Poolshoogte op het achterplaatsje – bij de comeback van Peter Schaap

peter-schaap

Peter Schaap maakt een eenmalige comeback als liedjeszanger. Veertig jaar geleden stopte hij met het maken van muziek op podia. Het succes kneep zijn bron af. “Ik schreef altijd over dingen die ik zelf meemaakte”, vertelt hij op TV Noord,

“en maakte eigenlijk nauwelijks wat mee. Je zat in de auto naar ‘t optreden en je ging weer naar huis. Of je zat in de studio, en dat soort dingen. Maar dat was niet iets inspirerends. Dus op een gegeven moment heb ik me daarvan teruggetrokken (…) en ben wat anders gaan doen.”

Veertig jaar geleden, rekendereken, dat was in 1977.

Maar toen maakte Peter best wel wat mee! Hij zat bijvoorbeeld een keer ’s nachts na sluitingstijd in de Plu’s, toen daar de politie binnenviel.

Folkcafé De Plu’s, moet je weten, had een dagvergunning, zodat de tent al om één uur ’s nachts moest sluiten. Maar dan was het vaak nog vreselijk gezellig. Zo die keer ook, dat Peter Schaap er aan de bar zat. Jan Stelma, de kroegbaas, had het licht wel gedimd, de deur op de grendel en de gordijnen dichtgedaan, maar het kroegrumoer drong toch tot de buitenwereld door en een boze buurman moet de politie hebben gebeld.

Een aanrijtijdje later werd er hard op de buitendeur van de Plu’s gebonkt. Politie! Iedereen hield zich op slag muisstil. Jan riep naar voren dat hij eraan kwam, volgde een klaarliggend scenario, deed de achterdeur open en alle aanwezigen slopen op hun tenen het achterplaatsje op, waar nog net wat ruimte over was tussen de hoog opgetaste stapels wijnflessen.

Ook Peter Schaap stond daar, bibberend in zijn heel hippe, maar tevens erg dunne bloesje. Tamelijk langdurig, want de politie zag natuurlijk wel aan glazen, asbakken en over stoelleuningen gedrapeerde jasjes dat er pas nog volk binnen was geweest en zat Jan daarom kwaadaardig zuigend uit te vragen.

Dat duurde maar en duurde maar tot een verstoppeling op het achterplaatsje moest niezen, en een van die enorme stapels wijnflessen met donderend geraas ineenstortte.

Jan probeerde de agenten nog wijs te maken dat dat om zijn krolse kat ging, het rotbeest, maar zulks wilde er bij de opsporingsbeambten niet in. Zij vermoedden gespuis en namen resoluut poolshoogte op het achterplaatsje. Qua bekeuringen sloeg de Groninger politie een flinke slag, die nacht.

De Plu’s hield zich nog geruime tijd netjes aan de vergunning, zelfs de buren bleken er naderhand goed over te spreken. Het hele geval zou vast een prooi der vergetelheid geworden zijn, als Peter Schaap het niet in zijn hoofd gehaald had om opnieuw op te gaan treden.


De uitgestoken arm van een onbekende soldaat

reuzenradijs-1626-anoniem-rijksmuseum

Misvormde mensen, dieren en planten hebben altijd gefascineerd.

Zo kreeg de toen nog Groninger medicus Ludolph Smids eind 1672 bij zijn bezoek aan Enneke, de weduwe van barbier Homan in de Oosterstraat, een bijzondere radijs te zien,

“sijnde een goede vinger lang en hebbende de nette form en gedaante van een menschenarm, te weten van den elleboog af tot den hand en vingers (die seer poesel waren) toe.”

Bommen Berend had die zomer de aftocht geblazen, maar het schootsveld lag er nog, buiten de Ooster- en de Herepoort. Daar kwam die radijs vandaan.

”Omdat men dien niet lang na de Belegering in de bedorvene thuijnen had opgegraven, soo seide het bygelovig volkje dat sy waar gegroeid uit het lijf van een bisschopssoldaat, in een uitval door de onse gematst en sonder veel ceremoniën aldaar gedolven” (= begraven, HP).

Bron

Ter vergelijking: radijs als voet.


“Ik ben ’n schandalig meisje”

Van de week gezien in de straat waar ik vroeger woonde:

DSC07052
“Ik ben ’n schandalig meisje” – dat zegt zo’n kabelkast vast niet van zichzelf. Eigenlijk zou er een portret bij moeten, voor een juist beeld van de persoon die zoveel zelfkennis etaleert.


Arnolds uitvaart

De foto op het uitgereikte gedachteniskaartje.

De foto op het uitgereikte gedachteniskaartje.

Vandaag in Oudenbosch bij de uitvaart van Arnold geweest.

Hij bleek gestorven aan een longontsteking, waarvoor hij de medicatie weigerde. Dan is het heel gauw gebeurd met je.

Er waren veel meer mensen, dan ik vooraf had gedacht, een paar honderd wel. De hele dienst had hij zelf geregeld , met liederen, teksten en al. Toch zat er ook een mis of eucharistieviering bij. Had nog nooit een katholieke dienst meegemaakt, dus dat was wel indrukwekkend. Op zijn kist lag een strooien popje in kruisvorm, dat zich probeert op te richten. Het scheen te herinneren aan zijn tijd bij de Franciscaanse vredeswacht in Woensdrecht. Naar men vertelde werd hij begraven in het hesje van die Franciscaanse vredeswacht.

In een biografische noot kwam nog ter sprake dat hij omstreeks 1945 eens voor de broeder-overste van zijn orde was geroepen, die hem uitdrukkelijk herinnerde aan zijn gelofte van gehoorzaamheid. Arnold gold als nogal rebels. In één adem door ging het over zijn tijd in de Oosterpoort, waar hij naar eigen zeggen de tijd van zijn leven had.

Hij ligt nu naast het grote Christusbeeld op het kerkhof van zijn orde, waar allemaal eendere kleine metalen kruisjes herinneren aan de broeders die hem voorgingen in de dood. Zo’n kruisje met summiere gegevens zal vast ook op zijn graf komen te staan.

In de trein op de terugweg eerst, een paar banken verderop, een mevrouw in burqa, en later, pal tegenover me, een prachtige Marokkaanse met twee blote knieën stekend door de grote gaten in haar spijkerbroek.


In memoriam broeder Arnold

Arnold Bosdriesz (1922-2015)

Arnold Bosdriesz (1922-2015).

Zondag overleed in zijn woonplaats Oudenbosch broeder Arnold Bosdriesz (93).

Van 1988 tot 1994 was hij de dragende kracht van het Buurtoverleg Oosterpoort. In die tijd heb ik hem mogen meemaken. In feite was hij degene die me weer bij de buurt betrok, in een actie om niet alleen een paar geselecteerde blokken te renoveren, maar ook allerlei blokken eromheen. Dit onder het motto: “Oosterpoort klaar voor 2000!”.

Als ik aan Arnold denk, zie ik een kleine, slanke man in een lange, beige regenjas, met een markante kop, een uiterst doorrookte stem en een licht Amsterdams accent, die vrijwel altijd goed gehumeurd was, graag mocht lachen, ook om zijn eigen anekdotes, maar toch op zijn tijd ook behoorlijk fel van leer kon trekken. Ruzie maken echter, daar paste hij voor. Zo goed als hij in zijn rol van timmerman hout kon verbinden, wist hij ook bruggen te slaan tussen mensen. Bij de gemeente Groningen bijvoorbeeld, kon hij een potje breken. Dat de gemeente destijds zoveel geld reserveerde voor woningverbetering in de Oosterpoort, was in niet onaanzienlijke mate aan Arnold te danken.

Arnold kwam oorspronkelijk uit Amsterdam, waar zijn vader in de confectie werkte. Het ging om een tamelijk vrolijk katholiek milieu, Arnolds vader en moeder waren beide actief betrokken bij toneeluitvoeringen. Door de gemoedelijke en opgeruimde manier waarop de broeders van zijn school met elkaar omgingen, besloot hij ook broeder te willen worden. Op zijn twaalfde ging hij naar het juvenaat in Oudenbosch, een soort internaat met jongens die vrijwel allemaal ULO en kweekschool deden, want de orde van St.-Louis was een onderwijscongregatie.

Hij legde in 1940 de gelofte af van zuiverheid, armoe en gehoorzaamheid, waarbij hij tevens de naam Arnold aannam. Tijdens de oorlog bleef hij helpen in Oudenbosch, waar bij de bevrijding enorm veel evacuees en vluchtelingen opgevangen zijn, met name uit het gebied rond de Moerdijk, waar de Duitsers hevig weerstand boden. Om bijvoorbeeld hulpbehoevende bejaarden uit dat gebied te halen, waagden de broeders zich wel eens in het schootsveld. Zodoende is ook Arnold eens door een sluipschutter beschoten – daar moest hij later nogal eens aan terugdenken als hij oorlogsbeelden, bijvoorbeels uit Serajevo, op de televisie zag. Ook vanwege de terugkerende mensen uit dwangarbeiders- en concentratiekampen kwam hij nauwelijks aan nachtrust toe. Overdag stond hij namelijk ook nog gewoon voor de klas, soms tollend van de slaap.

Nadien was hij op verschillende standplaatsen in Noord- en Zuid-Holland werkzaam in het onderwijs. In 1967, toen de onderwijsrol van zijn congregatie uitgespeeld raakte, belandde hij in het bedrijfspastoraat. Eerst onder gastarbeiders in Bergen op Zoom, naderhand in een papierfabriek in Zaandam en van 1972 tot 1977 in de strokarton- en aardappelmeelindustrie in Oost-Groningen. Zo leerde hij onder meer Fré Meis kennen, die hij zeer respecteerde, al onderschreef hij al diens meningen niet.

In 1977 kreeg een burn-out Arnold te pakken en werd hij volledig afgekeurd. Hij leerde de zin van het leven weer zien in een religieuze gemeenschap te Bergeyk, en verhuisde in 1980 naar de stad Groningen. Hier knapte hij een broederhuis aan de Moesstraat op. Eens in de acht weken trok hij een week naar Woensdrecht en maakte daar deel uit van de Franciscaanse vredeswacht tegen de plaatsing van kernraketten.

In de Moesstraat voltrok zich langzamerhand een scheiding van geesten tussen de meer spiritueel aangelegde mensen en de mensen die praktisch nog wat met de wereld wilden. Die laatste groep verhuisde eind 1986 naar het groepshuis De Vlaspit op de hoek van de Dijkstraat en de Nieuwstraat. Onder andere woonde er een Ben, die als regisseur zeer actief was in de Groninger amateurtheaterwereld. Andere broeders waren elders actief en Arnold raakte betrokken bij de strijd om behoud van de Oosterpoort, een buurt die wethouder Gietema het liefst in zijn geheel had willen laten slopen.

Omdat hij over veel tijd beschikte, ging Arnold altijd naar de raadscommissies, en hield ook geregeld de speeches, als daar of elders wat te doen viel. Met ontzettend veel plezier herinnerde hij zich later het maken van Sinterklaassurprises voor de gemeenteraadsleden. Er zaten pseudo-ambtelijke adviezen op rijm in over de de bouwkundige verbeterbaarheid van de Oosterpoort. In deze wijk voelde hij zich als een vis in het water. Iedereen kende hem, maar tot zijn spijt wist hij niet altijd ieders naam.

Omstreeks 1995 vertrok hij en kwam via Amsterdam in Oudenbosch terecht. Tot op hoge leeftijd kon hij nog fietsen. Dat ging de laatste jaren echter niet meer, want zijn gezondheid liep achteruit. Ieder jaar belden we nog een paar keer en kreeg ik ook nog een kerstkaart van hem. Dat is nu dus afgelopen.

Dat God, als hij bestaat, maar een mooi plekje voor hem mag reserveren. In een fijne rookstoel als het kan.

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA


De ouwe communist

Toen ik gister zat te zoeken naar een toepasselijk plaatje voor bij het rapport over het Oost-Groninger communisme, kwam ik vier portretfoto’s uit 2006 tegen van een man die destijds bij mij in de Oosterpoort om de hoek woonde. Hij heette Henk Groenhof en was een ouwe communist.

Van beroep was hij schilder, taxichauffeur en bouwvakker geweest. Maar dat is niet het belangrijkste, want eind jaren 40, begin jaren 50 fungeerde hij naar eigen zeggen een tijd als voorzitter van de Groninger afdeling van de ANJV (de CPN-jongerenclub) en in de jaren 70 stond hij nog meermalen op een CPN-verkiezingslijst. Terwijl zijn vrouw rond 90 lid was geworden van GroernLinks, ging hij daar niet in mee. Hij moest niet zoveel hebben van nieuwlichterij. Hij was een tikje horizontaal, zeg maar. Toch konden we, als hij wegens warm weer zijn bovenwoning ontvluchtte en op het stoepje voor zijn deur plaatsnam. heel gemoedelijk kletsen over de politiek. Ik plaagde hem dan wel eens met het feit dat niemand zich meer arbeider wilde noemen, maar zo gemakkelijk joeg je hem niet op stang:
KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA


Kluftenstrijd rond de Witlattensteeg

Bij welke nabuurschap hoorden de kamers van Braden Appeltien eigenlijk? Een verhaal dat het historische belang van burenhulp demonstreert èn relativeert.

Ca. 1765-1770 worden er opmerkelijk veel nieuwe ‘kamers’ (dwz eenkamerwoninkjes) in en om de stad Groningen gebouwd. Buiten de Oosterpoort geschiedde dit bijna uitsluitend in het hovengebied, en wel primair aan de Houtzagersteeg en langs de Griffe. Bij elkaar genomen vormden deze eenvoudige woninkjes de kiem van een sloppenwijkje, dat nog een lang leven beschoren zou zijn.

De redenen dat deze schamele stulpjes hier toendertijd neergezet werden, liggen voor de hand. Enerzijds was er nog volop ruimte in het hovengebied, waar de bouwregelgeving soms ook wat minder strikt gehandhaafd werd. Anderzijds sloegen hof-eigenaars door het bouwen van kamers twee vliegen in één klap:  ze beurden voortaan huurpenningen èn ze verkregen toezicht op hun siertuinen, die bij nacht en ontij nogal eens door onverlaten werden bezocht, al kon dit positieve effect bij het huisvesten van de verkeerde persoon wel eens omslaan in een jammerlijk tegendeel.

Een steeg die hierboven ongenoemd is gebleven was de Witlattensteeg, die met een bajonet-achtige verspringing ingeklemd lag tussen de Oosterweg en de Merwe, de sloot op de plek waar we nu de Meeuwerderweg aantreffen. De noordoostelijke helft van die steeg nam nog de plaats in van het oostelijke gedeelte van de Polderstraat – aan het uiteind van dit steeggedeelte, waar zich nu wat winkels bevinden, werd omstreeks 1767 een rijtje van drie kamers onder één dak gebouwd, die uitzagen op de Merwe met een dam erin, een wal aan de overkant, het groenland van de Meeuwerd en in de verte de molenrij langs het Winschoterdiep.

De bouwer en eigenaar van deze kamers, Stoffer Jans Pieman, in de wandeling ook wel ‘Braaden Appeltien’ geheten, was herbergier, aanvankelijk in de Koning van Denemarken aan de Rademarkt – waarvan hij de stichter was – en ten tijde van de bouw van genoemde kamers in het veel oudere logement de Karper, dat zich even binnen Klein Poortje bevond, vlakbij het provinciale klokhuis waarvan het belletje op regelmatige tijden de afvaart van trekschuiten in de richtingen Delfzijl en Winschoten aankondigde. Dankzij de wachtkamerfunctie van de Karper voor het reizende volk en zijn pacht van het ‘verlaat (de sluis) tussen het Damsterdiep en het Schuiten- of Winschoterdiep moet Pieman goed hebben geboerd. Hij kocht en bouwde wel meer ontroerend goed in de stad en bovendien werd hij meermalen door collega’s in het herbergiersgilde tot ‘olderman gekozen, dit ondanks het feit dat hij de schrijfkunst niet machtig was.

Vlak na de bouw en de verhuur van zijn kamers aan de Witlattensteeg, om precies te zijn op 7 maart 1768, vervoegde Pieman zich ten stadhuize met een verzoekschrift, dat voor hem was opgemaakt door een schrijver van professie en dat hij getekend had met een kruisje. Uit dit stuk blijkt dat die kamers nog niet ingedeeld waren bij een van de naberschappen buiten de Oosterpoort – door de bewoners daar ook wel ‘kluften genoemd – en dat het uiteind van de Witlattensteeg als het ware nog een soort niemandsland, een witte vlek vormde op de kaart van de naberhulp aldaar.

Voor Piemans huurders had dit nare consequenties. Toen één van zijn kamerbewoners stierf en de twee eerste kluften aan de Oosterweg het niet eens konden worden tot welke kluft die kamers behoorden, moest de president-Burgemeester eraan te pas komen om het Salomons-oordeel te vellen, dat de bewoners van beide naberschappen dan maar gezamenlijk het stoffelijk ovrschot moesten afleggen, kisten, naar het kerkhof dragen, verluiden en ter aarde bestellen.

In het verzoekschrift meldt Pieman dat beide naberschappen inderdaad aan het bevel van de president-Burgemeester hadden voldaan. Alleen zat het hem dwars dat ze de kist niet langs ‘de gewone en gemene passage – d.w.z. de gebruikelijke weg over de dam die vlakbij de kamers in de Merwe lag, door de ‘wringe (het damhek), over het lage dijkje langs de Merwe, langs het ‘Slijkdiep (de Griffe) en de Drekstoep naar het begin van de Oosterweg – hadden gebracht, maar via de Witlattensteeg, naar het zeggen van beide kluften omdat ze geen vergunning hadden om eerstgenoemde route te gebruiken. Daarbij hadden ze vooraf de ‘doodbarve (de uit de kerk gehaalde draagbaar) niet zoals te doen gebruikelijk naar de kamer van de overledene gebracht, maar aan het begin van de Oosterweg neergezet.

Het gebruik van de volgens Pieman normale weg zou betekenen dat de eerste naberschap langs de Oosterweg verantwoordelijk zou zijn voor naberhulp in Pieman’s nieuwe kamers aan de Witlattensteeg. Indeling van zijn kamers bij die kluft had ook Pieman’s uitgesproken voorkeur. Vooraan de Oosterweg, zoals gezegd langs de Houtzagersteeg en de Griffe, stonden immers nog meer nieuw gebouwde woningen en die bevonden zich in noodgevallen zoals geboorte, ziekte en overlijden het dichtste bij. Pieman verzocht de heren daarom of ze zijn kamers bij de eerste naberschap wilden indelen en of ze het gebruik van de door hem geprefereerde route voor het vervoer van gestorvenen, ‘als zijnde het naaste kerkpad, wilden bekrachtigen.

Piemans verzoekschrift werd meteen na de indiening in handen gesteld van een raadscommissie onder leiding van Burgemeester van Iddekinge, de luitenant-stadhouder en veruit de machtigste Groninger regent. Vlak voor de ‘bonenkeur’ of regeringswisseling van februari 1769, ruim tien maanden later, was deze commissie klaar met haar werkzaamheden en bracht ze rapport uit aan het volledige stadsbestuur. Dit nam het besluit dat Pieman’s kamers voortaan – anders dan Pieman wilde – onder de middelste naberschap aan de Oosterweg zouden horen en dat de overledenen uit die kamers via de Witlattensteeg ter begrafenis zouden worden gedragen, welke steeg dus als kerkepad dienst zou doen. Jammer genoeg gaven de heren geen motivatie voor deze keuze, daar blonken ze wel vaker niet in uit, maar wellicht heeft het feit dat de eerste naberschap al wat groter was dan de tweede en wat meer dragende mannen omvatte, er een rol in gespeeld.

Een raadsdienaar werd naar de Oosterweg gestuurd om het besluit van het stadsbestuur officieel mede te delen aan de oudste naburen van de middelste naberschap, d.w.z. de mannen van wie het in dit soort gevallen afhing of er een buurtvergadering werd belegd. Deze oudste naburen waren Jan Willems Cramer (vermoedelijk een kleine handelsman), Willem Keizer (de derde moesker van de oostzijde van de Oosterweg) en Tonnis Willems (de tweede moesker aan de westkant), al met al lieden die letterlijk (vanaf hun hogergelegen geografische positie, tegenwoordig tussen de Kroeg van Klaas en Wah Hing) en figuurlijk (qua stand) neer moeten hebben gekeken op de armoedzaaiers die de lager gelegen hoven langzamerhand gingen bevolken, waarmee ik maar wil aangeven dat er ook wel eens een sociaal aspect aan hun onwil kan hebben gezeten. Want men legde zich niet neer bij de beslissing van de heren. Het duurde niet lang of de ‘volmachten (woordvoerders) van de tweede kluft kwamen onder aanvoering van Cramer op hun beurt met een verzoekschrift ten stadhuize, waarin ze het stadsbestuur vroegen om de benoeming van een nieuwe commissie ter heroverweging van het besluit. Zo’n commissie kwam er niet. De heren hadden blijkbaar weinig zin om op het besluit terug te komen lieten dit rekest rustig aan de spijker hangen.

Dat betekende niet dat de middelste naberschap het hoofd in de schoot legde, zo bleek ruim een jaar later (voorjaar 1770), toen zich daar tot twee maal toe een sterfgeval voordeed – o.a. van een kind dat in de Oliemolensteeg in de kost was en daar aan de pokken bezweek – en de kamerbewoners van de Witlattensteeg niet uitgenodigd werden voor het verrichten van de naberplichten en het bijgevolg ook niet voor de drinkgelagen achteraf waarop traditioneel halve en kwart tonnen kluin werden geconsumeerd. Pieman kwam toen andermaal op voor zijn huurders en vervoegde zich opnieuw met een klacht bij de heren, die wederom een raadsdienaar op de tweede kluft afstuurden met de boodschap dat men andere maatregelen zou nemen als het niet afgelopen was met die halsstarrigheid.

Deze raadsdienaar stapte naar Pieter Takens, de eerste moesker aan de westzijde van de Oosterweg, die fungeerde als ‘breukmeester´ (inner van entreegelden plus boetes, kasbeheerder) van de tweede naberschap. De raadsdienaar kreeg van Takens te horen dat diens kluft ‘finaal’ weigerde om aan het door de heren genomen besluit te voldoen.

En dat betekende hommeles. De heren vonden het nu welletjes met dat eigenwijze volkje buiten de Oosterpoort en vroegen hun ‘fiscaal (officier van justitie) een gerechtelijk onderzoek in te stellen naar deze ‘disobediëntie (ongehoorzaamheid).

De fiscaal ontbood Takens voor een verhoor. De breukmeester ontkende zich in gemelde termen tegen de raadsdienaar uitgelaten te hebben. Persoonlijk kon het hem weinig schelen bij welke naberschap Piemans kamers aan de Witlattensteeg nou eigenlijk hoorden, maar zijn eigen naberschap was in elk geval de mening toegedaan dat ze die kamers er niet bij konden hebben, omdat ze de doden uit die kamers dan over een ‘pendam (schutdam in een sloot) en een plank moesten dragen, inderdaad nogal een hachelijk karwei met die combinatie van draagbaar en doodskist. Dat Piemans kamers tot de eerste kluft behoorden stond voor de buren van de tweede kluft buiten kijf, want de buren van de eerste hadden ‘het geld van intrede van de kamerbewoners gevraagd en bovendien waren de nabervrouwen uit die kluft ook bij een kraamvrouw in een van Pieman’s kamers geroepen.

Het relaas van de raadsdienaar en het verhoor van Takens door hun fiscaal gaf de heren van het stadsbestuur aanleiding om te laten merken dat het hun menens was. Ze bevestigden hun eenmaal genomen besluit nog eens definitief, waarbij ze ‘een ieder die sulks mag aangaan gelastten ‘aan het selve te obediëren en sig stiptelijk daar na te reguleren’.

Breukmeester Pieter Takens werd wegens ongehoorzaamheid veroordeeld tot een daalder boete, die hij binnen acht dagen aan ‘de gemene armen’ diende te voldoen. Getuige een kwitantie en een post in de diaconierekening betaalde Takens juist op tijd. Van enigerlei problemen bij de buiten-Oosterpoorter naberschappen is nadien geen sprake meer.

Harry Perton

Eerder in iets andere vorm verschenen in De Oosterpoorter van ? 1994. Met dank aan mijn ‘oomzegger’ E. voor het uittypen van de digitaal zoekgeraakte tekst.