Grofsmid was de Mozes van Oostwold (1)

Hoorde vandaag een kostelijke anekdote uit de mond van een Oldambtster boer die op zijn ouwe dag in de Achterhoek beland is.

Volgens hem speelde het verhaal voor de oorlog in Oostwold en had hij de gewraakte tekst als jongen nog gezien. Deze tekst ging over de Nortonpomp, die in Oostwold geslagen was. “In die tijd was er nog geen TV”, aldus mijn zegsman, “en moest men zelf nog plezier maken”. En hij declameerde een gedicht, dat op een bord stond, dat aan die Oostwoldiger Nortonpomp vastzat. Het ging over de “dorpsgek” Frans Kant en diens rol bij het op gang helpen van de bewuste pomp:

“Gelijk eens Mozes met zijn staf
Zijn volk uit rotsen water gaf
Zo bracht Frans Kant te goeder stond
Hier kost’lijk water uit den grond
Wat velen zochten en geen vermocht
Dat heeft Frans Kant voor ons gewrocht”

Volgens mijn zegsman vond deze Frans Kant het maar wat heerlijk om zo bewierookt te worden:

“Hij deed alsof hij die pomp zelf had geslagen, maar dat had-ie niet. Toen die pomp was geslagen kwam er een hele poos geen water uit. Frans Kant gaf hem een slinger, en toen kwam er wèl water uit. Het was een heel gedicht, dat bord was wel een meter hoog.”

Mijn zegsman kwam op het gedicht, nadat ik het orthodoxe karakter van Oostwold en Midwolda ter sprake had gebracht. Volgens hem had het “christelijke gemeentebestuur van Midwolda” bezwaar tegen de vergelijking van Frans Kant met Mozes gemaakt:

“Ze gaven de schilder orders om het over te schilderen. Naderhand stond alleen nog heel pietluttige lettertjes Nortonpomp op dat bord.”

Natuurlijk moet je een mooi verhaal nooit kapotchecken, maar…

Wordt vervolgd.

Advertenties

Wind mee vanaf de Eemshaven

De kerk van Oosternieland, badend in pril groen:

Gewelfafsluiting met bloemmotief:

Overzicht vanaf de orgelbeun:

Op het achterliggende kerkhof. In het hoge deel, vooraan, liggen grafstenen uit de achttiende eeuw, waarvan ik vermoed dat die uit de kerk afkomstig zijn:

Zoals deze van de koopman Abel Isebrandts van de Zijldijk, die slechts 27 jaar oud mocht worden:

De kerk gezien vanaf het kerkhof:

Bij het koor:

Van dit gebouwtje in de buurtschap bij de Paapstil heb ik de indruk dat het een voormalige woning is, die in de negentiende eeuw verbouwd werd tot ‘hut’ of bijschuur. In de vroegere voorgevel, nu achtergevel, zit een gevelsteentje uit 1752:

Bij Paapstil ook deze bollenvelden:

Andere kant op:

Door het tele-effect zie je mooi de welvingen van vroegere percelen:

Het kerkje van Oldenzijl:

Hoekje in Eppenhuizen:

De Elemaheerd aan de Kantsterweg:

Hoekje in Kantens:

Hier en daar vee in de wei, zoals tussen Onderdendam en Winsum:

De weem van Wetsinge van de achterkant:

Tussen Wetsinge en Hekkum deze tulpen in de berm:

Hier zie je drie waterlopen. Tussen de twee sloten rechts lag vroeger de Hunze:

Schapen op de dijk bij Hekkum:


Rondkoekeloeren in de Eemshaven

Sinds kort heeft de Eemshaven het noordelijkste treinstation van Nederland. Daar moest ik dus maar eens heen.

Op het andere perron, dat van de trein naar Delfzijl, zit zowaar de cultheld Kale Bas:

Een padvindersmeisje maakte een handstand in de trein:

Station Eemshaven. Er stapten zo’n twintig, dertig mensen uit op dit nieuwe eindpunt van de lijn. Een flink deel beklom de dijk, maakte een foto en stapte meteen weer de trein in:

Het was ook vrij fris, maar ik wilde toch even naar het puntje van die strekdam:

Opvallend was, dat alleen fietsers dat deden, met mij twee anderen, op gepaste afstand van elkaar. Op zich was het hier vrij saai:

Een van de anderen merkte op dat dit lands’ end (zie oranje ster) het noordelijkste puntje van Nederland is, maar dat blijkt bij nader inzien onjuist – alleen al de bocht van de Borkumkade ligt noordelijker:

Bovendien heb je ook nog Rottumeroog en -plaat, die zonder meer noordelijker liggen..

Op de weg terug wat meer gelet op het Eemshavenlandschap:

Assemblagebedrijf voor windmolens:

Heen zat in de oostelijke oksel van de strekdam een Chinees paar  met hun twee zoontjes. Op de terugweg viel het ouderpaar nergens meer te zien, alleen de jochies waren er nog:

Begon me al zorgen te maken, tot de moeder met wat eten over de dijk kwam.

Die oksels van de strekdam zou ik overigens vol willen gooien met strandzand. En op langere termijn zou ik op het puntje van de strekdam een toren willen hebben, gemaakt uit de staander van een booreiland, met een langzaam ronddraaiend platform erbovenop met een visrestaurant. Om het publiek erheen te brengen zou een smalspoorlijntje wellicht iets zijn. Of anders een monorail.

De afvaartplek van de veerboot naar het Duitse Waddeneiland Borkum. Deze wordt vooral door Duitsers gebruikt – op het parkeerterrein zie je vrijwel uitsluitend Noord-Duitse nummerborden:

De afvaartplek vanuit een andere hoek:

Land’s  End met Deens offshorebevoorradingsschip:

Alles is hier huge, zoals die gele buizen (waarvan er een vast wel bruikbaar is voor mijn toren):

En deze zeekabelhaspel (die liggend hergebruikt kan worden voor mijn visrestaurant):

Of deze vlucht of propellor voor een windturbine:

Hier en daar zit er nog best veel kleur in zo’n haven:


Garnwerd per drone, na een vriesnacht


Een video van Arie Jekel.


Scheemda, Termunten, Delfzijl door de polders

De eerste boerderij aan de Polderweg, Oostwolderpolder, tegenwoordig een varkensmesterij:

Hoe ze aan die naam Princehoeve komen en aan die distel als logo – wie het weet mag het zeggen:

Het piepke over de Oude Geut, op de plek waar zich ooit de zijl van Oostwolderpolder bevond:

Boomgaard op sprang:

Nergens voor nodig, dat hij op de loop ging:

Reiderwolderpolder:

Schuur, laan, land:

Van alle bruggen die ik van mijn levensdagen passeerde, behoort de dr. Botjesbrug (uit 1948, links) tot de merkwaardigste. Er zit namelijk geen water onder die brug. Oorspronkelijk wel, een afwateringsdiepje, maar dat is gedempt. De brug bleef staan als eerbetoon aan een huisarts van Termunten:

Eigen erf! Verbonden toegang! Privéterrein! De eigenaar lijkt niet erg gastvrij. Toch verzoekt hij de mensen ook om hun snelheid te matigen op zijn laan. Terwijl hij ze tevens waarschuwt voor een onveilige situatie als ze weggaan. Van hondeneigenaren verwacht hij bovendien dat ze hun honden aan de lijn houden en hun hondenpoep opruimen. En of de mensen vooral ook zijn in- en uitrit niet willen blokkeren:

Doorkijkje met dakenlandschap, Woldendorp

In Woldendorp is vorig jaar wegens essentaksterfte een heel bos rond de kerk weggekapt, waardoor de kerk nu van alle kanten vrij zichtbaar is. Ik moet zeggen dat ik dat qua beeld helemaal niet betreur:

De zijkant met een romaanse en een romanogotische bouwfase:

Scholletjes gegeten bij Landman, Termunten:

De kerk van Oterdum op het monument voor dat verdwenen dorp, bovenop de Eemsdijk:

De sleephopperzuiger Amazone diept het Zeehavenkanaal uit:

Deel van de constellatie, de buis rechts voert het slib naar de andere kant van de dijk:

En daar ligt de experimentele kleirijperij die van de week officieel van start ging:

De bedoeling is dat de ontzilte klei gebruikt wordt voor de dijkverhoging die hier nog moet plaatsvinden.

Op de dijk nog steeds de Oterdumer grafstenen, waarvan deze de oudste zal zijn:

Grafstenen, monument, kleirijperij:

Aan de andere kant een industrieel landschap met de sodafabriek (?):

Het spoor loopt hier dood, ook voor degene die van richting wisselt:

Grappig ding trouwens, zo’n wissel – het lijkt wel wat op een mannetje met een puntmuts en een grote hamer:

Het kerkje van Heveskes met geknakte hooiwagen:

Station Eemshaven staat al op de stationskaart in Delfzijl, waar ze trouwens een Ommelander reis moeten ondernemen om er per trein te komen (via Sauwerd):


Spriknust, Vreet Op, Leegschuddel, Volhaand

Heel bevredigend, zoiets. Op het zeer fraaie kaartje dat Theodorus Beckeringh in 1759 tekende van het kerspel Zeerijp, staan zowaar allerlei boerderijnamen, waaronder de Lege Schottel en de Volle Handt.

Lang geleden, in het pre-internettijdperk hield ik me eens bezig met de kasteleinsfamilie Volhandt, uitbaters van herberg het Oldambtster Wapen aan het Winschoterdiep bij Groningen. Naar enkele genealogen me verzekerden kwam die familie uit de buurt van Loppersum, om precies te zijn van de heerd die de Volle Hand heette.

“Deze boerderij vormde een stel met de Lege Schuddel en er zit een verhaal bij over een bedelaar: bij de Lege Schuddel ontving die niets, terwijl hij bij Volle Hand zijn handen volgestopt kreeg.”

Nu ik echter even digitaal ga zoeken, blijkt het verhaal uitgebreider. Ten eerste zat er volgens Van der Aa (1846) tussen de Lege Schotel en de Volle Hand nog een boerderij: de Vretop (of, met aangepaste spelling: de Vreet-Op). Via het Groninger Woordenboek van Ter Laan, kom ik vervolgens terecht bij de ‘Schooiersraais‘, een volksverhaal dat mevrouw Huizenga-Onnekes in de jaren 20 noteerde en dat ook te vinden is in een bundel van Ter Laan. Voor wie het Gronings achter de links niet kan lezen – dat verhaal gaat ongeveer zo:

In de ouwe tijd kwamen er drie bedelaars vanaf Loppersum lopen. Ze bereikten eerst een boerderijtje dat niet veel voorstelde: “zoo’n spriknust”. Daar wilden ze hun hand niet bij ophouden, die mensen waren veel te arm. Dus liepen ze dat huis voorbij. Bij de tweede boerderij gingen ze wel aan, maar daar kregen ze niets, omdat de mensen daar alles al hadden opgegeten: “de schuddel was leeg”. Ook bij de derde plaats was alles al op. Pas bij de vierde boerderij konden ze aanschuiven en zich zat eten, want de schotel was er nog vol. Het gevolg:

“Van dij tied òf hebben dij vaaier ploatsen heur noam droagen, dij ze ja nou ook nòg hebben: ’t Spriknust, Leegschuddel, Vreet op, Volhaand.”

Als de bedelaars van Loppersum kwamen, dan was de dichtstbijzijnde boerderij inderdaad ’t Sprikkenust, bovenaan het kaartfragment. Tussen die armetierige boerderij en de Lege Schottel, heeft Beckeringh een boerderij niet benoemd, terwijl er volgens hem tussen de Lege Schottel en de Volle Handt geen boerderij stond. Zou het niet zo zijn dat die onbenoemde boerderij de Vreet Op heette? En dat daarmee de volgorde een ietwat andere was?

Hoe dan ook lijkt het vreemd dat namen die bedelaars aan boerderijen gaven, overgenomen werden door andere mensen en daarmee minstens anderhalve eeuw lang konden beklijven. Maar in de volksmond waren het natuurlijk spotnamen, geen officiële. Volgens de Bijdragen tot de kennis van de gemeente Loppersum (Uithuizen 1960) van Muntinga en Brongers heette de Leege Schuttel eigenlijk de ‘Jonge Sikkensheerd’, terwijl de Volle Hand oorspronkelijk getooid was met de naam ‘Godekensheerd’. De laatste was provinciaal bezit – misschien dat daar de toegedichte vrijgevigheid vandaan kwam?

Overigens zagen deze boerderijen er niet bepaald jofel uit, de laatste keer dat ik ze passeerde. Ik meen dat er al een paar zijn gesloopt. Dit is hartje aardbevingsgebied.


Lutje hoeske an de diek

Een poos geleden hoorde ik in het buurtje dat het huisje zijn langste tijd zou hebben gehad. Ik verwachtte dan ook min of meer dat het gesloopt zou zijn. Dat bleek niet het geval – het staat er nog, het hele ensemble:

Met de langzaam inzakkende, asbestbedekte schuren:

Met de boomgaard opzij van het huisje zelf:

Aan de voet van de Hoornsedijk:

Het vooraanzicht heeft het wel vaker op dit weblog gestaan. De plastic geraniums voor de ramen vormen een onheilspellend omen:

De scheefgezakte schuur:

Aan de achterkant:

Weer bij de dijk – de snel gegraven goot duidt erop dat de afwatering hier ook niet helemaal voldeed:

Wel prima tuingrond trouwens.