Een ‘bisschopsbombe’ in de Lammehuiningastraat

In maart 1677 verkopen Berent Bausema, zijn vrouw Eetien Iwema samen met de voogden over de minderjarige kinderen uit Eetiens eerste huwelijk aan de weduwe van Luitien Mensens Enscheda een huis met een hof , een plaatsje en een mandelige put aan de oostkant van de Lammehuiningastraat. Op zich niets bijzonders, maar het huis heet “vervallen”, “sijnde door een bisschopsbombe in ‘t jaer 1672 ten deele om verre gesmeten”.

De Lammehuiningestraat, genoemd naar een dame uit het vooraanstaande geslacht Huninga, vinden we nu niet meer op een plattegrond van de stad Groningen terug. Halverwege de negentiende eeuw begrepen de bewoners die naam niet meer, bovendien werd ze geassocieerd met prostitutie, omdat er een of meerdere bordelen in de straat gevestigd waren. Om van het negatieve imago af te komen, veranderde het stadsbestuur toen de straatnaam – sindsdien is het de A-kerkstraat, die ten noorden van de A-kerk nog steeds naar de Kromme Elleboog voert.

Die straat ligt echter buiten het gebied, waarvan bekend is dat het in 1672 aan puin werd geschoten door de artillerie van Bommen Berend, de bisschop van Munster, die in juli en augustus 1672 samen met zijn Keulse collega de stad Groningen belegerde:

Groninger Archieven 817-2487-1.

Rechts op de kaart is het zuiden, met aan de stadsgracht, tegenover de Here- en de Oosterdwinger de voorste batterijen van de Keulse en Munsterse troepen. Deze schoten het zuidoostelijk gebied van de stad kapot. Het gewone bereik van hun geschut is gemarkeerd met een rode lijn, die van het oosten (boven) naar het westen (onder) langs de Nieuweweg, de Poelestraat, de zuidkant van de huizen aan de Grote Markt zuidzijde, de zuidkant van de Vismarkt en de Folkingestraat loopt. Opmerkelijk is dat 2 van de 5 molens (zie cirkels) op het stuk stadswal binnen het schootsgebied, nog wel overeind staan, terwijl verderop puinhopen liggen – die molens vormden kennelijk geen primair doelwit.

Maar de Lammehuiningestraat oftewel A-kerkstraat – zie het geelrode sterretje ten noorden (links) van de A-kerk – ligt helemaal buiten het gemarkeerde gebied. Ging het hier nou om een lucky shot, of kreeg het geschut van Bommen Berend die dag een wat groter bereik, bijvoorbeeld dankzij een zuidoostenwind?

Hoe dan ook: die bommen van Berend waren best indrukwekkend. Volgens sommige pamfletten droegen ze zelfs magische toverspreuken:

Groninger Archieven 1536-4607.

Bron van de koopakte: Groninger Archieven, Rechterlijke Archieven III (stad) x (verzegelingen) deel 56, fo. 97v. d.d. 10 maart 1677.


Helpman geruïneerd en ontvolkt dankzij beleg door Bommen Berend

In 1669 sprak de Groninger synode het als wenselijk uit, dat Helpman een aparte gemeente zou worden., los van de Stad, met een eigen kerk. De synodale deputaten zouden de zaak bij G.S. aanhangig maken en bevorderen.

Er kwam niets van. Helpman moest nog eeuwen wachten op zijn eigen kerk. “In de sake van Helpen”, zo rapporteren de deputaten begin 1673:

heeft gansch niet konnen gedaen worden, vermits dese plaetse in de belegeringe van Groningen door de Ceulsche en Munstersche troupen ten meestendeele geruïneert is geworden, en diensvolgens van haer meeste inwoonders ontbloot, .


‘Stad houdt stand’ geopend

In het Groninger Museum opende vanochtend de historische expositie ‘Stad houdt stand‘ ter gelegenheid van het feit dat de stad Groningen 350 jaar geleden werd ontzet uit het beleg door de bisschop van Munster en diens kompanen.

Deze bisschop, een soort Poetin van die dagen en vooral bekend onder zijn bijnaam Bommen Berend, aan het werk in zijn studeerkamer, met onder andere mijter en staf. Portret door Jacob Quinckhardt. Op de achtergrond een stadsgezicht van Munster, zijn residentie die meneer ook niet bepaald zachtzinnig behandeld heeft:

Portret van het gezin van Johan Schulenborgh, de Groningse raadgever van de bisschop. Schulenborgh, een carrièrepoliticus van burgerlijke komaf die het tot raadsheer van de stad en lid van de Staten-Generaal schopte, was in 1662 afgezet en zelfs ter dood veroordeeld wegens zijn eigenmachtig optreden en betrokkenheid bij het gildenoproer. Sindsdien leefde hij in Munster in ballingschap:

Leeuw van zandsteen met het wapen van kolonel Bernard Johann Prott, de bevelhebber die de vesting Bourtange wist te behouden tegen de bisschoppelijke troepen:

De leeuw is oorspronkelijk afkomstig van de borg Rikkerda bij Lutjegast, waar Prott resideerde als hij even geen soldateske beslommeringen had. Prachtkop trouwens:

Via nazaten is ook de reiskoffer van Prott bewaard gebleven:

De bestorming van Coevorden, eind 1672, door Pieter Wouwerman:

Het wapen van Stad & Lande op het vaandel van de studentencompagnie in 1672:

Maquette met het schootsveld op de Stadstafel. In de verte de brandende stad. De belangrijkste approches (loopgraven) lagen op het hooggelegen terrein tussen de Hereweg (links) en het Oude Winschoterdiep (rechts). Een jaar of twintig geleden werd op een bouwplaats aan de Meeuwerderweg nog zo’n loopgraaf teruggevonden. Iemand met een metaaldetector trof er musketkogels aan, waarvan hij me een paar gaf:

Detail van de maquette, nu vanuit de stadskant gezien. Links het Oude Winschoterdiep met de Bonte, eerder ook wel Rode Brug ter hoogte van De Brink. Dat de maquette deze brug toont, moet haast wel een vergissing zijn, want op de Brink lag een schansje met Groningers. Zo’n brug laat men dan niet liggen. Maar ik zal eens nakijken wat ermee gebeurd is:

De sterk beschadigde perkamenten kaart van het schootsveld, die vroeger in de garderobe van de Stadsarchief hing, en de laatste jaren in de benedengang van de Groninger Archieven, is ontlijst en gescand. De bijgewerkte scan hangt nu op de expositie. Je kunt er allerlei details op zien:

K’non’n en koegels dei je nait op joen pokkel mos krieg’n.:

De helm van Rabehaupt, bevelhebber en redder van Groningen:

In deze fraai vormgegeven zaal ligt klein grut – munten, noodgeld en penningen:

Topstuk is hier de herdenkingspenning voor Rabenhaupt:

Tamboerstrommels van de latere burgerwacht:

De laatste zaal is gewijd aan de materiële herdenkingscultuur rondom Groningens Ontzet, zoals deze schotel, gemaakt bij het jubileum van een eeuw geleden:


Het klapgeld van de Bonte Brug

Tussen 1662 en 1694 werd er ‘klapgeld’ geheven op of bij de toen vrij nieuwe Bonte Brug buiten  Kleinpoortje over het Schuitendiep (nu Oude Winschoterdiep). Getuige een resolutie beschouwde het stadsbestuur dit klapgeld als een soort van tol. Of de heffing (turf)schepen gold waarvoor de brug omhoog moest, en/of passanten die over de brug kwamen, is me nog onbekend, evenals de tarieven. Die hoop ik binnenkort nog eens te achterhalen in de bijlagen bij de stadsrekeningen.

Wel noteerde ik uit de stadsrekeningen ooit de bedragen, waarvoor de inning van het klapgeld ieder jaar verpacht werd, wat gebeurde op afmijningen (veilingen bij afslag in plaats van opbod). De gerealiseerde pachtsommen weerspiegelen derhalve de verwachtingen die de kandidaat-pachters hadden van de sommen die ze in het komend jaar bij elkaar zouden weten te innen. Of het nu om veenkoloniale schepen ging dan wel passanten te voet of te paard – die verwachtingen hingen samen met schatting die de kandidaat-pachters hadden van de verkeersintensiviteit bij de klapbrug en hoe die zich in het komende jaar zou gaan ontwikkelen. Bij een stijging van de pachtsommen werd een groei van die verkeersintensiviteit verwacht, bij een daling een vermindering. Hier dan de grafiek van die pachtsommen (blauwe staafjes nominale opbrengsten, rood voortschrijdende vijfjaarlijkse gemiddelden). 

Te zien is dat de pachtsommen in de jaren 1660 nogal fluctueren, wat mogelijk ook komt doordat het een vrij nieuwe heffing was, waarbij de gegadigde exploitanten nog niet goed een raming konden maken van kosten (de pachtsom plus loon van eventueel inningspersoneel) en baten (de geïnde sommen),

In elk geval is de trend in de jaren 1660 een dalende. De jaren 1670-1672 waren duidelijk geen beste, integendeel, de minste van de hele periode. Als de oorlog van 1672 door zou spelen in de biedingen voor 1673, dan zou de pachtsom van dat jaar minstens even laag geweest zijn als die van de voorgaande jaren, maar dat is dus niet zo: de opbrengst in de stadsrekeningen stijgt en blijft stijgen. Vanaf 1678 wordt deze zelfs hoger dan in de jaren 60. Na 1688 is de groei voorbij en in 1694 wordt het klapgeld weer afgeschaft.

Als de verkeersintensiviteit, zoals ik vermoed, een afspiegeling is van de veenkoloniale economie, dan ging die weer groeien in de jaren 1673-1688. Daarna is er een recessie. De crisis van het rampjaar 1672 heeft hier niet zo lang doorgewerkt.


Westerhaven in de winter

Sinds Bibi Putting dit topstuk op Twitter plaatste, heb ik hem als bureaubladachtergrond. Het betreft een ‘Wintergezicht op de Westerhaven’ uit 1947 van de Ploegschilder Jan van der Zee (1898-1991).

Op het kwart linksboven zie je in de verte een stukje Praediniussingel en wat dichterbij het gedeelte van de A tussen de oude Museumbrug en de Zuiderhaven. Rechts langs de A ligt de Sluiskade. Een paar panden voorbij het hoekpand heeft mijn oudtante Siene nog een poos gewoond, eind jaren 50.

Recht vooruit in de verte de oude Steenhouwerskade, met daarachter de buurt die ‘het Eiland’ werd genoemd. Hier groeide de schrijver Ab Visser op, die er in 1953 zijn autobiografische roman De buurt over schreef. Tegenwoordig staat hier afschuwelijke nieuwbouw uit de jaren 70.

Het op de Sluiskade doodlopende stuk water op de voorgrond is het uiteind van de L-vormige Westerhaven, die werd gedempt nadat de gemeenteraad daartoe in november 1960 slechts met één stem meerderheid besloot.

Uit de jaren 50 dateert deze vergelijkbare foto, die genomen is vanaf een of twee bovenwoningen verderop aan de Westerkade:

Op de ligplaats van de schepen bevond zich later, in de jaren 60 en 70, de Groninger groentemarkt, tot die weer terugverhuisde naar de Vismarkt.

De schilder Jan van der Zee zat waarschijnlijk op de bovenverdieping van het hoekpand Westerkade 24/Westerhavenstraat (nu Pims fietsen vlakbij de oude Museumbrug. Van der Zee’s positie en blikveld heb ik op het volgende kaartfragment weergegeven met een gele cirkel en dito lijnen:

Tegenwoordig liggen op de plek van de schepen een parkje en een schuin dak waarop ’s zomers heide groeit:

Nachrift 5 januari 2022:

Jaap Rijkeboer meldde in een reactie dat hij een prent heeft uit 1952, ook door Van der Zee en gemaakt vanaf ongeveer hetzelfde standpunt:


De prijzen voor een liedvel

Kwam deze tegen in het Nieuwsblad van het Noorden de dato 18 april 1909

Het lied lijkt nergens bewaard, maar ik weet ook niet of we er veel wijzer van zouden worden: de titel komt wat vreemd over met dat Holland’s in combinatie met koningin, maar waarschijnlijk betrof het een nationalistische lofzang op koningin Wilhelmina, die twaalf dagen later van prinses Juliana zou bevallen. Een troonopvolgster – ons koningshuis was dus gered.

Ook ga ik even voorbij aan de verkopers, mogelijke tevens de tekstdichter en componist, en beiden woonachtig in de Groninger Noorderplantsoenbuurt. De tweede, Bertus Almanak, ook wel Reclame Bertus of Maal Bertus geheten, was destijds een wijd en zijd bekende stadsfiguur en is momenteel mijn onderwerp van studie

Nee, wat ik voor nu even interessant vind aan deze advertentie, zijn de prijzen van het aangeboden liedvel. De stuksprijs voor individuele consument bedroeg 2 cent, maar als liedzanger op kermissen, venter of wederverkoper kon je er 100 kopen voor een gulden. Dergelijke grotere afnemers hadden bij het aan de man en vrouw brengen van het lied dus een marge van 100 %.


Verboden met almanakken te venten

Universiteitsbibliotheek Groningen

Begin dit jaar stuitte R, een van de vrijwilligers die bij de Groninger Archieven de stadsresoluties transcriberen, op een raadselachtig besluit. Het betrof een verbod, dat het Groninger stadsbestuur eind 1671 oplegde aan alle stadstamboers. Zij mochten geen almanakken meer bij “heeren, borgeren ofte inwoonderen” aan de deur komen brengen, op straffe van ontslag. “Waarom werd dat eigenlijk verboden?”, vroeg R. zich af. “Zou het met de inhoud van die almanakken te maken hebben?”

Eerst dit. Almanakken bestonden er sinds eind 15e eeuw. Ze waren er in allerlei soorten en maten, maar bevatten primair zakelijke informatie zoals maanstanden, jaarmarkten en vertrektijden van postwagens, beurtschepen en trekschuiten. Drukkers distribueerden ze bij iedere jaarwisseling, en dan vooral in december, via venters, vaak arme sloebers.  

Zoals we zullen zien, had het verbod daarmee te maken. Het was zeker niet nieuw. Eind 1649 verboden Gedeputeerde Staten al aan de beroepssoldaten van het Groninger garnizoen “het ommelopen ende praesenteren van almanachen”, samen met andere nieuwjaarsgebruiken zoals het afvuren van geweren en het aanbieden van nieuwjaarsgedichten. Ook toen al stond er ontslag op als straf.

Eind 1650 herhaalde het stadsbestuur het almanakkenventverbod, maar maakte het algemeen. “Niemandt van wat staet ofte conditiehy zy”, mocht nog almanakken langsbrengen bij “heeren off officieren huysen”. Toch wordt ook duidelijk wie zich vooral hieraan schuldig maakten:  “dat oock geen tamburijns off pijpers met geraes van trommen, pijpen, almanack  brengen off anders nye jaeren sullen moogen eysschen”. Dat eisen (verzoeken) slaat uiteraard op de tegenprestatie, in drank of in geld. Naast ontslag kwam er nu een boete van een pond groot (ƒ 6,-) op te staan,  en dreigde het stadsbestuur met inbeslagname van de trommels en pijpen.

Eind 1667 werd de boete op het rondbrengen van almanakken bij “d’heeren, borgers ofte inwoonderen deuren” nog verviervoudigd tot 25 gulden. Er is dan geen sprake van specifieke zondaars, en ook dit stadsverbod lijkt dus algemeen. Voor het eerst krijgen de schulte (schout) en zijn dienaars expliciet opdracht om het verbod te handhaven. De bepaling van 1671, zoals R. die aantrof, versmalde het mikpunt weer tot de stadstamboers.

Die wending blijkt een definitieve, het algemene publiek laat men voortaan ongemoeid, alleen kleine, ambtenaren die men gemakkelijk kon koeioneren, kregen nog met sancties te maken als ze met almanakken ventten. Ook motiveerde het stadsbestuur nu pas zijn verbod. Eind 1694 gaf het de lampbezorgers, lantaarnopstekers, ratelaars (nachtwachten) en stadstamboers te verstaan, dat zij niet mochten “bedelen” aan de deuren, en er ook geen almanakken mochten komen langsbrengen, op straffe van ontslag. Bovendien werd het geven van aalmoezen of fooien aan almanakbrengers verboden.

Dit verbod  werd eind 1695 en eind 1713 nog eens herhaald, omdat de kleine ambtenaren zich er niet aan hielden. Het laatste verbod noemt het rondbrengen van almanakken onomwonden als een van de “bedelariën op nieuwjaersdagen”. Naast ontslag kwam er opnieuw een boete van ƒ 6,- op te staan.

Kortom, het rondbrengen van almanakken werd  beschouwd als (verkapte) bedelarij. Een algemeen verbod, medio zeventiende eeuw, bleek echter niet te handhaven, zodat de heren het later hebben toegespitst op hun laagste ‘officianten’. De heren wilden niet dat deze als bedelaars werden gezien, wat natuurlijk ook te denken zou geven over de schrale salariëring.

Met de inhoud van de almanakken had dit weinig te maken. De Groninger synode stoorde zich vanaf  1685 weliswaar bijzonder aan almanakken met “scandaleuse bijvoegselen” – vooral als die het kerkelijke huwelijksformulier satirisch op de hak namen – maar met het verbieden van zulke bijvoegsels mikten  het stadsbestuur en de staten in 1688 en 1713 op de boekdrukkers en -binders en niet op kleine stadsambtenaren.


De drukste vaarroute?

Drukte bij de Groninger suikerfabriek, Het Noorden in Woord en Beeld, 6 november 1925

‘Honderd jaar geleden was het Hoendiep de drukste vaarroute van Nederland’, lees ik hier.

O ja, is dat zo, vraag ik me dan af. Klopt dat?

Voor een antwoord op die vraag ben ik te rade gegaan bij het verslag over 1921 van de gemeente Groningen, het ontegenzeggelijke begin- en eindpunt van alle Groninger scheepvaartkanalen van enig belang. Als het Hoendiep hier al niet de drukste vaarroute was, dan kan het dat evenmin zijn geweest in heel Nederland.

De tabel op pagina 175 van dat gemeenteverslag splitst de schepen die dat jaar de Groninger kanalen  hebben bevaren op in drie categorieën: zeeschepen, binnenschepen en houtvlotten. De aantallen zeeschepen waren zeer laag: op het Eemskanaal waren het er 4, op het Reitdiep slechts 3. Meestal zal het gegaan zijn om coasters die van of naar een werf gingen. Het Hoendiep werd bevaren door geen enkel zeeschip.

Ook bij de houtvlotten ging het om kleine getallen: het havenkantoor aan de Noorderhaven registreerde er dat jaar 16 op het Reitdiep, 12 op het Eemskanaal en 6 in het kluster Verbindingskaaal-Hoornsediep-Eendrachtkanaal-Hoendiep. Noch qua zeeschepen, noch qua houtvlotten stak het Hoendiep er dus bovenuit.

Resteert de veruit belangrijkste categorie, die van de binnenvaartschepen. De stad-Groninger kanalen in  volgorde van druk naar minder druk:

Kanaal / klusterAantal binnenschepenTotale inhoud in kubInhoud gem. schip
Reitdiep2564272.860106,4
(Oude)Winschoterdiep2404161.42567,2
VBK, Hoornse- + Hoendiep2184182.81483,7
Eemskanaal1156150.989130,6
Boterdiep17412.44171,5
Damsterdiep17310.87162,8

Op het Reitdiep en het Winschoterdiep voeren dus de meeste binnenvaartschepen, daarna kwam pas het kluster waarvan het Hoendiep deel uitmaakte. Voor het Hoendiep alleen zal het cijfer nog beduidend lager uitgevallen zijn. Anderzijds viel het opgegeven getal voor het Winschoterdiep juist te laag uit, omdat hierbij niet werden meegerekend de 581 schepen die bij de gemeentelijke verzamelplaats van faecaliën, kortweg de Drekstoep, hun lading kwamen ophalen. Die Drekstoep zat bij het oostelijke uiteind van het Helperdiepje dat hier op het Winschoterdiep uitkwam. Doorgaans was de frisse lading die hier werd ingenomen bestemd voor Oost-Groninger dalgronden en ging de reis dus ook weer via het stad-Groninger deel  van het Winschoterdiep, dat al met al bevaren werd door 2965 schepen en daarmee helemaal ver voor het Hoendiep kwam, althans qua drukte in de stad.

De bewering dat het Hoendiep het drukst bevaren kanaal van het land  was, honderd jaar geleden, kan je dus met een korrel zout nemen. Misschien was dat periodiek even zo, in het najaar, tijdens de suikerbieten en strokartoncampagnes (die ook veel scheepvaartverkeer in de stad genereerden), maar dat gold zeker niet voor de rest van het jaar. Qua totale inhoud kwam het Hoendiep wat minder ver achter, en was het een goede tweede achter het Reitdiep. Overigens droeg ook het formaat van de schepen bij aan deze klassering: de schepen waren op het Hoendiep gemiddeld het grootst na die op Eemskanaal en Reitdiep.

Een slimmerik zou nu kunnen tegenwerpen dat Hoogkerk met zijn strokarton- en  zijn suikerfabriek ook nog schepen buiten de stad om kreeg, namelijk via het Hoendiep vanuit het westen en via het Aduarderdiep vanuit het noorden. Helaas hield de gemeente Hoogkerk in haar jaarverslagen geen cijfers hiervan bij, zodat het effect niet valt te begroten.

Voorlopig is mijn conclusie dat het Winschoterdiep honderd jaar geleden de drukste vaarroute van Groningen was, al waren die binnenvaarders hier aan de kleine kant, en zal het Hoendiep in het najaar tijdens de suikercampagne heel misschien wat drukker geweest zijn. Buiten die najaarspiek om en over het hele gehele jaar genomen bleef het Hoendiep echter achter. De stelling dat het generiek de drukste vaarroute was, houdt geen stand.

Binnenkort nog maar eens kijken of de provincie ook scheepvaartcijfers in haar verslagen heeft staan.


Bartje en het mysterie van de anonieme aanwinst

Bartje mag dan niet voor brune bonen bidden, hij was verzot op witlof, althans volgens de Groninger groenteveiling of een daar actieve groothandel, die (Drentse?) witlof pondsgewijs in puutjes verpakte, die hun weg vonden naar de Duitse markt.

De verpakking lag samen met enkele brochures en andere memorabilia van de groenteveiling aan de Peizerweg op mijn werktafel bij de Groninger archieven. Het spul moet er neergelegd zijn na mijn pensionering in juni, waarschijnlijk tijdens de vakantie van mijn oud-kamergenoot. Mogelijk gebeurde dit door een oud-werknemer van groothandel Stavasius. Uiteraard worden de spullen in dank aanvaard bij de Groninger Archieven, maar intussen prangt nog wel de vraag wie ze er heeft gedeponeerd of laten deponeren. Zou de gullen gever zich asjeblieft willen melden, hetzij bij het archief, hetzij bij mij? Het is altijd aardig om ook wat contextuele informatie te hebben. Alvast bedankt!


Doodslag en zoengeld

De Afghaanse Taliban spelen wel mooi weer voor de buitenwacht, maar zijn niet van zins hun strafrechtelijke praktijken te hervormen, zo bericht Associated Press. Executies zullen misschien niet meer in het openbaar worden voltrokken, maar verder verandert er niets ten opzichte van de jaren negentig. In het bericht trof mij vooral deze passage:

Executions of convicted murderers were usually by a single shot to the head, carried out by the victim’s family, who had the option of accepting “blood money” and allowing the culprit to live.

Dat accepteren van een ‘vergoeding’ of zoengeld door de nabestaanden van het slachtoffer in ruil voor genade voor de moordenaar, was een mogelijkheid die begin 17e eeuw ook nog in Groningen en Drenthe bestond. Ik kwam deze meermalen tegen. Bij de sententies door het stadsbestuur zit er bijvoorbeeld een uit 1616 wegens een doodslag, begaan door een Hindrik Cranssen, Deze nam de benen, terwijl het bloed van zijn slachtoffer “na dezen stadsboek niet bevredigd” was. Hij had zich dus niet verzoend met de familie. Daarom zou er op de uitvaart, bij het graf van de dode uit naam van de familie “moord geroepen worden”. Doordat hij zijn schuld niet delgde, was Cranssen vervallen verklaard van al zijn rechten en verviel hij van (half) civiele rechtsregeling in een puur lijfstraffelijke, als hij gepakt werd. Soortgelijk moordgeroep klonk ook in 1617 en 1618 nog bij begrafenissen na manslagen.

Naar het zich laat aanzien was Cranssen van een gegoede familie, voor het kunnen afkopen van een doodslag moest een dader ook wel over voldoende geld kunnen beschikken. Voor onbemiddelde daders gold deze mogelijkheid niet, die kregen, als de overheid de hand op ze wist te leggen en hun delict voldoende bewezen achtte, te maken met de volle kracht van de wet in de vorm van zwaard, galg of rad.

De laatste keer dat ik zo’n vergoeding wegens doodslag tegenkwam, was bij een kwestie in Havelte, ca. 1670. De kandidaat voor een bepaalde functie kwam volgens diens tegenstanders niet in aanmerking omdat ze die functie zagen als vergoeding wegens een doodslag begaan door de lokale schulte Struuck.

Het afkopen van doodslag met zoengeld was een regeling die in de Middeleeuwen veelvuldig werd toegepast bij vetes. In dit opzicht loopt Afghanistan opnieuw een half millennium achter.


“Erkend de beste” – een raambiljet voor Niemeijers Ster-tabak (1932)

Gister meegekregen voor de collectie documentatie van het archief: een verfomfaaide, maar nog wel vlak te krijgen reclame voor diverse soorten pijptabak onder het merk Ster van Niemeijer. Waarschijnlijk betreft het een raambiljet, omdat de achterkant blanco is gelaten, terwijl je bij een directe consumentenbestemming een kleiner formaat met een dubbelzijdige bedrukking zou verwachten.

Het biljet maakt tevens propaganda voor het bonnenstelsel van Ster/Niemeijer: van een houten tabakspijp voor de bonnen bij afname van 6 pond, tot een heuse salon-asbak op koperen stander met kristalschaal en luciferhouder voor bonnen bij in totaal 120 pond. Voorwaar een luxe bezit!

Gezien het “Stoomtabaksfabriek” en de dubbele e in “completeerende” en “afdeeling” dateert het biljet van voor de spelling Marchant (1934), terwijl de vier plaatjesalbums waarvan rechtsonder sprake is, uitkwamen in de jaren 1929-1932. Het raambiljet zal dus in 1932 of hooguit 1933 te zien zijn geweest.

Met het biljet kreeg ik nog een setje geelkoperen jugendstil/art déco pijp-asbakken mee, en een kinderboekje, De Kabouterwinkel, met tekeningen van Freddie Langeler. Ook dit waren cadeaus van Niemeijer. Het boekje is in de jaren vlak na de oorlog meermalen opgelegd, terwijl de asbakken weer uit de vroege jaren 30 zullen stammen. Het geheel maakt de indruk uit de boedel van een kruidenier te komen.

Met dank aan Yinnar.


Graffiti assorti

Rode kat bij de Oude Stationsstraat:

Blije stadsfietsers, Hoekstraat of Muurstraat:

Katachtige met drie ogen en een, op de sabeltanden na, ontbrekend ondergebit. Omgeving Stadsstrand/Singeweg:

Koffiedrinkster – ook daar:


Huize Hakbijl

Deze advertentie kwam ik tegen in een VVV-achtige uitgave uit 1935, verzorgd door het reclamebureau Realta, dat “in samenwerking met” het Noordelijk Economisch en Technologisch Bureau NETO soortgelijke propaganda verzorgde in de vorm van Groningen en Drenthe in den opgang!.  

Dat er vroeger particuliere inrichtingen bestonden, waar de beter gesitueerde “zenuwzieken” een uitstekende verzorging genoten in een aangename, rustige en vooral ook lommerrijke omgeving, was me bekend. In Groninger stukken uit de achttiende eeuw is soms al sprake van dergelijke “verbeterhuizen”, al stonden die meestal op enkele dagreizen afstand.

Huize Hakbijl kende ik nog niet. Volgens vestigingsadvertenties in een select aantal noordelijke kranten, opende het eind maart 1933 zijn deuren in Villa Volonté, destijds een groot en gezichtsbepalend pand aan de Verlengde Hereweg, op nummer 189. De Noord-Ooster uit Veendam besteedde er op 4 april zelfs nog een redactioneel stukje aan, dat de advertentie nog eens dunnetjes uitkauwde

In villa „Volonté” aan den Verlengden Heere weg 189 te Groningen heeft de heer Hakbijl een inrichting geopend voor de verpleging van rustbehoevenden en lichte zenuwpatiënten. De villa is voor dit doel wel bijzonder geëigend: zij is gelegen in een buitengewoon aantrekkelijke omgeving en biedt aan de gasten al het comfort, dat men zich kan wenschen, ook kamers met warm en koud, stroomend water. De tuin biedt bij goed weer gezellige zitjes en noodigt uit tot een wandeling. Het uitzicht is onbelemmerd, terwijl overal volkomen rust wordt gewaarborgd. Het spreekt vanzelf, dat vooral ook aan de keuken de grootst mogelijke zorg wordt besteed.

Directeur-eigenaar Willem Frederik Hakbijl, was waarschijnlijk afkomstig uit de regio Rotterdam, en eerder gérant van sociëteit De Harmonie, maar daar in april 1932 wegens “persoonlijke kwesties” de laan uitgestuurd als pachter, hoewel zo’n 200 leden nog voor hem opkwamen. Naderhand bleek dat het conflict ging over het draaien van films in de Harmonie, hoewel de sociëteit zich solidair had verklaard met de Groninger bioscoopstaking. Hakbijl huurde Villa Volonté begin 1933 van K. Hooites Meursing, een fabrikant uit Hoogezand. Over de inrichtingsplannen schreef het Nieuwsblad:

dat een staf van verpleegsters onder leiding van een directrice aan de nieuwe inrichting zal worden, verbonden. Eenige Groningsche artsen hebben voor dit herstellingsoord veel belangstelling aan den dag gelegd, omdat zij hierin de mogelijkheid zien, dat hun patiënten voor een na-kuur nu in de buurt van de stad kunnen blijven, terwijl zij anders ver weg moeten.

Blijkbaar was het Noorden toch iets te beperkt als wervingsgebied, want naderhand (1935-1936) adverteerde Hakbijl uitsluitend nog in het landelijk verschijnende De Standaard. Gezien de antirevolutionaire signatuur van dat dagblad verwachtte Hakbijl vooral klandizie te kunnen krijgen vanuit gereformeerde kring.

In februari 1936 vroeg Huize Hakbijl nog een “net meisje voor dag en nacht, goed kunnende werken en katoen dragend”. Hadden andere stoffen een ongewenste uitwerking op de bewoners? Twee maanden nadien viel het doek voor Huize Hakbijl, althans, de handelsnaam werd gewijzigd in ‘Kliniek Volonté’. Wat inderdaad wel zo rustgevend klonk.

De kliniek bestond nog in 1941. Hakbijl bleef intussen in de stad Groningen wonen, maar veranderde van werkkring. Als ambtenaar van de distributiedienst kwam hij eind 1941 met veertien collega’s landelijk in het nieuws door fraude met ongedateerde distributiebonnen. Na de oorlog werd hem dat duidelijk niet meer aangerekend, want toen dook hij op als “comptabele” bij het Provinciaal Bureau voor Bijzondere Jeugdzorg. Waar hij overleed, is onbekend.


Hoe het GGG adverteerde

In het archief van het Gemeentelijk Gasbedrijf Groningen (GGG) zitten enkele dossiertjes over de contacten met het reclamebureau Realta, dat in de jaren 30, 40 en 50 de publiciteit voor de GGG regelde. Het ging voornamelijk om advertenties in kranten, waarbij voor de oorlog de regelprijs bij het Nieuwsblad van het Noorden (15 cent), beduidend hoger bleek dan die van het Volksblad (10 cent), Ons Noorden ( 9 cent), Nieuwe Provinciale Groninger Courant (8 cent) en het Groninger Dagblad (8 cent). Waarschijnlijk hing dit samen met de oplagen – die van het ‘neutrale ‘Nieuwsblad was immers veel hoger dan die van de sociaaldemocratische, katholieke, gereformeerde en oud-liberale concurrenten.

Omdat Realta goed was in tekenwerk, was ik daarnaar op zoek. De oogst viel tegen. De modelletje en drukproeven in beide dossiers bevatten nauwelijks iets van dien aard. Voor de liefhebber hier een kleine dwarsdoorsnede van het spul dat ik aantrof:

  • Modelletje voor een stopper (bedoeld voor tussen de rubrieksadvertenties), die zich richt op zindelijke en verstandige huismoeders::
  • Een in vergetelheid geraakte innovatie – het gasstrijkijzer:
  • Toen er nog geen gas (en electra) was, moest je voor heet water ’s morgens eerst vuur in de haard aanmaken, of een wekker (m/v) inhuren die je het kwam brengen. Met ’t stadsgas van het GGG had je 24 uur per dag en zeven dagen in de week heet water tot je beschikking:
  • Proefdrukje van eind 1942 maakt landelijke boeteregeling bekend voor mensen die meer gas en elektriciteit gebuikten dan hun rantsoen toestond:

Bron: Groninger Archieven, Toegang 1441 (archief gasbedrijf) inv.nrs. 359 en 821: contacten met Realta.


Brouwerijvoorraden leveren kluinrecept op

Als op 10 oktober 1722 de Groninger brouwer, olderman der brouwers en hopman van de Groninger burgerwacht Gerlof van Suirenhuisen overlijdt, laat hij onder meer zijn brouwerij met ketels en kuipen in de Brugstraat zuidzijde na. Eerst wordt dit bedrijf voortgezet door zijn tweede vrouw, de uit Utrecht afkomstige Agnes Gaillard (of Galjaard). De weduwe krijgt het er nog druk mee, want getuige de aandelen in huizen en panden en diverse schuldbrieven leverde de brouwerij kluinbier aan herbergen en tapperijen in onder meer Vierverlaten, Enumatil, Leek, Tolbert en Marum, dus in het gehele Vredewold, maar ook in de stad en in Baflo. Mogelijk dat een kortingsregeling in de vorm van “geschenken” of “vereeringen” de afzet van de brouwerij vergrootte. Zo’n regeling wordt namelijk een paar keer genoemd in de zeer uitgebreide boedelinventaris, die er van Gerlofs van Suirenhuisens nalatenschap opgemaakt is.

Onder meer bevat deze boedelinventaris twee voorraadstaatjes van kluin in de kelder en ingrediënten op zolder. Het oudste staatje, dat evenwel later in het stuk verschijnt, dateert waarschijnlijk van 28 januari 1723:

Terwijl het jongste staatje op 30 maart 1724 is opgemaakt:

In het ene geval lagen er 15 tonnen kluin (à 155) liter in de kelder aan de Brugstraat, terwijl het ruim een jaar later 19 tonnen waren. Van lichter stuiversbier is geen sprake. Ook zijn de mout- en hopvoorraden in tweede instantie veel groter. Het zijn maar momentopnamen, natuurlijk – hooguit zou je met een slag om de arm kunnen zeggen dat de zaak er onder het bestier van de weduwe Van Suirenhuisen-Gaillard niet op achteruit ging. Ook uit de gezolderde ingrediënten kan je eigenlijk geen ontwikkeling opmaken. Het gaat me dan ook niet om de verschillen tussen beide staatjes, maar om een overeenkomst:

JaarHopGerstemoltHavermoltMolt beidePerc. haver
17231,5 mud414,5 mud26,5 mud441 mud6,0 %
172416 mud630 mud61 mud691 mud8,8 %

Zoals we weten, ging er een flinke dot haver in de kluin, dat roemruchte want uiterst lekkere Groninger bier, maar is onbekend hoeveel haver dat was in verhouding tot de gerst. Bij beide voorraadopnames in de brouwerij aan de Brugstraat was de hoeveelheid havermolt echter minder dan 10 % van alle mout samen (zie laatste kolom), veel minder dan de 40 % die wel eens genoemd wordt. Op basis van deze cijfers zou je zeggen dat je als kluinbrouwer met één deel havermolt op negen of tien delen gerstemolt al aan de ruime kant zit. Vanaf die verhouding zou je de hoeveelheid haver in je kluin wellicht nog wat omlaag kunnen brengen voor de juiste historische smaaksensatie.

Uiteraard gaat het maar om één enkele brouwerij, maar met de voorraadstaatjes van andere brouwers uit het archief van de Weeskamer is de receptuur wellicht nog wat te verfijnen.

Bron: Groninger Archieven, Tg. 1462 (archief Weeskamer) inv.nr. 14 (boedelinventarissen) 1724-22a (scans 527 e.v., met name 561 (1724) en 585 (1723).