Over de familienaam Tillema

Bij een Twittergesprek over oude tilnamen, kwam CC namens Delpher aan met een knipsel uit het Nieuwsblad van het Noorden de dato 2 april 1930:

Bij Warffum had je dus een ‘Pietstil’ en volgens de krant was die naam afkomstig van een Piet Sikkes Tillema, die rond 1880 in een boerderijtje bij de brug zou hebben gewoond.

Die brug, bleek al gauw, bestaat nog steeds en ligt vlakbij Onderdendam in de weg naar Winsum over het Warffumerdiep. Alleen heeft een Piet Sikkes Tillema nooit bestaan. Waarschijnlijk ging het om een Pieter Sikkes Woest, die er rond 1800 met vrouw en kinderen woonde. Juist in die tijd wordt de tilnaam, naar het zich laat aanzien, ook voor het eerst genoemd.

Maar Woest is geen Tillema, en een goed deel van het stukje kan je daarmee afdoen als speculatief: de vermoede samenhang tussen familienaam en til bestond immers niet.

Wel echter, is er in het algemeen iets te zeggen over de familienaam Tillema in samenhang met tillen. Volgens de telefoonboeken van 2007 is die familienaam typisch noordelijk. Vooral in enkele Groninger gemeenten komt hij veel voor:

Bij de Volkstelling van 1947, toen veel familienamen nog lang niet zo waren uitgezwermd als in 2007, bleek de familienaam Tillema zelfs typisch Gronings:

Maar liefst 295 van de 480 gezinshoofden die destijds de familienaam Tillema droegen, oftewel 61,5 %, woonden in Groningen. De provincies Zuid- en Noord-Holland volgden met 10 à 11 % en Friesland met een schamele 6,7 %. Schamel, omdat ook in Friesland menige brug een til werd genoemd. Buiten Groningen en Friesland gebeurde dat nauwerlijks.

De oudste naamdragers landelijk woonden volgens WieWasWie ook in Friesland: tussen Leeuwarden (1638) en Achtkarspelen (1783) komen alleen wat meldingen uit Harderwijk voor. De eerste Groningers met de achternaam Tillema dienden zich, als we afgaan op Alle Groningers, pas daarna aan: in 1797 te Uithuizen), in 1803 in de Stad Groningen, in 1807 in Hoogezand en Kropswolde en in 1811 te Winsum, Loppersum en Zuidhorn.

Groningen had dus niet de oudste Tillema’s, maar de familienaam kreeg hier in het tijdperk van de burgerlijke stand, na 1811, wel de allergrootste verspreiding. Waar de naam zich concentreerde, is mooi te zien als je de heatmap-functie van Alle Groningers aanzet:

Het Noorden van Hunsingo, globaal tussen Winsum en Uithuizen, is het gebied waar je de Tillema”s vooral kon vinden en verder waren er clusters in de Oude Veenkoloniën ten zuiden van het Winschoterdiep. Waarschijnlijk ging het om meerdere families, die gemeen hadden dat ze rond 1811, toen het nemen van een familienaam verplicht werd, in de buurt van een til woonden. Dit zullen mogelijk ook de gebieden zijn geweest waar de term til voor een boogbrug of hoogholt met een ‘opgetild’ brugdek hoog boven water, het meest in zwang was.


Palleraksie enz.

Op een vrij recente veldnamenkaart van Terheijl en omgeving vinden we aan de zuidkant, bij de Scheperij (zie rode pijl), de veldnaam Palleraktie:

Ook Wieringa noteerde deze al, ca. 1970 , zij het als Palleraksie met een s in plaats van de t (bron Hisgis):

Hisgis ‘entte’ Wieringa’s veldnamen op de oudste kadasterkaart, van ca. 1833. De blauwe kleur van het bedoelde perceel staat voor “vijver als bouwgrond”, iets waar ik me maar weinig bij kan voorstellen.

Palleraktie ken ik uit mijn jonge jaren als streektaalwoord, uitsluitend gebruikt door een oudere generatie. Mijn associatie is nu: een rotzooitje,  maar klopt dat ook?

Met die t-spelling levert het weinig op. Maar als palleraksie is het allereerst te vinden in een agronomische woordenlijst van Theodorus van Swinderen uit 1826. Palder staat volgens deze Groninger hoogleraar voor “een laag moerassig stuk grond”. Dat past dan mooi bij die kleur blauw van HisGis – met zulk land  kon als ambitieuze landbouwer weinig uitrichten.

Molema’s Drentse woordenboek uit 1889 meldt onder paldert: “poel, stilstaand water”. Bij dit lemma maakt Molema een uitstapje naar het ’t Oostfries, waarin paller, pallerd en pallert staan voor “moeras, moerassige ofschoon met gras begroeide laagte”. Volgens Molema is het verwant aan het Latijnse palus voor “moeras, broekland”.

Het Drents Woordenboek van Hadderingh en Veenstra (1979), dat palleraktie spelt als  palleraksie en balderaktie, definieert het dan ook als onland, wildernis en rommel, terwijl pallert er staat voor een ’s winters ondergelopen stuk in met name een heideveld..

Zoals al blijkt uit de excursies van Molema is het woord zeker niet exclusief Drents. Diens wat eerder verschenen Groninger Woordenboek (1887) geeft palteraksie, wat staat voor “een hoop goed van weinig waarde, lappen, vodden, versleten kleeren,

Het Nieuw Groninger Woordenboek van Ter Laan (1953) tot slot, situeert palleraksie op het Hoogeland, terwijl de dominante spellingen wat verderop in Groningerland palteraksie en palternaksie lijken. Ter Laan definieert ze als: wildernis, zootje, rommel, morsige boel en mengelmoes.

Zo heel veel zat ik er dus niet naast met mijn rotzooitje. Overigens lijkt de betekenis van palleraksie in de loop der tijd te verschuiven van een natuurlijk naar een cultureel fenomeen.


Roomstra’s kwamen van Rome

Grappig, de kinderen uit de familie Hendrik Heines die van 1799 tot 1814 de boerderij Rome of Romen bij Ter Heijl bewoonde, namen naderhand, voor zover bekend, allemaal de familienaam Roomstra aan.

Rome(n) moet destijds overigens een vrij kleine boerderij geweest zijn, gezien de huurprijzen, oplopend van 75 tot 105 gulden per jaar. Het ging om losse huren in in termijnen  van drie tot zes jaar. Zulke boeren waren gemakkelijk te lozen door de eigenaar van het buitengoed Terheijl. De zoons Roomstra van Heines en vrouw heten in burgerlijke standsakten dan ook arbeiders, en niet boeren.


Baksteen uit De Helle voor Groninger kerken

Kaartje van De Helle (nu Terheijl) en omgeving in de Middeleeuwen, gemaakt door alle latere toevoegingen, zoals Nienoord, de veenkolonie Leek en Nietap, te verwijderen uit een kaartje dat Beckeringh ca 1750-1760 vervaardigde. NB: de oriëntatie is de omgekeerde van de gebruikelijke: zuid is hier boven en noord is onder. Je moet dus als het ware kijken vanuit Nienoord, dat onderaan het kaartfragment stond, maar dat is weggepoetst.

De Helle lag op Drents grondgebied in de hoek tussen enerzijds de landweg Roden-Tolbert/Midwolde en anderzijds het grensriviertje De Lek tussen Drenthe en het het Vredewold. Dat was in the middle of nowhere. De dichtstbijzijnde nederzettingen waren de buurtschap De Zulthe onder her kerspel Roden aan de Drentse kant en Tolbert/Midwolde aan de Vredewoldster kant. Deze uithoek bestond tot ongeveer 1300 voornamelijk uit een onontgonnen wildernis van hoog- en laagveen en heide.

De reden dat het grote klooster Aduard destijds hier een uithof vestigde, was, zoals bekend, dat er aan de oppervlakte potklei gevonden werd, terwijl er ook turf kon worden gewonnen. Met de turf verbakten de bewoners van de uithof in veldovens de potklei tot bakstenen en dakpannen, waarmee bijvoorbeeld de prachtige romanogotische kerken van Groningerland werden gebouwd.

De uithof van De Helle was geheel en al georiënteerd op Aduard in het noorden, zoals je ook kunt zien aan het doodlopen in het veen van een weg naar het zuiden (nu de Scheperij). Via het dichtstbijzijnde bevaarbare punt van de Lek – misschien bij de boerderij Romen, of anders nog wat dichterbij het Zulthermeer (nu Leekstermeer) – en verder het Leekstermeer, de Munnikevaart en de Gave bij Oostwold, de Zuidwending, het Aduarderdiep en de Lindt gingen de producten naar Aduard, waar ze werden gebruikt en verhandeld.

In 1807 is uithof De Helle allang veranderd in een havezate of buitenhuis Terheijl, dat intussen ook aanzienlijk uitgebreid en verfraaid werd, maar een lijstje van de dan door de eigenaar zelf geëxploiteerde percelen (Drents Archief OSA 1513), laat zien hoe het verleden nog in de veldnamen voortleeft. Bij het Huis Ter Heyl en zijn hoven en singels horen dan:

  • De Duivekamp, bos(s)ie en Osseboerskamp
  • De Rutsche camp
  • De Vagevuur kamp
  • De Tichel kamp
  • De Sante(e)’s kampen
  • Leekster veld
  • 4 campen bij de Nietap
  • ’t Zuyderveld en -veen
  • 10¾ waaren (aandeken) in ’t gescheyden veen
  • ’t Baggelveld

De onderstreepte namen, komen ook voor op de veldnamenkaart van Wieringa, ca. 1970 (zie HisGis). Opvallend zijn het Vagevuur (dat als het ware reageert op De Helle, ooit een schansje)  en de Tichelkamp, een plek waar potklei zal zijn gewonnen. Het Leeksterveld, het Zuiderveld, het Baggelveld en de naamloos gescheiden venen hebben te maken met de winning van turf. Toch zullen deze venen niet allemaal al in de Middeleeuwen in exploitatie zijn genomen. Het Zuiderveld ten zuidwesten van De Helle, en het |Leeksterveld even over de provinciegrens kwamen pas veel later aan snee. Het Baggelveld, dichter bij de uithof, heeft dan wat betere papieren, ook omdat baggelen duidt op laagveenderij (vanonder de grondwaterspiegel vandaan), die een turf met een hogere calorische waarde voor de steenbakkerij opleverde. Verder lijken ook de Santeekampen – overgenomen van of gepacht door de ondernemersfamilie Santee – een aanwinst uit een veel jongere periode, ik schat tweede helft achttiende eeuw..

Een Jan Smit bracht in 2012 de hem bekende veldnamen van Terheijl e.o. in kaart (pdf) voor Staatsbosbeheer:

NB: dit kaartfragment heeft wel weer de gewone noordzuidoriëntie. Afgezien van het Zuiderveld, het  Leeksterveld en het Baggelveld, maar inclusief de diverse in 1807 ongenoemd gebleven Hellen, liggen de in 1807 genoemde percelen in een  opstrek tegenover het huis, zeker als we de Santeekampen niet meerekenen. Met de kampen onmiddellijk ten westen en zuiden van het huis die in 1807 evenmin worden genoemd (Olle Tuun, Heerskamp, Klaverkamp) en  met de eveneens ongenoemde Klaaiedobben, de Voorste Ganzenkamp en wellicht het Baggelveld aan de westkant moeten ze behoord hebben tot de middeleeuwse uithof De Helle, waar dus die kloostermoppen vandaan kwamen voor onze prachtige oude Groninger kerken.

 


Drenthe heeft Hel en Vagevuur dubbel

Bron: HisGis Drenthe, veldnamenkaart.

In 1723 is er voor de Etstoel, de hoogste rechtbank van Drenthe, een procesje over het onderhoud van de Leck of Leek, een waterlossing door de groen- en hooilanden (maden) van de marke Alting en Klateren ten noordoosten van Beilen. Het venige stroomje op de grens van twee verkavelingsblokken mondt uit in de Beilerstroom. Als veldnamen worden in dit proces genoemd De Hel (voor groenland) en het Vagevuur (voor hooiland).

Uiteraard heb ik ze even gekeken of deze namen te vinden zijn op de Drentse veldnamenkaart onder Hisgis. Deze is gebaseerd op aantekeningen van de veldnamenonderzoeker Wieringa, die allerlei boeren interviewde, maar helaas ook wel actuele namen mengde met historische, zodat je eventuele ontwikkelingen niet meer kunt zien. Inderdaad zijn op de HisGiskaart de veldnamen te vinden.

Opmerkelijk is, dat dezelfde toponiemen voorkomen bij Nietap in Noord-Drenthe. De Leek was daar oorspronkelijk een veenstroompje, parallel aan het later gegraven Leekster Hoofddiep. Ten oosten ervan lag De Helle, vanaf de veertiende eeuw tot ca. 1780 de gangbare naam voor een (voormalige) uithof van het klooster Aduard Na 1780 kreeg De Helle hier de aangenamer klinkende naam Terheijl. Ten oosten daarvan lag en ligt nog steeds Het Vagevuur. Maar Noord-Drenthe heeft nog iets extra’s, want bij De Hel en Het Vagevuur lag (en ligt) er ook nog een boerderij Romen, een naam die bij Beilen nou juist ontbreekt.

In Noord-Drenthe was de Helle duidelijk het oudste toponiem. Het betekende zoals als laag , drassig land. Toen de naamsoorsprong hier niet meer begrepen werd, kwamen er Vagevuur en Rome naast, die beiden refereerden aan  het (voormalige) kloosterbezit. Bij Beilen lijkt zo’n aanleiding helemaal afwezig: Kloosterbezit was niet perse nodig om naast een Hel een Vagevuur te zien.

 


Kostverloren nummer 9

Tot nu toe vond ik acht Kostverlorens in Groningerland. Onlangs diende zich de negende aan.

In 1809 tekenen enkele landgebruikers (boeren) onder Nieuwolda namelijk bezwaar aan tegen het voornemen van een dijkrechter en enkele volmachten van het kerspel Midwolda, om de Kostverloren, waarlangs land onder Midwolda afwaterde, te laten verbreden en verdiepen. De boeren van Nieuwolda zijn helemaal niet gekend in dit plan, terwijl hun land langs de Kostverloren ligt en de opslag van vrijgekomen grond op dat land moet plaatsvinden. Bovendien vrezen ze dat de diepswallen vanwege hun nogal steile nieuwe glooiing weldra zullen instorten, en dat de Kostverloren dan ten koste van hun land opnieuw moet worden verbreed om meer solide wallen te krijgen. Ze zijn bang voor “enorme schaden” en nemen daar geen genoegen mee.

Intussen was de aanbesteding al geweest en het graafwerk al begonnen. De Nieuwoldiger boeren wilden alsnog worden gehoord, maar liefst met een minnelijke schikking als uitkomst. Al een dag na indiening van hun verzoek, belegde drost De Sitter een hoorzitting voor beide partijen, waarna het graafwerk gewoon conform bestek door mocht gaan. Alleen werd de bodem van de Kostverloren minder breed, zodat de wallen minder steil hoefden worden dan voorzien. Ook kregen de klagers hun gerechtskosten vergoed.

Over de Kostverloren wordt nog gezegd dat deze langs een “klijve” (overlaat, schot dat de waterstand maximeert) afwaterde op het Kattendiep, een bochtig kanaal ten oosten van het dorp Nieuwolda. Daarmee is de locatie van de Kostverloren vrij eenvoudig te bepalen. Op een gemeentekaart uit 1862 zien we inderdaad “het nieuwe Kostverlorenkanaal” staan, parallel aan en iets ten westen van de Kerkelaan door de polders tusen Midwolda en Nieuwolda. Dit nieuwe diep verving echter een ouder Kostverloren. Getuige de kaart van Beckering uit 1781 liep dat eerdere diep waarschijnlijk eveneens parallel aan de Kerkelaan, maar dan juist aan de oostkant ervan. Tachtig jaar later is daar geen spoor meer van over.

Hoe dan ook lag de Kostverloren binnen de bedijking van 1701 en moet dus nadien gegraven zijn voor de afwatering van lager land onder Midwolda. Kennelijk werd die afwatering in de oudste vorm beschouwd als een mislukte investering, vandaar de naam Kostverloren, die hier dan dateert uit de eerste helft van de achttiende eeuw.

Bron: Groninger Archieven, Toegang 731 (Gerechtelijke archieven van beide Oldambten) inv.nr. 6978: rekestboek, 18 en 19 Herfstmaand 1809.

 

 


Plaggenburg of Erica – duel om een boerderijnaam

Frederiksoord, 18 Aug. Eenige dagen geleden had in de onmiddelijke nabijheid dezer plaats een even komiek als zeldzaam voorval plaats. Op een gedeelte heideveld van de verscheiden (= verdeelde) marke van Vledder wordt eene kapitale boerderij opgetrokken. Door het grootsch aanzien, dat deze boerderij voorzeker krijgen zal, kwam men op het denkbeeld de behuizinge een naam te geven. Men was het hieromtrent evenwel niet eens, daar de een het den naam van “Plaggenburg” en de ander het den naam van “Erica” wilde geven. Bij het leggen van den eersten steen kwam men op de plaats der timmering tezamen en ziet, op het onverwachts traden twee mannen geharnast tevoorschijn, de een met groote Ietters op het harnas geschreven hebbende den naam van Plaggenburg, de ander integendeel dien van Erica. Toen men het niet eens konde worden, begonnen de beide geharnasten om den naam te duelleren, en, tot groote vreugde der omstanders, moest hij, die den naam van Plaggenburg op zijn schild voerde, het onderspit delven.

Bron: Provinciale Drentsche en Asser Courant 20 augustus 1856.

Commentaar: Waarschijnlijk vond het publiek bij het duel de naam Erica (voor heide) toch wat sjieker dan Plaggenborg. Erica is ook gebleven: nog steeds ligt er op de westkant van Vledder een Hoeve Erica. Destijds, in 1856, verrees de vroegste voorganger daarvan dus op een stuk onontgonnen heideveld dat het  gemeenschappelijke bezit was geweest van de boeren in de marke van Vledder, Het ging om een perceel vlakbij de grens van Vledder met de Koloniën van de Maatschappij der Weldadigheid (Frederiksoord).

In Groningerland ligt intussen wèl een Plaggenborg, namelijk tussen Wollinghuizen en Jipsinghuizen in Westerwolde. Afgaande op een gelijknamige familie die er vandaan kwam en wat oude kaarten, dateert dit Plaggenborg uit het derde kwart van de achttiende eeuw. Het hoorde bij Jipsinghuizen, werd gesticht op een ontgonnen stuk heidegrond aan de rand van het grote Bourtangermoor en lag bij een ruime bocht in de weg naar Wollinghuizen.

Wikipedia geeft een volksetymologische verklaring voor de naam van dit Plaggenborg:

deze verwijst naar de plek waar men de plaggen borg. Dus niet alleen het steken van de plaggen maar ook het stapelen (het bergen) om ze te drogen.

In een eerdere versie van het lemma zei Wikipedia nog:

Hoewel het niet meer zo wordt ervaren, is de naam een scheldwoord, verwijzend naar de plaggenhutten die door de bewoners als borgen (kastelen) worden gezien.

Al zou ik liever van een spotnaam dan een scheldwoord spreken, dit sluit mijns inziens wel wat meer aan bij de mislukte vernoeming in Vledder. In beide gevallen gaat het immers om een vestiging op pas ontgonnen heideveld. Mogelijk werd er bij zo’n ontginning geplagd, waarbij de plaggen als onderlaag in een potstal dienden. De met mest en gier verzadigde plaggen werden vervolgens gebruikt voor het bemesten van het ontgonnen land. Mogelijk gaven een of meerdere stapels plaggen dan de (goedmoedige spot)naam in.


De boerderij van Grutte Pier

Vorige maand brandde bij Den Horn een boerderij af, niet per ongeluk maar expres, voor opnames namelijk van de openingsscènes van Grutte Pier, de TV-serie. Naderhand sprak de Dierenpartij schande van deze cinematografische pyromanie, want er zouden vleermuizen, zwaluwen en kleine zoogdieren hebben gehuisd in en om het pand, dat al meer dan een halve eeuw onbewoond was. Ecoloog Jan Doevendans, die namens de provincie vooraf ter plaatse onderzoek had gedaan en zulke beestjes er niet aantrof, ontstak vervolgens in woede wegens de eerrovende implicatie als zou hij zijn werk niet goed hebben gedaan.

Bij alle commotie vroeg ik me steeds weer af waar die boerderij in kwestie toch in vredesnaam kon liggen. In de buurt van het spoor Groningen-Leeuwarden, werd gezegd, maar daar kende ik eigenlijk maar één enkele boerderij en die is wel degelijk bewoond (door mensen). Maar vandaag kwam me dan een adres ter ore: Hogeweg 12.

Dat ik de boerderij niet kende, is niet zo vreemd: vanaf de Hogeweg zie je er alleen maar een bosje. Van die kant af moet je inderdaad het spoor over, op een plek waar tientallen jaren geleden nog een spoorwegovergang lag, die allang buiten gebruik is gesteld. Hier heb je de locatie van de boerderij (in de oranje cirkel) op de topografische kaart:

Ter oriëntatie links de Hogeweg, onderin beeld de lintbebouwing van Den Horn en uiterst rechts omhoog de Langeweersterweg (alles rood). Vanaf linksboven loopt kruislings de spoorlijn dwars door het beeld naar rechtsonder. De oude ree of toegangsweg naar de boerderij is ook nog goed te zien. Het heem ligt een halve meter tot een hele meter hoger dan de omgeving en het grenst, zoals ook andere huisplaatsen hier meer naar het noorden, aan een heel interessante, brede meanderende sloot.

Ik zou het hier eerder Hoogemeeden willen noemen dan Den Horn, maar kan me voorstellen dat die eerste naam, hoewel veel ‘weidser’, te obscuur was voor de media.

In het licht van de dierendiscussie en meer nog Grutte Pier vind ik een andere oude naam hier trouwens ook wel toepasselijk: polder de Kriegsman. Ooit stond bij de Weersterweg, in het zuiden, een watermolen De Kriegsman – daar was die polder naar genoemd. Wie weet zat er ooit een bord op met een beeldmerk: een kloeke en kordate krijgschman die in de verre verte wel wat aan Grutte Pier deed denken.

Met dank aan M.

 


De achtste Kostverloren van Groningerland

Op een lijstje vastgoed met veldnamen te Marum en Niebert uit 1803 vind ik net dit item:

“een stuk hooiland te Marum de Kostverloren genaamt”.

Dat is dan de achtste mij bekende Kostverloren van Groningerland . De eerder bekende staan hier.

Bron: RHC Groninger Archieven, Tg. 735 (gerechten Westerkwartier) inv.nr. 98 (rekestboek) notitie d.d. 11 februari 1803.


Wildervanck klonk beter dan Paep

De tweede grafsteen van Wildervanck, uit de negentiende eeuw.

Tijdenlang is aangenomen dat de veenpionier Adriaan Geerts Wildervanck zijn eigen achternaam aan zijn prille veenkolonie Wildervank schonk. Met zo’n familienaam moest iemand bovendien van gegoede komaf zijn, zo dacht men en daarom werd er een mooie afstamming bij verzonnen: Wildervank zou duiden op jacht, Adriaans voorvader zou opperjachtmeester van de graaf van Bentheim zijn geweest, en de familie via een omweg langs Amsterdam in Groningen beland zijn.

Dit verhaal werd almaar mooier doorverteld, totdat Dolf Pathuis, ambtenaar op het Groninger Rijksarchief, het eens grondig aan de bronnen toetste. Een en ander bleek volledig uit de lucht te zijn gegrepen.

Om te beginnen waren Adriaan Geerts’ vader en grootvader smeden geweest. Ze bezaten een smederij in de Oude Ebbingestraat in Groningen. Adriaan Geerts’ grootvader had zich hier in 1594 vanuit Zwolle gevestigd.

Adriaen Geerts werd in tal van stukken van voor 1649 alleen met zijn patroniem Adriaan Geerts aangeduid, of, met een toenaam, als Adriaan Geerts Paep. Zelfs in het contract van 16 juni 1647 waarbij hij van het kerspel Zuidbroek een enorm uitgestrekt veengebied ten zuiden van Muntendam overnam, heet hij Adriaen Geerts Paep. Er zat geen Wildervank bij. Dat Paep was eigenlijk een spotnaam, die misschien tot geuzennaam evolueerde: Adriaan mocht graag laten merken hoe vroom hij was.

Pathuis trof de naam Wildervank niet aan in de stukken van voor 1649: niet als familienaam, noch als plaatsaanduiding. De allereerste melding van de naam was in een resolutie van GS op 14 juni dat jaar, waarna alras meerdere meldingen in rechterlijke stukken volgden. Maar in de oudste stukken is Wildervank eerder een plaatsnaam dan een persoons- of familienaam. Adriaen Geerts heet er bijvoorbeeld Adriaen Paep van Wildervanck. Cruciaal is een akte van 20 oktober 1649. De tekst spreekt van de “gemeenteveenen des carspels Suidtbroeck en Muntendam, nu de Wildervanck genaemt”. Zo’n lidwoordje ‘de’ duidt op een plaatsnaam, zo meende ook de naamkundige Wobbe de Vries.

Eerst was er de plaatsnaam. even later wisselde Adriaen Geerts zijn bijnaam Paep in voor Wildervanck. Veelzeggend is dat de opsteller van een akte uit 1650 hem naar ouder gewoonte nog Adriaen Geerts Paep noemde, terwijl de aldus aangeduide de akte ondertekende als Adriaen Wildervanck. Pathuis’ conclusie: “Wildervank is een nieuwe naam, twee jaren na den aanvang der ontginning aan een gedeelte der boven-Muntendammervenen gegeven en kort daarop als familienaam aangenomen door Adriaen Geerts Paep”.

Naderhand nam Adriaens broer, als het hem zo uitkwam, de naam Wildervanck over. Nazaten hielden deze naam ook aan. Hij klonk beter dan Paep.

Wat die naam Wildervank eigenlijk betekende, was men rond 1770 alweer vergeten. Het moest iets zijn met jacht, zo dacht men, vandaar ook dat men er die afkomst van een grafelijke opperjachtmeester bij verzon.

Pathuis dacht dat het lidwoord in de Wildervank op iets zelfstandigs wees, nam het Middelnederlands woordenboek van Verwijs ter hand en vond dat Wilderd of Wildert stond voor wilde, onontgonnen natuur (in dit geval hoogveen), terwijl Vanc of Vank het leggen van de hand op iets, of dat usurperen, in bezit nemen, betekende. De combinatie Wildervank duidde dus op het in bezit genomen zijn van de woeste heide hier. Op de oorspronkelijke, allang verdwenen grafsteen (uit 1662?) van Adriaen Geerts in de kerk van Wildervank stond een passage die hier ook mooi bij aansloot: Adriaan Geerts had in Wildervank zijn “wilde moer gevangen”.

Bron: Adolf Pathuis, ‘Adriaen Geerts Wildervanck’, Groningsche Volksalmanak 1941, p. 120-144.


Luizebos

Cornelis A. Hellemans, Figuren met een luizenkam (17e eeuw). Collectie Rijksmuseum Amsterdam.

In een verslag, uit 1923, van een vastgoedveiling te Deurze (een gehucht tussen Assen en Rolde) is sprake van een hele serie veldnamen, onder meer:

  • Bolmaat
  • Veldland
  • Jannenkamp
  • Luizeboschslag
  • Luizeboschtip

Op de Bolmaat zal een stier (bol) hebben gelopen. Veldland was ooit recent op de natuur gewonnen bouwland (vgl. Felland tussen Haren en Onnen), de Jannenkamp sloeg niet zozeer op een heropvoedingsinrichting voor rechtse types als wel op een stuk land dat oorspronkelijk buiten de es lag en op de natuur gewonnen was, en de Luizebosvariaties duidden op minderwaardige grond, waarbij de slag voor iets venigs zal hebben gestaan en de tip voor een overhoek.

Dat dan gezegd zijnde – toch aardig dat er een echte Luizebos bestond.


Het klauwregister van Hoogkerk

In 1661 vergaderden de eigenerfden van Hoogkerk meermalen in het Provinciehuis in de stad Groningen om een klauwregister vast te stellen voor de Schepperij (= waterschap) van Hoogkerk. Blijkbaar was daar eerder onenigheid over geweest. Afgesproken werd dat de eigenaars van de twintig grootste heerden land (= boerderijen met een bepaald minimum-areaal aan grond) elk om de beurt, en wel om de twee jaar, de Schepper zouden mogen benoemen, die het zijlschot en de schouwboetes zou innen. Zulke boetes waren grotendeels voor degenen die de Schepper benoemden en dat maakte het benoemingsrecht aantrekkelijk.

De manier waarop de Schepper zijn werk deed, moest blijven zoals die ‘altijd’ was geweest. Alleen werd bij loting de volgorde bepaald, waarin de eigenaars van de twintig heerden die aan de criteria voldeden, een Schepper mochten aanstellen. Het klauwregister legde deze “ommegangen” vast. Hieronder heb ik dat stuk in de eerste vijf kolommen samengevat, terwijl in de laatste twee kolommen de opvolgende eigenaren van de ommegangen uit de achttiende eeuw te vinden zijn:

1661 1701 evj. 1741 evj
Nr. Huisnaam Bij rechtstoel genoemd? Eigenaar Meier Eigenaar

 

Eigenaar

 

1 Lt. Derk van Ballen en Juffer Anna de Sygers Jantien, wed. Melis Geerts Heer van Aduard Heer van Aduard
2 Jr. Jan Dominicus Clant Reinder Peters en Oene Clasens Heer van Aduard Heer van Aduard
3 Wed. en erven Soll. Luitjen Jansen Hoving Grietje, wed, Hajo Arends Heer van Aduard Heer van Aduard
4 De Woltgraft Dr. Simeon Wychel Claas Derks en Frerick Siers Stad Stad
5 De Koningspoort Vrouw van Bierum Riener Crabbes Heer van Aduard Heer van Aduard
6 Geert Lubbers Hindrik Fockes Heer van Aduard Heer van Aduard
7 Het Hol Ja Provincie Pieter Claasen Stad Stad
8 Lt. Huysman Hermen Roelefs Heer van Aduard Heer van Aduard
9 Siccamaheerd Ja Dr. van Swinderen Wessel Hindriks Stad Stad
10 Elderhuisen Wed. en erven Lt. Johan Coenders Hermen Jacobs en Hermen Walichs Wiers Stad
11 Cruisemahuis ja Siabbe Abbringe Siabbe Abbringe Heer van Aduard
12 Jr. Doede Manninga, nu jr. Geert Horenken Jan Hermens Heer van Aduard Heer van Aduard
13 Elmersma ja Jr. Ulrich van Ewsum Gerrit Clasen Heer van Aduard
14 Armhuiszittend Convent Jacob Clasen Armhuiszittend Convent
15 Bangeweer Ja (Popko Jongeringsstede op Bangeweer) Dr. Simeon Wychel en Hermen Clasen Hermen Clasen Stad en Heer van Aduard samen
16 Joost Lewe op Klinkenborg Roelf Peters Heer van Aduard
17 Provincie Jan Clasen Buir Stad
18 De Luisenborgh Ja (eerder ook wel ’t Huis ten Hamrik) Erven Fennetien van Rhenen en co. Willem Jansen Heer van Aduard
19 Erven Johan Coenders + Armhuiszittend Convent Evert Jacobs Stad en het Armhuiszittend Convent samen
20 Godes Ackers Heerd William MacDowell + Jr. Ulrich van Ewsum Loech Onnes Heer van Aduard

In het stuk van 1661 staan 10 huisnamen – de overige heerden worden genoemd naar hun eigenaren. Van die 10 huisnamen zijn er maar 6 terug te vinden bij de 17 edele heerden die een stem in het kapittel hadden bij de benoeming van de rechter in Hoogkerk. Er moet veel meer overlap tussen de lijsten geweest zijn – er waren niet veel meer boerderijen in Hoogkerk. De lijst van de 17 inzake de rechtstoel stamt weliswaar uit 1754, en is daarmee beduidend jonger, maar gaat qua huisnamen waarschijnlijk veel verder terug, ik denk tot de zestiende of vijftiende eeuw. Niet alleen het kleinere aantal heerden doet dat vermoeden, maar ook de aard van de namen op die lijst: deze namen verwijzen veelal naar Friese eigenerfde families.

Hoewel de volgorde van 1661 bij loting is bepaald, lijkt er een route van noord naar zuid in de lijst te zitten. De Woltgraft lag op de hoek van de Kerkweg en het oostelijke deel van de Legeweg, waar nu een grote boerderij met een handel in tuinmachines staat. De Koningspoort lag op de hoek van het Koningsdiep en het Hoendiep, waar nu vloeivelden liggen van de suikerfabriek. Het Cruisemahuis, ooit Drents kloosterbezit, moeten we ook  in die omgeving zoeken. Elmersma, een borg met schathuis, lag op de zuidoostelijke hoek van het Hoendiep met de Zuiderweg. Bangeweer bestaat nog steeds als bult met restaurantboerderij. Maar dit zijn ook de enige heerderijn waarvan me de locatie bekend is, van de rest wil ik die nog zien te achterhalen. (Vooral de Luisenborg en de Godsakkersheerd intrigeren me.)

De eigenaren van 1661 waren voor tweederde deel jonkers, praktisch allemaal verschillende. Een paar heerden waren eigendom van de provincie, een paar andere waren van gewone namen en het Armhuiszittend Convent in de stad bezat ook nog anderhalve heerd. In de achttiende eeuw zijn er nog maar een paar eigenaren over: de Heer van Aduard heeft dan 12,5 ommegangen, de Stad 6 en het Armhuiszittend Convent nog steeds 1,5.

Van zowel de Heer van Aduard, als de stad als het Armhuiszittend Convent bleef een goede boekhouding bewaard, met staatboeken en rekeningen. In principe moet het daarmee mogelijk zijn de latere beklemde meiers van deze heerden te achterhalen, zodat er een verband is te leggen met het kadaster van 1830. En dat levert dan de precieze locatie op van alle genoemde heerden en daarmee van de huisnamen die tot nu toe nog niet thuisgebracht zijn.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 1605 (Stadsbestuur 1594-1816) inv.nr.8160 (klauwlijsten Hoogkerk, voorheen rnr 1311 d.)


Over hondepaden (2)

Op zoek naar honde(n)paden in woordenboeken, dienen zich voor Groningerland twee definities aan. De eerste komt uit Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19de eeuw (1887):

“Een binnenpad bijlangs of door het koren, waarvan men niet dan ter sluips gebruik durft maken. Een pad dat geen recht van bestaan heeft.”

Anno 1912 kwam deze omschrijving terecht in het WNT als:

“Naam voor een (ongeoorloofd) binnenpad bijlangs het koren.”

Hoewel het WNT met de haakjes gas terugneemt, benadrukken beide omschrijvingen het illegale of op zijn minst dubieuze karakter van een hondepad. Het bestaat, maar het mag eigenlijk niet bestaan. In Zuiderveen, anno 1802, was er echter geen sprake van illegaliteit. De gedupeerde Zuiderveensters meenden een gebruiksrecht te hebben op het af te snijden Hondepad, en dat recht werd zowel door de grondeigenaars als de regionale magistraat gerespecteerd.

De andere definitie, die van Ter Laan in zijn Nieuw Groninger Woordenboek (1952), is wèl op het Zuiderveenster geval van toepassing. Dat woordenboek omschrijft hondepad veel korter en globaler, maar ook beduidend minder karakteristiek als:

“Pad door ’t veld.”

Daarbij verwijst het nog naar hondeloane als “laan met onaanzienlijke huizen”. Dit zijpad van Ter Laan laat ik verder buiten beschouwing, al wil ik nog wel wijzen op twee officiële straatnamen, een eerste ten zuidoosten van Schildwolde en de tweede ten zuidoosten van Zuidbroek op grondgebied van Muntendam. In tegenstelling tot Hondelaan is Hondepad tegenwoordig nergens in Groningerland een officiële straatnaam, maar een pad is dan ook geen laan.

Welke van de twee definities – die van Molema of die van Ter Laan – deed nu het meeste opgeld? Dat valt te onderzoeken aan de hand van gedigitaliseerde kranten (Delpher) en andere publicaties (Google Books), die nog hondepaden opleveren te Meeden, Bellingwolde en Vriescheloo. Opvallend genoeg allemaal in Oost-Groningen, maar daar was het areaal (half)natuur of ‘veld’ dan ook veel groter dan in de Ommelanden ten westen van het Damsterdiep.

Meeden

Het pad in Meeden wordt slechts een enkele keer genoemd, namelijk in de bekendmaking uit 1849 van een vastgoedveiling, waarbij onder de hamer kwam

“een eind bovenbouwte tot aan het Hondepad”.

Dit Hondepad lag net als de gelijktijdig te veilen percelen ten zuiden van de Hereweg, dat is de hoofdweg door Meeden. Wellicht lag het Hondepad parallel daaraan en betrof het een nu verdwenen bovenstreekje. In elk geval impliceert het verschijnen van de naam Hondepad in een dergelijke bekendmaking dat die naam hier geen al te negatieve bijklank had waardoor men kopers zou kunnen afschrikken. Het Meedener Hondepad was dus meer conform de omschrijving bij Ter Laan, dan die bij Molema.

Bellingwolde

Anders was het gesteld met het hondepad bij Bellingwolde. Al eerder citeerde ik hier een rechtbankverslag uit 1895, dat over de omgeving van Bellingwolde opmerkt:

“De smokkelaars verdienden (?) een aardigen stuiver en kenden de hondepaadjes over heide en veld zoo goed, dat ze moeielijk te snappen waren.”

Dat rechtbankverslag gaat over een recent verleden, maar de Staatscourant rept in 1815 al over contrabande, aangetroffen

“op het zogenaamd Hondenpad onder Bellingwolde.”

Om wat preciezer te zijn gaat het in januari dat jaar om 4,5 kroes jenever, achtergelaten door een meisje dat op de vlucht sloeg, en in augustus om een ongemerkt roggebrood van 12 pond. Via bekendmakingen wilde de overheid graag achterhalen wie de wettige eigenaars waren.

Toch is dat Hondenpad bij Bellingwolde ook een (bijna) officiële gehucht- en straatnaam geweest. A.J. van der Aa maakte er in zijn Aardrijkskundig Woordenboek (1844) zelfs een apart lemma van, waarbij hij dit Hondenpad aanduidt als een

“voorname boerenstreek en voetpad in Westerwolde.”

Volgens hem lag dit pad parallel aan de rijweg Bellingwolde-Vriescheloo, op 5 minuten (= ruim 400 meter) lopen ten oosten daarvan. In totaal had het een lengte van anderhalf uur gaans (ongeveer 7,5 kilometer). Het begon in het noorden bij De Lethe en liep in zuidwestelijke richting over de Bovenstreek ten zuidoosten van Bellingwolde door langs Vriescheloo, om bij de Ossedijk te eindigen. Een topografisch-militaire kaart uit die tijd, die de naam Hondepad ook noemt (zowel bij Bellinwolde als bij Vriescheloo) geeft een indruk van het tracé, hoewel dat er niet helemaal op staat:

Het Hondenpad bij Bellingwolde (lila aangezet).

Het Hondenpad bij Bellingwolde (lila aangezet).

Van der Aa noemt dit Hondenpad eveneens bij zijn lemmata over Bellingwolde en Wittenburg (een hofstede of boerderij). Een wegwijzer voor Groningerland van enkele decennia later vermeldt het als de naam van een buurt bij Bellingwolde. Van het tracé lijkt nu weinig meer over, wat deels zal komen door de aanleg, omstreeks 1910, van het Boelo Tijdenskanaal, maar ook door herinrichting van het gebied. Zo bood de ruilverkavelingscommissie Blijham-Bellingwolde in 1963 voor afbraak te koop aan een huis met twee woningen onder één kap, op de adressen Hondepad 1 en 2, welk vastgoed het eigendom was geweest van een H. Renken Gzn. Of het hier een officiële straatnaam betrof, zou ik niet durven zeggen, maar het Hondenpad te Bellingwolde dook in 1972 nog op in een wervingsadvertentie van dagblad De Tijd.

De conclusie voor dit hondepad moet luiden, dat het zowel de negatieve als de neutrale naam had. Daarmee voldeed het aan de beide definities, gegeven door Molema en Ter Laan.

Vriescheloo

Een eind zuidelijker, bij het westzuidwestelijken uiteind van Vriescheloo, pal op de grens van de gemeenten Bellingwolde en Wedde, lag het volgende hondepad, dat in het najaar van 1873 aanleiding gaf tot een rechtszaak bij het Kantongerecht in Winschoten.

In de avond van 9 mei dat jaar betrapten hier twee Weddenaren, H.H. Kemies en K. Bos, een wandelaar wiens naam in de berichtgeving helaas niet genoemd wordt. De man liep op een perceel dat Kemies en Bos hadden verpacht aan hun dorpsgenoot, de landbouwer W. Leta, die de grond geschikt had gemaakt als bouwland, waarop hij haver inzaaide. Noch van de eigenaars, noch van hun pachter had de voetganger toestemming zich op Leta’s grond te begeven. Daarom diende de boer een klacht in bij het Kantongerecht, welke klacht gepaard ging met een eis tot schadevergoeding.

Bij de kantonrechter bekende de gedaagde grif de overtreding, waarop volgens het Wetboek van Strafrecht (art. 471) nog een geldboete van 1 tot 5 frank stond, bij wanbetaling te vervangen door een celstraf van één tot drie dagen. De gedaagde bestreed echter dat het wetsartikel van toepassing was. Volgens hem was het namelijk zo

“dat niet alleen hij, maar ook ieder ander sedert onheugelijke tijden herwaarts bedoeld land in de rigting van het noorden naar het zuiden en omgekeerd plagten te begaan, zonder dat zulks immer of ooit bevorens door of vanwege de eigenaren of gebruikers was verboden of te keer gegaan.”

Om dit te staven nam de beklaagde twee getuigen mee: de weduwe B. Holstein-Smook en H. Beishuizen, beiden uit Vriescheloo. De wed. Holstein gaf aan dat zij en wijlen haar man vroeger het behuisde plaatsje, nu door W. Leta gepacht, hadden bewoond en gebruikt. Dat plaatsje bevond zich nog net op Vrieschelooster grondgebied, maar het haverland in kwestie lag er onmiddellijk ten zuiden van op grondgebied van Wedde. Ertussenin lag een sloot, die tevens de gemeentegrens vormde. Beaamde zij eenvoudig de bewering van gedaagde, Beishuizen gaf aan dat hij en andere kinderen uit het zuidwestelijk deel van Vriescheloo ruim een halve eeuw eerder over het land in kwestie naar hun school in Wedde liepen.

Voor de kantonrechter vormde het meningsverschil aanleiding om ter plaatse poolshoogte te nemen. Dat deed hij in aanwezigheid van de officier van justitie en de beide partijen en hun vertegenwoordigers. Door dit uitstapje kwam hij tot de conclusie dat er geen sprake kon zijn van ontslag van rechtsvervolging. Dat buren eerder niet klaagden “om elkander onderling door eene meer gemakkelijke gemeenschap te gerieven”, sprak zijns inziens de overtreder niet vrij en evenmin deed dat het feit dat de schade altijd zo beperkt bleef dat er nooit vervolging werd ingesteld. Mensen uit de buurt mochten het onlangs in bouwland veranderde stuk veldgrond dan wel langdurig zonder tegenspraak hebben gebruikt als openbaar voetpad, maar dat was alleen maar omdat de eigenaar zulks gedoogde. Daarmee was er nog niet werkelijk sprake van een recht van overpad, temeer niet daar het vermeende buurtpad ontbrak op de gemeentelijke leggers.

Wel hield de kantonrechter in zijn strafmaat rekening met het aangevoerde. Hij legde dan ook de minimumsanctie op, te weten een boete van 50 cent. Betaalde de verdachte deze niet binnen twee maanden, dan ging hij voor één enkele dag de gevangenis in.

Ook wat betreft de civiele eis tot schadevergoeding hield de kantonrechter er rekening mee dat vroegere eigenaars en pachters van het land gedoogden dat het werd gebruikt

“als overgang of (gelijk het in de taal der landlieden in deze streken veelal wordt genoemd), als hondenpad“.

Het door Leta geëiste bedrag, dat niet als overdreven werd bestreden, hield de kantonrechter daarom beperkt tot 1 gulden terwijl de veroordeelde ook de proceskosten moest voldoen.

De veroordeelde accepteerde de uitspraak niet en vroeg cassatie aan bij de Hoge Raad. Eind dat jaar besloot dat rechtscollege echter, het bij de uitspraak van de kantonrechter te laten blijven. ‘Eenmaal een hondepad altijd een hondepad’ ging dus niet op.

Nog even weer de beide definities van Molema en Ter Laan ernaast leggend, moet gezegd worden dat die van Ter Laan hier meer van toepassing was. De term hondepad werd in deze zaak neutraal gebruikt.

Tot besluit alle genoemde hondepaden namelijk die van Zuiderveen, Meeden, Bellingwolde en Vriescheloo recapitulerend, blijkt dat de term slechts in één geval, namelijk dat van Bellingwolde, ook een negatieve klank had. De neutrale woordenboekdefinitie van Ter Laan is daarom, ondanks zijn beknoptheid, beter dan die van Molema, al zou ikzelf de smokkelconnotatie niet buiten beschouwing hebben gelaten.


Over hondepaden (I)

Zuiderveen en omgeving. Bron: Hisgis.

Zuiderveen en omgeving, ca. 1830. De heide met het veen is roze, bouwland wit en weiland groen. Bron: Hisgis.

Tussen Wester- en Heiligerlee, Winschoten en de Pekela bevond zich nog in 1830 een enorm heideveld, waar een eeuw eerder broodsmokkelaars uit Westerlee een lokale belastinggaarder hadden doodgeslagen. De oostelijke kant van die heide heette Zuiderveen, ook wel eens verlengd tot Winschoter Zuiderveen, of verkort tot Zuirveen.

De heide was hier al wel in veenplaatsen verkaveld, in lange stroken opstrekkend vanaf een slingerende bewoningsas in het oosten, eveneens Zuiderveen geheten. Waar de heide nog relatief de meeste plaats innam op die stroken, wat meer naar het zuiden toe, bezat de in Zuiderveen woonachtige wed. Harm Melles een veenplaats. Samen met de eigenaren van twee belendende veenplaatsen, ds. Tiddo Waldrik Siertsema van Eexta en de erven van de gezworene Amsingh uit Noordbroek, vatte zij het plan op, om hier turf te laten graven. Daarvoor moest er echter eerst een kanaaltje komen voor de afvoer van water en turf.

Zo’n kanaaltje kon je niet zomaar aanleggen, in dit geval al helemaal niet doordat het een voetpad en een rijweg tussen Winschoten en Pekela kruiste. Daarom wilden de weduwe Melles en consorten ten behoeve van dat voetpad “een genoegzaam bat of klap” over de wijk aanleggen, “en over de weg eene klapbrug”. Beide projecten zouden uiteraard op hun kosten worden uitgevoerd, evenzo het toekomstig onderhoud. Eind juli 1802 legden de weduwe Melles & co. hun plan met een “figurative kaart” voor aan de Winschoter dijkrichters en de Oldambster drost, “als de schouwing [en] overschouw respective hebbende over gemelde voetpad en rijdweg”. Zonder hun instemming konden beide benodigde doorgravingen immers niet doorgaan.

Op 21 september dat jaar lag er een advies van de dijkrichters, waarmee de wed. Melles & co. genoegen namen. Vervolgens zouden zij en de dijkrechters een contract opstellen, maar bleef het maandenlang stil.

Toch begon nog in 1802 het wijkgraven. Toen de arbeiders hiermee in het voorjaar van 1803 het voetpad naderden, kwamen echter vijf gezinshoofden van het Zuiderveen in het geweer:

  • Jan A. Udes
  • Hindrik Harms
  • Engelke Geerds
  • Jan Folkers
  • en Roelf Jans

Zij vertelden de drost dat ze in het bezit waren van een gebruiksrecht op

“zeker pat genaamd het Hondepat, lopende van het (Winschoter) Agterholt tot over de Zuiderveenster veenbouwten na de Pekela.”

Langs dit Hondepad lagen hun huizen of hemen. Ze gebruikten het om naar de Pekela te komen. Maar nu ervoeren ze dat de wed. Melles & co. op het punt stonden om dat pad door te laten graven en daarmee waren ze het volstrekt oneens,

“aangezien nu daardoor voor de rem[onstran[ten een omweg na de Pekela van meer dan een quartier uurs staat te worden geobtineert.”

Vandaar dat ze stopzetting van het werk wilden, wat de plaatselijke wedman door middel van een bevelschrift aan de wed. Melles & co. zou moeten overbrengen. Op 2 april 1803 willigde klerk Ogterop in afwezigheid van de drost het verzoek om zo’n bevelschrift in.

Blijkbaar was er te weinig rekening gehouden met deze Zuiderveensters die van het Hondepad gebruik maakten. De communicatie door de Winschoter dijkrichters zal dan ook vast niet optimaal geweest zijn. Hangende het geschil werden de rekesten van de adspirant-verveners ook niet afgeschreven in het Oldambtster rekestenprothocol. Dat gebeurde pas toen de hobbel gladgestreken was. Op 3 mei 1803 verleende de drost eindelijk zijn goedkeuring aan de plannen van de wed. Melles & co.,

“ter aansnijding van van eenig veen en de daartoe nodige doorsniding van het voetpat en rijdweg na de Pekela.”

Waar de nieuwe wijk kwam te liggen, is niet moeilijk te raden. Tussen Winschoten en Pekela kruiste even later namelijk maar één water de toenmalige rijweg en dat was de Zuiderveenster Hoofdwijk, tevens het enige kanaaltje van het Zuiderveen. Op bovenstaande HisGis-kaart, gebaseerd op het kadaster van ca. 1830, steekt dit kanaaltje vanuit het oosten als een winkelhaak in ‘t roze van de Zuiderveenster heidevelden. Even ten noorden van Oude Pekela (en het verdwenen Strobos) lost het nog steeds zijn water in het Pekelder Hoofddiep.

Waar het Hondepad precies lag, is een moeilijker te beantwoorden vraag. Van bovengenoemde vijf bezwaarmakers, zijn er dertig jaar later echter nog drie te herkennen in het kadaster, te weten Jan Alberts Udes, Engelke Geerds van der Veer en Roelf Jans Start. Alle drie woonden zij op het noordwestelijke uiteind van Zuiderveen.

Ook geeft de kadasterkaart een eindje ten westen van de klapbrug in de rijweg Winschoten-Pekela een tweede overbrugging weer, wat de bat of klap zou kunnen zijn die er werd neergelegd voor het voetpad.

Verder zijn wat oudere detailkaarten van Zuiderveenster veenplaatsen, die elk een glimp van het voetpad geven. Op een kaart van 1725 ligt dat een eind ten westen en parallel aan de rijweg, vlak langs enkele boerderijtjes. Op de kaart die de wed. Melles & co. in 1803 lieten maken, wordt dit voetpad inderdaad het Hondenpad genoemd en ligt het eveneens een eind ten westen van en evenwijdig aan de rijweg, min of meer op de grens van afgeveend land en heide. Op een schetskaartje van 1800-1810 tenslotte, vinden we de naam Hondenpad bovendien, opnieuw een eind ten westen van de rijweg en pal  ten oosten van een aantal herkenbare kadastrale nummers, die echter veel later met potlood op de kaart aangebracht zijn.

Een en ander geeft wel aanwijzingen, maar geen uitsluitsel waar we het Zuiderveenster Hondepad moeten zoeken. Zekerheid komt er pas door de kaart die Huguenin omstreeks 1825 maakte. Deze bevat een stippelllijn, die ik op onderstaande uitsnede met lila heb gemarkeerd:

Het Hondepad door Zuiderveen (lila). A = Woonplaats vande bezwaarden tegen afsnijding Hondepad ; B = Bat over door Zuiderveenster Hoofdwijk; C = Klap in de rijweg; D = Strobos; E = De toenmalige rijweg Winschoten-Pekela (nu verdwenen).

Het Hondepad door Zuiderveen (lila). A = Woonplaats van de bezwaarden tegen afsnijding van het Hondepad ; B = Bat over door Zuiderveenster Hoofdwijk; C = Klap in de rijweg; D = Strobos; E = De toenmalige rijweg Winschoten-Pekela (nu verdwenen).

Gemakkelijk is nu ook te zien, waarom nu juist de bewoners van het noordwestelijke uiteind van Zuiderveen (A) klaagden. Als ze naar de Pekela wilden, vormde de rijweg (E) voor voetgangers een enorme omweg, vergeleken bij het Hondepad. Afgaande op de kadasterkaart (maar niet op Huguenin) lagen hun boerderijen en andere huizen ook het verst van de rijweg af.

Intussen laat de kaart van Huguenin nog een andere, vanuit het zuiden recht doorgaande stippellijn zien. Dit andere pad blijkt deels de voorganger van de N972.

Morgen een vervolg over hondepaden in het algemeen en die bij Meeden, Bellingwolde en Vriescheloo in het bijzonder.

Bronnen, behalve de gelinkte: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (archief gerecht Oldambt) inv.nr. 6142 (rekestboek).


Leta – een familienaam thuisgebracht

Vastgoed van Albert Wirtjes Leta, volgens het kadaster van ca. 1830. Bron: HisGis.

Vastgoed van Albert Wirtjes Leta, volgens het kadaster van ca. 1830. Bron: HisGis.

Op zoek naar gegevens over hondepaadjes, kom ik in een rechtbankverslag van 1873 de familienaam Leta tegen, in dit geval toebehorend aan een boer, woonachtig op de Smokerij onder Wedde.

Leta. In mijn UK-tijd was onze redactie-secretaris altijd heel goed te spreken over een gewezen student-redacteur die zo heette. Je zou denken dat de naam Italiaans, Frans of Zwisers was, maar ze blijkt zo Gronings als wat.

En ook nog bijzonder honkvast, zo leert een query in Alle Groningers. In totaal komen er in die databank 179 meldingen van de familienaam Leta voor en 150 daarvan (84 %), zijn afkomstig uit de gemeente Bellingwolde.

De naam is voor het eerst geregistreerd in een geboorteakte van die gemeente uit 1812. Een boer Albert Wirtjes Leta geeft dan ten gemeentehuize aan, dat zijn vrouw en hij een dochter hebben gekregen.

Deze Albert Wirtjes Leta heeft volgens het kadaster van ca. 1830 een boerderij te Leijte, oftewel op De Lethe, tussen Bellingwolde en de landsgrens, maar de grond erbij is een opstrekkende heerd van die grens tot een eind voorbij Bellingwolde. Bovendien heeft deze Leta nog zo’n langgerekte heerd op de Vriescheloër Vennen en Veenlanden ten zuiden van Bellingwolde, naast losse percelen op de Bellingwolder Binnenlanden richting Oudeschans en op Hebrecht. Voor al dat land hoefde Albert Wirtjes Leta maar weinig grondbelasting te betalen, maar toch moet hij een van de rijkere ingezetenen zijn geweest van het smokkelaarsnest De Lethe.

Alleen, waarom laat iemand zich naar zijn eigen woonplaats noemen? De Lethe heette immers ook wel Leta, bijvoorbeeld in kranten, zelfs vrij laat nog.

Achternamen moesten identificatie faciliteren. Als ergens twee bewoners bijvoorbeeld Jan Pieters heetten, dan ging men de ene Bos noemen en de ander Dijk, naar hun woonplaatsen. Maar er was geen andere Albert Wirtjes bij leven van  deze Albert Wirtjes, in heel Groningerland niet. De naam Leta diende er dus niet ter bevordering van een lokaal onderscheidingsvermogen.

Bewoners van De Lethe konden zich allemaal wel zo noemen. Het onderscheid dat de naam Leta in 1812 officieel aanbracht (en mogelijk eerder inofficieel als bijnaam, al weten we dat niet) moet dan hebben gegolden voor een wijdere omgeving. Albert Wirtjes was dus niet zozeer op zijn directe woonomgeving gericht, toen hij zich in 1812 zo liet noemen. Het is paradoxaal, maar juist door zijn wijdere oriëntatie liet hij zich precies plaatsen.

(Licht herzien op 14.1)