Met een revolver voor de kansel

Hoorde een verhaal over de Vrijmaking in de stad Groningen en hoe de synodale en de vrijgemaakte gereformeerden elkaar na de oorlog de Noorderkerk betwistten. Dat ging zelfs gewapenderhand: op een zondag stond een fanatieke partijganger onder de kansel, om de onwelgevallige predikant van de andere kant er vanaf te dwingen.

Bijbels kan je dat toch niet noemen. In de bijbel staat immers: hebt uw vijand lief en keert hem, als hij u op uw ene wang sloeg, uw andere wang toe. Een bijbels levend persoon zou zich dus lankmoedig moeten betonen: als mijn vijand zo nodig de kerk wil hebben, laat hem maar, ook al heeft hij er het recht niet toe.

Uiteindelijk stond een gang naar de civiele rechter natuurlijk wel vrij. Dat is destijds ook overvloedig gebeurd, het ging dan vaak over kerken die nu – net als de Noorderkerk – allang buiten gebruik zijn. Vaak ging zo’n proces tot de hoogste instantie door. Midden jaren 50 had de Hoge Raad het er maar druk mee. Er schijnt een hele jurisprudentie te zijn over het eigendomsrecht op gereformeerde kerken.

Heb het verhaal overigens nog niet kunnen verifiëren. Maar: se non è vero, è ben trovato.

 


Achtste wereldwonder

img856-blog


Poolshoogte op het achterplaatsje – bij de comeback van Peter Schaap

peter-schaap

Peter Schaap maakt een eenmalige comeback als liedjeszanger. Veertig jaar geleden stopte hij met het maken van muziek op podia. Het succes kneep zijn bron af. “Ik schreef altijd over dingen die ik zelf meemaakte”, vertelt hij op TV Noord,

“en maakte eigenlijk nauwelijks wat mee. Je zat in de auto naar ‘t optreden en je ging weer naar huis. Of je zat in de studio, en dat soort dingen. Maar dat was niet iets inspirerends. Dus op een gegeven moment heb ik me daarvan teruggetrokken (…) en ben wat anders gaan doen.”

Veertig jaar geleden, rekendereken, dat was in 1977.

Maar toen maakte Peter best wel wat mee! Hij zat bijvoorbeeld een keer ’s nachts na sluitingstijd in de Plu’s, toen daar de politie binnenviel.

Folkcafé De Plu’s, moet je weten, had een dagvergunning, zodat de tent al om één uur ’s nachts moest sluiten. Maar dan was het vaak nog vreselijk gezellig. Zo die keer ook, dat Peter Schaap er aan de bar zat. Jan Stelma, de kroegbaas, had het licht wel gedimd, de deur op de grendel en de gordijnen dichtgedaan, maar het kroegrumoer drong toch tot de buitenwereld door en een boze buurman moet de politie hebben gebeld.

Een aanrijtijdje later werd er hard op de buitendeur van de Plu’s gebonkt. Politie! Iedereen hield zich op slag muisstil. Jan riep naar voren dat hij eraan kwam, volgde een klaarliggend scenario, deed de achterdeur open en alle aanwezigen slopen op hun tenen het achterplaatsje op, waar nog net wat ruimte over was tussen de hoog opgetaste stapels wijnflessen.

Ook Peter Schaap stond daar, bibberend in zijn heel hippe, maar tevens erg dunne bloesje. Tamelijk langdurig, want de politie zag natuurlijk wel aan glazen, asbakken en over stoelleuningen gedrapeerde jasjes dat er pas nog volk binnen was geweest en zat Jan daarom kwaadaardig zuigend uit te vragen.

Dat duurde maar en duurde maar tot een verstoppeling op het achterplaatsje moest niezen, en een van die enorme stapels wijnflessen met donderend geraas ineenstortte.

Jan probeerde de agenten nog wijs te maken dat dat om zijn krolse kat ging, het rotbeest, maar zulks wilde er bij de opsporingsbeambten niet in. Zij vermoedden gespuis en namen resoluut poolshoogte op het achterplaatsje. Qua bekeuringen sloeg de Groninger politie een flinke slag, die nacht.

De Plu’s hield zich nog geruime tijd netjes aan de vergunning, zelfs de buren bleken er naderhand goed over te spreken. Het hele geval zou vast een prooi der vergetelheid geworden zijn, als Peter Schaap het niet in zijn hoofd gehaald had om opnieuw op te gaan treden.


Hoe een oude vrouw de kogel van Bommen Berend in haar hersens kwijtraakte

twee-musketkogels-ca-2003-bij-loopgraaf-bommen-berend-meeuwerderweg

Twee musketkogels, ca, 2003 gevonden bij een loopgraaf van Bommen Berend aan de Meeuwerderweg. Ter vergelijking op de achtergrond een koperen vingerhoed.uit de nalatenschap van mijn moeder.

Naast bijdragen van collega Ludolph Smids, bevatten de bundels van dokter Blankaart gevalsbeschrijvingen door de Groninger heelmeester Cornelis Iben. De opmerkelijkste daarvan gaat over een slachtoffer bij het beleg van Groningen door Bommen Berend in 1672:

“Seeker oude vrouw in de belegeringe van Groningen staande in haar deur in de Molenstraat, wiert geschooten effen boven de neus en rechteroog door ’t cranium (=schedel, HP), sodat men de kogel met de proevet ondersoekende niet vinden noch voelen kost, maar bleef altijt, hoe subtijl het ook ondersocht wert, yets van de hersenen aan de provette hangen…”

Iben zei derhalve tegen haar “vrienden”, oftewel familie, dat de vrouw zeer zwaar gewond was en mogelijk niet meer van haar ziekbed zou opstaan. Hij maakte dan haar wond schoon, door onder meer losse botschilfertjes te verwijderen, en legde een gecompliceerd verband aan met onder meer een klein “wiekje” en daaroverheen compressen. De wond groeide vervolgens in vijf zes weken mooi dicht en intussen hield de vrouw zich goed aan haar dieet, zodat er geen spasmen, verlammingsverschijnselen, lethargie of delirium optraden, en er sprake was van een “volkomen genesing”, “sonder eenige hinder”.

Dat bleef helaas niet zo. Iben:

”Doch wat geschiet er? Na verloop van een half jaar komt dieselve vrouw by my, klagende hoe dat se al over een geruymen tijdt niet wel kauwen en nu geheel de mond niet konde open doen, so dat se bykans van honger vergaan moste…”

Iben, “haar de mond openschoevende” zag achteraan het gehemelte iets uitpuilen, bevoelde dat met zijn prouvette en werd zo gewaar dat er iets hards zat.

“Hetselve dan verder openschroevende en doen met koorentange daarin tastende, kreeg daaruyt de onverwagte platte geschootene koogel die tot hiertoe wegens sijn swaarte door de spongieuse beenderen (= kraakbeen, HP) des gehemelte was gesonken…”

Weldra heelde deze nieuwe wond, dit onder andere dankzij de toepassing van rozenhoning. De vrouw kon ook al snel haar mond weer gebruiken en bleef ook verder goed gezond, aldus Iben.

Bron


“Zonder naakte omhelzingen geen Spaansche pokken”

Opnamedatum:  2013-05-29

NN, Medicus en syfilitische patiënte (uitsnede). Rijksmuseum.

In een van zijn gevalsbeschrijvingen neemt Ludolph Smids de “armhartige versieringen” op de korrel, waarmee met name “onnozel vrouwvolk” dat zich “in het Venusspel” te buiten ging, de daarmee opgelopen soa probeerde te bewimpelen voor een “onervaaren medicijnmeester”.

Een dergelijk geval deed zich voor te Groningen, in mei 1685. Toen kwam er “zekere jonge dochter van middelmaatigen ouderdom” (dus een ouwe vrijster) bij dokter Smids klagen over een zware verkoudheid, wat bevestigd werd door haar zeer schorre en hese stem. Omdat dit verschijnsel hem bevreemdde en allerminst aanstond, en hij ook nog wat grauwe vlekken ontwaarde op haar nek en schouders, vroeg hij advies aan de “welbeleezen” chirurgijn Cornelis Yben, iets wat zijn patiënte liever niet had, maar hij desondanks deed. Yben onderzocht haar keel en stelde in haar bijzijn hardop, maar wel in het Latijn, de diagnose “Spaansche pokken”, oftewel syfilis vast.

Ze was al wat doof, werd achterdochtig en begon over het “ophouden der maandelijke ontlastinge” (= menstruatie) en vroeg of dat de vlekken niet veroorzaakte. Om haar niet te schofferen, namen Yben en Smids eerst hun toevlucht tot een gangbaar eufemisme voor de Spaanse pokken:

“Wy schooven alle onheilen (gelijk gemeenelijk geschied) den scheurbuik op den hals en zeiden dat ze daarom een apozema of naar de konst gekookte drank een dag of zes moest gebruiken, voorts zich weinig doen vermageren en uitteeren &c.”

Achteraf overlegden Smids en Yben over de definitieve therapie. Voordat ze met zijn beiden weer bij de juffrouw kwamen, bezocht Smids haar in zijn eentje, om haar zachtjesaan duidelijk te maken dat ze aan een venerische ziekte leed:

“Een tijding die haar geenzins kon vermaaken, voornaamelik als zy van pillen, zeveren en kwijlen &c. hoorde spreeken.”

Die pillen bevatten namelijk nogal wat kwik, vandaar die bijverschijnselen. Deze bliefde patiënte niet en ze vroeg dan ook of ze niet kon volstaan met een dieet. Ook zat haar de oorzaak dwars en ze informeerde,

“of men door tasten en knypen die ziekte kon krygen? Alzo zeker krijgsofficier haar tegens dank op een bed willende smijten (onder het stoeyen) wat te vinnig en te stijf in de zijde geduwd had. Waarop ik niemendal antwoorde, behalve dat ik al meesmuilende haar bracht op een aangenaamer praatjen en op de hoop van eengeluckige herstelling.”

De volgende dag bleek ze echter nog weer een nieuwe ‘oorzaak’ te hebben bedacht, namelijk een lamsvel dat genoemde officier lange tijd als borstrok had gebruikt. Hij had dit kledingstuk na de ‘stoeipartij’ bij haar laten liggen en zij had dit, “zeer onvoorzichtig, naderhand altijd op haar licchaam gedragen”.

Smids vond het wel een vermakelijke redenering maar dacht tegelijkertijd aan een casus uit een van zijn handboeken,

“alwaar een weelig joffertje van deze ziekte wierd aangetast nadat zy in het kleed van een kerel, in den Vastenavond, eenige tijd gerinkelrooid had.”

Tegen zijn patiënte zei hij echter, dat ze het hem niet kwalijk moest nemen dat hij zulke “frajigheden” niet aannam. En met een God zegene de greep flapte hij de waarheid eruit:

“Zonder naakte omhelzingen of vermengingen van de humeuren krijgt niemand de Spaansche pokken.”

Daarop gaf ze zich eindelijk gewonnen en stelde zich open voor de gangbare behandeling:

“Wy tasteden haar aan, zy wierd in de keel gespuit, zy nam pillen in, zy kwijlde, zy genas en wierd van een fleetsche en vadzige vryster een frisse en bekwame meid.”

Uiteraard was deze genezing louter voor het oog en slechts tijdelijk. In de zeventiende eeuw wist men nog niet dat syfilis zich na jaren onzichtbaarheid opnieuw, en dan funest, manifesteerde. Alleen dankzij die onkunde kon Smids bogen op dit ‘succes’. Hij knoopte er zelfs nog een moraal aan vast voor zijn jongere collegae:

“Dit verstrekt een baaken aan den jongen medicijnmeester, opdat hy, het arglistig vrouwengeslacht verdenkende, alle voorwendzelen van vallen, stooten, knypen &c. verwerpe…”

Bron


Groen haar en ‘dreadlocks’ in het Groningen van de Gouden Eeuw

Casper Luyken - Koperslager (ca. 1680).

Casper Luyken – Koperslager (ca. 1680).

Het wordt natuurlijk nog wel gedragen, maar groen en zwart geverfd haar associeer ik net als dreadlocks vooral met de vroege jaren tachtig. Gek om dan bij Ludolph Smids te vernemen dat eind zeventiende eeuw ook al dergelijke haardrachten bestonden, zij het dat die toen niet voortkwamen uit moedwil, maar uit minder gunstige levensomstandigheden.

Zo merkt Smids op dat

“men meermalen groen haar ziet op de hoofden der ketelboetersknegten en –kinderen en die bij ‘t gieten der metaalen verkeeren.”

Volgens Smids kwam dat door een “vitrolische exhalatie of uitwaseminge” (van oxyderend koper). Hij zag eens een kind in de Ebbingestraat en een jongen in de Poelestraat in Groningen met groen haar “dat wel sterk naar koper rook”.

Bij dezelfde jongen zag Smids ook zwart haar dat niet in al te beste conditie was. Volgens hem kwam dat door “silver gesmolten in stark water”.

Een heel eind verder in zijn Aanmerkingen rept hij van een plica polonica of Poolse vlecht, ogenschijnlijk een mega-dreadlock, maar dan wel een die ontstaan is door gebrek aan zorg, verluizing, verklitting en vervilting:

“My is eens [een] bedelaar tot Groningen op de straat ontmoet dien het haar (pikzwart zijnde) vol klissen hing, door zekere slymeriige vocht zijnde te zamen gebakken. Het gemeen volk geloofde dat de nachtmerrie (een malle inbeelding) by ontijden hem berydende, zijn hair dus ineen had gevlochten, maar het was waarlijk de Plica Polonica of de Poolsche vlecht, in welke men ogenklaar bespeurd dat het hoofdhair hol is, alsoo daar zeker vochtigheid uitdruipt, uit de kliertjes afzakkende…”


De uitgestoken arm van een onbekende soldaat

reuzenradijs-1626-anoniem-rijksmuseum

Misvormde mensen, dieren en planten hebben altijd gefascineerd.

Zo kreeg de toen nog Groninger medicus Ludolph Smids eind 1672 bij zijn bezoek aan Enneke, de weduwe van barbier Homan in de Oosterstraat, een bijzondere radijs te zien,

“sijnde een goede vinger lang en hebbende de nette form en gedaante van een menschenarm, te weten van den elleboog af tot den hand en vingers (die seer poesel waren) toe.”

Bommen Berend had die zomer de aftocht geblazen, maar het schootsveld lag er nog, buiten de Ooster- en de Herepoort. Daar kwam die radijs vandaan.

”Omdat men dien niet lang na de Belegering in de bedorvene thuijnen had opgegraven, soo seide het bygelovig volkje dat sy waar gegroeid uit het lijf van een bisschopssoldaat, in een uitval door de onse gematst en sonder veel ceremoniën aldaar gedolven” (= begraven, HP).

Bron

Ter vergelijking: radijs als voet.