Van Giffen als achterdochtige Drent – een vroege karakterschets

De reistas van Van Giffen. Collectie Groninger Museum.

Gister kwam de brievencollectie van het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden online. Slechts een klein deel van die collectie is voorlopig echt toegankelijk gemaakt, maar de enige treffer die het zoekwoord ‘Groningen’ oplevert, is alvast een mooie verrassing. Het betreft een aanbevelingsbrief uit 1912 van de Groninger hoogleraar biologie Van Bemmelen voor de destijds nog niet gepromoveerde Albert Egges van Giffen:

Groningen, 6 Oct. 12.

Van Giffen heb ik leeren kennen eerst in zijne positie van student in de Biologie, daarna als assistent aan het Zoölogisch Labaratorium. In beide qualiteiten heeft hij blijk gegeven een man van bijzondere gaven en rusteloozen ijver te zijn. Hij bezit een grooten aanleg en ook sterke geneigdheid tot geheel zelfstandig werken, wat aanleiding kan geven dat hij we eens al te zeer zijn eigen weg gaat, maar hij is toch gevoelig voor raad van anderen en bereid tot overleg en tot samenwerking, wanneer men de eigenaardigheden van zijn karakter weet te verstaan en zijne neiging tot achterdocht (die vermoedelijk aan zijn Drentsche afkomst moet geweten worden) weet te overwinnen.
Volgens mijne overtuiging zal Van Giffen bij voldoende aanmoediging en vriendschappelijke leiding, veel en goed origineel werk kunnen verrichten en een groote kracht worden voor het archaeologisch onderzoek. V. Giffen’s begaafdheden voor dat onderzoek en ook reeds zijne verdiensten op dat gebied zijn zoo groot, dat ik het de plicht acht van ieder, die in de gelegenheid is hem te helpen en te steunen, om daarbij enkele minder aangename en gemakkelijke zijden van zijn aard over ’t hoofd te zien, vooral omdat naar mijne meening de grond van zijn karakter eerlijk, oprecht en onbaatzuchtig is.

J.F. van Bemmelen

Advertenties

Bekius’ blik op Stad

Tjerk Bekius zette onlangs zijn smalfilm- en videobeelden, vanaf 1965 gemaakt in de stad Groningen, als collage op YouTube. Te zien zijn onder meer de fontein van de Herestraat, de voorganger van de A7, de groenteveiling aan de Peizerweg, de spoorwegovergang Paterswoldseweg, de winter van 1979 en het opblazen van de vijf pijpen. Veel kijkplezier!:


Barok in Groningen

Ik lees hier dat het Groninger Collegium Musicum, een orkest van heren liefhebbers, eind zeventiende eeuw een aardige muziekbibliotheek had, doordat veel leden hun eigen muziekboeken aan het orkest schonken. Deze boeken kwamen grofweg uit de periode 1630-1690. Onder andere omvatte ze werken van:

Lully (Phaëton):

Uccellini:

Vivaldi:

Meermalen Lully zelfs, naar ik hoop ook deze fantastische Mars voor een Turkse ceremonie:

Ik koos bij dit aanschouwelijk maken met opzet voor live-opnamen, omdat die wat meer rammelen. Bovendien valt er ook echt wat te zien. Wellicht rammelde het bij de Groninger heren dilettanten nog wat meer, maar dat zal weinig aan hun genoegen hebben afgedaan.

Overigens beperkt zo’n exercitie zich natuurlijk wel tot componisten uit de klassieke canon. Van een heleboel andere op de lijst – de meeste – wordt nooit meer wat uitgevoerd. Die zijn totaal vergeten.


Bakstenen, drielingen en plavuizen – een steenkopersrekening voor een nieuwbouwhuis

In 1621 hadden de houtzager Harmen Grotijn en vrouw uit de Butjesstraat duidelijk verhuisplannen. Ze tekenden een schuldbrief aan de steenkoper Bartolomeus Fraterman en vrouw voor 228 daalder (342 gulden) wegens bouwmateriaal, door Fraterman geleverd:

  • 15.000 grote bakstenen,
  • 10.000 drielingen,
  • 3000 pannen,
  • 1000 “blaeuwvuisers vloersteenen” (plavuizen)

Dit materiaal was bestemd voor een huis dat Grotijn en vrouw binnenkort buiten de Oude Ebbingepoort, dus in de nieuwe noordelijke stadsuitleg, wilden gaan bouwen. Ze hadden hier al een stuk bouwgrond in erfpacht verworven.

De nota van de steenkoper vormde uiteraard slechts een deel van de bouwkosten, er kwam nog een rekening van de houtkoper wegens hout en een van de ijzerkoper wegens het hang- en sluitwerk overheen en vooral niet te vergeten nog die wegens de arbeidslonen van timmerlui en metselaars. Laten we zeggen dat de totale bouwkosten minstens 500 gulden bedroegen. Dan was dit toch wel een middenstandswoning. Arbeiderswoningen deden nog niet de helft.

Ik stuitte toevallig op de nota bij het doornemen van de nieuwe toegang die Sebo Abels heeft gemaakt op stad-Groninger verzegelingen uit de zeventiende eeuw. Zoeken op de trefwoorden ‘bakstenen’, ‘drielingen’ en ‘vloer’ leverde helaas geen equivalent op.

De eigenlijke bron: RHC Groninger Archieven, (op microfiche) Rechterlijke Archieven III x deel 4 fol. 426 d.d. 16 maart 1621.


Groninger jood was Gronings, Friese jood was Fries

Folkingestraat voor de oorlog.

Het provinciale Jodendom, zo karakteristiek als het was, heeft slechts een enkele maal een penvoerder gevonden, die het geschilderd heeft in zijn samenhang met zijn omgeving, in zijn aangepastheid, die toch zulk een schat van innige Joodsheid overliet. Ook hier is iets onherstelbaars verloren gegaan.(…) Wat een typen, wat een variaties! Verdwenen zij.

De onmiddellijk herkenbare Groninger Jid, die souverein heerste in zijn gebied in zijn vrolijke, levendige Folkingestraat. Lezer, ga niet naar de Folkingestraat. Het is een gore, droeve, neerdrukkende achterbuurt geworden.

De Jood uit de veenkoloniën, slagerveehandelaar, niet bang voor, noch afkerig van een fiks vechtpartijtje, die Grönnegs sprak in onvervalst dialect, echt van kleur en klank, waarin toch de Joodse bewogenheid telkens weer doorbrak.

De Limburger Jood, waarschijnlijk de meest geassimileerde en meest aangepaste van Nederland, die naar sjoel ging en daarna desgewenst een kaarsje voor het raam plaatste ter ere van een voorbijtrekkende processie. Joutse für Gott und für die Leute.

De Brabander, gul en gemoedelijk, met zijn Zuid-Nederlands „hebdege en bendege“, met zijn genoegelijke levensblijheid, gemakkelijke levensopvatting, met zijn gulle eenvoudige gastvrijheid.

De Friese Jood, zo oer-Joods gebleven, en toch zo vergroeid met zijn omgeving, dat hij Fries of Leeuwardens sprak als ware het Losjoun hakoudesj. En die zelfs als hij opgeroepen werd in de Beroche de Friese “G” niet overwinnen kon, asjer bokar bonoe. Ach, hoe eenzaam is de Put, dit Rapenburg van het Noorden. Me-ein jousjeiw. Geen vrolijke groep jongeren host meer door de buurt, op de avond van uitgaande Pesach op de melodie van het lied „Chomeitsdikke sterren“. Slechts de grote, onbeschadigde Leeuwarder Sjoel — eens hun trots en glorie — staart weemoedig-statig naar de leegte. Oj, mee haja lanoe!

Bron: Nieuw Israëlitisch Weekblad 15 juli 1949.


‘Feithhuis veel te goed voor Arbeidsbeurs’

Jhr Johan Adriaan Feith. Foto (ingekleurd): Pictorescue (Flickr cc.)

Eind januari 1913 werd hij op een avond dood achter zijn bureau in het Rijksarchief aangetroffen: Johan Adriaan Feith, de Groninger Rijksarchivaris; tevens oprichter en hoofdredacteur van de Groninger Volksalmanak en stichter en directeur-conservator van ’t Groninger Museum. Nog geen twee jaar later sloten zijn erven een koopovereenkomst met de gemeente Groningen. De gemeente kocht wijlen Feiths herenhuis met tuin, koetshuis en stalling aan het Martinikerkhof zuidzijde, een vastgoedcomplex dat we nu, ruim honderd jaar later, kennen als het Feithhuis.

Merkwaardig genoeg leidde overeenkomst tot kritische geluiden in de Provinciale Drentsche en Asser Courant. De Groninger correspondent van dat blad hekelde de voortdurende sloop en modernisering van fraaie panden in de stad Groningen tot winkels en magazijnen. Zo waren onder andere “Het huis met de draken” en “Het huis met den schoonen gevel” verdwenen, verwinkeld en/of onherkenbaar “gerestaureerd”. Vroeger kocht de gemeente meestal percelen zonder esthetische waarde waar niets aan verloren kon gaan, aldus de correspondent –

“Ditmaal echter viel het oog van ‘t gemeentebestuur op de deftige heerenbehuizing van wijlen jhr. Feith, te voren bewoond door jhr. Quintus, een bekende persoonlijkheid voor Groningers van ouderen datum. En met welk doel is nu deze voorname, patricische woning door de gemeente aangekocht ? Om ingericht te worden voor Arbeidsbeurs…”

De Arbeidsbeurs (later het Arbeidsbureau) moest namelijk per 1 mei 1916 uit een pand in de Folkingestraat verhuizen en dus elders worden ondergebracht. De Folkingestraat – dat was destijds de jodenbuurt. Met een nauw verholen antisemitische ondertoon vond de correspondent het een hele promotie voor die Arbeidsbeurs,

“om uit de Folkingestraat, de klassieke sinaasappel-, kokeloko-, augurken- en sausemangel-buurt, maar zoo overgeplaatst te worden naar een prachtige heerenbehuizing aan ’t Martini-Kerkhof, achtereenvolgens door verschillende adellijke familiën bewoond !”

Hij noemde zich een democraat en erkende volmondig het nut en de onmisbaarheid van de Arbeidsbeurs, maar de gemeente had voor dit doel veel beter een blok met krotten op kunnen kopen, vond de man.

“Want waarom zou voor een instelling van practischen, zakelijken aard een weelderig onderdak noodig zijn ? Nu zeiden B. en W. in hun voordracht wel dat het huis aan ’t Martini-Kerkhof geen verbouwing van eenige beteekenis hoeft te ondergaan om het voor een Arbeidsbeurs geschikt te maken, doch mettertijd, wanneer ook eenmaal andere gemeente-bureaux in het nieuwe perceel gevestigd worden – en dat ligt in ’t plan van de heeren – krijgt men er een samenstel van kantoren en zal ’t ongetwijfeld op een wegbreken en roppen gaan, zoodra de verschillende ‘takken van dienst’ dat wenschelijk doen schijnen.

Gelukkig hebben de erven Feith dit gevaar voorzien en althans voor een deel tegen omverwerping van het inwendige gebouw gewaakt, namelijk door te bepalen dat de geheele antieke betimmering alsmede het plafond in de achtersuite-kamer en de schoorsteenmantel in de oostelijke bovenvoorkamer niet bij den verkoop inbegrepen zijn.”

Voordat de gemeentelijke vandalen hun gang mochten gaan, haalden de erven Feith dus liever zelf de belangrijkste cultuurhistorische zaken uit het pand ! De prachtige schouw ging naar het Groninger Museum, dat zijn oprichter Feith naderhand eerde met een borstbeeld.

Hoe het de correspondent van de Drentsche en Asser te moede zou zijn, als hij nu nog eens het Feithhuis zou kunnen aanschouwen, laat zich raden.

Bron: PDAC 11.12.1915.


De Deventer almanak voor het jaar 1568

In deze tijd van het jaar hadden zwervende omlopers altijd een mooie bijverdienste aan de verkoop van almanakjes.

Groningen kreeg pas laat een eigen almanak en dan was het nog slechts een comptoirsalmanak. In de zestiende eeuw moest zulke waar nog uit Deventer en Kampen komen. Dit is een Deventer exemplaar uit het jaar 1568:

Met een uitleg van de waterstanden:

Een figuur van de invloed die de maan en de verschillende hemeltekens op het menselijk lichaam uitoefenen, ook heel handig als je een aderlating moest ondergaan:

En de met astrologisch jargon opgepropte jaarvoorspelling door dr. Ambrosius Magirus, die in zijn 53ste levensjaar overigens sterk op een Talibanstrijder leek:

Bron: RHC Groninger Archieven 1769-18812.1568.