‘Verplaatsbare landhuizen’ uit Helpman

Tegenwoordig hebben ze het veel over ‘Tiny Houses‘ en hoe die een revolutie in de woningbouw zouden kunnen vormen. Nochtans is er weer eens niets nieuws onder de zon. In 1918 adverteeerde J. Tmmer & zonen in het innovatieve Helpman al met verplaatsbare landhuizen van eenzelfde kleine formaat:

Bron

Overigens maakte de fabriek van Timmer ook prefab-werkplaatsen en -woningen in asbest-cementplaten, “alles naar eigen of naar opgegeven teekeningen.

Het bedrijf bestond van 1910 tot 1998.

Advertenties

Omzet, goodwill en pacht van de Raadskelder

Café-Bar de Raadskelder, op de hoek van de Carolieweg en de Gelkingestraat, had in 1977 een omzet van ƒ 160.000 per jaar. Het horecabedrijf werd verkocht als “een gezellige en nette zaak”, met een bar, diverse zitjes en een dansvloertje. Voor de “prima inventaris” en de goodwill moest de gegadigde ƒ 60.000 gulden neertellen en de huur zou 1300 gulden per maand bedragen, maar stond voor vijf jaar vast.

De Raadskelder lag natuurlijk niet op een A-locatie, eerder een B: de Gelkingestraat had inmiddels wel zo’n beetje afgedaan als (ruige) uitgaansbuurt. ’s Zomers overdag zal het café met zijn terrasvergunning wellicht wat extra omzet hebben gedraaid van winkelend publiek, maar daar staat de wat mindere aantrekkelijkheid van een zaak onder straatniveau tegenover. Al met al denk ik dat het om een voor Groningen redelijk gemiddeld bedrijf ging, min of meer representatief voor de bedrijfstak in deze stad.

Reden om deze cijfers hier mede te delen. Over de zakelijke kant van (historische) horeca is immers maar heel weinig bekend.

Bron: Groninger Archieven, Toegang 2303 (archief Savante/Dikke Trui) inv.nr. 142 (correspondentie) brief Vogelzang horecabemiddeling van oktober 1977.

 


Op visite in het Scholtenhuis

Interieurfoto’s van het optrekje van W.A. Scholtenaan de oostzijde van de Grote Markt, 1918, aangetroffen in een overzichtje van het oeuvre van de Groninger (binnenhuis)architect P.M.A. Huurman:

– Entree woonhuis met licht van boven:

– Hal (met twee soorten marmer aan de muur en een palm die in de mode was):

– Eetkamer gezien naar de schouw met Delftsblauwe tegels:

– Eetkamer, de andere kant op. Het tafelkleed lijkt half versleten, daar waren de bewoners vast aan gehecht:

– Boudoir of kamertije bij de slaapkamer van de vrouw des huizes:


Naar Essen geweest om de opgraving te zien

Gister was er Open Dag van de opgraving op het voormalige kloosterterrein van klooster Yesse te Essen, tussen Haren en Groningen. Anders dan voorgaande jaren zijn er nog geen spectaculaire vondsten gedaan, zoals loden zegels (bullae) van de paus. Misschien dat daarom de belangstelling tegenviel? Op grondsporen alleen komt men niet zo snel af.

Bij mijn aankomst waren de professionals, studenten en meewerkende vrijwilligers aan het schaften:


In een soort loopgraaf kwam het graf van een rund tevoorschijn. Nu begroef men runderen alleen bij besmettelijke ziekten (anders werden ze wel opgegeten). Gevalletje veepest of miltvuur?

De lange loopgraaf bood zicht op een lemen vloer, een brandlaag, teelaarde van toen het klooster er nog niet stond en de ondergrond van geel zand:

Archeoloog laat scherf zien aan zijn dochtertjes:

De mannen van de grove zeef. Er werden wat noppen aangetroffen van een noppenbeker, een duur stukje serviesgoed:

Het intekenen van een keienlaantje:

De laatste werkput, met zo te zien vrijwilligers:

Er leek een vloertje in zicht:


Wintertijd en zomertijd in Stad

In hartje winter, tussen half en eind januari, gingen de stadspoorten ’s avonds om 17.00 uur dicht, zij het eerst op het klinket. Tegen betaling van een luttel poortgeld liet de poortier je nog tot 21.30 binnen, daarna kwam de definitieve poortsluiting die tot ’s morgens 5.00 uur duurde. In de winter kwam je dus zonder duiten 12 uur per etmaal de poort niet in.

Hartje zomer, tussen half mei en half juli, ging de poort veel later op het klinket, pas om 21.00 uur. Om 22.00 uur kwam je er niet meer in wegens poortsluiting. Die duurde dan echter maar tot 4.00 ’s morgens. In de zomer kwam je dus zonder duiten 7 uur per etmaal de poort niet in.

Bron: Resolutie Burgemeesteren & Raad van Groningen 8 oktober 1774.


De Stad, haar wallen, de molens en de wind

Zo van 1620 tot 1875 telde de stad Groningen 17 dwingers in de stadswal. Volgens de kaart van Haubois (ca. 1640) gingen die in 12 gevallen (dus de grote meerderheid) vergezeld van standerd- of roggemolens. Haubois tekende deze allemaal met het gevlucht naar het noordoosten – op zijn kaart waait een wind zoals we die momenteel ook hebben.

Van deze standerdmolens is wel ongeveer bekend, wanneer ze verdwenen zijn. Ik ga ze vanaf het noorden kloksgewijs langs, om wat bijzonderheden te melden, waarbij ik het jaar dat zo’n molen verdween – veelal door plaats te maken voor een bovenkruier – ontleende aan het artikel van Bob Poppen.

Op een podium of molenberg aan de binnenkant van de Boteringedwinger, met de sarrieshut aan de voet. Deze standerdmolen werd als laatste als laatste gesloopt, in 1784:

Precies zo’n situatie tref je aan bij de Ebbingedwinger, waar de standerdmolen al in 1703 weggehaald werd:

Bij of in de drie dwingers tussen de Ebbinge- en de Poeledwinger, aan de oostkant van de Stad, had je volgens Haubois geen molens, waarschijnlijk omdat deze locaties zich bevonden in de windschaduw of lijzijde van de stad. Een van die dwingers, de Jacobijner-, diende als militaire executieplaats. De volgende standerdmolen vinden we pas in de Poeledwinger. Deze verdween voor 1733:

Bij de zuidoostelijk gelegen Steentildwinger stond weer geen molen. Maar bij de Drenkelaarsdwinger heb je weer de molenberg aan de binnenkant van de dwinger met de sarrieshut aan de voet van de molen, die in dit geval voor 1694 het veld ruimde:.

Van de standerdmolen bij de Oosterdwinger is onbekend wanneer deze plaats maakte voor een ander molentype:

Ik denk echter dat we daarvoor kunnen afgaan op die van de Heredwinger, welke verdween in 1672, bij het beleg door Bommen Berend. In deze dwinger zie je ook een waterdobbe, en waslijnen van een bleker:

De Oude Rondeelsdwinger aan de zuidwestkant van de stad, waar de meestal heersende zuidwestenwind de grootste kracht had, was een van de twee dwingers met meerdere standerdmolens. De ene stond zoals gewoonlijk aan de binnenkant en de andere in het midden van de dwinger. Dat laatste was een unicum. De ene molen verdween al voor 1643, de andere pas in 1759:

Overzien we nog even de standerdmolens aan de zuidkant van de stad, dan blijkt dat die hier vergelijkenderwijs het vroegst verdwenen zijn. Dat zal samenhangen met het beleg van 1672, maar ook met de ophoging van juist deze wallen in de jaren 1690 – hier lagen ze op de niet onder water te zetten hondsrug. Juist op deze wallen was het beleg ook geconcentreerd geweest.

Eveneens in het zuidwesten: de Marwixdwinger – de standerdmolen hier verdween in 1731

Terwijl die in de verder lege A-dwinger voor 1771 plaats maakte:

Twee standerdmolens staan er weer aan de binnenkant van de westelijke Kranedwinger, met opnieuw een waterdobbe in de dwinger zelf. Waarschijnlijk moest deze ook bluswater leveren, als een molen droogliep en in brand vloog. Deze molens werden vrij laat gesloopt, namelijk voor 1778, en voor 1781. Let ook eens op het grote schip (een fluit?) dat niet door de waterpoort kan en daarom buiten de stad in het Reitdiep ligt, naast de Kranepoortenbrug::

Bij de Reitdiepsdwingers zien we een standerdmolen die voor 1743 verdween. Deze stond onmiddellijk bij de Westindische werf, als je goed kijkt zie je er ook wat scheepstimmerlui bezig met hun bijltjes:

En weer helemaal terug in het noorden, tot slot, de standerdmolen in de Jatsdwinger, vlakbij een afgeschermd arsenaal in de dwinger zelf. Omstreeks 1700 verdween deze molen.

Enkele conclusies na deze rondgang:

  • Bij de oostelijke wallen zaten de minste standerdmolens. Verder had je er in totaal 14 in 12 van de 17 dwingers staan.
  • Bij de zuidelijke wallen verdween dit molentype het eerst, al in de zeventiende eeuw, dankzij het beleg en de versterking van deze wallen nadien.
  • Op de plekken waar de wind uit de overheersende richtingen, namelijk zuidwest en west, de omwalde stad binnenkwam, verdubbelde het aantal molens in sommige gevallen.

Grafschrift voor de kleine grauwe in het Euvelgunnerland

We kunnen helaas weer een grafschrift schrijven! Op de wandeling bij Groningen langs het Winschoterdiep kon men de kleine grauwe zien staan in de sappige groene weiden van het Euvelgunnerland; dapper en taai zwaaiend met de lage wieken in den buiïgen wind onder de geweldige Noorder-wolken; grijs en stil droomend bij zijn tochtsloot in zomeravondnevel en mist, of zwart en armelijk gedoken in een oneindigheid van sneeuw maar altijd met de dunne „taille” en het zware „hoofd’ van de echte „standerd-molen”, een mooie, eenzame figuur in de vlakte.

Zijn leven is nu uit. De trouwe vechtersbaas is sedert begin November verdwenen, als zoovelen. Zijn portret geven we hier nog. Heel ver achter hem rijst de Martini, die eens zelfs vele „standerd-molens” op de „dwingers” van de omwalling beneden zich zag.

Bron: Het Noorden in woord en beeld, jrg 1 (1925-1926) nr. 36, 4 december 1925.