Smidsdiploma


De handgeschreven invulteksten op dit smidsdiploma zijn aanzienlijk verbleekt en nauwelijks meer leesbaar, maar het werd op 4 augustus 1956 uitgereikt aan een Jacob Hofstee, dan bijna 30 jaar oud en geboren te Uithuizermeeden.

Linksonder een soldeerbout en rechtsonder een aanbeeld, met een hamer en oplaaiend vuur. De stijl doet jaren 30 aan. Wellicht had de vakopleiding nog een stapeltje vooroorlogse diploma’s liggen.

Het drukwerkje tikte ik op de kop bij de veiling van Boekito’s schilderijen, begin deze maand in het Poortershoes, het buurthuis van de Oosterpoort waar Boekito vlakbij woonde en ook redelijk vaak kwam. Hij heeft in maart een hersenbloeding gehad en kan nauwelijks meer praten. Zijn huis is ontruimd en bijna al zijn boeken zijn naar de stort gegaan: een drama voor de boekenverzamelaar.

Voor zover ik zag, werd er op zijn schilderijenveiling redelijk wat verkocht, meest romantische werken. Was wel een komisch gezicht in de buurt, om jongelui met zulk werk door de straten te zien lopen. Boekito zelf zag ik niet bij de veiling, op de deur van het buurthuis hing een briefje dat die pas ’s middags zou komen.

 


“Houten handen, waar te setten” – de oudste resolutie van het stadsbestuur over handpalen

Bij het doornemen van notities die ik een kwarteeuw geleden maakte, vond ik haar terug: de resolutie waarin het Groninger stadsbestuur voor het eerst hand- of strijkpalen noemt. Ze dateert van zaterdag 15 januari 1653 en stelde een commissie in

omme ordre te stellen, dat tot minste schade en beste mesnage van de Stat, bij het roode bruckjen achter de berckmeulen een houten handt wierde gestelt, alwaar een jegelijcke schuitevaerder ofte ander schipper s[i]nen seijl sal hebben te strijcken

Dat rode bruggetje lag buiten Kleinpoortje over het Schuiten- of Winschoterdiep. Kennelijk had deze voorganger van de huidige Bonte Brug al eens averij opgelopen omdat een zeilend schip ermee in aanvaring kwam. Vandaar dat er een handpaal met het gebod ‘strijk’ achter de toen nog bestaande barkmolen kwam, op ruim 150 meter afstand van de brug.

Ook bij het verlaat van Martenshoek en bij de “scheidbrugge” in Sappemeer kwam er zo’n handpaal te staan. Deze maakten verder deel uit van een heel pakket van maatregelen, dat ook de bruggen van Foxhol en het zandpad en de vonders van Sappemeer betrof.

Zie verder.


Groeten uit de Witlattensteeg

Rond 1700 was dat de Lattensteeg, waaraan hoven (siertuinen) lagen. Dankzij een witbeurt ca 1730 kwam de naam Witlattensteeg in zwang. Waarschijnlijk ging het vanaf toen dus om een steeg tussen erfafscheidingen van witte latten die de hofeigenaren gezamenlijk hadden aangeschaft. In de twintigste eeuw werd dat met een wat netter gevonden naam, maar even intrigerend, de Witlattenstraat.


Bouwbord Oosterpoort

Om precies te zijn in de Jacobstraat:

Uit het feit dat dit bouwbord er nog hangt, terwijl de oplevering reeds enige weken geleden gebeuren zou, valt op te maken dat het project ofwel vertraging heeft opgelopen. ofwel verlengd is wegens meerwerk.


De blekers en hun honden

In de achttiende eeuw bevonden zich enige bleekvelden onmiddellijk buiten de Oosterpoort oostzijde langs de stadsgracht, daar waar nu nog het Cultuurcentrum staat. De exploitanten van deze bleekvelden, de blekers, wasten en droogden linnengoed voor beter gesitueerden. Hun nering was onzeker door de zesjarige pachttermijnen, door perioden van gebrek aan klandizie en door overstromingen vanuit de stadsgracht en het Winschoterdiep. Meer hierover een andere keer. Nu eerst iets over nog een ander probleem waarmee de blekers kampten en het wapen dat ze tegen dat probleem plachten in te zetten.

Dat probleem vormden de vele diefstallen waarvan blekers het slachtoffer werden. Daarbij moeten we bedenken dat de primaire levensbehoeften toentertijd veel duurder waren dan tegenwoordig. Dat gold zeker voor linnengoed, allemaal nog handwerk, een product van spinnen, weven en naaien. Dat linnengoed lag bovendien voor het grijpen op de relatief open, hooguit met heggen afgeschermde bleekvelden. Eventueel pakte men een stok om het spul over een heg naar zich toe te halen.

Blekers buiten de Oosterpoort en het Kleinpoortje werden o.a. op die manier meermalen het slachtoffer en zelden werd er een dader gepakt. Het was zelfs zo dat een bleker moest uitkijken om niet zelf van diefstal beschuldigd te worden. Dat overkwam Derk Bos, bleker buiten de Oosterpoort, die in 1747 door een klant ervan werd beticht dat hij vier hemden, tien neteldoekse doeken en 24 stukken kleingoed had ingepikt. De kwestie werd uiteindelijk geschikt, maar kan onmogelijk in Bos’ kouwe kleren zijn gaan zitten. Het was een dieptepunt in zijn carrière, zeg maar.

De gelegenheid maakte ook toen al de dief en de stadsoverheid zag erop toe dat men niet al te gemakkelijk gelegenheid gaf: linnen dat al te dicht bij de weg over een heg hing, werd onverbiddelijk in beslag genomen. Van hun kant deden de blekers er ook alles aan om diefstal te voorkomen. Zo vroegen de gezamenlijke blekers van de stad Groningen in 1795 om gespaard te mogen blijven voor inkwartiering van Franse troepen omdat ze toezicht moesten houden op de spullen, die hen waren toevertrouwd.

Mocht hiermee de schijn gewekt zijn dat ze dat toezicht louter in hoogst eigen persoon uitoefenden, dan is een rechtzetting op haar plaats. Want de blekers stonden bekend om hun grote, bijtgrage honden. Zo vroegen de Groninger blekers in 1638 aan het stadsbestuur of ze hun honden overdag los mochten laten. Dat mocht niet, ze moesten deze aan de ketting leggen “tot voorkoming van onheilen”, en anders kregen ze een boete.

In 1641 hielden enige blekers zich niet aan deze regel. Hun honden veroorzaakten een dermate grote schade op een hof (siertuin) dat het stadsbestuur bepaalde dat de slachtoffers in het vervolg zulke honden desnoods mochten doodslaan of vergiftigen. Maar ondanks zulke maatregelen waren er in de achttiende eeuw nog regelmatig klachten over blekershonden. Zo pakten deze in 1753 een vrouw, beten ze in hetzelfde jaar een twaalftal schapen dood en in 1772 een 40 à 50 stuks pluimvee. Tussen die wanbedrijven door, in 1764, was er nog een geval waarbij een bleker iemand met zijn honden bedreigde.

Toen in 1807 hier ter stede de hondenbelasting werd ingevoerd – twee gulden per hond per jaar in twee termijnen – waren de gezamenlijke blekers uit de stad, waaronder Sicke Thies Sickens van buiten de Oosterpoort, er ook als de kippen bij om vrijstelling te verzoeken. Ze konden weliswaar begrip opbrengen voor het argument van het stadsbestuur dat honden in de regel een soort van weelde vormden en dat alleen de meer gegoeden honden bezaten, maar ze zagen zichzelf als een duidelijke uitzondering op deze regel. Want, zo voerden ze aan, zonder hun honden bestond er een “zeker gevaar van dieverij”,

“daar men toch gemakkelijk kan vooruitzien, dat wanneer zij deeze trouwe wachters verwijderden de door een groot aantal ingezetenen aan hun vertrouwde goederen zeer schielijk een prooi van den roofgierigen dief zouden worden”.

Ja, het was onmogelijk die honden weg te doen zonder tegelijkertijd gedag tegen de kostwinning te zeggen, want vervanging van de honden door mensen zou de bleektarieven dermate doen stijgen dat de bleekmarkt zou inzakken.

Helaas voor de blekers kregen ze nul op hun rekest. De tweede termijn van de hondenbelasting, die van januari 1808, leverde overigens 504 gulden op, waaruit we mogen opmaken dat er hier in Groningen slechts 504 geregistreerde honden waren, inderdaad een luxe.

Nu was de blekersnering zeker geen vetpot. De blekers hadden het niet breed – als ondernemers met een gering bedrijfskapitaal behoorden ze tot de kleine middenstand. Hun weinig beduidende positie op de maatschappelijke ladder roept nog de vraag op hoe de blekers het voor elkaar kregen om hun grote, geduchte honden van voedsel te voorzien.

Welnu, ook daarover is wel iets bekend. In 1754 was er een rechtzaakje over de grote hoeveelheden “gedarmte en andere vuijligheijdt van slagters komende”, die Jan Remmerts, bleker buiten het Klein Poortje, voor zijn hondehok placht te deponeren, waardoor zijn buurman, de scheepstimmerman en hellingbaas Anthonie Jans van Bergen en diens knechten

“dagelijks seer veel ongemak moesten ondervinden, insonderheijdt wanneer de windt west is, soo dat van stank daar door gecauseert niet konnen alsdaar verblijven”.

Anthonie Jans wilde dat Jan Remmerts het spul zou verwijderen, mede omdat Remmerts het vroeger altijd op het andere eind van zijn bleek had gelegd. Remmerts echter, voelde daar weinig voor. Hij moest immers, zo zei hij, jaarlijks “groote lasten en swaerigheden” voor zijn stadsgrond betalen en bovendien was hij verplicht om zijn zeven (!) honden aan de ketting te laten liggen, zodat hij wel gedwongen was om ze juist op die plek te voederen. Anthonie’s bewering als zou het slachtafval eerder elders hebben gelegen, waren wat Jan Remmerts betreft maar “blote segswoorden” – Remmerts kon anders ook wel over Anthonie’s “secreet” (plee) gaan klagen, “waar uit ook niet als stank komt”, maar ging daar “uit genegentheijdt” liever aan voorbij.

Na ter plaatse poolshoogte te hebben genomen stelden de Heren van de Kluft, de scheidsrechters in dit soort burenruzies, de bleker min of meer in het gelijk, dat wil zeggen hij mocht zijn honden op dezelfde plek blijven voeren, al diende hij bij de aanvoer wel enige matiging te betrachten: zou Remmerts bij uitzondering nog eens “dusdane voedsel (…) komen opmennen en ansleepen”, dan zou het stadsbestuur op een klacht van Anthonie andere maatregelen nemen…

Bleef het bij kleine hoeveelheden slachtafval dan was dat dus tot daar aan toe. Maar het kon nog erger. Vijftien jaar eerder, in juni 1739, kwam er bij het stadsbestuur een klacht binnen van de buren buiten de A-poort, van inhoud dat de weduwe Albert Alberts, de aldaar woonachtige bleekster, haar honden voedde door ze kadavers van o.a. paarden voor te zetten, “waar door dusdanig somwijlen de lugt is geïnfecteert dat er bijna geen mensch kan duiren”. Het stadsbestuur verbood vervolgens aan àlle blekers, dus niet alleen die van buiten de A-poort, om nog langer kadavers op hun bleken neer te leggen. De kadavers die er op dat moment al lagen moesten ze direct begraven; lieten ze dit na dan kregen ze een boete van twaalf gulden.

Ondanks die lang niet malse boete – ongeveer een maand loon voor een gewone arbeider – was dit niet de laatste klacht over kadavers op een bleek. Zo kregen de vroede vaderen van onze stad in juni 1795 (alweer vlak voor de hondsdagen!) de melding dat er op een van beide bleken buiten de Oosterpoort en het Kleine Poortje een plaats was aangelegd waar de Fransen hun zieke paarden mochten laten afmaken. Het stonk er soms zo erg, dat de werklui op de bovengenoemde scheepswerf, dan van de weduwe Van Bergen, het niet konden uithouden.

Hoe schoon het linnen ook werd door toedoen van de blekers, helemaal fris rook het in hun omgeving niet altijd.

Verhaal, eerder verschenen in De Oosterpoorter van 199? en nu ontdaan van Ventura-tags en opnieuw geredigeerd.


Zuiniger kunnen we het niet maken

Aan de Trompsingel, links van de Oosterpoort:

Het was onmogelijk om op welke andere letter dan ook te beknibbelen, zonder dat dit een armoedige indruk gaf. En dus bezuinigden ze maar op de o’s. De o was weer de dupe, de calimero van het alfabet.


Er wordt nog verloofd

Gezien in de Mauritsdwarsstraat

Verloofden, ze zijn er nog. De verloving is nog niet uitgestorven: