Miles Davis onder het Emmaviaduct

De laatste dagen zit hij er weer, aan het eind van de middag onder het Emmaviaduct, op een plek zonder passanten, dus om geld is het hem niet te doen. Hij repeteert alleen, met een bandje ter ondersteuning. Een prima akoestiek heb je daar.

 

Advertenties

Törf in Fransum

Törf speelde gisteravond een nieuw programma, ‘Gries Laand’, ‘in het kerkje van Fransum bij Aduard. Helaas gebeurde dat voor een veel te klein publiek. Een van hun topnummers:

Het kerkje van Fransum hield zich bij aankomst mooi aan de titel van het programma door boven de dook uit te komen:

Van links naar rechts: Marius Greiner (viool; componist en arrangeur van veel nummers), Geert Ridderbos (accordeon), Flip Rodenburg (doedelzak), Henk Scholte (stem), Jos Kwakman (gitaar), Eddy de Jonge (basgitaar):

Flip en Henk:

Op zaterdagavond 6 april speelt Törf in Galerie De Groninger Kroon achter Finsterwolde. Meer informatie.


De hooiers en hun liederenrepertoire

De hooiersmarkt in Sneek blijkt niet de enige te zijn geweest. Ook kwamen lang niet alle Groninger maaiers en hooiers via zo’n hooiersmarkt aan het werk. Een ander artikel over hun vorm van trekarbeid in Vereenigt U, maakt immers onderscheid tussen enerzijds de maaiers en hooiers die voorafgaand aan hun tocht, waarschijnlijk per brief of via een koppelbaas of besteder, met een Friese boer afspraken hadden gemaakt over hun werk en beloning, en anderzijds hun collega’s die op de bonnefooi naar Friesland afreisden, waar zij op een hooiersmarkt aan werk hoopten te komen:

Bij honderden en honderden zijn de mannen uit de provincie Groningen weer van honk gegaan. Naar de greidhoek van Friesland trokken ze vanuit het Oldambt en Westerwolde. Velen waren reeds verzekerd van daar hooiers- en maaierswerk te zullen vinden, maar er waren toch ook niet weinig, die op goed geluk naar de markten te Sneek, Bolsward en Leeuwarden trokken. (…) Kenbaar zijn ze aan hun witte of blauwe bultzak, waarin moeder de vrouw, naast wat schoon goed, enkele andere gerieflijkheden heeft gestopt. Bij heele drommen zag je ze soms passeeren.

Na deze algemene inleiding is het stuk, dat duidelijk geschreven werd door een vestokte geheelonthouder, gewijd aan de “jeneverellende” onder deze trekarbeiders. Want onderweg naar Friesland nam menige hooier behoorlijk wat “proppies” in, zo merkte de auteur in de overbezette en ronduit smerige, stinkende trein op zondagavond van Groningen naar Leeuwarden. Door hun drankmisbruik leken de Groninger trekarbeiders zelfs op de losgeslagen Engelse toeristen van tegenwoordig. In Friesland althans, hadden ze een dergelijk imago:

Minachtend keken de voorbijgangers op deze anders zoo rustige en kalme dorpsmenschen, die nu door de jenever tot wilden waren gemaakt, neer.

De auteur zette hun alcoholgebruik nogal zwaar aan en repte zelfs van “beestialiteiten”. Uiteraard kwam hij ook op de proppen met het bekende geheelonthoudersadagium:

Drinkende menschen denken niet,
Denkende menschen drinken niet.

Interessanter dan zijn moralistische filippica tegen de drankzucht, die je elders in ontelbaar veel variaties kunt aantreffen, vind ik echter de liederen die hij de hooiers in de trein hoorde zingen. Hij noemt er drie, waarvan ik de titels hierna gelinkt heb naar audio-opnamen op de Nederlandse Liederenbank.

Het eerste, een regelrechte smartlap, werd in 1903 door Van Duyse uit mondelinge overlevering opgetekend, maar staat ook in een vaderlands schoolliederenboekje uit 1891, en gaat terug op een Duitse oerversie uit 1781:

Op banken achter ons en inde bagagenetten zagen we de bekende bultzakken liggen. De respectievelijke eigenaars ontpopten zich door hun „Grönneger toaltje” al gauw als maaiers die ook naar „Fraisland” gingen. Ternauwernood waren we in beweging of het hartroerende lied „Aan den oever van een snelle vliet” klonk in de coupé.

Het tweede lied was een eeuwenoude ballade die een flink deel van de reis te horen moet zijn geweest:

Allen dronken na met de hand telkens de hals te hebben afgeveegd, „broederschap”. Na zoo’n hartversterking kon er weer een moppie ten beste worden gegeven. Nu begon men met het lied-zonder-eind: „Toen ik op Neêrlands bergen stond”. Voor begeleiding zorgden de schoenhakken, die op de vloer neerdonderden alsof men er door wilde.

En een derde, vrijwel onverstaanbaar lied, betrof Vrijheid u mijn leven, een fraai socialistisch vers van Piet de Ruijter, dat in 1973 nog op LP werd gezet door de ‘Oproerkraaiers’, een plaat die overigens – veelzeggend genoeg – niet eens op YouTube te vinden is:

Een van de mannen, vrij bejaard reeds, had naar het scheen z’n portie. Zijn gebrul ontaarde langzamerhand in allerlei wanklanken. De laatste woorden die we nog zoo’n beetje ontcijferen konden, waren zooiets als . . . Vrijheid . . . leven. Hij zakte brommend en onverstaanbare geluiden uitstootend ineen.

Kortom, het repertoire dat de Oost-Groninger hooiers ten gehore brachten bestond uit smartlappen, traditionals en strijdliederen, alle drie genres die de laatste dertig, veertig jaar niet of nauwelijks hebben overleefd.


Barok in Groningen

Ik lees hier dat het Groninger Collegium Musicum, een orkest van heren liefhebbers, eind zeventiende eeuw een aardige muziekbibliotheek had, doordat veel leden hun eigen muziekboeken aan het orkest schonken. Deze boeken kwamen grofweg uit de periode 1630-1690. Onder andere omvatte ze werken van:

Lully (Phaëton):

Uccellini:

Vivaldi:

Meermalen Lully zelfs, naar ik hoop ook deze fantastische Mars voor een Turkse ceremonie:

Ik koos bij dit aanschouwelijk maken met opzet voor live-opnamen, omdat die wat meer rammelen. Bovendien valt er ook echt wat te zien. Wellicht rammelde het bij de Groninger heren dilettanten nog wat meer, maar dat zal weinig aan hun genoegen hebben afgedaan.

Overigens beperkt zo’n exercitie zich natuurlijk wel tot componisten uit de klassieke canon. Van een heleboel andere op de lijst – de meeste – wordt nooit meer wat uitgevoerd. Die zijn totaal vergeten.


Imca en haar accent

Als de bekende zangpedagoge Bep Ogterop begin 1965 afgeeft op beatmuzikanten, tienersterretjes en hun managers, gunt de jongerenrubriek ‘Groei’ in het Nieuwsblad van het Noorden het woord aan enkele Groninger getuigen à charge en décharge. De jonge zangeres Imca Marina komt dan op voor Bep:

“Ik ben een leerlinge van mevrouw Ogterop en ik vind haar fantastisch!” zegt zangeres Imca Marina, die vanuit Amsterdam – haar huidige woonplaats – reageerde. „Bep Ogterop heeft ervoor gezorgd dat ik het Gronings accent kwijtraakte. ledere Groninger weet dat dat erg moeilijk is”.”

Blijkbaar werd Imca aangesproken op de onbarmhartige verwijdering van haar tongval, want nog in hetzelfde jaar komt de van origine Hoogezandse in Het Vrije Volk nog eens terug op het “van voren af aan” Nederlands moeten leren spreken omdat ze zo’n “zwaar Gronings accent” had:

“’O, ik schaam me er niets voor, hoor, ik vind Gronings nog altijd een heerlijke taal en als ik thuis ben bij mijn moeder, spreek ik het nog altijd.”


De Vedde Gaanze

Vond vandaag een voordracht met lied in – volgens mij – stadsdialect. Het stukje dateert uit 1921 en gaat over een vent die met een biljartwedstrijd in de kroeg een vette gans won. De auteur was ene Wes van Eunen, die het schreef op de melodie van Arthur Collins’ Old Man Jazz, destijds (in het nog radioloze tijdperk) blijkbaar een hit:

De voordrager komt half aangeschoten met een nagemaakte geplukte gans in de hand op. Hoera-geroep achter!

Proza: Joa, roup moar hoera! … Ik heb hom te pakken (toont de gans aan het publiek). Is dat aine of gaint?! Heb ’k wonnen mit biljarten, ’n mooi baist!

ZANG

1
As é mörgen op de toafel stait,
De gans, de gans, de vedde gans,
En mit appelmous noar binnen gait,
De gans, de gans, de vedde gans,
Dan is ’t zeker feest in ’t hoesgezin,
Want zoo’n knoap dai bringt de fut erin,
 d’Haile keet dai hapt en smakt erin,
De gans, de gans, de vedde gans,
‘k Moakte series bie de vleet,
‘k Huil ze vèr achter de meet.
Aalle speulers mit pristoatie, Hinne en Cornelis,
Hannes, Jannes, Rinus, Tinus en Rieks Melis.
‘k Speulde as ains Bierling dee,
O, ik was jè kaant op glee.
Om ‘t van mai te winnen goan, was hail gien kans.
Ik heb thans… de gans.

2.
Ik bin bliede dat ik bin getrouwd,
De gans, de gans, de vedde gans,
Aanders haar mai deze winst beroud,
De gans, de gans, de vedde gans.
As ik heur straks zai, mien laive vrouw,
Kiek, dan geef ik heur de ganze gauw,
En ik zeg dan: “Hier! – smoes nou moar louw!”
De gans, de gans, de vedde gans.
Bainoa dronk ‘k mai van de wies,
‘k Bin net zo vet as mien pries,
’t Was moar rondjes en tractèrren, catzies, fladderakies,
Olle kloare, longoavita en conjakkies.
Moar kiek tot mien groot geluk,
Ik bleef aalmoar bai mien stuk.
Mai doar of te brengen doarveur was gien kans,
Ik heb thans… de gans.

3
Ik wol nou moar dat mien vrouw gauw kwam,
De gans, de gans, de vedde gans,
Want ‘k heb dörst en trek an ’n boterham
Met gans, met gans, met vedde gans.
Hail gien mensch in hoes dai mai as man,
Hier ontvangt, door snap ik jè niks van.
En moar toujour deur hikt hai mie an,
De gans, de gans, de vedde gans.
‘k Zai de vreugd aal op heur toet,
Op mien Geessiens laive snoet.
‘k Zai heur straks aal hail naiwschierig naur mien prieze snuffeln
En mit d’olle vol van bliedschap snoetje knuffeln,
Wat er hier thans ook gebeurt,
Mien geluk wordt nait versteurd.
Nee, doarveur het zeker nou gien aine kans,
Ik heb thans…. De gans.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 1774 inv.nr. 1530.


Balboekjes

Teruggevonden bij het archiveren en taggen van mijn foto’s – twee balboekjes voor het danspartijtje van Mimi Hesse in 1900:

Boekjes is eigenlijk een groot woord, want het betreft dubbelgevouwen kaartjes. In dit geval waren die van een jongedame. Op de binnenkant van haar balboekje tekenden jongeheren in op de dansen van het programma:

Dat muzikale programma bestond voornamelijk uit walsen en polka’s. Deels zijn die doorgedrongen in het ijzeren volksdansrepertoire, dus nog wel bekend en identificeerbaar:

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 1774 (bibliotheek documentatie)  inv.nr. 3947.