Lauwerkrans voor trouwe arbeider

Aan de voorkant van de erepenning staat een maagd met een lauwerkrans die zij uitreikt namens de Nederlandsche Maatschappij voor Nijverheid en Handel:

Aan de keerzijde vinden we het motto van voornoemd genootschap: “Vermeerdering van volkswelvaart het doel der Maatschappij”. Dit omlijst een krans van eikenloof met symbolen voor landbouw (ploeg), industrie (machine met tandrad) en handel (schip) en de naam van jubilaris, die 25 jaar had gewerkt bij de tricotagefabriek (machinale kousenbreierij  Reinier Muller in Groningen, aan het eind van de Meeuwerderweg:

De uitreiking ervan vond plaats tijdens een feestelijke personeelsavond met variété in zaal Apollo aan de Hereweg, waar nog vijftien andere werknemers van Reinier Muller net zo’n penning met bijbehorend getuigschrift ontvingen. Echt heel zeldzaam lijkt de penning dus niet, al mag je je afvragen hoeveel er nog van bestaan.

Door het gelinkte krantenbericht kwam ik de penning op het spoor. De jubilaris heb ik namelijk nog gekend als een vriendelijke oude, statige heer die een paar straten verderop in de Oosterpoort woonde. Met diens zoon heb ik nog wel eens contact. Die bleek de penning inderdaad van zijn vader te hebben geërfd.


Vrouw met kat en kauw

In de Korte Nieuwstraat, Oosterpoort:

Toelichting.


“Vermist – wie heeft Boef gezien?”

Aan de Parklaan, bij de ingang van het hofje:


De dienstmeid die van de Oosterpoort sprong

img006

Tekening: Willeke Hielkema

Op zaterdag 2 oktober 1773, ’s avonds tussen half negen en negen uur, vond in de onmiddellijke nabijheid van de toenmalige Oosterpoort een gevalletje plaats, dat in de dagen, weken en maanden erna menigmaal onderwerp van stadjersgesprek moet zijn geweest. Wypke Jans, een uit het Oldenburgerland afkomstige dienstmaagd van negentien lentes die buiten de Oosterpoort bij de weduwe Elsje woonde en werkte, was van de bijna tien meter hoge wal boven de Oosterpoort afgesprongen nadat ze zou zijn aangerand.

Wypke werd eerst opgevangen bij de poortier van de Oosterpoort, die haar later die avond overbracht naar het huis van de smid Simon Wonderlijck aan de Vismarkt. Tegen Leininga en Wonderlijck klaagde ze

“dat zij om haar eer en leven te behouden, wegens twee militaire perzoonen was genoodzaakt geweest om van boven de Oosterpoort te springen.”

In het smidshuis werd Wypke onderzocht door een chirurgijn, die beroepshalve verplicht was de heren van het stadsbestuur in te lichten over alle in zijn praktijk voorkomende “wondingen” die aanleiding zouden kunnen geven tot gerechtelijke procedures. Deze chirurgijn, Dithmar, vond bij haar een “vulnus op het frons” en “een verlamming in de benen”.

Wypkes toestand zou maandenlang zorgwekkend blijven. Men twijfelde of ze wel kon getuigen en of men haar kon confronteren met de verdachten. Daarom waren er steeds nieuwe attesten van praktisch èn academisch geschoolde medici nodig, ook over haar geestelijke toestand. Toch kon en durfde ze haar aanklacht te herhalen, ook in het gezicht van degenen die zij als schuldigen aanwees.

Maar terug aan het werk bij haar broodvrouw kon ze niet. Smid Wonderlijck werd de verpleging in januari 1774 wat teveel. Hij klaagde bij het stadsbestuur dat Wypke sinds haar val “in een zeer bedroefde staat” was geweest “en daarom veel dienst noodig heeft”, zorg die hij “als een vervallen burger niet in staat is te kunnen dragen”. Hij verzocht de heren derhalve om een schadeloosstelling.

Het stadsbestuur verwees hem daarvoor naar de diakonie van het Lutherse kerkge-nootschap waartoe Wypke en hij behoorden, welk armenfonds gemachtigd werd om voorlopig, hangende het vonnis in het strafproces, in Wypkes levensonderhoud te voorzien.

Maar Wypke wachtte de sententie over haar belagers niet af. Op 6 maart 1774 was haar toestand blijkbaar zover verbeterd, dat ze weer kon reizen. Die dag verzocht ze de lutherse kerkeraad namelijk om “scheepsreysgelt”. Ze kreeg vier gulden, wat ruim voldoende moet zijn geweest voor de thuisreis naar het Oldenburgse. De desbetreffende aantekening in de lutherse kerk- en armenrekening is het laatste levensteken dat we van haar hebben.

Tot zover het slachtoffer, nu de beide verdachten en hun proces, met de aantekening dat er van dat proces geen verhoren bewaard zijn gebleven, zodat ons het zicht op de gebeurtenissen grotendeels benomen wordt, terwijl we de procedure wel van buitenaf kunnen volgen.

Op maandag 4 oktober 1773, nadat chirurgijn Dithmar de “wondcedel” in het stadhuis had afgegeven, waarin hij meldde dat Wypke “naar haar voorgeven” op de wal door twee soldaten was “aangetast”, droegen Burgemeesteren en Raad hun fiscaal (aanklager) op de zaak “ten spoedigsten” in onderzoek te nemen. De fiscaal nam twee dagen later in de smederij van Wonderlijck vier getuigeverklaringen op, waaronder één van poortier Leininga en een ander van Elsje, de kostbazin van Wypke.

Weer een dag later, op 7 oktober, besloten het stadsbestuur deze verklaringen aan de commandant van het garnizoen te doen toekomen, “met ernstig verzoek dat hierop nauwkeurig mag worden geïnquireert en na vereisch van zaken gedisponeert”. De bevelhebber begreep de wenk van de magistraat en gaf bevel de soldaten Johan Thijs Kütsche (26) en Jan Berents Witten (20), beiden net als Wypke van Duitse komaf en beiden behorende tot dezelfde compagnie, in de boeien te slaan en naar de provoost (de militaire gevangenis) over te brengen.

Op 14 oktober boog de Krijgsraad zich voor het eerst over de zaak. Na voorlezing van de getuigeverklaringen en twee medische attesten, kwam men tot de conclusie dat Kütsche en Witten “onder merkelijke suspicie” lagen “zig aan verregaande malversatiën te hebben schuldig gemaakt”. De auditeur-militair kreeg opdracht beide soldaten te horen, bovengenoemde burgergetuigen hun verklaringen onder ede te laten bevestigen, en nog een viertal soldaten en één soldatenvrouw onder ede te horen.

Deze vier soldaten – Schuins, Jonk, Nykel en Deusenbach – moeten zich na de arrestatie van Kütsche en Witten hebben aangemeld bij de auditeur; ze behoorden tot hetzelfde bataljon als de verdachten en naar later zou blijken, verklaarden ze heel anders dan de burgergetuigen. En ook al omdat een van de burgergetuigen niet meer te traceren viel, besloot de Krijgsraad begin november Wypke Jans zelf, twee moeskerszonen van de Oosterweg en nog iemand als extra getuigen te laten oproepen.

Was Wypke toen alweer voldoende bij haar positieven om een verklaring af te kunnen leggen, één van beide verdachten verkeerde op dat moment in een crisis. De kapitein-geweldige, de hoofdbewaarder van de geweldige provoost, rapporteerde de Krijgsraad, namelijk dat Jan Berents Witten “aan geduirige flauwten en toevallen onderhevig was” en niet zonder werkelijke zorg vast kon blijven zitten, zodat er regelmatig iemand bij hem geplaatst moest worden “tot voorkoming van ongelukken”. En omdat de kapitein-geweldige zelf met een van zijn stokknechten naar Coevorden moest om een gevangene weg te brengen, waardoor er nog maar één knecht in de provoost overbleef, die ook nog eens op andere gevangenen moest passen, mocht de kapitein-geweldige gedurende zijn Drentse reis “een vertrouwt persoon soo min moogelijk kostbaar” aanstellen als ziekenoppasser bij Witten.

Op 27 november bekeek de Krijgsraad nog eens al het ingezamelde materiaal, hetgeen zoveel vragen opriep, dat andermaal twee burgers en één militair een oproep kregen om onder ede getuigenis te geven.

Op 13 december besloot de Krijgsraad dat het tijd werd om de belangrijkste getuigen te confronteren met de verdachten. Veertien dagen later liet ze wederom drie burgers oproepen  “tot naadere elucidatie en ontdekkingen der waarheid”. Een van hem was de weversknecht Jan Harms, die in januari 1774 “over een en ander omstandigheidt” geconfronteerd werd met beide gevangenen. Naar aanlei¼ding van dit verhoor was het, dat de soldaten Schuins, Jonk, Nykel en Deusenbach andermaal onder ede aan de tand werden gevoeld over hun eerdere verklaringen. Kennelijk zat er rek in.

In februari meldde een van de leden van de Krijgsraad dat luitenant Kamphuis tegen hem gezegd had “dat als hij een soopje wegens het voorgevallene met Wypke Jans konde krijgen, dan niet soude klaagen”. De luitenant wilde voor een borrel dus misschien wel uit de school klappen, maar of hij dat ook werkelijk deed?

Eind februari was de Krijgsraad zover dat ze de zaak wilde afronden. Nog in geen twee zittingen konden de verhoren en andere stukken worden voorgelezen – zo dik was de stapel paperassen intussen geworden. En nog kwam men kwam er niet uit. Bij twee rechtsgeleerden van naam werd advies ingewonnen. Pas nadat dit binnen¼kwam, begin april 1774 – Wypke was toen al vertrokken – werd er unaniem een vonnis opgesteld.

Nou konden vonnissen door de Krijgsraad pas worden uitgesproken nadat de stadhouder er zijn goedkeuring aan had gehecht. Maar bij het Hof in ’s Gravenhage had men toch wel enige bedenkingen tegen de slotsom van de Krijgsraad, want de secretaris van de prins vroeg eerst om de soldaten Schuins, Jonk, Nykel en Deusenbach nog eens met elkaar te confronteren, en naderhand om hen nog maar eens tegenover de weversknecht Jan Harms te zetten. De laatste wist blijkbaar waarom het viertal varieerde in zijn uitlatingen.

Pas op 7 juli 1774, negen maanden na de sprong van Wypke Jans en vier maanden na haar vertrek uit de Stad, kon de Krijgsraad dan eindelijk uitspraak doen. Die luidde dat Kütche en Witten, ondanks de “sterke praesumptiën” dat ze Wypke gedwongen hadden tot “een zeer gevaarlijke sprong of val” van de Oosterpoort, “op gronden van het regtelijk beweesene alibi”, dat door vier getuigen (dwz de maten Schuins, Jonk, Nykel en Deusenbach) was bevestigd, “geheel geënerveert en gezuivert” en daarmee vrijgesproken waren.

Harry Perton

Dit verhaal verscheen eerder in iets andere vorm in De Oosterpoorter van november 1995.


Goedgeluimd gesprekje onderweg

Schipper Doornbos, ? Heikens ? en ik in de oude Kop van de Oosterpoort (november 1991):
Links een stuk van de oude gevelwand tussen Duikerstraat en Griffestraat. Op de kop  van de Griffestraat een nieuwbouwblokje uit de jaren 70 dat er amper twee decennia heeft gestaan. Rechtsachter aan de overkant van het Winschoterdiep de Albinoflat. Die flat is het enige gebouw dat er nu nog staat. De rest is allemaal gesloopt, midden jaren 90, voor de nieuwbouw Kop Oosterpoort.

De foto is gemaakt door Coen van Oven, die betrokken was bij het Opbouwwerk in de Oosterpoort. Zodoende weet ik dat we namens het Buurtoverleg voor het een of het andere goede doel op pad waren.

Ik heb geen heimwee of nostalgie naar de Oosterpoort, maar dit soort korte, goedgeluimde gesprekjes onderweg mis ik wel een beetje, hier in Hoogkerk:


Hoe Plopatou mij ontmaskerde als BVD-agent

Plopatou zoals gezien door Roel Wijnants (2012), Flickr cc.

Zoals menige lezer zal weten, ben ik jarenlang duvelstoejager geweest voor het Buurtoverleg Oosterpoort, de bewonersorganisatie van de Groninger Oosterpoortwijk. Die club had destijds nog een eigen pandje, een voormalige politiewijkpost op het adres Mauritsstraat 1.

Het moet ongeveer in 1993, 1994 geweest zijn. Op een dag stonden er meerdere plastic tassen bij ons voor de gevel – volgepropt met oud papier. Dat papier kwam niet van ons of een andere club bij ons in huis. Qua papierophaalderij was het tijdstip ook incourant, de maandelijkse oud-papierophalers van carnalvalsvereniging de Trefplonzers waren twee weken eerder onze buurt al door geweest en zouden pas over een week of wat weer terugkomen. Als dat papier zolang tegen onze voorgevel zou staan, ging dat zich allicht verspreiden en zouden wij erop aangekeken worden. Daarom heb ik dat spul maar naar binnen gehaald. Omdat ik nieuwsgierig was naar de herkomst, ben ik de inhoud van de tassen door gaan nemen. Een adres kwam niet tevoorschijn, maar tussen de kranten zat wel een verscheurde brief met de aanhef “Geachte heer Hanswijck de Jonge”.

Die naam kwam me vaag bekend voor, en een paar dagen later ging me een licht op: Hanswijck de Jonge, was dat niet de ware achternaam van de stadsfiguur Plopatou? Maar die wist ik wel te wonen: aan de Brandenburgerstraat, op nummer 14.

Dus ik met die plastic tassen vol oud papier naar dat adres en Plopatou bleek inderdaad thuis te zijn. Hij reageerde heel aardig, tegemoetkomend en sympathiek en zou voortaan beter opletten wat er met zijn oud papier gebeurde. Hoe die zakken nou bij ons buurtpandje terecht gekomen waren? Het was hem een raadsel. Maar, zo vertelde hij, de BVD had het al jaren op hem voorzien en die snuffelde zijn oud-papier wellicht door. Ja, de BVD moest het hebben gedaan.

Goed, ruim tien jaren gingen er voorbij en ik schreef in de UniversiteitsKrant iets wat Plopatou niet zinde. Er kwam een lang en handgeschreven epistel in de UK-brievenbus, waarin hij mij beschuldigde van het weghalen en doorsnuffelen van zijn oud-papier – en ik zou vast en zeker ook lid van de BVD zijn!

Het schrijven in de UK-brievenbus was een kopie van een ingezonden brief die hij naar de stadsredactie van het Dagblad van het Noorden had gestuurd, zo stond er in een post scriptum achterop de envelop. Uiteraard was ik daar niet zo mee ingenomen. Ik zat zelfs een beetje in de piepzak,moet ik bekennen,  maar het Dagblad plaatste Plops epistel gelukkig niet. Toen ik een Dagblad-collega in de buurt ernaar vroeg, verklaarde die, dat ze wekelijks wel een stuk of twee of drie van zulke ingezonden brieven van Plopatou kregen. Alleen bij zeer hoge uitzondering werden die geplaatst.


‘Zalf op een wonde’


Ik stond vanmiddag in het Stadhuis even oog in oog met oud-burgemeester Hans Ouwerkerk. Prachtig portret van de jonge kunstenaar Milan Smidt, dat iets laat zien van een verbittering die vervaagd is opgegaan in berusting. Ouwerkerk ervoer het portret zelf als soort van een rehabilitatie, hoorde ik, sprak op rtv Noord zelfs van zalf op een wond.  Het doek hangt er wat donker bij, mijn foto zonder flits doet de kwaliteit ervan absoluut geen recht.

Ouwerkerk was nog niet zo lang burgemeester van Groningen, toen hij op bezoek kwam bij het Buurtoverleg Oosterpoort. In 1992 of 1993 moet dat geweest zijn, ik had net voor het eerst het Jaarverslag van deze wijkorganisatie geschreven. Meteen na binnenkomst in ons Wijkpand nam hij het woord, Hij had dat jaarverslag gelezen en ergerde zich bovenmatig aan de toon. Dit klopte niet, dat klopte niet in zijn ogen. Of we soms dachten dat het bij de gemeente allemaal van die ‘lulletjes lampekatoen’ waren. Nadat hij zijn donderspeech afgeleverd had, wachtte hij ons weerwoord niet af. Daar had hij geen tijd voor. Hij beende de deur uit en liet ons verbijsterd achter. Maar zoals dat dan gaat, naderhand namen we al zijn punten een voor een door en inderdaad: dit klopte niet en dat klopte niet, van zijn kant dan.

Ik was dus geen groot liefhebber van Ouwerkerk en zijn overdonderingstactiek, maar de manier waarop hij afgeserveerd werd na de Oosterparkwijkrellen, vond ik evenmin zuiver. Hij vond weliswaar zijn nieuwjaarsspeech belangrijker dan het feit dat voor het eerst sinds 1945 woningen in de gemeente Groningen werden geplunderd, maar de partij die hem daarop liet struikelen, GroenLinks, bagatelliseerde in de gemeenteraad al jaren de jongerenoverlast op diverse locaties in de stad, o.a. in de Oosterparkwijk, maar ook bij ons in de buurt. Ik vond de handelswijze van GroenLinks ten opzichte van Ouwerkerk hypocriet, en heb mijn lidmaatschap van de partij toen maar opgezegd. Was toch al niet meer actief als lid.

Sindsdien ben ik überhaupt geen lid van een politieke partij meer geweest. Ik denk ook niet dat ik dat nog gauw weer zal worden.

 


Ritje naar Noordbroeksterhamrik

Op het bekende waarschuwingsbordje in de Oliemulderstraat kregen de overstekende egels gezelschap van kabouters:

Graffiti bij het Eemskanaal:

Oosterhoogebrug:

Op bedrijfsterrein bij het Eemskanaal stak een middelgrote hond schuin over met een groot bot, zo te zien een dijbeen:

Achterkant gestalde oliebollenkraam, Eemskanaal:

Bij het Slochterdiep:

’t Roegwold achter Schaaphok – hier moeten honden wèl aan de lijn. In de buurt van Schaaphok, links buiten beeld, klonken twee geweerschoten:

Eerder had ik al een scholekster op het fietspad zien liggen met een gat in de borst. Langs het fietspad had iemand een dode steenmarter over een knotwilg gedrapeerd.

Deze had een druppeltje bloed aan de neus hangen en was dus waarschijnlijk een verkeersslachtoffer:

Bij Denemarken:

Jammer dat de kerk van Slochteren altijd dicht is:

Don Quichottische confrontatie bij Noordbroeksterhamrik:

Anders dan bij De Groeve is de afgedankte schroef of vijzel van de watermolen hier van metaal:

Tandrad:

Don Quichotte geeft het op tegen deze overmacht:

Oldambtster boerderij uit de achttiende eeuw op de Korengast – het dak van de schuur welft een beetje:

De voorkant. Je kunt er biologisch vlees kopen:

Huisje in Uiterburen

Bij de rotonde van de Gouden Driehoek passeerden een stuk of wat oldtimers:

De traverse van het Groninger Hoofdstation:


“Een echte durfal, die Harry”

Nu bijna 25 jaar geleden haalden Wim Hartman en ik namens de Oosterpoort de finale van de OOG-wijkkwis, destijds gepresenteerd door een piepjonge Wilfred Genée. Op het spel stond een videorecorder en onze tegenstander was Aduard, dat in monnikspijen verscheen. Een en ander speelde zich af het gebouw van de dienst Ruimtelijke Ordening aan het Zuiderdiep, waar ze de goeie trap voor een klassieke opkomst hebben. Let u speciaal ook op het Ruimtelijke Ordeningsspel, de truuk die ik daar uithaalde was ik al helemaal vergeten:

Wat was ik toen nog een jong mager knulletje en wat zat ik daar irritant vaak met open mond. Trekje dat ik herken van mijn vader. Zou me nu niet meer zo gauw overkomen, denk ik, in het zicht van een camera.

Met dank aan René Duursma, GAVA.


Poolshoogte op het achterplaatsje – bij de comeback van Peter Schaap

peter-schaap

Peter Schaap maakt een eenmalige comeback als liedjeszanger. Veertig jaar geleden stopte hij met het maken van muziek op podia. Het succes kneep zijn bron af. “Ik schreef altijd over dingen die ik zelf meemaakte”, vertelt hij op TV Noord,

“en maakte eigenlijk nauwelijks wat mee. Je zat in de auto naar ‘t optreden en je ging weer naar huis. Of je zat in de studio, en dat soort dingen. Maar dat was niet iets inspirerends. Dus op een gegeven moment heb ik me daarvan teruggetrokken (…) en ben wat anders gaan doen.”

Veertig jaar geleden, rekendereken, dat was in 1977.

Maar toen maakte Peter best wel wat mee! Hij zat bijvoorbeeld een keer ’s nachts na sluitingstijd in de Plu’s, toen daar de politie binnenviel.

Folkcafé De Plu’s, moet je weten, had een dagvergunning, zodat de tent al om één uur ’s nachts moest sluiten. Maar dan was het vaak nog vreselijk gezellig. Zo die keer ook, dat Peter Schaap er aan de bar zat. Jan Stelma, de kroegbaas, had het licht wel gedimd, de deur op de grendel en de gordijnen dichtgedaan, maar het kroegrumoer drong toch tot de buitenwereld door en een boze buurman moet de politie hebben gebeld.

Een aanrijtijdje later werd er hard op de buitendeur van de Plu’s gebonkt. Politie! Iedereen hield zich op slag muisstil. Jan riep naar voren dat hij eraan kwam, volgde een klaarliggend scenario, deed de achterdeur open en alle aanwezigen slopen op hun tenen het achterplaatsje op, waar nog net wat ruimte over was tussen de hoog opgetaste stapels wijnflessen.

Ook Peter Schaap stond daar, bibberend in zijn heel hippe, maar tevens erg dunne bloesje. Tamelijk langdurig, want de politie zag natuurlijk wel aan glazen, asbakken en over stoelleuningen gedrapeerde jasjes dat er pas nog volk binnen was geweest en zat Jan daarom kwaadaardig zuigend uit te vragen.

Dat duurde maar en duurde maar tot een verstoppeling op het achterplaatsje moest niezen, en een van die enorme stapels wijnflessen met donderend geraas ineenstortte.

Jan probeerde de agenten nog wijs te maken dat dat om zijn krolse kat ging, het rotbeest, maar zulks wilde er bij de opsporingsbeambten niet in. Zij vermoedden gespuis en namen resoluut poolshoogte op het achterplaatsje. Qua bekeuringen sloeg de Groninger politie een flinke slag, die nacht.

De Plu’s hield zich nog geruime tijd netjes aan de vergunning, zelfs de buren bleken er naderhand goed over te spreken. Het hele geval zou vast een prooi der vergetelheid geworden zijn, als Peter Schaap het niet in zijn hoofd gehaald had om opnieuw op te gaan treden.


De uitgestoken arm van een onbekende soldaat

reuzenradijs-1626-anoniem-rijksmuseum

Misvormde mensen, dieren en planten hebben altijd gefascineerd.

Zo kreeg de toen nog Groninger medicus Ludolph Smids eind 1672 bij zijn bezoek aan Enneke, de weduwe van barbier Homan in de Oosterstraat, een bijzondere radijs te zien,

“sijnde een goede vinger lang en hebbende de nette form en gedaante van een menschenarm, te weten van den elleboog af tot den hand en vingers (die seer poesel waren) toe.”

Bommen Berend had die zomer de aftocht geblazen, maar het schootsveld lag er nog, buiten de Ooster- en de Herepoort. Daar kwam die radijs vandaan.

”Omdat men dien niet lang na de Belegering in de bedorvene thuijnen had opgegraven, soo seide het bygelovig volkje dat sy waar gegroeid uit het lijf van een bisschopssoldaat, in een uitval door de onse gematst en sonder veel ceremoniën aldaar gedolven” (= begraven, HP).

Bron

Ter vergelijking: radijs als voet.


“Ik ben ’n schandalig meisje”

Van de week gezien in de straat waar ik vroeger woonde:

DSC07052
“Ik ben ’n schandalig meisje” – dat zegt zo’n kabelkast vast niet van zichzelf. Eigenlijk zou er een portret bij moeten, voor een juist beeld van de persoon die zoveel zelfkennis etaleert.


Arnolds uitvaart

De foto op het uitgereikte gedachteniskaartje.

De foto op het uitgereikte gedachteniskaartje.

Vandaag in Oudenbosch bij de uitvaart van Arnold geweest.

Hij bleek gestorven aan een longontsteking, waarvoor hij de medicatie weigerde. Dan is het heel gauw gebeurd met je.

Er waren veel meer mensen, dan ik vooraf had gedacht, een paar honderd wel. De hele dienst had hij zelf geregeld , met liederen, teksten en al. Toch zat er ook een mis of eucharistieviering bij. Had nog nooit een katholieke dienst meegemaakt, dus dat was wel indrukwekkend. Op zijn kist lag een strooien popje in kruisvorm, dat zich probeert op te richten. Het scheen te herinneren aan zijn tijd bij de Franciscaanse vredeswacht in Woensdrecht. Naar men vertelde werd hij begraven in het hesje van die Franciscaanse vredeswacht.

In een biografische noot kwam nog ter sprake dat hij omstreeks 1945 eens voor de broeder-overste van zijn orde was geroepen, die hem uitdrukkelijk herinnerde aan zijn gelofte van gehoorzaamheid. Arnold gold als nogal rebels. In één adem door ging het over zijn tijd in de Oosterpoort, waar hij naar eigen zeggen de tijd van zijn leven had.

Hij ligt nu naast het grote Christusbeeld op het kerkhof van zijn orde, waar allemaal eendere kleine metalen kruisjes herinneren aan de broeders die hem voorgingen in de dood. Zo’n kruisje met summiere gegevens zal vast ook op zijn graf komen te staan.

In de trein op de terugweg eerst, een paar banken verderop, een mevrouw in burqa, en later, pal tegenover me, een prachtige Marokkaanse met twee blote knieën stekend door de grote gaten in haar spijkerbroek.


In memoriam broeder Arnold

Arnold Bosdriesz (1922-2015)

Arnold Bosdriesz (1922-2015).

Zondag overleed in zijn woonplaats Oudenbosch broeder Arnold Bosdriesz (93).

Van 1988 tot 1994 was hij de dragende kracht van het Buurtoverleg Oosterpoort. In die tijd heb ik hem mogen meemaken. In feite was hij degene die me weer bij de buurt betrok, in een actie om niet alleen een paar geselecteerde blokken te renoveren, maar ook allerlei blokken eromheen. Dit onder het motto: “Oosterpoort klaar voor 2000!”.

Als ik aan Arnold denk, zie ik een kleine, slanke man in een lange, beige regenjas, met een markante kop, een uiterst doorrookte stem en een licht Amsterdams accent, die vrijwel altijd goed gehumeurd was, graag mocht lachen, ook om zijn eigen anekdotes, maar toch op zijn tijd ook behoorlijk fel van leer kon trekken. Ruzie maken echter, daar paste hij voor. Zo goed als hij in zijn rol van timmerman hout kon verbinden, wist hij ook bruggen te slaan tussen mensen. Bij de gemeente Groningen bijvoorbeeld, kon hij een potje breken. Dat de gemeente destijds zoveel geld reserveerde voor woningverbetering in de Oosterpoort, was in niet onaanzienlijke mate aan Arnold te danken.

Arnold kwam oorspronkelijk uit Amsterdam, waar zijn vader in de confectie werkte. Het ging om een tamelijk vrolijk katholiek milieu, Arnolds vader en moeder waren beide actief betrokken bij toneeluitvoeringen. Door de gemoedelijke en opgeruimde manier waarop de broeders van zijn school met elkaar omgingen, besloot hij ook broeder te willen worden. Op zijn twaalfde ging hij naar het juvenaat in Oudenbosch, een soort internaat met jongens die vrijwel allemaal ULO en kweekschool deden, want de orde van St.-Louis was een onderwijscongregatie.

Hij legde in 1940 de gelofte af van zuiverheid, armoe en gehoorzaamheid, waarbij hij tevens de naam Arnold aannam. Tijdens de oorlog bleef hij helpen in Oudenbosch, waar bij de bevrijding enorm veel evacuees en vluchtelingen opgevangen zijn, met name uit het gebied rond de Moerdijk, waar de Duitsers hevig weerstand boden. Om bijvoorbeeld hulpbehoevende bejaarden uit dat gebied te halen, waagden de broeders zich wel eens in het schootsveld. Zodoende is ook Arnold eens door een sluipschutter beschoten – daar moest hij later nogal eens aan terugdenken als hij oorlogsbeelden, bijvoorbeels uit Serajevo, op de televisie zag. Ook vanwege de terugkerende mensen uit dwangarbeiders- en concentratiekampen kwam hij nauwelijks aan nachtrust toe. Overdag stond hij namelijk ook nog gewoon voor de klas, soms tollend van de slaap.

Nadien was hij op verschillende standplaatsen in Noord- en Zuid-Holland werkzaam in het onderwijs. In 1967, toen de onderwijsrol van zijn congregatie uitgespeeld raakte, belandde hij in het bedrijfspastoraat. Eerst onder gastarbeiders in Bergen op Zoom, naderhand in een papierfabriek in Zaandam en van 1972 tot 1977 in de strokarton- en aardappelmeelindustrie in Oost-Groningen. Zo leerde hij onder meer Fré Meis kennen, die hij zeer respecteerde, al onderschreef hij al diens meningen niet.

In 1977 kreeg een burn-out Arnold te pakken en werd hij volledig afgekeurd. Hij leerde de zin van het leven weer zien in een religieuze gemeenschap te Bergeyk, en verhuisde in 1980 naar de stad Groningen. Hier knapte hij een broederhuis aan de Moesstraat op. Eens in de acht weken trok hij een week naar Woensdrecht en maakte daar deel uit van de Franciscaanse vredeswacht tegen de plaatsing van kernraketten.

In de Moesstraat voltrok zich langzamerhand een scheiding van geesten tussen de meer spiritueel aangelegde mensen en de mensen die praktisch nog wat met de wereld wilden. Die laatste groep verhuisde eind 1986 naar het groepshuis De Vlaspit op de hoek van de Dijkstraat en de Nieuwstraat. Onder andere woonde er een Ben, die als regisseur zeer actief was in de Groninger amateurtheaterwereld. Andere broeders waren elders actief en Arnold raakte betrokken bij de strijd om behoud van de Oosterpoort, een buurt die wethouder Gietema het liefst in zijn geheel had willen laten slopen.

Omdat hij over veel tijd beschikte, ging Arnold altijd naar de raadscommissies, en hield ook geregeld de speeches, als daar of elders wat te doen viel. Met ontzettend veel plezier herinnerde hij zich later het maken van Sinterklaassurprises voor de gemeenteraadsleden. Er zaten pseudo-ambtelijke adviezen op rijm in over de de bouwkundige verbeterbaarheid van de Oosterpoort. In deze wijk voelde hij zich als een vis in het water. Iedereen kende hem, maar tot zijn spijt wist hij niet altijd ieders naam.

Omstreeks 1995 vertrok hij en kwam via Amsterdam in Oudenbosch terecht. Tot op hoge leeftijd kon hij nog fietsen. Dat ging de laatste jaren echter niet meer, want zijn gezondheid liep achteruit. Ieder jaar belden we nog een paar keer en kreeg ik ook nog een kerstkaart van hem. Dat is nu dus afgelopen.

Dat God, als hij bestaat, maar een mooi plekje voor hem mag reserveren. In een fijne rookstoel als het kan.

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA


De ouwe communist

Toen ik gister zat te zoeken naar een toepasselijk plaatje voor bij het rapport over het Oost-Groninger communisme, kwam ik vier portretfoto’s uit 2006 tegen van een man die destijds bij mij in de Oosterpoort om de hoek woonde. Hij heette Henk Groenhof en was een ouwe communist.

Van beroep was hij schilder, taxichauffeur en bouwvakker geweest. Maar dat is niet het belangrijkste, want eind jaren 40, begin jaren 50 fungeerde hij naar eigen zeggen een tijd als voorzitter van de Groninger afdeling van de ANJV (de CPN-jongerenclub) en in de jaren 70 stond hij nog meermalen op een CPN-verkiezingslijst. Terwijl zijn vrouw rond 90 lid was geworden van GroernLinks, ging hij daar niet in mee. Hij moest niet zoveel hebben van nieuwlichterij. Hij was een tikje horizontaal, zeg maar. Toch konden we, als hij wegens warm weer zijn bovenwoning ontvluchtte en op het stoepje voor zijn deur plaatsnam. heel gemoedelijk kletsen over de politiek. Ik plaagde hem dan wel eens met het feit dat niemand zich meer arbeider wilde noemen, maar zo gemakkelijk joeg je hem niet op stang:
KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA