vrouw op een motor rondjes tegen de steilwand reed. Sensationeel ensemble, vooral ook doordat de leeuw geïrriteerd raakte:

de Volkskrant 1 maart 1961.

In deze gevallen gold het gevaar steeds de actieve participanten in het theater, niet het publiek bovenop de pot.. Maar ook dat had wel eens wat te duchten, bijvoorbeeld brand:

Leeuwarder Courant 17 september 1960.


De Grouwelderij, vlak voor de verbouwing

Gelukkie! Zoekend op Midwinter in het Noorden in Woord en Beeld, vind ik opeens een foto van de Grouwelderij aan de Paddepoelsterweg. De plaat moet vlak voor de verbouwing van 1936 gemaakt zijn. Ik ga hier iemand heel blij mee maken:


Hoe je een hoefijzer ophangt

Naar aanleiding van de bekende schuur te Leutingewolde merkte Harmien laatst op:

“Vroeger werd ons verteld dat een hoefijzer boven een deur brengt geluk , maar dat de open kant naar boven behoort. Opdat het geluk er niet uit zou vallen….In tegenstelling tot de ‘bekende schuur’.”

Ten bewijze dat dit bijgeloof vrij universeel is, hoef ik enkel te verwijzen naar de Wikipedia, waar het lemma ‘hoefijzer’ het voorschrift aldus verwoordt:

“Een hoefijzer boven de deur hangen zou geluk brengen. Het is echter wel van belang hoe dat gebeurt. De juiste wijze is met het open gedeelte naar boven, in een U-vorm. Zo vangt men het geluk, dat van boven komt, op. Andersom zal het ijzer dat niet doen, sterker nog: er wordt gezegd dat dan het geluk eruit loopt.”

Sinds die opmerking van Harmien let ik wat scherper op opgehangen hoefijzers en dan kom he ze inderdaad ook meer tegen. De praktijk van het hoefijzers ophangen blijkt dan weerbarstiger dan het voorschrift. Zo zag ik in de het rijtuigdeel van Museum Nienoord, met name de stal, onlangs deze plank met verschillende soorten hoefijzers:

En in de Zuidhorner smederij Poort, die ik gisteren aandeed, was dit ooit het hoefijzerassortiment:

In beide gevallen hangen alle hoefijzers dus zo, dat het geluk eruit loopt. Met andere woorden: noch in het rijtuigmuseum, noch in de oude smederij hechtten de verantwoordelijken geloof aan het ongeluk brengende aspect van omgekeerde hoefijzers.

Nee, zuinigheid was sterker dan het bijgeloof. Een hoefijzer met het open eind naar beneden kan je immers met één spijker ophangen, terwijl een hoefijzer met het open eind naar boven er twee vergt, wil het niet heel gauw scheef gaan hangen. Qua materiaal en arbeidsloon scheelt de eerste methode dus de helft.

Zoiets moet ook overwogen zijn bij de hoefijzerophanging te Leutingewolde.

Hoefijzers in de Volksverhalenbank


Windmeeritje vanaf Buitenpost

Gezicht op de zuivelfabriek bij Gerkesklooster vanaf de brug bij Blauwverlaat:

Ouwe herberg bij een obsoleet verlaat in de Veenstervaart tussen Augustinusga en Surhuisterveen:

De Veenstervaart met die voormalige sluis:

Jugendstilachtig lijkenhuisje op de begraafplaats van Surhuisterveen (hier meer info):

Fraai gewei in dierenparkje Surhuisterveen:

De Tenten met het Grootegaster Hoofddiep:

Boerderijtje bij Lucaswolde:

Schuur aan de Ipo Haaimaweg:


Afsluitdijk

Tijd geleden dat ik daar overheen kwam, ik geloof wel 25 jaar:

Volgens enkele informatiepanelen gaat het zaakje er gigantisch op de schop.