Vondsten uit het Frieschenveen

Zojuist gepost filmpje over de leerlingen van AOC Terra in Eelde, die de zuidoostkant van het Frieschenveen exploreren. Op de meeroever daar ligt een vooroorlogse stortplaats van blik, glas en email uit de stad Groningen:

Advertenties

Land van Belofte

Rijnlandse Historiebijbel, 15e eeuw. Berlijn.

Op last van zijn Heer zond Mozes verspieders uit naar het Land van Belofte. Ze dienden daar in Kanaän bijvoorbeeld te bekijken hoe de economie er floreerde. Ook moesten ze wat producten uit dat land meenemen. Nou begon net in die tijd de wijnoogst en vandaar dat een stel van die kerels terugkwam met een tros wijndruiven, “dien zij droegen met zijn tweeën, aan een draagstok” (Numeri 13).

Thesaurus sacrarum historiarum veteris testamenti. Nederlands, 1585. British Museum.

Eeuwen later noemden heel wat herbergiers in het toen nog bijbelvaste Nederland hun zaak Het Land van Belofte. Het beeldmerk lag voor de hand. Er kwam een stel kerels op de gevelsteen of het uithangbord te staan. Ze droegen een zware druiventros aan een forse staak tussen zich in.

Gemeentearchief Schiedam.

Hoek Nieuwe Beestemarkt, Leiden. Foto: FaceMePLS, Flickr.

Het beeldmerk lijkt nog niet helemaal vergeten, getuige dit recentere werk:

Felix Timmermans.

Toch zag je het niet bij de roemruchte kroeg op de hoek van de Vishoek en de Vijfde Drift in de stad Groningen, hoewel Het Land van Belofte hier behoorlijk oud was. Volgens dit jubileumbericht dateerde het immers uit 1826:

Nieuwsblad van het Noorden 28 oktober 1926.

Waarschijnlijk heeft dat café dus wel ooit dat beeldmerk gevoerd, maar ging het op zeker moment verloren. Men associeerde de naam vervolgens vooral met de rondom gelegen hoerenbuurt:

Toen de prostitutie hier eind vorig jaar eindelijk verdween, vormde dat voor het Noordelijk Scheepvaartmuseum aanleiding voor een soort van afscheidstentoonstelling:

Waar meerdere peeskamers waren te zien:

In een ervan stonden wat ‘hoerenhondjes’ op de vensterbanken. Naar verluidt zouden zeelui die in vreemde havens van prostituees kopen, om er thuis moeder de vrouw mee te verblijden. Van deskundige zijde heb ik dit verhaal echter apocrief horen noemen.

Ook die tentoonstelling heette weer Het Land van Belofte, maar dan naar de kroeg. De hele bijbelse connotatie met dat beeldmerk bleek vergeten. Wat ik ergens wel jammer vond, maar toch ook veelzeggend voor onze ontkerstende Stad.

(Plaatjes uit een teruggevonden mapje.)


Balboekjes

Teruggevonden bij het archiveren en taggen van mijn foto’s – twee balboekjes voor het danspartijtje van Mimi Hesse in 1900:

Boekjes is eigenlijk een groot woord, want het betreft dubbelgevouwen kaartjes. In dit geval waren die van een jongedame. Op de binnenkant van haar balboekje tekenden jongeheren in op de dansen van het programma:

Dat muzikale programma bestond voornamelijk uit walsen en polka’s. Deels zijn die doorgedrongen in het ijzeren volksdansrepertoire, dus nog wel bekend en identificeerbaar:

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 1774 (bibliotheek documentatie)  inv.nr. 3947.


De dubbele muren van ‘t nieuw Rozendal

Thomas von der Dunk behandelt in zijn artikel over Amsterdamse inzendingen bij de Groninger stadhuisprijsvraag van 1774 onder meer de vormgeving van de kerkers in het nieuw te bouwen stadhuis. Onder het oude, nog af te breken, middeleeuwse raad- en wijnhuis zaten al kerkers in een kelder die – hoe ironisch – het Rozendal was geheten en dat Rozendal moest uiteraard een vervangende voorziening krijgen in het nieuwe stadhuis.

“Het Groningse prijsvraagprogramma was hierover helder”, aldus Von der Dunk: “elke ontwerper had in zijn stadhuis gelijkvloers drie of vier cellen te construeren, ‘en dan nog eenige zeekerder en zwaarder gevangen Kamertjes onder den Grooten trap’”. Andere desiderata van het Groninger stadsbestuur betroffen een gijzelkamer (voor notoire debiteuren die vermoedelijk nog wel wat reserves achter de hand hadden) en pal naast de kerkers een verhoorkamer,

“licht scheppende op de Straat of Markt, dog aan dien kant voorzien met een dubbelde muur, opdat men er niet zoude konnen inzien, of van buiten eenig geluid hooren’.

De gevoelige oren van passanten op de Grote Markt moest het akelig geschrei der ijslijk gefolterden uiteraard bespaard blijven. Volgens Von der Dunk hielden de meeste mededingers bij de prijsvraag zich keurig aan de Groningse opdracht. Jan Bolten bijvoorbeeld, had er zorgvuldig op gelet dat de gevangenen met niemand binnen of buiten contact konden leggen, terwijl zijn gijzelkamer geen schoorsteen kreeg,

‘om de kwaade gebruiken die gegijzelde perzoonen met dezelve en met vuur zoude konne uitrigte’.

De dubbele muur voor de verhoorkamer kwam in de meeste ontwerpen voor. Ook in het winnende van Husly, dat, aldus Von der Dunk, “de Groningse burgemeesters duidelijk geen enkel risico op ongewenste ontsnappingen wilde laten lopen”. Naast de dubbele muren kwamen er in Husleys ontwerp nog driedubbele deuren voor de normale cellen en drie extra-speciale ‘Zwaare Gevangen Kamers’ voor notoir vluchtgevaarlijken.

Men vraagt zich af wat van deze Groninger EBI is geworden. Vermoedelijk functioneren ze nu als voorraadhokken voor kopieerpapier en pakken koffie.

Bron: Thomas von der Dunk, ‘Amsterdamse bouwmeesters aan de slag voor Groningen’, pag. 48-67 in het pas verschenen Historisch Jaarboek Groningen 2017, in het bijzonder 60-63.


Groningen als gidsstad bij de inenting tegen de pokken

Dat de inenting tegen de pokken een goede zaak was, sprak in de achttiende eeuw allerminst vanzelf. Binnen de hervormde kerk bestond er nog een vrij sterke orthodox-bevindelijke onderstroom, die dat inenten zonder meer afwees. Vaccinatie gold voor de aanhangers hiervan als een inbreuk op de voorzienigheid Gods. Het was immers een vorm van ziek maken, weliswaar om erger te voorkomen, maar toch: ziek maken. En God was in hun visie de enige die ziek mocht maken. Zo zegt Christus volgens het bijbelboek Mattheus: ” Die gezond zijn, hebben de medicijnmeester niet van node, maar die ziek zijn”. Deze uitspraak werd letterlijk genomen, niet geestelijk.  Vaccinatie of preventief ziek maken was dus uit den boze.

Dit anti-vaccinatie-standpunt werd bijvoorbeeld gehuldigd door Bernardus Gersonius in 1770. Deze oorspronkelijk uit Leek afkomstige chirurgijn van het Oldambtster Midwolda schreef een samenspraak van een ongeleerde en een geleerde, waarin hij de ongeleerde groot gelijk gaf. In de bijbel, aldus Gersonius, stond er niets waaruit af te leiden viel dat inenting toegestaan was, en daarom was het verboden. Door inenting werd God benadeeld in zijn almacht, voorzienigheid en eer. Vaccinatie was daarom een groot kwaad en ongeoorloofd ,“want”, zo schrijft de chirurgijn van Midwolda: “Godt geeft gesontheyt en krankheyt, en tot geneesing der siektens heeft hij de medicijnmeesters gegeven onder zijn almagtige bestiering; hoe het gedraeit wert, heeft niemant vrieheyt om siektens te maaken.” En met nog een ander citaat:

”Het ziek worden en sterven zijn onder de verborgene zaaken en daarom moeten wij daer vanaf blijven, want de verborgene dingen zijn voor den Heere.”

Gersonius schreef dit op een moment dat de variolatie, pokkeninenting met menselijke smetstof, grote opgang maakte in de stad Groningen. In 1759 was daarmee een voorzichtig, maar succesvol begin gemaakt door de arts en hoogleraar geneeskunde Van Doeveren, die zeven kinderen van stadsregenten inentte. In 1765 waren er bij een kleine pokkenepidemie ook weer wat inentingen verricht, maar de twijfel overheerste, ook door de enorme tegenstand uit orthodox-bevindelijke hoek. Pas bij een nieuwe, veel verwoestender epidemie, eind 1769, begin 1770, kwam de grote doorbraak. Vanaf november werden er in een paar maanden tijd maar liefst 450 inentingen gedaan en volgens Van Doeveren betrof het hierbij meest kinderen van aanzienlijken, “dog ook niet weinige van minderen en borgerlijken staat, als ook sommige van de kleine gemeente”. De stadsdokter Matthias van Geuns beaamde dit en schreef dat

”bijna alles wat niet gepokt had, zich bij meenigten ter inentinge aanbood, wel onder den eersten en aanzienlijksten stand, doch ook zeer veelen onder de andere treflijkste burgers, en zelfs sommigen van ’t meest bevooroordeelde gemeen.”

De bestuurlijke elite nam dus duidelijk het voortouw: zo lieten de machtige Van Iddekinges hun kinderen inenten, wat trouwens ook gold voor hun Ommelander evenknieën van de familie Alberda. Volgens Van Doeveren hadden zulke bestuurders hierin veel invloed en vond hun voorbeeld veel navolging. Ook de rol van de kerkelijke voorgangers was volgens hem groot:

“De edelmoedige toestemminge en openlijke verklaaringe van de voornaamsten onzer Godgeleerden en predikanten; hunne voorbiddingen en dankzeggingen van den kanzel, ja het geeven van voorbeelden in hunne eigene kinderen en naastbestaanden hebben hier niet weinig toegebragt om kragt aan ’t werk bij te zetten en veelen te doen overgaan tot het omhelzen van die praktijk.”

Dit voorbeeld van de politieke elite en kerkelijke voorgangers is des te meer van betekenis, als je beseft dat inenting bepaald niet van gevaar ontbloot was. Tegenover de honderden kinderen die voorlopig geen pokken meer konden krijgen, waren er ook een paar die aan de inenting overleden. Inenten was nog echt een gok met kwade kansen.

In elk geval rept Van Doeveren in 1770 van een “ongemeen groot en algemeen succes der inentinge in deze stad“ en stelt vervolgens de stad èn de provincie ten voorbeeld aan geheel Nederland, waar “de inentinge nog bijna overal geweldigen tegenstand ontmoet”.

Pokkeninenting werd dus gangbaar bij de bestuurlijke elite, vond ook wel ingang bij burger- of middenstand en zelfs bij sommige werklui en arbeiders. Hoe lager in de samenleving, hoe minder groot de animo was. Dit veranderde niet in de achttiende eeuw, want pakweg dertig jaar later schrijft de stad-Groninger arts Jacob van Geuns naar aanleiding van een kwaadaardige pokkenepidemie die honderden doden kostte, dat er “weinig plaatsen in de Bataafse republiek” zijn

“alwaar men zo algemeen voor de inenting der pokjes is als hier, bij verre de meesten is dit punt aan geene contestatie meer onderheevig, en dat niet alleen onder de aanzienlijken, maar vooral ook onder middelclasse en zelfs gemeene lieden”.

“Onder de fatsoenlijke en deftige burgerlieden”, aldus Van Geuns, “is meest alles wat pokken moest, ingeënt – en als die nog door de ziekte aangedaan worden, is de dodelijkheid verre zo groot niet”. Bij de “allerlaagste classe” daarentegen, zag hij de meeste slachtoffers vallen. Veel mensen uit die stand dachten dat er niets aan de ziekte te doen viel, of beschouwden haar nog als een oordeel Gods, waartegen menselijke hulpmiddelen niets konden uitrichten.


Kinderen van de Tine Marcusschool

Kinderen bij draaiorgel de Arabier in de Groninger Oude Ebbingestraat, 1958 of 1959:

Misschien verbaast het, dat ze zo dicht op die lawaaidoos staan. Maar het waren  niet zomaar kinderen, het ging om leerlingen van de Tine Marcusschool voor slechthorende kinderen aan de Ossenmarkt.

De foto is gemaakt door hun juf Grietje, ook wel Margriet Toppen (1921-2017), de nicht van mijn vader. Na haar kweekschoolopleiding was ze eerst jarenlang in het reguliere lagere onderwijs werkzaam geweest, met name te Bellingwolde, maar  naderhand koos ze met hart en ziel voor dit bijzondere onderwijs. Van 1953 tot 1980 was ze aan de Tine Marcusschool verbonden, waar ze altijd de aanvangsgroep onder haar hoede had en ook het spraakcorrectief onderwijs opzette en verzorgde. Voor dat doel was er in de school een speciaal ‘Praathuis’ ingericht, waar de leerlingen graag mochten  komen. Ook nam ze haar leerlingen regelmatig  mee naar buiten voor aanschouwelijk onderricht. En af en toe maakte ze daarbij dus foto’s met haar cameraatje.

Leerlingen spelen blindemannetje op de stoep voor de school: op de achtergrond rijdt een Citroën Traction Avant over de zuidzijde van het Lopende Diep (1955):

Leerlingen volgen een les met koptelefoons op en microfoons voor zich, Als ze het woord wilden hebben, moesten ze net als Tweede Kamerleden eerst op een knopje drukken. Voor hen zit een klasse-assistente. Deze foto zal ca. 1957 gemaakt zijn: 
Herfst 1958 – leerlingen vergelijken herfstbladeren op een trottoir vlakbij hun school. Op de achtergrond bekijken twee mannen een brommer. Rechts staat een bakfiets die niet op de haak is gezet:


Gruno

Een goede kennis van me noemt een inwoner van Groningen gewoonlijk een Gruno. Dat komt weliswaar een beetje merkwaardig over, maar geheel en al onbegrijpelijk is dit niet. Groningers gebruiken de naam Gruno immers voor van alles en nog wat. In de handelsregisterdossiers van de beide Kamers van Koophandel hier komt de naam Gruno maar liefst 79 maal voor. En al zitten er vast wel wat doublures tussen, dat de naam voor zeker 60, 70 ondernemingen, verenigingen etc. gebruikt werd (en wordt) zegt toch veel over de aloude verknochtheid van de Groningers met die naam. Hier een staalkaartje.

Gymnastiek- en schermvereniging:

Pruimtabak:

Postharmonie:

Woningbouwvereniging:

Woonwijk gesticht door die vereniging:

Fietsen:

Garage:

Pudding:

Wegenbouw:

Recycling: