Barok in Groningen

Ik lees hier dat het Groninger Collegium Musicum, een orkest van heren liefhebbers, eind zeventiende eeuw een aardige muziekbibliotheek had, doordat veel leden hun eigen muziekboeken aan het orkest schonken. Deze boeken kwamen grofweg uit de periode 1630-1690. Onder andere omvatte ze werken van:

Lully (Phaëton):

Uccellini:

Vivaldi:

Meermalen Lully zelfs, naar ik hoop ook deze fantastische Mars voor een Turkse ceremonie:

Ik koos bij dit aanschouwelijk maken met opzet voor live-opnamen, omdat die wat meer rammelen. Bovendien valt er ook echt wat te zien. Wellicht rammelde het bij de Groninger heren dilettanten nog wat meer, maar dat zal weinig aan hun genoegen hebben afgedaan.

Overigens beperkt zo’n exercitie zich natuurlijk wel tot componisten uit de klassieke canon. Van een heleboel andere op de lijst – de meeste – wordt nooit meer wat uitgevoerd. Die zijn totaal vergeten.

Advertenties

Imca en haar accent

Als de bekende zangpedagoge Bep Ogterop begin 1965 afgeeft op beatmuzikanten, tienersterretjes en hun managers, gunt de jongerenrubriek ‘Groei’ in het Nieuwsblad van het Noorden het woord aan enkele Groninger getuigen à charge en décharge. De jonge zangeres Imca Marina komt dan op voor Bep:

“Ik ben een leerlinge van mevrouw Ogterop en ik vind haar fantastisch!” zegt zangeres Imca Marina, die vanuit Amsterdam – haar huidige woonplaats – reageerde. „Bep Ogterop heeft ervoor gezorgd dat ik het Gronings accent kwijtraakte. ledere Groninger weet dat dat erg moeilijk is”.”

Blijkbaar werd Imca aangesproken op de onbarmhartige verwijdering van haar tongval, want nog in hetzelfde jaar komt de van origine Hoogezandse in Het Vrije Volk nog eens terug op het “van voren af aan” Nederlands moeten leren spreken omdat ze zo’n “zwaar Gronings accent” had:

“’O, ik schaam me er niets voor, hoor, ik vind Gronings nog altijd een heerlijke taal en als ik thuis ben bij mijn moeder, spreek ik het nog altijd.”


De Vedde Gaanze

Vond vandaag een voordracht met lied in – volgens mij – stadsdialect. Het stukje dateert uit 1921 en gaat over een vent die met een biljartwedstrijd in de kroeg een vette gans won. De auteur was ene Wes van Eunen, die het schreef op de melodie van Arthur Collins’ Old Man Jazz, destijds (in het nog radioloze tijdperk) blijkbaar een hit:

De voordrager komt half aangeschoten met een nagemaakte geplukte gans in de hand op. Hoera-geroep achter!

Proza: Joa, roup moar hoera! … Ik heb hom te pakken (toont de gans aan het publiek). Is dat aine of gaint?! Heb ’k wonnen mit biljarten, ’n mooi baist!

ZANG

1
As é mörgen op de toafel stait,
De gans, de gans, de vedde gans,
En mit appelmous noar binnen gait,
De gans, de gans, de vedde gans,
Dan is ’t zeker feest in ’t hoesgezin,
Want zoo’n knoap dai bringt de fut erin,
 d’Haile keet dai hapt en smakt erin,
De gans, de gans, de vedde gans,
‘k Moakte series bie de vleet,
‘k Huil ze vèr achter de meet.
Aalle speulers mit pristoatie, Hinne en Cornelis,
Hannes, Jannes, Rinus, Tinus en Rieks Melis.
‘k Speulde as ains Bierling dee,
O, ik was jè kaant op glee.
Om ‘t van mai te winnen goan, was hail gien kans.
Ik heb thans… de gans.

2.
Ik bin bliede dat ik bin getrouwd,
De gans, de gans, de vedde gans,
Aanders haar mai deze winst beroud,
De gans, de gans, de vedde gans.
As ik heur straks zai, mien laive vrouw,
Kiek, dan geef ik heur de ganze gauw,
En ik zeg dan: “Hier! – smoes nou moar louw!”
De gans, de gans, de vedde gans.
Bainoa dronk ‘k mai van de wies,
‘k Bin net zo vet as mien pries,
’t Was moar rondjes en tractèrren, catzies, fladderakies,
Olle kloare, longoavita en conjakkies.
Moar kiek tot mien groot geluk,
Ik bleef aalmoar bai mien stuk.
Mai doar of te brengen doarveur was gien kans,
Ik heb thans… de gans.

3
Ik wol nou moar dat mien vrouw gauw kwam,
De gans, de gans, de vedde gans,
Want ‘k heb dörst en trek an ’n boterham
Met gans, met gans, met vedde gans.
Hail gien mensch in hoes dai mai as man,
Hier ontvangt, door snap ik jè niks van.
En moar toujour deur hikt hai mie an,
De gans, de gans, de vedde gans.
‘k Zai de vreugd aal op heur toet,
Op mien Geessiens laive snoet.
‘k Zai heur straks aal hail naiwschierig naur mien prieze snuffeln
En mit d’olle vol van bliedschap snoetje knuffeln,
Wat er hier thans ook gebeurt,
Mien geluk wordt nait versteurd.
Nee, doarveur het zeker nou gien aine kans,
Ik heb thans…. De gans.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 1774 inv.nr. 1530.


Balboekjes

Teruggevonden bij het archiveren en taggen van mijn foto’s – twee balboekjes voor het danspartijtje van Mimi Hesse in 1900:

Boekjes is eigenlijk een groot woord, want het betreft dubbelgevouwen kaartjes. In dit geval waren die van een jongedame. Op de binnenkant van haar balboekje tekenden jongeheren in op de dansen van het programma:

Dat muzikale programma bestond voornamelijk uit walsen en polka’s. Deels zijn die doorgedrongen in het ijzeren volksdansrepertoire, dus nog wel bekend en identificeerbaar:

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 1774 (bibliotheek documentatie)  inv.nr. 3947.


Grunnens Laid op ’t Martinicarillon

Beiaardier Auke de Boer speelt ’t Grunnens Laid op ’t carillon van de Martinitoren:


Kalmeren met de bolero

Filmpje over het project ‘Resonans’ in het UMCG, waar oudere patiënten die van een operatie bijkomen, op hun persoon toegesneden muziek voorgeschoteld krijgen:

Wat zouden ze spelen bij een ouwe rocker of punk?


Poolshoogte op het achterplaatsje – bij de comeback van Peter Schaap

peter-schaap

Peter Schaap maakt een eenmalige comeback als liedjeszanger. Veertig jaar geleden stopte hij met het maken van muziek op podia. Het succes kneep zijn bron af. “Ik schreef altijd over dingen die ik zelf meemaakte”, vertelt hij op TV Noord,

“en maakte eigenlijk nauwelijks wat mee. Je zat in de auto naar ‘t optreden en je ging weer naar huis. Of je zat in de studio, en dat soort dingen. Maar dat was niet iets inspirerends. Dus op een gegeven moment heb ik me daarvan teruggetrokken (…) en ben wat anders gaan doen.”

Veertig jaar geleden, rekendereken, dat was in 1977.

Maar toen maakte Peter best wel wat mee! Hij zat bijvoorbeeld een keer ’s nachts na sluitingstijd in de Plu’s, toen daar de politie binnenviel.

Folkcafé De Plu’s, moet je weten, had een dagvergunning, zodat de tent al om één uur ’s nachts moest sluiten. Maar dan was het vaak nog vreselijk gezellig. Zo die keer ook, dat Peter Schaap er aan de bar zat. Jan Stelma, de kroegbaas, had het licht wel gedimd, de deur op de grendel en de gordijnen dichtgedaan, maar het kroegrumoer drong toch tot de buitenwereld door en een boze buurman moet de politie hebben gebeld.

Een aanrijtijdje later werd er hard op de buitendeur van de Plu’s gebonkt. Politie! Iedereen hield zich op slag muisstil. Jan riep naar voren dat hij eraan kwam, volgde een klaarliggend scenario, deed de achterdeur open en alle aanwezigen slopen op hun tenen het achterplaatsje op, waar nog net wat ruimte over was tussen de hoog opgetaste stapels wijnflessen.

Ook Peter Schaap stond daar, bibberend in zijn heel hippe, maar tevens erg dunne bloesje. Tamelijk langdurig, want de politie zag natuurlijk wel aan glazen, asbakken en over stoelleuningen gedrapeerde jasjes dat er pas nog volk binnen was geweest en zat Jan daarom kwaadaardig zuigend uit te vragen.

Dat duurde maar en duurde maar tot een verstoppeling op het achterplaatsje moest niezen, en een van die enorme stapels wijnflessen met donderend geraas ineenstortte.

Jan probeerde de agenten nog wijs te maken dat dat om zijn krolse kat ging, het rotbeest, maar zulks wilde er bij de opsporingsbeambten niet in. Zij vermoedden gespuis en namen resoluut poolshoogte op het achterplaatsje. Qua bekeuringen sloeg de Groninger politie een flinke slag, die nacht.

De Plu’s hield zich nog geruime tijd netjes aan de vergunning, zelfs de buren bleken er naderhand goed over te spreken. Het hele geval zou vast een prooi der vergetelheid geworden zijn, als Peter Schaap het niet in zijn hoofd gehaald had om opnieuw op te gaan treden.