Rondje Lettelbert – Enumatil

Wal en sloot, Roderwolderdijk Hoogkerk:

Zilverreiger bij de Hooiweg tussen Roderwolde en Matsloot:

Ze gaan de bomen bij het gemaaltje daar rooien, getuige de gele stippen op de stammen:

Beuk bij het viaduct over de A7, Lettebert:

Kat met jong op zonnig stukje boswal, noordkant A7 bij het Lettelberterdiepje:

Koeienpaadje bij de Zuiderweg tussen Enumatil en Zuidhorn:

De skyline van Enumatil vanaf het Hornpad:

Blaarkop in Leegkerk:


Rondje Lettelbert – Leek – Leutingewolde

Rund bij de boerderij van het Groninger Landschap, Lettelbert bij de A7:

NIVON-camping bij het Lettelberterdiep:

Nienoord, Leek:

Bord met sluistarieven op de tentoonstelling over Leekster schippers in Museum Nienoord:

Leutingewolde:

Leutingwolde nabij ‘Sweers Anwende’:

Leutingewolde bij de Kring:

Foxwolde:


Roderoede blijkt bekkensnijder

In de nacht van 7 op 8 mei 1745 ging Roelof Pieters vreselijk tekeer op de “publike Heereweg tusschen de Hogemeeden en Aduard”. Met vier andere mannen liep hij van een boeldag op de Hogemeeden terug naar Aduard, zijn woonplaats. Eerst gaf hij zijn eerste metgezel

op een agterbaxe en onverhoedse wijze twee sneeden in het aangesight, de eene boven het oog, de ander even boven het kinnebakken”.

Vervolgens achterhaalde hij nummer twee, die op de vlucht was geslagen en diende hem een snee boven het oog en een kerf over de kin toe. Terwijl hij meteen daarop nummer drie een haal met zijn mes over de hand gaf.

Roelof Pieters moet een sterke kerel geweest zijn, als hij drie man zonder noemenswaardige tegenstand zo kon beschadigen. Op boeldagen werd nogal eens flink gedronken, maar bij dronkenschap gaat het vaak om blind geweld, en hier lijkt juist sprake van enige precisie, een bijna rituele strafoefening die bestond uit het letterlijk toedienen van gezichtsverlies.

In dit verband doet het ter zake dat Roelof Pieters de roderoede of veldwachter van Aduard was. Zijn baas, de redger, vond dit alles niet te billijken, maar “saken van de uiterste consequentie”, een roderoede des te minder passend “als sijnde in dienst van het gerigte”. Hier moest een voorbeeld worden gesteld. Toch wilde de redger ook niet al te hard zijn. Hij ontsloeg Roelof Pieters als roderoede van de jurisdictie Aduard en verbande hem voor zes jaar uit de provincie. Mocht Pieters die ban breken, dan dreigde een lijfstraf.

Onder de rechtstoel van Aduard vielen destijds ook Hoogkerk, Leegkerk en Dorkwerd. De roderoede van die onderhorige dorpen, Menne Derks uit Leegkerk, was eveneens bij de bloedige voettocht aanwezig geweest, maar had geen vinger voor de slachtoffers uitgestoken. Niet alleen had hij “geen de minste devoiren aangewend” om de bekkensnijderij door zijn Aduarder collega te beletten, ook liet hij na het gerecht erover in te lichten. Daarmee had hij zich schuldig gemaakt aan ernstig plichtsverzuim, en dat rekende de redger hem zwaar aan, zij het ook nu weer met enige coulance. Menne Derks moest bij wijze van boetedoening zijn ambt een half jaar lang gratis vervullen, terwijl zijn traktement voor die periode naar de diaconieën van Hoogkerk en Leegkerk ging, elk voor de helft. Als Derks in dat halve jaar zijn werk nog eens niet naar behoren deed, kreeg ook hij ontslag.

Roderoeden kwamen vaak voort uit de arbeidersstand en ze hadden het dus absoluut niet breed. Hoe zo iemand en zijn gezin moesten leven, als hij zijn werk gratis moest doen, vertelde de redger er niet bij. Dat kwam dan waarschijnlijk neer op bedelen, maar dat was verboden en illegaal – een roderoede had immers als eerste taak het weren van bedelaars uit zijn ressort.

Bron: Groninger Archieven, Toegang 735 (gerechten Westerkwartier) inv.nr. 178: beide vonnissen van 8 juli 1745.


Hoe de Tolberter Tocht weer open raakte

Soms kom je in oude stukken waterlopen tegen die allang niet meer bestaan, weggepoetst als ze zijn door verlanding, ontginning, ruilverkaveling en grootschalige woning- en utiliteitsbouw. Neem de waterlopen die Haro Casper, baron van In en Kniphuizen en Heer van Nienoord, noemt in het verzoekschrift, dat hij hartje zomer 1809 inleverde bij de drost van het Westerkwartier. In dat rekest klaagt de baron

hoe dat vooral in den winter ten uitersten word geïncommodeerd door het water uit de Veensloot in het zuidelijkste gedeelte van de Tolberter Togt, welk water van daar overloopt over het Nienoordsche Veld in het Nienoordsche Molenkanaal, waardoor nadeel aan de wallen van hetzelve kanaal wordt toegebragt, welke overloop van water word veroorzaakt doordien het meer noordelijk gedeelte van opgem[el]de Tocht niet in de vereischte staat word gehouden…

De Tolberter Tocht loopt van zuid naar noord door bijna het gehele kaartbeeld, Halverwege passeert ze de Vredewoldster zandrug, met daarop de hoofdweg Tolbert-Midwolde (rode lijn). In het zuidelijke brongebied of “Bovenland” lagen het Nienoordse Veld (paarse bolletjes) en het Molenkanaal, bezittingen van Nienoord die zeer te lijden hadden onder de slechte afwatering naar het noorden. Onderlegger: http://www.hisgis.nl

Die Tolberter Tocht, een “gegraven waterloop ter ontlasting van hemelwater van venen en landen”, vormde al sinds de vroege Middeleeuwen, toen de ontginning van het Vredewold begon, de vrijwel kaarsrechte kerspelgrens tussen Tolbert en Midwolde, tevens de grens van twee verkavelingssystemen. De tochtsloot liep (zie kaart) vanaf onontgonnen Nienoordse venen even ten noorden van de Wolveschans, tussen Tolbert en Midwolde door en langs De Traan naar het Wolddiep, dat op zijn beurt weer naar het Hoendiep bij Enumatil stroomde. De Tolberter Tocht diende primair voor de afwatering van het Tolberter Veld ten zuiden van Tolbert, waar een of twee Veensloten erop afwaterden. De heer van Nienoord bezat hier nog een complex onontgonnen hoogveen, dat afwaterde op zijn eigen Molenkanaal. Blijkbaar werkte de afwatering langs de Veensloten en de Tolberter Tocht niet meer goed, waardoor ’s winters al bij een betrekkelijk geringe regenval zich hier overtollig water over het (heide)veld een weg baande naar het Molenkanaal, dat dan schade aan zijn wallen opliep.

De Heer van Nienoord zag de periodieke winterse overstromingen met lede ogen aan en wilde er graag vanaf. Vandaar dat hij de drost verzocht om een lastgeving aan de Tolberter dorpsvolmachten of “boerrichters” die het toezicht op die Tolberter Tocht hadden – wat betreft Nienoord maakten ze hun afwatering meteen weer in orde. De drost echter, verzocht de volmachten eerst om hun visie op de zaak te geven. Nadat die besproken was, hielden de drost en de volmachten in het najaar een schouw van de Tocht. Daarbij bleek in het meest noordelijke deel van de Tocht, “doorgaans genaamd de Blinksloot” – dat door Nienoord nog als bottleneck was aangewezen, totaal niets aan de hand. Er zat volop water in dat onbelemmerd zijn weg vond naar het Hoendiep en de Kommerzijl.

Zuidelijker, met name daar waar de Tocht de aanmerkelijk hogere zandrug met de hoofdweg Tolbert-Midwolde passeerde, stond de bodem van de Tocht echter “geheel droog”. Ook bleek

dat al verder op onderscheidene plaatsen dwars door dezelve droge togt van de eene wal na de andere waren geplaatst vlaken of schuttingen van rijswerk, dienende om het vee te beletten om dezen togt te gebruiken tot ene passage van het ene land naar het andere; dat daarenboven nevens meergemelte togt op onderscheidene plaatsen zoo nauw was gegraven, dat uit hoofde van deszelfs diepte de wallen nauwelijks konden worden gehouden, daardoor in deselve waren ingesakt, terwijl op andere plaatsen de wallen van deselve togt zo nauw met bomen en ruigte waren beplant, dat men niet in staat was om dezelve behoorlijk te kunnen graven, of de uitgegravene aarde te kunnen bergen.

Op het droogstaande middenstuk van haar tracé bleek de Tolberter Tocht dus gecompartimenteerd met afrasteringen van natuurlijk materiaal die moesten voorkomen dat vee aan de zwerf raakte. Op andere plaatsen was de Tocht zo smal en diep, dat haar wallen waren ingestort, terwijl de tochtsloot nog weer elders dichtgegroeid was met bomen en struweel. Ongetwijfeld was hier zeer lang geen adequaat onderhoud geweest, misschien wel enige tientallen jaren niet.

Ten zuiden van de zandrug en vlak bij de Veensloot (of Veensloten?) lag het aanzienlijk lagere terrein waarover de Heer van Nienoord klaagde. Hier stonden de Tolberter Tocht en de Veensloot (Veensloten?) weer vol water. Dat kon er niet weg naar het noorden door genoemde “beletselen” op het middenstuk van de Tocht. Vooral aan de voet van de zandrug bleek de Tocht zeer nauw en slecht onderhouden. Een en ander is ook wel enigszins begrijpelijk: op het hoge middenstuk moest de Tocht immers het diepst ingegraven worden en was het onderhoud bijgevolg het duurst.

De Tolberter Tocht was de enige schouwbare afwatering van Tolbert. Iedere ingezetene die er belang bij had, kon “onwedersprekelijk” eisen dat de Tocht aan dat doel voldeed en dus in een goede staat van onderhoud werd gehouden. De drost gaf daarom de Tolberter volmachten bevel om in het vervolg te voorkomen dat iemand nog eens een “rijswerk of schutting” dwars in de Tocht zou zetten, als “strekkende notoir, vooral als enige ruigte met water afstroomt, van deselve tocht te stoppen en de vrije loop van het water te beletten”. Wel mocht iedereen “bijlangs de togt zijn wal bevredigen naar zijn rade” – aan de Tocht parallelle afrastering was dus wèl toegestaan.

Daarnaast moest op het problematische middenstuk van de Tocht en dan vooral aan de zuidkant van de zandrug de slootbodem zoveel mogelijk worden opgeschoond en verdiept, zodat “de bovenste of meest zuidelijk gelegen landen” niet meer zouden overstromen. Bomen en houtgewas die de afwatering hinderden moesten worden weggehaald door de eigenaars van de tochtslootwallen. Als zo’n eigenaar weigerde, moesten de volmachten dit melden bij de drost, die de aangeklaagde dan een proces zou aandoen. Als de volmachten er geen werk van maakten, of anderszins in gebreke bleven, kregen ze zelf de boetes die ze de nalatigen hadden moeten opleggen. Mogelijk is hier impliciet sprake van nog een andere oorzaak van de overstromingen: de laksheid, jaren en jaren aaneen, van de Tolberter volmachten.

Er zou ook overigens ook nog wel eens een derde oorzaak geweest kunnen zijn, een oorzaak die men destijds echter niet onderkende. Mogelijk was het Tolberter en Nienoordse Veld in kwestie allang begruppeld en voorzien van sloten, waardoor het veen oxydeerde en het maaiveld ter plaatse daalde. Is dat inderdaad gebeurd, dan moet dat de afwatering mede hebben bemoeilijkt. Uiteindelijk heeft men hier ook de handdoek in de ring gegooid, want de Tolberter Tocht ten zuiden van de zandrug verloor weldra haar functie nadat men hier in de negentiende eeuw de afwatering anders ging regelen.

BRONNEN:

  • Groninger Archieven, Toegang 735 (gerechten Westerkwartier) inv.nr.727: rekestboek. 26 hooimaand (juli) 1809 met op zich ongedateerde apostille (van 9 oogstmaand 1809); idem inv.nr. 729: protocol van notificaties en publicaties door de drost van het Westerkwartier, die van donderdag 16 Slagtmaand 1809.
  • Groninger Archieven Tg. 2137, inv.nr. 40-2: Kaart van de Leek, de Nienoort, Tolberter Togt &c. door Pieter Buwama Aardenburg, gedateerd op 1790-1805, maar mogelijk iets later gemaakt en dan samenhangend met (een vervolg op) de hier weergegeven verzoekschriftprocedure.

Rondje Schilligeham

Leegkerk:

Bij de ingang tot het erf van de boerderij Gravenburg – hun moeder zat achter mij in het weiland te jagen, ze wachtten haar op. Ik denk dat deze kittens een week of vijf, zes oud zijn:

Schutting met koeien bij Oostum:

Dijkcoupure bij Schaphalsterzijl:

Mosterdzaad bij Schouwen (het Groningse, zonder Duiveland):

Rijenteelt maakt micro-reliëf zichtbaar:

Arbeiderswoningen en de gewezen boerderij van Guikema aan de Onnesweg in Feerwerd:

Watermolen in de buurt van Steentil:


Rondje Lagemeeden – Leek – Leutingewolde

Kruin van wilg op Westpoort:

Voetbalmoe veulen op De Poffert:

Jugendstil grafhek op het kerkhof van Lagemeeden:

Belendende schuur:

Libelle rust even uit van het jagen op hoek grafmonument:

Dertien muizenholen op dit hele kleine stukje kerkhof:

Krans liet indruk achter op mos:

Schoonveld:

Het bankje staat niet echt in het zicht en er zit dan ook nooit iemand op:

Bloeiende krokussen, o nee pardon herfsttijloos voor de kerk van Oostwold (met dank aan Hendrika):

Vrij druk op het Leekstermeer:

Dorpsgezicht Leutingewolde:

Foxwolde – wilde bloemen bij schuur:

Om de hoek werd er gezweeld:

Masker van MacDonalds op het fietspad:

Thuis opgewacht door een mot in winterjas:


Vredewoldster rondje

“Barbertje moet hangen!”, dachten ze bij Nienoord, en ze knoopten Barbie op. Gezien de bewerkelijke strop zal het een kunstproject zijn?

Blokhut met hulpmotor steekt het Leekstermeer over:

Desperado’s gezocht in Enumatil:

Uitgebloeide kaardebollen bij het Hornsterpad: