De blekers en hun honden

In de achttiende eeuw bevonden zich enige bleekvelden onmiddellijk buiten de Oosterpoort oostzijde langs de stadsgracht, daar waar nu nog het Cultuurcentrum staat. De exploitanten van deze bleekvelden, de blekers, wasten en droogden linnengoed voor beter gesitueerden. Hun nering was onzeker door de zesjarige pachttermijnen, door perioden van gebrek aan klandizie en door overstromingen vanuit de stadsgracht en het Winschoterdiep. Meer hierover een andere keer. Nu eerst iets over nog een ander probleem waarmee de blekers kampten en het wapen dat ze tegen dat probleem plachten in te zetten.

Dat probleem vormden de vele diefstallen waarvan blekers het slachtoffer werden. Daarbij moeten we bedenken dat de primaire levensbehoeften toentertijd veel duurder waren dan tegenwoordig. Dat gold zeker voor linnengoed, allemaal nog handwerk, een product van spinnen, weven en naaien. Dat linnengoed lag bovendien voor het grijpen op de relatief open, hooguit met heggen afgeschermde bleekvelden. Eventueel pakte men een stok om het spul over een heg naar zich toe te halen.

Blekers buiten de Oosterpoort en het Kleinpoortje werden o.a. op die manier meermalen het slachtoffer en zelden werd er een dader gepakt. Het was zelfs zo dat een bleker moest uitkijken om niet zelf van diefstal beschuldigd te worden. Dat overkwam Derk Bos, bleker buiten de Oosterpoort, die in 1747 door een klant ervan werd beticht dat hij vier hemden, tien neteldoekse doeken en 24 stukken kleingoed had ingepikt. De kwestie werd uiteindelijk geschikt, maar kan onmogelijk in Bos’ kouwe kleren zijn gaan zitten. Het was een dieptepunt in zijn carrière, zeg maar.

De gelegenheid maakte ook toen al de dief en de stadsoverheid zag erop toe dat men niet al te gemakkelijk gelegenheid gaf: linnen dat al te dicht bij de weg over een heg hing, werd onverbiddelijk in beslag genomen. Van hun kant deden de blekers er ook alles aan om diefstal te voorkomen. Zo vroegen de gezamenlijke blekers van de stad Groningen in 1795 om gespaard te mogen blijven voor inkwartiering van Franse troepen omdat ze toezicht moesten houden op de spullen, die hen waren toevertrouwd.

Mocht hiermee de schijn gewekt zijn dat ze dat toezicht louter in hoogst eigen persoon uitoefenden, dan is een rechtzetting op haar plaats. Want de blekers stonden bekend om hun grote, bijtgrage honden. Zo vroegen de Groninger blekers in 1638 aan het stadsbestuur of ze hun honden overdag los mochten laten. Dat mocht niet, ze moesten deze aan de ketting leggen “tot voorkoming van onheilen”, en anders kregen ze een boete.

In 1641 hielden enige blekers zich niet aan deze regel. Hun honden veroorzaakten een dermate grote schade op een hof (siertuin) dat het stadsbestuur bepaalde dat de slachtoffers in het vervolg zulke honden desnoods mochten doodslaan of vergiftigen. Maar ondanks zulke maatregelen waren er in de achttiende eeuw nog regelmatig klachten over blekershonden. Zo pakten deze in 1753 een vrouw, beten ze in hetzelfde jaar een twaalftal schapen dood en in 1772 een 40 à 50 stuks pluimvee. Tussen die wanbedrijven door, in 1764, was er nog een geval waarbij een bleker iemand met zijn honden bedreigde.

Toen in 1807 hier ter stede de hondenbelasting werd ingevoerd – twee gulden per hond per jaar in twee termijnen – waren de gezamenlijke blekers uit de stad, waaronder Sicke Thies Sickens van buiten de Oosterpoort, er ook als de kippen bij om vrijstelling te verzoeken. Ze konden weliswaar begrip opbrengen voor het argument van het stadsbestuur dat honden in de regel een soort van weelde vormden en dat alleen de meer gegoeden honden bezaten, maar ze zagen zichzelf als een duidelijke uitzondering op deze regel. Want, zo voerden ze aan, zonder hun honden bestond er een “zeker gevaar van dieverij”,

“daar men toch gemakkelijk kan vooruitzien, dat wanneer zij deeze trouwe wachters verwijderden de door een groot aantal ingezetenen aan hun vertrouwde goederen zeer schielijk een prooi van den roofgierigen dief zouden worden”.

Ja, het was onmogelijk die honden weg te doen zonder tegelijkertijd gedag tegen de kostwinning te zeggen, want vervanging van de honden door mensen zou de bleektarieven dermate doen stijgen dat de bleekmarkt zou inzakken.

Helaas voor de blekers kregen ze nul op hun rekest. De tweede termijn van de hondenbelasting, die van januari 1808, leverde overigens 504 gulden op, waaruit we mogen opmaken dat er hier in Groningen slechts 504 geregistreerde honden waren, inderdaad een luxe.

Nu was de blekersnering zeker geen vetpot. De blekers hadden het niet breed – als ondernemers met een gering bedrijfskapitaal behoorden ze tot de kleine middenstand. Hun weinig beduidende positie op de maatschappelijke ladder roept nog de vraag op hoe de blekers het voor elkaar kregen om hun grote, geduchte honden van voedsel te voorzien.

Welnu, ook daarover is wel iets bekend. In 1754 was er een rechtzaakje over de grote hoeveelheden “gedarmte en andere vuijligheijdt van slagters komende”, die Jan Remmerts, bleker buiten het Klein Poortje, voor zijn hondehok placht te deponeren, waardoor zijn buurman, de scheepstimmerman en hellingbaas Anthonie Jans van Bergen en diens knechten

“dagelijks seer veel ongemak moesten ondervinden, insonderheijdt wanneer de windt west is, soo dat van stank daar door gecauseert niet konnen alsdaar verblijven”.

Anthonie Jans wilde dat Jan Remmerts het spul zou verwijderen, mede omdat Remmerts het vroeger altijd op het andere eind van zijn bleek had gelegd. Remmerts echter, voelde daar weinig voor. Hij moest immers, zo zei hij, jaarlijks “groote lasten en swaerigheden” voor zijn stadsgrond betalen en bovendien was hij verplicht om zijn zeven (!) honden aan de ketting te laten liggen, zodat hij wel gedwongen was om ze juist op die plek te voederen. Anthonie’s bewering als zou het slachtafval eerder elders hebben gelegen, waren wat Jan Remmerts betreft maar “blote segswoorden” – Remmerts kon anders ook wel over Anthonie’s “secreet” (plee) gaan klagen, “waar uit ook niet als stank komt”, maar ging daar “uit genegentheijdt” liever aan voorbij.

Na ter plaatse poolshoogte te hebben genomen stelden de Heren van de Kluft, de scheidsrechters in dit soort burenruzies, de bleker min of meer in het gelijk, dat wil zeggen hij mocht zijn honden op dezelfde plek blijven voeren, al diende hij bij de aanvoer wel enige matiging te betrachten: zou Remmerts bij uitzondering nog eens “dusdane voedsel (…) komen opmennen en ansleepen”, dan zou het stadsbestuur op een klacht van Anthonie andere maatregelen nemen…

Bleef het bij kleine hoeveelheden slachtafval dan was dat dus tot daar aan toe. Maar het kon nog erger. Vijftien jaar eerder, in juni 1739, kwam er bij het stadsbestuur een klacht binnen van de buren buiten de A-poort, van inhoud dat de weduwe Albert Alberts, de aldaar woonachtige bleekster, haar honden voedde door ze kadavers van o.a. paarden voor te zetten, “waar door dusdanig somwijlen de lugt is geïnfecteert dat er bijna geen mensch kan duiren”. Het stadsbestuur verbood vervolgens aan àlle blekers, dus niet alleen die van buiten de A-poort, om nog langer kadavers op hun bleken neer te leggen. De kadavers die er op dat moment al lagen moesten ze direct begraven; lieten ze dit na dan kregen ze een boete van twaalf gulden.

Ondanks die lang niet malse boete – ongeveer een maand loon voor een gewone arbeider – was dit niet de laatste klacht over kadavers op een bleek. Zo kregen de vroede vaderen van onze stad in juni 1795 (alweer vlak voor de hondsdagen!) de melding dat er op een van beide bleken buiten de Oosterpoort en het Kleine Poortje een plaats was aangelegd waar de Fransen hun zieke paarden mochten laten afmaken. Het stonk er soms zo erg, dat de werklui op de bovengenoemde scheepswerf, dan van de weduwe Van Bergen, het niet konden uithouden.

Hoe schoon het linnen ook werd door toedoen van de blekers, helemaal fris rook het in hun omgeving niet altijd.

Verhaal, eerder verschenen in De Oosterpoorter van 199? en nu ontdaan van Ventura-tags en opnieuw geredigeerd.

Advertenties

Twee versies van Maria ten Hoorn


Twee opnames van hetzelfde zegel van het convent Maria ten Hoorn, een vrouwenkloostertje dat in de vijftiende en zestiende eeuw in een uithoek van het stadsgebied te vinden was.

De linker is subtieler, maar Maria lijkt wel een doodshoofd te hebben onder haar kroon. Bovendien is het Christuskind, dat ze op de arm draagt, uitgevlakt.

De rechter versie heeft veel weg van een expressionistisch beeldhouwwerkje: Maria’s kroon is haast onzichtbaar, het is alsof ze een hoofddoek draagt. Maar de Jezus op de arm komt veel beter uit.

Dan zie je wat lichtinval voor een verschil kan maken.

Op basis van beide versies zou een kundig lijntekenaar een goede reconstructie van het zegel moeten kunnen maken. Zo’n tekenaar ben ik helaas niet.

Het betreft een illustratie voor de volgende editie van het Historisch Jaarboek Groningen, waarin een artikel zal staan over het convent Maria ten Hoorn.


Botanische correspondentie

Op zoek naar een bepaalde illustratie, belandde ik in een bultje botanische correspondentie uit het Fin de Siècle. Het bevatte vooral offertes van bedrijven die wat wilden verkopen aan het instituut van professor Moll.

De man die zijn rozen graag aan de Rozenstraat zag, zat in het Drentse Hoogeveen, waar je rond 1900 wel meer rozenkwekerijen had:


Detail:

Het bedrijf van de fotocamera’s:

Detail – het waren nog zwaarwegende apparaten, die phototoestellen: degelijke houten kistjes met balgen:

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 1018 (archief Botanisch Laboratorium RuG) inv.nr. 5: correspondentie.


Mazelen in Groningen

“Ofschoon wij over het algemeen kunnen zeggen, dat de mazelen hier gewoonlijk niet kwaadaardig zijn en er in evenredigheid van het groot aantal aangetasten zeer weinig plegen te bezwijken, zoo kunnen wij dit toch niet van alle getuigen. Immers in 1816 werd deze ziekte hier door bijkomende typheuse ongesteldheid zoo kwaadaardig, dat van 2000 lijders 140 overleden. In 1821 werd het aantal mazelenlijders of op 3500 of op 4000 geschat en het aantal daaraan overledenen op 150.”

Dat aantal lijders van 1821 op de gehele bevolking betekende dat zo’n 10 % van de mensen aan de ziekte leed. Zo’n 4 à 5 % van de lijders ging eraan onderdoor. De epidemie van vijf aar eerder trof de helft minder lijders, maar was met een sterfte van 7 % van de lijders veel dodelijker.

“1862. Ook nu in het eerste gedeelte van het jaar bleven de mazelen zich vertoonen en wel in een weinig grooter getal. De [geneeskundige] commissie maakte de regering opmerkzaam op de besmettelijkheid dezer ziekte, die niet in het politie reglement als zoodanig was opgenomen, zoodat de kinderen uit huizen, waar mazelen waren, ter school kwamen en aldus de ziekte telkens overbragten, waartegen dan ook nu maatregelen werden voorgeschreven en aangewend.”

Bron: Geschiedkundige aanteekeningen over de epidemiën, welke van het jaar 1806 tot 1866 te Groningen geheerscht hebben… (Groningen 1869) resp. pag. 123 en 36.


De Groninger honingdief

Bellerophon.

Dit weekend was in het nieuws dat de diefstal van bijenvolken hand over hand toeneemt. Het zou gaan om een “betrekkelijk nieuw fenomeen”. Dat is echter onjuist, want in een verder verleden had je ook dieven die zich toelegden op bijen en/of honing. Zo iemand sloeg tussen 1740 en 1756 herhaaldelijk toe in het hovengebied buiten de Groninger Here- en Oosterpoort. Hoe ging deze dief te werk, en welk lot wachtte hem?

De slachtoffers van de Groninger honingdief bezaten bijenstallen aan de oostkant van de Trekweg buiten Kleinpoortje, aan de Oliemolensteeg buiten de Oosterpoort, buiten de Herepoort aan de Hereweg, en aan de Rozenstraat in het noorden van de stad. Naast hun aangiften zijn er drie notities van de stadsschulte (of schout) bewaard gebleven, die de werkwijze en het profiel van de dader schetsen.

De eerste aangifte, uit 1740, kwam van de koopman Jan Nering, die aan de Gelkingestraat in De witte Rooster woonde, maar buiten de Oosterpoort in de Oliemolensteeg zijn hof had. Daar waren “wederom” twee korven met bijen uitgehaald, “zoo dat voor de overige ook bedugt ben als konnende deselve in geen huis besluiten”. Kennelijk sloeg de dief eerder toe op Nerings hof, maar hield de koopman ook na de tweede keer nog wel bijenvolken over.

Dat de dief bijzonder brutaal te werk ging, blijkt uit de aangifte van Albert Tiesing, de dato 3 juli 1741. Ook deze Tiesing bezat een hof aan de Oliemolensteeg waar hij korven met bijen had staan. Op de klaarlichte middag van zondag 2 juli, tussen een en vier uur, was de dief daar langs geweest. Volgens Tiesing lichtte hij alle honing uit één korf, en brak hij een andere korf finaal in stukken, “soo dat deese beijde korven met ijmen gants te niete sijn gemaakt”.

Op 2 oktober 1746, dus na het bijenseizoen, kreeg bovendien de hof van Hindrik Jacobs Decker ongewenst bezoek, met als resultaat de vermissing van één korf met bijen, en de vernieling van nog eens acht andere. Deckers hof bevond zich vermoedelijk buiten Kleinpoortje aan het Winschoterdiep. Daar woonde zeker Olfert Kneurshof, aan de oostzijde van het Trekpad, ter hoogte waar nu het Griffeweg ligt. Twee maanden na Decker gaf Kneurshof door, dat hij een korf bijen uit de grote hof achter zijn woning miste.

Intussen keek de schulte al naar de dief uit. Volgens diens recapitulatie van maart 1744 was Kneurshof ook in januari van dat jaar al een wintervolk kwijtgeraakt. Als meervoudig slachtoffer gold eveneens de bovengenoemde Albert Tiesing, van wiens hof aan de Oliemolensteeg sinds 1742 in totaal negen korven met bijen en honing waren weggehaald.

De schulte twijfelde er niet aan, of het ging steeds om dezelfde dief. Die zocht namelijk de allerzwaarste korven uit, die de meeste honing bevatten. Eerst stopte hij de vlieggaten van de korven dicht met lapjes stof om de bijen te kunnen doden (met zwavel). En als dat gebeurd was, sneed hij de korven van bovenaf met drie sneden open, om er gemakkelijk de honing uit te kunnen halen.

De schulte mat ook de voetstappen van de dief, die hij hier en daar aantrof. Deze bleken steeds van één en dezelfde schoenmaat en er werd een papieren model van gemaakt, dat in het dossier bewaard bleef. Op 26 februari 1744, toen de honingdief en bijensmoorder toesloeg op de tuin van de moesker Jan Harmens aan de oostzijde van de Hereweg, kon de schulte, daarbij geholpen door meerdere mensen, ook naspeuren waar deze voetstappen vandaan kwamen. Het spoor kwam van de lijmziederij aan het Hoornsediep (nu Cascade), en liep vervolgens langs de Toppinggaborg van Raadsheer Smith aan de Achterweg (Postflat) en een moeskerstuin in die omgeving, om dwars over de Hereweg Jan Harmens’ tuin te bereiken. Terug ging het langs de Davidsteeg tot de hof van schrijver Brongersma, waar de gestolen korf weer op die karakteristieke manier was opengesneden en leeggehaald. De drie stukken van de korf gooide de dief in belendende hoven. Met de honing kwam hij weer voorbij de Toppingaborg en de lijmziederij, waarbij zich een brugje over het Hoornsediep bevond, en het spoor liep uiteindelijk dood in het groenland achter de hoven buiten de A-poort bij de Lissabonsteeg.

In deze omgeving woonde ene Conraet Hindriks, die snijder (kleermaker) van beroep was. Voor veel mensen gold hij als verdachte nummer één, omdat hij van Haren kwam, waar de collector (een belastingontvanger), ook al eens op identieke wijze een korf met bijen kwijtraakte. Bovendien had Conraet al eens linnen van een bleek in Anlo gestolen, linnen dat zijn slachtoffers gedeeltelijk uit het beddestro in zijn kamerwoninkje tevoorschijn haalden, maar deels ook aantroffen op een bleek buiten de Oosterpoort.

Twee maal gingen er een Raadsdienaar en wat belastingpachters langs bij Conraets huisje, op zoek naar gestolen goed en smokkelwaar. Ze troffen evenwel niemand thuis en deden ook geen huiszoeking. Wel wisten buren naderhand te vertellen dat Conraet en zijn vrouw daarna heel “confuus” waren. De hele nacht zouden ze op zijn geweest, en ze zouden ook een vat met honing hebben leeggegooid in een sloot achter hun hof.

Hoewel de schulte sterk dacht te staan, kon hij zonder heterdaard uiteindelijk niets bewijzen. Ook begin april 1756, toen onder andere bij de moesker Jannes Wiltes buiten de Herepoort korven met imen waren “doot gesmoort ende de hoenig daer uit gestolen”, stond de schulte met lege handen. Hoewel de werkwijze en de voetstappen en hun schoenmaat andermaal dezelfde bleken, ontsprong Conraet steeds weer de dans.

Tot een veroordeling kwam het dus niet, maar voor ons doel is dat ook niet zo erg belangrijk. Wel interessant is, dat de honingdiefstallen de aanwezigheid van zeker vijf kleinere bijenhouders buiten de Herepoort, de Oosterpoort en het Kleinpoortje aantonen. Met de bijenhouders die de dief niet bezocht, moeten deze toch al gauw enige tientallen, zo niet meer korven met bijen hebben gehad. Voeg hieraan toe de nog veel grotere hoeveelheden korven van meer professionele imkers, en dan blijkt dat de bijenteelt hier sterk leefde.

Waarom dat zo was? Bijna geen hof, of er stond een lading fruitbomen in. Met name appel- en perebomen, maar ook pruimen- en kersenbomen, wijnranken en aalbessenstruiken. Daarnaast deden de bijen waarschijnlijk ook wel allerlei sierbloemen en de bloeiende koolplanten van moeskers aan. In elk geval was er hier in het seizoen genoeg nectar voorhanden, om de bijen en hun bazen ruimschoots van honing te voorzien.

Eerder in iets andere vorm gepubliceerd in wijkkrant De Oosterpoorter.


“We moeten toe naar grote weidevogelreservaten”

Ooievaar bij Leegkerk, 10 augustus 2018.

Egbert Boekema, auteur van Vogels in Groningen (2016), sprak vorig jaar oktober op de Dag van de Groninger Geschiedenis over zijn passie – het waarnemen van vogels – en de historische aspecten daaraan. Vooraf had ik een interview met hem, dat verscheen in het DGG-magazine. Met wat kleine retouches neem ik het hier over.

“Geluk is als je relaxed buiten kunt zijn om vogels te zien, dat is voor mij geluk”, zegt Egbert Boekema. “Bij sport ken je allerlei opwinding – bij verliezen is het waardeloos en bij winnen ben je euforisch, maar hierbij heb je dat dus niet zo.”

Toch gaat het er niet altijd even kalm aan toe bij dat vogelen. Het liefst gaat hij met stormweer naar de waddenkust: “Dan zie je er allerlei trekvogels langskomen. Al weet je op voorhand niet wat je te zien krijgt, dat weet je pas als je er zit.” Zijn favoriete plek is dan het Lauwersmeergebied, al gaat de hele kuststrook tot de Eemshaven ermee door. “Het maakt dan niet uit waar je bent, maar bij de Dollard, voldoet eigenlijk alleen de Breebaartpolder. Verderop zijn de kwelders zo breed, dat je daar gewoon niets ziet; je zit daar veel te ver weg van het wad om waarnemingen te kunnen doen. Bij de Breebaartpolder kan je vogels op maar 20 meter afstand zien.”

Een passie begint vaak vroeg, zo ook bij hem. Hij weet nog hoe hij als kind een ooievaar hoorde klepperen op het postkantoor van Zuidhorn. “Ik was toen een jaar of vijf, denk ik.” Naast die eerste vogelwaarneming herinnert hij zich zijn eerste goede kijker, een Zeiss, begin jaren 70 in Duitsland gekocht van zijn eerst verdiende geld: “Dat ding kostte 680 D-Mark, destijds een behoorlijk bedrag. In Groningen was ik de tweede met zoeen, iemand als Loterijman, de eerste voorzitter van Avifauna, deed het nog met een veel eenvoudiger kijker.”

Het rare is dat Boekema destijds geen biologie ging studeren, maar biochemie. “Ik heb jaren getwijfeld en vroeg na de propedeuse of ik nog bij biologie kon instromen. Maar dan zou ik van alles over moeten doen en zo ben ik nooit echt bioloog geworden. Wel ben ik nu voor mijn beroep veel bezig met planten.”

Hij is hoogleraar elektronenmicroscopie en daarnaast voorzitter van de vogelaarsclub Avifauna. In zijn imposante naslagwerk Vogels in Groningen, staat voorin een foto van zijn metersbrede rij dagboeken met vogelwaarnemingen, bijgehouden sinds 1971. Nog steeds noteert hij iedere ochtend op weg naar zijn werk de vogels die hij hoort. Hij toont een turflijstje met de dagoogst: zwartkop 3, houtduif 2, merel 2, winterkoning 1, tjiftjaf 1. Niet gek voor eind juli.

Gevraagd naar zijn favoriete vogel, noemt hij de lepelaar. “Lepelaars, dat zijn geweldige beesten, hele mooie, sierlijke vogels. Als ze foerageren, zijn ze heel actief.” Qua zang is vooral de merel favoriet: “Heel bijzonder is dat merels op elkaar reageren, dat geeft een bepaalde sfeer op een mooie voorjaarsavond.” Van die merel verbaast het overigens, dat hij pas sinds 1735-1740 in de stad Groningen broedt, terwijl daar nu zo’n 5000 stuks leven. “Ja”, lacht Boekema, “iemand heeft ooit die eerste waarneming genoteerd en die is vervolgens steeds weer overgeschreven. Oorspronkelijk zou de merel een schuwe bosvogel zijn geweest, die zich met de vergroening van de bebouwde kommen heeft aangepast.”

Ook de lepelaar is een succesvolle soort. “Eind jaren 60 was het aantal heel erg teruggelopen, er was toen bijna niets meer. En nu broeden ze op Schier, zitten er soms honderden in het Lauwersmeer en kan je ze ook in het binnenland zien.” Hetzelfde geldt voor de ooievaar. Terwijl er vroeger ooievaarsnesten zaten op het stadhuis van Groningen, kerken te Niehove en Onnen en de school van Hoogkerk, was deze vogel rond 1970 in onze provincie uitgestorven. Dankzij herintroductie maakte de ooievaar een comeback. “Bekend is natuurlijk de Lokkerij bij De Wijk”, zegt Boekema, “maar ook bij Nienoord in Leek is er in de jaren 80 en 90 een buitenstation geweest”.

Naast vooruitgang is er helaas achteruitgang. “De weidevogels”, zo constateert hij, “daar is bijna niets van over. ” Volgens hem ligt het niet alleen aan de intensivering van de landbouw. “Vermoedelijk heeft de grutto het ook in Afrika moeilijk, maar inderdaad hebben de jongen een gevarieerd insecten- en kruidenrijk grasland nodig. De onderzoeksgroep van Theunis Piersma aan de RUG heeft het helemaal uitgezocht.” Hier in Groningen speelt predatie mede een rol. “Onder andere kraaien zijn de boosdoeners. Dat komt ook doordat er veel meer geboomte is, nu. Vroeger was het landschap veel kaler en had je veel minder kraaienesten. Rond 1960 kon je bijvoorbeeld vanaf zwembad De Papiermolen helemaal naar Paterswolde kijken.”

De goedbedoelde pogingen om weidevogels te redden, stranden op versnippering en kleinschaligheid, vindt hij. “Er zijn wel boeren die er wat aan proberen te doen, maar land waar een of twee grutto’s broeden, dat heeft nauwelijks zin. Je moet eigenlijk toe naar grote weidevogelreservaten, niet van 100 maar van 1000 hectare. Daar kan je honderden grutto’s op hebben.”


De gestileerde essentie van Praag

Ziehier het lakzegel op het olografisch testament van Salomon Lammert van Praagh (1746-1812), die samen met zijn twee oudere broers een grote porseleinwinkel aan de Groninger Vismarkt dreef, en net als een van die broers opziener en dus vooraanstaand lid van de joodse gemeente Groningen was. Hoewel Salomon in Wildervank geboren werd, en in elk geval een van die broers in Amsterdam, herinnerden ze zich getuige hun familienaam nog wel een oudere herkomst.

Wat me vooral intrigeert, is de beeltenis in het midden van het zegel. Op het eerste gezicht zou men er een aanzicht van de stad Praag in kunnen zien. Maar wie gaat googelen naar een soortgelijk stadssilhouet, komt van een kouwe kermis thuis. Dat is er niet. Vergelijk de beeltenis bijvoorbeeld maar eens met het stadsaanzicht van Braun en Hoogenberg uit 1598 (onder):

Alleen al de keizerlijke burcht (boven + onder uiterst rechts) telde meer torens dan er op het zegel van de Groninger porseleinkoopman staan. Lijkt diens zegel dan misschien op het stadswapen van Praag?

Nou ook dat niet, of slechts heel gedeeltelijk. Het centrale deel, de poort met de drie torens, zou in de verte aan dat stadwapen kunnen zijn ontleend. Maar dat dan zonder de arm met het zwaard en de scherpe torenspitsen, en ook zonder de andere poorten en torens en de beide walmolens uiterst links en rechts op het zegel.

Het gaat, kortom, meer om een vergaand gecomprimeerde stad, meer om een Praag als vaag idee, dan om het werkelijke Praag. In hun familienaam hielden de Van Praaghs hun komaf dan wel in ere, maar qua beeld kwam hun stempelsnijder niet verder dan een gestileerde essentie van een stad, die misschien ook wel op een munt is te vinden.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 1869 (archief notaris Keiser te Groningen) inv.nr. 20, akte nr. 8 d.d. 11 januari 1813. Met dank aan Jan-Paul Wortelboer.