Kostverloren nummer 9

Tot nu toe vond ik acht Kostverlorens in Groningerland. Onlangs diende zich de negende aan.

In 1809 tekenen enkele landgebruikers (boeren) onder Nieuwolda namelijk bezwaar aan tegen het voornemen van een dijkrechter en enkele volmachten van het kerspel Midwolda, om de Kostverloren, waarlangs land onder Midwolda afwaterde, te laten verbreden en verdiepen. De boeren van Nieuwolda zijn helemaal niet gekend in dit plan, terwijl hun land langs de Kostverloren ligt en de opslag van vrijgekomen grond op dat land moet plaatsvinden. Bovendien vrezen ze dat de diepswallen vanwege hun nogal steile nieuwe glooiing weldra zullen instorten, en dat de Kostverloren dan ten koste van hun land opnieuw moet worden verbreed om meer solide wallen te krijgen. Ze zijn bang voor “enorme schaden” en nemen daar geen genoegen mee.

Intussen was de aanbesteding al geweest en het graafwerk al begonnen. De Nieuwoldiger boeren wilden alsnog worden gehoord, maar liefst met een minnelijke schikking als uitkomst. Al een dag na indiening van hun verzoek, belegde drost De Sitter een hoorzitting voor beide partijen, waarna het graafwerk gewoon conform bestek door mocht gaan. Alleen werd de bodem van de Kostverloren minder breed, zodat de wallen minder steil hoefden worden dan voorzien. Ook kregen de klagers hun gerechtskosten vergoed.

Over de Kostverloren wordt nog gezegd dat deze langs een “klijve” (overlaat, schot dat de waterstand maximeert) afwaterde op het Kattendiep, een bochtig kanaal ten oosten van het dorp Nieuwolda. Daarmee is de locatie van de Kostverloren vrij eenvoudig te bepalen. Op een gemeentekaart uit 1862 zien we inderdaad “het nieuwe Kostverlorenkanaal” staan, parallel aan en iets ten westen van de Kerkelaan door de polders tusen Midwolda en Nieuwolda. Dit nieuwe diep verving echter een ouder Kostverloren. Getuige de kaart van Beckering uit 1781 liep dat eerdere diep waarschijnlijk eveneens parallel aan de Kerkelaan, maar dan juist aan de oostkant ervan. Tachtig jaar later is daar geen spoor meer van over.

Hoe dan ook lag de Kostverloren binnen de bedijking van 1701 en moet dus nadien gegraven zijn voor de afwatering van lager land onder Midwolda. Kennelijk werd die afwatering in de oudste vorm beschouwd als een mislukte investering, vandaar de naam Kostverloren, die hier dan dateert uit de eerste helft van de achttiende eeuw.

Bron: Groninger Archieven, Toegang 731 (Gerechtelijke archieven van beide Oldambten) inv.nr. 6978: rekestboek, 18 en 19 Herfstmaand 1809.

 

 


Plaggenburg of Erica – duel om een boerderijnaam

Frederiksoord, 18 Aug. Eenige dagen geleden had in de onmiddelijke nabijheid dezer plaats een even komiek als zeldzaam voorval plaats. Op een gedeelte heideveld van de verscheiden (= verdeelde) marke van Vledder wordt eene kapitale boerderij opgetrokken. Door het grootsch aanzien, dat deze boerderij voorzeker krijgen zal, kwam men op het denkbeeld de behuizinge een naam te geven. Men was het hieromtrent evenwel niet eens, daar de een het den naam van “Plaggenburg” en de ander het den naam van “Erica” wilde geven. Bij het leggen van den eersten steen kwam men op de plaats der timmering tezamen en ziet, op het onverwachts traden twee mannen geharnast tevoorschijn, de een met groote Ietters op het harnas geschreven hebbende den naam van Plaggenburg, de ander integendeel dien van Erica. Toen men het niet eens konde worden, begonnen de beide geharnasten om den naam te duelleren, en, tot groote vreugde der omstanders, moest hij, die den naam van Plaggenburg op zijn schild voerde, het onderspit delven.

Bron: Provinciale Drentsche en Asser Courant 20 augustus 1856.

Commentaar: Waarschijnlijk vond het publiek bij het duel de naam Erica (voor heide) toch wat sjieker dan Plaggenborg. Erica is ook gebleven: nog steeds ligt er op de westkant van Vledder een Hoeve Erica. Destijds, in 1856, verrees de vroegste voorganger daarvan dus op een stuk onontgonnen heideveld dat het  gemeenschappelijke bezit was geweest van de boeren in de marke van Vledder, Het ging om een perceel vlakbij de grens van Vledder met de Koloniën van de Maatschappij der Weldadigheid (Frederiksoord).

In Groningerland ligt intussen wèl een Plaggenborg, namelijk tussen Wollinghuizen en Jipsinghuizen in Westerwolde. Afgaande op een gelijknamige familie die er vandaan kwam en wat oude kaarten, dateert dit Plaggenborg uit het derde kwart van de achttiende eeuw. Het hoorde bij Jipsinghuizen, werd gesticht op een ontgonnen stuk heidegrond aan de rand van het grote Bourtangermoor en lag bij een ruime bocht in de weg naar Wollinghuizen.

Wikipedia geeft een volksetymologische verklaring voor de naam van dit Plaggenborg:

deze verwijst naar de plek waar men de plaggen borg. Dus niet alleen het steken van de plaggen maar ook het stapelen (het bergen) om ze te drogen.

In een eerdere versie van het lemma zei Wikipedia nog:

Hoewel het niet meer zo wordt ervaren, is de naam een scheldwoord, verwijzend naar de plaggenhutten die door de bewoners als borgen (kastelen) worden gezien.

Al zou ik liever van een spotnaam dan een scheldwoord spreken, dit sluit mijns inziens wel wat meer aan bij de mislukte vernoeming in Vledder. In beide gevallen gaat het immers om een vestiging op pas ontgonnen heideveld. Mogelijk werd er bij zo’n ontginning geplagd, waarbij de plaggen als onderlaag in een potstal dienden. De met mest en gier verzadigde plaggen werden vervolgens gebruikt voor het bemesten van het ontgonnen land. Mogelijk gaven een of meerdere stapels plaggen dan de (goedmoedige spot)naam in.


De boerderij van Grutte Pier

Vorige maand brandde bij Den Horn een boerderij af, niet per ongeluk maar expres, voor opnames namelijk van de openingsscènes van Grutte Pier, de TV-serie. Naderhand sprak de Dierenpartij schande van deze cinematografische pyromanie, want er zouden vleermuizen, zwaluwen en kleine zoogdieren hebben gehuisd in en om het pand, dat al meer dan een halve eeuw onbewoond was. Ecoloog Jan Doevendans, die namens de provincie vooraf ter plaatse onderzoek had gedaan en zulke beestjes er niet aantrof, ontstak vervolgens in woede wegens de eerrovende implicatie als zou hij zijn werk niet goed hebben gedaan.

Bij alle commotie vroeg ik me steeds weer af waar die boerderij in kwestie toch in vredesnaam kon liggen. In de buurt van het spoor Groningen-Leeuwarden, werd gezegd, maar daar kende ik eigenlijk maar één enkele boerderij en die is wel degelijk bewoond (door mensen). Maar vandaag kwam me dan een adres ter ore: Hogeweg 12.

Dat ik de boerderij niet kende, is niet zo vreemd: vanaf de Hogeweg zie je er alleen maar een bosje. Van die kant af moet je inderdaad het spoor over, op een plek waar tientallen jaren geleden nog een spoorwegovergang lag, die allang buiten gebruik is gesteld. Hier heb je de locatie van de boerderij (in de oranje cirkel) op de topografische kaart:

Ter oriëntatie links de Hogeweg, onderin beeld de lintbebouwing van Den Horn en uiterst rechts omhoog de Langeweersterweg (alles rood). Vanaf linksboven loopt kruislings de spoorlijn dwars door het beeld naar rechtsonder. De oude ree of toegangsweg naar de boerderij is ook nog goed te zien. Het heem ligt een halve meter tot een hele meter hoger dan de omgeving en het grenst, zoals ook andere huisplaatsen hier meer naar het noorden, aan een heel interessante, brede meanderende sloot.

Ik zou het hier eerder Hoogemeeden willen noemen dan Den Horn, maar kan me voorstellen dat die eerste naam, hoewel veel ‘weidser’, te obscuur was voor de media.

In het licht van de dierendiscussie en meer nog Grutte Pier vind ik een andere oude naam hier trouwens ook wel toepasselijk: polder de Kriegsman. Ooit stond bij de Weersterweg, in het zuiden, een watermolen De Kriegsman – daar was die polder naar genoemd. Wie weet zat er ooit een bord op met een beeldmerk: een kloeke en kordate krijgschman die in de verre verte wel wat aan Grutte Pier deed denken.

Met dank aan M.

 


De achtste Kostverloren van Groningerland

Op een lijstje vastgoed met veldnamen te Marum en Niebert uit 1803 vind ik net dit item:

“een stuk hooiland te Marum de Kostverloren genaamt”.

Dat is dan de achtste mij bekende Kostverloren van Groningerland . De eerder bekende staan hier.

Bron: RHC Groninger Archieven, Tg. 735 (gerechten Westerkwartier) inv.nr. 98 (rekestboek) notitie d.d. 11 februari 1803.


Wildervanck klonk beter dan Paep

De tweede grafsteen van Wildervanck, uit de negentiende eeuw.

Tijdenlang is aangenomen dat de veenpionier Adriaan Geerts Wildervanck zijn eigen achternaam aan zijn prille veenkolonie Wildervank schonk. Met zo’n familienaam moest iemand bovendien van gegoede komaf zijn, zo dacht men en daarom werd er een mooie afstamming bij verzonnen: Wildervank zou duiden op jacht, Adriaans voorvader zou opperjachtmeester van de graaf van Bentheim zijn geweest, en de familie via een omweg langs Amsterdam in Groningen beland zijn.

Dit verhaal werd almaar mooier doorverteld, totdat Dolf Pathuis, ambtenaar op het Groninger Rijksarchief, het eens grondig aan de bronnen toetste. Een en ander bleek volledig uit de lucht te zijn gegrepen.

Om te beginnen waren Adriaan Geerts’ vader en grootvader smeden geweest. Ze bezaten een smederij in de Oude Ebbingestraat in Groningen. Adriaan Geerts’ grootvader had zich hier in 1594 vanuit Zwolle gevestigd.

Adriaen Geerts werd in tal van stukken van voor 1649 alleen met zijn patroniem Adriaan Geerts aangeduid, of, met een toenaam, als Adriaan Geerts Paep. Zelfs in het contract van 16 juni 1647 waarbij hij van het kerspel Zuidbroek een enorm uitgestrekt veengebied ten zuiden van Muntendam overnam, heet hij Adriaen Geerts Paep. Er zat geen Wildervank bij. Dat Paep was eigenlijk een spotnaam, die misschien tot geuzennaam evolueerde: Adriaan mocht graag laten merken hoe vroom hij was.

Pathuis trof de naam Wildervank niet aan in de stukken van voor 1649: niet als familienaam, noch als plaatsaanduiding. De allereerste melding van de naam was in een resolutie van GS op 14 juni dat jaar, waarna alras meerdere meldingen in rechterlijke stukken volgden. Maar in de oudste stukken is Wildervank eerder een plaatsnaam dan een persoons- of familienaam. Adriaen Geerts heet er bijvoorbeeld Adriaen Paep van Wildervanck. Cruciaal is een akte van 20 oktober 1649. De tekst spreekt van de “gemeenteveenen des carspels Suidtbroeck en Muntendam, nu de Wildervanck genaemt”. Zo’n lidwoordje ‘de’ duidt op een plaatsnaam, zo meende ook de naamkundige Wobbe de Vries.

Eerst was er de plaatsnaam. even later wisselde Adriaen Geerts zijn bijnaam Paep in voor Wildervanck. Veelzeggend is dat de opsteller van een akte uit 1650 hem naar ouder gewoonte nog Adriaen Geerts Paep noemde, terwijl de aldus aangeduide de akte ondertekende als Adriaen Wildervanck. Pathuis’ conclusie: “Wildervank is een nieuwe naam, twee jaren na den aanvang der ontginning aan een gedeelte der boven-Muntendammervenen gegeven en kort daarop als familienaam aangenomen door Adriaen Geerts Paep”.

Naderhand nam Adriaens broer, als het hem zo uitkwam, de naam Wildervanck over. Nazaten hielden deze naam ook aan. Hij klonk beter dan Paep.

Wat die naam Wildervank eigenlijk betekende, was men rond 1770 alweer vergeten. Het moest iets zijn met jacht, zo dacht men, vandaar ook dat men er die afkomst van een grafelijke opperjachtmeester bij verzon.

Pathuis dacht dat het lidwoord in de Wildervank op iets zelfstandigs wees, nam het Middelnederlands woordenboek van Verwijs ter hand en vond dat Wilderd of Wildert stond voor wilde, onontgonnen natuur (in dit geval hoogveen), terwijl Vanc of Vank het leggen van de hand op iets, of dat usurperen, in bezit nemen, betekende. De combinatie Wildervank duidde dus op het in bezit genomen zijn van de woeste heide hier. Op de oorspronkelijke, allang verdwenen grafsteen (uit 1662?) van Adriaen Geerts in de kerk van Wildervank stond een passage die hier ook mooi bij aansloot: Adriaan Geerts had in Wildervank zijn “wilde moer gevangen”.

Bron: Adolf Pathuis, ‘Adriaen Geerts Wildervanck’, Groningsche Volksalmanak 1941, p. 120-144.


Luizebos

Cornelis A. Hellemans, Figuren met een luizenkam (17e eeuw). Collectie Rijksmuseum Amsterdam.

In een verslag, uit 1923, van een vastgoedveiling te Deurze (een gehucht tussen Assen en Rolde) is sprake van een hele serie veldnamen, onder meer:

  • Bolmaat
  • Veldland
  • Jannenkamp
  • Luizeboschslag
  • Luizeboschtip

Op de Bolmaat zal een stier (bol) hebben gelopen. Veldland was ooit recent op de natuur gewonnen bouwland (vgl. Felland tussen Haren en Onnen), de Jannenkamp sloeg niet zozeer op een heropvoedingsinrichting voor rechtse types als wel op een stuk land dat oorspronkelijk buiten de es lag en op de natuur gewonnen was, en de Luizebosvariaties duidden op minderwaardige grond, waarbij de slag voor iets venigs zal hebben gestaan en de tip voor een overhoek.

Dat dan gezegd zijnde – toch aardig dat er een echte Luizebos bestond.


Het klauwregister van Hoogkerk

In 1661 vergaderden de eigenerfden van Hoogkerk meermalen in het Provinciehuis in de stad Groningen om een klauwregister vast te stellen voor de Schepperij (= waterschap) van Hoogkerk. Blijkbaar was daar eerder onenigheid over geweest. Afgesproken werd dat de eigenaars van de twintig grootste heerden land (= boerderijen met een bepaald minimum-areaal aan grond) elk om de beurt, en wel om de twee jaar, de Schepper zouden mogen benoemen, die het zijlschot en de schouwboetes zou innen. Zulke boetes waren grotendeels voor degenen die de Schepper benoemden en dat maakte het benoemingsrecht aantrekkelijk.

De manier waarop de Schepper zijn werk deed, moest blijven zoals die ‘altijd’ was geweest. Alleen werd bij loting de volgorde bepaald, waarin de eigenaars van de twintig heerden die aan de criteria voldeden, een Schepper mochten aanstellen. Het klauwregister legde deze “ommegangen” vast. Hieronder heb ik dat stuk in de eerste vijf kolommen samengevat, terwijl in de laatste twee kolommen de opvolgende eigenaren van de ommegangen uit de achttiende eeuw te vinden zijn:

1661 1701 evj. 1741 evj
Nr. Huisnaam Bij rechtstoel genoemd? Eigenaar Meier Eigenaar

 

Eigenaar

 

1 Lt. Derk van Ballen en Juffer Anna de Sygers Jantien, wed. Melis Geerts Heer van Aduard Heer van Aduard
2 Jr. Jan Dominicus Clant Reinder Peters en Oene Clasens Heer van Aduard Heer van Aduard
3 Wed. en erven Soll. Luitjen Jansen Hoving Grietje, wed, Hajo Arends Heer van Aduard Heer van Aduard
4 De Woltgraft Dr. Simeon Wychel Claas Derks en Frerick Siers Stad Stad
5 De Koningspoort Vrouw van Bierum Riener Crabbes Heer van Aduard Heer van Aduard
6 Geert Lubbers Hindrik Fockes Heer van Aduard Heer van Aduard
7 Het Hol Ja Provincie Pieter Claasen Stad Stad
8 Lt. Huysman Hermen Roelefs Heer van Aduard Heer van Aduard
9 Siccamaheerd Ja Dr. van Swinderen Wessel Hindriks Stad Stad
10 Elderhuisen Wed. en erven Lt. Johan Coenders Hermen Jacobs en Hermen Walichs Wiers Stad
11 Cruisemahuis ja Siabbe Abbringe Siabbe Abbringe Heer van Aduard
12 Jr. Doede Manninga, nu jr. Geert Horenken Jan Hermens Heer van Aduard Heer van Aduard
13 Elmersma ja Jr. Ulrich van Ewsum Gerrit Clasen Heer van Aduard
14 Armhuiszittend Convent Jacob Clasen Armhuiszittend Convent
15 Bangeweer Ja (Popko Jongeringsstede op Bangeweer) Dr. Simeon Wychel en Hermen Clasen Hermen Clasen Stad en Heer van Aduard samen
16 Joost Lewe op Klinkenborg Roelf Peters Heer van Aduard
17 Provincie Jan Clasen Buir Stad
18 De Luisenborgh Ja (eerder ook wel ’t Huis ten Hamrik) Erven Fennetien van Rhenen en co. Willem Jansen Heer van Aduard
19 Erven Johan Coenders + Armhuiszittend Convent Evert Jacobs Stad en het Armhuiszittend Convent samen
20 Godes Ackers Heerd William MacDowell + Jr. Ulrich van Ewsum Loech Onnes Heer van Aduard

In het stuk van 1661 staan 10 huisnamen – de overige heerden worden genoemd naar hun eigenaren. Van die 10 huisnamen zijn er maar 6 terug te vinden bij de 17 edele heerden die een stem in het kapittel hadden bij de benoeming van de rechter in Hoogkerk. Er moet veel meer overlap tussen de lijsten geweest zijn – er waren niet veel meer boerderijen in Hoogkerk. De lijst van de 17 inzake de rechtstoel stamt weliswaar uit 1754, en is daarmee beduidend jonger, maar gaat qua huisnamen waarschijnlijk veel verder terug, ik denk tot de zestiende of vijftiende eeuw. Niet alleen het kleinere aantal heerden doet dat vermoeden, maar ook de aard van de namen op die lijst: deze namen verwijzen veelal naar Friese eigenerfde families.

Hoewel de volgorde van 1661 bij loting is bepaald, lijkt er een route van noord naar zuid in de lijst te zitten. De Woltgraft lag op de hoek van de Kerkweg en het oostelijke deel van de Legeweg, waar nu een grote boerderij met een handel in tuinmachines staat. De Koningspoort lag op de hoek van het Koningsdiep en het Hoendiep, waar nu vloeivelden liggen van de suikerfabriek. Het Cruisemahuis, ooit Drents kloosterbezit, moeten we ook  in die omgeving zoeken. Elmersma, een borg met schathuis, lag op de zuidoostelijke hoek van het Hoendiep met de Zuiderweg. Bangeweer bestaat nog steeds als bult met restaurantboerderij. Maar dit zijn ook de enige heerderijn waarvan me de locatie bekend is, van de rest wil ik die nog zien te achterhalen. (Vooral de Luisenborg en de Godsakkersheerd intrigeren me.)

De eigenaren van 1661 waren voor tweederde deel jonkers, praktisch allemaal verschillende. Een paar heerden waren eigendom van de provincie, een paar andere waren van gewone namen en het Armhuiszittend Convent in de stad bezat ook nog anderhalve heerd. In de achttiende eeuw zijn er nog maar een paar eigenaren over: de Heer van Aduard heeft dan 12,5 ommegangen, de Stad 6 en het Armhuiszittend Convent nog steeds 1,5.

Van zowel de Heer van Aduard, als de stad als het Armhuiszittend Convent bleef een goede boekhouding bewaard, met staatboeken en rekeningen. In principe moet het daarmee mogelijk zijn de latere beklemde meiers van deze heerden te achterhalen, zodat er een verband is te leggen met het kadaster van 1830. En dat levert dan de precieze locatie op van alle genoemde heerden en daarmee van de huisnamen die tot nu toe nog niet thuisgebracht zijn.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 1605 (Stadsbestuur 1594-1816) inv.nr.8160 (klauwlijsten Hoogkerk, voorheen rnr 1311 d.)