Hoogkerk krijgt muur van groen plastic (2)

De situatie bij het Hegepad was vanavond als volgt:

In plaats van één grote bult hooibalen hebben we er nu drie.

De oude bult bij het zitje is niet verlengd, zoals ik dacht, maar verdikt. Wat erbij gekomen is zit in een plastic van een wat lichter groen:

v


Hoogkerk krijgt muur van groen plastic

Wat kan men tegen hooi hebben? Helemaal niets! Hooi verspreidt – vooral op de klei – een hoogst aangename geur die ook bij menigeen genoeglijke herinneringen opwekt. Ja, goed beschouwd bevordert hooi het welbevinden der mensheid.

Aan het Hegepad te Hoogkerk, echter, staat er sinds de zomer van vorig jaar een enorm hooiblok. Kennelijk was er het hele winterseizoen fourage genoeg, zodat er geen behoefte aan het hooi hier bestond. Al die tijd mochten passanten dus aankijken tegen de stapel hooipakken in steeds flodderiger groen plastic.

Intussen wordt er opnieuw gehooid en komen er nieuwe pakken in groen plastic aan:

Gister

De vraag is nu of die nieuwe pakken bij de oude worden neergezet. Ik zweer het: dit houdt heel Hoogkerk bezig. Bij een noordooster zit je dan lekker uit de wind op het metalen zitje bij het Hegepad:

Eergister

De gemeente Groningen is hier bij mijn weten de grondeigenaar. Mogelijk verpacht die de grond? Ik hoorde iemand de gemeente al vergelijken met de jeugd op Terschelling. “Zoals die jeugd muren van bierkratten bouwt, bouwt de gemeente Groningen muren van hooibalen. … Ach, het zal wel weer een kunstproject zijn.”


Het klauwregister van Hoogkerk

In 1661 vergaderden de eigenerfden van Hoogkerk meermalen in het Provinciehuis in de stad Groningen om een klauwregister vast te stellen voor de Schepperij (= waterschap) van Hoogkerk. Blijkbaar was daar eerder onenigheid over geweest. Afgesproken werd dat de eigenaars van de twintig grootste heerden land (= boerderijen met een bepaald minimum-areaal aan grond) elk om de beurt, en wel om de twee jaar, de Schepper zouden mogen benoemen, die het zijlschot en de schouwboetes zou innen. Zulke boetes waren grotendeels voor degenen die de Schepper benoemden en dat maakte het benoemingsrecht aantrekkelijk.

De manier waarop de Schepper zijn werk deed, moest blijven zoals die ‘altijd’ was geweest. Alleen werd bij loting de volgorde bepaald, waarin de eigenaars van de twintig heerden die aan de criteria voldeden, een Schepper mochten aanstellen. Het klauwregister legde deze “ommegangen” vast. Hieronder heb ik dat stuk in de eerste vijf kolommen samengevat, terwijl in de laatste twee kolommen de opvolgende eigenaren van de ommegangen uit de achttiende eeuw te vinden zijn:

1661 1701 evj. 1741 evj
Nr. Huisnaam Bij rechtstoel genoemd? Eigenaar Meier Eigenaar

 

Eigenaar

 

1 Lt. Derk van Ballen en Juffer Anna de Sygers Jantien, wed. Melis Geerts Heer van Aduard Heer van Aduard
2 Jr. Jan Dominicus Clant Reinder Peters en Oene Clasens Heer van Aduard Heer van Aduard
3 Wed. en erven Soll. Luitjen Jansen Hoving Grietje, wed, Hajo Arends Heer van Aduard Heer van Aduard
4 De Woltgraft Dr. Simeon Wychel Claas Derks en Frerick Siers Stad Stad
5 De Koningspoort Vrouw van Bierum Riener Crabbes Heer van Aduard Heer van Aduard
6 Geert Lubbers Hindrik Fockes Heer van Aduard Heer van Aduard
7 Het Hol Ja Provincie Pieter Claasen Stad Stad
8 Lt. Huysman Hermen Roelefs Heer van Aduard Heer van Aduard
9 Siccamaheerd Ja Dr. van Swinderen Wessel Hindriks Stad Stad
10 Elderhuisen Wed. en erven Lt. Johan Coenders Hermen Jacobs en Hermen Walichs Wiers Stad
11 Cruisemahuis ja Siabbe Abbringe Siabbe Abbringe Heer van Aduard
12 Jr. Doede Manninga, nu jr. Geert Horenken Jan Hermens Heer van Aduard Heer van Aduard
13 Elmersma ja Jr. Ulrich van Ewsum Gerrit Clasen Heer van Aduard
14 Armhuiszittend Convent Jacob Clasen Armhuiszittend Convent
15 Bangeweer Ja (Popko Jongeringsstede op Bangeweer) Dr. Simeon Wychel en Hermen Clasen Hermen Clasen Stad en Heer van Aduard samen
16 Joost Lewe op Klinkenborg Roelf Peters Heer van Aduard
17 Provincie Jan Clasen Buir Stad
18 De Luisenborgh Ja (eerder ook wel ’t Huis ten Hamrik) Erven Fennetien van Rhenen en co. Willem Jansen Heer van Aduard
19 Erven Johan Coenders + Armhuiszittend Convent Evert Jacobs Stad en het Armhuiszittend Convent samen
20 Godes Ackers Heerd William MacDowell + Jr. Ulrich van Ewsum Loech Onnes Heer van Aduard

In het stuk van 1661 staan 10 huisnamen – de overige heerden worden genoemd naar hun eigenaren. Van die 10 huisnamen zijn er maar 6 terug te vinden bij de 17 edele heerden die een stem in het kapittel hadden bij de benoeming van de rechter in Hoogkerk. Er moet veel meer overlap tussen de lijsten geweest zijn – er waren niet veel meer boerderijen in Hoogkerk. De lijst van de 17 inzake de rechtstoel stamt weliswaar uit 1754, en is daarmee beduidend jonger, maar gaat qua huisnamen waarschijnlijk veel verder terug, ik denk tot de zestiende of vijftiende eeuw. Niet alleen het kleinere aantal heerden doet dat vermoeden, maar ook de aard van de namen op die lijst: deze namen verwijzen veelal naar Friese eigenerfde families.

Hoewel de volgorde van 1661 bij loting is bepaald, lijkt er een route van noord naar zuid in de lijst te zitten. De Woltgraft lag op de hoek van de Kerkweg en het oostelijke deel van de Legeweg, waar nu een grote boerderij met een handel in tuinmachines staat. De Koningspoort lag op de hoek van het Koningsdiep en het Hoendiep, waar nu vloeivelden liggen van de suikerfabriek. Het Cruisemahuis, ooit Drents kloosterbezit, moeten we ook  in die omgeving zoeken. Elmersma, een borg met schathuis, lag op de zuidoostelijke hoek van het Hoendiep met de Zuiderweg. Bangeweer bestaat nog steeds als bult met restaurantboerderij. Maar dit zijn ook de enige heerderijn waarvan me de locatie bekend is, van de rest wil ik die nog zien te achterhalen. (Vooral de Luisenborg en de Godsakkersheerd intrigeren me.)

De eigenaren van 1661 waren voor tweederde deel jonkers, praktisch allemaal verschillende. Een paar heerden waren eigendom van de provincie, een paar andere waren van gewone namen en het Armhuiszittend Convent in de stad bezat ook nog anderhalve heerd. In de achttiende eeuw zijn er nog maar een paar eigenaren over: de Heer van Aduard heeft dan 12,5 ommegangen, de Stad 6 en het Armhuiszittend Convent nog steeds 1,5.

Van zowel de Heer van Aduard, als de stad als het Armhuiszittend Convent bleef een goede boekhouding bewaard, met staatboeken en rekeningen. In principe moet het daarmee mogelijk zijn de latere beklemde meiers van deze heerden te achterhalen, zodat er een verband is te leggen met het kadaster van 1830. En dat levert dan de precieze locatie op van alle genoemde heerden en daarmee van de huisnamen die tot nu toe nog niet thuisgebracht zijn.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 1605 (Stadsbestuur 1594-1816) inv.nr.8160 (klauwlijsten Hoogkerk, voorheen rnr 1311 d.)


Lekker luchtje

Er vielen maar enkele spetjes uit deze dreigende wolk:


Avondlijk ommetje Eiteweert – Leegkerk

Oude Eelderdiepje met op de achtergrond het Transferium Hoogkerk:

Gepassioneerde Haflingers bij de Bruilweering:

Koeien op het slibdepot bij de Tichelwerkbrug:

Soezend blaarkopkalfje, Leegkerk:


“Een zwarte soldaat op een eenzame post” – M.J. Burema, de NSB-burgemeester van Hoogkerk

Als in 1935 de gemeente Hoogkerk wil gaan bezuinigen op het salaris van de lokale veldwachter, verzet het gemeenteraadslid M.J. Burema zich daartegen. Dat doet hij onder andere door het sturen van een ingezonden brief naar het Nieuwsblad van het Noorden, waarin hij een kenschets geeft van Hoogkerk en bovendien gewag maakt van het in elkaar slaan, aldaar, van een paar NSB-ers:

“Onze gemeente is geen rustige plattelandsgemeente, doch een gemeente waar door de groote industrieën en het veelvuldig verkeer van den politieman meer dan normale dienst wordt gevraagd; een gemeente, waar men nog wel eens op een relletje is belust; waar bepaalde elementen, zooals hier eenige weken geleden b.v. gebeurde, zich de luxe meenen te mogen permitteeren om het simpele feit, dat eenige jonge kerels uit Groningen colporteerden met „Volk en Vaderland” deze maar te kunnen mishandelen. In zoo’n gemeente ben ik er huiverig voor den ambtenaar, belast met de handhaving van het gezag, een minderwaardig salaris toe te kennen.”

Bij het nagaan van zijn antecedenten in de krantendatabank Delpher, bleek deze Michiel Jan Burema een tamelijk vooraanstaand figuur. Lokaal was hij actief als secretaris en later als voorzitter van de gymnastiek- en atletiekvereniging Hercules. Ook was hij voorzitter van de ijsclub, secretaris van het zoutwaterzwembad en secretaris van het Oranjecomité. Deze sportieve figuur had plaatselijk dus een vrij groot netwerk.

En dat terwijl hij helemaal nog niet zo lang in Hoogkerk woonde. Hij was in 1900 geboren in Drieborg (gemeente Beerta) als zoon van een boer en kocht na het doorlopen van de vierjarige HBS in Winschoten en de Rijkslandbouwwinterschool te Groningen in 1923 de grote boerderij Koningspoort, in de hoek tussen het Koningsdiep en het Hoendiep, waar nu de vloeivelden liggen van de Hoogkerker suikerfabriek. Deze boerderij ging door voor een “kleibouwplaats” – het meeste land dat erbij hoorde zal dus een stuk noordelijker hebben gelegen. Dat Burema akkerbouwer was, wordt bevestigd door kleine rubrieksadvertenties, waarin hij grote hoeveelheden stro van koolzaad, erwten, rogge, tarwe, gerst en haver aanbood, naast suikerbietenloof en capucijners. Toch deed hij ook in paarden en in mindere mate in vee, vermoedelijk deels als fokker.

Veelzeggend voor Burema’s status en aspiraties in Hoogkerk is zijn telefoonnummer: 1. Vanaf 1931 zat hij er in de raad namens een Algemeene Vrijzinnige Kiesvereeniging. Na de ARP en de SDAP, partijen die elk met drie zetels in de raad vertegenwoordigd waren, was deze club met zijn twee zetels de derde partij in de Hoogkerker gemeenteraad. Hoewel dus een nieuwkomer in Hoogkerk, kreeg Burema bij de verkiezingen van dat jaar 90 voorkeurstemmen. Zijn naam valt wat dat betreft als enige in de krant, waarschijnlijk ging het om het hoogste aantal voorkeursstemmen van alle kandidaten en wijst het aantal op een zekere populariteit, vooral bij boeren en middenstanders, want die stonden met name op de lijst van Burema’s kiesclub.

In elk geval ging Burema in 1935 nog door voor een vrijzinnig democraat, en daarmee links-liberaal. Bij de verkiezingen van dat jaar betoogde hij echter dat hij het lidmaatschap van de Vrijzinnig Democratische Bond had opgezegd. Die partij had zich op lokaal niveau verzet tegen het ontslag van een gehuwde onderwijzeres en was bovendien niet tegen het houden van politieke vergaderingen in de school. Vandaar de afscheiding van een aparte vrijzinnige kiesvereniging in Hoogkerk.

Naast het plaatselijke verenigingsleven en de lokale politiek ontplooide Burema zich in regionale landbouworganisaties. Zo was hij bestuurder van een Hagelverzekeringsmaatschappij, de Groninger Boerenbond en later Landbouw & Maatschappij.

Dat Landbouw & Maatschappij is berucht geworden als club die in fascistisch vaarwater raakte en daarin tal van boeren meezoog. Een van die boeren was Burema. Na de Duitse inval werd hij lid van de NSB en raakte als bestuurder van de Landstand, de gelijkgeschakelde boerenorganisatie, doordrenkt met de bloed en bodemideologie van de nazi’s. Burema werd zo geschikt geacht door de bezetter, dat die hem in januari 1942 tot burgemeester van Hoogkerk benoemde.

In de toespraak bij zijn ambtsaanvaarding verklaarde Burema dat het handhaven van orde en rust zijn belangrijkste doel was. Hij wilde loyaal samenwerken met de Duitse overheid als “soldaat van Mussert” en in het midden van zijn gemeente staan. De Oostfrontstrijders noemde hij zijn “kameraden” en hij zou korte metten maken met “saboteurs”. Onder de aanwezigen bij deze plechtigheid waren J. Maarsingh van Stadskanaal als gemachtigde van Mussert, de beruchte politiecommissaris Blank uit de stad en diverse kringleiders van de NSB. Een daarvan noemde Burema “een zwarte soldaat op een eenzame post”: “Immers, de nieuwe geest is hier nog niet doorgedrongen”. Ondanks zijn (vroegere) populariteit had Burema in Hoogkerk kennelijk niet zoveel politieke medestanders meer. Tot slot van de plechtigheid defileerden eenheden van de SS en de WA voor de nieuwe functionaris.

Als je op de kranten afgaat, wass burgemeester Burema vooral actief bij de regionale luchtbescherming. In oktober 1943 werd hij tevens waarnemend burgemeester van Marum, een gemeente waar nogal wat mensen neergeknald waren bij de April-Meistaking. Meteen na de Bevrijding, op 30 april 1945, werd Burema geschorst en in december definitief ontslagen als burgemeester en dat met terugwerkende kracht, want met ingang van 16 april van dat jaar.

In 1946 kwam eerst de vrouw van Burema voor het Tribunaal. Zij werd onder meer beticht van het collecteren voor Winterhulp en het verraden van een ondergedoken student. Ze ontkende dat laatste en deed het voorkomen alsof ze altijd tegen de bezetter was geweest, reden voor de aanklager om haar een Januskop toe te dichten. Het Tribunaal achtte de aantijgingen bewezen en veroordeelde haar tot de internering die ze tot dan toe onderging, met daarbovenop maar liefst 12.500 gulden boete en tien jaar ontzegging van het kiesrecht. Een maand later liet ze zich scheiden van haar man.

Burema zelf moest zich twee jaar later voor het Bijzonder Gerechtshof verantwoorden. De officier beschuldigde hem van het opstellen van gijzelaarslijsten, het doorgeven aan de Duitsers van namen van potentiële dwangarbeiders en het verraden van J. Giezen. Deze Giezen, een communist, was voor de oorlog gemeenteraadslid voor de CPH geweest, en had bij de April-Meistaking van 1943 een boer uit Peizermade, die rustig melk bleef leveren, de huid volgescholden. Dankzij Burema kreeg Giezen een enkele reis naar het concentratiekamp Buchenwald, dat hij net als vele anderen niet overleefde. Vooral dit geval legde gewicht in de schaal. Het Bijzonder Gerechtshof veroordeelde Burema in juli 1948 tot zeven jaar gevangenisstraf met aftrek van voorarrest, naast een levenslange ontzegging van het kiesrecht.

Na zijn vrijlating leefde Burema als stil burger en rentenier. Hij zou opnieuw trouwen en woonde met zijn tweede vrouw in Huize Maarwold in Haren. Hij overleed in 1984 in een ziekenhuis te Groningen.


Avondvierdaagse

Stukje uit de stoet op de Roderwolderdijk. Van de ongeveer 20 volwassen begeleiders op deze foto zitten er 6 of 7 al wandelend naar het schermpje van hun telefoon te staren. Deze mensen nemen hoogstens iets van de omgeving mee, als er virtueel wat van getoond wordt. Ze kunnen de kinderen er vast veel over vertellen.

Even eerder, voordat ik de stoet begon in te halen – de staart ervan in tegenlicht: