Meineed (2)

Volgens een bepaling, anno 1505 toegevoegd aan het Groninger Stadboek (boek IX art. 42), stond in de Stad precies dezelfde straf op meineed, als een eeuw later nog in de Ommelanden:

Wel staat in deze bepaling het bedrag waarvoor de bewezen meineedpleger zijn vingers houden kon: 50 Rijnse goudguldens. Zo’n goudgulden deed zelfs in de achttiende eeuw nog een gulden en 8 stuivers, vijftig van die dingen waren dus 70 gulden waard, in de achttiende eeuw een half jaar loon voor een oppassend werkman.

Mij staan geen voorbeelden bij van stadsburgers die wegens meineed zijn veroordeeld, maar misschien vind ik die nog terug in mijn oude notities. Wel trof ik in mijn digitale bestanden een onderaannemer Jan Dorenbos aan, die op 9 augustus 1725 werd berecht door Gedeputeerde Staten van Stad en Lande, omdat hij het als gemachtigde van belastingpachters op een akkoordje had gegooid met een fraudeur. Dorenbos gaf de fraude niet door, maar ontving daarvoor geld van de fraudeur, zodat hij niet alleen de pachters benadeelde, maar zich ook schuldig maakte “an eenen swaeren meijneedts”. Van de heren gedeputeerden mocht Jan zijn vingers houden, maar ze verbanden hem wel voor twee jaar uit de provincie.

Advertenties

Lof der visbanken

C.A. Last, De Visbanken bij de Hoge der A, ca 1850-1860. Detail uit litho. Collectie RHC Groninger Archieven 1536-3869.

Het gaat niet goed met de vishandel in Groningen. Menige kraam is gesloten en nu heeft ook de laatste gespecialiseerde viswinkel in het stadscentrum het loodje gelegd.

Nee, dan de achttiende eeuw. Toen onze stadsdichter het niet beneden zijn stand achtte om de lof te bezingen van de lokale visbanken: een overdekte markt speciaal voor vis op de driehoek grond bij de Vissersbrug. Op welke locatie de Zoutkamper vissers ook hun korven op de kade brachten, waar ze door een speciale veilingmeester, de visschrijver, werden afgeslagen en verkocht aan de visverkopers, naar ik meen meest vrouwen:

Nu ben ik aan Ter A, daar schepen vol van visschen,
Zoo levendig uit zee versieren onze disschen,
Den vetten kabeljauw, en schelvis vol van kuit
En lever, schreeuwt men hier met grove kelen uit
Ziet daar een gansche rij eens roepen als aan ’t hollen:
Wie wil er tarbot, tonge of levendige schollen,
Wie nieuwen haring, die van allerhande vis
De kroon spant, wijl ze uit zee eerst aangekoomen is…

Volgens mij ziet het dichterlijke lijstje vissen er wel wat anders uit dan het lijstje met meest gegeten vissoorten van vandaag de dag, te weten haring, zalm, tonijn en kabeljauw. De schelvis is nu een kwetsbare soort die allengs minder in de vorm van lekkerbekjes wordt gegeten en de platvissen zijn helemaal uit het populairste marktsegment verdwenen. Bij de Wichter, een onlangs helaas verdwenen viskraam in Hoogkerk, kon je ze bijvoorbeeld niet meer krijgen. Platvis is nu meer iets om in een restaurant te eten – scholletjes, best lekker hoor, maar niet uit de eigen keuken.

Bron van het citaat: Quintyn Pabus, Lof der Stadt Groningen (1741) 43-44.


Ploegfilm

Buddy Hermans – De Ploeg 1918-1928, een explosie van kleur:


De terechtstelling van Okke Kluun, zoals gezien door een ooggetuige

Van de ophanging van Okke Kluun op 12 april 1838, de laatste openbare voltrekking van de doodstraf in Groningen, blijkt een ooggetuigeverslag te staan in de herinneringen van de Scheemder predikant U.P. Goudschaal (pag. 59-60):

Eenmaal heb ik op de groote markt de voltrekking der doodstraf van iemand mede bijgewoond, die te Uithuizen, naar mij voorstaat, om ƒ 28 eene vrouw had vermoord. ’s Middags te 12 uur zou de levensdraad van dien misdadiger op de groote markt door de koord worden afgesneden. Ik huiverde er tegen, om zulk een akelig schouwspel te zien, maar door een onverklaarbare zucht naar ’t vreemde, buitengewone en akelige gedreven, ging ik toch. De groote markt was opgevuld met menschen, en achter de vensters en op de stoepen der huizen verdrong men elkander. Daar kwam men op een wagen met den delinquent aan, die bij het zien van ’t schavot een raauwen gil gaf. Weldra had hij het beklommen, en werd zijn vonnis voorgelezen aan ’t volk, dat er niets van verstond, en dat alle gedachten had bij dien ongelukkige, wiens levensdraad zoo zou worden afgesneden. Ziet! met den beul, die die taak zal verrigten, beklimt hij de roode, en tamelijk hooge ladder. De strop wordt hem om den hals gedaan, met een ruk wordt hij er afgestooten, daar zweeft hij tusschen hemel en aarde, en hangt zoo na eenige struiptrekkingen als lijk tot des namiddags 3 uur toe.

Naderhand zeiden de Groningers, als iemand geluk had gehad: “Doar bist beter oafkomen as Okke Kluun.”


Walburgprent

Walburgkerk Groningen, anonieme tekening, ca. 1718. Collectie Utrechts Archief.

Trof hedenmiddag in de beeldbank van het Utrechts Archief deze charmante tekening van de Groninger Sint Walburgkerk aan. Eerst denk je: “Ha leuk, een uniek ding!”, maar dan kijk je in de Beeldbank Groningen en zie je alras dat er toch meer afbeeldingen van dat gebouw zijn dan gedacht.  Bovendien was de Walburgkerk in 1718 al bijna een eeuw “niet meer in weesen”, zoals het onderschrift zegt,

Waarschijnlijk is de tekening gemaakt naar een ets uit 1711. Dat was dus om te oefenen. Ze staat ook op de achterzijde van een tekening van kasteel Ruwiel, terwijl de verzamelaarsmap waar het gezamenlijk vel papier zich in bevindt, Utrechtse kastelen als thema heeft. Het later gemaakte kasteel was dus belangrijker dan het Walburgprobeersel. Het handschrift onder de tekening doet me overigens denken aan dat op de prenten van Andries Schoemaker, iemand die ook graag monumentale gebouwen naar oudere prenten tekende.

De Walburgkerk op het Groninger Martinikerkhof – in de ronde kern van een karolingisch-ottoons model en kort na 1100 gebouwd – was in de vroege middeleeuwen de kapel van de bisschop van Utrecht in Groningen. De Martinikerk is altijd de parochiekerk geweest.


De Hovenier van des Stadhouders Tuin zijn pligt onder ‘t oog gebragt’

Gehoort het rapport der Heeren Gecommiteerden tot de zaaken van de Stad en het Hunsingo Quartier dat ingevolge en ter voldoening aan de acte commissoriaal in dato den 29 Januari jongst de Hovenier van des Stadhouders Tuin Haje Jans verstaan hebben over en ter zake dat de tuin niet naar behoren wiert opgepast en onderhouden, met last om zodra dezelve behoorlijk afgezet en in order zal zijn gebragt, zorg te draagen dat daaromtrent geene klagten gehoort worden, ofte dat bij faute van zulks daarin tot zijn leedweezen zal worden voorsien, waaraan gemelde Hovenier belooft heeft stiptelijk te zullen gehoorzaamen.

Waarop gedelibereert zijnde, hebben de Heeren Gedeputeerden de Heeren Gecommitteerden voor hunne genomene moeite bedankt en in het gedane rapport genoegen genomen; zullende hiervan extract aan den Hovenier Haje Jans worden toegezonden, teneinde zig daarnaar stiptelijk te reguleren.

Bron: Groninger Archieven, Toegang 1 (archief Staten van Stad en Lande) inv.nr. 203 (actenboek GS) notitie d.d. 11 februari 1789. (Bijvangst.)

Anders gezegd: er waren klachten geweest over de hovenier van de Prinsenhof, die de boel zou hebben verslonst. Maar blijkbaar zochten Gedeputeerden niet alleen de schuld bij hem. Ze kondigden een investeringsprogramma aan, om de tuin weer toonbaar te maken. Zodra dat het geval was, wilden ze geen klachten meer horen over de hovenier en anders zou hij er flink spijt van krijgen. De hovenier beloofde inderdaad beterschap, maar hij zou een en ander nog wel zwart op wit toegestuurd krijgen..


De blekers en hun honden

In de achttiende eeuw bevonden zich enige bleekvelden onmiddellijk buiten de Oosterpoort oostzijde langs de stadsgracht, daar waar nu nog het Cultuurcentrum staat. De exploitanten van deze bleekvelden, de blekers, wasten en droogden linnengoed voor beter gesitueerden. Hun nering was onzeker door de zesjarige pachttermijnen, door perioden van gebrek aan klandizie en door overstromingen vanuit de stadsgracht en het Winschoterdiep. Meer hierover een andere keer. Nu eerst iets over nog een ander probleem waarmee de blekers kampten en het wapen dat ze tegen dat probleem plachten in te zetten.

Dat probleem vormden de vele diefstallen waarvan blekers het slachtoffer werden. Daarbij moeten we bedenken dat de primaire levensbehoeften toentertijd veel duurder waren dan tegenwoordig. Dat gold zeker voor linnengoed, allemaal nog handwerk, een product van spinnen, weven en naaien. Dat linnengoed lag bovendien voor het grijpen op de relatief open, hooguit met heggen afgeschermde bleekvelden. Eventueel pakte men een stok om het spul over een heg naar zich toe te halen.

Blekers buiten de Oosterpoort en het Kleinpoortje werden o.a. op die manier meermalen het slachtoffer en zelden werd er een dader gepakt. Het was zelfs zo dat een bleker moest uitkijken om niet zelf van diefstal beschuldigd te worden. Dat overkwam Derk Bos, bleker buiten de Oosterpoort, die in 1747 door een klant ervan werd beticht dat hij vier hemden, tien neteldoekse doeken en 24 stukken kleingoed had ingepikt. De kwestie werd uiteindelijk geschikt, maar kan onmogelijk in Bos’ kouwe kleren zijn gaan zitten. Het was een dieptepunt in zijn carrière, zeg maar.

De gelegenheid maakte ook toen al de dief en de stadsoverheid zag erop toe dat men niet al te gemakkelijk gelegenheid gaf: linnen dat al te dicht bij de weg over een heg hing, werd onverbiddelijk in beslag genomen. Van hun kant deden de blekers er ook alles aan om diefstal te voorkomen. Zo vroegen de gezamenlijke blekers van de stad Groningen in 1795 om gespaard te mogen blijven voor inkwartiering van Franse troepen omdat ze toezicht moesten houden op de spullen, die hen waren toevertrouwd.

Mocht hiermee de schijn gewekt zijn dat ze dat toezicht louter in hoogst eigen persoon uitoefenden, dan is een rechtzetting op haar plaats. Want de blekers stonden bekend om hun grote, bijtgrage honden. Zo vroegen de Groninger blekers in 1638 aan het stadsbestuur of ze hun honden overdag los mochten laten. Dat mocht niet, ze moesten deze aan de ketting leggen “tot voorkoming van onheilen”, en anders kregen ze een boete.

In 1641 hielden enige blekers zich niet aan deze regel. Hun honden veroorzaakten een dermate grote schade op een hof (siertuin) dat het stadsbestuur bepaalde dat de slachtoffers in het vervolg zulke honden desnoods mochten doodslaan of vergiftigen. Maar ondanks zulke maatregelen waren er in de achttiende eeuw nog regelmatig klachten over blekershonden. Zo pakten deze in 1753 een vrouw, beten ze in hetzelfde jaar een twaalftal schapen dood en in 1772 een 40 à 50 stuks pluimvee. Tussen die wanbedrijven door, in 1764, was er nog een geval waarbij een bleker iemand met zijn honden bedreigde.

Toen in 1807 hier ter stede de hondenbelasting werd ingevoerd – twee gulden per hond per jaar in twee termijnen – waren de gezamenlijke blekers uit de stad, waaronder Sicke Thies Sickens van buiten de Oosterpoort, er ook als de kippen bij om vrijstelling te verzoeken. Ze konden weliswaar begrip opbrengen voor het argument van het stadsbestuur dat honden in de regel een soort van weelde vormden en dat alleen de meer gegoeden honden bezaten, maar ze zagen zichzelf als een duidelijke uitzondering op deze regel. Want, zo voerden ze aan, zonder hun honden bestond er een “zeker gevaar van dieverij”,

“daar men toch gemakkelijk kan vooruitzien, dat wanneer zij deeze trouwe wachters verwijderden de door een groot aantal ingezetenen aan hun vertrouwde goederen zeer schielijk een prooi van den roofgierigen dief zouden worden”.

Ja, het was onmogelijk die honden weg te doen zonder tegelijkertijd gedag tegen de kostwinning te zeggen, want vervanging van de honden door mensen zou de bleektarieven dermate doen stijgen dat de bleekmarkt zou inzakken.

Helaas voor de blekers kregen ze nul op hun rekest. De tweede termijn van de hondenbelasting, die van januari 1808, leverde overigens 504 gulden op, waaruit we mogen opmaken dat er hier in Groningen slechts 504 geregistreerde honden waren, inderdaad een luxe.

Nu was de blekersnering zeker geen vetpot. De blekers hadden het niet breed – als ondernemers met een gering bedrijfskapitaal behoorden ze tot de kleine middenstand. Hun weinig beduidende positie op de maatschappelijke ladder roept nog de vraag op hoe de blekers het voor elkaar kregen om hun grote, geduchte honden van voedsel te voorzien.

Welnu, ook daarover is wel iets bekend. In 1754 was er een rechtzaakje over de grote hoeveelheden “gedarmte en andere vuijligheijdt van slagters komende”, die Jan Remmerts, bleker buiten het Klein Poortje, voor zijn hondehok placht te deponeren, waardoor zijn buurman, de scheepstimmerman en hellingbaas Anthonie Jans van Bergen en diens knechten

“dagelijks seer veel ongemak moesten ondervinden, insonderheijdt wanneer de windt west is, soo dat van stank daar door gecauseert niet konnen alsdaar verblijven”.

Anthonie Jans wilde dat Jan Remmerts het spul zou verwijderen, mede omdat Remmerts het vroeger altijd op het andere eind van zijn bleek had gelegd. Remmerts echter, voelde daar weinig voor. Hij moest immers, zo zei hij, jaarlijks “groote lasten en swaerigheden” voor zijn stadsgrond betalen en bovendien was hij verplicht om zijn zeven (!) honden aan de ketting te laten liggen, zodat hij wel gedwongen was om ze juist op die plek te voederen. Anthonie’s bewering als zou het slachtafval eerder elders hebben gelegen, waren wat Jan Remmerts betreft maar “blote segswoorden” – Remmerts kon anders ook wel over Anthonie’s “secreet” (plee) gaan klagen, “waar uit ook niet als stank komt”, maar ging daar “uit genegentheijdt” liever aan voorbij.

Na ter plaatse poolshoogte te hebben genomen stelden de Heren van de Kluft, de scheidsrechters in dit soort burenruzies, de bleker min of meer in het gelijk, dat wil zeggen hij mocht zijn honden op dezelfde plek blijven voeren, al diende hij bij de aanvoer wel enige matiging te betrachten: zou Remmerts bij uitzondering nog eens “dusdane voedsel (…) komen opmennen en ansleepen”, dan zou het stadsbestuur op een klacht van Anthonie andere maatregelen nemen…

Bleef het bij kleine hoeveelheden slachtafval dan was dat dus tot daar aan toe. Maar het kon nog erger. Vijftien jaar eerder, in juni 1739, kwam er bij het stadsbestuur een klacht binnen van de buren buiten de A-poort, van inhoud dat de weduwe Albert Alberts, de aldaar woonachtige bleekster, haar honden voedde door ze kadavers van o.a. paarden voor te zetten, “waar door dusdanig somwijlen de lugt is geïnfecteert dat er bijna geen mensch kan duiren”. Het stadsbestuur verbood vervolgens aan àlle blekers, dus niet alleen die van buiten de A-poort, om nog langer kadavers op hun bleken neer te leggen. De kadavers die er op dat moment al lagen moesten ze direct begraven; lieten ze dit na dan kregen ze een boete van twaalf gulden.

Ondanks die lang niet malse boete – ongeveer een maand loon voor een gewone arbeider – was dit niet de laatste klacht over kadavers op een bleek. Zo kregen de vroede vaderen van onze stad in juni 1795 (alweer vlak voor de hondsdagen!) de melding dat er op een van beide bleken buiten de Oosterpoort en het Kleine Poortje een plaats was aangelegd waar de Fransen hun zieke paarden mochten laten afmaken. Het stonk er soms zo erg, dat de werklui op de bovengenoemde scheepswerf, dan van de weduwe Van Bergen, het niet konden uithouden.

Hoe schoon het linnen ook werd door toedoen van de blekers, helemaal fris rook het in hun omgeving niet altijd.

Verhaal, eerder verschenen in De Oosterpoorter van 199? en nu ontdaan van Ventura-tags en opnieuw geredigeerd.