Beknopte bio van George de Lalaing , graaf van Rennenberg, de stadhouder die overliep

“Op desen [Casper de Robles] is gevolgt Georg de Lalain, Graaf van Rennenberg, die, de zyde der Spanjaarden in ’t begin verlaten hebbende, uit last der Staten Groningen heeft belegert, dat tóch binnen korten door zyn verraat in een oploop by nacht weer in handen der Spanjaards is gevallen, wordende de braafste uit de Regering in gevankenis geworpen, zelfs de deugdzame Borgemeester Hillebrands, myner vrouwen overgrootvader, om hals gebragt, de Omlanden afgelopen, de sterktens en vastigheden overal ingenomen. Ten lesten is hy door wroeging van een quaad geweten geprikkelt, met groot leetwesen over zyne gebroke trouw, na alvorens zyne goederen doorgebragt te hebben, aan de teringe gestorven.”

Bron: Jacobus Gleintz JUD, Groningens Stadhouder- en lieutenantschap, der Hooftmannen kamer, van eerster opkomste der stad tot op dezen tegenwoordigen tyd : nevens eene lijste aller stadhouderen zo van zijde der Spaansche als Vereenigde Staten (1727) 13.

Advertenties

Een weerkundige waarneming van Antoon Adriaan van Iddekinge

“De Wel Ed[el] Gestrenge Heer A.A. van Iddekinge, Burgemeester der stad Groningen enz. enz., een opmerkzaam onderzoeker van de natuur en inzonderheid van de kruidkunde, heeft my verhaald dat het meer dan eens is waargenomen, dat wanneer de Hofvyver in ’s Hage by stil weder des nagts maar even met ys overdekt was, de jongens dien dag te Groningen op schaatsen reden.”

Aldus de geneeskundige I.J. van den Bosch in 1778. Antoon Adriaan van Iddekinge, niet alleen burgemeester van Groningen, maar ook de luitenant-stadhouder en daarmee veruit de machtigste man van Stad, moest regelmatig verschijnen in de Staten-Generaal en aan het Hof in den Haag. Daar merkte hij het uiteraard op als er één nacht ijs op de Hofvijver lag. Destijds hadden ze natuurlijk geen snelle communicatiemiddelen als telegraaf, telefoon, radio, TV en internet, maar door zijn correspondentie met het thuisfront kwam Van Iddekinge toch aan de weet dat op dezelfde dag de jongens in Groningen al scheuvelden. De conclusie die hij met Van den Bosch deelde mag dan voor ons niet zo verrassend zijn, maar was destijds het mededelen waard: er bestaat een temperatuurverschil tussen Den Haag en de stad in het Noorden.

Dat Van Iddekinge ook een natuuronderzoeker was, en zich toelegde op de botanie, is minder bekend. Meen ook wel eens te hebben gelezen dat hij nergens echt veel verstand van had, behalve dan van besturen. Maar ik herinner me nu ook dat bij de brand van zijn huis in de Oosterstraat, in 1777, een naturaliënkabinet met een grote schelpencollectie verloren is gegaan. Met dat kabinet zal dan ook het herbarium of de gedroogde plantencollectie verbrand zijn.

Bron: Iman Jacob van den Bosch, Verhandeling van de oorzaken, voorbehoeding en geneezing van ziekten uit de natuuryke gesteldheid van het Vaderland voortvloeijende, dl. XVIII (1778) van de ‘Verhandelingen uitgegeeven door de Hollandsche Maatschappye der Weetenschappen te Haarlem’, bepaaldelijk pag. 112.


Op het oude Rijksarchief

Foto: Elmer Spaargaren.

Schrijver dezes schijnbaar aan het werk in het oude Rijksarchief aan de Sint Jansstraat, najaar 1990. Ik heb een paar imposante bundels met stukken uit de Franse Tijd uit het depot laten halen, maar enkel voor de show. De Fibula, het blad van de Nederlandsche Jeugdbond ter Bestudering van de Geschiedenis (NJBG) had mijn beeltenis nodig bij een column van me en Elmer Spaargaren maakte die plaat.

Dat ik een tijd niet in dat archief geweest was, kan je zien aan het huishoudelijk reglement onder mijn rechter elleboog. Bij de receptie kenden ze me niet meer, vandaar dat ze me dat reglement toestopten. Onder mijn linker arm ligt een willekeurige lijst van stukken. In mijn hand heb ik een balpen van CE Couriers, het  bedrijf waarvoor een vriend van me werkte. Tegenwoordig mag je in de studiezaal niet meer met een pen schrijven, een verbod waarvan de doorvoering enige moeite heeft gekost.

Die studiezaal van het oude Rijksarchief, daar liepen wat types rond. Een liep constant in zichzelf te mompelen, gaf in het heen en weer gaan ook wel commentaar op bezoekers. Een ander ging daarin nog een stuk verder. Toen ik een keer in een grijswitgevlekte parachutistenbroek volgens de laatste punkmode de studiezaal binnenkwam, werd daar luidkeels over geklaagd door een haler met een gebroken geweertje, die weigerde me nog te bedienen zolang ik die broek droeg.

Door de ijzeren kolommen, de onbeklede muren en het dunne linoleum op de betonnen vloer was het er extreem gehorig. Ik ben er wel eens berispt wegens het te luid omslaan van een blaadje.

Beeldbank: Rijksarchief


Vondsten uit het Frieschenveen

Zojuist gepost filmpje over de leerlingen van AOC Terra in Eelde, die de zuidoostkant van het Frieschenveen exploreren. Op de meeroever daar ligt een vooroorlogse stortplaats van blik, glas en email uit de stad Groningen:


Land van Belofte

Rijnlandse Historiebijbel, 15e eeuw. Berlijn.

Op last van zijn Heer zond Mozes verspieders uit naar het Land van Belofte. Ze dienden daar in Kanaän bijvoorbeeld te bekijken hoe de economie er floreerde. Ook moesten ze wat producten uit dat land meenemen. Nou begon net in die tijd de wijnoogst en vandaar dat een stel van die kerels terugkwam met een tros wijndruiven, “dien zij droegen met zijn tweeën, aan een draagstok” (Numeri 13).

Thesaurus sacrarum historiarum veteris testamenti. Nederlands, 1585. British Museum.

Eeuwen later noemden heel wat herbergiers in het toen nog bijbelvaste Nederland hun zaak Het Land van Belofte. Het beeldmerk lag voor de hand. Er kwam een stel kerels op de gevelsteen of het uithangbord te staan. Ze droegen een zware druiventros aan een forse staak tussen zich in.

Gemeentearchief Schiedam.

Hoek Nieuwe Beestemarkt, Leiden. Foto: FaceMePLS, Flickr.

Het beeldmerk lijkt nog niet helemaal vergeten, getuige dit recentere werk:

Felix Timmermans.

Toch zag je het niet bij de roemruchte kroeg op de hoek van de Vishoek en de Vijfde Drift in de stad Groningen, hoewel Het Land van Belofte hier behoorlijk oud was. Volgens dit jubileumbericht dateerde het immers uit 1826:

Nieuwsblad van het Noorden 28 oktober 1926.

Waarschijnlijk heeft dat café dus wel ooit dat beeldmerk gevoerd, maar ging het op zeker moment verloren. Men associeerde de naam vervolgens vooral met de rondom gelegen hoerenbuurt:

Toen de prostitutie hier eind vorig jaar eindelijk verdween, vormde dat voor het Noordelijk Scheepvaartmuseum aanleiding voor een soort van afscheidstentoonstelling:

Waar meerdere peeskamers waren te zien:

In een ervan stonden wat ‘hoerenhondjes’ op de vensterbanken. Naar verluidt zouden zeelui die in vreemde havens van prostituees kopen, om er thuis moeder de vrouw mee te verblijden. Van deskundige zijde heb ik dit verhaal echter apocrief horen noemen.

Ook die tentoonstelling heette weer Het Land van Belofte, maar dan naar de kroeg. De hele bijbelse connotatie met dat beeldmerk bleek vergeten. Wat ik ergens wel jammer vond, maar toch ook veelzeggend voor onze ontkerstende Stad.

(Plaatjes uit een teruggevonden mapje.)


Balboekjes

Teruggevonden bij het archiveren en taggen van mijn foto’s – twee balboekjes voor het danspartijtje van Mimi Hesse in 1900:

Boekjes is eigenlijk een groot woord, want het betreft dubbelgevouwen kaartjes. In dit geval waren die van een jongedame. Op de binnenkant van haar balboekje tekenden jongeheren in op de dansen van het programma:

Dat muzikale programma bestond voornamelijk uit walsen en polka’s. Deels zijn die doorgedrongen in het ijzeren volksdansrepertoire, dus nog wel bekend en identificeerbaar:

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 1774 (bibliotheek documentatie)  inv.nr. 3947.


De dubbele muren van ‘t nieuw Rozendal

Thomas von der Dunk behandelt in zijn artikel over Amsterdamse inzendingen bij de Groninger stadhuisprijsvraag van 1774 onder meer de vormgeving van de kerkers in het nieuw te bouwen stadhuis. Onder het oude, nog af te breken, middeleeuwse raad- en wijnhuis zaten al kerkers in een kelder die – hoe ironisch – het Rozendal was geheten en dat Rozendal moest uiteraard een vervangende voorziening krijgen in het nieuwe stadhuis.

“Het Groningse prijsvraagprogramma was hierover helder”, aldus Von der Dunk: “elke ontwerper had in zijn stadhuis gelijkvloers drie of vier cellen te construeren, ‘en dan nog eenige zeekerder en zwaarder gevangen Kamertjes onder den Grooten trap’”. Andere desiderata van het Groninger stadsbestuur betroffen een gijzelkamer (voor notoire debiteuren die vermoedelijk nog wel wat reserves achter de hand hadden) en pal naast de kerkers een verhoorkamer,

“licht scheppende op de Straat of Markt, dog aan dien kant voorzien met een dubbelde muur, opdat men er niet zoude konnen inzien, of van buiten eenig geluid hooren’.

De gevoelige oren van passanten op de Grote Markt moest het akelig geschrei der ijslijk gefolterden uiteraard bespaard blijven. Volgens Von der Dunk hielden de meeste mededingers bij de prijsvraag zich keurig aan de Groningse opdracht. Jan Bolten bijvoorbeeld, had er zorgvuldig op gelet dat de gevangenen met niemand binnen of buiten contact konden leggen, terwijl zijn gijzelkamer geen schoorsteen kreeg,

‘om de kwaade gebruiken die gegijzelde perzoonen met dezelve en met vuur zoude konne uitrigte’.

De dubbele muur voor de verhoorkamer kwam in de meeste ontwerpen voor. Ook in het winnende van Husly, dat, aldus Von der Dunk, “de Groningse burgemeesters duidelijk geen enkel risico op ongewenste ontsnappingen wilde laten lopen”. Naast de dubbele muren kwamen er in Husleys ontwerp nog driedubbele deuren voor de normale cellen en drie extra-speciale ‘Zwaare Gevangen Kamers’ voor notoir vluchtgevaarlijken.

Men vraagt zich af wat van deze Groninger EBI is geworden. Vermoedelijk functioneren ze nu als voorraadhokken voor kopieerpapier en pakken koffie.

Bron: Thomas von der Dunk, ‘Amsterdamse bouwmeesters aan de slag voor Groningen’, pag. 48-67 in het pas verschenen Historisch Jaarboek Groningen 2017, in het bijzonder 60-63.