Groenblauwe wezen sieren de Hilghestede

Hoorde een poos geleden dat er in het portaal van de Hilgehestede twee beelden van het Groene Weeshuis ingemetseld zitten. Die Hilghestede is tegenwoordig een soort van bedrijfsverzamelgebouw en ik wilde er al eens heen bellen om netjes toestemming te vragen voor het fotograferen van die beelden, maar een lichte schroom hield mij tegen. Zondagmiddag evenwel, toen ik er vanaf Haren voorbijkwam, zwenkte opeens mijn stuur naar rechts en even later stond ik voor de ingang. Dit zijn die beelden:

Het meisje heeft een groen lijfje en een blauwe rok, de jongen een groen jak en een blauw(ige) broek en kousen. In 1660 kwam het Groene Weeshuis inwonen bij het Blauwe, terwijl ze in 1673 helemaal fuseerden. In 1826 keerde de eenduidigheid weer terug in de naam: het Groene Weeshuis. De groenblauwe kleuren van de uitgebeelde kleding zijn dus gebruikt in de periode 1673-1826. Het ging sowieso om de armere wezen van de Stad, die helemaal geen erfenis te verwachten hadden – die in het Rode Weeshuis, de burgerwezen, schijnen het iets beter te hebben gehad, in elk geval qua perspectief.

Op zich is de Hilghestede wel een goede plek voor deze beelden, omdat er jaarlijks met Hemelvaart of Pinksteren eerst een bedevaaart en later een dauwtrapperij heenging, een traditie die zo ongeveer van de vijftiende tot diep in de negentiende eeuw heeft bestaan.

Advertenties

De gebrandschilderde ramen van de WEEVA

Dankzij een tweet van Pauline Broekema ontdek ik dat ik een serie foto’s, gemaakt in 2007 van de gebrandschilderde ramen in het Martinihotel, hier nooit geplaatst heb. Tijd om dit alsnog te doen!

Oorspronkelijk stond op deze lokatie aan het Groninger Zuiderdiep de Volksgaarkeuken, een laag gebouw uit 1871. In 1930 werd dit gemoderniseerd en hernoemd tot het Woon- en Eethuis voor Allen, onder Groningers beter bekend onder zijn  afkorting WEEVA. Volgens een van de ruiten werden de ramen geplaatst bij het 70-jarige bestaan van deze “inrichting”. Dat jubileum zal slaan op de Volksgaarkeuken – de ramen dateren derhalve uit 1941. Verder is er heel weinig documentatie over te vinden, zelfs de maker is onbekend, iets wat mogelijk samenhangt met de tijd dat ze vervaardigd werden. Ze hebben als onderwerp de manier waarop voedsel tot stand komt en met een portie onwelwillendheid zou je kunnen zeggen dat er een bloed- en bodemgeest uit spreekt. Aan bod komen fruitteelt, akkerbouw, jacht en visserij – merkwaardigerwijze ontbreekt echter de veehouderij. Of zouden die ramen verdwenen zijn?

Fruit – appels plukken:

Fruit – het wegbrengen van appels:

Fruit – peren plukken:

Fruit – peren wegbrengen:

Fruit – druiven, perziken, appels en een enkele peer, schenkkan en kaas:

Hetzelfde fruit, nu met een pompoen en een ham:

Groente – kolen:

Groente – wortels:

Groente – kolen, wortels, prei, uien, tomaten en knoflook:

Akkerbouw – ploegen:

Akkerbouw – eggen:

Akkerbouw – zaaien:

Akkerbouw – zichten:

Akkerbouw – aardappels poten:

Akkerbouw – aardappels rooien:

Jacht:

Jacht – opvliegende eenden:

Jacht – gevogelte:

Jacht – edelherten:

Visserij:


Van Giffen als achterdochtige Drent – een vroege karakterschets

De reistas van Van Giffen. Collectie Groninger Museum.

Gister kwam de brievencollectie van het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden online. Slechts een klein deel van die collectie is voorlopig echt toegankelijk gemaakt, maar de enige treffer die het zoekwoord ‘Groningen’ oplevert, is alvast een mooie verrassing. Het betreft een aanbevelingsbrief uit 1912 van de Groninger hoogleraar biologie Van Bemmelen voor de destijds nog niet gepromoveerde Albert Egges van Giffen:

Groningen, 6 Oct. 12.

Van Giffen heb ik leeren kennen eerst in zijne positie van student in de Biologie, daarna als assistent aan het Zoölogisch Labaratorium. In beide qualiteiten heeft hij blijk gegeven een man van bijzondere gaven en rusteloozen ijver te zijn. Hij bezit een grooten aanleg en ook sterke geneigdheid tot geheel zelfstandig werken, wat aanleiding kan geven dat hij we eens al te zeer zijn eigen weg gaat, maar hij is toch gevoelig voor raad van anderen en bereid tot overleg en tot samenwerking, wanneer men de eigenaardigheden van zijn karakter weet te verstaan en zijne neiging tot achterdocht (die vermoedelijk aan zijn Drentsche afkomst moet geweten worden) weet te overwinnen.
Volgens mijne overtuiging zal Van Giffen bij voldoende aanmoediging en vriendschappelijke leiding, veel en goed origineel werk kunnen verrichten en een groote kracht worden voor het archaeologisch onderzoek. V. Giffen’s begaafdheden voor dat onderzoek en ook reeds zijne verdiensten op dat gebied zijn zoo groot, dat ik het de plicht acht van ieder, die in de gelegenheid is hem te helpen en te steunen, om daarbij enkele minder aangename en gemakkelijke zijden van zijn aard over ’t hoofd te zien, vooral omdat naar mijne meening de grond van zijn karakter eerlijk, oprecht en onbaatzuchtig is.

J.F. van Bemmelen


Bekius’ blik op Stad

Tjerk Bekius zette onlangs zijn smalfilm- en videobeelden, vanaf 1965 gemaakt in de stad Groningen, als collage op YouTube. Te zien zijn onder meer de fontein van de Herestraat, de voorganger van de A7, de groenteveiling aan de Peizerweg, de spoorwegovergang Paterswoldseweg, de winter van 1979 en het opblazen van de vijf pijpen. Veel kijkplezier!:


Barok in Groningen

Ik lees hier dat het Groninger Collegium Musicum, een orkest van heren liefhebbers, eind zeventiende eeuw een aardige muziekbibliotheek had, doordat veel leden hun eigen muziekboeken aan het orkest schonken. Deze boeken kwamen grofweg uit de periode 1630-1690. Onder andere omvatte ze werken van:

Lully (Phaëton):

Uccellini:

Vivaldi:

Meermalen Lully zelfs, naar ik hoop ook deze fantastische Mars voor een Turkse ceremonie:

Ik koos bij dit aanschouwelijk maken met opzet voor live-opnamen, omdat die wat meer rammelen. Bovendien valt er ook echt wat te zien. Wellicht rammelde het bij de Groninger heren dilettanten nog wat meer, maar dat zal weinig aan hun genoegen hebben afgedaan.

Overigens beperkt zo’n exercitie zich natuurlijk wel tot componisten uit de klassieke canon. Van een heleboel andere op de lijst – de meeste – wordt nooit meer wat uitgevoerd. Die zijn totaal vergeten.


Bakstenen, drielingen en plavuizen – een steenkopersrekening voor een nieuwbouwhuis

In 1621 hadden de houtzager Harmen Grotijn en vrouw uit de Butjesstraat duidelijk verhuisplannen. Ze tekenden een schuldbrief aan de steenkoper Bartolomeus Fraterman en vrouw voor 228 daalder (342 gulden) wegens bouwmateriaal, door Fraterman geleverd:

  • 15.000 grote bakstenen,
  • 10.000 drielingen,
  • 3000 pannen,
  • 1000 “blaeuwvuisers vloersteenen” (plavuizen)

Dit materiaal was bestemd voor een huis dat Grotijn en vrouw binnenkort buiten de Oude Ebbingepoort, dus in de nieuwe noordelijke stadsuitleg, wilden gaan bouwen. Ze hadden hier al een stuk bouwgrond in erfpacht verworven.

De nota van de steenkoper vormde uiteraard slechts een deel van de bouwkosten, er kwam nog een rekening van de houtkoper wegens hout en een van de ijzerkoper wegens het hang- en sluitwerk overheen en vooral niet te vergeten nog die wegens de arbeidslonen van timmerlui en metselaars. Laten we zeggen dat de totale bouwkosten minstens 500 gulden bedroegen. Dan was dit toch wel een middenstandswoning. Arbeiderswoningen deden nog niet de helft.

Ik stuitte toevallig op de nota bij het doornemen van de nieuwe toegang die Sebo Abels heeft gemaakt op stad-Groninger verzegelingen uit de zeventiende eeuw. Zoeken op de trefwoorden ‘bakstenen’, ‘drielingen’ en ‘vloer’ leverde helaas geen equivalent op.

De eigenlijke bron: RHC Groninger Archieven, (op microfiche) Rechterlijke Archieven III x deel 4 fol. 426 d.d. 16 maart 1621.


Groninger jood was Gronings, Friese jood was Fries

Folkingestraat voor de oorlog.

Het provinciale Jodendom, zo karakteristiek als het was, heeft slechts een enkele maal een penvoerder gevonden, die het geschilderd heeft in zijn samenhang met zijn omgeving, in zijn aangepastheid, die toch zulk een schat van innige Joodsheid overliet. Ook hier is iets onherstelbaars verloren gegaan.(…) Wat een typen, wat een variaties! Verdwenen zij.

De onmiddellijk herkenbare Groninger Jid, die souverein heerste in zijn gebied in zijn vrolijke, levendige Folkingestraat. Lezer, ga niet naar de Folkingestraat. Het is een gore, droeve, neerdrukkende achterbuurt geworden.

De Jood uit de veenkoloniën, slagerveehandelaar, niet bang voor, noch afkerig van een fiks vechtpartijtje, die Grönnegs sprak in onvervalst dialect, echt van kleur en klank, waarin toch de Joodse bewogenheid telkens weer doorbrak.

De Limburger Jood, waarschijnlijk de meest geassimileerde en meest aangepaste van Nederland, die naar sjoel ging en daarna desgewenst een kaarsje voor het raam plaatste ter ere van een voorbijtrekkende processie. Joutse für Gott und für die Leute.

De Brabander, gul en gemoedelijk, met zijn Zuid-Nederlands „hebdege en bendege“, met zijn genoegelijke levensblijheid, gemakkelijke levensopvatting, met zijn gulle eenvoudige gastvrijheid.

De Friese Jood, zo oer-Joods gebleven, en toch zo vergroeid met zijn omgeving, dat hij Fries of Leeuwardens sprak als ware het Losjoun hakoudesj. En die zelfs als hij opgeroepen werd in de Beroche de Friese “G” niet overwinnen kon, asjer bokar bonoe. Ach, hoe eenzaam is de Put, dit Rapenburg van het Noorden. Me-ein jousjeiw. Geen vrolijke groep jongeren host meer door de buurt, op de avond van uitgaande Pesach op de melodie van het lied „Chomeitsdikke sterren“. Slechts de grote, onbeschadigde Leeuwarder Sjoel — eens hun trots en glorie — staart weemoedig-statig naar de leegte. Oj, mee haja lanoe!

Bron: Nieuw Israëlitisch Weekblad 15 juli 1949.