Over hondepaden (2)

Op zoek naar honde(n)paden in woordenboeken, dienen zich voor Groningerland twee definities aan. De eerste komt uit Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19de eeuw (1887):

“Een binnenpad bijlangs of door het koren, waarvan men niet dan ter sluips gebruik durft maken. Een pad dat geen recht van bestaan heeft.”

Anno 1912 kwam deze omschrijving terecht in het WNT als:

“Naam voor een (ongeoorloofd) binnenpad bijlangs het koren.”

Hoewel het WNT met de haakjes gas terugneemt, benadrukken beide omschrijvingen het illegale of op zijn minst dubieuze karakter van een hondepad. Het bestaat, maar het mag eigenlijk niet bestaan. In Zuiderveen, anno 1802, was er echter geen sprake van illegaliteit. De gedupeerde Zuiderveensters meenden een gebruiksrecht te hebben op het af te snijden Hondepad, en dat recht werd zowel door de grondeigenaars als de regionale magistraat gerespecteerd.

De andere definitie, die van Ter Laan in zijn Nieuw Groninger Woordenboek (1952), is wèl op het Zuiderveenster geval van toepassing. Dat woordenboek omschrijft hondepad veel korter en globaler, maar ook beduidend minder karakteristiek als:

“Pad door ’t veld.”

Daarbij verwijst het nog naar hondeloane als “laan met onaanzienlijke huizen”. Dit zijpad van Ter Laan laat ik verder buiten beschouwing, al wil ik nog wel wijzen op twee officiële straatnamen, een eerste ten zuidoosten van Schildwolde en de tweede ten zuidoosten van Zuidbroek op grondgebied van Muntendam. In tegenstelling tot Hondelaan is Hondepad tegenwoordig nergens in Groningerland een officiële straatnaam, maar een pad is dan ook geen laan.

Welke van de twee definities – die van Molema of die van Ter Laan – deed nu het meeste opgeld? Dat valt te onderzoeken aan de hand van gedigitaliseerde kranten (Delpher) en andere publicaties (Google Books), die nog hondepaden opleveren te Meeden, Bellingwolde en Vriescheloo. Opvallend genoeg allemaal in Oost-Groningen, maar daar was het areaal (half)natuur of ‘veld’ dan ook veel groter dan in de Ommelanden ten westen van het Damsterdiep.

Meeden

Het pad in Meeden wordt slechts een enkele keer genoemd, namelijk in de bekendmaking uit 1849 van een vastgoedveiling, waarbij onder de hamer kwam

“een eind bovenbouwte tot aan het Hondepad”.

Dit Hondepad lag net als de gelijktijdig te veilen percelen ten zuiden van de Hereweg, dat is de hoofdweg door Meeden. Wellicht lag het Hondepad parallel daaraan en betrof het een nu verdwenen bovenstreekje. In elk geval impliceert het verschijnen van de naam Hondepad in een dergelijke bekendmaking dat die naam hier geen al te negatieve bijklank had waardoor men kopers zou kunnen afschrikken. Het Meedener Hondepad was dus meer conform de omschrijving bij Ter Laan, dan die bij Molema.

Bellingwolde

Anders was het gesteld met het hondepad bij Bellingwolde. Al eerder citeerde ik hier een rechtbankverslag uit 1895, dat over de omgeving van Bellingwolde opmerkt:

“De smokkelaars verdienden (?) een aardigen stuiver en kenden de hondepaadjes over heide en veld zoo goed, dat ze moeielijk te snappen waren.”

Dat rechtbankverslag gaat over een recent verleden, maar de Staatscourant rept in 1815 al over contrabande, aangetroffen

“op het zogenaamd Hondenpad onder Bellingwolde.”

Om wat preciezer te zijn gaat het in januari dat jaar om 4,5 kroes jenever, achtergelaten door een meisje dat op de vlucht sloeg, en in augustus om een ongemerkt roggebrood van 12 pond. Via bekendmakingen wilde de overheid graag achterhalen wie de wettige eigenaars waren.

Toch is dat Hondenpad bij Bellingwolde ook een (bijna) officiële gehucht- en straatnaam geweest. A.J. van der Aa maakte er in zijn Aardrijkskundig Woordenboek (1844) zelfs een apart lemma van, waarbij hij dit Hondenpad aanduidt als een

“voorname boerenstreek en voetpad in Westerwolde.”

Volgens hem lag dit pad parallel aan de rijweg Bellingwolde-Vriescheloo, op 5 minuten (= ruim 400 meter) lopen ten oosten daarvan. In totaal had het een lengte van anderhalf uur gaans (ongeveer 7,5 kilometer). Het begon in het noorden bij De Lethe en liep in zuidwestelijke richting over de Bovenstreek ten zuidoosten van Bellingwolde door langs Vriescheloo, om bij de Ossedijk te eindigen. Een topografisch-militaire kaart uit die tijd, die de naam Hondepad ook noemt (zowel bij Bellinwolde als bij Vriescheloo) geeft een indruk van het tracé, hoewel dat er niet helemaal op staat:

Het Hondenpad bij Bellingwolde (lila aangezet).

Het Hondenpad bij Bellingwolde (lila aangezet).

Van der Aa noemt dit Hondenpad eveneens bij zijn lemmata over Bellingwolde en Wittenburg (een hofstede of boerderij). Een wegwijzer voor Groningerland van enkele decennia later vermeldt het als de naam van een buurt bij Bellingwolde. Van het tracé lijkt nu weinig meer over, wat deels zal komen door de aanleg, omstreeks 1910, van het Boelo Tijdenskanaal, maar ook door herinrichting van het gebied. Zo bood de ruilverkavelingscommissie Blijham-Bellingwolde in 1963 voor afbraak te koop aan een huis met twee woningen onder één kap, op de adressen Hondepad 1 en 2, welk vastgoed het eigendom was geweest van een H. Renken Gzn. Of het hier een officiële straatnaam betrof, zou ik niet durven zeggen, maar het Hondenpad te Bellingwolde dook in 1972 nog op in een wervingsadvertentie van dagblad De Tijd.

De conclusie voor dit hondepad moet luiden, dat het zowel de negatieve als de neutrale naam had. Daarmee voldeed het aan de beide definities, gegeven door Molema en Ter Laan.

Vriescheloo

Een eind zuidelijker, bij het westzuidwestelijken uiteind van Vriescheloo, pal op de grens van de gemeenten Bellingwolde en Wedde, lag het volgende hondepad, dat in het najaar van 1873 aanleiding gaf tot een rechtszaak bij het Kantongerecht in Winschoten.

In de avond van 9 mei dat jaar betrapten hier twee Weddenaren, H.H. Kemies en K. Bos, een wandelaar wiens naam in de berichtgeving helaas niet genoemd wordt. De man liep op een perceel dat Kemies en Bos hadden verpacht aan hun dorpsgenoot, de landbouwer W. Leta, die de grond geschikt had gemaakt als bouwland, waarop hij haver inzaaide. Noch van de eigenaars, noch van hun pachter had de voetganger toestemming zich op Leta’s grond te begeven. Daarom diende de boer een klacht in bij het Kantongerecht, welke klacht gepaard ging met een eis tot schadevergoeding.

Bij de kantonrechter bekende de gedaagde grif de overtreding, waarop volgens het Wetboek van Strafrecht (art. 471) nog een geldboete van 1 tot 5 frank stond, bij wanbetaling te vervangen door een celstraf van één tot drie dagen. De gedaagde bestreed echter dat het wetsartikel van toepassing was. Volgens hem was het namelijk zo

“dat niet alleen hij, maar ook ieder ander sedert onheugelijke tijden herwaarts bedoeld land in de rigting van het noorden naar het zuiden en omgekeerd plagten te begaan, zonder dat zulks immer of ooit bevorens door of vanwege de eigenaren of gebruikers was verboden of te keer gegaan.”

Om dit te staven nam de beklaagde twee getuigen mee: de weduwe B. Holstein-Smook en H. Beishuizen, beiden uit Vriescheloo. De wed. Holstein gaf aan dat zij en wijlen haar man vroeger het behuisde plaatsje, nu door W. Leta gepacht, hadden bewoond en gebruikt. Dat plaatsje bevond zich nog net op Vrieschelooster grondgebied, maar het haverland in kwestie lag er onmiddellijk ten zuiden van op grondgebied van Wedde. Ertussenin lag een sloot, die tevens de gemeentegrens vormde. Beaamde zij eenvoudig de bewering van gedaagde, Beishuizen gaf aan dat hij en andere kinderen uit het zuidwestelijk deel van Vriescheloo ruim een halve eeuw eerder over het land in kwestie naar hun school in Wedde liepen.

Voor de kantonrechter vormde het meningsverschil aanleiding om ter plaatse poolshoogte te nemen. Dat deed hij in aanwezigheid van de officier van justitie en de beide partijen en hun vertegenwoordigers. Door dit uitstapje kwam hij tot de conclusie dat er geen sprake kon zijn van ontslag van rechtsvervolging. Dat buren eerder niet klaagden “om elkander onderling door eene meer gemakkelijke gemeenschap te gerieven”, sprak zijns inziens de overtreder niet vrij en evenmin deed dat het feit dat de schade altijd zo beperkt bleef dat er nooit vervolging werd ingesteld. Mensen uit de buurt mochten het onlangs in bouwland veranderde stuk veldgrond dan wel langdurig zonder tegenspraak hebben gebruikt als openbaar voetpad, maar dat was alleen maar omdat de eigenaar zulks gedoogde. Daarmee was er nog niet werkelijk sprake van een recht van overpad, temeer niet daar het vermeende buurtpad ontbrak op de gemeentelijke leggers.

Wel hield de kantonrechter in zijn strafmaat rekening met het aangevoerde. Hij legde dan ook de minimumsanctie op, te weten een boete van 50 cent. Betaalde de verdachte deze niet binnen twee maanden, dan ging hij voor één enkele dag de gevangenis in.

Ook wat betreft de civiele eis tot schadevergoeding hield de kantonrechter er rekening mee dat vroegere eigenaars en pachters van het land gedoogden dat het werd gebruikt

“als overgang of (gelijk het in de taal der landlieden in deze streken veelal wordt genoemd), als hondenpad“.

Het door Leta geëiste bedrag, dat niet als overdreven werd bestreden, hield de kantonrechter daarom beperkt tot 1 gulden terwijl de veroordeelde ook de proceskosten moest voldoen.

De veroordeelde accepteerde de uitspraak niet en vroeg cassatie aan bij de Hoge Raad. Eind dat jaar besloot dat rechtscollege echter, het bij de uitspraak van de kantonrechter te laten blijven. ‘Eenmaal een hondepad altijd een hondepad’ ging dus niet op.

Nog even weer de beide definities van Molema en Ter Laan ernaast leggend, moet gezegd worden dat die van Ter Laan hier meer van toepassing was. De term hondepad werd in deze zaak neutraal gebruikt.

Tot besluit alle genoemde hondepaden namelijk die van Zuiderveen, Meeden, Bellingwolde en Vriescheloo recapitulerend, blijkt dat de term slechts in één geval, namelijk dat van Bellingwolde, ook een negatieve klank had. De neutrale woordenboekdefinitie van Ter Laan is daarom, ondanks zijn beknoptheid, beter dan die van Molema, al zou ikzelf de smokkelconnotatie niet buiten beschouwing hebben gelaten.


Over hondepaden (I)

Zuiderveen en omgeving. Bron: Hisgis.

Zuiderveen en omgeving, ca. 1830. De heide met het veen is roze, bouwland wit en weiland groen. Bron: Hisgis.

Tussen Wester- en Heiligerlee, Winschoten en de Pekela bevond zich nog in 1830 een enorm heideveld, waar een eeuw eerder broodsmokkelaars uit Westerlee een lokale belastinggaarder hadden doodgeslagen. De oostelijke kant van die heide heette Zuiderveen, ook wel eens verlengd tot Winschoter Zuiderveen, of verkort tot Zuirveen.

De heide was hier al wel in veenplaatsen verkaveld, in lange stroken opstrekkend vanaf een slingerende bewoningsas in het oosten, eveneens Zuiderveen geheten. Waar de heide nog relatief de meeste plaats innam op die stroken, wat meer naar het zuiden toe, bezat de in Zuiderveen woonachtige wed. Harm Melles een veenplaats. Samen met de eigenaren van twee belendende veenplaatsen, ds. Tiddo Waldrik Siertsema van Eexta en de erven van de gezworene Amsingh uit Noordbroek, vatte zij het plan op, om hier turf te laten graven. Daarvoor moest er echter eerst een kanaaltje komen voor de afvoer van water en turf.

Zo’n kanaaltje kon je niet zomaar aanleggen, in dit geval al helemaal niet doordat het een voetpad en een rijweg tussen Winschoten en Pekela kruiste. Daarom wilden de weduwe Melles en consorten ten behoeve van dat voetpad “een genoegzaam bat of klap” over de wijk aanleggen, “en over de weg eene klapbrug”. Beide projecten zouden uiteraard op hun kosten worden uitgevoerd, evenzo het toekomstig onderhoud. Eind juli 1802 legden de weduwe Melles & co. hun plan met een “figurative kaart” voor aan de Winschoter dijkrichters en de Oldambster drost, “als de schouwing [en] overschouw respective hebbende over gemelde voetpad en rijdweg”. Zonder hun instemming konden beide benodigde doorgravingen immers niet doorgaan.

Op 21 september dat jaar lag er een advies van de dijkrichters, waarmee de wed. Melles & co. genoegen namen. Vervolgens zouden zij en de dijkrechters een contract opstellen, maar bleef het maandenlang stil.

Toch begon nog in 1802 het wijkgraven. Toen de arbeiders hiermee in het voorjaar van 1803 het voetpad naderden, kwamen echter vijf gezinshoofden van het Zuiderveen in het geweer:

  • Jan A. Udes
  • Hindrik Harms
  • Engelke Geerds
  • Jan Folkers
  • en Roelf Jans

Zij vertelden de drost dat ze in het bezit waren van een gebruiksrecht op

“zeker pat genaamd het Hondepat, lopende van het (Winschoter) Agterholt tot over de Zuiderveenster veenbouwten na de Pekela.”

Langs dit Hondepad lagen hun huizen of hemen. Ze gebruikten het om naar de Pekela te komen. Maar nu ervoeren ze dat de wed. Melles & co. op het punt stonden om dat pad door te laten graven en daarmee waren ze het volstrekt oneens,

“aangezien nu daardoor voor de rem[onstran[ten een omweg na de Pekela van meer dan een quartier uurs staat te worden geobtineert.”

Vandaar dat ze stopzetting van het werk wilden, wat de plaatselijke wedman door middel van een bevelschrift aan de wed. Melles & co. zou moeten overbrengen. Op 2 april 1803 willigde klerk Ogterop in afwezigheid van de drost het verzoek om zo’n bevelschrift in.

Blijkbaar was er te weinig rekening gehouden met deze Zuiderveensters die van het Hondepad gebruik maakten. De communicatie door de Winschoter dijkrichters zal dan ook vast niet optimaal geweest zijn. Hangende het geschil werden de rekesten van de adspirant-verveners ook niet afgeschreven in het Oldambtster rekestenprothocol. Dat gebeurde pas toen de hobbel gladgestreken was. Op 3 mei 1803 verleende de drost eindelijk zijn goedkeuring aan de plannen van de wed. Melles & co.,

“ter aansnijding van van eenig veen en de daartoe nodige doorsniding van het voetpat en rijdweg na de Pekela.”

Waar de nieuwe wijk kwam te liggen, is niet moeilijk te raden. Tussen Winschoten en Pekela kruiste even later namelijk maar één water de toenmalige rijweg en dat was de Zuiderveenster Hoofdwijk, tevens het enige kanaaltje van het Zuiderveen. Op bovenstaande HisGis-kaart, gebaseerd op het kadaster van ca. 1830, steekt dit kanaaltje vanuit het oosten als een winkelhaak in ‘t roze van de Zuiderveenster heidevelden. Even ten noorden van Oude Pekela (en het verdwenen Strobos) lost het nog steeds zijn water in het Pekelder Hoofddiep.

Waar het Hondepad precies lag, is een moeilijker te beantwoorden vraag. Van bovengenoemde vijf bezwaarmakers, zijn er dertig jaar later echter nog drie te herkennen in het kadaster, te weten Jan Alberts Udes, Engelke Geerds van der Veer en Roelf Jans Start. Alle drie woonden zij op het noordwestelijke uiteind van Zuiderveen.

Ook geeft de kadasterkaart een eindje ten westen van de klapbrug in de rijweg Winschoten-Pekela een tweede overbrugging weer, wat de bat of klap zou kunnen zijn die er werd neergelegd voor het voetpad.

Verder zijn wat oudere detailkaarten van Zuiderveenster veenplaatsen, die elk een glimp van het voetpad geven. Op een kaart van 1725 ligt dat een eind ten westen en parallel aan de rijweg, vlak langs enkele boerderijtjes. Op de kaart die de wed. Melles & co. in 1803 lieten maken, wordt dit voetpad inderdaad het Hondenpad genoemd en ligt het eveneens een eind ten westen van en evenwijdig aan de rijweg, min of meer op de grens van afgeveend land en heide. Op een schetskaartje van 1800-1810 tenslotte, vinden we de naam Hondenpad bovendien, opnieuw een eind ten westen van de rijweg en pal  ten oosten van een aantal herkenbare kadastrale nummers, die echter veel later met potlood op de kaart aangebracht zijn.

Een en ander geeft wel aanwijzingen, maar geen uitsluitsel waar we het Zuiderveenster Hondepad moeten zoeken. Zekerheid komt er pas door de kaart die Huguenin omstreeks 1825 maakte. Deze bevat een stippelllijn, die ik op onderstaande uitsnede met lila heb gemarkeerd:

Het Hondepad door Zuiderveen (lila). A = Woonplaats vande bezwaarden tegen afsnijding Hondepad ; B = Bat over door Zuiderveenster Hoofdwijk; C = Klap in de rijweg; D = Strobos; E = De toenmalige rijweg Winschoten-Pekela (nu verdwenen).

Het Hondepad door Zuiderveen (lila). A = Woonplaats van de bezwaarden tegen afsnijding van het Hondepad ; B = Bat over door Zuiderveenster Hoofdwijk; C = Klap in de rijweg; D = Strobos; E = De toenmalige rijweg Winschoten-Pekela (nu verdwenen).

Gemakkelijk is nu ook te zien, waarom nu juist de bewoners van het noordwestelijke uiteind van Zuiderveen (A) klaagden. Als ze naar de Pekela wilden, vormde de rijweg (E) voor voetgangers een enorme omweg, vergeleken bij het Hondepad. Afgaande op de kadasterkaart (maar niet op Huguenin) lagen hun boerderijen en andere huizen ook het verst van de rijweg af.

Intussen laat de kaart van Huguenin nog een andere, vanuit het zuiden recht doorgaande stippellijn zien. Dit andere pad blijkt deels de voorganger van de N972.

Morgen een vervolg over hondepaden in het algemeen en die bij Meeden, Bellingwolde en Vriescheloo in het bijzonder.

Bronnen, behalve de gelinkte: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (archief gerecht Oldambt) inv.nr. 6142 (rekestboek).


Leta – een familienaam thuisgebracht

Vastgoed van Albert Wirtjes Leta, volgens het kadaster van ca. 1830. Bron: HisGis.

Vastgoed van Albert Wirtjes Leta, volgens het kadaster van ca. 1830. Bron: HisGis.

Op zoek naar gegevens over hondepaadjes, kom ik in een rechtbankverslag van 1873 de familienaam Leta tegen, in dit geval toebehorend aan een boer, woonachtig op de Smokerij onder Wedde.

Leta. In mijn UK-tijd was onze redactie-secretaris altijd heel goed te spreken over een gewezen student-redacteur die zo heette. Je zou denken dat de naam Italiaans, Frans of Zwisers was, maar ze blijkt zo Gronings als wat.

En ook nog bijzonder honkvast, zo leert een query in Alle Groningers. In totaal komen er in die databank 179 meldingen van de familienaam Leta voor en 150 daarvan (84 %), zijn afkomstig uit de gemeente Bellingwolde.

De naam is voor het eerst geregistreerd in een geboorteakte van die gemeente uit 1812. Een boer Albert Wirtjes Leta geeft dan ten gemeentehuize aan, dat zijn vrouw en hij een dochter hebben gekregen.

Deze Albert Wirtjes Leta heeft volgens het kadaster van ca. 1830 een boerderij te Leijte, oftewel op De Lethe, tussen Bellingwolde en de landsgrens, maar de grond erbij is een opstrekkende heerd van die grens tot een eind voorbij Bellingwolde. Bovendien heeft deze Leta nog zo’n langgerekte heerd op de Vriescheloër Vennen en Veenlanden ten zuiden van Bellingwolde, naast losse percelen op de Bellingwolder Binnenlanden richting Oudeschans en op Hebrecht. Voor al dat land hoefde Albert Wirtjes Leta maar weinig grondbelasting te betalen, maar toch moet hij een van de rijkere ingezetenen zijn geweest van het smokkelaarsnest De Lethe.

Alleen, waarom laat iemand zich naar zijn eigen woonplaats noemen? De Lethe heette immers ook wel Leta, bijvoorbeeld in kranten, zelfs vrij laat nog.

Achternamen moesten identificatie faciliteren. Als ergens twee bewoners bijvoorbeeld Jan Pieters heetten, dan ging men de ene Bos noemen en de ander Dijk, naar hun woonplaatsen. Maar er was geen andere Albert Wirtjes bij leven van  deze Albert Wirtjes, in heel Groningerland niet. De naam Leta diende er dus niet ter bevordering van een lokaal onderscheidingsvermogen.

Bewoners van De Lethe konden zich allemaal wel zo noemen. Het onderscheid dat de naam Leta in 1812 officieel aanbracht (en mogelijk eerder inofficieel als bijnaam, al weten we dat niet) moet dan hebben gegolden voor een wijdere omgeving. Albert Wirtjes was dus niet zozeer op zijn directe woonomgeving gericht, toen hij zich in 1812 zo liet noemen. Het is paradoxaal, maar juist door zijn wijdere oriëntatie liet hij zich precies plaatsen.

(Licht herzien op 14.1)


Een schetsje van de Midwolder meenscheer

121

Nee, dit is geen schatkaart. Het kaartje is op zich een schat.

Het betreft een ruw, heel snel getekend potloodschetsje uit 1808-1810 van de Midwolder meenscheer, een gemeenschappelijk weidegebied waar boeren naar rato van het bedrag dat ze aan grondbelasting betaalden, paarden en vee mochten laten grazen.

Volgen we de contouren vanaf linksboven (het noordwesten) met de klok mee. Linksboven zien we allereerst de term hooiland staan en de aanduiding voor een huis met de naam Pasop. Het is de oudste naamsvermelding van Pasop, destijds een herberg. Over de weg hier zien we ook een aanduiding van de wring (= boerenhek) die passanten niet open mochten laten staan: Pas op!

Ter weerszijden van de oostelijke uitstulping van de meenscheer, rechtsboven en rechtscentraal, de kant van Lettelbert op, lag er ook boerenhooiland. De Midwolder meenscheer werd hier omgeven door drassige gronden, waar alleen in de zomer een snee hooi vanaf te halen viel. Hier in het oosten is de grens van de meenscheer niet direct herkenbaar gemarkeerd, maar de uiterste oostgrens lag zo ongeveer op dezelfde lengte als de kerk van Lettelbert.

Helemaal onderaan het schetsje, in het zuiden, zien we de kerk van Midwolde. Vanaf die kerk had je iets voorbij de dubbele kniebocht ter hoogte van de Hondehoek de oosterwring die toegang gaf tot de meenscheer. Op dezelfde hoogte, maar dan in het westen, bij de Hoge Traan en aan het begin van de Traansterweg, lag de westerwring, die het drietal toegangen tot de meenscheer completeerde. Vandaar naar het noorden kreeg je eerst de petgaten van de Traan en daarna een eendenkooi. Het hooiland waarmee we deze rondgang begonnen, bestond gedeeltelijk nog uit heide.

Over de meenscheer liep een tweetal wegen. Vanaf het noorden langs het huis Pasop had je de meenscheerweg, nu de N978 of Pasop, die naar het zuiden toe richting de westerwring zwenkte. De andere weg, richting oosterwring en kerk van Midwolde, heette “nieuwe weg” en was kennelijk recenter aangelegd dan de oude meenscheerweg.

Ten noordwesten van de meenscheerweg viel de grens van de meenscheer zo’n beetje samen met de huidige Traansterweg. In het tussenliggende gebied staan een rondje met het woord Bult en een slordig rechthoekje met de term Zantvoor. Bult was een lokale boerenfamilienaam, wellicht afkomstig van een huis- en/of veldnaam en van Zantvoor(t) ben ik geneigd hetzelfde te denken. Rond de nogal willekeurig aangegeven lokaties Bult en Zandvoort was de meenscheer al voor 1808 overgegaan in handen van particulieren die haar verkavelden. Iets wat in de decennia na het maken van de kaart met de hele meenscheer zou gebeuren.

Bron: RHC Groninger Archieven Toegang 626 (Huisarchief Nienoord) inv.nr. 604 (Processtukken die het recht van Nienoord op een groot aandeel in de meenscheer van Midwolde moesten verdedigen, 1808-1810).


Kikkerstreek, Kikkersteeg, Kikkerpolder

img291

Drie jaar geleden schreef ik hier over de toponiemen Kikkerstreek en Kikkersteeg, zoals die in Hoogkerk, De Poffert en Zuidhorn bestonden. De Kikkerstreken van Hoogkerk en De Poffert waren geen officiële namen en zijn in vergetelheid geraakt. De steeg in Zuidhorn daarentegen, waar de huisjes net zo klein waren, bestaat nog steeds, maar dan als Kikkerstraat. Naderhand ontdekte ik dat die officiële straatnaam ook in Aduard voorkwam, maar daar is verdwenen. Waarschijnlijk omdat hij stigmatiseerde. Zoals ik destijds al schreef, hadden al deze kikkerige woonoorden gemeen, dat ze relatief laag ten opzichte van hun omgeving lagen en dat de status van de bewoners ook een nederige was.

Maar niet alleen in het Westerkwartier werd de kikker vernoemd op zompige vestigingsplaatsen. Dat gebeurde ook in het Oldambt, aldus Jan Pieter Koers in het laatste nummer van Duvekoater. Tussen Midwolda en Scheemda had je daar namelijk de Kikkerpolder, een onofficiële aanduiding voor de Zuiderpolder. Ondanks het lage maaiveld (– 0,5 NAP)  woonden hier halverwege de negentiende eeuw al vier gezinnen, een aantal dat in 1900 tot vijftien vermeerderd was. Deze mensen leefden volgens Koers in kleine arbeidershuisjes, maar met grote tuinen:

“Net als Meerland en Niesoord was de Kikkerpolder de plek voor de allerarmsten. Ze moesten genoegen nemen met laag en daardoor dikwijls nat land, vochtige woningen en een onverharde laan naar de bewoonde wereld. In herfst en winter was het ploeteren door de modder.”

De Kikkerpolder bleef nog lang gevoelig voor wateroverlast. In de eerste decennia van de twintigste eeuw stond de omgeving er regelmatig blank.

J.P. Koers, ‘Kikkerpolder vroeger waterrijke woonplaats’, Duvekoater 55 (maart 2015).


Hoedekast, een intrigerende veldnaam

Zwarte driekante steek of tricorne. Museum Rotterdam.

Zwarte driekante steek of tricorne. Museum Rotterdam.

Begin 1785 speelde een proces over de Hoedekast: vijf grazen hooiland onder Lettelbert. Ik was eigenlijk niet op zoek naar veldnamen in het civiele prothocol van Vredewold, maar aan zo’n toponiem blijft mijn oog wel haken. Dat komt ook doordat het inconsistent lijkt: een kast staat immers rechtop, terwijl hooiland plat ligt. Dat maakt dan nieuwsgierig: hoe komen ze op zo’n naam?

Beetje googelen op Hoedekast levert meteen al het resultaat dat de eigenaren van de Hoedekast onder Lettelbert, de erven Van Ewsum, nog wel vier jaar hebben geprocedeerd tegen de huurder van dit hooiland, die in Romen onder Roden woonde.

En, verrassing: ik blijk niet de eerste die nieuwsgierig is naar de naam. De veldnamenonderzoeker Wieringa schreef er een artikel over in de Driemaandelijkse Bladen van 1976, aflevering 1. Dat heb ik maar eens rap geraadpleegd. Wieringa kwam de opvallende naam maar liefst vijf maal tegen: op de Zeyer es, op de Peizer Middelhorst, op de Glimmermade, in de Onnerpolder en ook bij Lettelbert aan het Leekstermeer, waarmee ik dan meteen een nadere plaatsbepaling van ‘mijn’ Hoedekast heb. Een Hoedekast onder Lieveren had Wieringa dan nog gemist, maar dat vergeef ik hem graag.

Want hij geeft ook nog eens een alleszins geloofwaardige verklaring voor de naam. Hem viel ten eerste de eendere vorm van alle percelen op: ze waren driehoekig. In het WNT vond hij de betekenis van hoedekas (zonder t, van het Franse cas) als beschermend foedraal voor een hoed. Het WNT verwijst naar een publicatie over Zaanse volkstaal, dat de hoed nader preciseert als een steek. De driehoekige stukken grond werden her en der dus Hoedekas genoemd, omdat hun vorm de naamgevers deed denken aan die van een foedraal voor een driekantige steek.

Wieringa verzamelde zijn veldnamen in de jaren 60 en 70 door lokale zegslieden ernaar te vragen, en in zijn artikel ontbreekt de historische dimensie. De driekante steek of tricorne was als manshoed zo tussen 1690 en 1770 in de mode. In die periode moeten de driehoekige lapjes grond de naam Hoedekas hebben gekregen. Het gaat dus niet om oud cultuurland, maar om grond die destijds in gebruik kwam en toen pas een naam kreeg.

Overigens kwam Wieringa ook nog latere verbasteringen tegen. Omdat hoed in de streektaal houd is, ontwikkelde zich wel de veldnaam Houtkast uit Hoedekas. Liggen misverstand, onbegrip en verkeerde conclusies hier al op de loer, een andere vervorming geeft daar helemaal aanleiding toe, te weten: Hoerekast.


Dialectiek der toponiemen

Op een dam aan de Lopsterweg onder Stedum ziet men dit plaatsnaambord:

2014-11-08 091

2014-11-08 092

Het bord, zo blijkt uit een stuk in De Stedumer van mei 2011 (pag. 8 e.v.), is een restant van een oudejaarsstunt van een paar jaar eerder. Een eindje verder ligt namelijk de buurtschap Juist onder Loppersum en de initiatiefnemers vonden het kennelijk nodig om zich hierbij aan te sluiten, onder gelijktijdige beklemtoning van de lokale eigenheid.

Het bord schijnt vervaardigd te zijn door het bedrijf dat ook officiële plaatsnaamborden maakt. Een van de initiatiefnemers wist de weg – hij werkt bij de gemeente Groningen als facility manager.