Eerste Groningse executie met guillotine verliep niet vlekkeloos

Een bloedstollend verhaal van Henk Boels vanavond, bij de jaarvergadering van de cultuurhistorische vereniging Stad en Lande.

Hij vertelde over het gebruik van de guillotine in het Groningen van de Franse Tijd. Tot nu toe was uit literatuur wel bekend dat dit relatief humane Frans-revolutionaire instrument ter voltrekking van de doodstraf hier gebruikt was, maar als incidentele melding, terwijl een uitvoerige behandeling ontbrak.

Uit de Napoleontisch-juridische paperasserij van 1810-1813 viste Boels twee strafzaken die eindigden met een onthoofding door middel van zo’n toestel. Aan de orde kwam vooral de eerste zaak, die van een vrouw uit Gasselternijveen. Zij pleegde een roofmoord (of doodslag met roof) op een pandjesbazin bij het verlaat van Kiel-Windeweer. Uit Boels bij tijd en wijle vermakelijke relaas bleek dat de op Franse leest geschoeide rechtspraak nogal omslachtig te werk ging, met een instructie door een Rechtbank van Eerste Aanleg in Groningen en een Procureur-Generaal in Den Haag, een strafproces bij het Gronings Hof van Assisen met een jury die tot stand kwam door loting uit een groep van 36 hooggeplaatste inwoners, en met meervoudige cassatiemogelijkheden bij de hoogste rechtbank van Napoleons keizerrijk te Parijs.

Hangende een eerste cassatie ontsnapte de al ter dood veroordeelde vrouw uit een krakkemikkig zolderkamertje van het Hof in de Oude Boteringestraat. Toen zij na twee dagen weer was opgepakt, moest eerst weer vastgesteld worden of zij het wel was. De getuigen zeiden allemaal van wel, maar ook tegen die uitspraak kon zij in cassatie gaan. Maar ze rekte er alleen haar leven wat mee, haar lot ontliep ze niet.

Op de Grote Markt stond het zwart van het volk toen die bewuste maandag de Groningse guillotine dan eindelijk voor de eerste maal gebruikt zou gaan worden. Helaas verliep voltrekking van het vonnis niet helemaal naar wens. Ondanks geslaagde proefnemingen vooraf met schapen en lichamen van reeds gestorven boeventuig, bleef het valmes van de guillotine halverwege de hals van de vrouw steken. Dat kwam door heur haar, dat kennelijk niet eerst gekortwiekt of opgebonden was. De scherprechter moest het karwei met de hand afmaken, d.w.z. met een gewoon mes dat hij bij zich droeg.

Het Napoleontische Groningen leek heel even op IS-gebied.


De goeie kant van Bommen Berend

Bommen Berend waagde zich bij het beleg van Groningen in 1672 meermalen incognito in de voorste loopgraven. Toch kregen de Groningerv studenten aan de voorkant van de stadswal daar blijkbaar lucht van, want zij riepen de oorlogszuchtige bisschop van Münster voortdurend maledicta toe:

“De Studenten, welcke sich boven maten dapper queten, en de Wacht in de Fausebray hadden, riepen den Bischop geduerigh seldsame namen toe; welcke hy, in de Loop-graven sijnde, dickmael hoorde, en niet weynigh over deese nieuwe Tytels verstoord wierd. Sijn Officiers vergrimden sich niet minder, en swoeren, datse, in de Stad komende, deesen hoon de Studenten suer souden doen opbreecken.”

Zover kwam het dus niet, want de bisschop moest zijn beleg opbreken. Een aardige anekdote, die ik zo niet eerder gelezen had (las ooit wel iets over spotliedjes op de bisschop, gezongen door dezelfde studenten).

De schrijver van Bommen Berends biografie, waaraan ik het citaat ontleen, had overigens moeite om positieve eigenschappen van de bisschop te ontdekken:

“Maer gelijck deesen Bischop verscheydene gebreecken heeft gehad, soo is hy oock buyten twijffel voorsien geweest met eenige Vorstlijcke Deughden. Wy wenschten, dat ons eenigh eygentlijck bericht hier van ware toegekoomen, om deselve oock ten toon te mogen stellen: Doch sulcks heeft ons tot noch toe niet mogen gebeuren; en derhalven konnen wy met geen gewisheyd daer van spreecken.”

Bron (nieuw in de DBNL): S. de V. (= Simon de Vries), Historisch verhael van ’t leven en oorlogsbedrijf van de heer Christoph Bernhard van Galen (Amsterdam 1679) 208-209 en 290.


Raam met gebrandschilderd glas, ooit geplaatst uit naam van weduwe smid uit Bedum

Waar dit raam met gebrandschilderde ruitjes zich tegenwoordig bevindt, is onbekend. Het zat ooit in de collectie van een tandarts De Maar te Den Haag, welke verzameling in 1996 (deels) onder de hamer kwam.

Een stel correspondenten en ik zouden graag wat meer willen weten over het raam. Allereerst is er een probleem met de transcriptie van de tekst. Deze is zo te lezen:

“Remcke Gerrits die Weduwe van Salighe Jan Nannincks In Sijn Leven Smit tot bedum Anno 1648”

Maar dan blijft er twijfel knagen over de achternaam van de smid. Het zou dus ook Hanninck of Hamminck kunnen zijn. Alle drie de namen komen voor in het Groningerland van de zeventiende eeuw, al moet je de c soms wegdenken (dat de uitgang -in[c]k ook wel ing werd, spreekt vanzelf).

Indien het Hamminck is, zou het kunnen gaan om de Jan [van] Hamminck, die volgens zijn inventaris uit 1648 een huis genaamd Het Wapen van Amsterdam in Groningen bewoonde. Dat huis moet een zekere standing gehad hebben, want er zat nog een “zaal” in, een hoog vertrek met een representatieve functie. In die zaal bevond zich een eiken ingelegde tafel, ook bepaald geen meubelstuk dat iedereen bezat.

Dan de oorspronkelijke lokatie van het raam. Dergelijke gebrandschilderde glazen kwamen zeker voor in particuliere huizen, maar ze werden ook nogal eens geschonken aan kerken of liefdadige instellingen. De vraag is dan in wat voor bouwwerk dit stuk kan hebben gezeten.

Allereerst zal de glazenmaker die het maakte vermoedelijk niet in Bedum hebben gewoond, maar in de stad Groningen. Wie deze maker was, zal wel voor altijd onbekend blijven, maar van dergelijke drieslag-bovenlichten heeft het Groninger Museum enkele latere voorbeelden in zijn collectie.

Qua plaatsing van het raam denk ik aan een gasthuis. Het lijkt op een bovenlicht van een deur. Heeft de smidsweduwe misschien een verbouwinkje in een gasthuis bekostigd, of een nieuw portaal?

Als dat gasthuis zich in de stad Groningen bevond, dan zou je dat moeten kunnen nagaan in de rekeningen van de gasthuizen, zowel aanwezig in de archieven van die instellingen zelf als dat van het stadsbestuur. Voor de onderzoeker is het dan vervelend dat er nogal wat van die gasthuizen zijn geweest, maar de zoekprocedure is te verkorten door eerst achterin de gasthuisrekeningen van 1647-1649 bij de bewonerslijsten te kijken. In die rekeningen kom je in elk geval dezelfde soort calligrafie tegen als op het raam.

Met dank aan Sneuper Dokkum.

Bijkomende bronnen:

  • Johan de Haan, Hier ziet men uit Paleizen (diss. Nijmegen 2005) 142 en noot 482 op p. 526.
  • RHC Groninger Archieven, rechterlijke archieven III (stad) oude orde J deel 2, folio 225.

Saluutschoten trillen huis kapot

Toen de stad Groningen in augustus 1773 prins Willem V een week lang op bezoek kreeg, een week waarin ook de verjaardag van diens gemalin prinses Wilhelmina zou worden gevierd, stond zij bol van het feestgedruis. Niet iedereen echter, kon er louter met plezier op terugkijken.

De prins, de prinses en hun gevolg werden buiten de Apoort bij het Hoendiep ontvangen. Terwijl zij en de gastheren na de welkomstceremonie in koetsen de Apoortenboog (= Abrug) passeerden, begon achter de stoet bij de Apoortendwinger een omvangrijk saluut van kanonschoten. Vanaf die dwinger ging dat saluut met de zon mee: na de kanonnen bij de Apoort waren die bij de Kranepoort aan de beurt en zo ging dat verder tot alle 51 kanons op de stadswallen waren gelost. En dit gebeurde niet één keer, niet twee keer, maar wel drie keer, steeds op een startsein vanaf de Martinitoren.

In de stad moet dat een merkwaardig audioeffect hebben gegeven, die wave van gebulder in de rondte. Naderhand echter, dienden Pieter Bijmholt en zijn vrouw Aafke Jans een verzoekschrift in bij Gedeputeerde Staten. Zij woonden buiten de Apoort en memoreerden

“hoe onlangs ter occasie der blijde en heuchelijke komst van zijne Doorl[uchtigste] Hoogh[eid] den Heere Ervstadhouder door het iterative lossen van het canon van de stadswallen der suppl[ianten] wooninge zeer is beschadigt, zodat thans in groot gevaar in het zelve logeren, alwaarom de suppl[ianten] daardoor in de noodzakelijkheid zijn gebragt, om derzelven behuizing wederom eenigsins te moeten herstellen…”

Ze waren beiden oud en zwak en “in weinig omstandigheden van verdienste”, vertelden ze. Daarom vroegen ze GS om een schadevergoeding. “opdat in staat zijn hunne behuizinge wederom te kunnen behelpen”.

De heren erkenden hun verantwoordelijkheid en reageerden positief op dit verzoek, want kamerbewaarder Gout kreeg opdracht 5 ducatons aan het bejaarde echtpaar uit te tellen ter compensatie van de schade die het kanongebulder aangericht had. Hoe groot de schade werkelijk bedroeg en of de som van omgerekend bijna 16 gulden toereikend was, melden de stukken niet.

Bronnen: RHC Groninger Archieven, Toegang 1 (archief Staten van Stad en Lande) inv.nr. 197, de akte van 17 juni 1777 (opzet van het rondzingende saluutschotenproject) en inv.nr. 445 (rekesten) waarbij ik helaas de datum vergat te noteren (ergens in het najaar).

D


Beurtschippers in de fout

In 1773 werd Philippus Coenraads (73) betrapt. Hij was geboren in de stad Groningen, maar woonde even over de Drentse grens in Paterswolde. Al zo’n 26 of 27 jaar was hij, naar eigen zeggen, vrachtschipper van Paterswolde op Groningen geweest. Op vrijdag 16 april kwam hij met zijn schip, waarop zijn zoon met hem meevoer, over het Hoornsediep tot vlakbij de stad gevaren, toen het – zeg maar ter hoogte van het huidige Cascadeplein – werd aangehouden door enkele Landsbedienden.

Of Coenraads iets aan te geven had? Nee hoor! De Landsbedienden geloofden hem niet, lieten hem aanleggen, kwamen aan boord, doorzochten het schip en vonden twee zakken met samen de aanzienlijke hoeveelheid van 100 pond snuiftabak, en nog een zak met 10 pond gesneden rooktabak. Er zaten niet, zoals gebruikelijk, labels met afzender en adressanten aan de zakken. Of Coenraads wist wie al die tabak aan boord gebracht had? Nee, dat zou hij niet weten. Of hij dan wist wie het in de stad zou komen afhalen? Nee, ook dat was hem onbekend. Intussen riep zijn zoon naar een man die achter het schip aan had gelopen, ene Harm Harms Broer uit Paterswolde, of die misschien het aangiftebewijs voor de tabak bij zich droeg? Nee, riep Broer terug, dat papiertje bevond zich bij het belastingkantoortje in Haren.

De Landsbedienden, van het vasthoudende soort, stuurden iemand naar Haren om daar navraag te doen. Die kwam weerom met de mededeling dat er in Haren geen Harm Harms Broer was geweest om tabak aan te geven. Conclusie: de vanuit Drenthe ingevoerde tabak kon op geen enkele manier worden verantwoord. Daarom werden Coenraads en zijn zoon aangehouden. De zoon echter, sprong subiet in het Hoornsediep, zwom naar de overkant en ontkwam zo naar Drenthe.

Het schip werd uiteraard opgelegd en de smokkeltabak in beslag genomen. Nadat de vader vanuit herberg De Slingerij, waar hij eerst werd vastgezet, overgebracht was naar de provinciale gevangenis, verhoorde de fiscaal (aanklager) hem. Philippus Coenraads beweerde dat hij weinig van de zaak afwist omdat hij het schip aan de bij hem inwonende zoon Roelf Philippus had overgedragen. Reden voor de heren van de provincie Stad en Lande om hun Drentse collega-bestuurders “vriendnabuirlijk” om uitlevering van de zoon te verzoeken, teneinde “de waare geschapenheid van zaaken te kunnen ontdekken”. Eind mei bleek dat de Drentse heren het Groninger verzoek van de hand wezen, omdat ze wettelijk geen Drentse ingezetenen mochten uitleveren “bij delicten die in Drenthe door geldboetens kunnen worden gezuivert”. Vandaar dat GS van Stad en Lande Roelf Philippus per “edictum ad valvas” indaagden. In zo’n geval kwamen er overal aanplakbiljetten te hangen, met het verzoek aan de zondaar om zich vrijwillig te komen melden.

Dat gebeurde niet. Wèl diende de vrouw van Roelf Philippus, Aaltje Jacobs, medio juni een rekest in, waarin ze bevestigde dat de smokkelwaren “door haar man buiten schuld van zijn vader in het schip waren ontfangen”. Uit hoofde van “haare bedroefde en sobere omstandigheden met zeven kinderen” vroeg ze om de vrijlating van haar schoonvader, opschorting van de procedure tegen haar man, en een schikking.

Hier hadden de Groninger heren wel oren naar. Als Aaltje en haar man, naast de proceskosten, een boete betaalden van maar liefst 250 gulden (bijna twee jaarlonen), dan zou GS van Stad en Lande hun schip weer vrijgeven en de zaak afdoen met een vonnis waarbij Philippus Coenraads louter het voorarrest als straf zou worden opgelegd.

Aldus gebeurde, al gingen er wel enige weken overheen voordat Aaltje en haar man het bedrag bij elkaar hadden. Na twee maanden gevangenschap kwam hun vader op vrije voeten. Wegens diens hoge ouderdom streken de Groninger heren de hand over het hart, zo zeiden ze in het vonnis. Philippus Coenraads kreeg nog wel de ernstige waarschuwing voortaan niet weer te smokkelen, of dat er anders heel andere maatregelen zouden worden genomen.

Bronnen: RHC Groninger Archieven, Toegang 1 (archief Staten van Stad en Lande), de inventarisnummers

  • 1352 (sententiesboek GS) het vonnis d.d. 23 juni 1773;
  • 195 (Actenboek GS) resoluties d.d. 16, 17, 27 april, 26 mei en 22 juni 1773;
  • 418 (uitgaande missives) 29 april 1773;
  • 236 (ingekomen missives) 22 mei 1773.

Deze tekst is aangevuld met de procesvoering tegen de zoon en daarmee herzien op donderdag 9 maart 2017.


Met een revolver voor de kansel

Hoorde een verhaal over de Vrijmaking in de stad Groningen en hoe de synodale en de vrijgemaakte gereformeerden elkaar na de oorlog de Noorderkerk betwistten. Dat ging zelfs gewapenderhand: op een zondag stond een fanatieke partijganger onder de kansel, om de onwelgevallige predikant van de andere kant er vanaf te dwingen.

Bijbels kan je dat toch niet noemen. In de bijbel staat immers: hebt uw vijand lief en keert hem, als hij u op uw ene wang sloeg, uw andere wang toe. Een bijbels levend persoon zou zich dus lankmoedig moeten betonen: als mijn vijand zo nodig de kerk wil hebben, laat hem maar, ook al heeft hij er het recht niet toe.

Uiteindelijk stond een gang naar de civiele rechter natuurlijk wel vrij. Dat is destijds ook overvloedig gebeurd, het ging dan vaak over kerken die nu – net als de Noorderkerk – allang buiten gebruik zijn. Vaak ging zo’n proces tot de hoogste instantie door. Midden jaren 50 had de Hoge Raad het er maar druk mee. Er schijnt een hele jurisprudentie te zijn over het eigendomsrecht op gereformeerde kerken.

Heb het verhaal overigens nog niet kunnen verifiëren. Maar: se non è vero, è ben trovato.

 


Achtste wereldwonder

img856-blog