“Een groene laan, dienende tot een lijkweg”

Op “Pinxter dingsdag” 1805 kwam Jakob Geerts Vroom (55), een kleine boer en arbeider die aan de Zuidwending onder Leegkerk woonde, tot een vervelende ontdekking: zijn buurtgenoot en collega Jacob Sekema, woonachtig aan het Aduarderdiep onder Hoogkerk, had met hulp van diens zoon dampalen uitgegraven die stonden ter weerszijden en aan het begin van een “groene laan”, waarop Vroom gewoonlijk vee liet weiden. De Sekema’s smeten de dampalen (denkelijk met het hek dat ertussen zat) neer op de bewuste laan. Vroom vreesde dat zijn vee op andermans grond zou raken en vervolgens in de schutstal zou belanden (waarvoor hij dan schutgeld zou moeten betalen). Hij stond dus voor een dilemma: of geen vee meer weiden op de laan, of

zijn onvergehaalde vrediging wederom op te maken, in welken gevalle de rem[on]st[rant] onderrigt is geworden dat daarinne faitlijk zoude worden verhinderd…

Fijne buren, die Sekema’s! Om “verdere onaangenaamheden” te voorkomen, stapte Vroom naar de drost van het Westerkwartier, met het verzoek om het geschil te beslechten. De drost besloot eerst Sekema om diens mening te vragen en intussen moest de toestand blijven zoals die was. Naderhand kwam er inderdaad een hoorzitting. Helaas is het verslag daarvan niet bewaard, het blijft dus gissen wat Sekema’s motief was voor het verwijderen van Vrooms dampalen.

Waarschijnlijk claimde Sekema zelf het weiderecht, maar het zou ook nog kunnen dat hij het weiden van vee op de groene laan ontoelaatbaar achtte. Volgens Vroom diende de laan, die van zijn huis aan de Zuidwending naar het Aduarderdiep liep, immers tevens

tot een lijkweg voor eenige boeren onder Hoogkerk in cas hun de passagie langs de trekweg word belet

Wilde Sekema voorkomen dat kistdragers uitgleden over koeievlaaien? Dan was hij rijkelijk laat. Want Vroom voerde aan dat de groee laan door zijn

voorzaat en vader Geert Vroom zedert onheugelijke tijden onverhinderd is beweid tot aan het wagenpad van de wed[uw]e van Duurt Jacobs, alwaar hij een schut op de laan had gezet om zijn vee op te schutten

Die afschutting was dus weg. Met de verschillende aanwijzingen is de kwestieuze groene laan en lijkweg nu eenvoudig terug te vinden – deze is oranje gemarkeerd op het volgende kaartje:

Als lijkweg zal de laan heus niet zo vaak gebruikt zijn, want alleen bewoners van het Zuidwendinger gebied ten noorden van Hoendiep en trekweg zullen er gebruik van hebben gemaakt. Het ging dan hooguit om vier huizen, waaronder herberg de Pannekoek. Als de trekweg in de buurt van Vierverlaten om wat voor reden dan ook onbegaanbaar was, zette men in deze streek de doodskist op een boot, voer bij de Pannekoek rechtsaf de Zuidwending op tot de groene laan, waarna men via die laan, de weg langs het Aduarderdiep, de Nieuwbrug, de Legeweg bij Leegkerk en de Kerkweg naar het kerkhof bij de kerk van Hoogkerk ging.

Ten tijde van het eerste kadaster, ca. 1830, woonden Jakob Geerts Vrooms dochter en schoonzoon nog op de hoek aan de Zuidwending en de groene laan. De laan hoorde toen echter bij de boerderij aan de noordkant ervan, bij het Aduarderdiep. Deze heerd, nu van de paardenfokker Sipkens, was toen in handen van de wed. Duurt Jacobs Diepinga. Volgens het rekest uit 1805 had haar man een hek op de laan staan, waarschijnlijk halverwege, bij de knik.

Wat betreft het particuliere karakter van de laan lijkt er een discrepantie met de topografische kaarten, waarop de laan nog heel lang aangegeven staat als een (semi-)publieke weg. Ze bestaat nog steeds, zij het dat de sporen nu gevuld zijn met steenslag. Aan de kant van het Aduarderdiep komt ze uit naast de Kasperhoeve. Waar Vroom aan de Zuidwending woonde, stond tot een jaar of tien terug nog een boerderij, die nu echter gesloopt is. Net als ten tijde van Vroom staan er hekken op de laan. Binnenkort maar eens nagaan, wie nu de eigenaar is.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (rechterlijke archieven Westerkwartier) inv.nr. 725: rekesten van 20 juni en 3 juli 1805.

Advertenties

“Niet zonder gevaar, bij storm en duister nagten” – de overzet bij het Washuis en het voetpad dat er heenliep

Ruwe situatieschets door Theodorus Beckeringh, ca. 1760. Door het midden loopt het Aduarderdiep. Het Washuis en zijn overzet heb ik rood omcirkeld en de belangrijkste toponiemen rood onderstreept. Collectie Groninger Archieven 2849-11 (uitsnede).

Voor 1843 bestonden de Friesestraatweg en de Nieuwklap nog niet en lag er dus ook nog geen brug over het lange stuk Aduarderdiep tussen de Nieuwbrug (bij Leegkerk) en de Steentil (ten noordoosten van Aduard). Bovendien waren de wagenwegen die over de Nieuwbrug en de Steentil liepen, beide een flink eind om en extra tijdrovend voor mensen die zich geen (huur)rijtuig kon veroorloven. Ook bestond het Van Starkenborghkanaal nog niet – wilde je met een schip, dan was de omweg tussen de Stad en Aduard via Hoendiep (langs Hoogkerk en Vierverlaten), Aduarderdiep en De Lindt nog veel langer en tijdrovender dan de route te voet langs een van beide wagenwegen. Vandaar dat er voor voetgangers met enige haast of uit de omgeving zelf nog een ‘overvaart’ of ‘overzet’ bestond, zeg maar een veerdienst, die nabij het Washuis de voetpaden op beide oevers van het Aduarderdiep met elkaar verbond.

Eind november 1804 diende de ‘overzetter’ of veerman op deze locatie een verzoekschrift in bij de drost van het Westerkwartier, waaruit blijkt dat bepaalde passagiers die hij ook sociaal duidt, nogal eens ontevreden waren èn veeleisend: voor het overzetgeld of veerloon moest er soms buitengewoon veel moeite worden gedaan:

Geeft de ondergetekende als overzetter bij het zogenaamde Waskhuis onder Leegkerk met verschuldigde eerbied te kennen, dat hij menigmaal in de onaangenaam omstandigheden zich bevind, om veel smaadreden te moeten horen, en wel bijzonder van dienstboden die zich laten overzetten en menigmaal weigeren het gewone overzettersgeld te betalen, dat is bij de herfst en nat het (sic) zon[sondergang] vier en bij de zomer twe duiten, waarlijk tog een gering loon na de moeite en kosting, daar rem[on]st[rant] in de noodzakelijkheid is, een bekwaam persoon daarop te moeten houden, die altijd bij der hand moet zijn en daarenboven het onderhoud van het schip, en ook niet zonder gevaar bij storm en duister nagten, en menigmalen gebeurd het dat de overzetter eenige uuren moet opblijven te wagten na lui, en bijzonder na dienstboden die na Aduard en elders gaan en laat uitblijven, hetwelk ook geen kleine last is, om welk en meer andere redenen rem[on]st[rant] zich tot U Ed[ele] wend met submis verzoek om een gerechtelijke acte te verlenen waarop rem[on]st[rant] zich bij de onwilligen konde beroepen, waarin het overzettersgeld word bepaald, als in january, february, november en december benevens het gehele jaar door na zonsondergang van ieder persoon 4 duiten, en de overige tijd van het jaar 2 duiten.

Q.F. / get[ekend] /
Kornelis Jacobs

Kortom: het beledigen van mensen, werkzaam in het openbaar vervoer, was destijds ook al aan de orde. Volgens de eigenaar van het veer – die voor de bediening ervan naar eigen zeggen speciaal een knecht in loondienst had, maar die toch ook zelf nog wel eens gevaren zal hebben – maakten vooral dienstboden zich hier schuldig aan. Dat zal ook een belangrijke categorie passagiers geweest zijn. Sommigen weigerden de 2 of 4 duiten veerloon (resp. bij zomerdag en daglicht en bij winterdag en duister), maar dergelijke bedragjes waren voor zulke klanten waarschijnlijk ook redelijk veel geld. In elk geval vroeg Kornelis Jacobs van de drost een soort verklaring, waarin deze namens de overheid genoemde veertarieven voor rechtmatig zou erkennen. Opmerkelijk is nog dat Cornelis deze tarieven “gering” achtte, terwijl hij toch niet om hun verhoging vroeg. Dat zat er blijkbaar niet in. Helaas is niet bekend of de drost Cornelis’ verzoek ook inwilligde, want de klacht werd naderhand behandeld in een commissie of hoorzitting, waarvan het verslag, naar het zich laat aanzien, niet bewaard bleef.

Dit laatste geldt ook voor een verzoek van eind 1803, waarbij tien boeren uit de omgeving aandacht vroegen voor de povere onderhoudstoestand van het voetpad dat vanaf het oosten naar de overzet bij het Washuis liep. Ze brachten ter kennis van de drost:

Hoe dat sedert lange en thans tegenswoordig het voetpad, vonders en ommetreden van het zogenaamde Zomerpad, behorende onder Leegkerk en Dorquert, lopende van het Oude Waschhuis tot de Slaperstil en soo vervolgens tot aan de Reidijk, in een slegte toestand is, en bijna geheel onbruikbaar is gevonden, de vonders slegt en geheel sonder rikken, de ommetreden sommigen geheel vervallen, een pad dat meer als vijftig jaeren tot een publicq voetpad is gebruikt, en thans nog door de passagiers van onderscheiden caspelen hetselve, en veelen twee maal ’s weekelijks gebruiken moeten, en het welke bijna niet als met gevaar van ongeluk te houden, veroorzaakt door boven gemelde verwaarloozing…

Om die redenen vroegen deze boeren de drost in diens rol van opperschouwer van het Westerkwartier dit voetpad en zijn bijbehoren te inspecteren en een en ander

in een goede order te laten brengen en te doen herstellen tot geryf van passagiers en ingezetenen welke dat voetpad onvermijdelijk moeten gebruiken.

Aardig is, dat het rekest de ouderdom van het pad noemt – de boeren stellen immers dat het al ruim een halve eeuw publiek pad was. Waarschijnlijk ging hun herinnering niet verder terug en was het als zodanig nog veel ouder – de overzet bij het Washuis bestond in elk geval al in de jaren 1720. Dat veel mensen uit de verschillende dorpsgebieden het voetpad twee maal per week gebruikten, zal ermee samenhangen dat deze het op dinsdagen en vrijdagen als route naar en vanaf de markt in de Stad gebruikten. Maar het volgen van deze route was zo langzamerhand een hachelijke onderneming geworden, getuige de staat van de vonders (plankbruggetjes) en ommetreden (platformpjes naast damhekken waardoor je daar gemakkelijk langs kon glippen). De vonders hadden zelfs helemaal geen “rikken” (leuningen) meer, terwijl sommige ommetreden totaal vervallen waren.

Volgens het rekest liep het pad van het (Oude) Washuis naar de Slaperstil en daarna tot aan de Reitdiepsdijk (en de Hoogeweg). Met dat laatste stuk zal de tegenwoordige Zijlvesterweg tussen Slaperstil en Dorkwerd bedoeld zijn. Het eerste stuk liep over een wal langs een tochtsloot die overtollig water van Hoog- en Leegkerk loosde op het Aduarderdiep. In het onderstaande kaartje is het tracé van dit pad met beide vervolgen weergegeven:

De overzet van het Washuis en de voetpaden die er vanuit het oosten en westen heen liepen. Bron: http://www.hisgis.nl .

Bronnen:

  • RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (rechterlijke archieven Westerkwartier) inv.nr. 724: rekesten van 28 november 1804 en 14 december 1803.
  • Over de middeleeuwse oorsprong van het Washuis, waarschijnlijk een uithof van het klooster Aduard: Jan van den Broek, Een Stad apart, pag. 261.

De huisplaats van het Washuis, gezien vanaf de Nieuwklap.

De huisplaats van het Washuis, gezien vanaf de overkant van het Aduarderdiep.


Zilverreiger bij het Hegepad


Deze was niet zo schuw, vanochtend. Hij maakte een rondje door het water en liet vooral zijn rug zien, wat ik bar weinig voorkomend vond, maar hij vloog niet weg.


Rondje Lagemeeden – Leegkerk

De Roderwolderdijk parallel aan de A7, Hoogkerk:

Oude slotenschoner bij de Zuidwendinger molen:

De Lagemeedener dividivi’s:

Herfstblad op de slootkant:

Paarden bij Nieuwbrug:

Eindje verderop redelijk veel reigers in het land -onder andere deze witte:

Rode blaarkoppen grazend bij Leegkerk:

Kerk Leegkerk:

(Foto’s van gistermiddag, tegen de avond.)


Loempiaman nu met credo


(Op de wijkmarkt van Hoogkerk.)


Nooit gedoken is altijd mis

Meende eerst dat het visdiefjes waren, maar naderhand leken het me toch andere meeuwen die om een uur of vier, half vijf af en toe bijna biddend zaten te vissen in de tochtsloot langs het Hegepad:


Spoorvernieuwing westkant Stad

Op het Hoofdstation in Stad maakt men van de gelegenheid gebruik om de overkapping van de meest westelijke perrons, nabij het Emmaviaduct, te vernieuwen:

Blik vanaf de spoorwegovergang Peizerweg richting Emmaviaduct: één grote zandbak:

In Hoogkerk zijn ze dan al een stukje verder. Blik op de bouwplaats aldaar voor de lokale verdubbeling van het spoor Groningen-Leeuwarden. De rode kraan staat bij de spoorwegovergang Zuiderweg die nu een paar weken buiten gebruik is:

Je kunt al goed zien waar het tweede, parallelle lijntje aftakt van het hoofdspoor:

Er nu even recht boven. Tussen de kraan en de grijze bult links zal station Hoogkerk gedacht zijn:

Met enig geduld kan je er vast wel aardige filmpjes maken, vooral ook volgende week aan het eind van de middag, als het vanwege de wintertijd een uur vroeger donker is en al die groene mannetjes onder bouwlampen (en in de regen) moeten werken:

De blik wat zuidelijker. De appartementen in die foeilelijke flat worden straks een stuk duurder:

De spoorverdubbeling zorgt voor extra lichaamsbeweging. Normaal is het voor mij 2 kilometer fietsen naar de Appie in Hoogkerk City, nu 4 (via Bangeweer en Johan van Zwedenviaduct). Hopelijk hebben ze het karwei af in de toegezegde tijd: