Liedjeszangers, -venters en -verkopers

Heb met %lied* en %liet* in Alle Groningers gezocht naar liedjeszangers, -venters en-verkopers, beroepsaanduidingen die doorgaans op hetzelfde neerkomen: het zingen van liederen of liedjes op jaarmarkten en langs huizen en boerderijen, in de hoop dat die liederen de toehoorders zo bevallen, dat deze een exemplaar van het gedrukte liedvel of de liedbundel afnemen. In totaal ben ik zo 28 vertegenwoordigers van die beroepsgroep op het spoor gekomen, die ik in bijgaande tabel heb ondergebracht.

In kolom 1 staan het jaar en de maand waarin de burgerlijke standsakte is opgemaakt met de melding van een liedjeszanger etc. Mei springt er qua aantal meldingen uit – blijkbaar is in die maand de beroepsgroep het meest actief. Het betreft de maand met de dienstbodenvakanties en de meikermis in de Stad.

In kolom 2 zie je de aard van de akte. In de grote helft van de gevallen gaat het om geboorteaktes, in de kleine helft om overlijdensaktes, terwijl slechts een enkele akte een huwelijk betreft.

In kolom 3 staan de namen van de liedzangers etc. In 17 gevallen gaat het om mannen, in 11 om vrouwen. Die vrouwen zijn in 8 gevallen ongehuwd, vaak met een kind waarvan de vader onbekend is. De leeftijden van de liedzangers etc. – zie kolom 4 – lopen uiteen van 24 tot 64 jaar.

Interessant is hun woonplaats, in kolom 5. In slechts een minderheid van 12 gevallen ligt die in Groningen, maar hierbij gaat het vooral om de latere meldingen. Vooral het veenkoloniale zuidoosten van de provincie (Stadskanaal, Zuidbroek) springt eruit. Maar meestal wonen de liedzangers elders en zwerven ze rond. Bij de elders gedomicilieerden komt Friesland 5 maal als woonplaats voor (Kollumerzwaag springt eruit), terwijl er 4 uit Holland (en dan met name Amsterdam) en 2 uit Gelderland komen. Van 5 liedzangers etc. zegt de akte dat ze zonder vaste woonplaats zijn – een van deze zwervelingen blijkt geboren in Friesland, een ander in Oost-Friesland.

Tot slot hun verblijfplaatsen: die liggen redelijk verspreid over de provincie Groningen. De nadere adressen, als ze genoemd worden, geven echter te denken. Achter de Muur en de Jonkerstraat zijn in de Stad min of meer achterbuurten, terwijl in het hospitaal, nosocomium of stadsziekenhuis gewoonlijk alleen de zeer armen baren en sterven – anderen willen er dood nog niet gevonden worden Qua platteland duiden plekken als Plaggenburg (een heidenederzetting bij Jipsinghuizen) of “in eene hut zonder nummer” onder Stadskanaal evenmin op een grote welstand. En verder wijzen de verblijfplaatsen buiten de provincie Groningen erop, dat het ook de autochtone liedzangers etc. niet ontbreekt aan zwerflust.

Jaar akte Soort akte Naam Leeftijd Beroep Woont in Verblijft te
1816-2 Geb. Ernst Groeneveld Liedverkoper Leeuwarden Groningen, Achter de Wal
1816-11 Geb. Jan Leendert Korsse Liedzinger Franeker Groningen, Jonkerstraat
1817-3 Geb. Israël Mozes Visscher 24 Liedjeszanger Amsterdam Kleinemeer
1818-10 Geb. Jakob Timmer 45 Liedboekverkoper Ingen (Gld.) Pieterburen

“bij gelegenheid in”

1820-3 Geb. Hendrik Everts Meiring 28 Liedjesverkoper Enkhuizen Oude Pekela
1830-5 Geb. + Ov. Bettje Lazarus 24 Liedjeszangster Geen vaste woonplaats Groningen, hospitaal
1832-2 Geb. Johannes Hendriks 34 Liedjeszanger Amsterdam, Roosjestraat Oude Pekela
1833-1 Geb. Elisabeth Oukes van der Zwaag 40 Liedjesverkoopster Kollumerzwaag Loppersum
1833-6 Geb. Salomon Heimans le Grand 29 Liedjeszinger Leeuwarden Groningen, Prinsenstraat
1834-10 Ov.* Isel Meijer 45 Liedjeszanger Elburg Wildervank, Oosterdiep
1835-7 en 8 Ov. + Ov. Kind, geb. App. 1834 Jantje Jans Kuiper 24 Liedjeszangster Geen vaste woonplaats, geb.

Hatzum (O-Fr.)

Groningen, stadsziekenhuis
1836-4 Ov. Hermanus Jacobus van Oosterhout 43 Liedjesverkoper Amsterdam Garrelsweer
1836-5 Ov. Kind van 3 mnd Johannes Peter Hertog en Liedjeszanger Groningen Ermelo
idem idem Elisabeth de Hoijer Liedjeszangeres Groningen Ermelo
1837-5 Ov. (door diakonie) Doede Bades de Vos 64 Liedjesverkoper Zonder vaste woonplaats (geb. Warga (Fr.) Eenrum
1838-4 Ov. (kind) Elske Oukes van der Swaag Liedjesverkoopster Kollumerzwaag Loppersum
1838-5 Geb. Jan Idzes Bakker 24 Liedjeszanger Stadskanaal Plaggenborg, gem. Vlagtwedde
1838-8 Geb. Wijtske Wijtses Korveboer 24 Liedjeszangster Geen vaste woonplaats, geb. Drachten Groningen, Nosocomium academicum
1840-11 Geb. Martje Egberts van der Linde Liedjeszangeres Farmsum Eenrum
1841-5 Geb. Pietertje Korsse-Bakker (vgl 1816) * Liedjeszangeres Stadskanaal, gem. Onstwedde Stadskanaal, gem. Onstwedde
1843-3 Ov. Zelfde kind Idem +

Tjerk Jans Kosse

Liedjezanger idem Idem + “in eene hut zonder nummer”
1844-10 Ov. Hendrik ter Burg 37 Liedjeszanger Slochteren Kampen
1845-5 Geb. Maria Dotter 33 Liedjeszangster Zonder vaste woonplaats, geb. Berlicum (NB) Groningen
1846-5 Geb. Helena van Vriezen Liedjeszangster Groningen Eenrum
1851-11 Ov. Hans Harmens Popstra 60 Liedjesventer Oldekerk Haulerwijk
1883-6 Ov. kind August Wilhelm König Liedjeszanger Zuidbroek Zuidbroek
idem idem Rozina Frederica König- Bosse Liedjeszangeres Zuidbroek Zuidbroek
1909-3 Huw Roelf Hebels 49 Liedjeszanger Vlagtwedde (geb. Borger, later Wildervank) Vlagtwedde

Merc for the Boegies

Vanmiddag, ergens in Friesland:

Meh!


Tamelijk hagiografisch, maar tevens erg mooi

Lied over de man die vaak bij Harm Boukje logeerde:


Miles Davis onder het Emmaviaduct

De laatste dagen zit hij er weer, aan het eind van de middag onder het Emmaviaduct, op een plek zonder passanten, dus om geld is het hem niet te doen. Hij repeteert alleen, met een bandje ter ondersteuning. Een prima akoestiek heb je daar.

 


Törf in Fransum

Törf speelde gisteravond een nieuw programma, ‘Gries Laand’, ‘in het kerkje van Fransum bij Aduard. Helaas gebeurde dat voor een veel te klein publiek. Een van hun topnummers:

Het kerkje van Fransum hield zich bij aankomst mooi aan de titel van het programma door boven de dook uit te komen:

Van links naar rechts: Marius Greiner (viool; componist en arrangeur van veel nummers), Geert Ridderbos (accordeon), Flip Rodenburg (doedelzak), Henk Scholte (stem), Jos Kwakman (gitaar), Eddy de Jonge (basgitaar):

Flip en Henk:

Op zaterdagavond 6 april speelt Törf in Galerie De Groninger Kroon achter Finsterwolde. Meer informatie.


De hooiers en hun liederenrepertoire

De hooiersmarkt in Sneek blijkt niet de enige te zijn geweest. Ook kwamen lang niet alle Groninger maaiers en hooiers via zo’n hooiersmarkt aan het werk. Een ander artikel over hun vorm van trekarbeid in Vereenigt U, maakt immers onderscheid tussen enerzijds de maaiers en hooiers die voorafgaand aan hun tocht, waarschijnlijk per brief of via een koppelbaas of besteder, met een Friese boer afspraken hadden gemaakt over hun werk en beloning, en anderzijds hun collega’s die op de bonnefooi naar Friesland afreisden, waar zij op een hooiersmarkt aan werk hoopten te komen:

Bij honderden en honderden zijn de mannen uit de provincie Groningen weer van honk gegaan. Naar de greidhoek van Friesland trokken ze vanuit het Oldambt en Westerwolde. Velen waren reeds verzekerd van daar hooiers- en maaierswerk te zullen vinden, maar er waren toch ook niet weinig, die op goed geluk naar de markten te Sneek, Bolsward en Leeuwarden trokken. (…) Kenbaar zijn ze aan hun witte of blauwe bultzak, waarin moeder de vrouw, naast wat schoon goed, enkele andere gerieflijkheden heeft gestopt. Bij heele drommen zag je ze soms passeeren.

Na deze algemene inleiding is het stuk, dat duidelijk geschreven werd door een vestokte geheelonthouder, gewijd aan de “jeneverellende” onder deze trekarbeiders. Want onderweg naar Friesland nam menige hooier behoorlijk wat “proppies” in, zo merkte de auteur in de overbezette en ronduit smerige, stinkende trein op zondagavond van Groningen naar Leeuwarden. Door hun drankmisbruik leken de Groninger trekarbeiders zelfs op de losgeslagen Engelse toeristen van tegenwoordig. In Friesland althans, hadden ze een dergelijk imago:

Minachtend keken de voorbijgangers op deze anders zoo rustige en kalme dorpsmenschen, die nu door de jenever tot wilden waren gemaakt, neer.

De auteur zette hun alcoholgebruik nogal zwaar aan en repte zelfs van “beestialiteiten”. Uiteraard kwam hij ook op de proppen met het bekende geheelonthoudersadagium:

Drinkende menschen denken niet,
Denkende menschen drinken niet.

Interessanter dan zijn moralistische filippica tegen de drankzucht, die je elders in ontelbaar veel variaties kunt aantreffen, vind ik echter de liederen die hij de hooiers in de trein hoorde zingen. Hij noemt er drie, waarvan ik de titels hierna gelinkt heb naar audio-opnamen op de Nederlandse Liederenbank.

Het eerste, een regelrechte smartlap, werd in 1903 door Van Duyse uit mondelinge overlevering opgetekend, maar staat ook in een vaderlands schoolliederenboekje uit 1891, en gaat terug op een Duitse oerversie uit 1781:

Op banken achter ons en inde bagagenetten zagen we de bekende bultzakken liggen. De respectievelijke eigenaars ontpopten zich door hun „Grönneger toaltje” al gauw als maaiers die ook naar „Fraisland” gingen. Ternauwernood waren we in beweging of het hartroerende lied „Aan den oever van een snelle vliet” klonk in de coupé.

Het tweede lied was een eeuwenoude ballade die een flink deel van de reis te horen moet zijn geweest:

Allen dronken na met de hand telkens de hals te hebben afgeveegd, „broederschap”. Na zoo’n hartversterking kon er weer een moppie ten beste worden gegeven. Nu begon men met het lied-zonder-eind: „Toen ik op Neêrlands bergen stond”. Voor begeleiding zorgden de schoenhakken, die op de vloer neerdonderden alsof men er door wilde.

En een derde, vrijwel onverstaanbaar lied, betrof Vrijheid u mijn leven, een fraai socialistisch vers van Piet de Ruijter, dat in 1973 nog op LP werd gezet door de ‘Oproerkraaiers’, een plaat die overigens – veelzeggend genoeg – niet eens op YouTube te vinden is:

Een van de mannen, vrij bejaard reeds, had naar het scheen z’n portie. Zijn gebrul ontaarde langzamerhand in allerlei wanklanken. De laatste woorden die we nog zoo’n beetje ontcijferen konden, waren zooiets als . . . Vrijheid . . . leven. Hij zakte brommend en onverstaanbare geluiden uitstootend ineen.

Kortom, het repertoire dat de Oost-Groninger hooiers ten gehore brachten bestond uit smartlappen, traditionals en strijdliederen, alle drie genres die de laatste dertig, veertig jaar niet of nauwelijks hebben overleefd.


Barok in Groningen

Ik lees hier dat het Groninger Collegium Musicum, een orkest van heren liefhebbers, eind zeventiende eeuw een aardige muziekbibliotheek had, doordat veel leden hun eigen muziekboeken aan het orkest schonken. Deze boeken kwamen grofweg uit de periode 1630-1690. Onder andere omvatte ze werken van:

Lully (Phaëton):

Uccellini:

Vivaldi:

Meermalen Lully zelfs, naar ik hoop ook deze fantastische Mars voor een Turkse ceremonie:

Ik koos bij dit aanschouwelijk maken met opzet voor live-opnamen, omdat die wat meer rammelen. Bovendien valt er ook echt wat te zien. Wellicht rammelde het bij de Groninger heren dilettanten nog wat meer, maar dat zal weinig aan hun genoegen hebben afgedaan.

Overigens beperkt zo’n exercitie zich natuurlijk wel tot componisten uit de klassieke canon. Van een heleboel andere op de lijst – de meeste – wordt nooit meer wat uitgevoerd. Die zijn totaal vergeten.