Gruno

Een goede kennis van me noemt een inwoner van Groningen gewoonlijk een Gruno. Dat komt weliswaar een beetje merkwaardig over, maar geheel en al onbegrijpelijk is dit niet. Groningers gebruiken de naam Gruno immers voor van alles en nog wat. In de handelsregisterdossiers van de beide Kamers van Koophandel hier komt de naam Gruno maar liefst 79 maal voor. En al zitten er vast wel wat doublures tussen, dat de naam voor zeker 60, 70 ondernemingen, verenigingen etc. gebruikt werd (en wordt) zegt toch veel over de aloude verknochtheid van de Groningers met die naam. Hier een staalkaartje.

Gymnastiek- en schermvereniging:

Pruimtabak:

Postharmonie:

Woningbouwvereniging:

Woonwijk gesticht door die vereniging:

Fietsen:

Garage:

Pudding:

Wegenbouw:

Recycling:

Advertenties

Hoe een auto tot een fiets werd

“Een brutaal stukje is gisteren op klaarlichten dag te Groningen uitgehaald. De directeur van een melkfabriek had zijn auto geparkeerd op het Academieplein. Bij het verlaten van den wagen vergat hij het contactsleuteltje eruit te halen, met het gevolg, dat kort daarna een nog onbekend persoon er met den wagen vandoor ging. Hij verdween in de richting Hoogkerk en nam de richting Kerkstraat. Bij Leegkerk wilde hij rechtsaf zwenken doch zag op het laatste oogenblik dat deze weg gestremd was. Bij de daaropvolgende manoeuvre kwam hij met het gestolen voertuig op een brugje terecht, dat echter bezweek, waardoor de auto in de sloot terecht kwam. De bestuurder vroeg toen aan een voorbijganger naar een garage. Deze verwees hem naar zijn patroon, een garagehouder te Hoogkerk en was zoo bereidwillig zijn rijwiel mee te geven, opdat de boodschap des te vlugger zou kunnen worden overgebracht. Met deze fiets is de dief er tenslotte vandoor gegaan in onbekende’ richting.”

Bron: De Grondwet, 18 augustus 1938.


Ontwerp voor twee begraafplaatsen buiten de stad Groningen (1813)

Het poortgebouw, het hekwerk, de speciale vakken voor mennonieten, lutheranen en joden, alles was tot in detail uitgedacht :

Toch ging dit vroege ontwerp voor een begraafplaats buiten de stad Groningen niet door. In 1813 had men nog wel wat anders aan zijn hoofd.

Het grote veld elders, waar de hervormden zouden komen te liggen, met rechts een vak voor de katholieken in hun gewijde aarde. De relatieve sterkte van de gezindten is te zien aan de grootte van de aan hen toegewezen ruimte:

De ene begraafplaats zou buiten de Herepoort moeten komen en de andere buiten de Boteringepoort. Daar kwamen ook werkelijk begraafplaatsen in of vlak na 1826. Volgens de begroting uit 1813 zouden de twee begraafplaatsen samen ruim 220.000 gulden moeten kosten. Wellicht aardig om die te vergelijken met de gerealiseerde ontwerpen.

Vond de plaatjes die ik anderhalf jaar geleden maakte, vanavond terug bij mijn bestanden. Ik kan de tekeningen misschien gebruiken ter illustratie van een artikel.

Bron: RHC Groninger Archieven Toegang 1605 (archief stadsbestuur 1594-1798) inv.nr. 1798 (tabellen met statistische opgaven) nrs. 22.

NB: Dit stukje is op 23.8.2017 ingrijpend herzien na raadpleging van het dossiertje. De begroting had ik eerder niet op[gemerkt.


24 Groninger familiewapens

Op zoek naar iets anders, stuitte ik vandaag op een boekje met Groninger familiewapens. Het betreft een handschrift, waarin die wapens op charmant naïeve manier getekend en ingekleurd zijn en getuige de ex libris voorin was het ooit in bezit van A. (Dolf) Pathuis, de genealoog en heraldicus die tevens hoofdarchivist was van het gewezen Rijksarchief aan de Sint Jansstraat. De datering van het werkje is wat moeilijk, het zou van iets voor 1800 kunnen zijn, maar ook van veel later. De 24 mooiste wapens heb ik eruit gepikt en een beetje opgepept:

AEbinga sive Humalda – een eenhoorn op een wankel schuitje:

Canter – onderin drie gekroonde Jacobsschelpen (denk ik), weer zo’n teken dat Sint Jacob niet onbekend was in de stad:

Gockinga, adelaar met voetboog:

Piccardt – roofvogelpoot:

Coenders – opspringende sikkebokken:

Ripperda – de met zijn zwaard rondzwaaiende ruiter (bekend van Oosterwijtwerd);

Siccama – drie eikels bovenin en een soort van tang of schaar onderin:

Sichterman – het lijkt een biddend paard, maar het is een eekhoorn die een eikel oppeuzelt:

Laman – de arm met het zwaard lijkt uit de grond te komen, en doet daarmee denken aan de radijs van 1672, maar volgens Redmer Alma’s wapenlijst komt dat zwaard uit de wolken:

De bekende boomstronk met wortels van de familie De Mepsche die op dit weblog al meermalen gesignaleerd werd:

Van Ham – twee zwarte balken met Kwik, Kwek en Kwak:

Busch – postduif met een strik om de hals:

(Van) Bolhuis – links een adelaar? en rechts een gans?:

Emmen – toefje rogge, vijf ruiten en een versleuteld hart dat ik erg mooi vind:

Crans – opnieuw een eenhoorn, nu bij een oranjeboom zonder appelsienen:

Drie paar eikels op het wapen van Trip;

Sibinga’s wildeman:

Nauta – twee opspringende sikkebokken tegen een oranjeboom met appelsienen:

Beckeringh – rustende bijl tegen oranjeboom zonder appelsienen, de laatst overgeblevene in een laantje van drie:

Wichers – drie appelsienen:

Vrouwe Justitia op het wapen van de familie Winsemius:

Wolthers – het Lam Gods (of agnus dei) met zijn kruis en vaan:

Lintelo – net als bij Van Ham twee zwarte balken met Kwik, Kwek en Kwak, al staan die nu bovenop de bovenste balk. Bovendien is het achtergrondkleurtje hier anders (geel in plaats van wit):

Hé kijk, daar hebben we de varkentjes van Sijlman weer.  En dit keer liggen er inderdaad eikels onder hun boom:


Voor de krijgsraad om het schenden van een neus

De plaats delict werd aangeduid als de Kuipen. Dat is vervelend, want in de stad Groningen had je daar twee van: de Noorderkuipen of het Martinipark, waar nu het Praediniusfymnasium staat, en de Zuiderkuipen of het Apark, waar je nu Academie Minerva aantreft. Het ging om terreinen met ingegraven houten ‘baden’, waarin leer werd gelooid De Noorderkuipen telt op de kaart van Haubois (uit het midden van de zeventiende eeuw) 114 van zulke looikuipen en de Zuiderkuipen slechts 39. De Noorderkuipen was dus drie maal zo groot als de Zuiderkuipen, en daarom hou ik het er voorlopig maar op, dat het delict van dit verhaal zich daar heeft afgespeeld.

De beklaagde soldaat Hindrik Jacobs werkte er als knecht bij een schoenmaker en/of leerlooier. Misschien wekt het verbazing dat een soldaat ook nog werkzaam kon zijn in een ambacht, maar dat was voor de soldaten van een garnizoen in vredestijd doodgewoon. Ze beurden zodoende niet alleen soldij, maar ook nog een werkloon. Voor de soldaten die uit Groningen zelf kwamen, was het natuurlijk gemakkelijker om aan werk te komen dan voor soldaten van elders. Maar zoals we nog zullen zien, kwam de beklaagde ook uit Groningen zelf.

Op 13 mei 1720 om 12 uur ’s middags was deze Hindrik Jacobs nog “goeds moets”, dus opgewekt, met zijn baas Geert Geerts van de Kuipen vertrokken. Blijkbaar gingen ze tussen de middag thuis eten. Toen Hindrik een uur later weer terugkeerde op de Kuipen, bleek hij zijn looierskloffie te hebben ingewisseld voor zijn uniform. Ook was hij gewapend:

“dat hij terselver tijd gekleet sijnde met sijn montuir en met de sabel op de zijd, nae eenige discoursen met een Albert Alberts, over het voornemen dat hij hadde, gevoert te hebben, bovengem[eld]e Geert Geerts heeft aengesproken, en nae eenige woordenwisselingen denselven met sijn sabel gewond, en een wonde, waerdoor deselve in gevaar van sijn neus te verliesen, toegevoegt…”

Elders in het vonnis heet die neus “het voornaemste deel van sijn lichaam”. De aanklager bedoelde uiteraard het gezicht, want wie zijn neus schendt, schendt zijn aangezicht. Maar enfin.

Hindrik Jacobs werd vastgezet en kwam voor de krijgsraad. Daar draaide zijn zaak voornamelijk om de vraag of hij de neus van zijn baas met voorbedachte rade schond. De aanklager probeerde dat te bewijzen. Hindrik was in uniform en met wapen bij de Kuipen gekomen, wachtte daar zijn baas Geert Geerts op en volgens verschillende getuigen had hij gerooepen Geert Geerts “de kop te willen inhouwen”, een voornemen waarin hij dus slechts in tamelijk beperkte mate geslaagd was.

Hindriks advocaten bestreden die voorbedachte rade. Ze wezen op de wat knullige weergave van het collectieve getuigenverhoor onder ede, wraakten ook diverse getuigen – in één geval omdat het familie van het slachtoffer betrof – en wezen erop dat dader en slachtoffer om 12 uur nog “goets moeds met malkanderen van de Kuijpen sijn gegaen”.

Interessant is wat de advocaten te melden hadden over Hindriks motief. Waarom had hij zijn baas in uniform opgewacht, en met zijn sabel bijna de algehele neus afgeslagen? Wel, tussen de middag had hij thuis zijn vader gesproken, die ook bij Geert Geerts in dienst was. Nog wel, tenminste. Want de oude heer vertelde Hindrik huilend dat Geert Geerts op het punt stond om hem te ontslaan:

“dat de gelaedeerde (verwonde, HP) sijn vader wilde uit het werk stoten, en alsoo den ouden man de kostwinninge benemen, waerover volgens de natuirlijke liefde die hij aen hem schuldig waer, seer is bewogen geworden, omdat hij hem hadde sien schreijen, (…) jae soo, dat hij sèlfs (het welke anders aen een soldaet niet past) in traenen is uitgeborsten”

Je vader zien huilen is ook nu nog steeds bijzonder indrukwekkend voor verreweg de meeste mensen. Aardig is dat in dit geval op een soldatenethos wordt gewezen: een soldaat mag niet huilen. Hindrik Jacobs deed het toch, trok zijn uniform aan, gordde zijn sabel om en sloeg daarmee Geert Geerts bijna de neus af.

Dat kwam ook doordat de baas heel onaardige dingen tegen hem zei. Zo zou Hindriks vader volgens Geert Geerts constant lopen te bedelen en Hindrik zelf liegen “als een schelm”. En dat stak de lont in het kruitvat. Want schelm was een woord,

“jemand aen sij[n] eer gaende, en insonderheit een soldaat een dolor moeste verwecken”

Geert Geerts was ook niet opgehouden met schelden, hoewel sommige omstanders hem daartoe vermaanden. Geen wonder dus, dat Hindrik nog kwaaier werd, dan hij door zijn vaders verhaal al was. De kwade bejegening maakte de toegevoegde wonde begrijpelijk, vonden de advocaten, en daarvoor paste strafvermindering. Bovendien had Hindrik Jacobs de staat van zijn vijftiende levensjaar af altijd “eerlijk en trouw” als soldaat gediend en zich daarbij immer goed gedragen.

De heren van de krijgraad moesten er wel over stemmen, maar accepteerden de verzachtende omstandigheden niet. Ze veroordeelden Hindrik Jacobs op zaterdag 15 juni 1720 juist tot een bijzonder zware straf – op twee achtereenvolgde dagen moest hij maar liefst zes maal per dag spitsroeden lopen, elke keer heen en weer. Op maandag 24 juni 1720 bevestigden de heren Gedeputeerden dit vonnis, dat weldra ten uitvoer zal zijn gelegd..

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 1 (archief Staten van Stad & Lande) inv.nr. 1350 (sententieboek GS) de sententie van 24 juni 1720.


‘Zalf op een wonde’


Ik stond vanmiddag in het Stadhuis even oog in oog met oud-burgemeester Hans Ouwerkerk. Prachtig portret van de jonge kunstenaar Milan Smidt, dat iets laat zien van een verbittering die vervaagd is opgegaan in berusting. Ouwerkerk ervoer het portret zelf als soort van een rehabilitatie, hoorde ik, sprak op rtv Noord zelfs van zalf op een wond.  Het doek hangt er wat donker bij, mijn foto zonder flits doet de kwaliteit ervan absoluut geen recht.

Ouwerkerk was nog niet zo lang burgemeester van Groningen, toen hij op bezoek kwam bij het Buurtoverleg Oosterpoort. In 1992 of 1993 moet dat geweest zijn, ik had net voor het eerst het Jaarverslag van deze wijkorganisatie geschreven. Meteen na binnenkomst in ons Wijkpand nam hij het woord, Hij had dat jaarverslag gelezen en ergerde zich bovenmatig aan de toon. Dit klopte niet, dat klopte niet in zijn ogen. Of we soms dachten dat het bij de gemeente allemaal van die ‘lulletjes lampekatoen’ waren. Nadat hij zijn donderspeech afgeleverd had, wachtte hij ons weerwoord niet af. Daar had hij geen tijd voor. Hij beende de deur uit en liet ons verbijsterd achter. Maar zoals dat dan gaat, naderhand namen we al zijn punten een voor een door en inderdaad: dit klopte niet en dat klopte niet, van zijn kant dan.

Ik was dus geen groot liefhebber van Ouwerkerk en zijn overdonderingstactiek, maar de manier waarop hij afgeserveerd werd na de Oosterparkwijkrellen, vond ik evenmin zuiver. Hij vond weliswaar zijn nieuwjaarsspeech belangrijker dan het feit dat voor het eerst sinds 1945 woningen in de gemeente Groningen werden geplunderd, maar de partij die hem daarop liet struikelen, GroenLinks, bagatelliseerde in de gemeenteraad al jaren de jongerenoverlast op diverse locaties in de stad, o.a. in de Oosterparkwijk, maar ook bij ons in de buurt. Ik vond de handelswijze van GroenLinks ten opzichte van Ouwerkerk hypocriet, en heb mijn lidmaatschap van de partij toen maar opgezegd. Was toch al niet meer actief als lid.

Sindsdien ben ik überhaupt geen lid van een politieke partij meer geweest. Ik denk ook niet dat ik dat nog gauw weer zal worden.

 


De kracht der Groninger kluin

Advocatenpraatje anno 1706:

Hun cliënt, een adelborst en dus een jonge officier in opleiding, was weliswaar flink tekeer gegaan met het breken van glazen in de Raamstraat, maar daarvoor waren verzachtende omstandigheden aanwezig, vonden ze. Het ging immers om een jongen uit een goed Haags milieu en hij dronk zich nooit dronken. Maar nu hadden slechte vrienden hem daartoe overgehaald, en “onkundigh van de cragt der Groninger Cluin”, was hij de beest uit gaan hangen.

Link spul, die kluin.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 1 (archief Staten van Stad en Lande) inv.nr. 1350 (sententieboek GS) het vonnis d.d. 16 december 1706.