“Zonder naakte omhelzingen geen Spaansche pokken”

Opnamedatum:  2013-05-29

NN, Medicus en syfilitische patiënte (uitsnede). Rijksmuseum.

In een van zijn gevalsbeschrijvingen neemt Ludolph Smids de “armhartige versieringen” op de korrel, waarmee met name “onnozel vrouwvolk” dat zich “in het Venusspel” te buiten ging, de daarmee opgelopen soa probeerde te bewimpelen voor een “onervaaren medicijnmeester”.

Een dergelijk geval deed zich voor te Groningen, in mei 1685. Toen kwam er “zekere jonge dochter van middelmaatigen ouderdom” (dus een ouwe vrijster) bij dokter Smids klagen over een zware verkoudheid, wat bevestigd werd door haar zeer schorre en hese stem. Omdat dit verschijnsel hem bevreemdde en allerminst aanstond, en hij ook nog wat grauwe vlekken ontwaarde op haar nek en schouders, vroeg hij advies aan de “welbeleezen” chirurgijn Cornelis Yben, iets wat zijn patiënte liever niet had, maar hij desondanks deed. Yben onderzocht haar keel en stelde in haar bijzijn hardop, maar wel in het Latijn, de diagnose “Spaansche pokken”, oftewel syfilis vast.

Ze was al wat doof, werd achterdochtig en begon over het “ophouden der maandelijke ontlastinge” (= menstruatie) en vroeg of dat de vlekken niet veroorzaakte. Om haar niet te schofferen, namen Yben en Smids eerst hun toevlucht tot een gangbaar eufemisme voor de Spaanse pokken:

“Wy schooven alle onheilen (gelijk gemeenelijk geschied) den scheurbuik op den hals en zeiden dat ze daarom een apozema of naar de konst gekookte drank een dag of zes moest gebruiken, voorts zich weinig doen vermageren en uitteeren &c.”

Achteraf overlegden Smids en Yben over de definitieve therapie. Voordat ze met zijn beiden weer bij de juffrouw kwamen, bezocht Smids haar in zijn eentje, om haar zachtjesaan duidelijk te maken dat ze aan een venerische ziekte leed:

“Een tijding die haar geenzins kon vermaaken, voornaamelik als zy van pillen, zeveren en kwijlen &c. hoorde spreeken.”

Die pillen bevatten namelijk nogal wat kwik, vandaar die bijverschijnselen. Deze bliefde patiënte niet en ze vroeg dan ook of ze niet kon volstaan met een dieet. Ook zat haar de oorzaak dwars en ze informeerde,

“of men door tasten en knypen die ziekte kon krygen? Alzo zeker krijgsofficier haar tegens dank op een bed willende smijten (onder het stoeyen) wat te vinnig en te stijf in de zijde geduwd had. Waarop ik niemendal antwoorde, behalve dat ik al meesmuilende haar bracht op een aangenaamer praatjen en op de hoop van eengeluckige herstelling.”

De volgende dag bleek ze echter nog weer een nieuwe ‘oorzaak’ te hebben bedacht, namelijk een lamsvel dat genoemde officier lange tijd als borstrok had gebruikt. Hij had dit kledingstuk na de ‘stoeipartij’ bij haar laten liggen en zij had dit, “zeer onvoorzichtig, naderhand altijd op haar licchaam gedragen”.

Smids vond het wel een vermakelijke redenering maar dacht tegelijkertijd aan een casus uit een van zijn handboeken,

“alwaar een weelig joffertje van deze ziekte wierd aangetast nadat zy in het kleed van een kerel, in den Vastenavond, eenige tijd gerinkelrooid had.”

Tegen zijn patiënte zei hij echter, dat ze het hem niet kwalijk moest nemen dat hij zulke “frajigheden” niet aannam. En met een God zegene de greep flapte hij de waarheid eruit:

“Zonder naakte omhelzingen of vermengingen van de humeuren krijgt niemand de Spaansche pokken.”

Daarop gaf ze zich eindelijk gewonnen en stelde zich open voor de gangbare behandeling:

“Wy tasteden haar aan, zy wierd in de keel gespuit, zy nam pillen in, zy kwijlde, zy genas en wierd van een fleetsche en vadzige vryster een frisse en bekwame meid.”

Uiteraard was deze genezing louter voor het oog en slechts tijdelijk. In de zeventiende eeuw wist men nog niet dat syfilis zich na jaren onzichtbaarheid opnieuw, en dan funest, manifesteerde. Alleen dankzij die onkunde kon Smids bogen op dit ‘succes’. Hij knoopte er zelfs nog een moraal aan vast voor zijn jongere collegae:

“Dit verstrekt een baaken aan den jongen medicijnmeester, opdat hy, het arglistig vrouwengeslacht verdenkende, alle voorwendzelen van vallen, stooten, knypen &c. verwerpe…”

Bron


Groen haar en ‘dreadlocks’ in het Groningen van de Gouden Eeuw

Casper Luyken - Koperslager (ca. 1680).

Casper Luyken – Koperslager (ca. 1680).

Het wordt natuurlijk nog wel gedragen, maar groen en zwart geverfd haar associeer ik net als dreadlocks vooral met de vroege jaren tachtig. Gek om dan bij Ludolph Smids te vernemen dat eind zeventiende eeuw ook al dergelijke haardrachten bestonden, zij het dat die toen niet voortkwamen uit moedwil, maar uit minder gunstige levensomstandigheden.

Zo merkt Smids op dat

“men meermalen groen haar ziet op de hoofden der ketelboetersknegten en –kinderen en die bij ‘t gieten der metaalen verkeeren.”

Volgens Smids kwam dat door een “vitrolische exhalatie of uitwaseminge” (van oxyderend koper). Hij zag eens een kind in de Ebbingestraat en een jongen in de Poelestraat in Groningen met groen haar “dat wel sterk naar koper rook”.

Bij dezelfde jongen zag Smids ook zwart haar dat niet in al te beste conditie was. Volgens hem kwam dat door “silver gesmolten in stark water”.

Een heel eind verder in zijn Aanmerkingen rept hij van een plica polonica of Poolse vlecht, ogenschijnlijk een mega-dreadlock, maar dan wel een die ontstaan is door gebrek aan zorg, verluizing, verklitting en vervilting:

“My is eens [een] bedelaar tot Groningen op de straat ontmoet dien het haar (pikzwart zijnde) vol klissen hing, door zekere slymeriige vocht zijnde te zamen gebakken. Het gemeen volk geloofde dat de nachtmerrie (een malle inbeelding) by ontijden hem berydende, zijn hair dus ineen had gevlochten, maar het was waarlijk de Plica Polonica of de Poolsche vlecht, in welke men ogenklaar bespeurd dat het hoofdhair hol is, alsoo daar zeker vochtigheid uitdruipt, uit de kliertjes afzakkende…”


De uitgestoken arm van een onbekende soldaat

reuzenradijs-1626-anoniem-rijksmuseum

Misvormde mensen, dieren en planten hebben altijd gefascineerd.

Zo kreeg de toen nog Groninger medicus Ludolph Smids eind 1672 bij zijn bezoek aan Enneke, de weduwe van barbier Homan in de Oosterstraat, een bijzondere radijs te zien,

“sijnde een goede vinger lang en hebbende de nette form en gedaante van een menschenarm, te weten van den elleboog af tot den hand en vingers (die seer poesel waren) toe.”

Bommen Berend had die zomer de aftocht geblazen, maar het schootsveld lag er nog, buiten de Ooster- en de Herepoort. Daar kwam die radijs vandaan.

”Omdat men dien niet lang na de Belegering in de bedorvene thuijnen had opgegraven, soo seide het bygelovig volkje dat sy waar gegroeid uit het lijf van een bisschopssoldaat, in een uitval door de onse gematst en sonder veel ceremoniën aldaar gedolven” (= begraven, HP).

Bron

Ter vergelijking: radijs als voet.


Een zee-eenhoorn in het Schuitendiep en andere aardkundige raadselen van weleer

2015-08-03-017

Wat ondergrondse boomstammen, kienhout, de zondvloed, de Stobbevenne bij Roderwolde, de grote veenbrand van 1684 etc. met elkaar te maken hebben.

Ludolph Smids (1649-1720) groeide op te Groningen als wees in een welvarend katholiek milieu. Zijn voogden stuurden hem eerst naar een Latijnse school in Antwerpen en vervolgens naar een klooster in Westfalen, vanwaar hij op zijn 21-ste terugkeerde naar zijn vaderstad Groningen om geneeskunde te studeren, Deze opleiding maakte hij naderhand af in Leiden. In 1673 vestigde hij zich andermaal in Groningen, nu als arts. Door zijn overgang naar de gereformeerde kerk en zijn tweede huwelijk met een gereformeerde juffrouw raakte hij gebrouilleerd met zijn familie, en besloot daarom in 1685 naar Amsterdam te verhuizen, waar hij zich tot een nogal gezwollen dichter en een universele geleerde zou ontwikkelen.

Als arts publiceerde Smids in 1688 enige ‘Aanmerkingen’ op een tweedelig traktaat (1681-1683) door zijn Amsterdamse collega Stephanus Blankaarts, welke aanmerkingen naderhand aan Blankaarts werk zijn toegevoegd in een convoluut. Deze verzamelband is in zijn geheel bij Google Books te vinden. In zijn Aanmerkingen haalt Smids nogal eens medische gevallen uit zijn Groninger tijd aan. Bij gelegenheid ga ik daarop in. Dit keer iets over een geologisch zijpad dat beide heren insloegen.

In deel II van zijn traktaat (pag. 209-210) vertelt Blankaart over bomen die in Cornwall onderin tinmijnen waren aangetroffen. Ook elders in Engeland kwamen wel eens ondergrondse bomen bloot te liggen, namelijk bij het verstuiven van duinen en Engeland was wat dat betreft geen uitzondering, want dat gebeurde in Holland eveneens. Uiteraard gaf dat discussie:

“Daar werd met groote vlijt over getwistredend hoe dat dese boomen in de grond komen: het gemeene (= gewone) volk is van gevoelen, datse door de Sondvloed sijn ter neergeslagen en met slijk bedekt. Sommige aartkenders twijfelen of het niet een sonderlinge soort van boomen is, die uit de natuur in de holen der aarde gewassen zijn, gelijk men gelooft dat er enige planten wassen. ..“

Blankaart zocht het zelf liever niet in zulke “verre oorsaken”. Hij geloofde eerder aan een grote overstroming die de bomen ontwortelde en met zand en slik bedekte : “Daarom vind men daar gemeenlijk rivieren of morassen by”. In zijn eigen verklaring noemde hij de zondvloed niet, maar sloot deze toch ook niet uit.

In zijn Aanmerkingen (pag. 123-124) valt Smids zijn collega min of meer bij op basis van Groninger bevindingen. Dat er een aparte soort bomen onder de grond groeide, wees hij vanwege veenkoloniale vondsten van de hand:

“Men vindse buiten Groningen bykans in alle veenen als in Sappemeer, Wildervank &c., te weten onder het veen en bovenop het sand en juist (…) met de stamme naar het noordwesten. De turfschuitenschippers brengen dit hout mede als wat bysonders, nu rot en vermolmd, en heeten het keenhold.”

Dat ‘keenhold’ kennen wij nu als kienhout. De stammen waar het eind zeventiende eeuw van afgenomen werd, bevonden zich onder de veenlaag en op de onder het veen liggende zandlaag. Ze kwamen dus tegen het eind van de turfwinning op bepaalde locaties tevoorschijn. Smids verwijst impliciet naar de Stobbevenne bij Roderwolde, waar in het laatste jaar dat hij in Groningen woonde een grote veenbrand had gewoed:

“Toen in de heete somer van 1684 het veen by het meir langs ontrent Rowolde en Paterwolde was in brand geraakt, soo wierde daar in de uitgebrande kuilen een denneboom ontdekt van 40 voeten, boven het sand en, als gesegt is, onder het veen, ook met de wortel naar ’t noordwesten.”

Volgens Smids waren zulke bomen “door een geweldigen vloed omgeworpen en door het meegesleepte zand overstulpt”. Die vloed, bij verschillende oudere schrijvers het “Dilivium Cimbricum” geheten, zou in 340 voor Christus tussen de Rijn en de Elbe hebben huisgehouden. Volgens Smids vormde hij een plausibele verklaring :

“Dit moet niemand onmogelijk en ongelooflijk schijnen, nademaal midden in de Stad Groningen, tegenover de trappen van het Raadhuis, onder de herberg van den Daniel, eertijds eenige stukken van een oud schip zijn opgegraven. Voeg hierby dat hoorn van een zee-eenhoorn, gevonden van den arbeiders in het Schuitendiep…”

De Groninger bodem herbergt heel wat verrassingen, mag je hieruit concluderen. Dat wordt nog wat bij het ingraven van de Zuidelijke Ringweg, straks.

Met dank aan Otto Knottnerus voor het attenderen op deze bron.


Oudste fietsclub van de Stad bewoog zich voort met hoorngeschal en vliegend vaandel

Velocipèdeclub De Adelaar, Groningen ca. 1900. Collectie RHC Groninger Archieven 1987-17.

Velocipèdeclub De Adelaar, Groningen ca. 1900. Collectie RHC Groninger Archieven 1987-17.

De Groninger velocipèdeclub ‘de Adelaar’ moet de oudste fietsvereniging van de Stad zijn geweest. Hier zien we de leden rond hun vaandel geschaard, compleet met tweekleurige, waarschijnlijk groenwitte petjes, witte pakjes met insignes en een stuk of wat lauwerkransen.

Een eerste huishoudelijk reglement dateert van december 1889. Doel van de club was: “Het rijden en de gezelligheid onder de wielrijders te bevorderen”. Daarbij kende ze vier soorten leden: werkende (= actieve) leden, te verdelen in de gewone, woonachtig in de stad, en de buitenleden van het omringende platteland, naast ereleden en kunstlievende leden, onder welke laatste men een soort van donateurs moet verstaan.

Om voor het lidmaatschap in aanmerking te komen, diende iemand minstens zestien jaar jaar oud te zijn en acceptabel voor minimaal tweederde van de bestaande leden. Er gold dus een vrij stevige ballotage. Voor het actieve lidmaatschap betaalde iemand een daalder contributie per jaar, maar de vereniging was aangesloten bij de nationale wielrijdersbond ANWB, en ook daarvan was het lidmaatschap voor leden van De Adelaar verplicht.

Het leukst zijn de bepalingen uit het reglement die wat zeggen over de rijtochten die men gezamenlijk maakte. Hiervoor was het dragen van een rijcostuum voorgeschreven. In 1889 bestond dat nog uit een club-pet, een club-insigne en een korte broek. Op bovenstaande foto dragen de leden echter een lange broek. De bepaling is dus later wellicht herzien. Of dragen de heren op de foto lange broeken omdat het getuige de kale takken op de achtergrond winter was?

Voor het vaandel op de foto was er een speciale vaandeldrager aangesteld, die deel uitmaakte van het bestuur. Dat bestuur moest de clubtochten minstens twee dagen van tevoren aankondigen. Naast de vaandeldrager leverde het bestuur een commandant. Hij voerde het bevel bij de clubtochten, moest daarbij de orde handhaven en vervulde “den post van hoornblazer”. Welke signalen hij op de hoorn kon geven, schreef het huishoudelijk reglement eveneens voor:

“De signalen op den hoorn zijn:

a.  Twee lange toonen beteekent opstijgen.
b.  Twee korte tonen        ,,            afstijgen.
c.  Een lange toon             ,,            langzaam rijden.
d.  Een korte toon             ,,            gewone rit.
e.  Drie korte tonen          ,,            snel rijden.
f.  Vier korte tonen           ,,            invallen of herstellen.”

Tijdens een clubtocht mocht een commandant boetes opleggen aan mensen die zijn bevelen niet opvolgden of zich pas na afloop van de rit aansloten bij het gezelschap. In beide gevallen ging het om dubbeltjeswerk. Achteraf wachtte de commandant nog een aardig klusje – hij was verplicht een verslag op te maken van de clubtocht, een verslag dat de secretaris steeds overschreef in het notulenboek.

Toch jammer, dat zo’n notulenboek niet bewaard is gebleven. Het vaandel, de hoorn en de hoornsignalen geven een wat militaire indruk van De Adelaar, die misschien had kunnen worden gerelativeerd door de verslagen.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 1774 (verzameling documentatie) inv.nr. 2080.


Vroege voorbeelden van gemengde sport

Op zoek naar een bepaald plaatje kwam ik de fraaie sluitzegels van Kahrel’s Thee weer tegen. Het betreft een ongeveer honderd jaar oude serie van sporten. Dat zijn niet louter competitieve – er zitten ook sporten tussen die paarsgewijs door man en vrouw worden beoefend zonder vooropgezet doel om de beste of de snelste te willen zijn.

Wielrijden:
027 - fietsen
Scheuvelen:
027 - schaatsen
Teunissen, zoals mijn overgrootvader het noemde:
027 - tennis
En visken. Kerel kijkt niet naar dobber en vangt niets. Hoewel?:
027 - vissen


Tabakszak als lapmiddel blijkt enige overblijfsel van florerende zaak

In het archief van het Groninger Sint Anthonygasthuis bevindt zich in een bundeltje brieven en andere stukken een placcaat uit 1685, dat kennelijk zo vaak geraadpleegd is dat het uiteen dreigde te vallen. Daarom is aan de achterkant een steunconstructie geplakt in de vorm van een stuk tabakszak, en wel de voorkant daarvan:
z DSC01793
Het betreft een misdruk met een zwaan als beeldmerk. Verder heeft dat beeldmerk de omlijsting van een uithangbord:
ooo
Heb de beeltenis wat proberen op te peppen, maar qua leesbaarheid hielp dat weinig. Toch viel er wel uit te komen. Onder het zwanenlogo staat zo ongeveer:

“Deze en meer andere soorten van opregte Amerikanische TABAK, als mede beste soorten van K……s, zijn te bekomen bij JAN A. OOSTERHOFF vooraan in de Oosterstraat tot GRONINGEN.”

Oosterhoffs initialen IAO staan boven het beeldmerk. Als ik deze tabakshandelaar natrek, kom ik merkwaardigerwijs eerst dichtbij mijn huis terecht, om precies te zijn op hemelsbreed anderhalve kilometer afstand. Jan Alberts Oosterhoff werd namelijk in 1762 geboren als de op een na jongste zoon van de landbouwer, bakker en herbergier Albert Eytes Oosterhoff te Matsloot, onder de klokslag van Roderwolde. Vanwege de naam van diens vader Eyte lijkt het erop dat het gezin in de herberg met overzet Eiteweert woonde, temeer daar de overgrootvader ook al boer en herbergier op de Matsloot was, maar dat bleek een vergissing. Toen zijn vader overleed, bood zijn moeder, naast nogal wat groenland onder Roderwolde, immers een “geneverstokery” te koop aan, waarmee de lokatie van Jan Alberts Oosterhoffs ouderlijke huis zich laat bepalen als ‘De oude Stokerije’ die volgens een kaart van Huguenin (ca. 1820) enkele honderden meters ten noorden van Eiteweert aan de Roderwolderdijk stond. Tot voor kort bevond zich hier inderdaad nog een boerderij vlakbij de vloeivelden van de suikerfabriek. Inmiddels is deze afgebroken en rest er niets dan een poeltje van de huisplaats. Overigens had Jans grootmoeder hier als weduwe, naast een middelgrote boerderij met herberg, nog een handel in tabak. Wat dat betreft viel de appel niet ver van de boom.

Wanneer Jan Alberts Oosterhoff naar de stad verhuisde is onbekend. Wellicht ging hij er als jongeling heen om een vak te leren. In 1791 trouwde hij met een vijftien jaar oudere koopmansweduwe en kocht even later datzelfde jaar ’t klein burgerrecht, om lid van het koopmans- en kremersgilde te worden. In 1791 vestigde hij zich dus als winkelier.

Dat hij redelijk succes had met zijn tabak, blijkt in 1803. Dan plaatst hij een advertentie tegen concurrenten die tabak verkopen onder zijn naam en merk:

“Ondergetekende JAN OOSTERHOFF, tot myn leetwezen vernomen hebbende dat [in] de valsche Rode Rosynekorf Tabak met myn naam &c. voorzien, word verkogt, en ik hieromtrent niet onverschillig kan verkeeren, zoo wil door deezen een ieder die zie hieraan mogten schuldig kennen, of eenigsints daarin hebben medegewerkt, vriendelyk verzogt en ernstig gewaarschouwd hebben om van deeze hunne handelwyze af te zien, opdat ik niet genoodzaakt worde, langs onaangenamer middelen dat kwaad te keeren.

Groningen den 28 July 1803.    JAN OOSTERHOFF.”

Feitelijk was dit veel geschreeuw en weinig wol, want het merkenrecht stond nog in de kinderschoenen en ik denk niet dat Jan werkelijk een proces zou zijn begonnen. De uitkomst was te ongewis.

Het huwelijk van hem en zijn vrouw bleef kinderloos. Zij stierf in 1819 en hij in 1822. In Huize de Beurs kwam toen eerst de inventaris van de tabakshandel in de Oosterstraat onder de hamer:

“5 Vaten beste Marijlandsche bladen tabak , een partij losse bladen dito, eenige riemen wit tabakspapier; voorts een tabaksinstrument, tabaksmessen en dito -raams, groote ijzeren balans met schaalbladen, dito gewigten en kleinere balansen en gewigten, een koopmanskare en meer andere goederen…”

Later dat jaar volgde Oosterhoffs vastgoed: het huis in de Oosterstraat en nogal wat land in de Paddepoel, Hoogkerk,  Usquert, Uithuizermeeden en Hornhuizen, plus een klein scheepsaandeel, waaruit blijkt dat Jan de winst uit zijn tabakshandel gespreid belegde. Bij de boeldag van de huisraad, ten slotte, werden onder meer tapijten, kabinetten en een “zeer accuraat staand uurwerk” verkocht, eens te meer een bewijs dat Jan Oosterhoff goed geboerd had met zijn nering.

Toch bleef daar enkel het stuk tabakszak van over, waarmee een placcaat in het archief van het Anthoniegasthuis opgelapt werd. We weten natuurlijk niet of dit gebeurde tijdens Jans leven, toen de zak nog courant was. Dat kan ook later gebeurd zijn. In elk geval dateert de gebruikte zak uit de periode 1791-1822 en dat is behoorlijk oud voor bewaard gebleven handelsdrukwerk.