Jonker Wyfferinge met zijn wapen in het graf gelegd

Het familiewapen Wyffringe bevindt zich nog op een rouwbord in de kerk van Baflo. De adelaar zal van de stad komen, de posthoorns duiden misschien op een postmeesterschap van een voorzaat.

Rtv Drenthe kreeg van de week de vraag voorgelegd om eens uit te spitten of er werkelijk waar een kasteel in Bonnen bij Gieten had gestaan. Uit het bericht op haar website blijkt in ieder geval dat de verslaggever rotsvast in die burcht is blijven geloven. Curieus, want in werkelijkheid was het kasteel een buitenhuisje met drie kamers, althans volgens het standaardwerk Huizen van stand (Assen 1989).

Zeker woonden er voorname personages in het Huis te Bonnen, maar dat maakte dat huis nog niet tot een kasteel. Het was ook niet zo oud, uit 1605 komt pas de eerste melding. Destijds bouwde men al geen verdedigbare kastelen meer, omdat je er toch al niets meer aan had tegen geschut. Bestaande kastelen werden vaak ook wel omgebouwd tot buitenhuizen. Het buitenhuisje te Bonnen werd in genoemd jaar waarschijnlijk nieuw gebouwd door de Groninger burgemeester Johan Wifferinck, die er ’s zomers met zijn familie verblijf zal hebben gehouden. Want dat was zo de gewoonte onder stadsregenten: ’s winters woonden die in de Stad en ’s zomers verbleven die op het platteland, een vrij ideale constellatie, moet ik zeggen.

Aan de adellijke familie Wifferinck, in de stad Groningen zelf ook wel Wyfferinck of Wijfferinge geheten (om de meest voorkomende spellingsvarianten te noemen), zit nog een aardig verhaal vast. In de mannelijke lijn stierf zij namelijk begin oktober 1678 uit met jonker Johan Wijfferingh, denkelijk de kleinzoon van de naamgenoot uit 1605. Johan juniors erfgenamen kwamen toen bij het stadsbestuur met een uitermate bijzonder verzoek. Ze waren namelijk voornemens

bij de begraeffnisse van het doode lichaem van gesiede juncheer derselver wapen voor het lijck te laeten draegen, ende vermits hij de laeste mannelijcke oor van dat geslaghte is, het gedachte waepen in het graft t’ doen leggen.

Ze wilden hiervoor graag toestemming van het stadsbestuur en dat willigde het verzoek in. De laatste jonker Wijfferingh werd dus met zijn familiewapen en al begraven.

Aan Redmer Alma, die beschikt over een grote kennis van de heraldiek, vroeg ik of dit nu een gewoonte was bij het uitsterven van adellijke families en of hij het vaker was tegengekomen. Een echt oude traditie bleek het niet:

Het was inderdaad een vast gebruik, in elk geval vanaf de zeventiende eeuw. Doorgaans wordt het wapen boven het graf gebroken en dan erin gelegd. Heel veel laatsten van een geslacht zijn er natuurlijk niet, maar je zou verwachten dat ergens wel een graf bewaard is waar de stukjes van een (waarschijnlijk houten) wapenschildje te vinden zijn.

In één opzicht was het Groninger geval uniek, aldus Alma:

Dat er speciaal toestemming aan de stad werd gevraagd, ken ik niet van andere voorbeelden.


“Houten handen, waar te setten” – de oudste resolutie van het stadsbestuur over handpalen

Bij het doornemen van notities die ik een kwarteeuw geleden maakte, vond ik haar terug: de resolutie waarin het Groninger stadsbestuur voor het eerst hand- of strijkpalen noemt. Ze dateert van zaterdag 15 januari 1653 en stelde een commissie in

omme ordre te stellen, dat tot minste schade en beste mesnage van de Stat, bij het roode bruckjen achter de berckmeulen een houten handt wierde gestelt, alwaar een jegelijcke schuitevaerder ofte ander schipper s[i]nen seijl sal hebben te strijcken

Dat rode bruggetje lag buiten Kleinpoortje over het Schuiten- of Winschoterdiep. Kennelijk had deze voorganger van de huidige Bonte Brug al eens averij opgelopen omdat een zeilend schip ermee in aanvaring kwam. Vandaar dat er een handpaal met het gebod ‘strijk’ achter de toen nog bestaande barkmolen kwam, op ruim 150 meter afstand van de brug.

Ook bij het verlaat van Martenshoek en bij de “scheidbrugge” in Sappemeer kwam er zo’n handpaal te staan. Deze maakten verder deel uit van een heel pakket van maatregelen, dat ook de bruggen van Foxhol en het zandpad en de vonders van Sappemeer betrof.

Zie verder.


Opkomst en ondergang van Dikke Trui

Op de Dag van de Groninger Geschiedenis werd gister een beeld opgeroepen van het eerste vrouwencafé in Groningen, zoals dat tussen 1979 en 1982 bestond. In die periode veranderde de doelgroep nogal, net als het muziekaanbod. Hier mijn verhaal voor de programmakrant.

De Dikke Trui, het allereerste vrouwencafé van de stad Groningen, had regelmatig last van ongewenst mannenbezoek. Zo trok een man in oktober 1979 een mes en beroofde vier bezoeksters omdat hij geen pilsje kreeg. Twee maanden later herhaalde zich dit, waarbij dezelfde dader opnieuw honderden guldens buitmaakte. Begin ’80 pleegde een andere man bovendien vernielingen in het café. De vrouwen hielden hem vast, maar hij ontkwam dwars door het raam. In oktober ‘80 stopte de politie nog zo’n bezoek. “De agressie van mannen is in de afgelopen jaren nauwelijks veranderd, aldus een Trui-medewerkster in mei ’81: “Als het volle maan is, dan lijkt het weer toe te nemen”.

Het vrouwencafé was juist opgericht, omdat vrouwen niet rustig in een café konden zitten zonder mannelijke opdringerigheid. Weliswaar bestond er vanaf 1975 een Vrouwenhuis in Groningen, maar dat was meer sociaal-politiek gericht en bood geen ruimte voor ontspanning en cultuur. Daarom hielden twaalf vrouwen – vooral babyboomers, werkzaam in onderwijs en kunst – in augustus ’77 een brainstormweekend op Schiermonnikoog, waar de naam ‘Vrouwen van Trui’ ontstond.

Na enige mislukte pogingen om een café te beginnen, leek de animo weg, tot zich in augustus ‘78 een andere initiatiefgroep aandiende met een plan voor een vrouwenboekhandel. Beide groepen besloten samen te gaan werken aan een vrouwencultuurcentrum. Hun stichting ‘Vrouwen van Trui’ kreeg weldra statuten met als drieledige doelstelling:

  1. Een ontmoetingsplaats bieden voor alle vrouwen;
  2. Het bevorderen van de emancipatie van de vrouw;
  3. Het bevorderen van vrouwencultuur.

Leestafel met vrouwenbladen
Zowel het vrouwencafé als de -boekhandel ging, vooruitlopend op dat veel bredere cultuurcentrum, ‘De Dikke Trui’ heten. Het was echter de boekhandel die als eerste een pand kreeg: begin maart 1979 opende deze aan de Visserstraat. Bijna drie maanden later, op 28 mei, ging het café los in het pand Oude Ebbingestraat 82, dat al eerder verbouwd was door de eigenaar, de Hengelosche Bierbrouwerij (Stella Artois), tevens leverancier van het bier. De Vrouwen van Trui pachtten dit pand, dat boven een expositieruimte en crèche kreeg, terwijl de benedenverdieping ingericht werd met een bar, dansvloer, zithoek, flipperkast en leestafel met vrouwenbladen.

Vrijwilligers, uiteindelijk zo’n 150, runden café Dikke Trui. Er waren werkgroepen voor alle voorkomende klussen en iedereen kreeg evenveel zeggenschap in de medewerkersraad die het laatste woord had. Alleen in zeer urgente gevallen kon een kleine coördinatiecommissie iets besluiten, maar dat gebeurde zelden.

Zoals gezegd vormde het café een opstap naar een breed vrouwencultuurcentrum en dat was in de feestweek na de stampvolle opening al goed te merken met optredens van clowns, een vrouwenband en een huisvrouwenorkest. Ook later waren de activiteiten in De Dikke Trui deels sociaal-cultureel van aard, met kindermiddagen, klaverjasavonden en open podia. Terwijl er aanvankelijk nog stijldansavonden plaatsvonden, werden dat in ’80 en ’81 echter swingavonden met onder andere new wavemuziek.

Een ander publiek
De expositieruimte boven was geen lang leven beschoren. Binnen een jaar na de opening verhuisde de beeldende kunst naar boekhandel Trui, die wel mannen toeliet. Van het café waren vooral de literaire activiteiten spraakmakend. Zo traden in ’80 en ’81 bekende feministische auteurs als Hannes Meinkema, Andreas Burnier en Elly de Waard op in De Dikke Trui, met een gehoor van zo’n 150 vrouwen. Voor grootschalig theater was de ruimte ongeschikt, maar er waren wel kleine projecten, bijvoorbeeld over “de lusten en lasten van het vrouwenlijf”. Bovendien vertoonde Trui regelmatig “roldoorbrekende” films. De ontwikkeling die het vrouwencafé doormaakte, is echter het best af te lezen aan de muziekoptredens. Aanvankelijk vallen nog klassieke ensembles en koren met strijdliederen op, terwijl in ’80- en ’81 meidenformaties als Vendetta, The Real Insects en The Bitch Band in het oog lopen met hun semi-punk en new wave.

Met het muziekaanbod veranderde ook het publiek van Dikke Trui. Volgens de statuten moest ze een ontmoetingsplaats zijn “voor alle vrouwen”, maar de praktijk week hier gaandeweg van af. In ‘80, ’81 hielden ettelijke vrouwen van het eerste uur het café voor gezien. De babyboomsters maakten zogezegd plaats voor een wat jongere, ‘verloren generatie’. Voor de buitenwacht ging het om “lesbische, geëmancipeerde wijven” en “mannenhaatsters”, iets wat Dikke Trui zelf in de pers ontkende, maar toch ook intern als verwijt klonk. Sommige medewerksters stoorden zich aan de vaste, anarcho-feministische kern die andere vrouwen zou afstoten – deze werd deze ook wel “de New Wave groep” genoemd, met als kenmerken: “kort, geverfd haar, alles zwart, grote oorbellen, grote bek en last but not least, new wave muziek”.

Bij het bovendrijven van deze bezoekstersgroep, kwamen er ook klachten over verruwde omgangsvormen. Bovendien zou Trui minder vrouwen trekken. Aan de omzet was dat echter niet merkbaar. Dat het café per 1 januari 1982 dichtging, lag dan ook niet aan het veranderende publiek, maar aan de brouwer.

Vier fusten per week
Volgens het pachtcontract uit mei ’79 moest Dikke Trui jaarlijks 100 hectoliter bier moest afnemen, zo’n 4 standaardfusten per week. Een een geringere bierafname gold als ontbindende voorwaarde. Alleen dronken de bezoeksters van Trui veel liever wijn en sterkedrank dan bier. Nadat de Keuringsdienst van Waren al eens teveel schimmels in een monster tapbier aantrof, constateerde de brouwerij in maart ‘81 dat Dikke Trui in een jaar tijd slechts 62 hectoliter bier afnam:

U zult begrijpen dat wij thans gerechtigd zijn de huur op te zeggen, hetgeen wij hierbij doen en wel met onmiddellijke ingang.

Dikke Trui wist haar bestaan nog wel te rekken, maar bouwde haar activiteiten af en zocht onderwijl naar een andere locatie. Die bleek nog niet gevonden toen op 1 januari ’82 zo’n 200 vrouwen het afscheidsfeest bijwoonden. In april maakte de harde kern een doorstart in het gekraakte Oude Politiebureau, in een nieuw vrouwencafé: ‘De Del’.

Na het vertrek van Dikke Trui werd het pand weer een gewoon café. De nu mannelijke klandizie trapte in het Nieuwsblad nog even na en hekelde de buitensluiting van mannen. “Dit was vroeger een feministisch café, zo’n enge club”, lichtte er een toe: “Maar als je ziet wat er boven op de wc geschreven staat, dan kunnen ze er toch niet zonder.”

Bronnen: dit artikel is vooral gebaseerd op Nieuwsblad-artikelen en archiefstukken van De Dikke Trui, vooral inv.nr. 142: correspondentie.


Memoires van een boekhandelaar

Twintig jaar geleden sprak ik voor de UK met de scheidende boekhandelaar Ton (eigenlijk Tammo) Rodermond, destijds 76. Ik vond de tekst van het interview net terug tussen wat oude bestanden. Het geeft vooral een aardig beeld van de boekhandel in de jaren vijftig, toen Rodermond lezingen organiseerde met bestsellerauteurs als de reddingbootkapitein Klaas Toxopeus.

“Er kwam een jongen die ik niet kende in mijn zaak. Hij vroeg: “Kan ik hier mijn boeken op rekening kopen?” “Ja natuur­lijk”, zei ik, “maar dan moet je je wel even legiti­me­ren”. Hij keek me aan, zo van: Ken je mij niet dan? Op zijn rijbe­wijs bleek Koninklijke Hoogheid te staan en de rekenin­gen moest ik naar zijn moeder in Apel­doorn sturen. Naderhand werd ik opgebeld door haar privésecreta­ris, die zei dat Hare Konink­lijke Hoog­heid prin­ses Margriet de wens te kennen had gegeven dat ik mijn reke­ningen anders opstellen zou. “Boeken geleverd aan uw zoon”, schre­ven wij altijd. Maar zij vond dat het moest zijn: “Studie­boeken gele­verd aan Zijne Hoogheid”.

Heel wat klanten heeft Ton Roder­mond (76) in zijn leven gezien. Maar Bernhard zal een van de opmerke­lijk­e blij­ven voor de boekhandelaar op de hoek van de Kijk in het Jat- en de Broerstraat. Ook als Roder­mond, de oudste prakti­se­ren­de boek­hande­laar in de stad, per 1 augustus op­houdt. Want dan verla­ten hij en zijn vrouw het pand dat hij zijn hele leven bewoon­de, en waar hij, aan het begin van de oor­log, bij zijn vader in de zaak kwam, een zaak die zijn vader in ’16 stichtte en die de zoon in ‘64 overna­m.

Oorspronkelijk bestond de winkel uit een boekhan­del en een kunstzaal. Want pa Rodermond deed ook in schilde­rijen. Zelfs Londense veilingen ging hij af. Vooral werk van Otto Eerelman, een Groninger beroemdheid, verkocht hij veel. De boekhandel was toen nog een alge­mene en richtte zich absoluut niet op de univer­si­teit. “Maar in de crisistijd waren er nog niet die gigan­tische stu­dentenaan­tal­len”, verklaart Roder­mond, “en er was sprake van dat de uni­versi­teit zou wor­den opgehe­ven”.

Tot die crisistijd kwam een uitgever nog in hoogst eigen per­soon naar de boekwinkels met zijn aanbiedingen en jaarre­kenin­gen. “Hij logeer­de in Hotel de Doelen”, vertelt Roder­mond, “en kwam dan hier met zijn hoge hoed op en zei: ik krijg zoveel duzend gulden. En mijn vader controleerde de nota, haalde zijn portefeuil­le uit de brand­kast en betaalde handje contant­je. Later is die jaarreke­ning een kwar­taalreke­ning gewor­den. Tegen­woordig is het een maand­re­kening en gaat alles via giro of bank.”

In Rodermonds eigen periode stuurden de uitgevers meestal verte­genwoor­digers. Zelf was hij ook vertegen­woordiger, in en vlak na de oorlog. Voor uitgevers als Else­vier en Sijt­hoff bereisde hij plaatsen als Coe­vorden en Stadskanaal met pros­pectussen en dummies. “We vertegenwoordigden op een gegeven moment veel te veel uitge­vers” zegt hij, “een stuk of zes­tien. Dan kwam je ergens met een koffer en nog een koffer en nog een. Dus die boek­han­de­laar sloeg de schrik om het hart. Zo van: wat ga ik nou alle­maal kopen?”

In de jaren vijftig beleefde Rodermond zijn finest hour. De populaire kapitein Toxopeus, van red­dingboot de Insulin­de te Oostma­horn, meeslepend verteller, ook in boeken over zijn reddingswerk, signeer­de bij Rodermond het kassuc­ces Woest Water. Met om hem heen allerlei attributen van het reddingswe­zen, die Rodermond organi­seerde: “Er kwam een echte ouwe zeebonk in de winkel, die zei: “Ik ben de voorzit­ter van de Konink­lijke Noord en Zuid­hol­lands­che Red­dingmaat­schap­pij. U heeft mij een brief geschre­ven dat u materi­aal van ons wilde lenen. Maar ik wilde eerst eens eventjes zien wat voor een zaak we mee te maken hebben, want u begrijpt dat de Konink­lijke enzovoorts niet aan ieder­een zomaar dergelijke dingen uit­leent.”

Rodermond pakt een plakboek en toont zijn souvenirs aan de lezing van Willy Corsari die hij op touw zette. Huize Maas was uitverkocht, met een overwegend vrou­welijk publiek. De spreek­beurt legde geen windeie­ren, want alle kaartjes en verkochte romans brach­ten maar liefst ƒ 105,69 in het laadje, terwijl aan zaal­huur, affi­ches en verma­kelijk­heids­be­lasting slechts ƒ 48,50 werd uitgege­ven.

Tot in de vroege jaren zestig opereerde nog een aantal lees­cir­cels vanuit de boekhandel, clubjes van zo’n twaalf mensen die collectief boeken inkochten. De boekhandel kaftte deze en deed er lijstjes bij, waarop de leden konden zien hoelang ze de boeken moch­ten houden. Nadat zo’n lijstje afge­werkt was, kwam de lectuur weer terug, om te worden ver­loot onder de leden. Rodermond: “Ze kochten die boeken voor een gemid­delde prijs en kregen er ook nog één cadeau. Maar dat hebben we er op een gegeven moment uitge­gooid, want het was ont­zettend veel werk.”

Die arbeid verrichtte zijn vrouw vooral: “Zonder haar had ik het niet zo ver had ge­bracht”. Terwijl hij zich nog meer met de administratie ging bezig­houden, stond zij altijd in de winkel. Rodermond: “Ze is een geweldige verkoop­ster. Als ze iemand die er geen ver­stand van had een boek meegaf, was dat altijd goed. Ook met mensen die met ieder­een ruzie maakten, kon zij uitste­kend overweg. Met W.F. Hermans voerde ze hele ge­sprek­ken. Die kwam wel eens binnen met de vraag: nou, hoe is het met de verkoop van mijn boeken?”

Omdat de markt voor het algemene boek inzakte, schakelde Rodermond vanaf 1974 schoorvoetend en in 1980 definitief over op de verkoop van studieboeken, met name voor bedrijfs­kun­de, economie, rech­ten, geschiedenis en IO (internationale organisaties). Door de locatie bleek het een gouden greep: “We trokken twee studenten aan en die hadden er niet veel geloof in toen ze al die boeken in het magazijn zagen liggen, maar na veer­tien dagen was dat leeg.”

“Het studentenpubliek was directer”, constateert de boekhan­delaar monter. “Je hebt niet meer van ja, ik wil even rond­kijken want mijn broer is morgen jarig en ik wil hem een boek geven maar ik weet eigenlijk niet wat ik geven mot. Studenten hebben tegenwoordig een studiegids en daar staat in wat ze nodig hebben, klaar.”

Snel­lere han­del. Nou ja, snel? Boekhandel Rodermond was de enige in de stad, die studenten nog op reke­ning leve­rde. Van zo’n twee­dui­zend veref­fenden de ouders stee­vast de rekening. Wel­licht dat Roder­mond daarom dat wapen­schild van Vindi­cat kreeg, toen het corps de band met de burgerij wilde ver­stevigen?

Pontificaal hing het stuk heraldiek in de etalage. Net als de auto-boeken werkend als een rode lap op een stier bij figuren die ’s nachts passeerden. Zo’n dertien maal gingen er ramen aan digge­len. On­langs kregen die hun tweede setje houten luiken. “Je zult je mis­schien afvra­gen hoe het komt dat ik het zolang heb volge­hou­den, oppert Roder­mond. “Maar de zaak was mijn hobby.”


Model en uitvoering

Zag dit modelletje neergepend in een deel met handgeschreven ordonnanties van de stad Groningen:

De stadsdrukker, Hans Sas, heeft er een nette omslag naar gemaakt:

Bronnen: Groninger Archieven 2100-12.2 en 740-234.


‘Verplaatsbare landhuizen’ uit Helpman

Tegenwoordig hebben ze het veel over ‘Tiny Houses‘ en hoe die een revolutie in de woningbouw zouden kunnen vormen. Nochtans is er weer eens niets nieuws onder de zon. In 1918 adverteeerde J. Tmmer & zonen in het innovatieve Helpman al met verplaatsbare landhuizen van eenzelfde kleine formaat:

Bron

Overigens maakte de fabriek van Timmer ook prefab-werkplaatsen en -woningen in asbest-cementplaten, “alles naar eigen of naar opgegeven teekeningen.

Het bedrijf bestond van 1910 tot 1998.


Omzet, goodwill en pacht van de Raadskelder

Café-Bar de Raadskelder, op de hoek van de Carolieweg en de Gelkingestraat, had in 1977 een omzet van ƒ 160.000 per jaar. Het horecabedrijf werd verkocht als “een gezellige en nette zaak”, met een bar, diverse zitjes en een dansvloertje. Voor de “prima inventaris” en de goodwill moest de gegadigde ƒ 60.000 gulden neertellen en de huur zou 1300 gulden per maand bedragen, maar stond voor vijf jaar vast.

De Raadskelder lag natuurlijk niet op een A-locatie, eerder een B: de Gelkingestraat had inmiddels wel zo’n beetje afgedaan als (ruige) uitgaansbuurt. ’s Zomers overdag zal het café met zijn terrasvergunning wellicht wat extra omzet hebben gedraaid van winkelend publiek, maar daar staat de wat mindere aantrekkelijkheid van een zaak onder straatniveau tegenover. Al met al denk ik dat het om een voor Groningen redelijk gemiddeld bedrijf ging, min of meer representatief voor de bedrijfstak in deze stad.

Reden om deze cijfers hier mede te delen. Over de zakelijke kant van (historische) horeca is immers maar heel weinig bekend.

Bron: Groninger Archieven, Toegang 2303 (archief Savante/Dikke Trui) inv.nr. 142 (correspondentie) brief Vogelzang horecabemiddeling van oktober 1977.