Paarden bij het Hegepad

Advertenties

Biddend valkje

Vanochtend bij het Hegepad.  De foto is natuurlijk zwaar gecropped en bovendien geeft de digitale zoom een schilderachtig effect dat echte fotografen verafschuwen. Maar dat kan mij totaal niets schelen. Heb het nog wat aangedikt door hem dubbel door de molen te halen.


Veldwachter Hoogkerk was “grote slappeling met een brutale mond”

Burgemeester Tjaberings, ca. 1930. Collectie RHC Groninger Archieven 818-23245.

Op 1 maart 1940 was burgemeester Tjaberings van Hoogkerk er wel klaar mee. Hij voelde zich gedwongen de Commissaris der Koningin op de hoogte te stellen van zijn ongenoegen over de gemeenteveldwachter W.H.J. van de Vlasakker.

“Deze man brengt te pas en te onpas op vaak ergernis verwekkende wijze zijn ontevredenheid over zijn functie naar voren”, aldus burgemeester Tjaberings. Voortdurend straalde Van de Vlasakker onwil uit bij zijn werk als politieman en gemeentebode:

“De geringste opdracht wordt door hem met klaarblijkelijke tegenzin in ontvangst genomen en in dezelfde geest uitgevoerd. Bij herhaling – ja, tot vervelens toe – heb ik hem mijn misnoegen daarover kenbaar gemaakt en nu en dan berispt. Dit heeft enkele malen tot gevolg gehad dat mij dan van zijn zijde een zeer brutale bejegening te beurt viel. Daarbij komt hij mij met waarschuwende vinger toeroepen: “Denk aan Nieuwolda”, alsof ik daar niet met ere het burgemeestersambt zou hebben bekleed.”

Die verwijzing naar Nieuwolda sloeg waarschijnlijk op de slaande ruzie die burgemeester Tjaberings er met de gemeentearts Wenniger had gehad, in 1929. Van de Vlasakkers vrouw kwam uit Nieuwolda, het lijkt erop dat hij jaren na dato nog eens partij koos voor de dorpsdokter, hoewel die uiteindelijk veroordeeld was wegens mishandeling. In elk geval wenste Tjaberings een dergelijke bejegening van zijn ondergeschikte niet meer te ondergaan,

“al zal de zweep af en toe over dezen ambtenaar moeten blijven knallen!”

Tjaberings vertelde de Commissaris vervolgens hoe hij de veldwachter meermalen de deur van zijn werkkamer had gewezen. Hij had deze vuile was veel liever binnenshuis (en dus in het gemeentehuis van Hoogkerk) gehouden, maar nu was de grens bereikt. Van de Vlasakker had hem namelijk toegevoegd,

“…van de eerste dag mijner komst alhier – 15 juli 1931 – al een hekel aan mij te hebben! Doordat hij gehuwd is met een vrouw uit mijn vorige gemeente Nieuwolda, wist hij wie hier kwam, nl. een burgemeester die staat op handhaving van orde en gezag en die van de ambtenaren nauwgezette plichtsbetrachting eist. De wethouders die ik hier ontmoette – en die ik nog heb – leidden mij dezen beambte in als te zijn een grote slappeling met een brutale mond, die n.b. over mijn ambtsvoorganger den baas zou hebben gespeeld! Een man die altijd kankerde en niets presteerde, als iemand voor wien niemand in de gemeente ook maar enig respect had.”

Tjaberings had de veldwachter in 1931 al bij hun kennismaking gezegd wat hij van een politieman verwachtte,

“nl. flinkheid, betrouwbaarheid, tact, ijver, beschaafd optreden, alsmede nauwgezette plichtsbetrachting. Zulke ambtenaren zouden aanspraak maken op mijn waardering.”

Hij ervoer sindsdien echter dat het bij Van de Vlasakker “aan al deze dingen wel erg mangelt”. Bijgevolg had hij “niet de geringste waardering” voor de man. Volgens hem waren de opeenvolgende rijksveldwachters die in Hoogkerk naast de gemeenteveldwachter opereerden, dezelfde mening toegedaan. Ze negeerden hem zo veel mogelijk omdat ze beu waren van zijn voortdurende gekanker. Bij het onderzoek naar een moordzaak in Leek, waarvoor de verhoren deels in het gemeentehuis van Hoogkerk plaatsvonden, wilde de rechter-commissaris Van de Vlasakker er ook niet bij hebben, omdat hij de gemeenteveldwachter niet vertrouwde.

Verschillende hoge omes bij de Groninger politie hadden ook tegen de burgemeester verklaard dat ze in 1924 blij waren geweest dat Van de Vlasakker opkraste naar Hoogkerk. Ook in Groningen stond Van de Vlasakker al bekend als een “aarts-kankeraar” die “het hele politiecorps verkankerde”, aldus de burgemeester. Die ook nog even wees op een brief uit 1935 aan de toenmalige Commissaris, waarin hij al een negatief oordeel over Van de Vlasakker uitsprak.

“De man haakt naar wachtgeld of pensioen. En wie dat doet, heeft überhaupt al geen hart meer voor zijn functie.”

Tjaberings verzocht de Commissaris dan ook om Van de Vlasakker op het matje te roepen voor een disciplinaire maatregel.

Hoe het in het dossier kwam, is onduidelijk, maar dat bevat ook nog een brief uit 1929 van de vorige burgemeester van Hoogkerk. Deze brief rept van conflict tussen Van de Vlasakker en de Laagspanningsnetten, het stroomdistruibutiebedrijf voor Groningen en Drenthe. Omdat de veldwachter de elektriciteitsmeter niet vertrouwde, betaalde hij de rekeningen niet, zodat het elektriciteitsbedrijf hem had willen afsluiten. Maar de veldwachter liet de mensen van het stroombedrijf niet toe op zijn grond, ook niet nadat hij daartoe gesommeerd was door de toenmalige burgemeester, die vond dat zo’n handelswijs voor een veldwachter geen pas gaf. Hoe die affaire destijds afliep, blijkt helaas niet uit deze wat oudere brief. (Waarschijnlijk met een sisser.)

Op 12 maart 1940 besloot de Commissaris der Koningin inderdaad om  de veldwachter van Hoogkerk op het matje te roepen, zo blijkt uit een kladversie van een briefje aan de burgemeester van Hoogkerk. Van het eigenlijke gesprek tussen de Commissaris en de veldwachter zijn op hetzelfde blad papier nog wat gespreksnotities genoteerd.

Van de Vlasakker bleek er 32 dienstjaren op te hebben zitten en had naar eigen zeggen “nooit iets gehad”. Sinds 1924 (toen hij dus uit Groningen overkwam) stond hij al in Hoogkerk. Met de vroegere burgemeester had hij “nooit ernstig geschil” gehad, beweerde hij tegen de Commissaris. De zaak van 1929 met de Laagspanningsnetten was “niet zijn schuld’, hij was toen niet eens voor de Commissaris geroepen. En dan volgt er nog iets waaruit een beetje toegeeflijkheid en zelfinzicht blijkt:

“zegt in zenuwachtigheid door de slechte verhouding wel eens een onvertogen woord, dat beter ongezegd kon blijven.”

Ik denk dat dit laatste hem wel eens gered kan hebben. Hoewel de Commissaris nog een drietal mensen over de kwestie wilde spreken, gebeurde er niets. In elk geval werd Van de Vlasakker niet ontslagen als gemeenteveldwachter en -bode van Hoogkerk. Terwijl burgemeester Tjaberings in 1941 naar Wynbritseradeel in Friesland ging, kreeg Van de Vlasakkers namelijk pas in 1943 ontslag, en dat eervol. Hij had toen nog geen veertig dienstjaren op zitten, dus hij zal niet het volle pensioen hebben gekregen. Mogelijk ging hij er nog iets naast doen, maar wat is onbekend. Hij overleed in 1962 te Groningen op 72-jarige leeftijd.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 1152 (kabinet CdK) inv.nr, 190: brieven over eerste halfjaar 1940, met name het bundeltje met als bovenliggende stuk de minuut van de uitgaande brief van de CdK aan de burgemeester van Hoogkerk d.d. 12 maart 1940.


Even naar de stad

Suikerfabriek van over de Ruskenveense plas:

Gemankeerde regenboog:

Voor me de bui:

Achter me nog een sprank zon:

(Foto’s van gistermiddag laat.)


Ommetje Eiteweert – Leegkerk

Vlucht Canadese ganzen:

De boom waarin ’s zomers altijd een koekoek zit:

Peizerdiep bij Eiteweert:

Ook bij Eiteweert – een heel rijtje wilgen is opeens forse takken kwijt door wind uit het oosten:

Het rijtje populieren van Leegkerk:

Jubelzwaan, Leegkerk:

Bij de Legeweg – gebiologeerd door een passerende poney:

Kerkstraat Hoogkerk:


Neergestorte trampoline

(Bij de Bornstertol/Eemsgolaan.)


Rondje Lagemeeden

Kruisspin voor het raam van mijn fietsenschuurtje:

De Hoogkerker Matterhorn (met dank, Harmien), bij bedrijventerrein Westpoort (daar moeten geen kinderen tegenop klimmen):

Schuur, Lagemeeden:

Oranje-blanje-bleue hekafsluiting:

Populierenrij aan het westelijke uiteind van de Nutweg:

Een Kleima op het kerkhof:

Ook daar – dit russisch-orthodox bedevaartsmonument voor de heilige Marina:

Aan de Weersterweg legde een wilg het loodje bij de eerste najaarsstorm: