Het plakkertje

N. stuurde me wat foto’s op van een prent met de vraag of ik de maker van die prent thuis kon brengen. Haar grootvader had de prent ooit gekocht in Groningen. Helaas zei de signatuur mij niets, bij het natrekken bleek dat er niet iemand met die naam in Groningen had gewoond, laat staan er als kunstenaar had gewerkt.

De prent, zei N., zat nog in de originele lijst achter het originele glas. Achterop het steunkarton had de kunsthandel die de prent verkocht, “Eduard AA”, een plakkertje gehecht in de vorm van een schilderspalet. Dergelijke stickertjes bevestigden boekhandels vroeger op de binnenkant van boekomslagen. Maar die plakkers waren gewoonlijk vierkant of rechthoekig, terwijl er hier een artistieke vorm aan was gegeven.

De naam van de kunsthandel deed me wat gemaakt en schimmig aan met die dubbele hoofdletter AA. Waren het voorletters? Maar waarom stonden ze dan achteraan de naam? En dat Eduard kon natuurlijk net zo goed een voornaam zijn en geen familienaam, zoals je eerst misschien denkt. Ook deze naam kwam niet voor in AlleGroningers. Dat AA met dubbele hoofdletters deed me denken aan een oudoom van me die zijn autoglasbedrijf in Flynt , Michigan, AA Carglass had genoemd om vooraan het rijtje concurrenten in een adresboek of telefoongids te komen. Maar in een analoog geval zou Eduard toch achter de A’s moeten komen?

Kunsthandel Eduard AA bevond zich volgens het plakkertje op de hoek van de Herestraat en het Zuiderdiep, de meeste Groningers nu nog wel bekend van sigarenzaak Homan. Dit was een A-locatie in de Stad – alle treinreizigers kwamen er nog langs op weg naar de winkelstraten en café’s in de binnenstad of de bushaltes even verderop aan Zuiderdiep en Damsterdiep.  Op zo’n plek moest je flink omzet draaien om de huur op te kunnen brengen, ook vroeger al.

Getuige advertenties, vooral in het Nieuwsblad van het Noorden, had  kunsthandel Eduard Aa op die lokatie slechts bestaan van mei 1925 tot eind april 1928. Gaandeweg verbreedde de eigenaar, Eduard Aa, in die drie jaar zijn assortiment met lijsten, aardewerk en porselein. Met zijn core business, de verkoop van kunst, leek het dus niet al te best te gaan. Typerend is dat Aa in zijn advertenties mikte op trouwende stelletjes die een uitzet bij elkaar moesten kopen. Vaak had de winkel ook aanbiedingen en uitverkopen. Een en ander doet wat goedkoop aan – als kunsthandelaar bediende Aa waarschijnlijk het laagste marktsegment. In april 1928 vertrokken hij en zijn vrouw naar elders, waarbij zowel Amsterdam als het buitenland als bestemming werden genoemd.

Op zoek naar de echte naam van de kunsthandelaar, bekijk ik het dossiertje van het Handelsregister dat Kunsthandel Eduard Aa ons naliet en dat over dezelfde periode loopt als de advertenties. Hij bleek eigenlijk Eliazer Aa te heten, “zich noemende Eduard”. Kennelijk ging het om een seculiere, geassimileerde jood. Hij had de Nederlandse nationaliteit, was op 11 februari 1898 geboren in Amsterdam en getrouwd buiten gemeenschap van goederen. Met zijn vrouw woonde hij in Groningen op het winkeladres, dus Herestraat 80. Op 23 april 1928 schreef hij zijn zaak uit bij de Kamer van Koophandel, wegens de verplaatsing ervan naar het Gevers Deynootplein in Scheveningen, vlakbij de pier.

Het artistieke plakkertje dateert dus uit de periode 1925-1928. Gewapend met de echte naam, leveren WieWasWie en wat bijkomende websites vervolgens een beeld op van de eerdere en verdere lotgevallen van Eliazer/Eduard Aa en de zijnen. Eliazer bleek de zoon van Abraham Aa, een slager en rabbinale toezichthouder bij het ritueel slachten. In 1918, bij de loting voor de militaire dienstplicht, woonde Eliazer nog steeds in Amsterdam. Hij trouwde er eind sept 1924 – dus vlak voor de verhuizing naar Groningen – met de diamantbewerkersdochter Emma Breslau. De huwelijksakte geeft zijn beroep nog op als lijstenmaker. Pas na hun vertrek uit Groningen kreeg het paar twee (levenvatbare) kinderen, namelijk een dochter Elisabeth (1929) en een zoon Marcel (1931). Beide voornamen wijzen weer op een geseculariseerd en geassimileerd joods milieu.

Eliazer of Eduard stond later, nadat hij en zijn gezin vanuit Den Haag weer waren verhuisd naar Amsterdam, te boek als handelsreiziger en kruidenier. Het laatst bekende woonadres van het gezin Aa was Transvaalstraat 57 te Amsterdam. In 1943 is het hele gezin weggevoerd naar Sobibor, waar het op 9 juli meteen na aankomst is vergast.

Toen eind januari dit jaar in Westerbork de namen van alle 102.000 uit Nederland weggevoerde en vermoorde joden en zigeuners in alfabetische volgorde werden voorgelezen, behoorden die van Eliazer Aa en enkele van zijn familieleden tot de allereerste.


Stadspromotie uit het Interbellum

Bij mijn zoektocht van de week naar een affiche van Schlette kwam ik ook langs diverse VVV-affiches uit het Interbellum.

De Martinitoren vormde kennelijk een onontkoombaar icoon. Vooroorlogs stadsgezicht met aan de voet van de toren onder andere de Toelast en de Hoofdwacht. De drukker was N. Hindriks & Zoon, een bedrijf dat van  1909 rot 1937 bestond, maar vooral in de jaren 1910-1915 aan de weg timmerde met wandplaten, stadsplattegronden enz.:

Een enorm evenement was in 1930 de historische verkeersoptocht, georganiseerd door een andere VVV, namelijk de Vereeniging voor Volksvermaken:

Een handvol jaren later was er een beurs in de Harmonie aan de Oude Kijk in ’t Jatstraat. Het bedrijfsleven zette Groningen in zonnegloed, maar of iedereen zo’n architectonisch ensemble in het echt kon waarderen?:

Wie Groningen niet kent, kent Nederland niet‘ was een VVV-campagne die maar liefst twintig jaar heeft gelopen, vanaf 1933. Veel geholpen heeft het niet, maar dit experimentele, scheve affiche zal vast wel spraakmakend geweest zijn:


Bioscoopaffiche, gedrukt door H.N. Werkman

Op zoek naar een bekend affiche van de graficus en valsemunter Schlette, over wie het komende Historisch Jaarboek Groningen een mooi artikel van Alina en Margriet Dijk bevat, kwam ik langs dit bioscoopaffiche, met een programma dat liep van 23 tot 26 september. Maar van welk jaar, is dan natuurlijk de vraag.

Het bleek 1910. Het Bioscope Theater aan de Guldenstraat bestond van 1908 tot 1912. E. Wulff was er tussen september 1910 en mei 1911 de directeur van. en exact hetzelfde programma stond op 24 september 1910 als advertentie in het Nieuwsblad van het Noorden:

Vertoond werden een actueel beeldverslag, wat korte speelfilms, zowaar een vroege kleurenfilm van Italiaanse makelij (De Tyran van Jeruzalem) en een doumentaire over de destijds inderdaad indrukwekkende Italiaanse artillerie. Zo’n programma duurde misschien een uur en revolveerde ettelijke keren per dag: je kon er op elk gewenst moment binnenstappen. Zo werkte de Luxor aan de Herestraat midden jaren 60 nog steeds, tenminste overdag, zo herinner ik me van mijn allereerste bibliotheekbezoek (nog onder begeleiding).

Om op dat affiche terug te komen, het werd gedrukt door Hendrik Nicolaas Werkman, die indertijd zijn drukkerij nog had op het adres Peperstraat 5.

Werkman kennen we nu door zijn kunst, maar daarmee begon hij toen hij een poos weinig of geen opdrachten voor handelsdrukwerk had en noodgedwongen duimen zat te draaien.

Aansprekend aan het bioscoopaffiche is vooral de figuur van de soldaat achter de schutting. Die staat wel heel ver weg van Werkmans latere beeldtaal. Maar waarschijnlijk heeft Werkman juist dit kleurige deel van het affiche niet gedrukt, en betreft het een passepartout,  waarvan de bioscoop afgepaste stapels aanleverde, en waaraan Werkman slechts het actuele programma hoefde toe te voegen:


Prinsenvreugde vergt vuurwerkslachtoffer

Dat niet iedereen altijd even gelukkig was met stadhouderlijke festiviteiten, heb ik hier wel eens verteld: in 1773 daverden de kanonnen op de Groninger stadswallen zodanig, dat de woning van een bejaard echtpaar buiten de Apoort forse schade opliep.

Van zo’n geval hoor je zelden in de vreugdegalmen en andere pamfletten, die zulke festiviteiten immer in juichtonen beschrijven. Zo raakte ik ook alleen via een Drentse omweg op de hoogte van een soortgelijk geval dat zich op 15 september 1729 in de stad Groningen voordeed.

Die dag was er een om nooit te vergeten voor Jacob Brandts (ook wel Brants of Brans), de koetsier van de heer De Hertoghe van Feringa. De Hertoghe was een aanzienlijk en machtig potentaat in Groningerland, en diens karos was dan ook de derde in een optocht van karossen, die zijn opwachting kwam maken bij het inhalen van prins Willem IV. De prins zou op die dag meerderjarig worden verklaard en werd daarmee tevens ingehuldigd als stadhouder van Groningen en Drenthe. De Hertoghes koets stond als derde van voren in de rij! En als koetsier deelde Jacob Brants in die eer van zijn baas. Hij zat dicht op het vuur!

Te dicht, zoals bleek. Want die avond, toen Jacob met duizenden andere mensen toekeek hoe een groots magnifiek vuurwerk “ter eeren van zijn Doorlugtige Hoogheijt” werd aangestoken, gebeurde er iets verschrikkelijks. Door onvoorzichtigheid van wat helpers bij het vuurwerk raakte er een kist met vuurpijlen en soortgelijk spul in brand. En Jacob trof het ongeluk

van door een pijl in zijn linker been zodanig gewondt te worden, dat zijn beide scheenbotten van de knie af tot middelweegs het been aan gruis waren geslagen en vermorzelt, zodat als doodt ter aarden was gevallen…

Wel een jaar lang had hij “onder doctoren en meesters handen” op bed gelegen. Maar de artsen en chirurgijns hadden weinig voor hem kunnen doen. Op dat been van hem zou hij nooit meer kunnen gaan of staan, en zijn broodheer had hem daarom zijn congé gegeven. En dat terwijl Jacob, afgezien van zijn koetsiersloontje, totaal geen andere middelen van bestaan had.

De gewezen koetsier kreeg op zijn verzoek wel wat geld los bij de Staten van Stad & Lande, maar dat was te veel om van te sterven en te weinig om van te leven. Er was echter nog een lichtpuntje voor Jacov: de inhuldiging van de prins als stadhouder gold immers ook voor de Landschap Drenthe en daardoor kwam Jacob op het idee om ook bij Ridderschap en Eigenerfden te verzoeken om een jaarlijkse of wekelijkse toelage.

Wonder boven wonder gaven de Drentse heren hem ook wat: 100 gulden maar liefst. Maar, zo waarschuwden ze, dat was “eens voor al”. Jacob moest, met andere woorden, niet nog eens in Assen om geld komen vragen.

Dat deed Jacob Brants toch. In 1732 deed hij zijn verhaal nog eens op de Drentse Landdag, met het verzoek om “een klein jaarlijks penzioentjen”. Hij ving bot, Ridderschap en Eigenerfden ‘difficulteerden’ in zijn verzoek.

Intussen hebben de Drentse resoluties me wel op het spoor gezet van Groningse besluiten. Had er vandaag even geen tijd voor, maar zal binnenkort eens kijken hoe dit geval in de resoluties van de Groninger Staten terechtkwam.

Bronnen: Drents Archief, Tg. 1 (OSA) inv.nr. 6.10: resoluties Ridderschap en Eigenerfden d.d. 20 maart 1731 – art.16. en 18 maart 1732 – art. 12.


Sint Jacob als tijdsaanduiding (2)

Archief marke Havelte, inv.nr. 1.

Medio achttiende eeuw was Sint Jacob (25 juli) nog heel gewoon als tijdsaanduiding in Groningerland, ondanks de calvinistische weerzin tegen heiligen. Zelfs ambtenaren en bestuurders gebruikten deze tijdsaanduiding. Zo gold Sint Jacob als uiterste betalingstermijn in het Gorecht (Hoogezand en Haren).

In de stad Groningen was er tot 1669 nog een Sint Jacobsmarkt op of rond 25 juli, die wel veertien werkdagen kon duren. Omdat de boeren het dan druk hadden met oogsten en ploegen, achtte het stadsbestuur dit een “onbequame tijt” voor een jaarmarkt. De heren vervroegden deze markt daarom op de kalender en wel naar eind april, om haar op dat tijdstip te combineren met de Paasmarkt, die daarmee door de bank genomen wat later op de kalender kwam te staan, en zonder die naam. Na 1700 werd de gecombineerde nieuwe jaarmarkt begin mei gehouden, waarmee de meikermis ontstond.

De afschaffing van de Sint Jacobsmarkt heb ik destijds geplaatst tegen de achtergrond van Groningens ontwikkeling van veeteelt naar akkerbouwprovincie. Nu zie ik dat anders. Een wat later opgepikte opmerking van Harm Tiesing wijst eigenlijk al de weg – de Oost-Drentse boer en publicist noemde Sint Jacob “de dag dat het koren gewoonlijk rijp is”.

Onder koren verstond Tiesing rogge. Onlangs vond ik in de momberprotocollen van Havelte en Vledder en in het rekeningenboek van de marke Havelte nog wat latere meldingen van Sint Jacob als tijdsaanduiding, die stroken met de Groninger meldingen en Tiesings kwalificatie. Ik geef deze Zuidwest-Drentse meldingen hier kort weer en kom dan terug op de afschaffing van de Groninger Sint Jacobsmarkt.

1
Op 2 februari 1765 sluiten de erfgenamen van Albert Harms in Uffelte een akkoord over diens nalatenschap en die van wijlen zijn schoonmoeder. Albert is twee keer getrouwd geweest en liet kinderen ‘uit beide bedden’ na. Enerzijds is dat zoon Harmen Alberts uit zijn eerste huwelijk. Deze krijgt voor de komende zes jaar “de beesten, schapen en voerasi, neffens het boer- en huismansgereedschap” voor hem alleen, en betaalt zijn halfzuster, uit het tweede huwelijk van zijn vader, daarvoor in ruil 125 gulden ineens, omdat zij eigenlijk recht heeft op de helft van alles. Het al uitgezaaide koren (winterrogge) en het nog uit te zaaien koren (zomerrogge etc.) blijven echter mandelig tot telkenjare op “Sunt Jacob” en dat geldt ook voor de roggepachten van het “uitgedane”, dus verpachte land. Harmen kreeg dus voor zes jaar de beschikking over de hele keuterij van zijn vader en grootmoeder en moest voor het aandeel van zijn halfzuster daarin ook nog jaarlijks 7 gulden als huur aan haar voogden betalen, plus “de darde garve” van het eigen gebruikte zaailand en de helft van de pachtgarven (een zesde deel van de totale opbrengst van het verpachte land). Uit het hele stuk valt op te maken, dat de rekening en de verdeling van de oogst steeds plaatsvond op Sint Jacob. Dan was immers pas duidelijk, hoe groot het aantal roggegarven was, dat moest worden verdeeld. Uit een rekening van vier maanden later blijkt dan nog, dat de oogst van “Sunt Jacob 1764” is “ingetrokken” door een Harm Jans, die voor deze dienstverlening 3 gulden betaald krijgt.

2
Uit een andere momberrekening, op 5 januari 1788 opgemaakt in Havelte, maar waarschijnlijk een familie te Nijensleek betreffend, staan de opbrengsten van rogge, boekweit, haver, aardappelen, turf en kippen vermeld. Een week eerder ontving de boekhoudend voogd de “Sintjacobs opslags penningen van de rogge en haver”. De daarmee aangeduide veiling van eind juli bracht het lieve sommetje van ruim 318 gulden op.

3
Ene Berend Jacobs van Zuidveen, een notoire wanbetaler, pacht begin jaren 1780 een flink stuk heideveld van de marke of “boer” van Havelte. Eigenlijk moet hij de marke daarvoor veel meer huur betalen, maar dat kan Bruin niet trekken. Op 10 juni 1782 geeft Berend wel alvast een voorschot van 15 gulden aan schatbeurder Hendrik Eleveld van Havelte. Hij doet er een briefje met een belofte bij :

Sullende bij wel zijn tegens Sundt Japik nog wat geven, soo veel als ik uijtbreken kan, en versoeke vrindlijk dat de boer mij gunstig belieft te behandelen, gelijk ik aan mijn kant altoos gedaan hebbe aan de minder luij.

Kortom
Sint Jacob bleek ook in Zuidwest-Drenthe het moment dat het koren – hier ging het voor driekwart om rogge – oogstrijp was en ingehaald en verkocht kon worden. Er kwam dan veel geld bij de boeren binnen. Het was een periode om schulden te delgen, de teugels even te laten vieren, en aankopen te doen. Het Groninger stadsbestuur leek in 1668 wel gek met haar besluit om de Sint-Jacobsmarkt af te schaffen!

Alleen: afgezien van de typische zandstreken (zoals het Gorecht, delen van het Westerkwartier en Westerwolde, verbouwde men niet zoveel rogge (meer) in Groningerland. De stadjers aten vanouds gewoonlijk roggebrood, maar betrokken hun rogge voor het overgrote deel uit Drenthe. In de Groninger akkerbouwgebieden waren waarschijnlijk andere granen gaan domineren, zoals weite (tarwe), gerst en haver. Daarvan kwam de oogst wat later dan die van rogge, waardoor de klad kwam in de Groninger Sint Jacobsmarkt. Met meer akkerbouw en minder veeteelt, zoals ik eerst dacht, heeft die afschaffing niet te maken. Dat was een ontwikkeling die pas diep in de achttiende eeuw op gang kwam. Nee, de afschaffing van de Jacobsmarkt had veeleer te maken met een specialisering van akkerbouwgebieden en daarmee het uit zicht raken van de roggeteelt op de Groninger klei.

Bronnen
Drents Archief, Assen – Toegang 102 (archieven Schultengerechten) inv.nrs. 180.3, 180.4 en 180.6: momberprotocollen Havelte en Vledder op de aangegeven data. Verder uit hetzelfde archief  Tg. 519 (marke Havelte) inv.nr, 1, het ingespelde briefje bij de ontvangsten van juni 1782 en de opmerking bij de uitgaven op 5 maart 1787.


Drentse herenjacht had Groninger stadsjacht als model

Na de aanleg (1769-1771) van de Smildinger- of Landschapsvaart, zoals destijds de Drentse Hoofdvaart nog vaak genoemd werd, wilden de Drentse Landschapsbestuurders voor de periodieke schouw van hun kanaal een eigen herenjacht, en wel naar het model van het Groninger stadsjacht:

Zo zou het er ongeveer uit moeten zien:

Van het Groninger voorbeeld is er maar één afbeelding, en inderdaad vertoont dat enige gelijkenis:

Het Groninger Stadsjacht op een kaart van de Eemsdijken door Henricus Teysinga, 1738. Collectie Groniner Archieven 0817-1112.

Alleen is het schip hier onder zeil op zee, terwijl het in Groningen, zowel als in Drenthe hoofdzakelijk voor de vaart op kanalen bedoeld was. Zo’n binnenjacht mocht dan wel beschikken over zeilen, bij de heersende windrichting (zuidwest) begon je daar met name in de Groninger veenkoloniën maar weinig mee.  Dan hadden ze in Drenthe wat meer geluk met die wind: van Assen naar Meppel moest je er weliswaar tegenin, maar van Meppel naar Assen kon je vaak wel zeilen. Echter, mede vanwege de vele bruggen en sluizen zal ook in Drenthe zo’n jacht vaak ‘gejaagd’ zijn door een scheepsjager met zijn paard. Het casco van zo’n binnenjacht leek dan ook vooral op dat van een snikke of trekschuit.

In Drenthe waren de heren nautisch misschien wat minder onderlegd, en ze informeerden eerst maar eens via diverse stromannen wat erbij de bouw kwam kijken:

Opmerkelijk genoeg deden ze dat niet in Groningen, waar ze hun voorbeeld vandaan haalden, of in Friesland (Leeuwarden en Dokkum), waar de stad Groningen zijn stadsjachten betrok. Nee, in weerwil van alle goede naber- en vrundschap, waar zo vaak mooie woorden aan werden gewijd, deden ze dat vooral in Holland. Er kwamen twee bestekken van scheepsbouwers binnen, waarvan er een, dat van Cornelis van der Bijl uit Warmond bij Leiden, ook voorzien was van een kostenplaatje of begroting:.

Deze ‘offerte’ voor het casco namen de Drentse heren graag aan. Met alle opgoed (mast, zeilen, tuigage, vlaggen, meubilair en huisraad) zou hun statenjacht uiteindelijk iets meer dan 800 gulden kosten. Toen hun archivaris later de stukken in een lias bundelde en opborg, vermeldde hij op de rug met enige trots dat het Groninger stadsjacht wel 5000 gulden had gekost:

Met andere woorden: lekker puh, wij Drenten doen het veel goedkoper. Dat was echter niet helemaal de waarheid, zoals Meindert Schroor ons leert. Voor de casco’s van hun nieuwe stadsjachten betaalden Burgemeesteren & Raad van Groningen respectievelijk in 1705 de somma van 400 gulden, in 1725 bijna 1600 gulden en in 1761 een bedrag van 2500 gulden. Gemiddeld dus 1500 gulden. De Drenten waren dus absoluut zuiniger, okee, wel drie keer, maar toch lang niet zoveel als ze lieten voorspiegelen. Kennelijk waren ze bevangen door een Veendammer wind vanuit het noordoosten.

(Wordt vervolgd.)

Bronnen (behalve de gelinkte):

  • Drents Archief, Toegang 1 (Oude Staten Archieven) inv.nr. 1286: “Jagt voor de landschap op de Smildingervaart”, stukken m.b.t. de aankoop door Drenthe van een casco voor een herenjacht, 1772/1773.
  • Meindert Schroor, ‘Groninger Stadsjachten werden in Friesland gebouwd’, Fryslan 2009-4, pag. 6-10.

Onbekend stadsgezicht

Het bruggetje bij de Mondriaanstraat moet er al zo’n dertig jaar liggen. Maar ik had het nog nooit gezien, omdat ik nog nooit iets te zoeken had in deze omgeving. Het bruggetje verbindt twee delen van de Nieuwe Schildersbuurt over een zijkanaaltje van het Reitdiep. Ooit lag hier de Donghorn, je zou zeggen de plek waar mest verzameld werd. Al was er elders in de stad nog een Pishörn en daar was nu weer geen opslag van gier:

DSC03656

Hoe dan ook, het is zo in het voorjaar een bekoorlijk plekje, ook al is de nieuwbouw hier finaal karakterloos. Boven alles uit steekt de watertoren bij de Colleniusbrug. Over Pishörn gesproken – het waterreservoir bovenin in die toren werd bij de bevrijding van Groningen met een antitankkanon lekgeschoten door de Canadezen, die zodoende enkele Duitse sluipschutters verdreven. De toren leek toen een poosje op een reusachtig grote broer van Manneke Pis. Met de Duitsers kwam er een miljoen liter water naar buiten.

Bron van het verhaal over de watertoren: Christiaan Gevers, ‘Herman Colleniusstraat 72. Een Gronings huis en zijn bewoners in de oortlog’, in Stad & Lande 2020-1, 10-15.


‘De grootste boer van Nederland’

de grootste boer van Nederland DSC02592

Onder de kop ‘De grootste boer van Nederland’ wijdde het familieblad Revue in 1963 een artikel aan de uitgebreide bezittingen van de stad Groningen in Oost-Groningen, waarbij het de Groninger burgemeester Jan Tuin in verschillende agrarische situaties liet poseren als hereboer.

Gek genoeg bevat het stuk geen interview met of citaten van Tuin. Het is ook geen reportage, zoals het zich eerst voordoet. Het behelst qua tekst vooral een feitenrelaas van voorlichtende aard, waarvan ik vermoed dat Jan Tuin de informatie zelf aan de Revue verschafte. Het blad hoefde dan een en ander alleen wat smeuiïger op te schrijven, wat overigens tamelijk goed gelukt is.

De stad Groningen had destijds nog twee grote boerderijen die ze nog zelf exploiteerde, een bij de Dollard en de ander bij Ter Apel, samen 1200 hectare groot. Twee andere boerderijen, beide in de Ruigezandster polder, samen 400 hectare groot, werden periodiek verpacht. Dan had de Stad sinds de vervening nog 10.000 hectare in Oost-Groningen in bloot eigendom, maar ook 80 kilometer kanaal, 40 kilometer weg, 19 sluizen, 50 bruggen, 40 vonders en 47 woningen die haar in tegenstelling tot de boerderijen bij de Dollard en Ter Apel alleen maar geld kostten.

De boerderijen bij Ter Apel en de Dollard leverden de Stad jaarlijks nog een mooi sommetje op. Als burgemeester was Jan Tuin eindverantwoordelijk voor de exploitatie.

Dat de Revue hem portretteerde als “de grootste boer van Nederland”, zal vele Groningers die week hebben doen glimlachen. Ze droegen hun burgemeester op handen en vereenzelvigden zich bijna met hem. Dat kwam doordat Tuin van zeer eenvoudige komaf was. Hij stamde uit een landarbeidersfamilie in Finsterwolde – heel wat anders dan een boer! Zijn vader Harm, een anarchistische dagloner en geheelonthouder, verkocht vanuit ‘t huis aan de Klinkerweg socialistische en anarchistische lectuur en dankte daaraan de bijnaam ‘Harm Boukje’.

Als onderwijzer in Finsterwolde, Winschoten Oude Pekela, was zoon Jan Tuin regionaal actief voor de SDAP en maakte via de Groninger Staten carrière in de politiek: burgemeester van Hoogezand (1937), gedeputeerde en kamerlid voor de PvdA (1946) en burgemeester van de stad Groningen (1951). Jan Tuin was hier de eerste sociaaldemocraat in deze functie. Vanwege zijn komaf en politieke kleur bestond er aanvankelijk wel wat weerstand tegen hem, maar hij overwon die door zich van meet af aan onpartijdig op te stellen. In het college van B&W nam hij de zware wederopbouwportefeuille op zich, met woningbouw, stadsuitbreiding en verkeerszaken. Onder zijn verantwoordelijkheid kwamen o.a. het nieuwe (inmiddels weer gesloopte) stadhuis op de Grote Markt, het hoofdbureau van politie aan de Rademarkt en zwembad de Papiermolen tot stand.

Bij zijn pensionering in 1965 waren links en rechts het erover eens, dat ze ‘een echte burgervader’ kwijtraakten, die steeds boven de partijen stond en gewaakt had voor handhaving van een goede sfeer. De bestuurlijke spil van de Groninger wederopbouw kreeg een geweldig afscheid met o.a. een défilé van duizenden Groningers en hun organisaties op de Grote Markt.

Jan Tuin, een neef van mijn grootvader – de gezinnen woonden naast elkaar in Finsterwolde – was tevens de ontwerper van de Groninger vlag zoals die nu nog steeds in gebruik is. De toegang tot zijn archief staat sinds vannacht online.

Bron: Groninger Archieven, Toegang 3043 , archief Jan Tuin (1919 – 1972), met name inv.nr. 29: Revue, Nederlands familieblad, 7 september 1963, met op pag. 8-10 ‘De grootste boer van Nederland’.


De Groninger pepernotenkwestie

DSC02867 pepernoten

Op 18 februari 1640 liet het Groninger stadsbestuur een plakkaat in de stad ophangen, dat de oprichting van het koekenbakkersgilde bekend maakte. Voortaan was het voor mensen die geen lid van dit gilde waren, verboden om

eenige koeken ofte pepernoten te backen, vercopen ofte te kope holden, voor ende aleer sij de gilde gewonnen ende voldaen sullen hebben…

Dat de leden van het nieuwe gilde het alleenrecht verwierven op het bakken en verkopen van koek, sprak vanzelf. Maar dit privilege of monopolie gold ook voor pepernoten, die, naar het zich laat aanzien, hier voor het eerst in een Nederlands geschrift zijn genoemd.

De uitsluiting zat de wegge- of broodbakkers niet lekker, zoals jaren later bleek, bij een juridisch steekspel om de afbakening tussen hun gilde en dat van de koekenbakkers. In 1640 konden de koekenbakkers nog lid zijn van beide gilden, maar daar wilden de broodbakkers in 1658 vanaf. Volgens het laat-middeleeuwse Stadboek mocht een burger namelijk maar één enkel ambacht uitoefenen en dus van één enkel gilde lid zijn. De koekenbakkers van hun kant, beriepen zich echter op hun oprichtingsakten, besluiten en jurisprudentie uit de tussenliggende jaren, waarbij ze tevens mochten broodbakken, als ze tenminste ook lid waren van het broodbakkersgilde, een regeling waarmee de broodbakkers nota bene zelf hadden ingestemd, zodat die daar nou niet over moesten gaan miepen.

Dat vonden Burgemeesteren en Raad ook, want die gaven de koekenbakkers gelijk met hun vonnis,

dat de tegenwoordige gildebroeders, haar kinderen en nakomelingen, alsook hun knechten die al te boek bekend staan, in hun voor dezen bekomen recht van beide gilden te mogen winnen en uitoefenen, zullen mogen voortgaan, zonder meer.

De broodbakkers lieten het er niet bij zitten. In 1660 haalden ze alle achttien gewone gilden over, om een gezamenlijk verzoekschrift bij het stadsbestuur in te dienen, dat vroeg om het dubbellidmaatschap van gilden te verbieden. Het uitoefenen van twee neringen door één persoon zou namelijk sterk toenemen, in weerwil van het Stadboek en diverse jurisprudentie. Burgemeesteren en Raad willigden dit collectieve verzoek inderdaad in, maar maakten daarbij een uitzondering voor de brood- en de koekenbakkers, die zich moesten blijven houden aan de uitspraak uit 1658, al behielden de heren zich wel het recht voor om daar ooit nog eens verandering in te brengen.

Al na een week, begin februari 1660, tekenden de broodbakkers op één onderdeel beroep aan tegen deze uitspraak, namelijk op het punt van de pepernoten, die, zoals we hebben gezien, sinds 1640 louter en alleen door de koekenbakkers mochten worden gemaakt en verkocht.

De broodbakkers betoogden daarbij dat ze het op één na oudste gilde van de Stad vormden. Hoewel ze “van oudsheer” het recht op het bakken van pepernoten hadden gehad, was ze dat vanaf 1640 tot hun “merkelijke schade” verboden door de koekenbakkers. Knarsetandend moesten ze sindsdien aanzien,

dat de gansche stadt door op hoeken van de straten, in de poorten, corps de guarde, herbergen, op bruggen ende selfs naast de bakkershuisen pepernoten worden verkoft van lieden die men niet en weet waar se van heergekomen zijn (venters HP), dat ook van dezelve naar gelegenheyt van tijdt dikwijls bij nagte op gastmalen en anders niet alleene pepernooten, maar ook krakelingen en koekjes werden verkogt…

Het broodbakkersgilde, zo zeiden zijn bestuurders verder, was een groot gilde dat nog voortdurend groeide. Er leefden vele gezinnen van de broodbakkersnering. Ook de stadsarmen profiteerden er behoorlijk van mee. Met klem, maar ook “zeer deemoediglijk” verzochten ze het stadsbestuur om herziening van het stedelijke pepernotenbeleid, vooral ook omdat hun gilde in 1640 niet was gehoord bij de oprichting van het koekenbakkersgilde. Ze wilden dus graag weer zelf die uiterst populaire bakseltjes kunnen produceren.

Ditmaal gaven Burgemeesteren en Raad toe: voortaan mochten ook de broodbakkers pepernoten bakken. De koekenbakkers appelleerden nog wel tegen deze uitspraak, maar tevergeefs, ze waren hun monopolie kwijt: in april 1660 liet het stadsbestuur het bij de nieuwe regeling. Naderhand werden in de gilderol der broodbakkers ook triomfantelijk en met ere de namen van de gildebestuurders opgetekend, die het pepernotenmonopolie van de koekenbakkers hadden gebroken.

Bronnen:

  • Plakkaat Burgemeesteren en Raad (B&R) 18 februari 1640, in afschrift in Groninger Archieven, Toegang (Tg.) 1325 (gilden) inv.nr. 99;
  • GrA, Tg. 1534 (Volle Gericht) inv.nr. 127: rechtdagnotitie 13 mei 1658;
  • Resolutie B&R 28 januari 1660;
  • Rekest aan en apostille van B&R 4 februari 1660 (afschrift in Tg. 1325 (gilden) inv.nr. 1;
  • Resolutie B&R 14 april 1660.

Koekassortiment

In 1738 sprak het Groninger koekenbakkersgilde af, dat dit voortaan het assortiment zou zijn:

DSC02881

Ik verklap geen nieuws, als ik zeg dat de Groninger koek eigenlijk een Deventer koek was. Anno 1738 kenden de Groninger koekenbakkers zelfs helemaal nog geen Groninger koek. Reken maar dat ze die hadden genoemd, als die bestaan had. Zelfs het oudste recept van de Groninger koek, uit 1766, was er een van Deventer koek.

Die koek was er in verschillende zwaartes van een half tot ruim anderhalve pond (of 15 tot 52 lood). Je kon hem ook in een kruidkoekvariant kopen, die wat duurder was. Verder hadden de koekenbakkers ‘hylikmakers‘ (honingkoeken, ook wel vertaald als heilig- of huwelijksmakers) met of zonder sukade, naast fijne koek, eveneens met dat spul,  eventueel in een streepkoekvariant voor de jeugd.

Als een koekenbakker zich niet aan  het assortiment, de gewicht- of de prijszetting hield, dan verbeurde hij een gulden boete, oftewel de waarde van maar liefst acht stuks pondskoeken, een oven vol. Je begrijpt dat hij dat wel uit zijn hoofd liet. Alleen voor oude, verbrande en beschadigde koek maakte het gilde graag een uitzondering, zij het dat het de gildebroeders wel op het hart bond te streven naar een “gaaf en vris” product.

Bronnen:

  • Groninger Archieven, Toegang 1325 (gilden) inv.nr. 107 achterin.
  • Martin Hillenga, Wadapatja (Groningen 2019) 145.

Gevalletje godslastering (1)

Gevalletje Godslastering 007

Gister viel weer eens op de buis te zien, hoe in Pakistan de wet op de godslastering wordt toegepast. In navolging van het éclatante succes aldaar willen onze eigen fundamentalistische christenen dit vermeende delict nu ook in Nederland weer strafbaar gaan stellen.

Zouden ze weten hoe het er in oudvaderlandse tijden aan toeging, als justitie lucht kreeg van een blasfemist? Ziehier ter voorlichting een vonnis uit Groningen, 1681:

Alsoo uijt genomene informatiën ende daer op gevolghde eijgen bekentenissen den rechte genoechsaem gebleecken is, hoe dat Peter Bartels, oudt ontrent de 40 jaren, geboortigh van Groningen, voor eenige tijdt sigh heeft onderstaen in een seecker herberge, ter presentie van meerder andere personen, verscheijden affschuwelijcke reuckeleuse ende Godts-lasterlijcke reedenen uijt te storten, seggende hy wilde liever in Duivels naeme drincken als in Godts offte Godts zeegens naeme, oock dat de duivel eerlijck en heerlijck was, waer in, alsoo hij sich tegens den Alderhooghsten Majesteijt Godts schrickelijck heefft gesondight ende eene Christene Magistraet ten hooghsten beleedight, ende daerom sich voor den heemelschen en wereltlijcken Richter aen de swaerste straffen heefft schuldigh gemaeckt;

Soo ist, dat d’ h. heeren Borgemesteren ende Raadt ten reguarde van de verloopene tijdt, denselven Peter Bartels als nu hebben gecondemneert, gelijck sij hem condemneren bij desen, om voor het Gerichte met opene deuren een honorabile publiq amende te doen, ende op sijn knijen de sententie angehort hebbende, Godt ende de Justitie om vergifnis te bidden; welckes gedaen sijnde hij wederom door de schulte en sijn dienaers nae de poorte sal worden gebraght, ende aldaar verblijven ter tijdt hij de misen van Justitie sal hebben voldaen.

Actum Groninge den 26. Martij 1681

Kortom, de Groninger Peter Bartels (40) had in een herberg zitten opsnijen dat hij liever in naam van de duivel dan in die van God of diens zegen wilde drinken, omdat er volgens hem niets op de duivel viel aan te merken. Daarmee had hij verschrikkelijk gezondigd , wat een christelijke magistraat niet over zijn kant kon laten gaan (omdat God anders die magistraat en/of het land zou weten te vinden). Daarom veroordeelde het Groninger stadsbestuur Bartels om God en justitie publiekelijk, bij open raadhuisdeuren en op zijn blote knietjes te smeken om vergeving. Dat gedaan zijnde, zou hij (als stadsburger) opnieuw op de (Poele- of A-) poort worden opgesloten, tot hij de daar gemaakte verblijfskosten en de gerechtskosten zou hebben betaald.

Al met al valt dit nog zeer mee, vergeleken bij de in Pakistan gangbare praktijken. Terwijl de voorgangers van de SGP destijds toch aan de macht waren in Groningen. Overigens sloofden ook die zich niet uit: in bijna twee eeuwen tijd waren er slechts twee stad-Groninger vonnissen wegens blasfemie, waarvan dit er eentje was. Pakistan heeft wat dit betreft dus nog ruim drie eeuwen in te halen.

Bron: Groninger Archieven, Tg. 1534 (archief Volle Gericht stad Groningen) inv.nr. 974: sententies.


De prijs van de Sint-Maartensgans 1630-1750

Prijs van de Sint-Maartensgand 1630-1750 blog

Tussen de los gepubliceerde bijlagen op Tijms’ boek over de Groninger graanprijzen (2000) zit ook een tabel over de gemiddelde prijs van de Sint-Maartensgans. Tijms construeerde deze tabel door de prijzen die hij aantrof in de rekeningen van het Geertruids- of Pepergasthuis, het Sint-Anna- en Jacobsgasthuis en het Armhuiszittend gasthuis, te middelen. In het Geertruidsgasthuis bijvoorbeeld, aten de maximaal 66 conventualen jaarlijks met Sint-Maarten dertien of veertien ganzen, wat neerkwam op minstens 0,2 gans per conventuaal. Na 1750 bleek het middelen van de betaalde prijzen helaas niet meer mogelijk, door het verdwijnen  van de ganzen uit de gasthuisrekeningen. Waarschijnlijk was dit een gevolg van het veel vromere en meer sobere gereformeerde regime na de omwenteling van 1748 – opeens werkte de associatie met een roomse praktijk tegen de Sint-Maartensgans.

Om de fluctuaties wat af te vlakken, heb ik een rode lijn met de voortschrijdende vijfjaarlijkse gemiddelden over de blauwe staafjes voor de gemiddelde jaarprijzen heen gelegd. In het begin van de periode liggen de prijzen nog laag, hetzij door veel aanbod, hetzij door een reformatorisch offensief tegen de Maartensgans, wellicht ook door beide factoren samen. Zo tussen 1640 en 1720 kon je een gans kopen voor een daalder à 2 gulden. Wel is de trend op lange termijn een iets dalende. Nadien zakt de prijs opnieuw: een effect van de Nadere Reformatie, vermoed ik. In 1737 waren de ganzen extreem duur, waarschijnlijk het gevolg van een virusziekte die het aanbod decimeerde. Reken je die uitbijter niet mee, dan lag de prijs van een Sint-Maartensgans tussen 1720 en 1750 ongeveer op een gulden à een daalder, ruim het dagloon van een vakbekwame scheepstimmerman.


Jonker Wyfferinge met zijn wapen in het graf gelegd

Het familiewapen Wyffringe bevindt zich nog op een rouwbord in de kerk van Baflo. De adelaar zal van de stad komen, de posthoorns duiden misschien op een postmeesterschap van een voorzaat.

Rtv Drenthe kreeg van de week de vraag voorgelegd om eens uit te spitten of er werkelijk waar een kasteel in Bonnen bij Gieten had gestaan. Uit het bericht op haar website blijkt in ieder geval dat de verslaggever rotsvast in die burcht is blijven geloven. Curieus, want in werkelijkheid was het kasteel een buitenhuisje met drie kamers, althans volgens het standaardwerk Huizen van stand (Assen 1989).

Zeker woonden er voorname personages in het Huis te Bonnen, maar dat maakte dat huis nog niet tot een kasteel. Het was ook niet zo oud, uit 1605 komt pas de eerste melding. Destijds bouwde men al geen verdedigbare kastelen meer, omdat je er toch al niets meer aan had tegen geschut. Bestaande kastelen werden vaak ook wel omgebouwd tot buitenhuizen. Het buitenhuisje te Bonnen werd in genoemd jaar waarschijnlijk nieuw gebouwd door de Groninger burgemeester Johan Wifferinck, die er ’s zomers met zijn familie verblijf zal hebben gehouden. Want dat was zo de gewoonte onder stadsregenten: ’s winters woonden die in de Stad en ’s zomers verbleven die op het platteland, een vrij ideale constellatie, moet ik zeggen.

Aan de adellijke familie Wifferinck, in de stad Groningen zelf ook wel Wyfferinck of Wijfferinge geheten (om de meest voorkomende spellingsvarianten te noemen), zit nog een aardig verhaal vast. In de mannelijke lijn stierf zij namelijk begin oktober 1678 uit met jonker Johan Wijfferingh, denkelijk de kleinzoon van de naamgenoot uit 1605. Johan juniors erfgenamen kwamen toen bij het stadsbestuur met een uitermate bijzonder verzoek. Ze waren namelijk voornemens

bij de begraeffnisse van het doode lichaem van gesiede juncheer derselver wapen voor het lijck te laeten draegen, ende vermits hij de laeste mannelijcke oor van dat geslaghte is, het gedachte waepen in het graft t’ doen leggen.

Ze wilden hiervoor graag toestemming van het stadsbestuur en dat willigde het verzoek in. De laatste jonker Wijfferingh werd dus met zijn familiewapen en al begraven.

Aan Redmer Alma, die beschikt over een grote kennis van de heraldiek, vroeg ik of dit nu een gewoonte was bij het uitsterven van adellijke families en of hij het vaker was tegengekomen. Een echt oude traditie bleek het niet:

Het was inderdaad een vast gebruik, in elk geval vanaf de zeventiende eeuw. Doorgaans wordt het wapen boven het graf gebroken en dan erin gelegd. Heel veel laatsten van een geslacht zijn er natuurlijk niet, maar je zou verwachten dat ergens wel een graf bewaard is waar de stukjes van een (waarschijnlijk houten) wapenschildje te vinden zijn.

In één opzicht was het Groninger geval uniek, aldus Alma:

Dat er speciaal toestemming aan de stad werd gevraagd, ken ik niet van andere voorbeelden.


“Houten handen, waar te setten” – de oudste resolutie van het stadsbestuur over handpalen

Bij het doornemen van notities die ik een kwarteeuw geleden maakte, vond ik haar terug: de resolutie waarin het Groninger stadsbestuur voor het eerst hand- of strijkpalen noemt. Ze dateert van zaterdag 15 januari 1653 en stelde een commissie in

omme ordre te stellen, dat tot minste schade en beste mesnage van de Stat, bij het roode bruckjen achter de berckmeulen een houten handt wierde gestelt, alwaar een jegelijcke schuitevaerder ofte ander schipper s[i]nen seijl sal hebben te strijcken

Dat rode bruggetje lag buiten Kleinpoortje over het Schuiten- of Winschoterdiep. Kennelijk had deze voorganger van de huidige Bonte Brug al eens averij opgelopen omdat een zeilend schip ermee in aanvaring kwam. Vandaar dat er een handpaal met het gebod ‘strijk’ achter de toen nog bestaande barkmolen kwam, op ruim 150 meter afstand van de brug.

Ook bij het verlaat van Martenshoek en bij de “scheidbrugge” in Sappemeer kwam er zo’n handpaal te staan. Deze maakten verder deel uit van een heel pakket van maatregelen, dat ook de bruggen van Foxhol en het zandpad en de vonders van Sappemeer betrof.

Zie verder.


Opkomst en ondergang van Dikke Trui

Op de Dag van de Groninger Geschiedenis werd gister een beeld opgeroepen van het eerste vrouwencafé in Groningen, zoals dat tussen 1979 en 1982 bestond. In die periode veranderde de doelgroep nogal, net als het muziekaanbod. Hier mijn verhaal voor de programmakrant.

De Dikke Trui, het allereerste vrouwencafé van de stad Groningen, had regelmatig last van ongewenst mannenbezoek. Zo trok een man in oktober 1979 een mes en beroofde vier bezoeksters omdat hij geen pilsje kreeg. Twee maanden later herhaalde zich dit, waarbij dezelfde dader opnieuw honderden guldens buitmaakte. Begin ’80 pleegde een andere man bovendien vernielingen in het café. De vrouwen hielden hem vast, maar hij ontkwam dwars door het raam. In oktober ‘80 stopte de politie nog zo’n bezoek. “De agressie van mannen is in de afgelopen jaren nauwelijks veranderd, aldus een Trui-medewerkster in mei ’81: “Als het volle maan is, dan lijkt het weer toe te nemen”.

Het vrouwencafé was juist opgericht, omdat vrouwen niet rustig in een café konden zitten zonder mannelijke opdringerigheid. Weliswaar bestond er vanaf 1975 een Vrouwenhuis in Groningen, maar dat was meer sociaal-politiek gericht en bood geen ruimte voor ontspanning en cultuur. Daarom hielden twaalf vrouwen – vooral babyboomers, werkzaam in onderwijs en kunst – in augustus ’77 een brainstormweekend op Schiermonnikoog, waar de naam ‘Vrouwen van Trui’ ontstond.

Na enige mislukte pogingen om een café te beginnen, leek de animo weg, tot zich in augustus ‘78 een andere initiatiefgroep aandiende met een plan voor een vrouwenboekhandel. Beide groepen besloten samen te gaan werken aan een vrouwencultuurcentrum. Hun stichting ‘Vrouwen van Trui’ kreeg weldra statuten met als drieledige doelstelling:

  1. Een ontmoetingsplaats bieden voor alle vrouwen;
  2. Het bevorderen van de emancipatie van de vrouw;
  3. Het bevorderen van vrouwencultuur.

Leestafel met vrouwenbladen
Zowel het vrouwencafé als de -boekhandel ging, vooruitlopend op dat veel bredere cultuurcentrum, ‘De Dikke Trui’ heten. Het was echter de boekhandel die als eerste een pand kreeg: begin maart 1979 opende deze aan de Visserstraat. Bijna drie maanden later, op 28 mei, ging het café los in het pand Oude Ebbingestraat 82, dat al eerder verbouwd was door de eigenaar, de Hengelosche Bierbrouwerij (Stella Artois), tevens leverancier van het bier. De Vrouwen van Trui pachtten dit pand, dat boven een expositieruimte en crèche kreeg, terwijl de benedenverdieping ingericht werd met een bar, dansvloer, zithoek, flipperkast en leestafel met vrouwenbladen.

Vrijwilligers, uiteindelijk zo’n 150, runden café Dikke Trui. Er waren werkgroepen voor alle voorkomende klussen en iedereen kreeg evenveel zeggenschap in de medewerkersraad die het laatste woord had. Alleen in zeer urgente gevallen kon een kleine coördinatiecommissie iets besluiten, maar dat gebeurde zelden.

Zoals gezegd vormde het café een opstap naar een breed vrouwencultuurcentrum en dat was in de feestweek na de stampvolle opening al goed te merken met optredens van clowns, een vrouwenband en een huisvrouwenorkest. Ook later waren de activiteiten in De Dikke Trui deels sociaal-cultureel van aard, met kindermiddagen, klaverjasavonden en open podia. Terwijl er aanvankelijk nog stijldansavonden plaatsvonden, werden dat in ’80 en ’81 echter swingavonden met onder andere new wavemuziek.

Een ander publiek
De expositieruimte boven was geen lang leven beschoren. Binnen een jaar na de opening verhuisde de beeldende kunst naar boekhandel Trui, die wel mannen toeliet. Van het café waren vooral de literaire activiteiten spraakmakend. Zo traden in ’80 en ’81 bekende feministische auteurs als Hannes Meinkema, Andreas Burnier en Elly de Waard op in De Dikke Trui, met een gehoor van zo’n 150 vrouwen. Voor grootschalig theater was de ruimte ongeschikt, maar er waren wel kleine projecten, bijvoorbeeld over “de lusten en lasten van het vrouwenlijf”. Bovendien vertoonde Trui regelmatig “roldoorbrekende” films. De ontwikkeling die het vrouwencafé doormaakte, is echter het best af te lezen aan de muziekoptredens. Aanvankelijk vallen nog klassieke ensembles en koren met strijdliederen op, terwijl in ’80- en ’81 meidenformaties als Vendetta, The Real Insects en The Bitch Band in het oog lopen met hun semi-punk en new wave.

Met het muziekaanbod veranderde ook het publiek van Dikke Trui. Volgens de statuten moest ze een ontmoetingsplaats zijn “voor alle vrouwen”, maar de praktijk week hier gaandeweg van af. In ‘80, ’81 hielden ettelijke vrouwen van het eerste uur het café voor gezien. De babyboomsters maakten zogezegd plaats voor een wat jongere, ‘verloren generatie’. Voor de buitenwacht ging het om “lesbische, geëmancipeerde wijven” en “mannenhaatsters”, iets wat Dikke Trui zelf in de pers ontkende, maar toch ook intern als verwijt klonk. Sommige medewerksters stoorden zich aan de vaste, anarcho-feministische kern die andere vrouwen zou afstoten – deze werd deze ook wel “de New Wave groep” genoemd, met als kenmerken: “kort, geverfd haar, alles zwart, grote oorbellen, grote bek en last but not least, new wave muziek”.

Bij het bovendrijven van deze bezoekstersgroep, kwamen er ook klachten over verruwde omgangsvormen. Bovendien zou Trui minder vrouwen trekken. Aan de omzet was dat echter niet merkbaar. Dat het café per 1 januari 1982 dichtging, lag dan ook niet aan het veranderende publiek, maar aan de brouwer.

Vier fusten per week
Volgens het pachtcontract uit mei ’79 moest Dikke Trui jaarlijks 100 hectoliter bier moest afnemen, zo’n 4 standaardfusten per week. Een een geringere bierafname gold als ontbindende voorwaarde. Alleen dronken de bezoeksters van Trui veel liever wijn en sterkedrank dan bier. Nadat de Keuringsdienst van Waren al eens teveel schimmels in een monster tapbier aantrof, constateerde de brouwerij in maart ‘81 dat Dikke Trui in een jaar tijd slechts 62 hectoliter bier afnam:

U zult begrijpen dat wij thans gerechtigd zijn de huur op te zeggen, hetgeen wij hierbij doen en wel met onmiddellijke ingang.

Dikke Trui wist haar bestaan nog wel te rekken, maar bouwde haar activiteiten af en zocht onderwijl naar een andere locatie. Die bleek nog niet gevonden toen op 1 januari ’82 zo’n 200 vrouwen het afscheidsfeest bijwoonden. In april maakte de harde kern een doorstart in het gekraakte Oude Politiebureau, in een nieuw vrouwencafé: ‘De Del’.

Na het vertrek van Dikke Trui werd het pand weer een gewoon café. De nu mannelijke klandizie trapte in het Nieuwsblad nog even na en hekelde de buitensluiting van mannen. “Dit was vroeger een feministisch café, zo’n enge club”, lichtte er een toe: “Maar als je ziet wat er boven op de wc geschreven staat, dan kunnen ze er toch niet zonder.”

Bronnen: dit artikel is vooral gebaseerd op Nieuwsblad-artikelen en archiefstukken van De Dikke Trui, vooral inv.nr. 142: correspondentie.