Het karakter van de Leekster Courant

“De gouden formule van de Leekster Courant was het kleine, menselijke nieuws. De Leekster Courant berichtte veel over mensen. Alle namen van de zwemdiploma-behalers werden vermeld. De burgerlijke stand, kleine advertenties. Veehandelaren stonden er voor in de rij op vrijdagmorgen.”

Uit een verslag van een causerie door oud-Leekster Courant-journalist Jan Niemeijer, welk verslag te vinden is de jongste editie van Historisch Leek, een nummer dat geheel gewijd is aan de Leekster Courant (het citaat komt van pag, 20).

Zie ook.


En dan komen de ratten uit hun holen

Diuck Spreeuwers

Ziehier wat Dick Spreeuwers uit Enumatil over mij beweert. Karaktermoord, sommige mensen draaien er hun hand niet voor om.

Inderdaad heb ik helaas één keer met meneer Spreeuwers te maken gehad, En die ene keer was  ook meer dan genoeg, voor ons beide. Jammer genoeg komt S. er nu op terug, ondanks zijn eigen uitdrukkelijke wens om dat niet te doen.

Nu bijna drie jaar geleden, op 20 oktober 2011, vroeg deze meneer Spreeuwers als redacteur van de dorpskrant Enumatil om een aangepaste versie van mijn Unox-verhaal. Dat ontving hij met de bijbehorende afdrukbare foto op 31 oktober d.a.v. Vier dagen later kreeg ik zijn ontvangstbevestiging:

Het stukje is helemaal prima en ik ben er erg blij mee.
Heb alleen mijn eigen naam even weggehaald.
Hartelijk dank voor je moeite en mocht je ooit weer eens iets tegenkomen over Enumatil dan houd ik me van harte aanbevolen

Het tweede zinnetje bevreemdde me, zodat ik hem terugschreef:

Hoezo je eigen naam weggehaald?
Ik had die toch niet in mijn stukje genoemd?

Ook vroeg ik hem alsnog om me een exemplaar van zijn krant te sturen, zodra het nummer uit zou zijn en gaf hem daartoe mijn adres. Ruim een maand later evenwel, had ik nog steeds niets ontvangen. Intussen had ik al wel gehoord dat zijn krant verschenen was en ik stuurde hem daarom een minnelijke herinnering:

Nogmaals een vriendelijk verzoek om een exemlaar van de krant met mijn
foto (en stukje) te sturen naar het adres dat ik je eerder stuurde, en
dat je ook in het onderstaande vinden kunt.

Wat er ook volgde, geen boe of bah van Dick Spreeuwers. Weer drie maanden later, op 3 februari 2012 – u ziet: mijn geduld is nogal groot – stuurde ik hem daarom opnieuw een reminder. En omdat ik intussen uit Enumatil vernomen had dat Spreeuwers wel vaker bij dit soort zaken in gebreke bleef, deed ik dat nu helaas wat minder vriendelijk:

Ik heb nimmer een exemplaar van de dorpskrant mogen ontvangen, waarin
mijn stukje + foto heeft gestaan.

Ik vind dit geen manier van doen. Nu ik tegen iets leuks mbt Enumatil
ben aangelopen, zal ik jou daar ook absoluut niet van in kennis
stellen. Net zomin als ik dat in het vervolg ooit nog ga doen.

Wellicht zal ik ook nog een stukje op mijn weblog wijden aan deze gang
van zaken.

Dat hielp de communicatie weer op gang, want dit keer kwam er nog dezelfde dag antwoord van Spreeuwers. Met veel omhaal van woorden beweerde hij dat hij de krant wèl opgestuurd had:

Omdat ik verder niets meer gehoord of retour ontvangen heb ben ik ervan uit gegaan dat u deze ontvangen hebt.
Misschien had u eerst eens even kunnen informeren of dit wel of niet gebeurd is.
Ik vind uw reactie en dreigement erg vervelend net als het feit dat u de krant kennelijk niet ontvangen hebt.
Een exemplaar zal ik morgen nogmaals aan u sturen naar het adres zoals vermeld in uw eerdere mail.
Deze zou u zaterdag, hooguit volgende week dinsdag in huis moeten hebben.
Zo niet dan verwacht ik bericht van u.
Met een evt. stuk dat u nog zou hebben over Enumatil moet u maar doen wat u wilt.
Ik zal er verder niet op aandringen.
Ik vind de gang van zaken betreurenswaardig en uw negatieve instelling teleurstellen.

Meneer Spreeuwers gaf dus de schuld aan de post. Ik bedankte hem alvast voor zijn krant, maar:

Uw bewering dat u die krant opgestuurd heeft, trek ik in twijfel.
Ik heb hier namelijk totaal geen klachten over de bezorging van de mij
toekomende post.

Ook dat vond hij niet leuk:

U maakt mij dus uit voor leugenaar.

Sommige mensen leggen anderen van alles en nog wat in de mond. Hoewel ik tamelijk moe van deze persoon werd, kon ik er niet onderuit hem nogmaals van repliek te dienen::

Leugenaar is uw woord, en als u dat passend vindt, moet u dat helemaal
zelf weten. In plaats van de gebelgde sinjeur uit te hangen, meneer Spreeuwen, zou
ik als de wiedeweerga maken dat die krant eindelijk eens bij mij in de
bus ligt. Kom uw beloften na, dan heeft u voortaan geen gezeik.

En verder stel geen prijs meer op mails van u.

Aan deze toch overduidelijk uitgesproken wens van mij bliefde meneer geen gehoor te geven:

Die krant krijgt u alhoewel u deze niet verdient na onderstaande.
Zoals deze ook al eerder is verstuurd.
Uw aanmatigende toon is totaal ongepast naar iemand die ter goeder trouw heeft gehandeld.
Het past u niet mij valselijk te beschuldigen omdat u een krant die wel verstuurd is niet heeft ontvangen.
Oorzaak onbekend.
Ik zal mij verder niet verlagen tot uw niveau en niet ingaan op uw taalgebruik.
Daar stel ik mij boven.
Tot graag nooit meer horens.

Vervolgens heb ik zijn eigen uitdrukkelijk uitgesproken wens maar ingewilligd en het er maar bij gelaten. Zoals ik al zei: jammer genoeg komt Spreeuwers er nu op terug. Sommige mensen koesteren nu eenmaal graag hun wrok. Hopelijk worden ze er gelukkig van.


Domme praat van iemand die beter zou moeten weten

discussie

Discussie tussen twee eindredacteuren: Marco in ’t Veldt van het Harener Weekblad (NDC) valt me bij; Martin Cusiel van o.a. rtv Noord en Dvhn (NDC) valt me af. Over de schampere tweet van de laatste wil ik het hier even hebben.

Cusiel vindt het maar aandachttrekkerij van mij. Nou leven media en bijgevolg Martin Cusiel van de aandachttrekkerij, want zonder persberichten van allerlei aandacht trekkende personen, instanties en evenementen zouden media met een tamelijk beperkt nieuwsaanbod zitten. Ik neem dan ook aan dat Cusiel hier niets mee te maken wil hebben en doorlopend op zoek is naar geheel en al eigen nieuws. Zijn productie in deze zie ik met belangstelling tegemoet.  Overigens zou Cusiel consequent zijn, als hij die aandachttrekkerij ook bij zijn broodheren zou afkeuren. Deze vallen ons namelijk doorlopend lastig met al hun reclame.

Martin Cusiel vindt verder dat de kwestie héél gemakkelijk met een factuur viel op te lossen. Maar waar stuur je de factuur heen in het geval van De Oude Doos? Op die vraag blijft Cusiel het antwoord vooralsnog schuldig.

En, nog een interessante vraag: hoeveel hou je uiteindelijk over van zo’n factuur? Van een kennis die een rekening wegens geroofd intellectueel eigendom niet betaald kreeg door nota bene een bij Cusiel zéér bekende krant, en die er na meerdere vergeefse aanmaningen uiteindelijk toe besloot een incassobureau op te zetten, weet ik hoeveel hij kreeg, na aftrek van alle kosten: bizar weinig.

Domme praat dus, van Martin Cusiel. En daar wilde ik inderdaad even de aandacht op vestigen.


NDC-weblog Sikkom pleegt plagiaat

Op de DvhN-website vandaag een uitgebreid verhaal over het stadsweblog Sikkom, dat zoveel succes zou hebben. Met geen woord wordt er in het stuk gerept over het feit dat Sikkom, net als het DvhN zelf, een uitgave is van de NDC Mediagroep, en dat de maker van Sikkom, Willem Groeneveld, als eindredacteur en product developer in dienst is van de NDC. Het lijkt dus te gaan om NDC-reclame voor eigen winkelwaar, waar echter niet, zoals te doen gebruikelijk bij serieuze media, voor gewaarschuwd wordt met een kopje ‘advertorial’. Bij het hoera-gehalte van het verhaal mag men dan ook gerust een moddervet vraagteken plaatsen.

Ik zou hier geen woorden aan vuil hebben gemaakt, als mij bij een kleine check van Sikkoms bejubelde content niet was gebleken dat Sikkom het niet zo nauw neemt met het mijn en het dijn. Meneer Groeneveld heeft namelijk een volledig artikel van mij overgenomen en dat zonder enigerlei bronvermelding of link. De enige bewerking die hij zich veroorloofde is het toevoeging van enkele tussenkopjes. Opdat de lezer dit plagiaat ook kan nagaan, volgen hieronder beide stukken, links het oorspronkelijke, rechts het geplagieerde van het NDC-weblog:

Versie Groninganus/Harry PertonEen spokend wijf bij de Hereweg

Op de plek waar nu het Van Mesdagasiel staat, bevond zich in de 18e eeuw de gerichtsplaats, waar af en toe ter dood veroordeelde misdadigers ten aanschouwe van een massaal toegestroomd publiek werden gerad­braakt of opgehangen. De lichamen van deze criminelen liet men ‘tot lering en exem­pel’ van datzelfde publiek aan de galg hangen of op het rad liggen, tot ze waren vergaan. Voorbijgangers zullen er wel eens een neus hebben dichtge­knepen.

Even verderop lag op de grens van het stads­gebied de Hel­perlinie, een aarden verde­digings­wal met een gracht (nu: het Helper­diep­je). Waar Hereweg en Helperlinie elkaar kruisten kon men de buiten­wacht aantref­fen. Soldaten van het Groninger garnizoen hielden daar het in- en uitga­ande verkeer zo’n beetje in de gaten, als ze niet al te dronken waren.

Die tijd heette niet voor niets De Kleine IJstijd, ‘s winters kon het nog gemeen koud zijn. Dat was eind november 1734 ook weer het geval. Toen in die vorstperiode op een avond het rantsoen turf in de buitenwacht was opgestookt, besloten de totaal verkleumde soldaten een rad van de gerichtsplaats te halen. Ze namen niet eens de moeite het hoofd van de terecht­gestelde vrouw eraf te nemen en smeten het hele geval zo op hun zieltogende vuurtje.

Uiteraard werden de autoriteiten dit gewaar. De eerste die op onderzoek uitging was een majoor van de krijgs­raad. Helaas zijn ‘s mans papieren niet be­waard gebleven; we weten dus niet wat hij te horen kreeg. Maar ook de stadsfiscaal (aanklager) wilde er vanwege de geruchten die in de stad rondgingen het zijne van weten. De beide verslagen van de verhoren die hij afnam, kan men nu nog steeds raadplegen op het archief.

De haren rijzen je te berge! De getuigen, die de namen van de betrokken soldaten niet wilden noemen, gaven als bijzonderheden dat het hoofd van Trijne – want zo heette de geëxecuteerde vrouw – tot twee maal toe van het vuur was afgespron­gen en dat het, nadat het er ten derden male op was gelegd, finaal uit elkaar was ge­klapt.

Geen wonder dat het was het gaan spoken, daar aan de Here­weg. Een soldaat die in de buiten­wacht een uiltje knapte had zich een tijdlang absoluut niet meer kunnen verroe­ren: hij was ‘zonder handen vast­gehouden’. En een andere soldaat had een zwart ding door de schoorsteen zien vallen, een ding dat de gedaante aannam van een hond. Mis­schien was het wel een Drentse weer­wolf, je wist maar nooit waar die op kwamen duiken, bij winternacht.

Versie Sikkom/Willem GroeneveldEen spokend wijf bij de Hereweg – vrouger

Op de plek waar nu de Van Mesdagkliniek aan de Hereweg staat, bevond zich in de 18e eeuw de gerichtsplaats, waar af en toe ter dood veroordeelde misdadigers ten aanschouwe van een massaal toegestroomd publiek werden gerad­braakt of opgehangen.

De lichamen van deze criminelen liet men ‘tot lering en exem­pel’ van datzelfde publiek aan de galg hangen of op het rad liggen, tot ze waren vergaan. Voorbijgangers zullen er wel eens een neus hebben dichtge­knepen.

Even verderop lag op de grens van het stads­gebied de Hel­perlinie, een aarden verde­digings­wal met een gracht (nu: het Helper­diep­je). Waar Hereweg en Helperlinie elkaar kruisten kon men de buiten­wacht aantref­fen. Soldaten van het Groninger garnizoen hielden daar het in- en uitga­ande verkeer zo’n beetje in de gaten, als ze niet al te dronken waren.

Oh oh oh wat is het koud

Die tijd heette niet voor niets De Kleine IJstijd, ’s winters kon het nog gemeen koud zijn. Dat was eind november 1734 ook weer het geval. Toen in die vorstperiode op een avond het rantsoen turf in de buitenwacht was opgestookt, besloten de totaal verkleumde soldaten een rad van de gerichtsplaats te halen. Ze namen niet eens de moeite het hoofd van de terecht­gestelde vrouw eraf te nemen en smeten het hele geval zo op hun zieltogende vuurtje.

Uiteraard werden de autoriteiten dit gewaar. De eerste die op onderzoek uitging was een majoor van de krijgs­raad. Helaas zijn ‘s mans papieren niet be­waard gebleven; we weten dus niet wat hij te horen kreeg. Maar ook de stadsfiscaal (aanklager) wilde er vanwege de geruchten die in de stad rondgingen het zijne van weten. De beide verslagen van de verhoren die hij afnam, kan men nu nog steeds raadplegen op het archief.

Spoken aan de Hereweg

De haren rijzen je te berge! De getuigen, die de namen van de betrokken soldaten niet wilden noemen, gaven als bijzonderheden dat het hoofd van Trijne – want zo heette de geëxecuteerde vrouw – tot twee maal toe van het vuur was afgespron­gen en dat het, nadat het er ten derden male op was gelegd, finaal uit elkaar was ge­klapt.

Geen wonder dat het was het gaan spoken, daar aan de Here­weg. Een soldaat die in de buiten­wacht een uiltje knapte had zich een tijdlang absoluut niet meer kunnen verroe­ren: hij was ‘zonder handen vast­gehouden’. En een andere soldaat had een zwart ding door de schoorsteen zien vallen, een ding dat de gedaante aannam van een hond. Mis­schien was het wel een Drentse weer­wolf, je wist maar nooit waar die op kwamen duiken, bij winternacht.

Zoals ik op mijn auteurspagina De vent hierachter (zie rechtsboven) duidelijk en eigenlijk juridisch ten overvloede heb aangegeven, berust er op mijn teksten en foto’s  copyright.

“Verzoeken om overname op een niet-commerciële website worden in de regel ingewilligd, mits de bron wordt vermeld en er er een link naar dit weblog wordt gelegd.”

Met andere woorden: ik ben echt de kwaadste niet: als het om een niet-commerciële website gaat sta ik overname van teksten en foto’s gewoonlijk toe, mits er natuurlijk om toestemming wordt gevraagd etc. Wanneer men ondanks deze toch tamelijk soepele regels voor overname geen contact zoekt en niet om toestemming vraagt, noch ook aan de gevergde bronvermelding en link doet, geeft men echter te kennen dat de eigenlijke auteur er helemaal niet toe doet. En dan word ik hellig.

In het geval van Sikkom gaat het ook nog eens om een commercieel weblog, dat nadrukkelijk adverteerders werft. De vraag is natuurlijk of die zich met dergelijke zaken willen associëren, maar dat doet er nu even niet toe. Feit is, dat het NDC-weblog Sikkom o.a. door plagiaat aan zijn kopij komt.

Sikkom heeft nu wat mij betret nu twee opties:

  • Het stuk verwijderen;
  • Of alsnog zorgen voor bronvermelding met een link naar het oorspronkelijke stuk en een redelijke auteursvergoeding.

Wordt er niet aan deze voorwaarden voldaan, dan geef ik mijn vordering uit handen aan een advocaat.

Een mail terzake is inmiddels naar meneer Groeneveld gegaan.

Harry Perton

Update 3 oktober 2014, 14:30 uur:

Willem Groeneveld van Sikkom heeft inmiddels telefonisch gereageerd op mijn mail. Volgens hem had hij het stuk niet rechtstreeks overgenomen van mijn weblog, maar van de pagina De Oude Doos op Facebook, waar ene GM het onder haar eigen naam heeft gepost zonder de werkelijke auteur te noemen. De Oude Doos stond echter evenmin als bron bij het stuk op Sikkom vermeld. Groeneveld verkeerde abusievelijk in de veronderstelling dat GM de auteur was en heeft haar gevraagd of hij het stuk mocht overnemen, wat zij goed vond. Inmiddels heeft Groeneveld een link naar Groninganus aangebracht.

Een en ander bevestigt mij in mij in mijn mening dat Facebook één grote roversbende is, en dat het als zodanig hoognodig eens juridisch aangepakt moet worden.


De Leekster Courant, een korte historische introductie

Vanuit een depot van RHC Groninger Archieven komt het allereerste exemplaar van de Leekster Courant. Harry Perton vertelt over wat zaken die hem opvielen aan de allereerste edities van deze krant voor het Groningse Westerkwartier en het Drentse Noordenveld:

De clip is gemaakt door Tjerk Bekius en maakt deel uit van een wat langere film, die doorlopend draait op een tentoonstelling over de Leekster Courant. Deze zal vanaf zondag 5 oktober te zien zijn in de oranjerie van Museum Nienoord en wel op de zaterdagen 11, 18 en 25 oktober en 1 november* en 6 december*, daarna op de zondagen 21 en 28 december 2014 en 4 januari 2015, steeds van 11:00 tot 17:00 uur. De tentoonstelling is gratis toegankelijk. (* = in combinatie met de streekproductenmarkt bij Nienoord).


Hoe de Drentsche Courant de Meppeler Courant de oren waste

“Voor eenigen tijd gaf de Meppeler Courant te kennen, dat zij, wanneer zij eigene berigten uit de Drentsche Courant overnam, zulks steeds met groote letters zou te kennen geven. Wij vonden dit zeer prijzenswaardig en niet meer dan eerlijk; jammer dat de Meppeler dit goede voornemen – gelijk helaas, met vele goede voornemens pleegt te geschieden – zeer spoedig schijnt vergeten te zijn; hel laatste nummer levert er het bewijs van. Wij vertrouwen echter dat eene bloote herinnering aan bedoeld haar loffelijk voornemen genoegzaam zal zijn om haar voor het vervolg weder dienovereenkomstig te doen handelen.”

Bron: DrentscheCourant 19 februari 1850.

Let wel: niet het overnemen van berichten wordt gegispt, want de Asser was er zich zeer van bewust dat nieuws vrij was. Het ging haar louter om de bronvermelding, implicerende een erkenning dat men het bericht niet te danken had aan de eigen, maar aan andermans noeste ijver.


Meppeler blad voor huisvlijt

huiselijke kuns 1
Fraaie Jugendstil-advertentie, voorkomend in het allereerste nummer van het blad Huiselijke kunst, dat in april 1910 verscheen. Het betrof een uitgave van G.P. Dikkers Azn., die in Meppel een magazijn voor huisvlijt- en kunstnijverheidsartikelen gecombineerd met een postzegelhandel dreef. Via zijn blad wilde hij lezers op de hoogte brengen van nieuwtjes op het gebied van vlakbranden, kantklossen, houtsnijwerk, batikken en wat dies meer zij. In ettelijke regionale en landelijke kranten werd zijn blad aangekondigd en ook wel positief besproken als

“Een periodiek, waaruit men heel wat mooie dingen voor de huishouding kan leeren maken. Platen en tekst ademen distinctie en goeden smaak”

Toch maakte het zijn eerste jaargang amper vol. Kennelijk was de markt ervoor niet groot genoeg en kon het niet uit. Opmerkelijk was nog dat Dikkers ook advertenties voor transatlantische correspondentie- en uitwisselingsclubs opnam:

winnipeg hobby club

Ik kreeg mijn exemplaar, dat voorzien is van het stempel ‘proefnummer’, jaren geleden van Boekito, en vond het vanavond terug in een verhuisdoos. Aangezien ik er verder niets mee doe, denk ik dat ik het maar aan het Drents Archief schenk, want dat heeft het vast niet in zijn collectie.


‘Kort onderwys, hoe men de couranten best lezen kan’

Ik had het boekje altijd al eens willen lezen, ook omdat het ooit heel aardig besproken was achterop de NRC. Zelfs overwoog ik een tripje naar de Koninklijke Bibliotheek te maken om het daar onder ogen te krijgen. Nu staat het dan in de DBNL, wat me die trip bespaart.

In het boekje, dat in 1758 te Leeuwarden verscheen, legt de hovenier en broodschrijver Johan Herman Knoop aan de gewone man – , “’t zy Landman of gemeen Burger” – uit hoe hij kranten “met nut en voordeel” kan lezen en begrijpen.

Een drempel daarvoor werpen de vele vreemde woorden op, die in kranten staan. Daarom heeft Knoop aan zijn korte didactische betoog een woordenlijst toegevoegd, die het leeuwendeel van de pagina’s in zijn boekje inneemt.

Over didactiek gesproken – volgens Knoop vormen kranten een uitstekend leermiddel. Hij schrijft

“…dat ’t zeer nuttig zyn kan, dat men de jongelingen in de scholen de couranten laat lezen (…) niet om de nieuwsgierigheid of ’t nieuws, maar om haar de vreemde woorden te verklaren; dienende teffens om deze jeugd een ander en klaarder denkbeeld te geven van de wereld, en wereldsche dingen, en schranderder te doen worden, om met menschen beter te leeren omgaan…”

Het goed kunnne lezen van kranten veronderstelt echter wel dat men beschikt over enige geografische kennis. Vooral moet men weten waar de hoofdsteden liggen, omdat daar het nieuws vandaan komt. Het bezit van kaarten en atlassen zou dan nuttig kunnen zijn bij het lezen van de krant, ware het niet dat dit voor gewone mensen mogelijk iets te hoog gegrepen is:

“Edog deze kennisse der kaarten is ’t meest voor menschen van een meer als gemeene opvoeding en bevatting, en dus niet voor de gemeene boeren of landlieden, schoon ’t in der daat zo zwaar niet is te leeren als zig veele verbeelden…”

Verder blijkt Knoop een verklaard voorstander van het gestructureerd lezen van de krant. De lezer moet vooraan beginnen en niet egens middenin, laat staan achteraan. Ook moet een lezer gedurende langere tijd het krantenlezen volhouden, want anders snapt hij er niets van.

Een probleem dat weer wat meer ruimte in Knoops boekje vergt, is de betrouwbaarheid van de krant. Opvallend is dat Knoop de krant en zijn medewerkers graag het voordeel van de twijfel gunt:

“Het is waar, zommige menschen zeggen wel, de courant liegt, of kan liegen. Dit kan ook wel in zommige gevallen gebeuren, jedog dit is als dan niet de schuld van den schryver of uitgever der courant, maar komt van daan van onzekere of onware berigten, die hy van zyn correspondenten ontvangen heeft, welke zekerlyk ook weer van andere qualyk over de zake of gebeurtenis beregt zyn, dat uit veelerley oorzaken ontstaan kan, als, door abuis of schielykheid, en veel meer andere dingen…”

Vooral in oorlogstijd spreken berichten elkaar wel eens tegen, aldus Knoop. Overigens bestaan er ook leugens om bestwil, met name leugens die kwaad moet voorkomen. En de krant liegt natuurlijk ook wel eens in commissie:

“De courant verhaalt derhalven de dingen zo als ze van andere verhaalt of berigt zyn; als dus andere in deze of gene voorvallen liegen, zo kan noodzakelyk de courant als dan ook niet anders doen.”

Overigens moet een lezer geen staatsgeheimen in kranten verwachten, in de krant staan alleen dingen die iedereen wel weten mag.

Enfin, als men de krant zo leest zoals Knoop ’t aangeeft, dan zal de lezer daar zijn voordeel mee doen. Niet alleen geeft het krantenlezen aanleiding tot “nuttige bespiegelingen of tot vermaak”, ook is er materieel voordeel in beroep en bedrijf te verwachten:

“Inzonderheid zyn de berigten uit de zee, zee- en andere steden dikwils van veel belang voor de grote kooplieden, negotianten, assuradeurs &c., zo wel in vredens- als voornamelyk oorlogstyden, om den staat van hunnen koophandel en andere dingen te weten, en dezelve daar na te reguleeren.”

Daarmee raakt Knoop dan aan de bestaansreden van de krant, want deze ontstond begin zeventiende eeuw als een koopmansbrief die zo vaak afgeschreven werd, dat het logischer was om hem te doen drukken.


Zeemeermin sterft in visnet

Meermin - VVAG

Gevelsteen Amsterdam

Nykiobbing op het Eyland Moors in Jutland den 15 Augusty. Deeze Plaats heeft thans de Eer de Nieuwsgierige Weereld een singulier Voorval te berigten, van yets ’t geen van veelen voor ongelooffelyk en maar voor bloote vertellingen word gehouden, waar van de waarheyd egter gansch duydelyk blykt. Namentlyk niet verre van hier aan de West-Kust geleegen streeks Lands, Haarbot genaamd, hebben 4 Visschers in den nagt tusschen den 11 en 12 deezer Maand, in hun Net teegens alle vermoeden een zoo genaamde Meer-Min of Zee-Wyf gevangen en opgehaald. Dit Zee-Wonder, is van boven een Mensch gelyk, dog van onder een volkoomen Visch. De Couleur van het boven Lyf is wat geelagtig en blas. Het heeft zeer kleyne en byna toegeslooten Oogen, en op het Hoofd lang Zwart Hair, de Leeden die de Handen verbeelden, zyn tusschen de Vingeren met een huyd, als de Ganse-Pooten, te zaamen gegroeyd: Dog op het Land getrokken zynde was dit Schepzel reeds gestorven.”

Bron: Groninger Courant 9 september 1749.

Volgens dit boek (waarin ik zocht op Nykøbing) was het wijdverspreide nieuws afkomstig uit een Kopenhagense krant en kwam er een ongekende massa boeren, schrijvers en schilders op de zeemeermin af. Overigens wordt het wezen meestal voor een wat onbekendere soort zeerob gehouden.


“Een goede stijl zal tot bijzondere aanbeveling strekken”

NvhN 7 februari 1914

Bron: Nieuwsblad van het Noorden 7 februari 1914.

Journalisten werden dus via rubrieksadvertenties geworven. In eenzelfde soort advertentie van vier jaar eerder vergde de directie nog een voltooide HBS- of gymnasiumopleiding van het tot verslaggever op te leiden jongmens. De opleidingseis was dus al afgezwakt. Een goede stijl hangt ook niet noodzakelijkerwijs samen met een hogere opleiding.


Achter de schermen van het ANP


Mister Kunst in Kerkenpad

1 2 3 4

Een tijdje geleden bezocht ik de kerk van Noordwijk, achter Marum, èn om de kerk, èn om een expositie. Toen ik ook het kerkhof kort bezien had, en mijn fiets van dat alderakeligste trappetje afhanneste, stond daar een meneer met een camera mij te fotograferen. Ik sputterde wat tegen, hij lachte wat en ging naar de overkant van de weg om daar met een kennis te gaan smoezen (dacht ik). En nu sta ik dan op en in allerlei huis-aan-huiskrantjes van het ganse Westerkwartier en maak ik met mijn baardige ponem reclame voor ‘Kunst in Kerkenpad’. Uit het gehele land reizen de geïnteresseerden af. Jaja.

Heb zelf tegenwoordig een nee-nee-sticker op mijn brievenbus, om dergelijke krantjes te weren. Het is dat ik overal mijn informanten heb, waardoor zoiets me niet ontgaat.

Met dank aan Tjerk Bekius.

 


Een klassiek geval van journalistiek opportunisme

OPREGTHEID DER DAGBLADSCHRIJVERS

Tijdens de Keizer NAPOLEON van Elba vlugtte, aan Frankrijks kust landde, en de hoofdstad glorierijk intoog, las men in de dagbladen achtervolgens de onderstaande berigten:

1. Het helgedrogt is uit zijnen kerker losgebroken; het is van Elba ontsnapt.

2. De korsikaansche weerwolf is bij Kaap Juan aan wal gestapt.

3. De tijger heeft zich te Gap vertoond. Van alle zijden zijn troepen tegen hem in aantogt. Hij zal eindigen met als een ellendig gelukzoeker in de gebergten om te dolen. Ontsnappen kan hij niet.

4. Het monster is werkelijk, men weet niet door welke verraderij, naar Grenoble ontkomen.

5. De tiran bevindt zich te Lyon. Zijne verschijning brengt algemeene ontzetting te weeg.

6. De geweldenaar heeft het gewaagd, de hoofdstad tot op zestig uren te naderen.

7. Bonaparte komt met spoed oprukken; doch zal nimmer tot Parijs doordringen.

8. Napoleon nadert Fontaìnebleau.

9. De Keizer Napoleon bevindt zich te Fontainebleau.

10. Gisteren avond heeft Zijne Majesteit de Keizer en Koning zijnen intogt in de Tuileriën gehouden. De gansche bevolking legt eene onuitsprekelijke vreugde aan den dag.

Bron: Almanak ter bevordering van kennis en goeden smaak voor het jaar 1845, uitgegeven door het Departement Leens van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen (Groningen bij Oomkens 1844) p. 134.


De Grens bevestigt vooroordelen

Ik zag her en der loftuitende berichten over de eerste aflevering van ‘De Grens‘, de VPRO-serie waarin Tommy Wieringa de grenzen van Nederland verkent.

Om positief te beginnen: ik ben er in één opzicht wijzer van geworden. Ik wist niet dat er tienduizenden Russen waren afgeknald in de Emslandlager. Dacht dat het puur kampen voor politieke gevangenen waren.

Maar verder viel er weinig te ontdekken en vond ik het programma sterk teren op vooroordelen, die het zelf nog maar eens bevestigde. De Drentse venen kenden niet alleen drankzucht, zoals gesuggereerd werd, maar ook geheelonthouding. En armoe was er alleen vanaf de jaren twintig, toen de kolen de turf helemaal verdrongen als huisbrand. Daarvoor waren de Drentse veenstreken, zoals historisch onderzoek heeft aangetoond, helemaal niet zo arm. Dat zijn ze maar een beperkte periode geweest, hun laatste periode..

En sinds wanneer zijn tokkies die met illegale zenders in een bos zitten te klooien en lui die Duitse bierfeesten naäpen compleet met Dirndl verkiezingen, eigenlijk representatief voor die streek?


‘Ik heb gewoon een hekel aan drammers’

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Dat was even schrikken vandaag. Ron van Zonneveld is overleden. Jarenlang schreef hij columns voor de Groninger universiteitskrant UK, die veler ergernis opwekten. Ben bij de UK nog een tijd zijn contactpersoon geweest, we konden goed met elkaar opschieten. Vind het dan ook jammer dat ik hem nu nooit meer zal zien. Bij zijn afscheid van de RUG, nu bijna zeven jaar geleden, hadden we het volgende interview:

Ron van Zonneveld ging met de VUT. “Het sociale hart van de afdeling Nederlands“; “een zachte cynicus en vrolijke nihilist“; “een nietsontziende en ongezouten columnist, dat waren enkele typeringen, die je kon horen op zijn afscheidsreceptie.

In zijn kamer staat een schildersezel, met een bijna voltooid portret van zijn dochter. Ook aan de wanden konterfeitsels van dierbaren. Hij is autodidact: “Ik heb mezelf het schilderen geleerd door boekjes te lezen. Na mijn scheiding ben ik bij wijze van zelftherapie als een gek gaan schilderen. Altijd figuratief. Ik snap niets van een Mondriaan.”

Op zijn achttiende bezocht hij een paar maanden de Haagse kunstacademie, maar dan voor het beeldhouwen. “Er zaten twee man in die klas. We stonden de hele dagen Griekse koppen te boetseren. ’s Avonds kreeg je van de leraar te horen dat het anders moest en dat je je werk in elkaar moest slaan.”

De opleiding ging iets teveel uit van zelfwerkzaamheid: “Uit pure verveling gooiden we klei naar het het plafond.”

In Den Haag was hij ook opgegroeid. “Mijn vader was barpianist op de Holland Amerika Lijn, hij kwam niet vaak thuis en is uiteindelijk in Amerika gebleven.” De buurt was het Zuiderpark, de club ADO, maar plat Haags leerde hij pas later. “Als kind verstond ik er geen moer van. Een tante vroeg me een keer: “Ronnie wauje wel een schaampie?” Ik wist niet wat dat was en ze zei: “Daar keije op zaaguh.” Ook dat begreep ik niet en daarom kreeg ik een draai om de oren.”

Vanaf de kunstacademie kwam hij bij de PR-afdeling van een verzekeringsbedrijf, waar hij reclameteksten en “waardevrije prietpraat” voor het personeelsblad schreef. “Mijn chef zei: “Man wat doe je hier, je zit hier je tijd te verpesten, je schrijft goed, je kunt beter Nederlands gaan studeren”. En dat klonk na een tijdje wel aantrekkelijk.”

In Leiden schreef hij voor de Folia, maar hij koos na zijn kandidaats voor taalkunde. Voor Uhlenbeck koesterde hij een “ontzettende bewondering”: “Hij kon goed college geven, maar gaf me ook schouderklopjes. Dat was ik niet gewend, zo’n persoonlijke benadering. Hij maakte me ineens een beetje ambitieus.”

Tegelijkertijd kwam er een nieuwe richting in de taalkunde op: “Het gold bijna als teken van intelligentie dat je Chomski begreep of die indruk kon wekken. Dan was je er al bijna. Er zat alles in wat aantrekkelijk was voor jonge intellectuelen die meer wilden zijn dan alleen vakidioten.”

Hij werkte kortstondig aan twee lerarenopleidingen en kwam in 1975 naar de RUG met de gedachte: “Eens kijken hoe lang ik het daar volhou.” Van de klankleer zou hij er overstappen naar de zinsstructuren. “Oudere collega’s vonden dat vreemd, maar ik wilde wel weer wat anders doen. Ik ben nergens een specialist in, maar wel met veel gebiedjes in de taalkunde bekend.”

Toen hij pas aan de RUG werkte, kon hij bijna niet geloven “dat dit als beroep kon bestaan”: “Het uitzoeken van dingen en erover schrijven, dat vond ik geweldig, net als de belangstelling en waardering die je met je werk kreeg. Maar je had ook behoorlijk veel tijd die je zelf kon indelen, het deed mij denken aan een kunstenaarsbestaan. Ik denk dat figuren als ik nu niet eens meer aan de bak komen.”

Hij ontkent dat zijn onderzoeksdrive de laatste jaren afnam. Onlangs schreef hij nog een artikel over het wegsijpelen van het woordje ‘dat’ uit bepaalde bijzinnen. Maar bij het onderwijs trad er wel sleet in, geeft hij toe. Inmiddels heeft hij al veel van zijn taalkunde-boeken weggegeven: “Zonder collegevoorbereiding hoef ik die niet meer in de kast te hebben.”

Zijn columns voor de UK bewaarde hij nooit. Maar die zou hij nu juist graag weer terug willen zien. In de jaren negentig was hij de man die het vaakst voor boze ingezonden brieven zorgde. “”Ik vond mezelf wel een zeikerd dat ik altijd vrouwen op de korrel nam”, bekent hij nu. “Een tijdlang werd ik als vrouwenhater beschouwd. Daar heb ik een beetje last van, al laat de rest van mijn leven zien dat ik dat absoluut niet ben. Ik heb wel een hekel aan drammerige wijven die ook nog academische aspiraties hebben, maar er is net zo goed een aantal mannen dat dramt natuurlijk. Ik heb gewoon een hekel aan drammers.”