Philishave voor heggen

Vorig jaar kwam hier in de buurt nog een hoveniersbedrijf langs, om in opdracht van de woningbouw met elektrische heggescharen de heggen bij te knippen. Vanochtend bleek, hoe ook in dit opzicht de handmatigheid passé was. De klus werd nu gedaan door een machine – een groen wagentje met een hydraulische arm die een gele schijf over de bovenkant van de heg heen haalde:

Het apparaat ging ’t hoekje om…

en zette de gele schijf verticaal om de zijkant van de heg te doen. Onder de gele schijf bleken teee grote strimmers te zitten:

Het leek warempel wel een Philishave voor heggen!:


Rondje Engelbert

Hoogkerk – paarden bij een brandnetelpol tussen het Hegepad en de Peizerweg:

Hetzelfde stel:

Heb dit jaar nog een paar keer Samson geroken, maar binnenkort zal het wel afgelopen zijn en wat gebeurt er dan met de fabriekspanden van Niemeijer tussen spoor en Paterswoldseweg?:

Hoornsediep:

Er moest een boot het sluisje in. De ruimte was krap en de betere stuurlui stonden weer eens aan de wal, dus het was vooruit en achteruit en passen en meten, waardoor een fietsersfile voor het sluisbruggetje ontstond:

Paterswoldsemeer:

Voorbij de molen lag een veld met vroege mosterdzaad (tenminste, dat denk ik dat het was). De grond is hier erg venig, dus niet optimaal voor zaad. Vorig jaar was er nog veel grondwerk hier in de omgeving. Is dat zaad dan spontaan opgekomen, of zou het een proefveld zijn om te kijken welk ras het het best uitvalt bij onderploegen als groenbemester?:

Bij de Waterhuizeweg werd vlakbij het Winschoterdiep een stuk vrij ruig grasland gemaaid. De tractorbestuurder hield voortdurend de deur aan de maaikant open en zodoende het aan snee zijnde gras in de gaten, mogelijk ook om geen vogels of jonge reeën te slachtofferen:

Bij het uiteind van de Oudeweg tussen Westerbroek en Engelbert wordt er gewaarschuwd voor mijn soort:

Mooi oud boerderijtje aan de Engelberterweg:

Euvelgunne – het melkstation van boer Diekhuus raakt weer overwoekerd:

Qua stokrozen gaat de Jacobstraat in de Oosterpoort het Garnwerder Brouwersstraatje achterna. Ziehier het voormalige winkelpandje tegenover de Alexanderstraat:


Historische schepen in Hoogkerk

Ruim een maand geleden opende hier in Hoogkerk een passantenhaven voor historische schepen. Op de een of andere manier bleven de foto’s liggen. Hier alsnog een selectie, bij wijze van inhaalmanoeuvre op een buiendag:


Rondje Matsloot – Oostwold – Leegkerk

De stippelkoe bij de Langmadijk achter Peizerrmade:

Het gemaaltje bij de Matsloot:

De dotters onder Oostwolmerdraai hebben hun beste tijd gehad:

25 jaar getrouwd aan de Weersterweg, bij Den Horn:

Picknick in schapenland, Leegkerk:

Kraantjeskancollectie in De Gabriël, Zuiderweg Hoogkerk (verbannen naar een plekje bovenop een kast):


Rondje Eiteweert – Den Horn – Leegkerk

Mijn favoriete, ‘Dalmatisch-gevlekte’ koe staat weer bij de Langmadijk:

Er werd iets groots verricht op de vloeivelden ten zuiden van de A7:

Opeens ook allemaal dikke bulten zand bij Eiteweert:

Terwijl het weiland even verderop verboden terrein is verklaard. Niet dat ik daar buiten de boer ooit iemand heb zien lopen, maar blijkbaar wil de (nieuwe?) eigenaar alle eventualiteiten voor zijn:

Boot genaamd Q bij de Zuidwending:

Pril blad:

Meerkoeteieren::

Paarden bij een dam, Leegkerk. Op de achtergrond de suikerfabriek.


Op jacht

Zilverreiger bij het Hegepad – alert:

Klaar om toe te slaan:

En daar gaat het visje via de snelste weg naar de maag:

Next:


“Zeegewasjes die men zwijntjes noemt”, of slavernijgeld in Hoogkerk

Monetaria annulis. Foto: Harry Rose, Flickr cc.

Op een kwade dag in 1807 miste Lourens Passe, boerenknecht bij Hans Gerbers in Hoogkerk, de geldbuidel uit zijn broekzak. In die beurs zaten een dubbeltje en “twee zeegewasjes die men zwyntjes noemd”. Gelukkig ontving Lourens zijn schatten terug van de dienstmeid, die hij van de diefstal had verdacht.

Over die zeegewasjes las ik al vaker iets, zo meende ik, alleen wist ik niet meer waar. Vaag associeerde ik het met Egge Knol, die zich al van jongs af aan bezighoudt met schelpen. Daarom mailde ik Egge of hij wist wat er met die zeegewasjes bedoeld werd. Hij kon zich er niets bij voorstellen en vroeg zich af of het niet gewoon schelpen waren geweest.

Zelf dacht ik in eerste instantie aan koraal. Volgens het WNT werd het woord zeegewas zo ook gebruikt door Dodenaeus (1568). Een inleiding op de penningkunde uit 1717 meldt echter dat “zeekere zeehoorentjes (Caurits genaamd)” door de bewoners van Siam als “duyten” (kleingeld) werden gebruikt, “welk zeegewas” hier vanaf de Malediven werd aangevoerd. Een andere WNT-bron  noemt bovendien “schulpkens” (schelpjes) als zeegewassen. Het Nederlands-Franse woordenboek van Halma (1710) definieert zeegewas ook als alles wat de zee voortbrengt, zowel koraal als schelpen.

Egge kwam weldra terug met een stokoud artikel uit zijn ‘lijfblad’ Basteria, het orgaan van de Nederlandse Malacologische Vereniging, dat inderdaad een goede verklaring geeft voor het raadsel, wat er anno 1807 bedoeld werd met die “zeegewasjes die men zwyntjes noemd”.

Dat artikel gaat in bij een vondst in het voorjaar van 1954. Bij grondwerk in de Wieringermeer ten zuiden van het vroegere eiland Wieringen kwamen er toen in een smalle opstrek van kavels op een voormalige zandbank bijna 4000 kauri’s tevoorschijn van de soorten Monetaria moneta en Monetaria annulus. Dat wekte bevreemding, want zulke schelpen zijn niet hier inheems, maar in de Indische Oceaan en bij de Molukken.

De curieuze schelpenvondst in de Wieringermeer deed ook sterk denken aan eerdere, soortgelijke vondsten in Zeeland. Op zaterdag 28 juni 1738, anders een rustige dag, was het VOC-retourschip Reygersbroek door een onverwachte windvlaag tegen de Westkapelse Zeedijk te pletter geslagen, waarbij het grootste deel van de bemanning, inclusief kapitein Moens, het leven liet. Slechts dertig manschappen konden deze schipbreuk navertellen. Hun schip kwam van Ceylon en was deels geladen met kauri’s. Nog jaren na de schipbreuk werden er vooral in Westkapelle, op Walcheren en verder op alle stranden tussen westelijk Zeeuws-Vlaanderen en Goeree grote hoeveelheden van deze schelpen gevonden. Zelfs in 1955 trof men nog af en toe een exemplaar aan.

Kauri’s speelden een belangrijke rol in de koloniale handel tussen Europa, Azië, Afrika en Amerika. De schelpen werden vooral gewonnen bij de Malediven. Rond 1700 gingen ze “in menigte”, want soms wel met dertig, veertig schepen tegelijk, naar Bengalen, waar ze, net als in Siam, gangbaar waren als kleingeld. Sommige inheemse vorsten hadden er pakhuizen vol van. Vanaf Bengalen, Ceylon en de Molukken verscheepten de Nederlanders deze kauri’s naar West-Afrika, waar ze deze vooral ruilden tegen slaven, maar ook wel andere goederen. Een slaaf deed 20.000, 30.000 kauri’s. Op de slavenkust werden de lege ruimen vervolgens gevuld met slaven voor de Amerikaanse plantages, die koloniale producten als koffie, suiker en tabak voor de Nederlandse thuismarkt terug leverden. Niet alleen de Nederlanders hadden zo’n mondiaal handelssysteem, maar de Engelsen en Fransen evenzo.

Zoals de kauri’s van Westkapelle door stromen en getijden verspreid raakten over de stranden van een veel wijdere kustregio, zo bleken de kauri’s van Wieringen tevens te vinden langs de kusten van de Kop van Noord Holland tussen Bergen en Enkhuizen. Bij Wieringen  is er echter geen schipbreuk van een Oostindiëvaarder gedocumenteerd, laat staan een wrak gevonden. Mogelijk heeft een schip hier een deel van zijn lading verloren of overboord gezet, toen het op weg van of naar Amsterdam in nood raakte.  Dat moet dan gebeurd zijn voor de afschaffing van de slavernij in 1863, die aan het gebruik van grote hoeveelheden kauri’s voor de slavenhandel een eind maakte.

In de kustregio’s van Walcheren en westelijk Zeeuws-Vlaanderen hebben de kauri’s zelfs nog sporen nagelaten op de folklore. Nog  heel lang na de schipbreuk van 1738 gebruikte de plattelandsbevolking hier ze als pasmunt en fiches bij (kaart)spelletjes. De kauri’s werden er gewoonlijk “keutjes” genoemd, omdat ze leken op varkenssnuitjes. De koers was twintig keutjes voor één cent. In sommige plaatsen noemde men ze ook wel “varksjes” en “zeugjes”. En daarmee zijn we weer  beland bij de “zwyntjes” in het Hoogkerk van anno 1807.

Het schelpengeld dat in West-Afrika de slavenhandel faciliteerde, was destijds dus zelfs te vinden in de geldbuidel van een Groninger boerenknecht. Het kan zijn dat die het aan een potje kaarten overhield. Neemt niet weg dat de kauri’s in zijn beurs tot nadenken stemmen. Slavernij was niet alleen iets van plantages in de koloniën, en grote stadspaleizen in patria. Ze zat in de haarvaten van de samenleving.

Met dank aan Egge Knol.

Bronnen, behalve de gelinkte:

  • Groninger Archieven, Toegang 136 (archief Hoge Justitiekamer) inv.nr. 2170 (Grietje Lammerts, Leegkerk) nr. 28: getuigeverklaring Hans Gerbers, Hoogkerk, 10 wintermaand 1809).
  • W,S.S. van Benthem Jutting (Zoölogisch Museum, Amsterdam), ‘Vondsten van tropische kauri’s in Nederland’, Basteria: Tijdschrift van de Nederlandse Malacologische Vereniging, XIX (1955) nr. 1, pag. 1-20.

Rondje Hoogkerk

De strokarton- en papierfabriek De Halm, althans dit fabriekspand, lijkt te gaan verdwijnen. Na de sloop worden hoogstens nog de contouren op heuphoogte bewaard. Het is industrieel erfgoed. Er gaan stemmen op om het te bewaren, maar de muren zijn wit uitgeslagen en verzadigd van de wasem. Zelf zou ik niet tegen nieuwbouw met appartementen op deze plek zijn:

Het begint er net wat op te lijken, de passantenhaven voor varend erfgoed er schuin tegenover, langs het Hoendiep:

Populier bij de Weersterweg bleek omgezaagd, en zag er in de kern inderdaad niet erg gezond meer uit:

Bij de Nieuwbrug bleek dit scharkje gezonken. Kwestie van één nachtvorst? Het lag er volgens mij nog niet zo lang, op een plek waar eerder geen boot lag, en ik kan me ook geen bewoning herinneren:


Karakterkop met ochtendhumeur

Buurtkat deed een dutje in de zon op de slootoever en kwam verstoord in de benen, toen ik een foto van hem maakte. Het coniferentakje op zijn borst lijkt een soort van broche.:


Ergens in Hoogkerk

Gezien de wappen-agressie zet ik het adres er maar niet bij:


De drukste vaarroute?

Drukte bij de Groninger suikerfabriek, Het Noorden in Woord en Beeld, 6 november 1925

‘Honderd jaar geleden was het Hoendiep de drukste vaarroute van Nederland’, lees ik hier.

O ja, is dat zo, vraag ik me dan af. Klopt dat?

Voor een antwoord op die vraag ben ik te rade gegaan bij het verslag over 1921 van de gemeente Groningen, het ontegenzeggelijke begin- en eindpunt van alle Groninger scheepvaartkanalen van enig belang. Als het Hoendiep hier al niet de drukste vaarroute was, dan kan het dat evenmin zijn geweest in heel Nederland.

De tabel op pagina 175 van dat gemeenteverslag splitst de schepen die dat jaar de Groninger kanalen  hebben bevaren op in drie categorieën: zeeschepen, binnenschepen en houtvlotten. De aantallen zeeschepen waren zeer laag: op het Eemskanaal waren het er 4, op het Reitdiep slechts 3. Meestal zal het gegaan zijn om coasters die van of naar een werf gingen. Het Hoendiep werd bevaren door geen enkel zeeschip.

Ook bij de houtvlotten ging het om kleine getallen: het havenkantoor aan de Noorderhaven registreerde er dat jaar 16 op het Reitdiep, 12 op het Eemskanaal en 6 in het kluster Verbindingskaaal-Hoornsediep-Eendrachtkanaal-Hoendiep. Noch qua zeeschepen, noch qua houtvlotten stak het Hoendiep er dus bovenuit.

Resteert de veruit belangrijkste categorie, die van de binnenvaartschepen. De stad-Groninger kanalen in  volgorde van druk naar minder druk:

Kanaal / klusterAantal binnenschepenTotale inhoud in kubInhoud gem. schip
Reitdiep2564272.860106,4
(Oude)Winschoterdiep2404161.42567,2
VBK, Hoornse- + Hoendiep2184182.81483,7
Eemskanaal1156150.989130,6
Boterdiep17412.44171,5
Damsterdiep17310.87162,8

Op het Reitdiep en het Winschoterdiep voeren dus de meeste binnenvaartschepen, daarna kwam pas het kluster waarvan het Hoendiep deel uitmaakte. Voor het Hoendiep alleen zal het cijfer nog beduidend lager uitgevallen zijn. Anderzijds viel het opgegeven getal voor het Winschoterdiep juist te laag uit, omdat hierbij niet werden meegerekend de 581 schepen die bij de gemeentelijke verzamelplaats van faecaliën, kortweg de Drekstoep, hun lading kwamen ophalen. Die Drekstoep zat bij het oostelijke uiteind van het Helperdiepje dat hier op het Winschoterdiep uitkwam. Doorgaans was de frisse lading die hier werd ingenomen bestemd voor Oost-Groninger dalgronden en ging de reis dus ook weer via het stad-Groninger deel  van het Winschoterdiep, dat al met al bevaren werd door 2965 schepen en daarmee helemaal ver voor het Hoendiep kwam, althans qua drukte in de stad.

De bewering dat het Hoendiep het drukst bevaren kanaal van het land  was, honderd jaar geleden, kan je dus met een korrel zout nemen. Misschien was dat periodiek even zo, in het najaar, tijdens de suikerbieten en strokartoncampagnes (die ook veel scheepvaartverkeer in de stad genereerden), maar dat gold zeker niet voor de rest van het jaar. Qua totale inhoud kwam het Hoendiep wat minder ver achter, en was het een goede tweede achter het Reitdiep. Overigens droeg ook het formaat van de schepen bij aan deze klassering: de schepen waren op het Hoendiep gemiddeld het grootst na die op Eemskanaal en Reitdiep.

Een slimmerik zou nu kunnen tegenwerpen dat Hoogkerk met zijn strokarton- en  zijn suikerfabriek ook nog schepen buiten de stad om kreeg, namelijk via het Hoendiep vanuit het westen en via het Aduarderdiep vanuit het noorden. Helaas hield de gemeente Hoogkerk in haar jaarverslagen geen cijfers hiervan bij, zodat het effect niet valt te begroten.

Voorlopig is mijn conclusie dat het Winschoterdiep honderd jaar geleden de drukste vaarroute van Groningen was, al waren die binnenvaarders hier aan de kleine kant, en zal het Hoendiep in het najaar tijdens de suikercampagne heel misschien wat drukker geweest zijn. Buiten die najaarspiek om en over het hele gehele jaar genomen bleef het Hoendiep echter achter. De stelling dat het generiek de drukste vaarroute was, houdt geen stand.

Binnenkort nog maar eens kijken of de provincie ook scheepvaartcijfers in haar verslagen heeft staan.


Zwanenflottielje in de Zuidermolensloot


Rondje Eiteweert – Leegkerk


Rondje Zuidhorn – Enumatil

Jarenlang afgedekt, maar recent weer tevoorschijn gekomen reclamebord bij het leegstaande boerderijrestaurant aan de Hoogkerker Zuiderweg:

Op de voorgrond is bebouwing weggebroken voor een nieuw parkeerterrein, waaronder grafstenen bleken te liggen. Voorlopig is er vrij zicht op de noordelijke gevel van de kerk in Hoogkerk, die overigens morgen voor het eerst sinds jaren weer open is met Monumentendag:

Gezicht op de suikerfabriek vanaf de Legeweg, Leegkerk:

Pre-coronakunstwerk bij winkelplein in Zuidhorn:

Bloemenperk bij het cultuurcentrum van Zuidhorn:

Op de achterplaats van Tante Til in Enumatil – portret op zink van een markante Tolberter dorpsgenoot door Anneke Ekhart, die ook het mestbassin bij Fredewalda voorzag van oorlogstaferelen:


Kraan suikerfabriek gesloopt

Een paar weken geleden stond hij er nog in al zijn glorie: de kraan waarmee de suikerfabriek brokken kalksteen uit schepen loste:

Helaas, dit stukje Hoogkerker industrieel erfgoed is niet meer. Vanmiddag waren ze bezig hem in stukjes te knippen:

Hij zag er al erg aangevreten uit:

Zijn machtige arm was zieltogend terzijde gelegd:

Jammer dat er geen nieuwe bestemming voor kon worden gevonden (als er überhaupt naar gezocht is).