Ritje naar Noordbroeksterhamrik

Op het bekende waarschuwingsbordje in de Oliemulderstraat kregen de overstekende egels gezelschap van kabouters:

Graffiti bij het Eemskanaal:

Oosterhoogebrug:

Op bedrijfsterrein bij het Eemskanaal stak een middelgrote hond schuin over met een groot bot, zo te zien een dijbeen:

Achterkant gestalde oliebollenkraam, Eemskanaal:

Bij het Slochterdiep:

’t Roegwold achter Schaaphok – hier moeten honden wèl aan de lijn. In de buurt van Schaaphok, links buiten beeld, klonken twee geweerschoten:

Eerder had ik al een scholekster op het fietspad zien liggen met een gat in de borst. Langs het fietspad had iemand een dode steenmarter over een knotwilg gedrapeerd.

Deze had een druppeltje bloed aan de neus hangen en was dus waarschijnlijk een verkeersslachtoffer:

Bij Denemarken:

Jammer dat de kerk van Slochteren altijd dicht is:

Don Quichottische confrontatie bij Noordbroeksterhamrik:

Anders dan bij De Groeve is de afgedankte schroef of vijzel van de watermolen hier van metaal:

Tandrad:

Don Quichotte geeft het op tegen deze overmacht:

Oldambtster boerderij uit de achttiende eeuw op de Korengast – het dak van de schuur welft een beetje:

De voorkant. Je kunt er biologisch vlees kopen:

Huisje in Uiterburen

Bij de rotonde van de Gouden Driehoek passeerden een stuk of wat oldtimers:

De traverse van het Groninger Hoofdstation:


“Een echte durfal, die Harry”

Nu bijna 25 jaar geleden haalden Wim Hartman en ik namens de Oosterpoort de finale van de OOG-wijkkwis, destijds gepresenteerd door een piepjonge Wilfred Genée. Op het spel stond een videorecorder en onze tegenstander was Aduard, dat in monnikspijen verscheen. Een en ander speelde zich af het gebouw van de dienst Ruimtelijke Ordening aan het Zuiderdiep, waar ze de goeie trap voor een klassieke opkomst hebben. Let u speciaal ook op het Ruimtelijke Ordeningsspel, de truuk die ik daar uithaalde was ik al helemaal vergeten:

Wat was ik toen nog een jong mager knulletje en wat zat ik daar irritant vaak met open mond. Trekje dat ik herken van mijn vader. Zou me nu niet meer zo gauw overkomen, denk ik, in het zicht van een camera.

Met dank aan René Duursma, GAVA.


Poolshoogte op het achterplaatsje – bij de comeback van Peter Schaap

peter-schaap

Peter Schaap maakt een eenmalige comeback als liedjeszanger. Veertig jaar geleden stopte hij met het maken van muziek op podia. Het succes kneep zijn bron af. “Ik schreef altijd over dingen die ik zelf meemaakte”, vertelt hij op TV Noord,

“en maakte eigenlijk nauwelijks wat mee. Je zat in de auto naar ‘t optreden en je ging weer naar huis. Of je zat in de studio, en dat soort dingen. Maar dat was niet iets inspirerends. Dus op een gegeven moment heb ik me daarvan teruggetrokken (…) en ben wat anders gaan doen.”

Veertig jaar geleden, rekendereken, dat was in 1977.

Maar toen maakte Peter best wel wat mee! Hij zat bijvoorbeeld een keer ’s nachts na sluitingstijd in de Plu’s, toen daar de politie binnenviel.

Folkcafé De Plu’s, moet je weten, had een dagvergunning, zodat de tent al om één uur ’s nachts moest sluiten. Maar dan was het vaak nog vreselijk gezellig. Zo die keer ook, dat Peter Schaap er aan de bar zat. Jan Stelma, de kroegbaas, had het licht wel gedimd, de deur op de grendel en de gordijnen dichtgedaan, maar het kroegrumoer drong toch tot de buitenwereld door en een boze buurman moet de politie hebben gebeld.

Een aanrijtijdje later werd er hard op de buitendeur van de Plu’s gebonkt. Politie! Iedereen hield zich op slag muisstil. Jan riep naar voren dat hij eraan kwam, volgde een klaarliggend scenario, deed de achterdeur open en alle aanwezigen slopen op hun tenen het achterplaatsje op, waar nog net wat ruimte over was tussen de hoog opgetaste stapels wijnflessen.

Ook Peter Schaap stond daar, bibberend in zijn heel hippe, maar tevens erg dunne bloesje. Tamelijk langdurig, want de politie zag natuurlijk wel aan glazen, asbakken en over stoelleuningen gedrapeerde jasjes dat er pas nog volk binnen was geweest en zat Jan daarom kwaadaardig zuigend uit te vragen.

Dat duurde maar en duurde maar tot een verstoppeling op het achterplaatsje moest niezen, en een van die enorme stapels wijnflessen met donderend geraas ineenstortte.

Jan probeerde de agenten nog wijs te maken dat dat om zijn krolse kat ging, het rotbeest, maar zulks wilde er bij de opsporingsbeambten niet in. Zij vermoedden gespuis en namen resoluut poolshoogte op het achterplaatsje. Qua bekeuringen sloeg de Groninger politie een flinke slag, die nacht.

De Plu’s hield zich nog geruime tijd netjes aan de vergunning, zelfs de buren bleken er naderhand goed over te spreken. Het hele geval zou vast een prooi der vergetelheid geworden zijn, als Peter Schaap het niet in zijn hoofd gehaald had om opnieuw op te gaan treden.


De uitgestoken arm van een onbekende soldaat

reuzenradijs-1626-anoniem-rijksmuseum

Misvormde mensen, dieren en planten hebben altijd gefascineerd.

Zo kreeg de toen nog Groninger medicus Ludolph Smids eind 1672 bij zijn bezoek aan Enneke, de weduwe van barbier Homan in de Oosterstraat, een bijzondere radijs te zien,

“sijnde een goede vinger lang en hebbende de nette form en gedaante van een menschenarm, te weten van den elleboog af tot den hand en vingers (die seer poesel waren) toe.”

Bommen Berend had die zomer de aftocht geblazen, maar het schootsveld lag er nog, buiten de Ooster- en de Herepoort. Daar kwam die radijs vandaan.

”Omdat men dien niet lang na de Belegering in de bedorvene thuijnen had opgegraven, soo seide het bygelovig volkje dat sy waar gegroeid uit het lijf van een bisschopssoldaat, in een uitval door de onse gematst en sonder veel ceremoniën aldaar gedolven” (= begraven, HP).

Bron

Ter vergelijking: radijs als voet.


“Ik ben ’n schandalig meisje”

Van de week gezien in de straat waar ik vroeger woonde:

DSC07052
“Ik ben ’n schandalig meisje” – dat zegt zo’n kabelkast vast niet van zichzelf. Eigenlijk zou er een portret bij moeten, voor een juist beeld van de persoon die zoveel zelfkennis etaleert.


Arnolds uitvaart

De foto op het uitgereikte gedachteniskaartje.

De foto op het uitgereikte gedachteniskaartje.

Vandaag in Oudenbosch bij de uitvaart van Arnold geweest.

Hij bleek gestorven aan een longontsteking, waarvoor hij de medicatie weigerde. Dan is het heel gauw gebeurd met je.

Er waren veel meer mensen, dan ik vooraf had gedacht, een paar honderd wel. De hele dienst had hij zelf geregeld , met liederen, teksten en al. Toch zat er ook een mis of eucharistieviering bij. Had nog nooit een katholieke dienst meegemaakt, dus dat was wel indrukwekkend. Op zijn kist lag een strooien popje in kruisvorm, dat zich probeert op te richten. Het scheen te herinneren aan zijn tijd bij de Franciscaanse vredeswacht in Woensdrecht. Naar men vertelde werd hij begraven in het hesje van die Franciscaanse vredeswacht.

In een biografische noot kwam nog ter sprake dat hij omstreeks 1945 eens voor de broeder-overste van zijn orde was geroepen, die hem uitdrukkelijk herinnerde aan zijn gelofte van gehoorzaamheid. Arnold gold als nogal rebels. In één adem door ging het over zijn tijd in de Oosterpoort, waar hij naar eigen zeggen de tijd van zijn leven had.

Hij ligt nu naast het grote Christusbeeld op het kerkhof van zijn orde, waar allemaal eendere kleine metalen kruisjes herinneren aan de broeders die hem voorgingen in de dood. Zo’n kruisje met summiere gegevens zal vast ook op zijn graf komen te staan.

In de trein op de terugweg eerst, een paar banken verderop, een mevrouw in burqa, en later, pal tegenover me, een prachtige Marokkaanse met twee blote knieën stekend door de grote gaten in haar spijkerbroek.


In memoriam broeder Arnold

Arnold Bosdriesz (1922-2015)

Arnold Bosdriesz (1922-2015).

Zondag overleed in zijn woonplaats Oudenbosch broeder Arnold Bosdriesz (93).

Van 1988 tot 1994 was hij de dragende kracht van het Buurtoverleg Oosterpoort. In die tijd heb ik hem mogen meemaken. In feite was hij degene die me weer bij de buurt betrok, in een actie om niet alleen een paar geselecteerde blokken te renoveren, maar ook allerlei blokken eromheen. Dit onder het motto: “Oosterpoort klaar voor 2000!”.

Als ik aan Arnold denk, zie ik een kleine, slanke man in een lange, beige regenjas, met een markante kop, een uiterst doorrookte stem en een licht Amsterdams accent, die vrijwel altijd goed gehumeurd was, graag mocht lachen, ook om zijn eigen anekdotes, maar toch op zijn tijd ook behoorlijk fel van leer kon trekken. Ruzie maken echter, daar paste hij voor. Zo goed als hij in zijn rol van timmerman hout kon verbinden, wist hij ook bruggen te slaan tussen mensen. Bij de gemeente Groningen bijvoorbeeld, kon hij een potje breken. Dat de gemeente destijds zoveel geld reserveerde voor woningverbetering in de Oosterpoort, was in niet onaanzienlijke mate aan Arnold te danken.

Arnold kwam oorspronkelijk uit Amsterdam, waar zijn vader in de confectie werkte. Het ging om een tamelijk vrolijk katholiek milieu, Arnolds vader en moeder waren beide actief betrokken bij toneeluitvoeringen. Door de gemoedelijke en opgeruimde manier waarop de broeders van zijn school met elkaar omgingen, besloot hij ook broeder te willen worden. Op zijn twaalfde ging hij naar het juvenaat in Oudenbosch, een soort internaat met jongens die vrijwel allemaal ULO en kweekschool deden, want de orde van St.-Louis was een onderwijscongregatie.

Hij legde in 1940 de gelofte af van zuiverheid, armoe en gehoorzaamheid, waarbij hij tevens de naam Arnold aannam. Tijdens de oorlog bleef hij helpen in Oudenbosch, waar bij de bevrijding enorm veel evacuees en vluchtelingen opgevangen zijn, met name uit het gebied rond de Moerdijk, waar de Duitsers hevig weerstand boden. Om bijvoorbeeld hulpbehoevende bejaarden uit dat gebied te halen, waagden de broeders zich wel eens in het schootsveld. Zodoende is ook Arnold eens door een sluipschutter beschoten – daar moest hij later nogal eens aan terugdenken als hij oorlogsbeelden, bijvoorbeels uit Serajevo, op de televisie zag. Ook vanwege de terugkerende mensen uit dwangarbeiders- en concentratiekampen kwam hij nauwelijks aan nachtrust toe. Overdag stond hij namelijk ook nog gewoon voor de klas, soms tollend van de slaap.

Nadien was hij op verschillende standplaatsen in Noord- en Zuid-Holland werkzaam in het onderwijs. In 1967, toen de onderwijsrol van zijn congregatie uitgespeeld raakte, belandde hij in het bedrijfspastoraat. Eerst onder gastarbeiders in Bergen op Zoom, naderhand in een papierfabriek in Zaandam en van 1972 tot 1977 in de strokarton- en aardappelmeelindustrie in Oost-Groningen. Zo leerde hij onder meer Fré Meis kennen, die hij zeer respecteerde, al onderschreef hij al diens meningen niet.

In 1977 kreeg een burn-out Arnold te pakken en werd hij volledig afgekeurd. Hij leerde de zin van het leven weer zien in een religieuze gemeenschap te Bergeyk, en verhuisde in 1980 naar de stad Groningen. Hier knapte hij een broederhuis aan de Moesstraat op. Eens in de acht weken trok hij een week naar Woensdrecht en maakte daar deel uit van de Franciscaanse vredeswacht tegen de plaatsing van kernraketten.

In de Moesstraat voltrok zich langzamerhand een scheiding van geesten tussen de meer spiritueel aangelegde mensen en de mensen die praktisch nog wat met de wereld wilden. Die laatste groep verhuisde eind 1986 naar het groepshuis De Vlaspit op de hoek van de Dijkstraat en de Nieuwstraat. Onder andere woonde er een Ben, die als regisseur zeer actief was in de Groninger amateurtheaterwereld. Andere broeders waren elders actief en Arnold raakte betrokken bij de strijd om behoud van de Oosterpoort, een buurt die wethouder Gietema het liefst in zijn geheel had willen laten slopen.

Omdat hij over veel tijd beschikte, ging Arnold altijd naar de raadscommissies, en hield ook geregeld de speeches, als daar of elders wat te doen viel. Met ontzettend veel plezier herinnerde hij zich later het maken van Sinterklaassurprises voor de gemeenteraadsleden. Er zaten pseudo-ambtelijke adviezen op rijm in over de de bouwkundige verbeterbaarheid van de Oosterpoort. In deze wijk voelde hij zich als een vis in het water. Iedereen kende hem, maar tot zijn spijt wist hij niet altijd ieders naam.

Omstreeks 1995 vertrok hij en kwam via Amsterdam in Oudenbosch terecht. Tot op hoge leeftijd kon hij nog fietsen. Dat ging de laatste jaren echter niet meer, want zijn gezondheid liep achteruit. Ieder jaar belden we nog een paar keer en kreeg ik ook nog een kerstkaart van hem. Dat is nu dus afgelopen.

Dat God, als hij bestaat, maar een mooi plekje voor hem mag reserveren. In een fijne rookstoel als het kan.

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA