Een dure haas in Hoogkerk

Op 18 april 1804 kreeg de drost van het Westerkwartier van de fiscaal of aanklager te horen, wat die aan de weet was gekomen over Hindrik Jans te Hoogkerk, “wegens het schieten van een haas aldaar”.

De drost gaf de fiscaal toestemming om deze Hindrik Jans èn de watermulder Albert Katoen te dagvaarden voor de volgende rechtdag, zodat beiden hierover nader aan de tand konden worden gevoeld.

Een week later bleken Hindrik Jans en Albert Katoen inderdaad aanwezig. Geconfronteerd met de bevindingen van de fiscaal, bekende de eerste “alsnog” op zondag 8 april een haas te hebben geschoten in het dorpsgebied van Hoogkerk. De drost veroordeelde hem tot drie boetes, op basis van evenzoveel bepalingen in het jachtreglement, namelijk: ƒ 25,- voor het jagen zonder jachtakte of -vergunning; ƒ 50,- voor het jagen in gesloten tijd (1 januari tot 22 september); en nogmaals ƒ 25,- voor het jagen op een zon- of feestdag. Al met al dus maar liefst 100 gulden, waar de verbeurdverklaring van het jachtgeweer nog bij kwam.

Van dat bedrag kon een arbeider acht maanden leven. Een boer had het wellicht nog wel in huis, maar bij een arbeider was dat vrijwel uitgesloten. Hoe dan ook, Hindrik verklaarde het bedrag “praesentelijk” niet te hebben en kreeg daarom veertien dagen uitstel van betaling.

Wat betreft de tweede verdachte, Albert Katoen – hij werd ervan beschuldigd dat hij de gestroopte haas bij hem thuis had laten “praepareren en consumeren”. De watermulder hoefde  geen boete te betalen, maar kreeg van de drost de zeer ernstige aanbeveling om zich voortaan “zorgvuldig te onthouden van zulke ongeregeldheden”.

Hindrik Jans viel niet nader te identificeren, er woonden wel vier van die naam in Hoogkerk. Watermulders daarentegen, waren er maar twee – een op de Zuidermolen de andere op de Noordermolen (of Oude Held). Albert Katoen bediende waarschijnlijk de laatste. De dure haas werd dan waarschijnlijk geschoten in het gebied bij het Klijfdiep tussen de Kerkweg en het Aduarderdiep, waar ook nu nog veel hazen rondlopen..

Bronnen:
RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (gerechten Westerkwartier) inv.nr. 610: criminalia, die van 18 en 25 april 1804.

Publicatie van het Departementaal Bestuur van Stad en Landen van Groningen, houdende het provisioneel reglement op de jagt en visscherye in gemelde departement. Gearresteerd den 31 augustus 1803, art. 17, 28, 31.

Advertenties

Absentie bij wegonderhoud kon je duur komen te staan

De Kerkweg in Hoogkerk, van de Legeweg (noord) tot de Trekweg langs het Hoendiep (zuid), ca. 1830. Bron: http://www.hisgis.nl

Met de stadsstraten, trekpaden en postwegen lag het anders, maar tot diep in de negentiende eeuw was het leeuwendeel van de overige wegen nog in collectief onderhoud van aanpalende grondeigenaren en/of aanwonenden. Dit gold bijvoorbeeld ook voor de Kerkweg in Hoogkerk, zoals blijkt uit een tweetal gerechtsakten van de jurisdictie Westerkwartier uit de zomer van 1807.

Destijds was net de Kerkweg tussen het Hoendiep en de Legeweg gerepareerd. Er bleef echter iemand in gebreke. Deze persoon liet zelf verstek gaan bij het maken van de weg en stuurde er ook geen knecht heen. En dus legden de regelaars van het collectieve wegonderhoud hem een boete op, waarbij ze de drost vroegen om rugdekking. En die kregen ze:

Ter instantie van Rientje Klaassens en Hendrik Harms als volmagten over de weg loopende van de Leegeweg naar de trekweg te Hoogkerk, wordt aan dezelven een acte tot insinuatie aan Pieter van der Molen onder Hoogkerk om te voldoen ƒ 1-4-0 breuke met de kosten daarenboven, geaccordeert, ter oorzake bij het laatst gemeenschappelijk maken van gemelde weg is absent gebleven, en niemant zijnentwege heeft gesonden.

Met een gulden en vier stuivers (het bedrag van de boete) kon je wel drie man een dag aan het werk hebben. Maar hoewel er nu ook nog eens rechtskosten overheen kwamen, betaalde Van der Molen nog steeds niet. Veertien dagen later bleek de verstrekte akte van insinuatie zelfs “begroeyd”. En daarom gaf de drost toen een akte van pandhaling aan de volmachten. Ze mochten iets ter waarde van hun boete uit Van der Molens huis weghalen. Van der Molen kon de inbeslagname van dat onderpand gerechtelijk aanvechten, maar we horen verder niets meer over de zaak, zodat hij te langen leste wijselijk zal hebben betaald.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (gerechten Westerkwartier) inv.nr. 412: civiele zaken 17 juni en 1 juli 1807.


Het Lingenhuis nu helemaal een bouwval

Vanwege de gladde binnenwegen kwam ik vanochtend bij uitzondering weer eens langs de Peizerweg en zag dat de boerderij aan het eind van die weg nu wel heel erg ingestort is:

De laatste eigenaar wilde er auto’s repareren, maar kreeg de agrarische bestemming er niet af. Ook had hij veel last van trillingen (de busbaan loopt er vlak langs):

In elk geval vanaf de 17e eeuw hebben boerderijen op deze locatie gestaan. Eerst de Brackenheerd, waarschijnlijk zo genoemd naar een stuk ziltige grond (niet ongewoon in Hoogkerk e.o.). Eind 17e eeuw werd dit ’t Lingenhuis, dat na de komst van het belendende Porrenhuis (een herberg en particulier tolhuis) tot het minibuurtschapje Lingenhuizen promoveerde.

Aan de westkant van het heem ligt een krom watertje op de plek waar voor 1300 het Oude Eelderdiep naar Hoogkerk toe stroomde:

Er staat nu een verboden toegangsbord bij van BAM-Utiliteitsbouw. Ik denk dat er een project ontwikkeld wordt en hoop dat de archeologen van de gemeente ruim de gelegenheid krijgen voor onderzoek op deze historische plek.

Zal binnenkort ook maar eens mijn notities over de bewoningsgeschiedenis van deze locatie tot een artikel verwerken.


Rondje Leegkerk – Dorkwerd

Gedumpte goot in de berm van de Roderwolderdijk, Hoogkerk:

Hindernisbalken van Henkie Hout, Aduarderdiepsterweg Leegkerk:

Door geiten aangevreten boom bij de Tichelwerkbrug:

Boerderij op Leegkerk:

Leegkerk – reddeloos ensemble met de kerk op de achtergrond:

Gaaikemadijk, de populierenrij:

De nieuwe brug bij Aduard staat nog omhoog:

Het kerkje van Dorkwerd:


Een historisch debat over de Nieuwbrug

Nieuwbrug e.o. , 1826. Plattegrond door Provinciale Waterstaat. Collectie RHC Groninger Archieven 817-2780.2.

Dit is inmiddels zeeker, dat dezelve brugge zig thans bevind in eene hoogst gevaarlijke situatie, en alleen door behulp van touwen belet wordt uit elkanderen te vallen, zijnde een enkel kwaadaardig persoon door een deezer touwen los te maaken of door te snijden in staat om de grootste ongelukken te veroorzaaken en een doorgaande passagie te belemmeren, zoodat het van kante der policie volstrekt wordt gevordert dat deezen aangaande ten eersten de vereischte order werde gesteld…

Aldus A.P. Driessen, drost van het Westerkwartier, in 1807 over de toestand van de Nieuwbrug over het Aduarderdiep bij Leegkerk. Deze brug was er in de late Middeleeuwen als til of boogbrug gekomen dankzij de Stad Groningen, die er een herberg naast bouwde. Destijds bestonden het Hoendiep en zijn aanliggende Trekweg nog niet als aanvaardbare verkeersader, en de Stad wilde een goede wagenweg naar en vanaf het centrale deel van het Westerkwartier en Friesland, vandaar de aanleg van de Nieuwbrug, die gezien werd als tegenhanger van de oude brug bij Steentil. Ook bleef de Stad eeuwenlang voor onderhoud zorgen. Tot ze daar rond 1800 geen heil meer in zag. Vandaar de houtje-touwtje constructie, door Driessen gesignaleerd in zijn brief aan de Landdrost van Groningerland.

Begin 1807 had het provinciebestuur van Stad en Lande het Groninger stadsbestuur nog aangeschreven met de boodschap dat de Stad de Nieuwbrug “in een bruikbaaren staat” moest houden. Ook wilde het provinciebestuur de precieze redenen weten, waarom de Stad daar geen trek meer in had.

Bij monde van L. Beckeringh antwoordde het stadsbestuur met een historisch betoog, dat het lot van de brug verbond met dat van het stedelijke stapelrecht. In 1595 was dat recht, zoals bekend, bevestigd door de Staten-Generaal. Een onderdeel ervan vormde het verbod op het brouwen van bier in de Ommelanden, anders dan voor consumptie in eigen huis. Er mocht daar alleen bier worden verhandeld, of in herbergen worden getapt, als dat kwam van een Groninger brouwer. Volgens het stadsbestuur ging de aanleg van de nieuwe brug gepaard met het recht om bij deze brug en bij die van Enumatil herbergen te bouwen, die ook alleen maar hun bier uit de stad mochten betrekken. Stedelijke brouwers konden het recht op leverantie hier kopen van de Stad, tenzij dat recht was afgekocht ten gunste van een andere Groninger brouwer. Door de Bataafse Revolutie echter, was de Stad haar stapelrecht kwijtgeraakt. Beckeringh:

Het stapelregt intusschen door de gebeurtenissen welke in den jare 1795 hebben plaats gehad, zijnde komen op te houden, gelijk ook het uitsluitend regt om bij de Nieuwebrug en Enumatil oost- en westzijde geen ander bier te mogen verkoopen als hetwelk in de Stad is gebrouwen – ofschoon dat regt aan de Stad wettig competeert – zoo vermeenen wij dat door die veranderingen de redenen en motiven die de Stad gehad heeft in vorige tijden om gemelde brug aldaar te laaten maken en onderhouden, tans ten eenemaal komen te cesseren en dat het tegen alle reden en billijkheid zou zijn dat de Stad met het onderhoud eener brug in de Ommelanden, waarbij zij tans geen het minst belang heeft, zou blijven bezwaard.

Van het provinciebestuur verwachte het stadsbestuur dat het “de billijkheid” van deze argumentatie zou inzien en een besluit zou nemen dat goed zou zijn voor de bewoners van het Westerkwartier.

De Landdrost zond het stedelijke stuk door naar A.P. Driessen, de hierboven al ter sprake gekomen drost van het Westerkwartier. Hij zette vraagtekens bij het door de stad veronderstelde verband met het stapelrecht en de exclusieve leverantie van Groninger bier als motieven om de Nieuwebrug te bouwen en onderhouden. Volgens de nuchtere Driessen vormde de herberg bij de Nieuwebrug veeleer een bewijs voor het drukke verkeer of

voor de aangelegene passagie, welke langs deezen weg plaatshad, dan dat hetzelve kan worden gehouden van dat belang om alleen daarom op stadskosten een geheel nieuwe brugge over het Aduarderdiep aan te leggen.

Verder trok de Stad volgens Driessen al heel lang geen “bijzondere voordeelen” meer uit de verkoop van stadsbieren op de Nieuwebrug en bij Enumatil. Inderdaad staat me van resoluties en stadsrekeningen bij dat de stedelijke band met de herberg bij Nieuwbrug ca. 1620 al verbroken werd. Toch was de Stad al die tijd met het brugonderhoud doorgegaan, ook toen naderhand de passage langs de Nieuwbrug “aanmerkelijk” verminderde dankzij de ”de considerabele verbetering van de Trekvaart en aanlage van een uitnemend Trekpad” (bedoeld zijn het Hoendiep en de rode puinweg erlangs, HP).

Het verlies van het stapelrecht in 1795 vormde dus nogal een gezocht argument om zich te onttrekken aan de eeuwenlange onderhoudsplicht. Maar Driessen wilde geen uitspraak doen of de stad zich terecht onttrok, “doordien dit object toevallig voor haar van minder waarde is geworden”. Fijntjes wees hij erop dat de aanwonenden van de weg die naar de Nieuwbrug voerde, altijd vrij waren geweest van wegonderhoud – hij vroeg zich af of die “naar regte nu nog met deeze last kunnen worden beswaard”.

Of dit jaar al het besluit viel om het onderhoud van de Nieuwbrug naar de provincie over te hevelen, weet ik niet. Feit is dat in elk geval vanaf 1826 tot 1940, toen de Nieuwbrug als draaibrug door ons leger werd opgeblazen, het onderhoud in handen lag van de provincie, die een pachter passagegeld bij de brug liet innen.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 3 (archieven Gewestelijke Besturen) inv.nr. 712: ingekomen missives van plaatselijke bestuurders etc., dossiertje met de brieven van het Stadsbestuur en Driessen d.d. 10 april en 26 juni 1807.


Dementerende Hoogkerker verzoekt zelf om curatele

In 1870 was de gemiddelde levensverwachting in Nederland en België ongeveer 40 jaar. Op dat moment werden er al ontsmettingsmiddelen (met name chloorkalk) toegepast en bestond er ook al tientallen jaren (een nagenoeg algemene) inenting tegen de kinderpokken. Ruim een halve eeuw eerder, in de periode 1800-1815, moet de levensverwachting dus nog een stuk lager hebben gelegen, zeg 30 jaar.

Een klein onderzoekje onder de 45 overledenen van Hoogkerk tussen september 1811 en eind 1813 laat zien dat die verwachting waarschijnlijk nog lager was. De gemiddelde leeftijd van overlijden bleek hier destijds 23,7 jaar.

Twee op de vijf Hoogkerkers stierven als klein kind, onder de vijf jaar. Nog eens één op de vijf deed dat tussen zijn vijfde en twintigste. De meeste mensen – drie op de vijf – werden dus niet eens volwassen. Als je twintig werd, had je de meeste van je leeftijdgenoten al overleefd.

Daarna braken er wat minder hachelijke levensjaren aan. Een relatief geringe sterfte bestond er namelijk bij mensen ‘in de kracht van hun leven’, zeg tussen hun twintigste en vijftigste. Maar – slechts een kwart van de Hoogkerker overledenen haalde de vijftig. Geen wonder dus dat Elke Karsten, een weduwe op de Holm onder Tolbert, met haar 67 jaar in 1807 een “hoog bejaarde vrouw” genoemd werd.

Hoewel mensen, als ze hun kinderjaren en jeugd overleefden, dus een tijdlang minder bevattelijk waren voor ziekte en dood, overleden er toch nog relatief veel meer ouders van kleine kinderen dan vandaag de dag. Vandaar de uitgebreide arrangementen om (half)wezen te beschermen als een overlevende ouder hertrouwde, of als beide ouders overleden waren. Ik schat dat ongeveer de helft van alle rekesten in het Groningerland van voor 1811 te maken heeft met de voogdij over zulke kinderen.

Een ander effect van het vroegtijdige doodgaan, bijvoorbeeld aan kinder- of infectieziekten, was dat bepaalde ziekten waar wij tegenwoordig veel mee te maken hebben, toen veel minder voorkwamen. Maar ook al waren deze ziekten relatief zeldzaam, ze waren vaak wel bekend.

Zo had de hoogbejaarde Hoogkerker Harm Hindriks in 1804 vast wel een idee wat hem te wachten stond. Aan de drost van het Westerkwartier vertelde hij, dat hij gemerkt had,

dat door ouderdom, als hebbende reeds 84 jaren bereikt, niet alleen zijne lichaams- maar ook zijne zielsvermogens zeer verswakken, zodanig dat remonstrant somtijds niet weet wat hij voor een paar uuren en veel min den vorigen dag gezegt of gedaan heeft, en daardoor in gevaar geraakt van in het bestuur zijner zaken verkeerde stappen te begaan…

Met andere woorden – Harm was aan het dementeren, maar was zich daar terdege van bewust. Daarom wilde hij, na overleg met zijn kinderen, dat er door het gerecht curatoren over hem zouden worden aangesteld, aan wie hij “de administratie zijner goederen” kon overlaten. Het verzoekschrift tekende hij met een kruisje in aanwezigheid van twee getuigen.

Binnen vier dagen was de zaak beklonken. In een hoorzitting bevestigden Harms zoon Hindrik Harms en drie schoonzonen dat

Het noodzakelijk en tevens aller kinderen begeerte was , dat de oude man, door lichaamszwakheden en hogen ouderdom niet meer in staat zijnde zijne zaken te beheren, onder curatele werde gesteld.

Wat Harm ten overvloede nog eens beaamde, terwijl hij eraan toevoegde

Dat hij nog onlangs op het punt geweest was, van een zeer nadelig contract over zijn plaats te perfecteren.

Overigens hadden de kinderen wel al hun moederlijjk erfdeel van hem uitgekeerd gekregen, zo zeiden ze desgevraagd (dus tegen die verkoop of verpachting van zijn plaats hadden ze althans formeel geen bezwaar kunnen maken).

De familie leverde zelf geen bewindvoerders – eendrachtig droeg ze Jannes Rotgers en Pieter Jans Leutscher, “zijnde beide naburen der remonstrant”, als curatoren voor. Deze buurmannen hadden een paar dagen eerder ook al Harms inleidende verzoekschrift getekend. Zij zouden zo spoedig mogelijk worden beëdigd.

Bronnen: RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (gerechten Westerkwartier) inv.nr. 611: criminalia, 3 juni 1807 (Elske Karsten); inv.nr. 724: rekesten 27 en 31 mei 1804; inv.nr. 766: commissieboek, 30 mei 1804.


Een kat in de weem

Crimineel verhoor onder ede. Rechts de vooraf op papier gezette vraag, links het naderhand opgetekende antwoord.

De vraag:

Of er aan het huis van de dom[inee] ook huisdieren, hetzij katten of honden worden gehouden?

Die vraag was relevant vanuit de gedachte dat een kat of hond ook vuur kon overbrengen, zoals in dit geval in de pastorie van Leegkerk.

Het antwoord van de meid die van brandstichting verdacht werd:

Gedet[ineer]de zegt, zij hadden al een kat, dog geen hond.

Het is een volstrekt irrelevant detail, maar toch heel aardig om te weten dat er in 1809 een kat rondliep in de weem van Leegkerk.

Natuurlijk ligt dat zeer voor de hand in een boerderij-achtig onderkomen waar ook graan, in dit geval haver, werd opgeslagen, maar katten kom je hoogst zelden tegen in overheids- en rechterlijke archieven. Zo vind je ze praktisch nooit op boedelinventarissen. Waarschijnlijk is dat omdat ze geen economische waarde vertegenwoordigden. Schaarste aan katten was er niet of viel vrij eenvoudig op te lossen, en in tegenstelling tot landbouwhuisdieren konden ze maar zo uit eigen beweging weg zijn, waarbij nog komt dat de affectieve waarde niet te taxeren viel.

Vandaar mijn glimlach, bij deze passage. Ik zie er een predikant bij, die in zijn studeerkamer bezig is met het voorbereiden van een preek, terwijl er een kat opgerold op zijn schoot ligt te snorren.

Een tevreden man, die dominee. Tot er brand uitbreekt.