“Erkend de beste” – een raambiljet voor Niemeijers Ster-tabak (1932)

Gister meegekregen voor de collectie documentatie van het archief: een verfomfaaide, maar nog wel vlak te krijgen reclame voor diverse soorten pijptabak onder het merk Ster van Niemeijer. Waarschijnlijk betreft het een raambiljet, omdat de achterkant blanco is gelaten, terwijl je bij een directe consumentenbestemming een kleiner formaat met een dubbelzijdige bedrukking zou verwachten.

Het biljet maakt tevens propaganda voor het bonnenstelsel van Ster/Niemeijer: van een houten tabakspijp voor de bonnen bij afname van 6 pond, tot een heuse salon-asbak op koperen stander met kristalschaal en luciferhouder voor bonnen bij in totaal 120 pond. Voorwaar een luxe bezit!

Gezien het “Stoomtabaksfabriek” en de dubbele e in “completeerende” en “afdeeling” dateert het biljet van voor de spelling Marchant (1934), terwijl de vier plaatjesalbums waarvan rechtsonder sprake is, uitkwamen in de jaren 1929-1932. Het raambiljet zal dus in 1932 of hooguit 1933 te zien zijn geweest.

Met het biljet kreeg ik nog een setje geelkoperen jugendstil/art déco pijp-asbakken mee, en een kinderboekje, De Kabouterwinkel, met tekeningen van Freddie Langeler. Ook dit waren cadeaus van Niemeijer. Het boekje is in de jaren vlak na de oorlog meermalen opgelegd, terwijl de asbakken weer uit de vroege jaren 30 zullen stammen. Het geheel maakt de indruk uit de boedel van een kruidenier te komen.

Met dank aan Yinnar.


Graffiti assorti

Rode kat bij de Oude Stationsstraat:

Blije stadsfietsers, Hoekstraat of Muurstraat:

Katachtige met drie ogen en een, op de sabeltanden na, ontbrekend ondergebit. Omgeving Stadsstrand/Singeweg:

Koffiedrinkster – ook daar:


Huize Hakbijl

Deze advertentie kwam ik tegen in een VVV-achtige uitgave uit 1935, verzorgd door het reclamebureau Realta, dat “in samenwerking met” het Noordelijk Economisch en Technologisch Bureau NETO soortgelijke propaganda verzorgde in de vorm van Groningen en Drenthe in den opgang!.  

Dat er vroeger particuliere inrichtingen bestonden, waar de beter gesitueerde “zenuwzieken” een uitstekende verzorging genoten in een aangename, rustige en vooral ook lommerrijke omgeving, was me bekend. In Groninger stukken uit de achttiende eeuw is soms al sprake van dergelijke “verbeterhuizen”, al stonden die meestal op enkele dagreizen afstand.

Huize Hakbijl kende ik nog niet. Volgens vestigingsadvertenties in een select aantal noordelijke kranten, opende het eind maart 1933 zijn deuren in Villa Volonté, destijds een groot en gezichtsbepalend pand aan de Verlengde Hereweg, op nummer 189. De Noord-Ooster uit Veendam besteedde er op 4 april zelfs nog een redactioneel stukje aan, dat de advertentie nog eens dunnetjes uitkauwde

In villa „Volonté” aan den Verlengden Heere weg 189 te Groningen heeft de heer Hakbijl een inrichting geopend voor de verpleging van rustbehoevenden en lichte zenuwpatiënten. De villa is voor dit doel wel bijzonder geëigend: zij is gelegen in een buitengewoon aantrekkelijke omgeving en biedt aan de gasten al het comfort, dat men zich kan wenschen, ook kamers met warm en koud, stroomend water. De tuin biedt bij goed weer gezellige zitjes en noodigt uit tot een wandeling. Het uitzicht is onbelemmerd, terwijl overal volkomen rust wordt gewaarborgd. Het spreekt vanzelf, dat vooral ook aan de keuken de grootst mogelijke zorg wordt besteed.

Directeur-eigenaar Willem Frederik Hakbijl, was waarschijnlijk afkomstig uit de regio Rotterdam, en eerder gérant van sociëteit De Harmonie, maar daar in april 1932 wegens “persoonlijke kwesties” de laan uitgestuurd als pachter, hoewel zo’n 200 leden nog voor hem opkwamen. Naderhand bleek dat het conflict ging over het draaien van films in de Harmonie, hoewel de sociëteit zich solidair had verklaard met de Groninger bioscoopstaking. Hakbijl huurde Villa Volonté begin 1933 van K. Hooites Meursing, een fabrikant uit Hoogezand. Over de inrichtingsplannen schreef het Nieuwsblad:

dat een staf van verpleegsters onder leiding van een directrice aan de nieuwe inrichting zal worden, verbonden. Eenige Groningsche artsen hebben voor dit herstellingsoord veel belangstelling aan den dag gelegd, omdat zij hierin de mogelijkheid zien, dat hun patiënten voor een na-kuur nu in de buurt van de stad kunnen blijven, terwijl zij anders ver weg moeten.

Blijkbaar was het Noorden toch iets te beperkt als wervingsgebied, want naderhand (1935-1936) adverteerde Hakbijl uitsluitend nog in het landelijk verschijnende De Standaard. Gezien de antirevolutionaire signatuur van dat dagblad verwachtte Hakbijl vooral klandizie te kunnen krijgen vanuit gereformeerde kring.

In februari 1936 vroeg Huize Hakbijl nog een “net meisje voor dag en nacht, goed kunnende werken en katoen dragend”. Hadden andere stoffen een ongewenste uitwerking op de bewoners? Twee maanden nadien viel het doek voor Huize Hakbijl, althans, de handelsnaam werd gewijzigd in ‘Kliniek Volonté’. Wat inderdaad wel zo rustgevend klonk.

De kliniek bestond nog in 1941. Hakbijl bleef intussen in de stad Groningen wonen, maar veranderde van werkkring. Als ambtenaar van de distributiedienst kwam hij eind 1941 met veertien collega’s landelijk in het nieuws door fraude met ongedateerde distributiebonnen. Na de oorlog werd hem dat duidelijk niet meer aangerekend, want toen dook hij op als “comptabele” bij het Provinciaal Bureau voor Bijzondere Jeugdzorg. Waar hij overleed, is onbekend.


Hoe het GGG adverteerde

In het archief van het Gemeentelijk Gasbedrijf Groningen (GGG) zitten enkele dossiertjes over de contacten met het reclamebureau Realta, dat in de jaren 30, 40 en 50 de publiciteit voor de GGG regelde. Het ging voornamelijk om advertenties in kranten, waarbij voor de oorlog de regelprijs bij het Nieuwsblad van het Noorden (15 cent), beduidend hoger bleek dan die van het Volksblad (10 cent), Ons Noorden ( 9 cent), Nieuwe Provinciale Groninger Courant (8 cent) en het Groninger Dagblad (8 cent). Waarschijnlijk hing dit samen met de oplagen – die van het ‘neutrale ‘Nieuwsblad was immers veel hoger dan die van de sociaaldemocratische, katholieke, gereformeerde en oud-liberale concurrenten.

Omdat Realta goed was in tekenwerk, was ik daarnaar op zoek. De oogst viel tegen. De modelletje en drukproeven in beide dossiers bevatten nauwelijks iets van dien aard. Voor de liefhebber hier een kleine dwarsdoorsnede van het spul dat ik aantrof:

  • Modelletje voor een stopper (bedoeld voor tussen de rubrieksadvertenties), die zich richt op zindelijke en verstandige huismoeders::
  • Een in vergetelheid geraakte innovatie – het gasstrijkijzer:
  • Toen er nog geen gas (en electra) was, moest je voor heet water ’s morgens eerst vuur in de haard aanmaken, of een wekker (m/v) inhuren die je het kwam brengen. Met ’t stadsgas van het GGG had je 24 uur per dag en zeven dagen in de week heet water tot je beschikking:
  • Proefdrukje van eind 1942 maakt landelijke boeteregeling bekend voor mensen die meer gas en elektriciteit gebuikten dan hun rantsoen toestond:

Bron: Groninger Archieven, Toegang 1441 (archief gasbedrijf) inv.nrs. 359 en 821: contacten met Realta.


Brouwerijvoorraden leveren kluinrecept op

Als op 10 oktober 1722 de Groninger brouwer, olderman der brouwers en hopman van de Groninger burgerwacht Gerlof van Suirenhuisen overlijdt, laat hij onder meer zijn brouwerij met ketels en kuipen in de Brugstraat zuidzijde na. Eerst wordt dit bedrijf voortgezet door zijn tweede vrouw, de uit Utrecht afkomstige Agnes Gaillard (of Galjaard). De weduwe krijgt het er nog druk mee, want getuige de aandelen in huizen en panden en diverse schuldbrieven leverde de brouwerij kluinbier aan herbergen en tapperijen in onder meer Vierverlaten, Enumatil, Leek, Tolbert en Marum, dus in het gehele Vredewold, maar ook in de stad en in Baflo. Mogelijk dat een kortingsregeling in de vorm van “geschenken” of “vereeringen” de afzet van de brouwerij vergrootte. Zo’n regeling wordt namelijk een paar keer genoemd in de zeer uitgebreide boedelinventaris, die er van Gerlofs van Suirenhuisens nalatenschap opgemaakt is.

Onder meer bevat deze boedelinventaris twee voorraadstaatjes van kluin in de kelder en ingrediënten op zolder. Het oudste staatje, dat evenwel later in het stuk verschijnt, dateert waarschijnlijk van 28 januari 1723:

Terwijl het jongste staatje op 30 maart 1724 is opgemaakt:

In het ene geval lagen er 15 tonnen kluin (à 155) liter in de kelder aan de Brugstraat, terwijl het ruim een jaar later 19 tonnen waren. Van lichter stuiversbier is geen sprake. Ook zijn de mout- en hopvoorraden in tweede instantie veel groter. Het zijn maar momentopnamen, natuurlijk – hooguit zou je met een slag om de arm kunnen zeggen dat de zaak er onder het bestier van de weduwe Van Suirenhuisen-Gaillard niet op achteruit ging. Ook uit de gezolderde ingrediënten kan je eigenlijk geen ontwikkeling opmaken. Het gaat me dan ook niet om de verschillen tussen beide staatjes, maar om een overeenkomst:

JaarHopGerstemoltHavermoltMolt beidePerc. haver
17231,5 mud414,5 mud26,5 mud441 mud6,0 %
172416 mud630 mud61 mud691 mud8,8 %

Zoals we weten, ging er een flinke dot haver in de kluin, dat roemruchte want uiterst lekkere Groninger bier, maar is onbekend hoeveel haver dat was in verhouding tot de gerst. Bij beide voorraadopnames in de brouwerij aan de Brugstraat was de hoeveelheid havermolt echter minder dan 10 % van alle mout samen (zie laatste kolom), veel minder dan de 40 % die wel eens genoemd wordt. Op basis van deze cijfers zou je zeggen dat je als kluinbrouwer met één deel havermolt op negen of tien delen gerstemolt al aan de ruime kant zit. Vanaf die verhouding zou je de hoeveelheid haver in je kluin wellicht nog wat omlaag kunnen brengen voor de juiste historische smaaksensatie.

Uiteraard gaat het maar om één enkele brouwerij, maar met de voorraadstaatjes van andere brouwers uit het archief van de Weeskamer is de receptuur wellicht nog wat te verfijnen.

Bron: Groninger Archieven, Tg. 1462 (archief Weeskamer) inv.nr. 14 (boedelinventarissen) 1724-22a (scans 527 e.v., met name 561 (1724) en 585 (1723).


Een dode letter

Gevelsteen  in het Jacob- en Annagasthuis aan de Vishoek in Groningen.

Op 30 mei 1635 neemt het Groninger stadsbestuur een kloek besluit:

Is geresolveert dat voortaen geen curatoren oft voorstanderen van weeshuisen, gasthuisen en andere publique conventen zullen eenige van haerer naemen boven de deuren, poorten oft portailen laten houwen ofte schrijven, maer alleene de naemen van de versz[eide] conventen met de datumps der reparatiën.

Voortaan zouden de gast- en weeshuisvoogden dus niet meer mogen geuren met hun eigen namen op gedenkstenen die herinnerden aan de onder hun beheer verrichte (ver)bouwwerkzaamheden. In de resolutie is sprake van steenhouwers- en schilderswerk. Houtsnijwerk noemt ze niet. Die lacune maakten Burgemeesteren en Raad ruim een jaar later goed. Ze verordonneerden op 23 juli 1636

dat voortaen boven die Gasthusen ende Weeshusen die naemen van derselver vooghden niet gehouwen, gesneden noch geschildert sullen mogen worden.

Ook kregen de voogden van de tientallen verschillende charitatieve instellingen dit keer afschriften van het besluit, wat waarschijnlijk nog een andere omissie van het voorgaande jaar goed moest maken.

Een motivatie voor hun besluit gaven de heren niet, daar waren ze überhaupt niet zo sterk in. Ik denk dat ze de eigen lof boven allerlei poorten op gespannen voet vonden staan met de vereiste calvinistische soberheid. Bovendien hoorde je niet op je goede werken te pochen. Maar dat de maatregel al zo snel opnieuw afgekondigd moest worden, geeft  waarschijnlijk aan dat de gast- en weeshuisvoogden er zich nauwelijks aan hielden. Inderdaad zien we in veel Groninger hofjes uit die tijd de later aangebrachte opschriften, die bewijzen dat de maatregel een dode letter bleef.

De heren gaven zelf ook niet het goede voorbeeld. Volgens een besluit van 26 september 1638  lieten ze in alle ruimtes van hun Wijnhuis (keuken, oldermans-, vrouwen-. heren- en burgerkamers) nieuwe ramen maken met gebrandschilderde glazen waarop hun eigen namen (en wapens?) en die van andere andere ‘stadsofficianten’ prijkten. In de Martinikerk heb je soortgelijke ramen met familienamen en -wapens.

Maar eigenlijk mogen we ook wel blij zijn dat de maatregel een dode letter bleef. Zonder al die opschriften zouden de Groninger hofjes heel wat saaier zijn.


Op je paasbest in een safaripak

Van ribfluweel. Met wijde pijpen. In de voorjaarsmodekleuren van 1972. Voor maar drie geeltjes stond je er hip en toch netjes op. Kom daar nu nog eens om:
:

Groninger Gezinsbode 27 april 1972.


‘Arbeidersneukavond’. Een bijdrage tot de kennis van plat idioom

Ruim vijf jaar geleden vroeg Mandy, zelf uit Groningen, zich op Twitter af of ‘arbeidersneukavond’ een Gronings woord was. Ze had geen idee. Een echt antwoord kwam er ook niet op haar vraag. Maar nu deze dan eindelijk in mijn blikveld is verschenen, wil ik er nu alsnog wel even naar mijn beste weten op antwoorden.

Ook vijf jaar geleden voelde het woord al ouderwets aan. In de door Mandy geïnitieerde discussies erover op Twitter, werd er wat lacherig en met ongeloof op gereageerd: dat zo’n woord überhaupt bestond zeg!

Om op de vraag terug te komen: Ja, het woord is Gronings, al zal je het in geen enkele krant terugvinden. Het ontstond begin jaren 70 in de Groningse Peperstraat met de roemruchte Europacupwedstrijden van Ajax. Dan was het altijd beredruk en vrolijk in de Peperstraat – dat toen als uitgaansgebied vrij nieuw was – en waren de kroegen dankzij de genadevolle bedeling door het bevoegd gezag ook een uur langer open.

In de Peperstraat kwam hip jong volk, twintigers, hooguit begin dertigers: studenten, muzikanten, kunstenaars en bohemiens. Daarentegen gingen ‘arbeiders’, boeren, vissers en matrozen (om er een mooie proletarische trits van te maken) nog uit in de Gelkingestraat. De term was dus deels ironisch bedoeld. Er zat als het ware in verdisconteerd dat het ene publiek het andere wel een verzetje gunde.


De Pilemelles of Pijlmels

Naamsvariant Aantal meldingen AG Periode meldingen Plaats
Pilemelli 1 1707 Oudeschans
Pilemelle 15 1708-1730 Oudeschans
Pillemel 1 1712 Bellingwolde
Pillemelle 1 1722 Oudeschans
Pijlmelle 1 1734 Bellingwolde
Pijlmel 1 1736 Oudeschans
Pijlmell 1 1744 Groningen
Pijlmel (vv 1) 21 1753-1825 Groningen
Pilemelle (vv 1) 4 1758-1777 Groningen
Pijlmel (vv 2) 4 1759-1826 Veendam
Pijlmels 5 1783-1812 Groningen
Pilemel 2 1792-1846 Groningen
Pilmels 1 1807 Groningen
Pielmel 1 1810 Groningen
Pilenel 1 1847 Groningen
Totaal 60

Mijn onderzoekje naar de nooit gerealiseerde Groninger maliebaan vloeide voort uit een fascinatie voor een curieuze familienaam, die ik al wel vaker was tegengekomen. De varianten van die naam heb ik vanuit Alle Groningers hierboven in schema gebracht op volgorde van hun verschijning en daarna op plaats. De naam duikt in 1707 als Pilemelli op in Oudeschans, maar gezien de Nederlandse voornamen gaat het waarschijnlijk niet om een Itaiaanse komaf. Een volgend jaar komt ze ook al meermalen voor als Pilemelle, in de eerste helft van de achttiende eeuw tevens de sterk overheersende variant, althans in Stad en Lande, waarbij Oude- of Bellingwolderschans in het leeuwendeel van de gevallen de woonplaats van de naamdragers is.

Daar en in het naburige Bellingwolde voltrekt zich in de jaren 1730 een verschuiving van Pilemelle naar Pijlmelle en Pijlmel, een variant die de overheersende is tussen 1744 en 1847, als de naamdragers voornamelijk in de stad Groningen wonen.

Qua oorsprong van de naam zijn er twee verklaringen denkbaar:

  • een verbastering van het Franse pêle-mêle, wat staat voor: mengelmoes, allegaartje, warboel;
  • een vernoeming van het maliespel op een vaste baan, dat in het Frans pallemaille heette, wat weer verwees maar het Italiaanse pallamaglio, in het Nederlands ook wel vervormd tot palmalie.

De tweede naamsverklaring lijkt het verst gezocht, maar landelijk bleek de vroegste naamdrager de Haagse militair Bernardus Pijlmel (!), die in 1707 opduikt, dus vlak voordat Jacobus Pilemelli en (diens broers?) Anton, Derck en Jan Pilemelle eind 1707 en begin 1708 vanwege hun belijdenissen ingeschreven worden in het Oudeschansker lidmatenregister. In Den Haag was er destijds nog een grote en fraaie maliebaan. Daar zou de bijnaam aan kunnen zijn ontleend. Dat Haagse soldaten in de vesting Oudeschans terechtkwamen, is evenmin ondenkbaar: de garnizoenen circuleerden over heel het land en zelfs langs de vestingen van de Barrièresteden in de Zuidelijke Nederlanden. Dat de familie- of bijnaam in Oudeschans vrij curieus werd opgeschreven, ligt zelfs voor de hand: maliebanen waren er in Groningerland niet. Naderhand, en dan vooral nadat de familie grotendeels naar de Stad Groningen verhuisde, zal de bijnaam dan weer naar de oorspronkelijke, Haagse spelling ‘gefatsoeneerd’ zijn.

Een en ander roept ook  de vraag op naar de maatschappelijk status van de Pilemelles of Pijlmels. Over die eersten kon ik maar weinig vinden. Jacobus Pilemelli of Pijlmelle werd echter medio 1720 door GS benoemd als chercher – lagere belastingambtenaar – bij de molen van Grijpskerk.

Wat meer is bekend over de latere Pijlmels. Zo was Coenraadt Anthonie Pijlmel vanaf de jaren 1740, 1750 custos of huisbewaarder(-schoolmeester) van de Latijnse school aan de Zwanestraat nz. in de Stad Groningen. Hij bewoonde daar een eigen huis, dat na zijn dood in 1785 werd geveild met enkele hoven in de Appelstraat, waar hij bovendien een tweede huis bezat. Daar in de buurt, aan de noordkant Leliestraat woonde zijn zoon “Monsieur” Anthonie Coenraad Pijlmel, een meester-timmerman, die in 1787 tevens musketier was bij het Groninger exercitiegenootschap Voor Onze Duurste Panden. Later had deze Anthonie een groter huis aan het A-kerkhof zz., maar ging daar failliet.  En dan hebben we nog Jacob Pjjlmel, ook een patriot, die in 1796 door het stadsbestuur werd benoemd tot turfstouwer. In 1806 had hij nog financiële belangen bij Oudeschans. Maar de bekendste Pijlmel zal toch Coenraadts dochter Margaretha of Marchien geweest zijn. Na 1800 trad ze als schoolhouderes te Veendam min of meer in de voetsporen van haar vader, maar als huisbewaarster behoedde ze in haar jonge jaren eens de Oude Boteringestraat voor een regelrechte ramp door kloekmoedig een achteloos weggezette, maar brandende kaars bij een vat buskruit weg te halen. Om deze heldendaad gold ze later ook wel als een “Kenau van een maid”.

Kortom, bij de Groninger Pilemelles en Pijlmels ging het voornamelijk om lagere ambtenaren en kleine middenstand. Waarschijnlijk kwam de familie via een militaire route in Oudeschans terecht. Mogelijk had een Haagse voorzaat de bijnaam opgedaan doordat hij ‘iets had’ met de Haagse maliebaan. Dit echter, staat zeker niet vast.


De Groninger maliebaan

Op zaterdag 21 maart 1646 namen Burgemeesteren en Raad van Groningen het besluit  om een “maille baene” of maliebaan aan te laten leggen naar een ontwerp dat ze al klaar hadden liggen. De baan zou moeten lopen aan de binnenkant van de oostelijke stadswal vanaf de Jacobijnerdwinger (uiteind Bloemstraat) tot aan de Steentildwinger (waarschijnlijk uiteind Nieuweweg bij het Damsterdiep, omdat ze anders het Damsterdiep had moeten passeren). De maliebaan werd daarmee zo’n 800 meter lang. Verder zou ze 2 roeden, dus 8,2 meter breed moeten worden, maar er zou ook nog een parallelweg aan de stadskant langs moeten  komen van 1 roe of 4.1 meter breed, en een sloot ter breedte van 8 voeten, dus bijna 2,4 meter. Al met al zou het project daarmee een strook van  zo’n 800 bij 15,7 meter grond gaan innemen. Ook werd besloten dat er een touwslagerij voor moest wijken.

Tegenwoordig ligt de Oostersingel zo’n beetje op het tracé. Die had dus ook Maliebaan kunnen heten, ware het niet dat we verder niets meer vernemen van het hele project. Bijgevolg ging ook de ontwerptekening helaas verloren. En dat terwijl het plan toch vrij ambitieus begon, met een vrij zware commissie onder leiding van burgemeester Julsingh, waarvan niet alleen vier raadsheren, maar ook een rentmeester en de stadsbouwmeester deel uitmaakten. Mogelijk had men de kosten toch wat onderschat: er moesten bijvoorbeeld niet één, maar twee lijnbanen wijken (zowel bij de Jacobijnerdwinger als de Steentilpoort). Wilde men een geheel rechte baan, zoals elders gebruikelijk, dan had de Stad ook heel wat lapjes tuingrond moeten kopen in de oostelijke stadsuitleg.

Waar de voorgenomen maliebaan ongeveer moest komen, met rood afgetekend op de kaart van Haubois (ca. 1640). Collectie Groninger Archieven 1536-1743.

Het maliën of maliespel (pag. 330-332) was ten tijde van het Groninger plan zéér in de mode. Het kwam zoals we meer zaken, uit Frankrijk overwaaien, waar hovelingen zich er in de zestiende eeuw al mee vermaakten. Hier in Nederland verdrong het maliën vooral het kaatsen, waar de deftige lui hun neus voor optrokken. Qua spelregels hield het ’t midden tussen croquet en golf. Met een hamer op een lange steel moest de bal in zo min mogelijk slagen van het ene naar het andere uiteinde van de baan worden geslagen. Bij de finish stond een paal die de deelnemers moesten zien te raken. Later schijnt er een poort te zijn bijgekomen, waar de bal onderdoor moest. Het spel vereiste net als golf dus kracht èn finesse, al moest de bal wel laag worden gehouden. Bij de baan stond vaak dan vaak nog een wijnhuis of herberg, waar de deelnemers hun dorst konden lessen. De waard had tevens het materiaal in bewaring.

Maliebaan op een Italiaanse prent. Collectie Rijksmuseum.

In Nederland waren er maliebanen op ’t Loo bij Apeldoorn, in Arcen (L.), Groenlo (Gld) en naar het schijnt ook in Jorwerd (Fr.), maar de bekendste banen lagen toch in of bij de steden Den Haag, Utrecht, Leiden en Amsterdam. Die van Den Haag, naast het Malieveld, schijnt relatief lang geweest te zijn. Die van Utrecht, in 1637 door de stad aangelegd tot “cieraat deeser Stad”, was uitdrukkelijk bestemd

tot eerlyk vermaak en exercitie van de burgers ende inwoonders van dien, ende der geener, die de Academie alhier frequenteeren

De Utrechtse baan was ruim 800 meter lang, dus ongeveer van de lengte die de Groninger baan ook had moeten krijgen. Er lagen “verscheyden allées ofte wandelpaden” langs met hoge lindebomen die de baan ruim van schaduw voorzagen. De baan zelf was afgeperkt met lage schuttingen, waarop getallen de afstanden aangaven. Aan beide uiteinden stonden palen met het Utrechtse stadswapen De Utrechtse baan gold als dermate fraai, dat toen de Fransen in 1672 Utrecht veroverden, de Zonnekoning haar graag als oorlogsbuit mee wilde nemen naar Versailles, iets wat tot zijn grote spijt onmogelijk bleek.

Was de Utrechtse baan een initiatief van het stadsbestuur aldaar, de Leidse werd ongeveer tegelijkertijd aangelegd door het universiteitsbestuur. De Amsterdamse maliebaan, gelegen in de Diemermeer, was mogelijk particulier. Deze was bijna 700 meter lang – dus wat korter dan de Haagse, Utrechtse en voorgenomen Groningse – en ze had aan weerzijden, net als de Utrechtse, geschoren lindebomen.

De Amsterdamse baan oefende tot medio achttiende eeuw grote aantrekkingskracht uit op de Amsterdamse jeugd. Daarna kwam er de klad in – zoals het spel in heel Holland in vergetelheid raakte – en al voor het revolutiejaar 1795 was deze baan verdwenen. In Utrecht werd het spel toen nog wel wat gedaan, maar het stadsbestuur liet hier in 1811 de schotten en palen weghalen.  Als Groningen überhaupt een maliebaan gekregen had, zou die niet veel langer hebben bestaan.

Adriaen van de Venne, Prins Frederik Hendrik en de Winterkoning op een maliebaan. Collectie British Museum.


Johann Willebrand in Groningen (1757)

Deze reiziger kwam bij Nieuweschans ons land binnen en zag daar voor het eerst van zijn leven en tot zijn “aangename verwondering” jaag- of trekschuiten. Hij stuurde zijn koets terug en besloot meteen met  zo’n schuit verder te gaan. Over het stuk tussen Nieuweschans en Groningen had hij weinig te vertellen, maar de volgende etappe van zijn reis, die hem van Winschoten naar Groningen bracht, waardeerde hij des te meer:

De vaart van Winschoten tot aan Groningen is, wegens de menigvuldige prachtige tuinen, dorpen en landwegen, betooverend. Men passeert er door meer dan dertig Chinesche ophaalbruggen.

Wat voor hem Chinese bruggen waren, zullen voor ons de gewone bruggen geweest zijn. Eenmaal in Groningen bezocht hij de gebruikelijke bezienswaardigheden: de Martinikerk – “met een der beste torens en klokkenspelen van Holland”, het Prinsenhof, het Provinciehuis, het Academiegebouw, de Hortus, het Kruithuis en de “veelbeduidende” Helperlinie. Alles beviel hem even goed in deze “groote en heerlijke stad” die de “de schoonste pleinen en wandelplaatsen” herbergde. Hij gaf bij elke bezienswaardigheid “naar eene vastgestelde orde” twee dubbeltjes fooi aan zijn gids of rondleider.  ’s Avonds zag hij op de Grote Markt een compagnie van de burgerwacht optrekken, en voor de Hoofdwacht een drievoudig geweersalvo geven. Navolgenswaardig vond hij het gebed om wijsheid, dat hij gedrukt en op een bord geplakt aantrof in de raadszaal van het stadhuis. Hij kreeg te horen dat een stadssecretaris het aan het begin van iedere vergadering hardop voorlas.

Hij maakte hier in Groningen ook de 28ste augustus mee:

Ik heb het jaarlijksche feest (van het opbreken der belegering door den gemelden Bisschop) bijgewoond, en vind niets kluchtiger; en, daar er hier anders eene goede politie is, begrijp ik niet, hoe men het werpen van voetzoekers onverschillig kan aanzien. De teugelloosheid van het gepeupel bleek intusschen daaruit, dat men de op het St. Maartens Kerkhof aan den toren paraderende bezetting, ik geloof met warm water, besproeide. Dit is toch de hoogste trap van vrijheid en vermetelheid!

Jurist uit Altona
Nee, daar moest deze reiziger niets van hebben. Voluit heette hij Johann Peter Willebrandt, hij stamde uit een Rostockse koopmansfamilie, studeerde rechten in Halle en was (in Deense dienst) nog lid van het Hof van Beroep te Altona, toen hij deze reis in 1757 maakte. Datzelfde jaar werd hij hoofd van de politie in Altona, tot een conflict hem tien jaar later dwong tot een vrijwillig ontslag en verhuizing naar het nabije Hamburg, waar hij zich helemaal aan zijn schrijverij kon wijden. Naast reisbeschrijvingen publiceerde hij onder meer een kroniek over de Hanze en een tractaat over stadsplanning. De in het Nederlands vertaalde passages uit zijn reisbeschrijving van 1758 werden later opgenomen in het Letterkundig magazijn van wetenschap, kunst en smaak voor het jaar 1817 (deel VIII, afleveringen 6 en 7, pagina’s 260-275 en 311-328), Deze zijn inmiddels te vinden in Google Books, waar ik ze aantrof met de zoektermen ‘snikken’ en ‘roeven’. Overigens zette de Nederlandse redacteur er in het Magazijn vraagtekens bij Willebrands betrouwbaarheid:

De schrijver betoonde zich in alles een man van kunde en was zelfs op kleinigheden zeer oplettend, maar evenwel ver van eene in alles juiste en waarachtige opgave van zaken. Hoeveel er ook, sinds hij ons land doortrok, in hetzelve veranderd is, men bemerkt evenwel nog heden ten dage ligtelijk, dat hij geenszins alles zoo beschreef, als het eigenlijk en inderdaad gesteld was, toen hij het bezigtigde.

Of deze kritiek ook voor de Groningse passages geldt, zou ik echter niet durven zeggen. In het algemeen komt de informatie als juist op mij over.

Van Groningen reisde Willebrand naar Friesland, waar hij onder meer Dokkum, Leeuwarden en Franeker bezocht. Vanaf Harlingen stak hij de Zuiderzee over naar Enkhuizen, om alle grote steden in Holland aan te doen en zijn reis te vervolgen via de Zuidelijke Nederlanden, Frankrijk en Engeland. Terug uit Engeland kwam hij opnieuw langs Amsterdam, en via Utrecht en Nijmegen ging hij naar Duitsland terug.

Trekschuiten of snikken
In Nederland reisde Willebrand bij voorkeur met de trekschuit, waarvoor hij zelfs meermalen het Groninger woord ‘snik’ in de mond neemt. De antipathie die later in het stoomtijdperk gangbaar was, staat nog ver van hem – hij vond de trekschuit een “alleraangenaamste” vorm van vervoer:

Men vaart in eene kamer zeer gemakkelijk langs de kanalen, waar men aan weerskanten niets dan akkers, weilanden boschjes, geboomte, tuinen, dorpen, vlekken en steden ziet; en de vracht(prijs) is inmiddels ongemeen gering. Ik wensch U gedurende uw gansche leven zulk eene tevredenheid, als ik op deze reis genoten heb.

Toch kon hij er niet omheen dat de trekschuit ook “veel ongemakkelijks” had. Dat gold vooral de medereizigers in dit openbaar vervoer.

…zij bevat toch doorgaans een vrij groot aantal Janhageldat op menigerlei wijze, althans uit de tabakspijpen, dampt. Naast zich heeft men dan eens een Jood en een oud wijf, dan eens eene vrouw met kleine kinderen welke zij zonder verlof te vragen zuivert. Men loopt zelfs meermalen gevaar van een dronkenen boer zijn ingewand voor zich te zien uitstorten; hetwelk alsdan het aangename genot der landstreek, door welke men henen vaart, reeds zeer matigt. Vooral, bijaldien men zich, om daarvan gezigt te hebben (hetwelk doorgaans het geval is) voor togtwinden moet blootstellen, of als de schuit zoo vol loopt, dat men er bijkans stikt.

Natuurlijk kon een heer als Willebrand het zich best veroorloven om een trekschuit voor zichzelf af te huren (of charteren). Maar dat was hetzelfde

als alleen in een onbewoond huis te zitten, en zou het regte middel zijn om zwaarmoedig te worden.

Daarom was het maar ‘t beste, een plekje in de roef van de gewone trekschuit te nemen en niet in het ruim, al kon dat weer niet in Friesland, want daar hadden de snikken geen roeven. Maar ook in de roef, waar men toch gauwer met standgenoten te maken had, moest men liever niet al te familiair omgaan met reisgenoten. Men diende er een vriend te zijn voor iedereen, maar met niemand al te vertrouwelijk.

Vanaf Groningen per wagen en dus over land naar de Lemmer te rijden, ried Willebrand sowieso af:

Men rijdt alsdan bijkans over louter zand en heide, en moet de reis zoo inrigten, dat men den nacht te Donkerbroek kunne doorbrengen. Daar men intusschen met de snikken over Stroobos , Dokkum en Leeuwarden, naar Sneek en van hier gevoegelijk verder naar de Lemmer varen kan, raad ik niemand die landreis aan.”

Reiskosten
Aardig is dat Willebrand ook de reiskosten bij de verschillende vervoersvormen noemt. Voor het traject Nieuweschans-Groningen-Dokkum kwamen die per snikke neer op:

Snikke als publiek vervoer: Snikke als charter:
Nieuweschans- Winschoten 6 stuivers 65 stuivers
Winschoten – Groningen 14 stuivers 110 stuivers
Groningen – Stroobos 9 stuivers
Stroobos – Dokkum 11 stuivers

Met de snik van Nieuweschans naar Stroobos, dus helemaal van oost naar west in Stad en Lande, kostte al met al 29 stuivers, oftewel ruim een goudgulden, zo’n drie daglonen voor een doorsnee-arbeider. Daarbij kwamen van plaats tot plaats dan nog twee duiten (een kwart stuiver) voor de “voorrijder of het Jagertje”, dat wil zeggen de snikjongen of scheepsjager die met zijn paard de schuit door het kanaal trok. Huurde men voor zichzelf of het eigen reisgezelschap een snik af, dan was dat acht tot tien maal zo duur. Helemaal prijzig was het reizen over land: van Groningen via Donkerbroek naar Lemmer kostte dat 18 gulden (of 360 stuivers). Met een beurtschip van Groningen naar Amsterdam was zelfs nog iets duurder: 22 gulden. Wat dat betreft waarschuwde Willebrand echter voor de loopplanken: die waren in zijn ogen louter begaanbaar voor koorddansers.


‘Uw veiligheid is in ons aller belang! Wees voorzichtig!’

Zo groot kan die chocolade- en suikerwerkfabriek van Tammes aan de Peperstraat te Groningen nooit geweest zijn, denk je dan, maar toch had het bedrijf in de eerste oorlogsjaren  een eigen personeelsorgaan: De Melangeur. Op de achterkant van dit tweemaandelijkse periodiek stond altijd praktische informatie over werktijden, ziekmelding en een rookverbod, met erboven steevast een veiligheidswenk.

Met die wenken was iets bijzonders aan de hand. Het ging om handmatig ingeplakte zegels die door hun vierkleurendruk fors contrasteerden met het zwart-witte, wat grauwige stencilwerk van De Melangeur zelf. Door hun kleuren en het contrast, zuigen die zegels als het ware de aandacht naar zich toe. Ze waren uitgegeven door het Veiligheidsmuseum, een initiatief van vakbonden dat de bedrijfsveiligheid wilde bevorderen, bijvoorbeeld door allerlei risico’s aanschouwelijk te maken. Gezien de vele kleine krantenberichten over bedrijfsongevallen was dat bepaald geen overbodige luxe. Inderdaad zijn de zegels verkleinde weergaven van affiches die men in bedrijven ophing. Hoe dan ook charmeert deze kleine grafiek.

Onder verwijzing naar zo’n krantenberichtje over een bedrijfsongeval, waarschuwt deze bijvoorbeeld voor draaiende assen. Als die lang haar grepen, kon scalpering het gevolg zijn:

Een tikje op de schouder en de arm in het ongerede:

Goed schoeisel kon een struikelpartij op een gladde werkvloer voorkomen:

Ook aan hygiëne werd aandacht besteed. Vaak aten arbeiders hun boterhammen uit papier en vonden dat wel schoon genoeg:

Zelfoverschatting op ladders – neem dan liever het zekere voor het onzekere:

De verpleegkundige van de eerste hulp wijst het slachtoffer van een bedrijfsongeval er nog maar eens op nadat ze zijn wijs- en middelvinger heeft verbonden – zijn opa paste goed op en werd 70 zonder verminking:

En nog maar eens die draaiende onderdelen, nu bij een draaibank, waaroverheen een arbeider naar zijn thermosfles grijpt::

Destijds werkten jongens (en meisjes) vanaf een jaar of dertien, veertien mee in fabrieken, ook bij Tammes. En zulke kinderen willen nog wel eens stoeien. Levensgevaarlijk, aldus het Veiligheidsmuseum:


Het plakkertje

N. stuurde me wat foto’s op van een prent met de vraag of ik de maker van die prent thuis kon brengen. Haar grootvader had de prent ooit gekocht in Groningen. Helaas zei de signatuur mij niets, bij het natrekken bleek dat er niet iemand met die naam in Groningen had gewoond, laat staan er als kunstenaar had gewerkt.

De prent, zei N., zat nog in de originele lijst achter het originele glas. Achterop het steunkarton had de kunsthandel die de prent verkocht, “Eduard AA”, een plakkertje gehecht in de vorm van een schilderspalet. Dergelijke stickertjes bevestigden boekhandels vroeger op de binnenkant van boekomslagen. Maar die plakkers waren gewoonlijk vierkant of rechthoekig, terwijl er hier een artistieke vorm aan was gegeven.

De naam van de kunsthandel deed me wat gemaakt en schimmig aan met die dubbele hoofdletter AA. Waren het voorletters? Maar waarom stonden ze dan achteraan de naam? En dat Eduard kon natuurlijk net zo goed een voornaam zijn en geen familienaam, zoals je eerst misschien denkt. Ook deze naam kwam niet voor in AlleGroningers. Dat AA met dubbele hoofdletters deed me denken aan een oudoom van me die zijn autoglasbedrijf in Flynt , Michigan, AA Carglass had genoemd om vooraan het rijtje concurrenten in een adresboek of telefoongids te komen. Maar in een analoog geval zou Eduard toch achter de A’s moeten komen?

Kunsthandel Eduard AA bevond zich volgens het plakkertje op de hoek van de Herestraat en het Zuiderdiep, de meeste Groningers nu nog wel bekend van sigarenzaak Homan. Dit was een A-locatie in de Stad – alle treinreizigers kwamen er nog langs op weg naar de winkelstraten en café’s in de binnenstad of de bushaltes even verderop aan Zuiderdiep en Damsterdiep.  Op zo’n plek moest je flink omzet draaien om de huur op te kunnen brengen, ook vroeger al.

Getuige advertenties, vooral in het Nieuwsblad van het Noorden, had  kunsthandel Eduard Aa op die lokatie slechts bestaan van mei 1925 tot eind april 1928. Gaandeweg verbreedde de eigenaar, Eduard Aa, in die drie jaar zijn assortiment met lijsten, aardewerk en porselein. Met zijn core business, de verkoop van kunst, leek het dus niet al te best te gaan. Typerend is dat Aa in zijn advertenties mikte op trouwende stelletjes die een uitzet bij elkaar moesten kopen. Vaak had de winkel ook aanbiedingen en uitverkopen. Een en ander doet wat goedkoop aan – als kunsthandelaar bediende Aa waarschijnlijk het laagste marktsegment. In april 1928 vertrokken hij en zijn vrouw naar elders, waarbij zowel Amsterdam als het buitenland als bestemming werden genoemd.

Op zoek naar de echte naam van de kunsthandelaar, bekijk ik het dossiertje van het Handelsregister dat Kunsthandel Eduard Aa ons naliet en dat over dezelfde periode loopt als de advertenties. Hij bleek eigenlijk Eliazer Aa te heten, “zich noemende Eduard”. Kennelijk ging het om een seculiere, geassimileerde jood. Hij had de Nederlandse nationaliteit, was op 11 februari 1898 geboren in Amsterdam en getrouwd buiten gemeenschap van goederen. Met zijn vrouw woonde hij in Groningen op het winkeladres, dus Herestraat 80. Op 23 april 1928 schreef hij zijn zaak uit bij de Kamer van Koophandel, wegens de verplaatsing ervan naar het Gevers Deynootplein in Scheveningen, vlakbij de pier.

Het artistieke plakkertje dateert dus uit de periode 1925-1928. Gewapend met de echte naam, leveren WieWasWie en wat bijkomende websites vervolgens een beeld op van de eerdere en verdere lotgevallen van Eliazer/Eduard Aa en de zijnen. Eliazer bleek de zoon van Abraham Aa, een slager en rabbinale toezichthouder bij het ritueel slachten. In 1918, bij de loting voor de militaire dienstplicht, woonde Eliazer nog steeds in Amsterdam. Hij trouwde er eind sept 1924 – dus vlak voor de verhuizing naar Groningen – met de diamantbewerkersdochter Emma Breslau. De huwelijksakte geeft zijn beroep nog op als lijstenmaker. Pas na hun vertrek uit Groningen kreeg het paar twee (levenvatbare) kinderen, namelijk een dochter Elisabeth (1929) en een zoon Marcel (1931). Beide voornamen wijzen weer op een geseculariseerd en geassimileerd joods milieu.

Eliazer of Eduard stond later, nadat hij en zijn gezin vanuit Den Haag weer waren verhuisd naar Amsterdam, te boek als handelsreiziger en kruidenier. Het laatst bekende woonadres van het gezin Aa was Transvaalstraat 57 te Amsterdam. In 1943 is het hele gezin weggevoerd naar Sobibor, waar het op 9 juli meteen na aankomst is vergast.

Toen eind januari dit jaar in Westerbork de namen van alle 102.000 uit Nederland weggevoerde en vermoorde joden en zigeuners in alfabetische volgorde werden voorgelezen, behoorden die van Eliazer Aa en enkele van zijn familieleden tot de allereerste.


Stadspromotie uit het Interbellum

Bij mijn zoektocht van de week naar een affiche van Schlette kwam ik ook langs diverse VVV-affiches uit het Interbellum.

De Martinitoren vormde kennelijk een onontkoombaar icoon. Vooroorlogs stadsgezicht met aan de voet van de toren onder andere de Toelast en de Hoofdwacht. De drukker was N. Hindriks & Zoon, een bedrijf dat van  1909 rot 1937 bestond, maar vooral in de jaren 1910-1915 aan de weg timmerde met wandplaten, stadsplattegronden enz.:

Een enorm evenement was in 1930 de historische verkeersoptocht, georganiseerd door een andere VVV, namelijk de Vereeniging voor Volksvermaken:

Een handvol jaren later was er een beurs in de Harmonie aan de Oude Kijk in ’t Jatstraat. Het bedrijfsleven zette Groningen in zonnegloed, maar of iedereen zo’n architectonisch ensemble in het echt kon waarderen?:

Wie Groningen niet kent, kent Nederland niet‘ was een VVV-campagne die maar liefst twintig jaar heeft gelopen, vanaf 1931. Veel geholpen heeft het niet, maar dit experimentele, scheve affiche zal vast wel spraakmakend geweest zijn:


Bioscoopaffiche, gedrukt door H.N. Werkman

Op zoek naar een bekend affiche van de graficus en valsemunter Schlette, over wie het komende Historisch Jaarboek Groningen een mooi artikel van Alina en Margriet Dijk bevat, kwam ik langs dit bioscoopaffiche, met een programma dat liep van 23 tot 26 september. Maar van welk jaar, is dan natuurlijk de vraag.

Het bleek 1910. Het Bioscope Theater aan de Guldenstraat bestond van 1908 tot 1912. E. Wulff was er tussen september 1910 en mei 1911 de directeur van. en exact hetzelfde programma stond op 24 september 1910 als advertentie in het Nieuwsblad van het Noorden:

Vertoond werden een actueel beeldverslag, wat korte speelfilms, zowaar een vroege kleurenfilm van Italiaanse makelij (De Tyran van Jeruzalem) en een doumentaire over de destijds inderdaad indrukwekkende Italiaanse artillerie. Zo’n programma duurde misschien een uur en revolveerde ettelijke keren per dag: je kon er op elk gewenst moment binnenstappen. Zo werkte de Luxor aan de Herestraat midden jaren 60 nog steeds, tenminste overdag, zo herinner ik me van mijn allereerste bibliotheekbezoek (nog onder begeleiding).

Om op dat affiche terug te komen, het werd gedrukt door Hendrik Nicolaas Werkman, die indertijd zijn drukkerij nog had op het adres Peperstraat 5.

Werkman kennen we nu door zijn kunst, maar daarmee begon hij toen hij een poos weinig of geen opdrachten voor handelsdrukwerk had en noodgedwongen duimen zat te draaien.

Aansprekend aan het bioscoopaffiche is vooral de figuur van de soldaat achter de schutting. Die staat wel heel ver weg van Werkmans latere beeldtaal. Maar waarschijnlijk heeft Werkman juist dit kleurige deel van het affiche niet gedrukt, en betreft het een passepartout,  waarvan de bioscoop afgepaste stapels aanleverde, en waaraan Werkman slechts het actuele programma hoefde toe te voegen: