Soldaat slaat juffer, de dochter van zijn chef

Op 13 januari 1698 vierden Hindrik Brongers uit Veendam, die als solliciteur in de behoeften van een compagnie soldaten voorzag, en de weduwe van dominee Textor hun verloving in het huis van de laatste in de stad Groningen. Mogelijk was eerder die dag het huwelijkscontract al getekend door de wederzijdse familie. In elk geval kwam er aardig wat volk over de vloer om de “wijnkoop” te vieren. Zo waren ook de overste Sighers, diens oudste dochter (een juffer) en de knecht van de overste van de partij in het huis van de bruid.

Sighers’ knecht, Jan Isebrants, veroorzaakte daarbij “veele ongeregeltheeden”. Hij sloeg de dochter van zijn baas zo hard voor het hoofd, dat haar wang er enorm van opzwol. Toen ze Jan Isebrants daarom naar de Hoofdwacht brachten, deed hij daar niet anders dan “schelden, raesen, vloecken, tyren”. Ook misdroeg hij zich tegen kapitein Van Ewsum, die er als hoofdofficier het bevel had.

Jan moest voorkomen voor de krijgsraad. Meerdere getuigenissen ondersteunden de aanklacht. Ze kwamen van van overste Sighers, diens dochter, ene Wieringa, de hoofdofficier van de wacht en solliciteur Brongers, al werd de naam van de laatste naderhand doorgehaald op het lijstje met getuigen.

Jan Isebrants’ advocaat achtte het hem aangewreven wangedrag onbewezen en vroeg om vrijspraak voor Jan. Ten eerste was het zo dat Jan

“met verloff van de overste, naedat hem hadde tehuis gebragt, weederom nae de wijncoop is gegaen om sigh met andere jonge lieden, volgens de gewoonte op sulcke daegen, te vermaecken. Dat aldaer door vrouwlieden sijnde droncken gemaeckt, als een beest gebonden op de barve te huis is gebragt…”

Wat betreft de klap die Jan de juffer gaf – zij had zelf niet over een dikke wang geklaagd. In de Hoofdwacht was Jan daarentegen bont en blauw geslagen en dat was toch wel “genoegsaem straffe”.

In principe had de krijgraad volgens de advocaat ook niets te zeggen over Jan, omdat hij geen soldaat was en nooit mee op een veldtocht was geweest of wacht gelopen had. Dit was dus een privé-zaak, die overste Sighers als Jans broodheer zelf wel had kunnen afdoen. En als deze kwestie dan toch voor de krijgsraad gebracht moest worden, dan ging het slechts om een “dufslagh”, waar slechts een boete van twee daalders op stond.

De aanklager hoorde het hoofdschuddend aan. Hij gaf toe dat de overste partij in deze zaak was en dat diens getuigenis en dat van zijn dochter eigenlijk niet ter zake konden doen. Maar, het was beslist geen “slag van 2 daelder (…), geschiet door een knegt an een juffer van fatsoen”. Bovendien moest men Jan wel degelijk als soldaat beschouwen, hij stond immers ingeschreven op de rol.

Jan zelf voerde nog aan “door sijn swaere gevangenisse in dese bittere koude voor deese sijn foute van dronckenschap meer als te veel te hebben uijtgestaen”. Hij had de overste wel drie jaar lang trouw gediend en was “in geene herberghe off andere quade plaetsen” , maar met instemming van zijn broodheer “in een eerlijck huis” geweest. Hij kon niet als soldaat beschouwd worden, had immers nooit iets voor het land gedaan. Deze zaak was volstrekt onnodig voor de krijgsraad gebracht. Die behandelde toch ook geen zaakjes van dronken soldaten, die thuis hun eigen vrouw sloegen, “gelijck daegelijx meer als te veel komt te gebeuren”. De krijgsraad kon dan wel bezig blijven! En toch was dat nog veel erger dan wat er tussen Jan en de juffer gebeurd was. Zijn dronkenschap en het slaan vormden een privé-kwestie. Hij had ook helemaal niet de bedoeling gehad om kwaad te doen, en was daar lichamelijk niet eens toe in staat doordat hij ladderzat was. Nee, hij verdiende meer medelijden. Anders was hij ook nooit dronken. In al die jaren dat hij bij de overste had gediend, was dit zijn enige fout,

De aanklager bestreed ook dit. Volgens juffer Sighers was Jan op Nieuwjaarsdag al dronken geweest en had hij zich toen eveneens misdragen. Haar vader vertelde dat er tijdens de veldtocht in Vlaanderen al het een en ander op Jan aan te merken viel. Die dronkenschap was juist een verzwarende omstandigheid, meende de aanklager.

De krijgsraad ging hierin mee en  veroordeelde Jan tot twee maal heen en weer spitsroeden lopen, d.w.z. door twee hagen van mede-soldaten die er dan op los mochten slaan met doorntakken. Maar Jan hoefde rechtskosten niet te betalen, daarvoor achtte de krijgsraad hem te arm.

Naderhand streken de heren Gedeputeerde Staten, die de vonnissen van de krijgsraad konden verzwaren of verzachten, met hun hand over het hart. Jan hoefde nog maar één keer spitsroeden te lopen.

Wel ontsloegen ze Jan uit de dienst, en dat zonder paspoort. Als een potentiële baas hem daarnaar vroeg, had hij dus niets om in zijn voordeel te tonen. Maar van GS hoefde hij evenmin “sluitgelt, montkosten en spitsgarden” te betalen. Die nam de provincie voor haar rekening.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 1 (archief Staten van Stad & Lande) inv.nr. 1350 (sententies GS), die van 7 februari 1698.


De marteldood der Groninger katten

Hendrick van Beaumont, Jongen met kat, 1696. Collectie Rijksmuseum.

“Dokter Braun, die in 1670 professor te Groningen was, beschrijft ons de volgende ceremonie die in 1635, op St. Jans dag, op de markt te Groningen plaats had. Een aantal katten, zwarte en witte, waren sinds dagen heinde en verre opgevangen. Op St. Jansdag hing aan een wip boven een groot vuur een houten kooi vol katten. De kooi werd in en uit het vuur gewipt, zoolang tot al de katten den marteldood ondergaan hadden. Dan dansten de schooljongens onder het aanheffen van geestelijke liederen om en door het vuur. De regeering en vooral de geestelijkheid, woonden dit zuiveringsproces voor heksen en tooverkollen in devotie bij.”

Bron: H. Zeeman, ‘De kat in hare natuurlijke ontwikkleing, zedelijk leven en geschiedenis’, in Androcles, maandschrift aan de belangen der dieren gewijd XIV (1882) pag. 17-28, bepaaldelijk 22.

Commentaar: Sint Jansdag (24 juni), ook wel Midzomer, werd gevierd met grote vuren. Of dat ook in Groningen gebeurde is onzeker, maar in de Martinikerk, de parochiekerk, bewaarde men als relikwie ooit een arm van Johannes de Doper – reden waarom de flankerende straat ook Sint Jansstraat heet – en je zou dus zeggen dat dit feest hier ook bekend geweest moet zijn, tenminste voordat de Reformatie hier in 1594 haar beslag kreeg, maar mogelijk ook nog in de decennia erna.

Maar werden er op Sint Jansdag 1635 ook werkelijk katten op de Grote Markt in Groningen verbrand? Er is maar één getuigenis, namelijk het bovenstaande, en dat moeten we vooralsnog met een korrel zout nemen. Ten eerste vestigde Johannes Braun (1631-1708), ook wel Braunius geheten, zich pas in 1679 (en niet in 1670) als hoogleraar te Groningen. Hoe dan ook zit er 44 jaar tussen het tweedehands getuigenis en de (vermeende) marteldood der katten.

Braunius was bovendien niet onomstreden. Als cartesiaan (aanhanger van Descartes) kwam hij op voor meer religieuze verdraagzaamheid en verschillende malen hebben orthodoxe tegenstanders geprobeerd hem pootje te lichten. Uiteindelijk leidde dat ertoe dat de curatoren van de Groninger academie (regenten van Stad en Lande) een orthodoxe tegenstander boven hem plaatsten. Braunius had dus een appeltje te schillen met politieke bestuurders en vooral de geestelijkheid, en kan dit oude verhaal uit wrok hebben opgedist. Overigens is helaas onbekend in welk geschrift Braunius dat deed. Hij heeft er nogal wat op zijn naam staan, dus het vergt vrij wat zoekwerk met ongewisse uitkomst, om dat te achterhalen.


Werkloze schipper ventte met liedjes

RHC Groninger Archieven 1774-3992.

Kwam vandaag bij toeval dit liedvel tegen. Het werd getuige spelling en inhoud in de crisistijd voor de oorlog langs de deuren gebracht en/of door brievenbussen gegooid door een werkloze schipper. Als oudste zoon moest hij zijn moeder en haar jongere kinderen van een uitkerinkje onderhouden en dat schamele inkomen probeerde hij op deze manier wat aan te vullen. Helaas is onbekend of de maakster van het gedicht, de weduwe Haaima, ’s mans moeder was dan wel een dichteres op bestelling. Er zijn geen andere voorbeelden van haar poëzie bekend. Onder de dertien getrouwde mannen met de naam Haaima die Alle Groningers geeft, ontbreekt een schipper. Haaima was een familie van vrijwel alleen landarbeiders in het westen van de provincie.


Eerste Groningse executie met guillotine verliep niet vlekkeloos

Een bloedstollend verhaal van Henk Boels vanavond, bij de jaarvergadering van de cultuurhistorische vereniging Stad en Lande.

Hij vertelde over het gebruik van de guillotine in het Groningen van de Franse Tijd. Tot nu toe was uit literatuur wel bekend dat dit relatief humane Frans-revolutionaire instrument ter voltrekking van de doodstraf hier gebruikt was, maar als incidentele melding, terwijl een uitvoerige behandeling ontbrak.

Uit de Napoleontisch-juridische paperasserij van 1810-1813 viste Boels twee strafzaken die eindigden met een onthoofding door middel van zo’n toestel. Aan de orde kwam vooral de eerste zaak, die van een vrouw uit Gasselternijveen. Zij pleegde een roofmoord (of doodslag met roof) op een pandjesbazin bij het verlaat van Kiel-Windeweer. Uit Boels bij tijd en wijle vermakelijke relaas bleek dat de op Franse leest geschoeide rechtspraak nogal omslachtig te werk ging, met een instructie door een Rechtbank van Eerste Aanleg in Groningen en een Procureur-Generaal in Den Haag, een strafproces bij het Gronings Hof van Assisen met een jury die tot stand kwam door loting uit een groep van 36 hooggeplaatste inwoners, en met meervoudige cassatiemogelijkheden bij de hoogste rechtbank van Napoleons keizerrijk te Parijs.

Hangende een eerste cassatie ontsnapte de al ter dood veroordeelde vrouw uit een krakkemikkig zolderkamertje van het Hof in de Oude Boteringestraat. Toen zij na twee dagen weer was opgepakt, moest eerst weer vastgesteld worden of zij het wel was. De getuigen zeiden allemaal van wel, maar ook tegen die uitspraak kon zij in cassatie gaan. Maar ze rekte er alleen haar leven wat mee, haar lot ontliep ze niet.

Op de Grote Markt stond het zwart van het volk toen die bewuste maandag de Groningse guillotine dan eindelijk voor de eerste maal gebruikt zou gaan worden. Helaas verliep voltrekking van het vonnis niet helemaal naar wens. Ondanks geslaagde proefnemingen vooraf met schapen en lichamen van reeds gestorven boeventuig, bleef het valmes van de guillotine halverwege de hals van de vrouw steken. Dat kwam door heur haar, dat kennelijk niet eerst gekortwiekt of opgebonden was. De scherprechter moest het karwei met de hand afmaken, d.w.z. met een gewoon mes dat hij bij zich droeg.

Het Napoleontische Groningen leek heel even op IS-gebied.


De goeie kant van Bommen Berend

Bommen Berend waagde zich bij het beleg van Groningen in 1672 meermalen incognito in de voorste loopgraven. Toch kregen de Groningerv studenten aan de voorkant van de stadswal daar blijkbaar lucht van, want zij riepen de oorlogszuchtige bisschop van Münster voortdurend maledicta toe:

“De Studenten, welcke sich boven maten dapper queten, en de Wacht in de Fausebray hadden, riepen den Bischop geduerigh seldsame namen toe; welcke hy, in de Loop-graven sijnde, dickmael hoorde, en niet weynigh over deese nieuwe Tytels verstoord wierd. Sijn Officiers vergrimden sich niet minder, en swoeren, datse, in de Stad komende, deesen hoon de Studenten suer souden doen opbreecken.”

Zover kwam het dus niet, want de bisschop moest zijn beleg opbreken. Een aardige anekdote, die ik zo niet eerder gelezen had (las ooit wel iets over spotliedjes op de bisschop, gezongen door dezelfde studenten).

De schrijver van Bommen Berends biografie, waaraan ik het citaat ontleen, had overigens moeite om positieve eigenschappen van de bisschop te ontdekken:

“Maer gelijck deesen Bischop verscheydene gebreecken heeft gehad, soo is hy oock buyten twijffel voorsien geweest met eenige Vorstlijcke Deughden. Wy wenschten, dat ons eenigh eygentlijck bericht hier van ware toegekoomen, om deselve oock ten toon te mogen stellen: Doch sulcks heeft ons tot noch toe niet mogen gebeuren; en derhalven konnen wy met geen gewisheyd daer van spreecken.”

Bron (nieuw in de DBNL): S. de V. (= Simon de Vries), Historisch verhael van ’t leven en oorlogsbedrijf van de heer Christoph Bernhard van Galen (Amsterdam 1679) 208-209 en 290.


Raam met gebrandschilderd glas, ooit geplaatst uit naam van weduwe smid uit Bedum

Waar dit raam met gebrandschilderde ruitjes zich tegenwoordig bevindt, is onbekend. Het zat ooit in de collectie van een tandarts De Maar te Den Haag, welke verzameling in 1996 (deels) onder de hamer kwam.

Een stel correspondenten en ik zouden graag wat meer willen weten over het raam. Allereerst is er een probleem met de transcriptie van de tekst. Deze is zo te lezen:

“Remcke Gerrits die Weduwe van Salighe Jan Nannincks In Sijn Leven Smit tot bedum Anno 1648”

Maar dan blijft er twijfel knagen over de achternaam van de smid. Het zou dus ook Hanninck of Hamminck kunnen zijn. Alle drie de namen komen voor in het Groningerland van de zeventiende eeuw, al moet je de c soms wegdenken (dat de uitgang -in[c]k ook wel ing werd, spreekt vanzelf).

Indien het Hamminck is, zou het kunnen gaan om de Jan [van] Hamminck, die volgens zijn inventaris uit 1648 een huis genaamd Het Wapen van Amsterdam in Groningen bewoonde. Dat huis moet een zekere standing gehad hebben, want er zat nog een “zaal” in, een hoog vertrek met een representatieve functie. In die zaal bevond zich een eiken ingelegde tafel, ook bepaald geen meubelstuk dat iedereen bezat.

Dan de oorspronkelijke lokatie van het raam. Dergelijke gebrandschilderde glazen kwamen zeker voor in particuliere huizen, maar ze werden ook nogal eens geschonken aan kerken of liefdadige instellingen. De vraag is dan in wat voor bouwwerk dit stuk kan hebben gezeten.

Allereerst zal de glazenmaker die het maakte vermoedelijk niet in Bedum hebben gewoond, maar in de stad Groningen. Wie deze maker was, zal wel voor altijd onbekend blijven, maar van dergelijke drieslag-bovenlichten heeft het Groninger Museum enkele latere voorbeelden in zijn collectie.

Qua plaatsing van het raam denk ik aan een gasthuis. Het lijkt op een bovenlicht van een deur. Heeft de smidsweduwe misschien een verbouwinkje in een gasthuis bekostigd, of een nieuw portaal?

Als dat gasthuis zich in de stad Groningen bevond, dan zou je dat moeten kunnen nagaan in de rekeningen van de gasthuizen, zowel aanwezig in de archieven van die instellingen zelf als dat van het stadsbestuur. Voor de onderzoeker is het dan vervelend dat er nogal wat van die gasthuizen zijn geweest, maar de zoekprocedure is te verkorten door eerst achterin de gasthuisrekeningen van 1647-1649 bij de bewonerslijsten te kijken. In die rekeningen kom je in elk geval dezelfde soort calligrafie tegen als op het raam.

Met dank aan Sneuper Dokkum.

Bijkomende bronnen:

  • Johan de Haan, Hier ziet men uit Paleizen (diss. Nijmegen 2005) 142 en noot 482 op p. 526.
  • RHC Groninger Archieven, rechterlijke archieven III (stad) oude orde J deel 2, folio 225.

Saluutschoten trillen huis kapot

Toen de stad Groningen in augustus 1773 prins Willem V een week lang op bezoek kreeg, een week waarin ook de verjaardag van diens gemalin prinses Wilhelmina zou worden gevierd, stond zij bol van het feestgedruis. Niet iedereen echter, kon er louter met plezier op terugkijken.

De prins, de prinses en hun gevolg werden buiten de Apoort bij het Hoendiep ontvangen. Terwijl zij en de gastheren na de welkomstceremonie in koetsen de Apoortenboog (= Abrug) passeerden, begon achter de stoet bij de Apoortendwinger een omvangrijk saluut van kanonschoten. Vanaf die dwinger ging dat saluut met de zon mee: na de kanonnen bij de Apoort waren die bij de Kranepoort aan de beurt en zo ging dat verder tot alle 51 kanons op de stadswallen waren gelost. En dit gebeurde niet één keer, niet twee keer, maar wel drie keer, steeds op een startsein vanaf de Martinitoren.

In de stad moet dat een merkwaardig audioeffect hebben gegeven, die wave van gebulder in de rondte. Naderhand echter, dienden Pieter Bijmholt en zijn vrouw Aafke Jans een verzoekschrift in bij Gedeputeerde Staten. Zij woonden buiten de Apoort en memoreerden

“hoe onlangs ter occasie der blijde en heuchelijke komst van zijne Doorl[uchtigste] Hoogh[eid] den Heere Ervstadhouder door het iterative lossen van het canon van de stadswallen der suppl[ianten] wooninge zeer is beschadigt, zodat thans in groot gevaar in het zelve logeren, alwaarom de suppl[ianten] daardoor in de noodzakelijkheid zijn gebragt, om derzelven behuizing wederom eenigsins te moeten herstellen…”

Ze waren beiden oud en zwak en “in weinig omstandigheden van verdienste”, vertelden ze. Daarom vroegen ze GS om een schadevergoeding. “opdat in staat zijn hunne behuizinge wederom te kunnen behelpen”.

De heren erkenden hun verantwoordelijkheid en reageerden positief op dit verzoek, want kamerbewaarder Gout kreeg opdracht 5 ducatons aan het bejaarde echtpaar uit te tellen ter compensatie van de schade die het kanongebulder aangericht had. Hoe groot de schade werkelijk bedroeg en of de som van omgerekend bijna 16 gulden toereikend was, melden de stukken niet.

Bronnen: RHC Groninger Archieven, Toegang 1 (archief Staten van Stad en Lande) inv.nr. 197, de akte van 17 juni 1777 (opzet van het rondzingende saluutschotenproject) en inv.nr. 445 (rekesten) waarbij ik helaas de datum vergat te noteren (ergens in het najaar).

D