Voor de krijgsraad om het schenden van een neus

De plaats delict werd aangeduid als de Kuipen. Dat is vervelend, want in de stad Groningen had je daar twee van: de Noorderkuipen of het Martinipark, waar nu het Praediniusfymnasium staat, en de Zuiderkuipen of het Apark, waar je nu Academie Minerva aantreft. Het ging om terreinen met ingegraven houten ‘baden’, waarin leer werd gelooid De Noorderkuipen telt op de kaart van Haubois (uit het midden van de zeventiende eeuw) 114 van zulke looikuipen en de Zuiderkuipen slechts 39. De Noorderkuipen was dus drie maal zo groot als de Zuiderkuipen, en daarom hou ik het er voorlopig maar op, dat het delict van dit verhaal zich daar heeft afgespeeld.

De beklaagde soldaat Hindrik Jacobs werkte er als knecht bij een schoenmaker en/of leerlooier. Misschien wekt het verbazing dat een soldaat ook nog werkzaam kon zijn in een ambacht, maar dat was voor de soldaten van een garnizoen in vredestijd doodgewoon. Ze beurden zodoende niet alleen soldij, maar ook nog een werkloon. Voor de soldaten die uit Groningen zelf kwamen, was het natuurlijk gemakkelijker om aan werk te komen dan voor soldaten van elders. Maar zoals we nog zullen zien, kwam de beklaagde ook uit Groningen zelf.

Op 13 mei 1720 om 12 uur ’s middags was deze Hindrik Jacobs nog “goeds moets”, dus opgewekt, met zijn baas Geert Geerts van de Kuipen vertrokken. Blijkbaar gingen ze tussen de middag thuis eten. Toen Hindrik een uur later weer terugkeerde op de Kuipen, bleek hij zijn looierskloffie te hebben ingewisseld voor zijn uniform. Ook was hij gewapend:

“dat hij terselver tijd gekleet sijnde met sijn montuir en met de sabel op de zijd, nae eenige discoursen met een Albert Alberts, over het voornemen dat hij hadde, gevoert te hebben, bovengem[eld]e Geert Geerts heeft aengesproken, en nae eenige woordenwisselingen denselven met sijn sabel gewond, en een wonde, waerdoor deselve in gevaar van sijn neus te verliesen, toegevoegt…”

Elders in het vonnis heet die neus “het voornaemste deel van sijn lichaam”. De aanklager bedoelde uiteraard het gezicht, want wie zijn neus schendt, schendt zijn aangezicht. Maar enfin.

Hindrik Jacobs werd vastgezet en kwam voor de krijgsraad. Daar draaide zijn zaak voornamelijk om de vraag of hij de neus van zijn baas met voorbedachte rade schond. De aanklager probeerde dat te bewijzen. Hindrik was in uniform en met wapen bij de Kuipen gekomen, wachtte daar zijn baas Geert Geerts op en volgens verschillende getuigen had hij gerooepen Geert Geerts “de kop te willen inhouwen”, een voornemen waarin hij dus slechts in tamelijk beperkte mate geslaagd was.

Hindriks advocaten bestreden die voorbedachte rade. Ze wezen op de wat knullige weergave van het collectieve getuigenverhoor onder ede, wraakten ook diverse getuigen – in één geval omdat het familie van het slachtoffer betrof – en wezen erop dat dader en slachtoffer om 12 uur nog “goets moeds met malkanderen van de Kuijpen sijn gegaen”.

Interessant is wat de advocaten te melden hadden over Hindriks motief. Waarom had hij zijn baas in uniform opgewacht, en met zijn sabel bijna de algehele neus afgeslagen? Wel, tussen de middag had hij thuis zijn vader gesproken, die ook bij Geert Geerts in dienst was. Nog wel, tenminste. Want de oude heer vertelde Hindrik huilend dat Geert Geerts op het punt stond om hem te ontslaan:

“dat de gelaedeerde (verwonde, HP) sijn vader wilde uit het werk stoten, en alsoo den ouden man de kostwinninge benemen, waerover volgens de natuirlijke liefde die hij aen hem schuldig waer, seer is bewogen geworden, omdat hij hem hadde sien schreijen, (…) jae soo, dat hij sèlfs (het welke anders aen een soldaet niet past) in traenen is uitgeborsten”

Je vader zien huilen is ook nu nog steeds bijzonder indrukwekkend voor verreweg de meeste mensen. Aardig is dat in dit geval op een soldatenethos wordt gewezen: een soldaat mag niet huilen. Hindrik Jacobs deed het toch, trok zijn uniform aan, gordde zijn sabel om en sloeg daarmee Geert Geerts bijna de neus af.

Dat kwam ook doordat de baas heel onaardige dingen tegen hem zei. Zo zou Hindriks vader volgens Geert Geerts constant lopen te bedelen en Hindrik zelf liegen “als een schelm”. En dat stak de lont in het kruitvat. Want schelm was een woord,

“jemand aen sij[n] eer gaende, en insonderheit een soldaat een dolor moeste verwecken”

Geert Geerts was ook niet opgehouden met schelden, hoewel sommige omstanders hem daartoe vermaanden. Geen wonder dus, dat Hindrik nog kwaaier werd, dan hij door zijn vaders verhaal al was. De kwade bejegening maakte de toegevoegde wonde begrijpelijk, vonden de advocaten, en daarvoor paste strafvermindering. Bovendien had Hindrik Jacobs de staat van zijn vijftiende levensjaar af altijd “eerlijk en trouw” als soldaat gediend en zich daarbij immer goed gedragen.

De heren van de krijgraad moesten er wel over stemmen, maar accepteerden de verzachtende omstandigheden niet. Ze veroordeelden Hindrik Jacobs op zaterdag 15 juni 1720 juist tot een bijzonder zware straf – op twee achtereenvolgde dagen moest hij maar liefst zes maal per dag spitsroeden lopen, elke keer heen en weer. Op maandag 24 juni 1720 bevestigden de heren Gedeputeerden dit vonnis, dat weldra ten uitvoer zal zijn gelegd..

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 1 (archief Staten van Stad & Lande) inv.nr. 1350 (sententieboek GS) de sententie van 24 juni 1720.


‘Zalf op een wonde’


Ik stond vanmiddag in het Stadhuis even oog in oog met oud-burgemeester Hans Ouwerkerk. Prachtig portret van de jonge kunstenaar Milan Smidt, dat iets laat zien van een verbittering die vervaagd is opgegaan in berusting. Ouwerkerk ervoer het portret zelf als soort van een rehabilitatie, hoorde ik, sprak op rtv Noord zelfs van zalf op een wond.  Het doek hangt er wat donker bij, mijn foto zonder flits doet de kwaliteit ervan absoluut geen recht.

Ouwerkerk was nog niet zo lang burgemeester van Groningen, toen hij op bezoek kwam bij het Buurtoverleg Oosterpoort. In 1992 of 1993 moet dat geweest zijn, ik had net voor het eerst het Jaarverslag van deze wijkorganisatie geschreven. Meteen na binnenkomst in ons Wijkpand nam hij het woord, Hij had dat jaarverslag gelezen en ergerde zich bovenmatig aan de toon. Dit klopte niet, dat klopte niet in zijn ogen. Of we soms dachten dat het bij de gemeente allemaal van die ‘lulletjes lampekatoen’ waren. Nadat hij zijn donderspeech afgeleverd had, wachtte hij ons weerwoord niet af. Daar had hij geen tijd voor. Hij beende de deur uit en liet ons verbijsterd achter. Maar zoals dat dan gaat, naderhand namen we al zijn punten een voor een door en inderdaad: dit klopte niet en dat klopte niet, van zijn kant dan.

Ik was dus geen groot liefhebber van Ouwerkerk en zijn overdonderingstactiek, maar de manier waarop hij afgeserveerd werd na de Oosterparkwijkrellen, vond ik evenmin zuiver. Hij vond weliswaar zijn nieuwjaarsspeech belangrijker dan het feit dat voor het eerst sinds 1945 woningen in de gemeente Groningen werden geplunderd, maar de partij die hem daarop liet struikelen, GroenLinks, bagatelliseerde in de gemeenteraad al jaren de jongerenoverlast op diverse locaties in de stad, o.a. in de Oosterparkwijk, maar ook bij ons in de buurt. Ik vond de handelswijze van GroenLinks ten opzichte van Ouwerkerk hypocriet, en heb mijn lidmaatschap van de partij toen maar opgezegd. Was toch al niet meer actief als lid.

Sindsdien ben ik überhaupt geen lid van een politieke partij meer geweest. Ik denk ook niet dat ik dat nog gauw weer zal worden.

 


De kracht der Groninger kluin

Advocatenpraatje anno 1706:

Hun cliënt, een adelborst en dus een jonge officier in opleiding, was weliswaar flink tekeer gegaan met het breken van glazen in de Raamstraat, maar daarvoor waren verzachtende omstandigheden aanwezig, vonden ze. Het ging immers om een jongen uit een goed Haags milieu en hij dronk zich nooit dronken. Maar nu hadden slechte vrienden hem daartoe overgehaald, en “onkundigh van de cragt der Groninger Cluin”, was hij de beest uit gaan hangen.

Link spul, die kluin.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 1 (archief Staten van Stad en Lande) inv.nr. 1350 (sententieboek GS) het vonnis d.d. 16 december 1706.


Voor straf te kijk bij het Goudkantoor

Jan Kunst had vanuit Drenthe “eenige brandewijn” Groningerland binnengesmokkeld. De heren gedeputeerden van Stad & Lande, die optraden als de fiscale rechters hier, lieten hem lang in voorarrest zitten en besloten toen tot “gratie voor rigeur van regte”. Ze veroordeelden Kunst, vonden ze, tot een milde straf, die eruit bestond

“dat deselve met drie kruicken, twee voor d’ borst en een agter op de rugge over de merckt sall werden gebracht, en daer mede van half elff tot half twalf uiren voor het Prov[inci]ale Collecthuis ten toon staen en wandelen…”

Deze straf pasten de heren GS wel vaker toe. Zo’n uurtje onder strenge begeleiding te kijk staan en lopen met kruiken om de hals was uiteraard confronterend, onterend en schaamtevol, maar mocht Kunst nog eens op smokkel betrapt worden, dan dreigde een fysieke straf. In dat geval kenden de heren geen genade meer, beloofden ze, en werd Jan aan de kaak gezet en gegeseld.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 1 (archief Staten van Stad & Lande) inv.nr. 1350 (sententies GS), die van, 1 juni 1685.


Mennoniet neergeknald op de stadswal

Een gebrekkige impulsbeheersing heeft al vreselijk veel ellende veroorzaakt. In een oogwenk kan ze mensenlevens vernietigen.

Neem nou Schelte Reinders, de in Leeuwarden geboren doopsgezinde knecht van doctor Eissemius. Hij was samen met zijn baas en diens gezin naar Groningen gekomen. Op 30 maart 1698 deed hij iets, wat wel meer mensen in deze vestingstad op een mooie zondagmiddag deden – samen met het vierjarige kind van zijn baas maakte hij voor zijn plezier een wandeling over de stadswallen. Iets na tweeën kwamen ze op de borstwering bij de Kranepoort, nabij de lokale molendrift, in de buurt van de Noorderhaven. Daar hield een schildwacht ze staande. De soldaat zei dat het wandelen op de borstwering verboden was en eiste een boete of wat biergeld. Toen Schelte Reinders niet kon of wilde betalen, vroeg de schildwacht diens hoed. Dat onderpand kon Schelte dan later komen inlossen. Mogelijk verzette Schelte zich. In elk geval schoot de soldaat op hem. Schelte sloeg tegen de grond en was op slag dood.

Het recht nam een snelle loop. Ruim anderhalve week na dit verschrikkelijke voorval moest de schildwacht voor de Krijgsraad verschijnen. Nies Wijmans, zo heette hij, had volgens de aanklager niet alleen de dood van Schelte Reinders op zijn geweten, maar had ook beschonken op wacht gestaan, terwijl hij bovendien was weggelopen van zijn post.

De aanklager maakte er eerst weinig woorden aan vuil. Wijmans had alles bekend, wat gold als het ultieme bewijs.

De advocaten gaven toe dat Wijmans wel enige straf verdiende, maar vroegen om een lichte. Ten eerste was soldaat Wijmans niet dronken geweest, zoals beweerd werd, want anders had zijn korporaal hem niet eens naar zijn post laten gaan. Ook was verdachte niet van de wacht weggegaan; hij had toestemming om de hele Kranepoortenwal tegenover de scheepswerf af te lopen omdat hij moest uitkijken naar een bepaalde smokkelaar die hier langs zou komen. En dan de doodslag – de ene doodslag was de andere niet. Het slachtoffer had het noodlot in dit geval zelf over zich afgeroepen, doordat hij de schildwacht zijn geweer had vastgepakt en hem daarmee ook op de borst had gestoten. Een schildwacht mocht op zijjn post door niemand worden aangeraakt. Dat soldaat Wijmans witheet van woede was, viel dus te billijken, dat was een volkomen gerechtvaardigde toorn. Overigens had Wijmans helemaal niet de bedoeling om Reinders te doden. Hooguit had hij hem willen verwonden.

Op die bewering haakte de aanklager in. Hij achtte het totaal onaannemelijk dat het slachtoffer, “mennist sijnde sonder stock, deegen off het minste geweer” en “alleenlijck voor plaisier wandelende met dr. Eissemius kintien”, de schildwacht zou hebben aangepakt. Ook had Wijmans volgens zijn eigen bekentenis “uijt quaetheijt”, toen Reinders al was weggelopen, zijn geweer aangelegd en op Reinders geschoten.

De doopsgezinde, vredelievende Reinders was dus in zijn rug neergeknald. In een goed geregelde staat kon zo’n “moordaedigh onderneemen”, zo’n “grouwelijcken bloedstortinge”, zo’n “onmenselijck bedrijff” niet ongestaft blijven, meende de aanklager. Anders zou dat “Godes gramschap en straffe” over die staat uitlokken. De Krijgsraad onderschreef dit volkomen en veroordeelde Nies Wijmans om

“andere ten exempel en afschrick”, “door den scherpregter met den swaerde te sullen worden gestraft, dat de doot daer op volght”.

Weer twee dagen later bevestigde het college van Gedeputeerde Staten het vonnis. Al de volgende ochtend werd dat voltrokken en ging soldaat Wijmans voor de bijl.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 1 (archief Staten van Stad & Lande) inv.nr. 1350 (sententies GS), die van 13 april 1698.


Soldaat slaat juffer, de dochter van zijn chef

Op 13 januari 1698 vierden Hindrik Brongers uit Veendam, die als solliciteur in de behoeften van een compagnie soldaten voorzag, en de weduwe van dominee Textor hun verloving in het huis van de laatste in de stad Groningen. Mogelijk was eerder die dag het huwelijkscontract al getekend door de wederzijdse familie. In elk geval kwam er aardig wat volk over de vloer om de “wijnkoop” te vieren. Zo waren ook de overste Sighers, diens oudste dochter (een juffer) en de knecht van de overste van de partij in het huis van de bruid.

Sighers’ knecht, Jan Isebrants, veroorzaakte daarbij “veele ongeregeltheeden”. Hij sloeg de dochter van zijn baas zo hard voor het hoofd, dat haar wang er enorm van opzwol. Toen ze Jan Isebrants daarom naar de Hoofdwacht brachten, deed hij daar niet anders dan “schelden, raesen, vloecken, tyren”. Ook misdroeg hij zich tegen kapitein Van Ewsum, die er als hoofdofficier het bevel had.

Jan moest voorkomen voor de krijgsraad. Meerdere getuigenissen ondersteunden de aanklacht. Ze kwamen van van overste Sighers, diens dochter, ene Wieringa, de hoofdofficier van de wacht en solliciteur Brongers, al werd de naam van de laatste naderhand doorgehaald op het lijstje met getuigen.

Jan Isebrants’ advocaat achtte het hem aangewreven wangedrag onbewezen en vroeg om vrijspraak voor Jan. Ten eerste was het zo dat Jan

“met verloff van de overste, naedat hem hadde tehuis gebragt, weederom nae de wijncoop is gegaen om sigh met andere jonge lieden, volgens de gewoonte op sulcke daegen, te vermaecken. Dat aldaer door vrouwlieden sijnde droncken gemaeckt, als een beest gebonden op de barve te huis is gebragt…”

Wat betreft de klap die Jan de juffer gaf – zij had zelf niet over een dikke wang geklaagd. In de Hoofdwacht was Jan daarentegen bont en blauw geslagen en dat was toch wel “genoegsaem straffe”.

In principe had de krijgraad volgens de advocaat ook niets te zeggen over Jan, omdat hij geen soldaat was en nooit mee op een veldtocht was geweest of wacht gelopen had. Dit was dus een privé-zaak, die overste Sighers als Jans broodheer zelf wel had kunnen afdoen. En als deze kwestie dan toch voor de krijgsraad gebracht moest worden, dan ging het slechts om een “dufslagh”, waar slechts een boete van twee daalders op stond.

De aanklager hoorde het hoofdschuddend aan. Hij gaf toe dat de overste partij in deze zaak was en dat diens getuigenis en dat van zijn dochter eigenlijk niet ter zake konden doen. Maar, het was beslist geen “slag van 2 daelder (…), geschiet door een knegt an een juffer van fatsoen”. Bovendien moest men Jan wel degelijk als soldaat beschouwen, hij stond immers ingeschreven op de rol.

Jan zelf voerde nog aan “door sijn swaere gevangenisse in dese bittere koude voor deese sijn foute van dronckenschap meer als te veel te hebben uijtgestaen”. Hij had de overste wel drie jaar lang trouw gediend en was “in geene herberghe off andere quade plaetsen” , maar met instemming van zijn broodheer “in een eerlijck huis” geweest. Hij kon niet als soldaat beschouwd worden, had immers nooit iets voor het land gedaan. Deze zaak was volstrekt onnodig voor de krijgsraad gebracht. Die behandelde toch ook geen zaakjes van dronken soldaten, die thuis hun eigen vrouw sloegen, “gelijck daegelijx meer als te veel komt te gebeuren”. De krijgsraad kon dan wel bezig blijven! En toch was dat nog veel erger dan wat er tussen Jan en de juffer gebeurd was. Zijn dronkenschap en het slaan vormden een privé-kwestie. Hij had ook helemaal niet de bedoeling gehad om kwaad te doen, en was daar lichamelijk niet eens toe in staat doordat hij ladderzat was. Nee, hij verdiende meer medelijden. Anders was hij ook nooit dronken. In al die jaren dat hij bij de overste had gediend, was dit zijn enige fout,

De aanklager bestreed ook dit. Volgens juffer Sighers was Jan op Nieuwjaarsdag al dronken geweest en had hij zich toen eveneens misdragen. Haar vader vertelde dat er tijdens de veldtocht in Vlaanderen al het een en ander op Jan aan te merken viel. Die dronkenschap was juist een verzwarende omstandigheid, meende de aanklager.

De krijgsraad ging hierin mee en  veroordeelde Jan tot twee maal heen en weer spitsroeden lopen, d.w.z. door twee hagen van mede-soldaten die er dan op los mochten slaan met doorntakken. Maar Jan hoefde rechtskosten niet te betalen, daarvoor achtte de krijgsraad hem te arm.

Naderhand streken de heren Gedeputeerde Staten, die de vonnissen van de krijgsraad konden verzwaren of verzachten, met hun hand over het hart. Jan hoefde nog maar één keer spitsroeden te lopen.

Wel ontsloegen ze Jan uit de dienst, en dat zonder paspoort. Als een potentiële baas hem daarnaar vroeg, had hij dus niets om in zijn voordeel te tonen. Maar van GS hoefde hij evenmin “sluitgelt, montkosten en spitsgarden” te betalen. Die nam de provincie voor haar rekening.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 1 (archief Staten van Stad & Lande) inv.nr. 1350 (sententies GS), die van 7 februari 1698.


De marteldood der Groninger katten

Hendrick van Beaumont, Jongen met kat, 1696. Collectie Rijksmuseum.

“Dokter Braun, die in 1670 professor te Groningen was, beschrijft ons de volgende ceremonie die in 1635, op St. Jans dag, op de markt te Groningen plaats had. Een aantal katten, zwarte en witte, waren sinds dagen heinde en verre opgevangen. Op St. Jansdag hing aan een wip boven een groot vuur een houten kooi vol katten. De kooi werd in en uit het vuur gewipt, zoolang tot al de katten den marteldood ondergaan hadden. Dan dansten de schooljongens onder het aanheffen van geestelijke liederen om en door het vuur. De regeering en vooral de geestelijkheid, woonden dit zuiveringsproces voor heksen en tooverkollen in devotie bij.”

Bron: H. Zeeman, ‘De kat in hare natuurlijke ontwikkleing, zedelijk leven en geschiedenis’, in Androcles, maandschrift aan de belangen der dieren gewijd XIV (1882) pag. 17-28, bepaaldelijk 22.

Commentaar: Sint Jansdag (24 juni), ook wel Midzomer, werd gevierd met grote vuren. Of dat ook in Groningen gebeurde is onzeker, maar in de Martinikerk, de parochiekerk, bewaarde men als relikwie ooit een arm van Johannes de Doper – reden waarom de flankerende straat ook Sint Jansstraat heet – en je zou dus zeggen dat dit feest hier ook bekend geweest moet zijn, tenminste voordat de Reformatie hier in 1594 haar beslag kreeg, maar mogelijk ook nog in de decennia erna.

Maar werden er op Sint Jansdag 1635 ook werkelijk katten op de Grote Markt in Groningen verbrand? Er is maar één getuigenis, namelijk het bovenstaande, en dat moeten we vooralsnog met een korrel zout nemen. Ten eerste vestigde Johannes Braun (1631-1708), ook wel Braunius geheten, zich pas in 1679 (en niet in 1670) als hoogleraar te Groningen. Hoe dan ook zit er 44 jaar tussen het tweedehands getuigenis en de (vermeende) marteldood der katten.

Braunius was bovendien niet onomstreden. Als cartesiaan (aanhanger van Descartes) kwam hij op voor meer religieuze verdraagzaamheid en verschillende malen hebben orthodoxe tegenstanders geprobeerd hem pootje te lichten. Uiteindelijk leidde dat ertoe dat de curatoren van de Groninger academie (regenten van Stad en Lande) een orthodoxe tegenstander boven hem plaatsten. Braunius had dus een appeltje te schillen met politieke bestuurders en vooral de geestelijkheid, en kan dit oude verhaal uit wrok hebben opgedist. Overigens is helaas onbekend in welk geschrift Braunius dat deed. Hij heeft er nogal wat op zijn naam staan, dus het vergt vrij wat zoekwerk met ongewisse uitkomst, om dat te achterhalen.