Bakstenen, drielingen en plavuizen – een steenkopersrekening voor een nieuwbouwhuis

In 1621 hadden de houtzager Harmen Grotijn en vrouw uit de Butjesstraat duidelijk verhuisplannen. Ze tekenden een schuldbrief aan de steenkoper Bartolomeus Fraterman en vrouw voor 228 daalder (342 gulden) wegens bouwmateriaal, door Fraterman geleverd:

  • 15.000 grote bakstenen,
  • 10.000 drielingen,
  • 3000 pannen,
  • 1000 “blaeuwvuisers vloersteenen” (plavuizen)

Dit materiaal was bestemd voor een huis dat Grotijn en vrouw binnenkort buiten de Oude Ebbingepoort, dus in de nieuwe noordelijke stadsuitleg, wilden gaan bouwen. Ze hadden hier al een stuk bouwgrond in erfpacht verworven.

De nota van de steenkoper vormde uiteraard slechts een deel van de bouwkosten, er kwam nog een rekening van de houtkoper wegens hout en een van de ijzerkoper wegens het hang- en sluitwerk overheen en vooral niet te vergeten nog die wegens de arbeidslonen van timmerlui en metselaars. Laten we zeggen dat de totale bouwkosten minstens 500 gulden bedroegen. Dan was dit toch wel een middenstandswoning. Arbeiderswoningen deden nog niet de helft.

Ik stuitte toevallig op de nota bij het doornemen van de nieuwe toegang die Sebo Abels heeft gemaakt op stad-Groninger verzegelingen uit de zeventiende eeuw. Zoeken op de trefwoorden ‘bakstenen’, ‘drielingen’ en ‘vloer’ leverde helaas geen equivalent op.

De eigenlijke bron: RHC Groninger Archieven, (op microfiche) Rechterlijke Archieven III x deel 4 fol. 426 d.d. 16 maart 1621.

Advertenties

Groninger jood was Gronings, Friese jood was Fries

Folkingestraat voor de oorlog.

Het provinciale Jodendom, zo karakteristiek als het was, heeft slechts een enkele maal een penvoerder gevonden, die het geschilderd heeft in zijn samenhang met zijn omgeving, in zijn aangepastheid, die toch zulk een schat van innige Joodsheid overliet. Ook hier is iets onherstelbaars verloren gegaan.(…) Wat een typen, wat een variaties! Verdwenen zij.

De onmiddellijk herkenbare Groninger Jid, die souverein heerste in zijn gebied in zijn vrolijke, levendige Folkingestraat. Lezer, ga niet naar de Folkingestraat. Het is een gore, droeve, neerdrukkende achterbuurt geworden.

De Jood uit de veenkoloniën, slagerveehandelaar, niet bang voor, noch afkerig van een fiks vechtpartijtje, die Grönnegs sprak in onvervalst dialect, echt van kleur en klank, waarin toch de Joodse bewogenheid telkens weer doorbrak.

De Limburger Jood, waarschijnlijk de meest geassimileerde en meest aangepaste van Nederland, die naar sjoel ging en daarna desgewenst een kaarsje voor het raam plaatste ter ere van een voorbijtrekkende processie. Joutse für Gott und für die Leute.

De Brabander, gul en gemoedelijk, met zijn Zuid-Nederlands „hebdege en bendege“, met zijn genoegelijke levensblijheid, gemakkelijke levensopvatting, met zijn gulle eenvoudige gastvrijheid.

De Friese Jood, zo oer-Joods gebleven, en toch zo vergroeid met zijn omgeving, dat hij Fries of Leeuwardens sprak als ware het Losjoun hakoudesj. En die zelfs als hij opgeroepen werd in de Beroche de Friese “G” niet overwinnen kon, asjer bokar bonoe. Ach, hoe eenzaam is de Put, dit Rapenburg van het Noorden. Me-ein jousjeiw. Geen vrolijke groep jongeren host meer door de buurt, op de avond van uitgaande Pesach op de melodie van het lied „Chomeitsdikke sterren“. Slechts de grote, onbeschadigde Leeuwarder Sjoel — eens hun trots en glorie — staart weemoedig-statig naar de leegte. Oj, mee haja lanoe!

Bron: Nieuw Israëlitisch Weekblad 15 juli 1949.


‘Feithhuis veel te goed voor Arbeidsbeurs’

Jhr Johan Adriaan Feith. Foto (ingekleurd): Pictorescue (Flickr cc.)

Eind januari 1913 werd hij op een avond dood achter zijn bureau in het Rijksarchief aangetroffen: Johan Adriaan Feith, de Groninger Rijksarchivaris; tevens oprichter en hoofdredacteur van de Groninger Volksalmanak en stichter en directeur-conservator van ’t Groninger Museum. Nog geen twee jaar later sloten zijn erven een koopovereenkomst met de gemeente Groningen. De gemeente kocht wijlen Feiths herenhuis met tuin, koetshuis en stalling aan het Martinikerkhof zuidzijde, een vastgoedcomplex dat we nu, ruim honderd jaar later, kennen als het Feithhuis.

Merkwaardig genoeg leidde overeenkomst tot kritische geluiden in de Provinciale Drentsche en Asser Courant. De Groninger correspondent van dat blad hekelde de voortdurende sloop en modernisering van fraaie panden in de stad Groningen tot winkels en magazijnen. Zo waren onder andere “Het huis met de draken” en “Het huis met den schoonen gevel” verdwenen, verwinkeld en/of onherkenbaar “gerestaureerd”. Vroeger kocht de gemeente meestal percelen zonder esthetische waarde waar niets aan verloren kon gaan, aldus de correspondent –

“Ditmaal echter viel het oog van ‘t gemeentebestuur op de deftige heerenbehuizing van wijlen jhr. Feith, te voren bewoond door jhr. Quintus, een bekende persoonlijkheid voor Groningers van ouderen datum. En met welk doel is nu deze voorname, patricische woning door de gemeente aangekocht ? Om ingericht te worden voor Arbeidsbeurs…”

De Arbeidsbeurs (later het Arbeidsbureau) moest namelijk per 1 mei 1916 uit een pand in de Folkingestraat verhuizen en dus elders worden ondergebracht. De Folkingestraat – dat was destijds de jodenbuurt. Met een nauw verholen antisemitische ondertoon vond de correspondent het een hele promotie voor die Arbeidsbeurs,

“om uit de Folkingestraat, de klassieke sinaasappel-, kokeloko-, augurken- en sausemangel-buurt, maar zoo overgeplaatst te worden naar een prachtige heerenbehuizing aan ’t Martini-Kerkhof, achtereenvolgens door verschillende adellijke familiën bewoond !”

Hij noemde zich een democraat en erkende volmondig het nut en de onmisbaarheid van de Arbeidsbeurs, maar de gemeente had voor dit doel veel beter een blok met krotten op kunnen kopen, vond de man.

“Want waarom zou voor een instelling van practischen, zakelijken aard een weelderig onderdak noodig zijn ? Nu zeiden B. en W. in hun voordracht wel dat het huis aan ’t Martini-Kerkhof geen verbouwing van eenige beteekenis hoeft te ondergaan om het voor een Arbeidsbeurs geschikt te maken, doch mettertijd, wanneer ook eenmaal andere gemeente-bureaux in het nieuwe perceel gevestigd worden – en dat ligt in ’t plan van de heeren – krijgt men er een samenstel van kantoren en zal ’t ongetwijfeld op een wegbreken en roppen gaan, zoodra de verschillende ‘takken van dienst’ dat wenschelijk doen schijnen.

Gelukkig hebben de erven Feith dit gevaar voorzien en althans voor een deel tegen omverwerping van het inwendige gebouw gewaakt, namelijk door te bepalen dat de geheele antieke betimmering alsmede het plafond in de achtersuite-kamer en de schoorsteenmantel in de oostelijke bovenvoorkamer niet bij den verkoop inbegrepen zijn.”

Voordat de gemeentelijke vandalen hun gang mochten gaan, haalden de erven Feith dus liever zelf de belangrijkste cultuurhistorische zaken uit het pand ! De prachtige schouw ging naar het Groninger Museum, dat zijn oprichter Feith naderhand eerde met een borstbeeld.

Hoe het de correspondent van de Drentsche en Asser te moede zou zijn, als hij nu nog eens het Feithhuis zou kunnen aanschouwen, laat zich raden.

Bron: PDAC 11.12.1915.


De Deventer almanak voor het jaar 1568

In deze tijd van het jaar hadden zwervende omlopers altijd een mooie bijverdienste aan de verkoop van almanakjes.

Groningen kreeg pas laat een eigen almanak en dan was het nog slechts een comptoirsalmanak. In de zestiende eeuw moest zulke waar nog uit Deventer en Kampen komen. Dit is een Deventer exemplaar uit het jaar 1568:

Met een uitleg van de waterstanden:

Een figuur van de invloed die de maan en de verschillende hemeltekens op het menselijk lichaam uitoefenen, ook heel handig als je een aderlating moest ondergaan:

En de met astrologisch jargon opgepropte jaarvoorspelling door dr. Ambrosius Magirus, die in zijn 53ste levensjaar overigens sterk op een Talibanstrijder leek:

Bron: RHC Groninger Archieven 1769-18812.1568.


Hoe de Stad 300 jaar geleden wakker werd en een wekenlange hulpoperatie begon

Het was dan op den morgen van gemelden dag (26 december 1717, HP) dat het water in en door de dijken een vrijen ingang kreeg tot deze provincie, en reeds tegen den middag zag men het voor de poorten van Groningen. Zóó van oogenblik tot oogenblik hooger stijgende, stond het des avonds te 7 uur op verscheidene plaatsen in die stad eenige voeten hoog in de straten, zoodat alsnu vele menschen, vooral bij de Steentilpoort, genoodzaakt waren op de zolders of bovenkamers te vlugten, aangezien het water ter kniehoogte door deze poort werd voortgestuwd. Zoo stond b.v. bij eene herberg, het Raadhuis van Emden genoemd (aan het binnen-Damsterdiep nz., HP), het water dusdanig hoog, dat de trekschuiten daar voor de deur op de stoep aanlegden.

Toen de regering van Groningen den nood der omliggende plaatsen, vooral dien van het Hunsingo- en Fivelingokwartier, ontwaarde, werden al de trekschuiten en andere aanwezige vaartuigen met de noodige manschappen, geprest , om met brood , bier, versch water enz. voorzien, de op de zolders, hooi en stroo zittende noodlijdenden van de noodigste behoeften te voorzien. Aldus was men nagenoeg veertien dagen bezig met het aanhalen van menschen, beesten, huisraad en voeder. De prinsenstal, de ruiterwacht , ja zelfs het akademiegebouw werden, benevens de partikuliere paardenstallen en koetshuizen, tot stalling der geredde beesten gebruikt.

Bron: A. Smith, Geschiedenis der provincie Groningen (Groningen 1849) 298. Eromheen staat het hele, compacte verhaal van wat de Kerstvloed in de provincie Stad en Lande aanrichtte.


Hoe Hitlers Mercedes in Groningen belandde en weer uit de Stad verdween

De gele 8-cylinder aan het Zuiderdiep tegenover de Munnekeholm. Parool 1 juli 1947.

Nooit en te nimmer zou ik het bericht gevonden hebben, ware het niet dat Simon Carmiggelt het even aanstipte in zijn ‘Kronkel’ van 25 juli 1947. Eind die week ging in Amsterdam namelijk de Charlie Chaplin-film The Great Dictator in Nederlandse première en om daarvoor reclame te maken, werd een bijzondere bolide ingezet. Carmiggelt:

“Een meneer, verkleed als Charley en twee andere meneren, verkleed als Duitse soldaten, zullen dan door de hoofdstad rijden in…… de echte, authentieke auto van Hitler, die, zoals men weet, door een Groninger in Duitsland is opgekocht en voor een paar dagen aan deze reclamestunt wordt afgestaan.”

Vervolgens ga je dan natuurlijk voor de meest uitgebreide verslaggeving omtrent deze auto eerst op zoek in de digitale leggers van de lokale krant. Maar het nog maar pas een jaar weer verschijnende Nieuwsblad van het Noorden wilde de vingers er niet aan branden, of zijn redactie geloofde er niet zo heel erg in, want het blad bevatte destijds tittel noch jota over deze voor Groningen toch zeer belangwekkende verwerving. Ook veel andere, landelijk bekende kranten besteedden er geen aandacht aan. Carmiggelts eigen Parool daarentegen, had wèl een bericht, te weten op 1 juli van dat jaar 1947 onder de kop “Hitler’s auto belandt in Groningen”:

“(Van onze correspondent). GRONINGEN — Aan het Zuiderdiep in Groningen staat sedert enkele dagen een opvallende auto, een enorme gele Mercedes Benz. Deze acht-cylinder behoorde eens aan de Führer van het „groot- Duitse Rijk”.

ledereen herinnert zich nog wel de foto’s, waarop de Führer was afgebeeld tijdens zijn zegetochten door Berlijn, staande in zijn zevenpersoons auto. Hoe hij daar precies stond, vertelt het opklapbare bankje, dat naast de chauffeursplaats is aangebracht, en dat met de op de treeplank bevestigde Stiefelstreicher, waaraan de Führer zijn laarzen afstreek als hij weer een parade had afgenomen, een van de curiositeiten vormt aan dit vehikel (… )

Uit papieren, die in het bezit zijn van de tegenwoordige eigenaar blijkt, dat de wagen, die het bouwjaar 1935 draagt, na de capitulatie werd aangetroffen in een dump aan de weg van Augsburg naar Donauwerth. De Amerikanen wilden hem als souvenir mee naar huis nemen, maar toen dit onmogelijk bleek, deden zij hem cadeau aan een Nederlands verbindingsofficier.”

Via-via kwam de wagen bij Mulder in Groningen terecht, de eigenaar van een autosloperij, die, aldus het Paroolbericht,

“overigens allerminst van plan is de wagen te gaan slopen: „Hij rijdt prachtig, er zijn heel wat kopers voor, maar zo’n exemplaar vind ik vandaag de dag nergens meer.”

Zo staat dan Hitler’s Mercedes in Groningen aan het Zuiderdiep. De radio in de wagen speelt Engelse dansmuziek.”

Pas ruim een kwarteeuw later, op 25 januari 1973, haalde deze staatsiewagen van Duitslands dictator de kolommen van het Nieuwsblad van het Noorden onder de kop “Een van Hitler’s Mercedessen stond heus op het Zuiderdiep”. Naar aanleiding van de verkoop van een valse Hitlerauto in de VS voor het astronomische bedrag van 153.000 dollar, meldden autosloper Mulder en zijn broer zich toen bij het Nieuwsblad, met de suggestie dat de papieren bij die Amerikaanse vervalsing wel eens bij hun Hitler-auto zouden kunnen hebben gehoord. Hun wagen, vertelden ze, hadden ze in 1947 “voor het destijds toch wel grote bedrag van ƒ 7500” gekocht:

“De heer Mulder die nu in Delfzijl woont en zijn broer uit Oosterhogebrug kwamen prompt met allerlei materiaal aandragen, waaronder de foto op het Zuiderdiep (voor het pand nr. 139, de Scheepshypotheekbank (…):

De Mercedes voor de Scheepshypotheekbank aan ’t Zuiderdiep, 1947.

“De gebroeders Mulder geloven niet in het bestaan van hele series Hitlerauto’s die overal ter wereld opduiken, maar ze zijn er wel van overtuigd dat hun wagen een van de twee of drie is geweest waarmee Hitler in zijn opkomsttijd rondtoerde.

Want ook deze Mercedes is zwaar (volgetankt drie ton), had allerlei snufjes, waaronder ook het bekende uitklapbare voetenbankje met aluminium strips waarop de Führer kon staan. Ook deze wagen had een enorme benzinetank en het ding verbruikte een liter benzine op de 2 kilometer.

„Ontzettend jammer” vertelde me de heer Mulder uit Oosterhogebrug „dat de papieren gestolen zijn want we hadden er allerlei fraaie, ontstellend grote vellen bij met allerlei handtekeningen en lakzeges. Maar we waren destijds nogal nonchalant, we zagen de waarde van zo’n auto toen nog niet — de reden misschien ook waarom we de carrosserie er afsloopten en er een stationcar van maakten.”

Deze naderhand betreurde ombouw vond plaats bij het nu nog steeds bestaande carrosseriebedijf Luchtenberg in Uithuizen. Vervolgens verkochten de gebroeders Mulder de wagen aan een Amsterdammer, die hem weer van de hand deed aan het rondreizende accordeongezelschap van Jan Vogel.

„We hebben er nooit de topsnelheid mee gereden”, vertellen de gebroeders Mulder me nog, „maar hij haalde natuurlijk met gemak de 120 kilometer.”

De Nieuwblad-verlaggever vond de wagen, “in een donkerbeige kleur met diepbruine spatborden” inderdaad bijzonder veel lijken op een plaatje in een fotoboek over Hitler dat de Mulders hem toonden:

“De spatschermen kunnen voor opzij gewijzigd zijn door losse zijstukken die er aan geklonken kunnen zijn en het is ook mogelijk dat de fabriek er andere, betere spatschermen aan zette dan die op de foto uit het boek.

Jammer dot er van de wagen niets meer te vinden is, want zelfs een Zweedse filmmaatschappij die later nog in Groningen op zoek is geweest kon de gesloopte stukken niet meer achterhalen.

Maar één ding is zeker: de wagen heeft, zij het niet onder het veronderstelde nummer, tijdenlang op het Zuiderdiep in Groningen gestaan.“

Uiteraard heb ik nog even gekeken in de Kentekendatabank van de Groninger Archieven. Het kenteken dat de auto op de Nieuwsblad-foto voerde, A-21988, bleek in 1948 te zitten op een Jeep in het bezit van de autohandelaar Remko Mulder. Onze man, maar niet de wagen! Maar getuige de foto van die Jeep zat dat kenteken los gemonteerd voor de voorruit, en niet op de geëigende plek voor de bumper. Ook was dat kenteken al in 1933 geregistreerd door Mulder, toen nog aan het Schuitendiep, terwijl dergelijke Jeeps – mijn opa had er ook een – hier pas in het land kwamen met de Geallieerden. Ik neem dan ook aan dat Mulder en zijn broer dit kenteken voor steeds weer een andere auto in hun handel gebruikten. Waarschijnlijk is het echte nummer van de Groninger Hitler-Mercedes A-38801 geweest, welk nummerbord voor autosloper Remko Mulder, inmiddels aan het Zuiderdiep, geregistreerd werd op 19 mei 1947.

Oproep:
Mensen met de veel voorkomende familienaam Mulder zijn uiteraard moeilijk op te sporen. Vandaar deze oproep: wie weet waar de nazaten van de gebr. Mulder wonen? Mogelijk hebben die de originele foto’s nog in hun bezit en weten ze nog wat meer te vertellen over deze auto.


De dienstmeid die van de Oosterpoort sprong

img006

Tekening: Willeke Hielkema

Op zaterdag 2 oktober 1773, ’s avonds tussen half negen en negen uur, vond in de onmiddellijke nabijheid van de toenmalige Oosterpoort een gevalletje plaats, dat in de dagen, weken en maanden erna menigmaal onderwerp van stadjersgesprek moet zijn geweest. Wypke Jans, een uit het Oldenburgerland afkomstige dienstmaagd van negentien lentes die buiten de Oosterpoort bij de weduwe Elsje woonde en werkte, was van de bijna tien meter hoge wal boven de Oosterpoort afgesprongen nadat ze zou zijn aangerand.

Wypke werd eerst opgevangen bij de poortier van de Oosterpoort, die haar later die avond overbracht naar het huis van de smid Simon Wonderlijck aan de Vismarkt. Tegen Leininga en Wonderlijck klaagde ze

“dat zij om haar eer en leven te behouden, wegens twee militaire perzoonen was genoodzaakt geweest om van boven de Oosterpoort te springen.”

In het smidshuis werd Wypke onderzocht door een chirurgijn, die beroepshalve verplicht was de heren van het stadsbestuur in te lichten over alle in zijn praktijk voorkomende “wondingen” die aanleiding zouden kunnen geven tot gerechtelijke procedures. Deze chirurgijn, Dithmar, vond bij haar een “vulnus op het frons” en “een verlamming in de benen”.

Wypkes toestand zou maandenlang zorgwekkend blijven. Men twijfelde of ze wel kon getuigen en of men haar kon confronteren met de verdachten. Daarom waren er steeds nieuwe attesten van praktisch èn academisch geschoolde medici nodig, ook over haar geestelijke toestand. Toch kon en durfde ze haar aanklacht te herhalen, ook in het gezicht van degenen die zij als schuldigen aanwees.

Maar terug aan het werk bij haar broodvrouw kon ze niet. Smid Wonderlijck werd de verpleging in januari 1774 wat teveel. Hij klaagde bij het stadsbestuur dat Wypke sinds haar val “in een zeer bedroefde staat” was geweest “en daarom veel dienst noodig heeft”, zorg die hij “als een vervallen burger niet in staat is te kunnen dragen”. Hij verzocht de heren derhalve om een schadeloosstelling.

Het stadsbestuur verwees hem daarvoor naar de diakonie van het Lutherse kerkge-nootschap waartoe Wypke en hij behoorden, welk armenfonds gemachtigd werd om voorlopig, hangende het vonnis in het strafproces, in Wypkes levensonderhoud te voorzien.

Maar Wypke wachtte de sententie over haar belagers niet af. Op 6 maart 1774 was haar toestand blijkbaar zover verbeterd, dat ze weer kon reizen. Die dag verzocht ze de lutherse kerkeraad namelijk om “scheepsreysgelt”. Ze kreeg vier gulden, wat ruim voldoende moet zijn geweest voor de thuisreis naar het Oldenburgse. De desbetreffende aantekening in de lutherse kerk- en armenrekening is het laatste levensteken dat we van haar hebben.

Tot zover het slachtoffer, nu de beide verdachten en hun proces, met de aantekening dat er van dat proces geen verhoren bewaard zijn gebleven, zodat ons het zicht op de gebeurtenissen grotendeels benomen wordt, terwijl we de procedure wel van buitenaf kunnen volgen.

Op maandag 4 oktober 1773, nadat chirurgijn Dithmar de “wondcedel” in het stadhuis had afgegeven, waarin hij meldde dat Wypke “naar haar voorgeven” op de wal door twee soldaten was “aangetast”, droegen Burgemeesteren en Raad hun fiscaal (aanklager) op de zaak “ten spoedigsten” in onderzoek te nemen. De fiscaal nam twee dagen later in de smederij van Wonderlijck vier getuigeverklaringen op, waaronder één van poortier Leininga en een ander van Elsje, de kostbazin van Wypke.

Weer een dag later, op 7 oktober, besloten het stadsbestuur deze verklaringen aan de commandant van het garnizoen te doen toekomen, “met ernstig verzoek dat hierop nauwkeurig mag worden geïnquireert en na vereisch van zaken gedisponeert”. De bevelhebber begreep de wenk van de magistraat en gaf bevel de soldaten Johan Thijs Kütsche (26) en Jan Berents Witten (20), beiden net als Wypke van Duitse komaf en beiden behorende tot dezelfde compagnie, in de boeien te slaan en naar de provoost (de militaire gevangenis) over te brengen.

Op 14 oktober boog de Krijgsraad zich voor het eerst over de zaak. Na voorlezing van de getuigeverklaringen en twee medische attesten, kwam men tot de conclusie dat Kütsche en Witten “onder merkelijke suspicie” lagen “zig aan verregaande malversatiën te hebben schuldig gemaakt”. De auditeur-militair kreeg opdracht beide soldaten te horen, bovengenoemde burgergetuigen hun verklaringen onder ede te laten bevestigen, en nog een viertal soldaten en één soldatenvrouw onder ede te horen.

Deze vier soldaten – Schuins, Jonk, Nykel en Deusenbach – moeten zich na de arrestatie van Kütsche en Witten hebben aangemeld bij de auditeur; ze behoorden tot hetzelfde bataljon als de verdachten en naar later zou blijken, verklaarden ze heel anders dan de burgergetuigen. En ook al omdat een van de burgergetuigen niet meer te traceren viel, besloot de Krijgsraad begin november Wypke Jans zelf, twee moeskerszonen van de Oosterweg en nog iemand als extra getuigen te laten oproepen.

Was Wypke toen alweer voldoende bij haar positieven om een verklaring af te kunnen leggen, één van beide verdachten verkeerde op dat moment in een crisis. De kapitein-geweldige, de hoofdbewaarder van de geweldige provoost, rapporteerde de Krijgsraad, namelijk dat Jan Berents Witten “aan geduirige flauwten en toevallen onderhevig was” en niet zonder werkelijke zorg vast kon blijven zitten, zodat er regelmatig iemand bij hem geplaatst moest worden “tot voorkoming van ongelukken”. En omdat de kapitein-geweldige zelf met een van zijn stokknechten naar Coevorden moest om een gevangene weg te brengen, waardoor er nog maar één knecht in de provoost overbleef, die ook nog eens op andere gevangenen moest passen, mocht de kapitein-geweldige gedurende zijn Drentse reis “een vertrouwt persoon soo min moogelijk kostbaar” aanstellen als ziekenoppasser bij Witten.

Op 27 november bekeek de Krijgsraad nog eens al het ingezamelde materiaal, hetgeen zoveel vragen opriep, dat andermaal twee burgers en één militair een oproep kregen om onder ede getuigenis te geven.

Op 13 december besloot de Krijgsraad dat het tijd werd om de belangrijkste getuigen te confronteren met de verdachten. Veertien dagen later liet ze wederom drie burgers oproepen  “tot naadere elucidatie en ontdekkingen der waarheid”. Een van hem was de weversknecht Jan Harms, die in januari 1774 “over een en ander omstandigheidt” geconfronteerd werd met beide gevangenen. Naar aanlei¼ding van dit verhoor was het, dat de soldaten Schuins, Jonk, Nykel en Deusenbach andermaal onder ede aan de tand werden gevoeld over hun eerdere verklaringen. Kennelijk zat er rek in.

In februari meldde een van de leden van de Krijgsraad dat luitenant Kamphuis tegen hem gezegd had “dat als hij een soopje wegens het voorgevallene met Wypke Jans konde krijgen, dan niet soude klaagen”. De luitenant wilde voor een borrel dus misschien wel uit de school klappen, maar of hij dat ook werkelijk deed?

Eind februari was de Krijgsraad zover dat ze de zaak wilde afronden. Nog in geen twee zittingen konden de verhoren en andere stukken worden voorgelezen – zo dik was de stapel paperassen intussen geworden. En nog kwam men kwam er niet uit. Bij twee rechtsgeleerden van naam werd advies ingewonnen. Pas nadat dit binnen¼kwam, begin april 1774 – Wypke was toen al vertrokken – werd er unaniem een vonnis opgesteld.

Nou konden vonnissen door de Krijgsraad pas worden uitgesproken nadat de stadhouder er zijn goedkeuring aan had gehecht. Maar bij het Hof in ’s Gravenhage had men toch wel enige bedenkingen tegen de slotsom van de Krijgsraad, want de secretaris van de prins vroeg eerst om de soldaten Schuins, Jonk, Nykel en Deusenbach nog eens met elkaar te confronteren, en naderhand om hen nog maar eens tegenover de weversknecht Jan Harms te zetten. De laatste wist blijkbaar waarom het viertal varieerde in zijn uitlatingen.

Pas op 7 juli 1774, negen maanden na de sprong van Wypke Jans en vier maanden na haar vertrek uit de Stad, kon de Krijgsraad dan eindelijk uitspraak doen. Die luidde dat Kütche en Witten, ondanks de “sterke praesumptiën” dat ze Wypke gedwongen hadden tot “een zeer gevaarlijke sprong of val” van de Oosterpoort, “op gronden van het regtelijk beweesene alibi”, dat door vier getuigen (dwz de maten Schuins, Jonk, Nykel en Deusenbach) was bevestigd, “geheel geënerveert en gezuivert” en daarmee vrijgesproken waren.

Harry Perton

Dit verhaal verscheen eerder in iets andere vorm in De Oosterpoorter van november 1995.