Wintertijd en zomertijd in Stad

In hartje winter, tussen half en eind januari, gingen de stadspoorten ’s avonds om 17.00 uur dicht, zij het eerst op het klinket. Tegen betaling van een luttel poortgeld liet de poortier je nog tot 21.30 binnen, daarna kwam de definitieve poortsluiting die tot ’s morgens 5.00 uur duurde. In de winter kwam je dus zonder duiten 12 uur per etmaal de poort niet in.

Hartje zomer, tussen half mei en half juli, ging de poort veel later op het klinket, pas om 21.00 uur. Om 22.00 uur kwam je er niet meer in wegens poortsluiting. Die duurde dan echter maar tot 4.00 ’s morgens. In de zomer kwam je dus zonder duiten 7 uur per etmaal de poort niet in.

Bron: Resolutie Burgemeesteren & Raad van Groningen 8 oktober 1774.

Advertenties

De Stad, haar wallen, de molens en de wind

Zo van 1620 tot 1875 telde de stad Groningen 17 dwingers in de stadswal. Volgens de kaart van Haubois (ca. 1640) gingen die in 12 gevallen (dus de grote meerderheid) vergezeld van standerd- of roggemolens. Haubois tekende deze allemaal met het gevlucht naar het noordoosten – op zijn kaart waait een wind zoals we die momenteel ook hebben.

Van deze standerdmolens is wel ongeveer bekend, wanneer ze verdwenen zijn. Ik ga ze vanaf het noorden kloksgewijs langs, om wat bijzonderheden te melden, waarbij ik het jaar dat zo’n molen verdween – veelal door plaats te maken voor een bovenkruier – ontleende aan het artikel van Bob Poppen.

Op een podium of molenberg aan de binnenkant van de Boteringedwinger, met de sarrieshut aan de voet. Deze standerdmolen werd als laatste als laatste gesloopt, in 1784:

Precies zo’n situatie tref je aan bij de Ebbingedwinger, waar de standerdmolen al in 1703 weggehaald werd:

Bij of in de drie dwingers tussen de Ebbinge- en de Poeledwinger, aan de oostkant van de Stad, had je volgens Haubois geen molens, waarschijnlijk omdat deze locaties zich bevonden in de windschaduw of lijzijde van de stad. Een van die dwingers, de Jacobijner-, diende als militaire executieplaats. De volgende standerdmolen vinden we pas in de Poeledwinger. Deze verdween voor 1733:

Bij de zuidoostelijk gelegen Steentildwinger stond weer geen molen. Maar bij de Drenkelaarsdwinger heb je weer de molenberg aan de binnenkant van de dwinger met de sarrieshut aan de voet van de molen, die in dit geval voor 1694 het veld ruimde:.

Van de standerdmolen bij de Oosterdwinger is onbekend wanneer deze plaats maakte voor een ander molentype:

Ik denk echter dat we daarvoor kunnen afgaan op die van de Heredwinger, welke verdween in 1672, bij het beleg door Bommen Berend. In deze dwinger zie je ook een waterdobbe, en waslijnen van een bleker:

De Oude Rondeelsdwinger aan de zuidwestkant van de stad, waar de meestal heersende zuidwestenwind de grootste kracht had, was een van de twee dwingers met meerdere standerdmolens. De ene stond zoals gewoonlijk aan de binnenkant en de andere in het midden van de dwinger. Dat laatste was een unicum. De ene molen verdween al voor 1643, de andere pas in 1759:

Overzien we nog even de standerdmolens aan de zuidkant van de stad, dan blijkt dat die hier vergelijkenderwijs het vroegst verdwenen zijn. Dat zal samenhangen met het beleg van 1672, maar ook met de ophoging van juist deze wallen in de jaren 1690 – hier lagen ze op de niet onder water te zetten hondsrug. Juist op deze wallen was het beleg ook geconcentreerd geweest.

Eveneens in het zuidwesten: de Marwixdwinger – de standerdmolen hier verdween in 1731

Terwijl die in de verder lege A-dwinger voor 1771 plaats maakte:

Twee standerdmolens staan er weer aan de binnenkant van de westelijke Kranedwinger, met opnieuw een waterdobbe in de dwinger zelf. Waarschijnlijk moest deze ook bluswater leveren, als een molen droogliep en in brand vloog. Deze molens werden vrij laat gesloopt, namelijk voor 1778, en voor 1781. Let ook eens op het grote schip (een fluit?) dat niet door de waterpoort kan en daarom buiten de stad in het Reitdiep ligt, naast de Kranepoortenbrug::

Bij de Reitdiepsdwingers zien we een standerdmolen die voor 1743 verdween. Deze stond onmiddellijk bij de Westindische werf, als je goed kijkt zie je er ook wat scheepstimmerlui bezig met hun bijltjes:

En weer helemaal terug in het noorden, tot slot, de standerdmolen in de Jatsdwinger, vlakbij een afgeschermd arsenaal in de dwinger zelf. Omstreeks 1700 verdween deze molen.

Enkele conclusies na deze rondgang:

  • Bij de oostelijke wallen zaten de minste standerdmolens. Verder had je er in totaal 14 in 12 van de 17 dwingers staan.
  • Bij de zuidelijke wallen verdween dit molentype het eerst, al in de zeventiende eeuw, dankzij het beleg en de versterking van deze wallen nadien.
  • Op de plekken waar de wind uit de overheersende richtingen, namelijk zuidwest en west, de omwalde stad binnenkwam, verdubbelde het aantal molens in sommige gevallen.

Grafschrift voor de kleine grauwe in het Euvelgunnerland

We kunnen helaas weer een grafschrift schrijven! Op de wandeling bij Groningen langs het Winschoterdiep kon men de kleine grauwe zien staan in de sappige groene weiden van het Euvelgunnerland; dapper en taai zwaaiend met de lage wieken in den buiïgen wind onder de geweldige Noorder-wolken; grijs en stil droomend bij zijn tochtsloot in zomeravondnevel en mist, of zwart en armelijk gedoken in een oneindigheid van sneeuw maar altijd met de dunne „taille” en het zware „hoofd’ van de echte „standerd-molen”, een mooie, eenzame figuur in de vlakte.

Zijn leven is nu uit. De trouwe vechtersbaas is sedert begin November verdwenen, als zoovelen. Zijn portret geven we hier nog. Heel ver achter hem rijst de Martini, die eens zelfs vele „standerd-molens” op de „dwingers” van de omwalling beneden zich zag.

Bron: Het Noorden in woord en beeld, jrg 1 (1925-1926) nr. 36, 4 december 1925.


Olde Reithok 2

Ik denk dat ik gister geblunderd heb. Als de afgebeelde molen het Olde Reithok was, moest de zichtlijn op het bovenstaande kadasterkaartje conform de richting van de pijl zijn. Maar dan moest huisje A een stuk dichterbij die zichtlijn staan en zelfs over de rooilijn heenkomen omdat het tweede huis op de afbeelding rechts een stuk uitstak voorbij het eerste huis.

Nou valt hier misschien nog wel een mouw aan te passen, omdat er tussen de vervaardiging van de prent en de opname van het kadaster iets kan zijn afgebroken. Maar we zien op de kadasterkaart ook een achtkantige molenplattegrond in plaats van de vierkante die past bij een standerdmolen. Reithok (in modern Gronings raaithok) slaat bovendien op een met riet gedekte molenruimte, terwijl de afgebeelde standerdmolen met hout bekleed was. Deze was dus niet het Olde Reithok. Weg toeschrijving.

Aan de andere kant: ik hou er wel een verhaal aan over wat betreft standerdmolens in de provincie Groningen. Binnenkort daarover meer.


Olde Reithok

Collectie Groninger Archieven 917-10302-1.

Liep bij de Beeldbank Groningen tegen dit plaatje aan, dat ik niet kende. Volgens het bijschrift betreft het een aquarelletje uit de eerste helft van de negentiende eeuw in het familiearchief De Marees van Swinderen. Op de Beeldbankpagina wordt de voorstelling omschreven als:

Stadsgezicht nabij de wallen. Op de achtergrond een molen in een dwinger (?). Rechts enige huisjes vermoedelijk tegen de stadswal gebouwd.

Inderdaad doet het plaatje wat romantisch aan, de datering zit dus wel goed., al is ze wat ruim. Vanwege het molentype en de locatie deed het plaatje mij meteen denken aan het (Oude of Olde) Reithok, ook wel de (Oude) Reithoksmolen genoemd, een korenmolen in de Kruis(straat)dwinger. Deze heeft bestaan van 1636 tot 1832 toen hij is afgebrand. De huidige locatie is Noorderplantsoen in het verlengde van de Grote Kruisstraat). Mogelijk was het verste huisje rechts de ‘sarrieshut’, waar de chercher woonde. Deze kleinste aller belastingcontroleurs zag toe op de betaling van het gemaal, een belasting op gemalen graan.

Ten tijde van het eerste kadaster, ca. 1830, stonden er nog vijf korenmolens op de Groninger wallen, qua uiterlijk meest lijkend op de molens zoals we die nu nog kennen. Het Oude Reithok was een uitzondering.

Vervolg

Bronnen: Voor de ‘huisnaam’ en de locatie zie het Groninger huisnamenbestand van Duco Kuiken: Groninger Archieven Toegang 1700 inv.nr. 5. Zie verder Kor Feringa’s register van Groninger straatnamen op Wikipedia.


Het Trouwe Arbeidersgankje


Het Stad-Groninger Verpondingsregister van 1806 maakt op de adressen X 195, X 196 en X 197 melding van drie aaneengesloten woninkjes, gelegen aan het “Trouwarbeidersgangje”. Op bovenstaand kaartje heb ik de steeg geel en de woninkjes lichtblauw ingekleurd. De steeg bevond zich ten noorden van de Nieuwstad en ten westen van de Folkingestraat. Als je vanaf het Zuiderdiep kwam en voorbij de synagoge linksaf sloeg, was je er na het vijfde pand rechts.

Het oudste stuk dat de bewuste gang noemt, is een koopakte van 1750. De steeg heet in dat stuk nog het “zogenaamde Trouwe Arbeidersgankjen”. Blijkbaar was die naam toen nog niet echt ingeburgerd, anders was dat ‘zogenaamde’ wel achterwege gelaten. Via de akte verkochten de erven Egbert Meijer twee  “kamers” (= eenkamerwoninkjes) voor de somma van 205 gulden, een teken dat het om zeer basale onderkomens ging.

In 1806 hadden de drie kamers aan de steeg drie verschillende eigenaren. X 195 was in handen van Catharina Suiring (1756-1836), ook wel de wed. Bos(s) genoemd. Deze arbeidersdochter had bijna honderd van zulke pandjes verspreid over de hele Stad en de Stadstafel en ook nog vastgoed her en der in de provincie (o.a. Leens, Garnwerd, Tinallinge en Noordbroek). Zij woonde niet in de Trouwarbeidersgang, waarschijnlijk in tegenstelling tot de beide andere eigenaars. X 196 was van de bejaarde Jan Heerkes, en X 197 van de jood Aäron Marcus.

Omstreeks 1830, ten tijde van het eerste kadaster waren de woninkjes aan het Trouwe Arbeidersgankje respectievelijk het eigendom van dezelfde Catharina Suiring, een weduwe Jan Roseboom, en de joodse gemeente.

Toen Catharina Suiring in 1836 stierf, liet ze getuige haar successiememorie een netto-vermogen na van ruim 15.000 gulden. Op haar lijst met vastgoed vinden we ook de kamer “op de Nieuwstad in Trouw Arbeidersgangje”. Deze was toen net verkocht voor 240 gulden. Suiring had het woninkje verhuurd voor 50 cent in de week oftewel 26 gulden per jaar. Het gaf dus een rendement van 11 % op de nieuwe koopsom. Andere pandjes deden qua jaarhuur zelfs 20-25 % van de waarde. Suiring was, kortom, een echte huisjesmelkster – geen wonder dat ze als arbeidersdochter zo’n vermogen naliet!

Om weer terug te gaan naar 1750 en de tijd dat de naam van de steeg nog niet zo ingeburgerd was – die naam moeten we niet letterlijk nemen, want waarschijnlijk had hij een religieuze achtergrond. Weliswaar rept de bijbel niet van de combinatie ‘(ge)trouwe arbeiders’ maar in de stichtelijke boeken van vooral bevindelijk-gereformeerde predikanten uit de periode 1680-1750 komt dit woordenpaar redelijk veel voor. In zulke werken stuurt de Heer zijn trouwe arbeiders naar de wijngaard of om de oogst binnen te halen – in hun Tale Kanaäns staat trouwe arbeiders overdrachtelijk voor predikanten.  Zo klaagde Jodocus van Lodenstein in zijn Geestelijke Opwekker, een posthume prekenbundel uit 1716, over “den grooten oogst en het kleyn getal der getrouwe arbeiders”. En Christiaan Stort rept in zijn geestelijk woordenboek (1743) van Gods “onvergankelijke zaadt, dat door de leraars en predikers als trouwe arbeiders in de harten der menschen uitgestrooit wordt”. Ook andere populariserende theologanten als Groenewegen (1693), d’Outrein (1702), Mobach (1740), Schortinghuis (1740) en Erskine (1744) bedienden zich in hun veelgelezen traktaatjes van de metafoor.

Houdt deze overdrachtelijke betekenis nu in dat er een predikant in het Trouwe Arbeidersgankje woonde? Nee, dat zeker niet – predikanten woonden elders, veel meer op stand. Maar de naam kan wel in de hand zijn gewerkt door een vrome bewoner, die misschien als  oefenaar of catechiseermeester optrad, en/of op andere wijze van zijn geloof getuigde.


‘Vinex Groningen 1040’

Schetsmatig plattegrondje van Groningen in de elfde eeuw. Oranje: het oorspronkelijke dorpje ten noorden van de Grote Markt (rond) en de Martinikerk (rechthoekig). Blauwgroen: het prefectenhof (vierkant), de bisschoppelijke Walburgkerk (rond), de bisschopshof (rechthoekig) en het patroon van parallelle straten ten zuiden van beide markten. Zwart de (latere) ringmuur/wal. Mochten de dorpelingen de Martinikerk nog als een sterkte beschouwen, dan ligt die ingeklemd tussen bisschoppelijke steunpunten.

Gert Kortekaas weet het nog goed. ‘Ik stond ‘s ochtends vroeg onder de douche, toen viel het kwartje.’ Dat moet zo ongeveer in 1991 zijn geweest. Hij dacht aan de oudste wal van de stad, het eerste plaveisel van de straten en het stratenpatroon, ‘en alles viel op zijn plek’.

Op dat moment ontstond een nieuwe theorie over het ontstaan van de stad: ‘De oudste kern ligt aan de noordzijde van de Grote Markt en de Vismarkt’, zegt hij, ‘want daar komen we het vroegste middeleeuwse materiaal tegen. Maar de straten ten zuiden van beide markten zijn pas in de 11e eeuw aangelegd, planmatig. Voor de wal groef men keileem op uit de ondergrond. Men gebruikte het leem voor de wal, met de vrijkomende keien legde men tegelijkertijd die straten aan, stel ik me zo voor.’

De nieuwe theorie was volstrekt in tegenspraak met de gangbare, waarin Groningen ontstaat uit een Drents esdorpje langs een dubbel wegstelsel – nu de Herestraat en de Oosterstraat – met dwarsverbanden. Gaandeweg merkte Kortekaas, dat die oude theorie niet strookte met wat er bij opgravingen in de stadsbodem werd aangetroffen. Vooral het onderzoek op de lokaties Wolters Noordhoff (Oude Boteringestraat) en het Rode Weeshuis en in een aantal rioleringsputten wakkerde zijn twijfels aan.

Waar de oude theorie steun vindt in de onregelmatige rooilijn van de Grote Markt zuidzijde, wijst Kortekaas voor zijn nieuwe op het uiterst regelmatige stratenpatroon ten zuiden van de markten: ‘Die straten liggen op exact dezelfde afstand van elkaar: negentig meter. Dat wijst op een ontwerp, op een planmatige aanleg.’

‘Vinex Groningen 1040’, zo noemt hij dat plan om het verschil met een organisch gegroeid dorp te beklemtonen. De tegenwerping, dat de planmatige aanleg zou dateren van na een grote stadsbrand medio 13e eeuw, wijst hij van de hand. ‘We kunnen die ene bron, de vermelding van een stadsbrand in de kroniek van Emo en Menko, niet verifiëren met een andere bron, zoals archeologisch onderzoek.’

Wel vermoed hij dat er ten zuiden van het Zuiderdiep nog een tweede esdorpje aan het stadsplan voorafging. ‘Maar de zone tussen beide dorpjes werd niet of nauwelijks bewoond, daar lag namelijk de es.’

Eerder verschenen in de serie ‘De Vondst’, Stad & Lande 2012 nummer 2.