Een professionele imkerij in Hoogezand

In een huwelijksakte uit 1820 heet het van Jan Davids Braam, wijlen de vader van de bruidegom in die akte, dat hij bij leven bijenhouder was geweest. In latere trouw- en sterfakten van zijn kinderen, opgemaakt tussen 1826 en 1846, heet dezelfde Jan Davids Braam echter koopman.

Deze Jan Davids Braam woonde zijn leven lang in Hoogezand. Hij bleek daar geboren in 1753 als zoon van een David Braam en trouwde er in 1782 een Sietske Eilders, met wie hij zeven kinderen kreeg. Zijn oudste zoons David en Eildert kwamen later even ambigu in burgerlijke standsakten terecht als imker en koopman.

Eind 1800 stierf Davids Jan Braam door een “uitterende ziekte van enige weken”. Omdat zijn weduwe zeven jaar later wilde hertrouwen, werd er in mei 1807 een boedelinventaris opgemaakt, die heel mooi laat zien wat de belangrijkste kostwinning van Jan Braam en zijn directe nazaten was.

Allereerst werd het huis getaxeerd op 1900 gulden. Zo’n bedrag stond destijds voor een degelijke middenstandswoning. Ook het interieur was goed burgerlijk, met weinig bijzonders, of het moest het dambord zijn, dat een liefhebberij verraadt. Bij de keukenspullen zitten al een paar potten met honing, maar dat is niets vergeleken bij wat er verderop genoteerd staat. Maar eerst passeren we de winkel, waar Jan Braam en zijn vrouw o.a. vet, cichorei, siroop, tabak, snuif, koffiebonen, zout, suiker, kandij, erwten en bonen, luiwagens, vegers, kammen , brillen, lampekatoen, verfstoffen en papier verkochten, naar ik vermoed vooral aan passerende schippers – het huis stond ook aan het diep.

De winkel voorbij, komen we bij de spullen van Braams’ bijenhouderij:

 

ITEM

GETAXEERD BEDRAG

(in guldens, stuivers en duiten)

Eenige ijmeplanken

15-00-0

149 korf ijmen à 6-5-0

931-00-0

Eenige lege korven

18-00-0

Eenige opzetsels

15-00-0

6 ymeledders

13-00-0

parsgereetschappen

95-00-0

15 pond witte honing à 5 ½ stuiver

41-05-0

Eenige ijme doeken

32-05-0

Eenige ijme kappen

17-00-0

3932 pond honing à 21 stuiver

825-14-3

10 Kroes Mee à 6 stuiver

3-00-0

De winkelinventaris, op zichzelf genomen, was iets meer dan 223 gulden waard. De spullen die met de bijenhouderij te maken hadden, werden met elkaar echter op ruim 2006 gulden getaxeerd, zo’n beetje het negenvoudige! Er zat dus veel meer geld in de imkerij dan in de winkel. Jan Braam was primair bijenhouder en daarna pas koopman en de latere burgerlijke standsakten geven een scheef beeld van zijn primaire kostwinning. Met die bijna 150 korven had hij ’s zomers ook wel een dagtaak aan zijn imkerij – denk alleen al aan de vele zwermen. De winkel zal in het bijenseizoen dan ook het domein geweest zijn van zijn vrouw.

Hoe ze boerden, is eveneens na te gaan aan de hand van de boedelinventaris. Bij zijn huwelijk in 1782 bracht Jan Davids Braam 900 gulden bij de gezamenlijke huishouding in. Na zijn dood schoot er voor gezamenlijke rekening van hem en zijn vrouw 3000 gulden over. De helft van dat bedrag was Jans aandeel, en die 1500 gulden ging naar de kinderen. De imkerij had goed gerendeerd, het gezin van de bijenhouder kon er ook na Jans dood best van leven.

 

 

Advertenties

Groningen in de ogen van Guicciardini

Soms blijft een naam hangen, om pas veel later weer op te duiken. Zo kwam de Florentijnse edelman Guicciardini in een van mijn eerstejaarscolleges ter sprake om diens beschrijving der Nederlanden uit 1567.  Dat boek werd in 1612 vertaald en die vertaling was in de zeventiende eeuw een bestseller in Groningen, zo bleek me decennia na dat eerstejaarscollege van prof. E.G. Waterbolk, toen ik bezig was met het doornemen van Stad-Groninger boedelinventarissen.

Dat Guicciardini’s werk zo goed verkocht in Groningen, was geen wonder, ontdekte ik vandaag. Er staat een vrij lange, vooral historische beschrijving van Groningen in het boek. Dit is wat de Italiaan aan de vooravond van de Nederlandse Opstand schreef over de Stad in zijn eigen tijd, dus aan de vooravond van de Nederlandse Opstand:

“De hooftstadt ende overhooft des Groeningherlandts is Groeninghen, ende gheeft den gantschen landt den naem, (…) Dese stadt (…) heeft veel vloedende ende staende wateren, midts het leyden van seer groote grachten eensdeels van natueren, ende eensdeels met handen der menschen gemaect. De stadt is groot ende schoon, met goede huysinghen. D’opper kercke is seer heerlijck, gewijdt ter eeren van Sint Marten, (…) in welcke kercke nu ter tijdt noch is een Orghele, ghemaeckt met de eyghen handt van Rodolphus Agricola (…). Het is een rijcke stadt van volck ende van goet, met een treffelijcke heerschappye binnen ende buyten. Oostwaerts ende Westwaerts heeft zy veel vruchtbare landouwen, ende groote menichte van dorpen. Noordtwaerts heeft zy bontghenootschap ende aenhanck met alle het landt dat lang ende breedt streckt tot de Zee toe: vol van goede dorpen met een vruchtbare landouwe tot weyde ende ende beestenvoeder, genoemt de Ommelanden, inhoudende Prelaten, Edelen ende Vereenichde, welcke al t’samen maecken het tweede lidt der Staten van Groeninghen, verstaende voor het eerste de eyghene stadt met de Wet. Men leeft hier gheschicktelijck ende borgherlijck, ghelijck in een vrye Republijcke: want dese stadt heeft seer groote privilegiën ende vrydommen van heuren Vorst: soo dat zy selve civilijck ende criminelijck rechtet nae heur weten ende landtrechten, sonder eenighe appellatie: ende de Koninck heeft daer alleenlijc eenen Stadthouder in civile saecken, maer in criminele doet zy nae heur maniere ende beliefte, ende mach gratie ende ghenade doen, ghelijck een vry Overheer. Oock en gheeft zy heuren Lantvorst niet meer dan twaelf duysent Karels gulden, bedraghende ses duysent kroonen s’jaers, in twee betalinghen.”

In het laatste derde deel van het citaat klinkt de verbazing van Guicciardini door. Als Italiaan was hij gewend aan een grote macht van de vorst, die Italiaanse steden kort hield. Maar Groningen mocht zich gedragen als een bijna vrije republiek! De Stad heeft eigen rechtspraak, zonder hoger beroep op de koning en diens centrale hof. En koning Philips krijgt zelfs niet meer dan 12.000 gulden per jaar uit Groningen… Verwonderlijk.

Ik denk dar de Groningers van 1612 en later het ook met enige verbazing gelezen zullen hebben. Misschien zelfs wel met een tikje weemoed. De belastingdruk was behoorlijk omhoog gegaan, in de laatste halve eeuw. En de heren genoten minder bewegingsvrijheid, ze konden maar beter goed luisteren in ‘Den Haag’. Alleen had de Stad zijn eigen rechtspraak nog, slechts dat was er overgebleven van die vrije republiek.


De brug van Westpoort (2)

Zolang hij er staat heb ik hem, geloof ik, nog nooit omhoog zien gaan – de brug van Westpoort:

Zo bekeken heeft het beeld wel wat van een overgave:
Om dat effect tegen te gaan, zou men kunnen overwegen om diabolo’s tussen die armen te hangen. Dan zijn het armen van jongleurs en niet meer van soldaten.

Of als het op zijn goedkoopst moet, er rode Chinese lampionnen ophangen. Die heeft Openbare Werken vast nog wel plenty op voorraad.

Op de brede gedeelten onderaan van het hamei in deze stand zijn tevens beeldschermen denkbaar met rustgevende filmpjes voor de opgefokte automobilist.


Bevalling in het land

Was bezig met een rondje Leegkerk en had nog weinig bijzonders gezien. Maar bij de Tichelwerkbrug was er reden om af te stappen.

De boer leek de koe mee te willen nemen aan het touw, terwijl de koe zich van hem afdraaide:

Opeens zag ik wat er gebeurde – er werd een kalf geboren!

Het leek er eerst niet zo’n zin in te hebben, in het verlaten van zijn comfort zone:

De boer trok uit alle macht:

En het eerste stukje was eruit:

Het kalfje rechts op het hooibultje was van een andere koe en gister geboren, ook in het land. De boer zei achteraf dat dat veiliger was dan in de stal met alle vliegen:

Hij zette zich even extra schrap:

En daar verscheen de rest van het kalf:

We zijn er bijna, maar nog niet helemaal:

Centimeter voor centimeter:

Nog een laatste haal:

En daar lag het kalf in het gras. Terwijl de boer het beestje begon te inspecteren, begon de koe haar jong te likken:

Nog even kijken naar het geslacht (ben helaas vergeten te vragen wat het was):

Nog even kijken naar de ogen:

Ook tante kwam er even bij en heette de nieuweling welkom in de kudde:

Alles wel met moeder en kind:


Ommetje Gaaikemadijk – Sprikkenburg

Grazend zwartbont vee bij het Aduarderdiep, met op de achtergrond de Martinitoren:

Paarden op een rijtje aan een kalmoesbuffet

Wat dichterbij gehaald:

Populierenlaan, Gaaikemadijk:

Verbaasde me dat er met deze droogte nog water over dat stuwtje heenkwam, maar dat zal het IJsselmeerwater zijn dat bij Gaarkeuken de provincie binnenkomt:

Tractor van een wat ouder model bij schuur Gaaikemadijk:

Roodbonte schrikt van mij op dam bij de Sprikkenburg (fietspad langs het Van Starkenborghkanaal):

Dobberend op het Reitdiep bij de Dorkwerdersluis:

Relaxte aalscholver:

De oude heer S. en zijn kameraden op het leugenbankje bij de Paddepoelsterbrug:

Agent 327 in tunnel tussen industrieterrein De Hoogte en de Westindische buurt:

Nog even een ijsje gehaald bij de Zuiderhavensluis:


Zwanendriften (1814)

Het onlangs verschenen genealogisch jaarboek Gruoninga bevat een lijst van zwanendriften. Het is een cumulatieve lijst die is aangelegd in 1814, waarna de mutaties en aanvullingen tot 1837 zijn bijgeschreven. Op de lijst staan ruim 400 namen, vooral van jonkers, dikke boeren, en hogere burgers, die van de provincie het recht op zwanendrift hadden gekocht. Zo iemand, een ‘zwanendrifter’ geheten, mocht een bepaald aantal knobbelzwanen houden in zijn omgeving, waaraan hij deze vogels bond door ze te laten leewieken (hun vleugels iets in te korten). Oorspronkelijk was het recht van zwanendrift een jachtrecht, behorend tot de heerlijke rechten die men na de Bataafse Revolutie van 1798 afgeschaft had, maar die in 1814, na een partiële restauratie, weer hersteld waren als gewoon eigendomsrecht. Zwanenvlees gold van oudsher als herenkost, maar afgezien van het vlees hield men zwanen waarschijnlijk ook om hun dons en pennen.

Omdat me iets opviel aan de lijst, heb ik de plaatsen waar die zwanendriften gevestigd waren in 1814, dus toen de oorspronkelijke lijst met vergunningen opgemaakt werd, in kaart gebracht. Deze plaatsen bevonden zich vooral in Hunsingo en Fivelingo en in het kleigedeelte van het Westerkwartier, met andere woorden: het aloude jonkersgebied. Het zuidelijk Westerkwartier, het Oldambt, de Veenkoloniën en Westerwolde zijn niet of nauwelijks vertegenwoordigd. In de Oost-Groninger contreien bestonden voor 1795 ook geen heerlijke rechten meer. Aan de ene kant zal er dus continuïteit met de toestanden van voor de Bataafse Revolutie zijn geweest; aan de andere kant vormden de hogere zand- en hoogveengebieden ook niet zo’n biotoop voor zwanen: of er was te weinig breed, open water, of dat water werd te druk bevaren.

Bron: J.P.A. Wortelboer, ‘Zwanendriften in de provincie Groningen (1814-1837’, Gruoninga 2012, 177-186.


Overtreding van een samenscholingsverbod

Mijn oudste, zeer gewaardeerde collega kwam vandaag aanzetten met een proces-verbaal van de “openbare terechtzitting van het Kantongerecht Winschoten” op 15 augustus 1929.

In die zitting moest voorkomen Jan Perton, geboren 23 januari 1895, van beroep timmerman en wonende te Finsterwolde op het adres Klinkerweg D 183. De kantonrechter had er weinig werk van, want de beklaagde liet verstek gaan. Als getuige werd gehoord Auke Feenstra, opperwachtmeester der marechaussee, gestationeerd in Finsterwolde. Hij had Jan bekeurd wegens een “algemeen politie-voorschrift krachtens de gemeentewet in buitengewone omstandigheden, door den Burgemeester uitgevaardigd” op 29 mei 1929.

Het herkennen hiervan vereist wat achtergrondkennis. Dat jaar was het jaar van de grote landarbeidersstaking. Op de avond van 28 mei was hotel De Unie in Finsterwolde belegerd door honderden arbeiders, die er onderkruipers vermoedden. Ramen waren er ingekinkeld. De marechaussee voerde charges uit en had daarbij ook geschoten. Drie mensen raakten gewond. Een van de drie, de venter Eltjo Siemens die alleen maar toeschouwer was, kreeg een kogel in de buik en stierf op de 29ste mei. Het voorschrift dat Jan Perton overtrad, was die ochtend om 8 uur afgekondigd. Het betrof een samenscholingsverbod voor groepen van meer dan vijf personen.

Wanneer Jan Perton het samenscholingsverbod overtrad, staat niet in het proces-verbaal. Dat kan ook een maand of wat later geweest zijn. Hoe dan ook, de kantonrechter veroordeelde Jan tot 4 gulden boete, waarschijnlijk het standaard-tarief.

Deze Jan Perton (1895-198?) was een drie jaar jongere neef van mijn grootvader en woonde twee huizen verderop aan de Klinkerweg. Hij was een zoon van Aike Perton, een timmerman, en net als zijn vader timmerman. Zo staat hij tenminste in dat proces-verbaal van 1929 geregistreerd. Maar hij moet toen ook al chauffeur geweest zijn. In 1950, als hij en zijn vrouw naar de Stationsstraat in Winschoten verhuisd zijn, krijgt hij namelijk een ANWB-insigne met bijbehorend diploma voor een kwarteeuw professioneel chaufferen. Hij is dan buschauffeur bij de GADO.

Zijn vrouw, Grietje Kuipers, kwam uit de Stad. Haar vader was stoombootkapitein. Ze schijnt nogal goedlachs te zijn geweest. Vlak voor de Bevrijding, toen ze nog in Finsterwolde woonden, vierden ze hun zilveren huwelijk. Dat was noodgedwongen een sober feest, vernam ik jaren geleden eens van hun neef. De jenever die op tafel kwam, was verkregen via een ruilhandeltje, en mensen namen hun eigen vleeswaren mee voor de hap bij dit borreltje.

Voor zover ik kon nagaan zijn Jan Perton en zijn vrouw eind vorige eeuw uit de tijd geraakt. Er staat nog een foto op Flickr uit 1961, toen Jan net gepensioneerd was en ze samen met een ander echtpaar op reis waren.

Met dank aan Reg Mulder.