Oudste fietsclub van de Stad bewoog zich voort met hoorngeschal en vliegend vaandel

Velocipèdeclub De Adelaar, Groningen ca. 1900. Collectie RHC Groninger Archieven 1987-17.

Velocipèdeclub De Adelaar, Groningen ca. 1900. Collectie RHC Groninger Archieven 1987-17.

De Groninger velocipèdeclub ‘de Adelaar’ moet de oudste fietsvereniging van de Stad zijn geweest. Hier zien we de leden rond hun vaandel geschaard, compleet met tweekleurige, waarschijnlijk groenwitte petjes, witte pakjes met insignes en een stuk of wat lauwerkransen.

Een eerste huishoudelijk reglement dateert van december 1889. Doel van de club was: “Het rijden en de gezelligheid onder de wielrijders te bevorderen”. Daarbij kende ze vier soorten leden: werkende (= actieve) leden, te verdelen in de gewone, woonachtig in de stad, en de buitenleden van het omringende platteland, naast ereleden en kunstlievende leden, onder welke laatste men een soort van donateurs moet verstaan.

Om voor het lidmaatschap in aanmerking te komen, diende iemand minstens zestien jaar jaar oud te zijn en acceptabel voor minimaal tweederde van de bestaande leden. Er gold dus een vrij stevige ballotage. Voor het actieve lidmaatschap betaalde iemand een daalder contributie per jaar, maar de vereniging was aangesloten bij de nationale wielrijdersbond ANWB, en ook daarvan was het lidmaatschap voor leden van De Adelaar verplicht.

Het leukst zijn de bepalingen uit het reglement die wat zeggen over de rijtochten die men gezamenlijk maakte. Hiervoor was het dragen van een rijcostuum voorgeschreven. In 1889 bestond dat nog uit een club-pet, een club-insigne en een korte broek. Op bovenstaande foto dragen de leden echter een lange broek. De bepaling is dus later wellicht herzien. Of dragen de heren op de foto lange broeken omdat het getuige de kale takken op de achtergrond winter was?

Voor het vaandel op de foto was er een speciale vaandeldrager aangesteld, die deel uitmaakte van het bestuur. Dat bestuur moest de clubtochten minstens twee dagen van tevoren aankondigen. Naast de vaandeldrager leverde het bestuur een commandant. Hij voerde het bevel bij de clubtochten, moest daarbij de orde handhaven en vervulde “den post van hoornblazer”. Welke signalen hij op de hoorn kon geven, schreef het huishoudelijk reglement eveneens voor:

“De signalen op den hoorn zijn:

a.  Twee lange toonen beteekent opstijgen.
b.  Twee korte tonen        ,,            afstijgen.
c.  Een lange toon             ,,            langzaam rijden.
d.  Een korte toon             ,,            gewone rit.
e.  Drie korte tonen          ,,            snel rijden.
f.  Vier korte tonen           ,,            invallen of herstellen.”

Tijdens een clubtocht mocht een commandant boetes opleggen aan mensen die zijn bevelen niet opvolgden of zich pas na afloop van de rit aansloten bij het gezelschap. In beide gevallen ging het om dubbeltjeswerk. Achteraf wachtte de commandant nog een aardig klusje – hij was verplicht een verslag op te maken van de clubtocht, een verslag dat de secretaris steeds overschreef in het notulenboek.

Toch jammer, dat zo’n notulenboek niet bewaard is gebleven. Het vaandel, de hoorn en de hoornsignalen geven een wat militaire indruk van De Adelaar, die misschien had kunnen worden gerelativeerd door de verslagen.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 1774 (verzameling documentatie) inv.nr. 2080.


Vroege voorbeelden van gemengde sport

Op zoek naar een bepaald plaatje kwam ik de fraaie sluitzegels van Kahrel’s Thee weer tegen. Het betreft een ongeveer honderd jaar oude serie van sporten. Dat zijn niet louter competitieve – er zitten ook sporten tussen die paarsgewijs door man en vrouw worden beoefend zonder vooropgezet doel om de beste of de snelste te willen zijn.

Wielrijden:
027 - fietsen
Scheuvelen:
027 - schaatsen
Teunissen, zoals mijn overgrootvader het noemde:
027 - tennis
En visken. Kerel kijkt niet naar dobber en vangt niets. Hoewel?:
027 - vissen


Tabakszak als lapmiddel blijkt enige overblijfsel van florerende zaak

In het archief van het Groninger Sint Anthonygasthuis bevindt zich in een bundeltje brieven en andere stukken een placcaat uit 1685, dat kennelijk zo vaak geraadpleegd is dat het uiteen dreigde te vallen. Daarom is aan de achterkant een steunconstructie geplakt in de vorm van een stuk tabakszak, en wel de voorkant daarvan:
z DSC01793
Het betreft een misdruk met een zwaan als beeldmerk. Verder heeft dat beeldmerk de omlijsting van een uithangbord:
ooo
Heb de beeltenis wat proberen op te peppen, maar qua leesbaarheid hielp dat weinig. Toch viel er wel uit te komen. Onder het zwanenlogo staat zo ongeveer:

“Deze en meer andere soorten van opregte Amerikanische TABAK, als mede beste soorten van K……s, zijn te bekomen bij JAN A. OOSTERHOFF vooraan in de Oosterstraat tot GRONINGEN.”

Oosterhoffs initialen IAO staan boven het beeldmerk. Als ik deze tabakshandelaar natrek, kom ik merkwaardigerwijs eerst dichtbij mijn huis terecht, om precies te zijn op hemelsbreed anderhalve kilometer afstand. Jan Alberts Oosterhoff werd namelijk in 1762 geboren als de op een na jongste zoon van de landbouwer, bakker en herbergier Albert Eytes Oosterhoff te Matsloot, onder de klokslag van Roderwolde. Vanwege de naam van diens vader Eyte lijkt het erop dat het gezin in de herberg met overzet Eiteweert woonde, temeer daar de overgrootvader ook al boer en herbergier op de Matsloot was, maar dat bleek een vergissing. Toen zijn vader overleed, bood zijn moeder, naast nogal wat groenland onder Roderwolde, immers een “geneverstokery” te koop aan, waarmee de lokatie van Jan Alberts Oosterhoffs ouderlijke huis zich laat bepalen als ‘De oude Stokerije’ die volgens een kaart van Huguenin (ca. 1820) enkele honderden meters ten noorden van Eiteweert aan de Roderwolderdijk stond. Tot voor kort bevond zich hier inderdaad nog een boerderij vlakbij de vloeivelden van de suikerfabriek. Inmiddels is deze afgebroken en rest er niets dan een poeltje van de huisplaats. Overigens had Jans grootmoeder hier als weduwe, naast een middelgrote boerderij met herberg, nog een handel in tabak. Wat dat betreft viel de appel niet ver van de boom.

Wanneer Jan Alberts Oosterhoff naar de stad verhuisde is onbekend. Wellicht ging hij er als jongeling heen om een vak te leren. In 1791 trouwde hij met een vijftien jaar oudere koopmansweduwe en kocht even later datzelfde jaar ’t klein burgerrecht, om lid van het koopmans- en kremersgilde te worden. In 1791 vestigde hij zich dus als winkelier.

Dat hij redelijk succes had met zijn tabak, blijkt in 1803. Dan plaatst hij een advertentie tegen concurrenten die tabak verkopen onder zijn naam en merk:

“Ondergetekende JAN OOSTERHOFF, tot myn leetwezen vernomen hebbende dat [in] de valsche Rode Rosynekorf Tabak met myn naam &c. voorzien, word verkogt, en ik hieromtrent niet onverschillig kan verkeeren, zoo wil door deezen een ieder die zie hieraan mogten schuldig kennen, of eenigsints daarin hebben medegewerkt, vriendelyk verzogt en ernstig gewaarschouwd hebben om van deeze hunne handelwyze af te zien, opdat ik niet genoodzaakt worde, langs onaangenamer middelen dat kwaad te keeren.

Groningen den 28 July 1803.    JAN OOSTERHOFF.”

Feitelijk was dit veel geschreeuw en weinig wol, want het merkenrecht stond nog in de kinderschoenen en ik denk niet dat Jan werkelijk een proces zou zijn begonnen. De uitkomst was te ongewis.

Het huwelijk van hem en zijn vrouw bleef kinderloos. Zij stierf in 1819 en hij in 1822. In Huize de Beurs kwam toen eerst de inventaris van de tabakshandel in de Oosterstraat onder de hamer:

“5 Vaten beste Marijlandsche bladen tabak , een partij losse bladen dito, eenige riemen wit tabakspapier; voorts een tabaksinstrument, tabaksmessen en dito -raams, groote ijzeren balans met schaalbladen, dito gewigten en kleinere balansen en gewigten, een koopmanskare en meer andere goederen…”

Later dat jaar volgde Oosterhoffs vastgoed: het huis in de Oosterstraat en nogal wat land in de Paddepoel, Hoogkerk,  Usquert, Uithuizermeeden en Hornhuizen, plus een klein scheepsaandeel, waaruit blijkt dat Jan de winst uit zijn tabakshandel gespreid belegde. Bij de boeldag van de huisraad, ten slotte, werden onder meer tapijten, kabinetten en een “zeer accuraat staand uurwerk” verkocht, eens te meer een bewijs dat Jan Oosterhoff goed geboerd had met zijn nering.

Toch bleef daar enkel het stuk tabakszak van over, waarmee een placcaat in het archief van het Anthoniegasthuis opgelapt werd. We weten natuurlijk niet of dit gebeurde tijdens Jans leven, toen de zak nog courant was. Dat kan ook later gebeurd zijn. In elk geval dateert de gebruikte zak uit de periode 1791-1822 en dat is behoorlijk oud voor bewaard gebleven handelsdrukwerk.


Jubileumlepel Coöperatie De Toekomst

Jubileumlepel de Toekomst blogversie

Deze kwam ik nog tegen bij de laatste onverdeelde spullen van mijn moeder: een lepel in een formaat tussen thee- en eetlepel, uitgegeven bij het vijftigjarig bestaan van de Groningse Coöperatie De Toekomst. Bij mijn weten heb ik deze lepel nooit eerder bij haar gezien. Hoe ze eraan komt, Joost mag het weten, in de stad woonde destijds geen familie en van rooie initiatieven moest ze meestal ook weinig hebben.

Wel gek, ben je bij tijd en wijle bezig met de geschiedenis van De Toekomst, zowel op dit blog als elders, kom je onvermoed zoiets tegen in de ouderlijke nalatenschap.


‘Alles wat tot brouwen dependeerd is hoog in prijs’ – een rekest van de Groninger brouwers om lastenverlichting (1768)

brouwte bier 1768 b

Ziehier een lijstje van wat een brouwte van elf tonnen bier een Groningse brouwer kostte en wat dezelfde brouwte die ambachtsman opleverde. De grootste kostenposten blijken de benodigde 12 mudden gerst (bijna 38 gulden) en de vrij forse belasting (gemaal) die hij over het gerstemout moest betalen (ruim 23 gulden of bijna 60 %). Met de kleinere posten wegens het malen en mouten van de gerst, voor de turf, de hop, de overige belastingen voor huis en knechten, voor vaten, vervoer en verlies, voor lekkerij en proefbier, huishuur, lonen en huisvestingskosten van het personeel, kwam zo’n gehele brouwte op 104 gulden. Aan inkomsten stonden hier tegenover 77 gulden voor de 11 tonnen (à 155 liter) bier, 12 gulden voor gist dat verkocht werd aan bakkers, en een rijksdaalder voor ‘draf’, een min of meer vaste stof die bij het brouwproces overbleef en die verkocht werd als veevoer. In totaal beurde de brouwer zo 91 gulden en vijf stuivers voor zijn brouwte, zodat hij er een verlies op leed van bijna 13 gulden.

Het lijstje hoort bij een verzoekschrift, dat eind 1767 bij de Staten van Stad & Lande werd ingediend namens de 71 of 72 bierbrouwers van de stad Groningen, Appingedam en de beide Oldambten. In dat rekest klaagden ze dat hun nering voortdurend achteruit ging, “zo door de anhoudende hooge prijs van de garst als meede de hooge impositjen op moud en meer anderen reedenen”, waardoor ze niet langer in staat waren “om met eenig voordeel goed bier te kunnen maaken”. Uiteraard waren de Ommelanden (Westerkwartier, Hunsingo en Fivelingo) niet vertegenwoordigd, want daar had je geen bierbrouwers: de herbergen moesten er volgens het stapelrecht hun bier betrekken van de brouwers uit de stad. Hoe dan ook, in de eerste maanden van 1768 hoorde een statencommissie de brouwers enige malen over hun klachten aan, waarbij de brouwers nog een uitvoerige schriftelijke toelichting op hun verzoekschrift produceerden, waarvan bovenstaande kosten-batenanalyse de bijlage vormde.

Opmerkelijk, maar gezien hun doel niet verwonderlijk is, dat de brouwers in die toelichting het fiscale regime als primaire oorzaak aanwezen van de malaise in hun bedrijf. Toen de brouwerijen nog bloeiden, zo rond 1700, bedroeg de impost op een mud gerst slechts 13½ stuiver, maar inmiddels moesten ze bijna 2 gulden en dus drie maal zoveeel betalen. De provincie won daar echter niets bij, want destijds bracht de impost in een half jaar meer op, dan anno 1767 in een heel jaar. Aan die dalende opbrengsten kon je goed het verval van hun bedrijfstak aflezen, aldus de brouwers.

Een reden die vaak als veel belangrijker wordt voorgesteld voor het verval van hun nering, noemden de brouwers slechts op de tweede plaats:

“Het in gebruik komen van coffij en thee heeft de brouwerijen zodanig doen verminderen, dat in ’t begin van deze eeuw in deze Stad alleen over de 80 brouwers geteld wierden, welk getal present tot op 32 verminderd is, en zo in de Provincie insgelijks…”

Trekken we de 32 stedelijke brouwers af van de bovengenoemde 72, dan houden we er 40 over in Appingedam en de beide Oldambten (inclusief veenkoloniën). Als de achteruitgang hier even sterk was als in de Stad, dan moeten dat er rond 1700 zo’n 100 geweest zijn. In totaal ging het aantal brouwers in de hele provincie dan terug van 180 rond 1700 tot 72 in 1768. Veel van die resterende brouwerijen stelden echter nog maar weinig voor, want volgens de woordvoerders was nog niet de helft in staat “dat weinige mout zo zij in de zomer nodig zijn, in voorrraad te bekomen”. Deze brouwden dus alleen nog in de warme maanden, en moesten voor elke brouwte de benodigdheden kopen, zo weinig geld hadden ze achter de hand.

Volgens de brouwers waren er in dertig jaar tijd wel 50 vakgenoten op de fles gegaan. De “neringloosheid” en geringe afzet van veel van de overige bedrijven maakte dat brouwers nogal eens een bedorven brouwte moesten weggooien, terwijl ze daar wel hun kosten aan hadden gehad. Het stak ze dat zij wel belasting over hun zure, onbruikbaar geworden bier moesten betalen, terwijl wijntappers en andere ambachtslui dat niet hoefden te doen voor hun bedorven en daarmee onverkoopbaar geworden waren.

Er kwam nog een ‘statiegeld-kwestie’ bij. Vroeger hadden de meeste klanten hun eigen vaten, waarvan ze de vervoerskosten naar en van de brouwers zelf ook betaalden. Nu kwamen de vaten louter nog voor rekening van de brouwers. Waarschijnlijk hadden brouwers in hun eigen voet geschoten, door uit concurrentieoverwegingen in een krimpende markt deze emballage-kosten van hun klandizie over te nemen: bij een voortdurend verminderende afzet en vastgestelde bierprijzen, zullen ze daarmee klanten hebben willen lokken. In elk geval hadden de brouwers zodoende anno 1768 een “menigte van vaten” onder de mensen zitten, “welke zij nooit weder te zien krijgen, schoon haar dikwijls zoveel en meerder kost als ’t bier waardig is, zo zij daarmede hebben uitgezet”. Naar raming van de rekestranten kostte dit de doorsnee- brouwer wel 400 gulden in het jaar.

Hun litanie stond ook stil bij het feit dat alle ingrediënten voor het bier dubbel zo duur waren als vroeger. Gerst deed bijna 3½ gulden de mud, waar het vroeger 1½ deed. Voorheen kwamen zulke hoge prijzen alleen voor in oorlogstijd, maar nu bij vrede. De hop, vroeger anderhalf stuiver per pond, kostte inmiddels het vier tot achtvoudige. Ook turf en hout waren duurder geworden, “ja alles wat tot brouwen dependeerd is hoog in prijs”. Dat gold zelfs voor de arbeidslonen, want waar “aanzienlijke borger kinder” voorheen betaalden voor hun opleiding in het bedrijf, was dat opgehouden nu dat bedrijf minder aantrekkelijk was. Bovendien had het stadsbestuur de leertijd tot de meesterproef met een jaar verlengd, “waar van wij dan thans den bitteren nasmaak ondervinden”.

Door de hogere belasting op mout prijsde het Groninger bier zich elders de markt uit, aldus de brouwers. Daar werd het mout immers niet belast. Dat was de reden dat de export van Gronings bier naar andere provincies geheel stilviel. Dit gold ook voor de afzet van het gist, dat de Groninger bakkers nu zelfs uit Holland en Overijssel betrokken, waar het goedkoper was omdat het mout er niet belast werd.

En dan had men nog de andere lasten die de Groninger brouwers moesten betalen, zoals over de ‘daar’ (een eest of droogoven voor het drogen van mout) en de ketel. Voor elke daar en ketel moest een brouwer 10 gulden per jaar schokken, terwijl bakkers maar een gulden hoefden te geven voor een oven, die zij dan ook nog konden gebruiken “tot een keuken en haardstede”, wat bij de brouwers niet zo was. Voor brouwers die slechts een beperkte hoogtijperiode in de zomer brouwden, was het bovendien onmogelijk geworden om hun daren en ketels tijdelijk uit het belastingregister te laten schrappen, een regeling die vroeger nog bestond. Afgezien van de bakkers waren de brouwers jaloers op de grutters, die wel drie maal zoveel gerst verwerkten als de grootste brouwer, maar helemaal niets betaalden, hoewel ze veel minder bedrijfsonkosten hadden.

Naast de koffie en thee deed de wijn het bier concurrentie aan. Daarvan werd, “tot ruïne der brouwers” wel zes maal zoveel geconsumeerd als veertig jaar eerder. En dan had je nog de zogenaamde ‘knap’, dat was fijn gemalen, verbrande korst van zoete koek die met koffie werd vermengd tot een goedkoop koffiesurrogaat voor armelui. De brouwers meenden dat er jaarlijks in Stad & Lande wel 200.000 pond van dit goedje werd geconsumeerd. Juist wijn en knap maakten het verval van hun nering uiterst zichtbaar, want waar er

“tevoren kluinherbergen waren, ben nu in wijntappers veranderd en siet men op andere huisen en kelders zo in vroeger jaaren dun bier- en lekseltappers waren nu meede verandert in koffy-, thee- en knapwinkels”.

Tot besluit van hun klaagzang roerden de brouwers nog de fiscale rechtsongelijkheid tussen gerstemout enerzijds en anderzijds koffie en thee aan. Een pond goede thee kostte evenveel als een mud mout. Van die hoeveelheid thee konden evenveel mensen hun dorst lessen als dat er bier van die mout gebrouwen kon worden. Toch was die pond thee slechts belast met 6 stuivers (koffie deed de helft), terwijl van een mud mout maar liefst 2 gulden moest worden betaald, waarbij het ook nog eens zo was dat de teler van de gerst al belasting aan de provincie had betaald. Die gerst kwam bovendien uit “ons eigen land”, terwijl er honderdduizenden guldens het land uitvloeiden voor de koffie en de thee.

Om al deze redenen hoopten de brouwers de Staten ertoe te kunnen bewegen de belasting op het mout te verlagen, zodat hun “in vorige tijden ze zeer gerenomeerde, dog nu zo deerlijk vervallene brouwerijen” weer konden renderen.

Kregen ze gelijk van de statencommissie die meermalen met ze sprak? In het advies van die commissie aan de Staten lijkt het er eerst wel op. Zo erkende ze dat de exportpositie van de Groninger brouwers finaal ondergraven was door de verhoogde imposten tot 34 stuivers voor een mud gerstemout, 17 stuivers voor een mud havermout en 50 stuivers voor een mud weitemout (waaruit impliciet blijkt dat de brouwers ook wel haver of tarwe voor hun bieren gebruikten). Volgens het commissierapport belette deze impost immers “alle versendinge nae buiten dewelke bevoorens sterk hadde gevigeert”. Ook voor hun klacht over het niet kwijtschelden van belasting voor bedorven bier vonden de brouwers gehoor. Verder erkende de commissie de duurte van de ingrediënten en dat “de natie sodaenig was ontaert dat [ze] voor gesonde bieren slegte coffij, thee, genever, ja zelvs knap praefereerde”. Geen wonder dat het gemaal voor het bier de provincie in 1767 nog maar 51.000 gulden opbracht, waar dat vijf jaar eerder nog 61.000 gulden was geweest.

Blijkbaar stelden de brouwers in het overleg met de commissie voor, de imposten voor gerste-en weitemout met 12 stuivers per mud te verminderen en die voor havermout met 6. De commissie stelde dat dit de provincie hiermee weliswaar 17.000 gulden per jaar aan inkomsten zou derven, maar dat dit verlies mogelijk zou worden goedgemaakt doordat de brouwers dan wellicht weer een groter aantal mudden zouden aangeven. De provinciale Landdag zou deze stimulerende maatregel op proef kunnen aannemen.

Alleen pleitte daar ook veel tegen. Zo achtte de commissie de voorstelling van zaken, als zou de brouwersnering voornamelijk achteruit zijn gegaan vanwege de belasting, “ten eenemaal abusijf”. De impost op het mout was namelijk in 1716 voor het laatst verhoogd en sindsdien altijd gelijk gebleven. In Holland, waar die impost niet bestond, was het aantal brouwerijen in die periode eveneens sterk gekrompen. Het verval van de brouwersnering kon volgens de commissie dan ook

“nergens anders aan toegeschreven worden als aan een al te groot aantal van brouwers die nog in wesen sijn en hare brouwerijen gedenken voort te setten, niet tegenstaande de sterke consumtie van coffij, thee, wijnen en gedistilleerde wateren tijdelijks toeneemd en het debijt en vertier van de bieren nootsaakelijk doet verminderen…”

De provincie kon niet voor dat verval opdraaien. Aan brouwers stond het vrij om een andere kostwinning te kiezen, zoals dat ook in Holland en elders gebeurde. Om koffie en thee zwaarder te belasten, wat de brouwers eveneens voorstelden, zou een onvoorzichtige stap zijn, juist omdat de inkomsten daaruit voor de provincie nu zozeer van belang waren dat ze niet in gevaar moesten worden gebracht. Verlaging van de impost op mout was evenmin raadzaam, omdat de inkomsten van de provincie al achteruitgingen, terwijl de uitgaven vermeerderden. Ook betekende een concessie aan de brouwers dat de provincie andere belastingplichtigen eveneens tegemoet moest komen. De provincie zou haar zaken dan helemaal niet meer op orde hebben.

Uiteindelijk kwam de commissie in haar stuk niet tot een advies, en liet ze de zaak aan de Staten over. De heren van de Stad en de stadsjurisdicties, die veel meer belang bij de brouwerijen hadden, wilden nog wel graag doorpraten over het rapport. Die van de drie Ommelanden, waar met uitzondering van Appingedam geen brouwerij bestond, waren echter vastberaden – zij wezen het verzoek van de brouwers af. En omdat de Staten verdeeld waren, werd de kwestie van de agenda gevoerd. De brouwers konden dus fluiten naar hun begeerde lastenverlichting.

Bronnen: RHC Groninger Archieven, Toegang 1 (archief Staten van Stad & Lande) inv.nrs 58 en 59 (resoluties Landdag) en 457 (rekesten in originali).

 


‘Het getal misdrijven is dan ook zeer gering’

“Van de stedelijke policie te Groningen mag met lof gewag gemaakt worden. Aan het hoofd van dezelve zijn twee commissarissen geplaatst; zij bestaat overigens uit 3 agenten van de eerste, 6 van de tweede, 6 van de derde, 54 van de vierde en 12 van de vijfde klasse. Volgens het rapport daaromtrent op het einde van het jaar 1850, door den eersten commissaris van policie gedaan, beijvert het personeel dier policie zich meer en meer om aan deszelfs roeping te voldoen. Het getal misdrijven, binnen deze stad gepleegd wordende, is dan ook zeer gering, hetgeen voor een goed deel aan de waakzaamheid der policie mag worden toegeschreven.

De toestand der policie in de gemeenten ten plattenlande mag niet voldoende genoemd worden. In de meeste gemeenten wordt dezelve onder de leiding van het hoofd des bestuurs (= de Burgemeester, HP) uitgeoefend door slechts eenen enkelen veldwachter. In sommige gemeenten als Appingedam, Bedum, Beerta, Delfzijl, Nieuwe Pekela, Termunten, Uithuizermeeden, Veendam, Vlagtwedde, Winschoten en ’t Zand zijn twee veldwachters aanwezig en in de gemeenten Hoogezand, Scheemda, Slochteren en Wildervank bevinden zich 3 veldwachters. De ontoereikendheid dezer policie wordt door vele plaatselijke besturen erkend, doch omstandigheden van financiëlen aard staan veeltijds eene gewenschte uitbreiding daarvan in den weg.”

Bron: Verslag toestand provincie over 1850, hoofdstuk Openbare veiligheid, in: Groninger Courant 29 juli 1851.

Commentaar: Met een corpssterkte van 83 manschappen in de stad met zijn 33.643 inwoners (volgens de Volkstelling van 1849), was er in de stad op elke 405 inwoners 1 politieman. Op het platteland moet die verdeling inderdaad heel wat dunner geweest zijn. Hier hadden bijna alleen stedelijke kernen (Appingedam, Winschoten), de grotere Veenkoloniën (Hoogezand, Veendam-Wildervank, Nieuwe Pekela) en akkerbouwgemeenten met enerzijds een rijke elite en anderzijds een grote arbeidersbevolking (Uithuizermeeden, Scheemda, Beerta) een meerkoppige politiemacht.


Paviljoentje Groningen helpt Thai Binh

In de jaren 70 koesterde Groningen een speciale (steden)band met het Viêtnamese Thai Binh. Zo werd voor de Zomermanifestatie van 1973 dit paviljoentje ontworpen op Academie Minerva:

DSC06655

DSC06657

Bron.