Brand op de Martinitoren, 1822

GRONINGEN, den 8 Maart. (Extract uit een particulieren brief.) “Deze nacht was een nacht van schrik en ontroering. De bliksem sloeg hedenmorgen tegen half vijf ure bovenin den pijnappel van St. Martens toren, welke begon te vlammen. Er waaide een hevige storm; stukken vuur vlogen door de lucht tot buiten de Steenstilpoort, bij de molens. Het gesmolten lood-, dat als een regen in den pijnappel droop, belette ieder in het eerst om bij het vuur te komen; evenwel was een gevangen soldaat, hiertoe losgelaten, de eerste met eenen zeeofficier, die boven kwamen en het brandende hout afbikten; doch door den vreesselijken wind konden zij den brand niet meester worden, dan nadat het werk, daar de spil in zat, waaraan het paardje draaide, afgebrand was, waarop het paardje met de as van boven viel. Ten acht ure zag men geen brand meer. De schade is zeker niet groot, daar de pijnappel meest nog in zijne gedaante is, doch het geval is te betreuren wegens de ongelukken die erbij gebeurd zijn. Zoo is de zoon van den Winschoter schuitenvoerder Bontekoe, een brave jongeling van 20 jaren, verpletterd. De officier van Policie , de heer van Wartum, is zoodanig aan zijn hoofd gekwetst, dat men aan zijn herstel wanhoopt; hij ligt nog op het Stadhuis en men heeft hem getrepaneerd. Een schoenmaker in de Oosterstraat is in een deerlijken toestand ons huis voorbij gedragen. Ook zegt men dat er een soldaat bij omgekomen zou zijn.”

Bron: ’s Gravenhaagsche Courant, 13 maart 1822.

Commentaar: De brand van begin maart 1822 op de Martinitoren is bekend van een andere, meer uitvoerige brief van een dag later, en een nog later krantenverslag, beide door Frans Westra opgenomen in zijn boek over de toren (2009). Deze bronnen reppen van een “verschrikkelijke donderslag” tijdens een al uren durende storm, die in de “stinkdonkere nacht” tot een orkaan zou aanzwellen. Om half vijf had de torenwachter op zijn brandhoorn geblazen, en repten burgers zich naar de Grote Markt waar de pijnappel op de Martinitoren al in brand stond. Hele vonkenregens vlogen er uit, waarbij eerst niemand de toren op durfde gaan. De zeeofficier waarvan in de Haagse brief sprake is, en die als eerste de toren op liep, was een R. de Sitter, kapitein bij de mariniers. Hij werd gevolgd door vier anderen, maar het lukte ze door de storm alleen gezamenlijk de pijnappel in te komen. Bij het met een bijl weghakken van de smeltende loden bekleding om de pijnappel, raakte De Sitters jas zelfs nog even in brand. Omdat het gezelschap de brand met water en natte koeienhuiden niet meester kon worden, en er vanwege gloeiend ijzer en  smeltend lood ook niet goed bij kon komen, moest het gezelschap zelfs nog even de pijnappel uit. Op dat moment begon de mansdikke stang met het paardje te buigen, en knapte ze als een strootje af, waarbij ze val van alles met zich meesleurde in haar val op het Martinikerkhof achter de Hoofdwacht, waar politiechef Van Wartum, schoenmaker Kraus en Geert Bontekoe en diens broer werden getroffen. Toen het De Sitter bovenin de toren er voor de tweede keer in slaagde de pijnappel in te komen,  kregen hij en zijn helpers de brand vrij snel onder controle. Het trepaneren van Van Wartums schedel vindt men ook in de andere bronnen. Opmerkelijk is nog dat het conservatieve stadsbestuur vrij snel na deze brand besloot een bliksemafleider op de toren te laten plaatsen, maar dat er jarenlang niets van uitvoering van dit mooie voornemen kwam, zodat de toren tijdens een onweer in februari 1836 opnieuw in brand raakte.


De drie Buicks van burgemeester Tuin

De officiële opening van het Groninger Emmaviaduct vormde een hoogtijdag voor wederopbouw en automobiliteit. Die vrijdagmorgen de 25ste september 1964 reden om 11:20 uur de eerste auto’s over het nieuwe viaduct in de richting van het Stadsparkpaviljoen, waar de genodigden zouden toasten op de nieuwe voorziening, tegelijk een stadsdoorbraak en een belangrijke schakel naar de grote uitvalsweg naar het zuiden (nu A 28). Voorop ging de dienstauto van burgemeester Jan Tuin.

Afgaande op de foto in het afscheidsalbum dat Tuin een half jaar later van de gemeente Groningen kreeg, zat hij op de passagiersstoel van de Buick en liet hij het rijden over aan de  gemeentelijke chauffeur, waarschijnlijk een van beide mannen die op een nadere foto in datzelfde album trots poseren naast hun wagen, die ze parkeerden in de schaduw van het oude stadhuis, zo’n beetje onder de ramen van de burgemeesterskamer.

Deze Buick was al de derde dienstauto van dat merk. De eerste was medio maart 1953 bij Dieverbrug in de prak gereden, toen hij bij mistig weer op een nauwelijks zichtbare, stilstaande vrachtwagen botste. Ook toen zat Tuin op de passagiersstoel.  Hij vloog met zijn hoofd tegen de voorruit, raakte even zijn bewustzijn kwijt en hield een gapende hoofdwond aan de botsing over, terwijl zijn chauffeur De Vries met twee gebroken ribben in het ziekenhuis belandde. De burgemeesters van Baflo, Noorddijk en Nieuwe Pekela, die gedrieën op de achterbank zaten, kwamen er met wat schrammen, builen en blauwe plekken nog vrij goed vanaf. Met zijn geheel ontzette motorblok en in elkaar gedrukte carosserie bleek de auto total loss en stond als zodanig nog een poos in een gemeentelijke garage.

De vier Groninger burgemeesters waren die ochtend al om vijf uur met de Buick op weg gegaan naar Den Bommel en Ooltgensplaat op de oostkant van Goeree Overflakkee, een tocht van bijna 600 kilometer heen en terug. Ze hadden ginds besprekingen gevoerd over de hulp, die ze namens de Groninger gemeenten konden aanbieden na de bekende watersnoodramp. In het archief van Tuin zit nog steeds een boek over die ramp, in 1955 door beide gemeenten geschonken aan de gemeente Groningen wegens haar “spontaan verleende personele en materiële hulp”. Ik vermoed dat het souvenir Jan Tuin niet alleen aan die ramp, maar ook aan het ongeluk herinnerde.

Tussen de eerste  Buick (1947-1953) en de derde Buick (1959-1965) was er nog een tweede (1953-1958), waarover het Nieuwsblad later wist te vertellen dat de burgemeester meestal zelf het portier opende, omdat hij als sociaaldemocraat geen man was die zich een dergelijke dienstbaarheid van een chauffeur liet welgevallen. Eenmaal afgedankt, belandde de tweede Buick bij een boer in Hattem, die er twee maal daags zijn melkbussen mee vervoerde, een lot waarmee Tuin zich als landarbeiderszoon vast wel heeft kunnen verzoenen.


Priksleewedstrijd op dichtgevroren haven

Bij het zoeken in een la met ouwe foto’s vond ik deze van de dichtgevroren Oosterhaven, februari 1996. Er was een priksleewedstrijd op touw gezet door Jannes Bosklopper, de cafébaas van De Oude Veemarkt op de hoek van de Trompkade. Een enorme paardenman, naar wie postuum nog een bokaal op de Groninger drafbaan genoemd is. Ik denk dat die kerels op de voorgrond over de uitslag van het sleeën aan het redekavelen waren:

Men hoopte er een jaarlijkse traditie van te maken. Wat het niet heeft mogen worden. Sowieso was het destijds al een wonder dat die haven dichtvroor. Zolang de Hunzecantrale (die van de vijf pijpen) in werking was, voerde ze het opgewarmde koelwater af door het Oude Winschoterdiep en de Oosterhaven, die dus nooit dichtvroren, alleen een paar keer in de jaren dat de centrale gestopt was en gesloopt werd. Inmiddels voltrekken we met zijn allen een klimaatramp, en zal het er wel nooit meer van komen.

Arme Jannes. Met de drafbaan verdween de Bosklopper-bokaal en van die priksleetraditie is het nooit gekomen.


Hoe Bommen Berend via Gosen Groenewold het roken stimuleerde

Ik meende dat ik het Boek der opschriften van Sweers uit 1691 wel goed gescreend had op Groninger elementen, maar bij het googelen op Bisschopstijd, een term die later wel gebruikt werd voor de jaren dat Bommen Berend hier binnenviel (1665-1674), kom ik warempel nog een staaltje onvervalste middenstandspoëzie tegen, dat er nostalgisch aan herinnert hoe het roken destijds een flinke impuls kreeg:

Op ’t briefje van een tabakverkoper

Messieurs, indien uw lust strekt tot Virgiense blaân,

Gy zult melancolie daar mede doen vergaan.

Het is een puik tabak, dat borger, boer, soldaat

Prees in de Bisschopstyd, en nochmaals niet versmaat;

Want als de trommel sloeg en den trompet aanstak,

Die ’t rooken was gewent, stopten een pyp tabak.

En vraag je wie doch zulke waar te veilen hold,

De naam is welbekend – ’t is Goossen Groenewold


Zuiver voor twee stuiver.

 

Had er graag van vernomen hoeveel tabak je qua gewicht voor dat dubbeltje kreeg, maar enfin, je kunt niet alles hebben. De naam van Gosen Groenewold is intussen bekend uit de retroacta burgerlijke stand van1655 tot 1688. In 1655 trouwde hij  een Lammetjen (ook wel Lammichje of Lamme) Hermans (ook wel Harmens), met wie hij tot ca. 1660 aan de Nieuwe Ebbingestraat woonde, maar naderhand aan de Marktstraat bij de Ossemarkt. Ze kregen hier een hele reeks kinderen waarvan een zoon in 1670 Erasmus werd gedoopt. Ik hou het er maar op dat onze tabakskoopman geen calvinistische scherpslijper was. Naderhand schijnt hij nog te zijn hertrouwd met een Swaentien Arends, met wie hij  Tussen beide Markten woonde. Andere informatie ontbreekt vooralsnog.


Pissend wijf lucht gemoed over Bommen Berend

De Stadjers van 1672 gaven op velerlei wijze lucht aan hun afkeer van de agressor Bommen Berend. Zo krasten ze op de lege achterkant van eenzijdig gestempelde, vierkante noodmunten spottende voorstellingen van, en schimpverzen op de Munsterse bisschop. Zoals deze hierboven van een hurkende vrouw met opgetrokken rokken die zich op de (denkbeeldige) belegeringstroepen ontlast, er bijna letterlijk schijt aan heeft.

Van wildplassen mag men haar niet betichten, want ze doet dat ‘met verloff’. Wat voor meerderlei uitleg vatbaar is. Het kan zijn dat ze zichzelf die vergunning heeft verstrekt. Het kan ook slaan op het verlof dat de bisschoppelijke troepen kregen om naar huis te mogen gaan. Bovendien kan het duiden op de vergunning van een herberg of tapperij. Een plek waar de verdedigers van de stad zich na het Ontzet overvloedig gingen laven, wat natuurlijk met een beste plas en nogmaals een grote opluchting gepaard ging.

De vierkante zilveren schelling met het pissende wijf maakt deel uit van de Ontzet-expositie in het Groninger Museum. Numismaat Jan C. van der Wis bespreekt hem met andere, soortgelijke, in zijn artikel over de vierkante munten van 1672 in het themanummer over Groningens Ontzet van Stad & Lande, dat vandaag van de drukkerij kwam.

Andere onderwerpen in dat Ontzetnummer van Stad & Lande:

  • Egbert van der Werff over de grote belegkaart van Jannes Tideman;
  • Joël Miedema over de rol van vrouwen tijdens het beleg van 1672;
  • Albert Buursma over De Groninger armenzorg en de gevolgen van het beleg;
  • Egge Knol over het ruiterportret van Bernhard von Galen;
  • Rozemarijn van der Wal over Anna van der Horst, die in de achttiende eeuw een drama schreef over Groningens Ontzet.

Het Ontzetnummer van Stad & Lande is onder andere te koop bij de vereniging Stad en Lande, het Groninger Museum (gratis toegankelijk op zondag 28 augustus!) en boekhandel Godert Walter voor € 5,50 (excl. verzendkosten).


Drentse dopelingen in Stad (1672-1674)

Ooit noteerde ik bij het het doornemen van de Groninger gereformeerde doopboeken ook bijkomstigheden zoals de kinderen wier ouders eigenlijk elders woonden en en in zulke gevallen dan met name de plaatsen van herkomst. Vooral in de jaren 1672-1674 ging het om veel, bijvoorbeeld zo’n 22 uit Drenthe. Op dit kaartje heb ik de namen van de herkomstkerspelen omcirkeld:

Uiteraard betrof het doopouders, die gevlucht waren voor de troepen van de bisschop van Munster. Het noorden van Drenthe bleek aanzienlijk meer vertegenwoordigd dan het zuiden. Groningen was vrij dichtbij voor de Drenten van Noordenveld en Oostermoer, die vaak ook familie in de Stad hadden wonen.

Uit alle kerspelen met een rode cirkel werd minstens één kind gedoopt. Anlo (4), Beilen (3), Eelde (2), Roden (2) en de handelsplaats Meppel (2) leverden meerdere doopkinderen.

Ik heb het niet onderzocht, maar op voorhand waren de vluchtelingen meer gegoed dan de achterblijvers. Achter elk doopkind mag je bovendien niet alleen de doopouders rekenen, maar ook oudere kinderen en dienstboden. Ik meen dat het kaartje wel representatief is voor de Drentse vluchtelingen in het algemeen, maar dat laat zich verder nauwelijks onderzoeken.


Een ‘bisschopsbombe’ in de Lammehuiningastraat

In maart 1677 verkopen Berent Bausema, zijn vrouw Eetien Iwema samen met de voogden over de minderjarige kinderen uit Eetiens eerste huwelijk aan de weduwe van Luitien Mensens Enscheda een huis met een hof , een plaatsje en een mandelige put aan de oostkant van de Lammehuiningastraat. Op zich niets bijzonders, maar het huis heet “vervallen”, “sijnde door een bisschopsbombe in ‘t jaer 1672 ten deele om verre gesmeten”.

De Lammehuiningestraat, genoemd naar een dame uit het vooraanstaande geslacht Huninga, vinden we nu niet meer op een plattegrond van de stad Groningen terug. Halverwege de negentiende eeuw begrepen de bewoners die naam niet meer, bovendien werd ze geassocieerd met prostitutie, omdat er een of meerdere bordelen in de straat gevestigd waren. Om van het negatieve imago af te komen, veranderde het stadsbestuur toen de straatnaam – sindsdien is het de A-kerkstraat, die ten noorden van de A-kerk nog steeds naar de Kromme Elleboog voert.

Die straat ligt echter buiten het gebied, waarvan bekend is dat het in 1672 aan puin werd geschoten door de artillerie van Bommen Berend, de bisschop van Munster, die in juli en augustus 1672 samen met zijn Keulse collega de stad Groningen belegerde:

Groninger Archieven 817-2487-1.

Rechts op de kaart is het zuiden, met aan de stadsgracht, tegenover de Here- en de Oosterdwinger de voorste batterijen van de Keulse en Munsterse troepen. Deze schoten het zuidoostelijk gebied van de stad kapot. Het gewone bereik van hun geschut is gemarkeerd met een rode lijn, die van het oosten (boven) naar het westen (onder) langs de Nieuweweg, de Poelestraat, de zuidkant van de huizen aan de Grote Markt zuidzijde, de zuidkant van de Vismarkt en de Folkingestraat loopt. Opmerkelijk is dat 2 van de 5 molens (zie cirkels) op het stuk stadswal binnen het schootsgebied, nog wel overeind staan, terwijl verderop puinhopen liggen – die molens vormden kennelijk geen primair doelwit.

Maar de Lammehuiningestraat oftewel A-kerkstraat – zie het geelrode sterretje ten noorden (links) van de A-kerk – ligt helemaal buiten het gemarkeerde gebied. Ging het hier nou om een lucky shot, of kreeg het geschut van Bommen Berend die dag een wat groter bereik, bijvoorbeeld dankzij een zuidoostenwind?

Hoe dan ook: die bommen van Berend waren best indrukwekkend. Volgens sommige pamfletten droegen ze zelfs magische toverspreuken:

Groninger Archieven 1536-4607.

Bron van de koopakte: Groninger Archieven, Rechterlijke Archieven III (stad) x (verzegelingen) deel 56, fo. 97v. d.d. 10 maart 1677.


Helpman geruïneerd en ontvolkt dankzij beleg door Bommen Berend

In 1669 sprak de Groninger synode het als wenselijk uit, dat Helpman een aparte gemeente zou worden., los van de Stad, met een eigen kerk. De synodale deputaten zouden de zaak bij G.S. aanhangig maken en bevorderen.

Er kwam niets van. Helpman moest nog eeuwen wachten op zijn eigen kerk. “In de sake van Helpen”, zo rapporteren de deputaten begin 1673:

heeft gansch niet konnen gedaen worden, vermits dese plaetse in de belegeringe van Groningen door de Ceulsche en Munstersche troupen ten meestendeele geruïneert is geworden, en diensvolgens van haer meeste inwoonders ontbloot, .


‘Stad houdt stand’ geopend

In het Groninger Museum opende vanochtend de historische expositie ‘Stad houdt stand‘ ter gelegenheid van het feit dat de stad Groningen 350 jaar geleden werd ontzet uit het beleg door de bisschop van Munster en diens kompanen.

Deze bisschop, een soort Poetin van die dagen en vooral bekend onder zijn bijnaam Bommen Berend, aan het werk in zijn studeerkamer, met onder andere mijter en staf. Portret door Jacob Quinckhardt. Op de achtergrond een stadsgezicht van Munster, zijn residentie die meneer ook niet bepaald zachtzinnig behandeld heeft:

Portret van het gezin van Johan Schulenborgh, de Groningse raadgever van de bisschop. Schulenborgh, een carrièrepoliticus van burgerlijke komaf die het tot raadsheer van de stad en lid van de Staten-Generaal schopte, was in 1662 afgezet en zelfs ter dood veroordeeld wegens zijn eigenmachtig optreden en betrokkenheid bij het gildenoproer. Sindsdien leefde hij in Munster in ballingschap:

Leeuw van zandsteen met het wapen van kolonel Bernard Johann Prott, de bevelhebber die de vesting Bourtange wist te behouden tegen de bisschoppelijke troepen:

De leeuw is oorspronkelijk afkomstig van de borg Rikkerda bij Lutjegast, waar Prott resideerde als hij even geen soldateske beslommeringen had. Prachtkop trouwens:

Via nazaten is ook de reiskoffer van Prott bewaard gebleven:

De bestorming van Coevorden, eind 1672, door Pieter Wouwerman:

Het wapen van Stad & Lande op het vaandel van de studentencompagnie in 1672:

Maquette met het schootsveld op de Stadstafel. In de verte de brandende stad. De belangrijkste approches (loopgraven) lagen op het hooggelegen terrein tussen de Hereweg (links) en het Oude Winschoterdiep (rechts). Een jaar of twintig geleden werd op een bouwplaats aan de Meeuwerderweg nog zo’n loopgraaf teruggevonden. Iemand met een metaaldetector trof er musketkogels aan, waarvan hij me een paar gaf:

Detail van de maquette, nu vanuit de stadskant gezien. Links het Oude Winschoterdiep met de Bonte, eerder ook wel Rode Brug ter hoogte van De Brink. Dat de maquette deze brug toont, moet haast wel een vergissing zijn, want op de Brink lag een schansje met Groningers. Zo’n brug laat men dan niet liggen. Maar ik zal eens nakijken wat ermee gebeurd is:

De sterk beschadigde perkamenten kaart van het schootsveld, die vroeger in de garderobe van de Stadsarchief hing, en de laatste jaren in de benedengang van de Groninger Archieven, is ontlijst en gescand. De bijgewerkte scan hangt nu op de expositie. Je kunt er allerlei details op zien:

K’non’n en koegels dei je nait op joen pokkel mos krieg’n.:

De helm van Rabehaupt, bevelhebber en redder van Groningen:

In deze fraai vormgegeven zaal ligt klein grut – munten, noodgeld en penningen:

Topstuk is hier de herdenkingspenning voor Rabenhaupt:

Tamboerstrommels van de latere burgerwacht:

De laatste zaal is gewijd aan de materiële herdenkingscultuur rondom Groningens Ontzet, zoals deze schotel, gemaakt bij het jubileum van een eeuw geleden:


Het klapgeld van de Bonte Brug

Tussen 1662 en 1694 werd er ‘klapgeld’ geheven op of bij de toen vrij nieuwe Bonte Brug buiten  Kleinpoortje over het Schuitendiep (nu Oude Winschoterdiep). Getuige een resolutie beschouwde het stadsbestuur dit klapgeld als een soort van tol. Of de heffing (turf)schepen gold waarvoor de brug omhoog moest, en/of passanten die over de brug kwamen, is me nog onbekend, evenals de tarieven. Die hoop ik binnenkort nog eens te achterhalen in de bijlagen bij de stadsrekeningen.

Wel noteerde ik uit de stadsrekeningen ooit de bedragen, waarvoor de inning van het klapgeld ieder jaar verpacht werd, wat gebeurde op afmijningen (veilingen bij afslag in plaats van opbod). De gerealiseerde pachtsommen weerspiegelen derhalve de verwachtingen die de kandidaat-pachters hadden van de sommen die ze in het komend jaar bij elkaar zouden weten te innen. Of het nu om veenkoloniale schepen ging dan wel passanten te voet of te paard – die verwachtingen hingen samen met schatting die de kandidaat-pachters hadden van de verkeersintensiviteit bij de klapbrug en hoe die zich in het komende jaar zou gaan ontwikkelen. Bij een stijging van de pachtsommen werd een groei van die verkeersintensiviteit verwacht, bij een daling een vermindering. Hier dan de grafiek van die pachtsommen (blauwe staafjes nominale opbrengsten, rood voortschrijdende vijfjaarlijkse gemiddelden). 

Te zien is dat de pachtsommen in de jaren 1660 nogal fluctueren, wat mogelijk ook komt doordat het een vrij nieuwe heffing was, waarbij de gegadigde exploitanten nog niet goed een raming konden maken van kosten (de pachtsom plus loon van eventueel inningspersoneel) en baten (de geïnde sommen),

In elk geval is de trend in de jaren 1660 een dalende. De jaren 1670-1672 waren duidelijk geen beste, integendeel, de minste van de hele periode. Als de oorlog van 1672 door zou spelen in de biedingen voor 1673, dan zou de pachtsom van dat jaar minstens even laag geweest zijn als die van de voorgaande jaren, maar dat is dus niet zo: de opbrengst in de stadsrekeningen stijgt en blijft stijgen. Vanaf 1678 wordt deze zelfs hoger dan in de jaren 60. Na 1688 is de groei voorbij en in 1694 wordt het klapgeld weer afgeschaft.

Als de verkeersintensiviteit, zoals ik vermoed, een afspiegeling is van de veenkoloniale economie, dan ging die weer groeien in de jaren 1673-1688. Daarna is er een recessie. De crisis van het rampjaar 1672 heeft hier niet zo lang doorgewerkt.


Westerhaven in de winter

Sinds Bibi Putting dit topstuk op Twitter plaatste, heb ik hem als bureaubladachtergrond. Het betreft een ‘Wintergezicht op de Westerhaven’ uit 1947 van de Ploegschilder Jan van der Zee (1898-1991).

Op het kwart linksboven zie je in de verte een stukje Praediniussingel en wat dichterbij het gedeelte van de A tussen de oude Museumbrug en de Zuiderhaven. Rechts langs de A ligt de Sluiskade. Een paar panden voorbij het hoekpand heeft mijn oudtante Siene nog een poos gewoond, eind jaren 50.

Recht vooruit in de verte de oude Steenhouwerskade, met daarachter de buurt die ‘het Eiland’ werd genoemd. Hier groeide de schrijver Ab Visser op, die er in 1953 zijn autobiografische roman De buurt over schreef. Tegenwoordig staat hier afschuwelijke nieuwbouw uit de jaren 70.

Het op de Sluiskade doodlopende stuk water op de voorgrond is het uiteind van de L-vormige Westerhaven, die werd gedempt nadat de gemeenteraad daartoe in november 1960 slechts met één stem meerderheid besloot.

Uit de jaren 50 dateert deze vergelijkbare foto, die genomen is vanaf een of twee bovenwoningen verderop aan de Westerkade:

Op de ligplaats van de schepen bevond zich later, in de jaren 60 en 70, de Groninger groentemarkt, tot die weer terugverhuisde naar de Vismarkt.

De schilder Jan van der Zee zat waarschijnlijk op de bovenverdieping van het hoekpand Westerkade 24/Westerhavenstraat (nu Pims fietsen vlakbij de oude Museumbrug. Van der Zee’s positie en blikveld heb ik op het volgende kaartfragment weergegeven met een gele cirkel en dito lijnen:

Tegenwoordig liggen op de plek van de schepen een parkje en een schuin dak waarop ’s zomers heide groeit:

Nachrift 5 januari 2022:

Jaap Rijkeboer meldde in een reactie dat hij een prent heeft uit 1952, ook door Van der Zee en gemaakt vanaf ongeveer hetzelfde standpunt:


De prijzen voor een liedvel

Kwam deze tegen in het Nieuwsblad van het Noorden de dato 18 april 1909

Het lied lijkt nergens bewaard, maar ik weet ook niet of we er veel wijzer van zouden worden: de titel komt wat vreemd over met dat Holland’s in combinatie met koningin, maar waarschijnlijk betrof het een nationalistische lofzang op koningin Wilhelmina, die twaalf dagen later van prinses Juliana zou bevallen. Een troonopvolgster – ons koningshuis was dus gered.

Ook ga ik even voorbij aan de verkopers, mogelijke tevens de tekstdichter en componist, en beiden woonachtig in de Groninger Noorderplantsoenbuurt. De tweede, Bertus Almanak, ook wel Reclame Bertus of Maal Bertus geheten, was destijds een wijd en zijd bekende stadsfiguur en is momenteel mijn onderwerp van studie

Nee, wat ik voor nu even interessant vind aan deze advertentie, zijn de prijzen van het aangeboden liedvel. De stuksprijs voor individuele consument bedroeg 2 cent, maar als liedzanger op kermissen, venter of wederverkoper kon je er 100 kopen voor een gulden. Dergelijke grotere afnemers hadden bij het aan de man en vrouw brengen van het lied dus een marge van 100 %.


Verboden met almanakken te venten

Universiteitsbibliotheek Groningen

Begin dit jaar stuitte R, een van de vrijwilligers die bij de Groninger Archieven de stadsresoluties transcriberen, op een raadselachtig besluit. Het betrof een verbod, dat het Groninger stadsbestuur eind 1671 oplegde aan alle stadstamboers. Zij mochten geen almanakken meer bij “heeren, borgeren ofte inwoonderen” aan de deur komen brengen, op straffe van ontslag. “Waarom werd dat eigenlijk verboden?”, vroeg R. zich af. “Zou het met de inhoud van die almanakken te maken hebben?”

Eerst dit. Almanakken bestonden er sinds eind 15e eeuw. Ze waren er in allerlei soorten en maten, maar bevatten primair zakelijke informatie zoals maanstanden, jaarmarkten en vertrektijden van postwagens, beurtschepen en trekschuiten. Drukkers distribueerden ze bij iedere jaarwisseling, en dan vooral in december, via venters, vaak arme sloebers.  

Zoals we zullen zien, had het verbod daarmee te maken. Het was zeker niet nieuw. Eind 1649 verboden Gedeputeerde Staten al aan de beroepssoldaten van het Groninger garnizoen “het ommelopen ende praesenteren van almanachen”, samen met andere nieuwjaarsgebruiken zoals het afvuren van geweren en het aanbieden van nieuwjaarsgedichten. Ook toen al stond er ontslag op als straf.

Eind 1650 herhaalde het stadsbestuur het almanakkenventverbod, maar maakte het algemeen. “Niemandt van wat staet ofte conditiehy zy”, mocht nog almanakken langsbrengen bij “heeren off officieren huysen”. Toch wordt ook duidelijk wie zich vooral hieraan schuldig maakten:  “dat oock geen tamburijns off pijpers met geraes van trommen, pijpen, almanack  brengen off anders nye jaeren sullen moogen eysschen”. Dat eisen (verzoeken) slaat uiteraard op de tegenprestatie, in drank of in geld. Naast ontslag kwam er nu een boete van een pond groot (ƒ 6,-) op te staan,  en dreigde het stadsbestuur met inbeslagname van de trommels en pijpen.

Eind 1667 werd de boete op het rondbrengen van almanakken bij “d’heeren, borgers ofte inwoonderen deuren” nog verviervoudigd tot 25 gulden. Er is dan geen sprake van specifieke zondaars, en ook dit stadsverbod lijkt dus algemeen. Voor het eerst krijgen de schulte (schout) en zijn dienaars expliciet opdracht om het verbod te handhaven. De bepaling van 1671, zoals R. die aantrof, versmalde het mikpunt weer tot de stadstamboers.

Die wending blijkt een definitieve, het algemene publiek laat men voortaan ongemoeid, alleen kleine, ambtenaren die men gemakkelijk kon koeioneren, kregen nog met sancties te maken als ze met almanakken ventten. Ook motiveerde het stadsbestuur nu pas zijn verbod. Eind 1694 gaf het de lampbezorgers, lantaarnopstekers, ratelaars (nachtwachten) en stadstamboers te verstaan, dat zij niet mochten “bedelen” aan de deuren, en er ook geen almanakken mochten komen langsbrengen, op straffe van ontslag. Bovendien werd het geven van aalmoezen of fooien aan almanakbrengers verboden.

Dit verbod  werd eind 1695 en eind 1713 nog eens herhaald, omdat de kleine ambtenaren zich er niet aan hielden. Het laatste verbod noemt het rondbrengen van almanakken onomwonden als een van de “bedelariën op nieuwjaersdagen”. Naast ontslag kwam er opnieuw een boete van ƒ 6,- op te staan.

Kortom, het rondbrengen van almanakken werd  beschouwd als (verkapte) bedelarij. Een algemeen verbod, medio zeventiende eeuw, bleek echter niet te handhaven, zodat de heren het later hebben toegespitst op hun laagste ‘officianten’. De heren wilden niet dat deze als bedelaars werden gezien, wat natuurlijk ook te denken zou geven over de schrale salariëring.

Met de inhoud van de almanakken had dit weinig te maken. De Groninger synode stoorde zich vanaf  1685 weliswaar bijzonder aan almanakken met “scandaleuse bijvoegselen” – vooral als die het kerkelijke huwelijksformulier satirisch op de hak namen – maar met het verbieden van zulke bijvoegsels mikten  het stadsbestuur en de staten in 1688 en 1713 op de boekdrukkers en -binders en niet op kleine stadsambtenaren.


De drukste vaarroute?

Drukte bij de Groninger suikerfabriek, Het Noorden in Woord en Beeld, 6 november 1925

‘Honderd jaar geleden was het Hoendiep de drukste vaarroute van Nederland’, lees ik hier.

O ja, is dat zo, vraag ik me dan af. Klopt dat?

Voor een antwoord op die vraag ben ik te rade gegaan bij het verslag over 1921 van de gemeente Groningen, het ontegenzeggelijke begin- en eindpunt van alle Groninger scheepvaartkanalen van enig belang. Als het Hoendiep hier al niet de drukste vaarroute was, dan kan het dat evenmin zijn geweest in heel Nederland.

De tabel op pagina 175 van dat gemeenteverslag splitst de schepen die dat jaar de Groninger kanalen  hebben bevaren op in drie categorieën: zeeschepen, binnenschepen en houtvlotten. De aantallen zeeschepen waren zeer laag: op het Eemskanaal waren het er 4, op het Reitdiep slechts 3. Meestal zal het gegaan zijn om coasters die van of naar een werf gingen. Het Hoendiep werd bevaren door geen enkel zeeschip.

Ook bij de houtvlotten ging het om kleine getallen: het havenkantoor aan de Noorderhaven registreerde er dat jaar 16 op het Reitdiep, 12 op het Eemskanaal en 6 in het kluster Verbindingskaaal-Hoornsediep-Eendrachtkanaal-Hoendiep. Noch qua zeeschepen, noch qua houtvlotten stak het Hoendiep er dus bovenuit.

Resteert de veruit belangrijkste categorie, die van de binnenvaartschepen. De stad-Groninger kanalen in  volgorde van druk naar minder druk:

Kanaal / klusterAantal binnenschepenTotale inhoud in kubInhoud gem. schip
Reitdiep2564272.860106,4
(Oude)Winschoterdiep2404161.42567,2
VBK, Hoornse- + Hoendiep2184182.81483,7
Eemskanaal1156150.989130,6
Boterdiep17412.44171,5
Damsterdiep17310.87162,8

Op het Reitdiep en het Winschoterdiep voeren dus de meeste binnenvaartschepen, daarna kwam pas het kluster waarvan het Hoendiep deel uitmaakte. Voor het Hoendiep alleen zal het cijfer nog beduidend lager uitgevallen zijn. Anderzijds viel het opgegeven getal voor het Winschoterdiep juist te laag uit, omdat hierbij niet werden meegerekend de 581 schepen die bij de gemeentelijke verzamelplaats van faecaliën, kortweg de Drekstoep, hun lading kwamen ophalen. Die Drekstoep zat bij het oostelijke uiteind van het Helperdiepje dat hier op het Winschoterdiep uitkwam. Doorgaans was de frisse lading die hier werd ingenomen bestemd voor Oost-Groninger dalgronden en ging de reis dus ook weer via het stad-Groninger deel  van het Winschoterdiep, dat al met al bevaren werd door 2965 schepen en daarmee helemaal ver voor het Hoendiep kwam, althans qua drukte in de stad.

De bewering dat het Hoendiep het drukst bevaren kanaal van het land  was, honderd jaar geleden, kan je dus met een korrel zout nemen. Misschien was dat periodiek even zo, in het najaar, tijdens de suikerbieten en strokartoncampagnes (die ook veel scheepvaartverkeer in de stad genereerden), maar dat gold zeker niet voor de rest van het jaar. Qua totale inhoud kwam het Hoendiep wat minder ver achter, en was het een goede tweede achter het Reitdiep. Overigens droeg ook het formaat van de schepen bij aan deze klassering: de schepen waren op het Hoendiep gemiddeld het grootst na die op Eemskanaal en Reitdiep.

Een slimmerik zou nu kunnen tegenwerpen dat Hoogkerk met zijn strokarton- en  zijn suikerfabriek ook nog schepen buiten de stad om kreeg, namelijk via het Hoendiep vanuit het westen en via het Aduarderdiep vanuit het noorden. Helaas hield de gemeente Hoogkerk in haar jaarverslagen geen cijfers hiervan bij, zodat het effect niet valt te begroten.

Voorlopig is mijn conclusie dat het Winschoterdiep honderd jaar geleden de drukste vaarroute van Groningen was, al waren die binnenvaarders hier aan de kleine kant, en zal het Hoendiep in het najaar tijdens de suikercampagne heel misschien wat drukker geweest zijn. Buiten die najaarspiek om en over het hele gehele jaar genomen bleef het Hoendiep echter achter. De stelling dat het generiek de drukste vaarroute was, houdt geen stand.

Binnenkort nog maar eens kijken of de provincie ook scheepvaartcijfers in haar verslagen heeft staan.


Bartje en het mysterie van de anonieme aanwinst

Bartje mag dan niet voor brune bonen bidden, hij was verzot op witlof, althans volgens de Groninger groenteveiling of een daar actieve groothandel, die (Drentse?) witlof pondsgewijs in puutjes verpakte, die hun weg vonden naar de Duitse markt.

De verpakking lag samen met enkele brochures en andere memorabilia van de groenteveiling aan de Peizerweg op mijn werktafel bij de Groninger archieven. Het spul moet er neergelegd zijn na mijn pensionering in juni, waarschijnlijk tijdens de vakantie van mijn oud-kamergenoot. Mogelijk gebeurde dit door een oud-werknemer van groothandel Stavasius. Uiteraard worden de spullen in dank aanvaard bij de Groninger Archieven, maar intussen prangt nog wel de vraag wie ze er heeft gedeponeerd of laten deponeren. Zou de gullen gever zich asjeblieft willen melden, hetzij bij het archief, hetzij bij mij? Het is altijd aardig om ook wat contextuele informatie te hebben. Alvast bedankt!