Wat niet weet, wat niet deert

Toen in 1786 in de Groninger synode het voorstel aan de orde kwam om de synodale handelingen  te drukken, had de classis De Marne niet alleen de kosten en het gebrek aan noodzaak als redenen om zich daartegen te verklaren. Nee, ook bracht het als argument naar voren dat

“er vele dingen in de synodale acten voorkomen, welke van zulk een aart zijn, dat ze niet gevoeglijk in elks handen diende te wezen, en ’t welk echter niet zou kunnen worden voorgekomen zo de acten gedrukt wierden.”

Commentaar: de meerderheid van de predikanten bestond in De Marne uit patriotten, maar de notie dat democratisering gepaard moest gaan met openbaarheid van (kerk)bestuur, was kennelijk nog niet diep doorgedrongen. De synodale handelingen bevatten natuurlijk ook tal van schandaalverhalen over predikanten die scheve schaatsen reden, de openbaarmaking van dergelijke historiën zouden het ontzag voor het kerkelijk ‘leraarsambt’ zeker niet bevorderen.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 183 (archief classis De Marne) inv.nr. 5: Handelingen 1769-1816) 10 april 1787.

Advertenties

Loempiaman nu met credo


(Op de wijkmarkt van Hoogkerk.)


De Lagemeedenster parkeerkwestie

Nog steeds ligt er midden in het land van het afgelegen Lagemeeden een eenzaam kerkhof. Tot diep in de negentiende eeuw stond daar een middeleeuws kerkje op, zo eenvoudig dat het zelfs geen toren had.

Op deze kerkverlaten plek is drukte onbekend. Hoogstens pruttelt er een paar maal per dag een tractor voorbij. En toch is het ooit wel eens anders geweest. Zo heeft zich hier in 1793 een ernstig parkeerconflict voorgedaan.

Op zaterdag 3 augustus dat jaar diende Cornellis Bolt namens twaalf ingezetenen van Hogemeeden, “behorende ter kerke, welke op de Lagemeden is staande”, een verzoekschrift in bij het gerecht van Vredewold. Als de toestand van de wegen het toeliet, zo schreven Bolt c.s., dan reden ze “ter meerder gemak soo voor hun selvs als vrouwen en kinderen” met hun rijtuigen naar die kerk. En “zedert ondenklijke tijden” hadden ze dan het recht om

“geduirende de predikatie hun wagen en paarden te bergen op het hiem van Gerrit Luitjens, zijnde een pastoriemeyer, het naast aan deselve kerk wonende…”

Het kunnen parkeren bij deze buurman van de kerk, die zijn land van de dominee pachtte, was voor de Hogemeedensters “van het uiterste belang”, zo zeiden ze,

“doordien er geene herberge daar ter plaatze word bevonden, en ook geen andere gelegenheijdt is om hunne paarden en wagens elders te bergen.”

Hoewel Bolt c.s. meenden dat Gerrit Luitjes absoluut geen nadeel kon ondervinden van dit ”reght”, was Luitjes kort voordien zo onvriendelijk geweest, ze dat recht te ontnemen, en het stallen van hun paarden en wagens op zijn heem te verhinderen. Dit moest, zo meenden de Hogemeedensters, wel voortkomen uit “een misverstandt en verkeerde opvatting”. Ze vertrouwden erop, dat het gerecht Luitjes’ bezwaren gemakkelijk zou kunnen wegnemen. Omdat de Hogemeedenster kerkgangers alleen een rechtszaak wilden beginnen als het echt niet anders kon, verzochten ze de grietman (rechter) om diens bemiddeling. Aan hun acute “ongerijv” moest liefst zo snel mogelijk een eind komen.

De grietman vroeg om de zienswijze van Gerrit Luitjes. Die bleek het volstrekt oneens met die lui van Hogemeeden. Hij weigerde inhoudelijk op hun verzoekschrift in te gaan, maar was benieuwd naar het bemiddelingsvoorstel van de grietman.

De grietman stelde voor dat de pastoriemeier de Hogemeedensters weer toestemming zou geven voor het parkeren van hun rijtuigen op zijn erf tijdens godsdienstoefeningen, “mits zij die plaatz met palen en staketten afschutten, opdat hem geen schade of overlast geschiede”. Bovendien zouden ze hem jaarlijks 4 ducatons voor de collectieve parkeervergunning moeten betalen.

Dat bedrag kwam neer op 12 gulden en 12 stuivers, dus 1 gulden en 1 stuiver per jaar voor iedere ondertekenaar van het verzoekschrift, of nog geen halve stuiver per zondag. Maar als er werkelijk sprake van een gewoonterecht was, zoals de Hoogemeedensters aanvankelijk beweerden, dan kregen ze hier toch wel wat te slikken. Zij namen dan ook “geen genoegen” met het voorstel van de grietman, en dat deed Luitjens evenmin, zodat de grietman nog weer eens opnieuw een verzoeningssessie agendeerde, terwijl hij beide partijen aanbeval, “zig hyr op te beraden”.

In die tweede zitting, op 8 oktober, bleek dat de kerkgangers van Hogemeeden wel een hek om de parkeerplaats op Luitjes’ erf wilden zetten, “maar dat zij er niet toe konden resolveren om daar en boven enig geld te geven”. Luitjes deed net of dit hem hogelijk verbaasde. Hij van zijn kant voelde er niet voor “om een last op sijn gebruikende plaats te halen”.

Hierop deelden die van Hogemeeden mee dat ze hun verzoekschriftprocedure niet wilden doorzetten. Ze zouden de kosten betalen en kijken of ze hun recht op een andere manier gingen halen.

Noch bij het gerecht van Vredewold, noch bij de Hoge Justitiekamer zijn ze zo’n proces begonnen. De Lagemeedenster parkeerkwestie raakte finaal in de vergetelheid, tot nu.

Bronnen:

  • Groninger Archieven, Toegang 135 (Gerechten Westerkwartier) inv.nr. 98: rekestboek Vredewold, notities d.d. 3 en 10 augustus 1793; idem inv.nr. 95, rechtdagenprotocol Vredewold, 24 september 1793 (fol 502-503) en 8 oktober 1793 (fol 509-510).
  • Over de kerk van Lagemeeden: Jan Oldenhuis, ‘Lagemeeden, een merkwaardige plek voor een kerk’, Stad & Lande 2010-4, p. 41-43.


De achtste Kostverloren van Groningerland

Op een lijstje vastgoed met veldnamen te Marum en Niebert uit 1803 vind ik net dit item:

“een stuk hooiland te Marum de Kostverloren genaamt”.

Dat is dan de achtste mij bekende Kostverloren van Groningerland . De eerder bekende staan hier.

Bron: RHC Groninger Archieven, Tg. 735 (gerechten Westerkwartier) inv.nr. 98 (rekestboek) notitie d.d. 11 februari 1803.


Al vroeg circus op de Leekster jaarmarkt

Vredewold den 27 May 1794.

Bij het E.E. Gerighte sijnde gelesen het request van N. Lion houdende hoe graag wenschte te obtineren om geduirende de markt sijne diverse konsten, bestaande in koordansen en balanceren, in sijne tent te vertonen, alvorens van UE[del] Gestr[enge] gratieuslijk versoeke: ten einde UEd Gestr goedgunstig gelieve te behagen den suppl[ian]t te permitteren de aanstaande markt alhijr te mogen vertonen.

/was geapostill[eerd]/

Het E.E. Gerighte accordeert aan den supplt het versoek om in de aanstaande kermis van sijn konsten te vertonen in een tent, waartoe de plaats door den gerigtswedman zal worden aangewesen, en recommandeert aan den supplt om van sijn inbeuringe de diakonije op de Leek mildelijk mede te delen.

Commentaar: Van Lion, de indiener van het verzoekschrift, vraag ik me af of hij niet iets te maken had, of te identificeren is met Lion Kinsbergen. Volgens advertenties was die vroege circusdirecteur pas in 1796 actief in Amsterdam en kwam hij pas in 1801 voor het eerst in Groningen met zijn troep koorddansers, acrobaten en ruiters, maar hij kan natuurlijk voor die tijd in kleinere provincieplaatsen hebben opgetreden met een beperktere troep..

De jaarmarkt van Leek vond waarschijnlijk een paar dagen na de indiening en inwilliging van Lions verzoekschrift plaats op Hemelvaartsdag, altijd een belangrijke dag voor het Vredewold. Jaarlijks werden op die dag de buurrichters van de dorpen beëdigd op de kerkhoven van Tolbert (voor die van Vredewold-oost), en Nuis (die van Vredewold-west).

Helaas is er geen diaconierekening over 1794 in het kerkarchief van Midwolde en Leek bewaard gebleven. Of Lion inderdaad iets aan de armen afdroeg, en hoeveel dat dan was, blijft dus onbekend.

Bron: RHC Groninger Archieven, Tg. 735 (gerechten Westerkwartier) inv.nr. 98 (rekestboek).


Rondje Niebert – Jonkersvaart

Doorzonschuur, Oostwold:

Aan de Halbe Wiersmaweg bij Niebert kan je tegen geringe betaling in vijvers vissen op forel, die ze ook wel voor je willen roken:

Schuur aan dezelfde Halbe Wiersmaweg:

Schapen in coulissenlandschap, nog steeds aan die weg bij Niebert:

Hoekje Grouwweg, tussen Niebert en Jonkersvaart:

Jonkersvaart – de voorgevel wilden ze houden, alles erachter mocht wel weg:

Jonkersvaart naar het westen, richting De Wilp:

‘Hut’ onder verkleurend geboomte, Jonkersvaart:

Witte paarden bij populierenlaan en gebraakte grond, Jonkersvaart:

Stoppelveld bij Terheijl:

Op de Onlanden overheerste een rooiige kleur, het was er nog vrij druk trouwens:

Hamersweg, Peizermade:


Hoe het Oldambt ‘t Westerkwartier voorbij streefde

Hoera! Want ik heb ze teruggevonden: mijn aan elkaar geplakte kopieën van de grote vellen ruitjespapier met de Groninger belastingopbrengsten in de zeventiende en achttiende eeuw. Begin jaren 80 kreeg ik die cijfers van de heer Tijms op het Nederlands Agronomisch Historisch Instituut (NAHI), destijds aan de Vismarkt. Tijms had ze verzameld voor zijn baas, Meihuizen, die ze maar voor een beperkt deel gebruikte voor de Historie van Groningen (1976), een handboek, waar dat beperkte deel dan ook nog eens vrij klein is afgedrukt (veel historici hielden destijds niet zo van cijfers en grafieken). Maar nu vond ik dan de hele bups terug, met alle aparte rijen voor Westerkwartier, Hunsingo, Fivelingo, het Oldambt en de Stad (Westerwolde viel als Generaliteitsland fiscaal nog onder de Staten-Generaal).

De cijfertjes van Tijms, en dan vooral die van het ‘heerdstedengeld’, kon ik heel goed gebruiken voor de lezing die ik afgelopen woensdag gaf. De globale conclusies die ik eruit trok, had ik nog wel paraat, maar die wil je toch ook graag voor je publiek visualiseren, inzichtelijk maken met beeld. En dat ontbrak eraan, door de affreuze vermissing van de lappen gekopieerd ruitjespapier.

Het ging me vooral om het ‘heerdstedengeld’, een belasting op werkzame haarden in huizen. De opbrengsten van deze heffing geven bij gebrek aan bevolkingscijfers namelijk een mooie indicatie hoe een bevolking zich ontwikkelde: aangezien verreweg de meeste huizen slechts één heerdstede of haard hadden, terwijl het gemiddelde aantal bewoners per huis ongeveer gelijk bleef (4,5 à 5 per huis), duiden groeiende opbrengsten van het heerdstedengeld op vermeerdering van het aantal huizen, en daarmee bevolkingsgroei, terwijl afnemende opbrengsten duiden op demografische krimp.

De cijfertjes van Tijms had ik nodig voor een vergelijking van het Oldambt met het Westerkwartier. Wat betreft die gebieden heb ik de opbrengsten van het heerdstedengeld nu maar meteen ingevoerd. Voor het Oldambt ziet de grafiek er zo uit:

Het gaat om de bovenste, donkerblauwe lijn (A). Helaas zitten er twee gruwelijke verspringingen in, door een tariefsverdubbeling met nog wat kleine verhoginkjes van 1701 op 1702, en het met ingang van 1764 heffen van heerdstedengeld in Veendam e.o., kontreien die tot dan toe genoten van een veenkoloniale vrijstelling. Deze verspringingen zijn echter vrij gemakkelijk weg te poetsen, door vanaf 1764 de meeropbrengst van dat jaar af te trekken van de totaal-opbrengsten (de grijze lijn B) en door vanaf 1702 de (aldus gecorrigeerde) opbrengsten te halveren (lichtblauwe lijn C). Hoewel de resulterende grafiek dan nog enkele overdrijvingen bevat – door de bijkomende wissewasjes van 1702 en de onberekenbare groei van het aantal haarden in Veendam e.o. vanaf 1764 – geeft de deze grafiek (A – donkerblauw en vanaf 1702 C – lichtblauw) dan toch aardig de ontwikkeling in het aantal heerdsteden en daarmee de bevolking weer in het niet-veenkoloniale deel van het Oldambt:

Wat we zien is een ongeëvenaarde bloeiperiode in de jaren 1660, waarna er fors verval optreedt. Het absolute dieptepunt bij de opbrengsten ligt in de jaren 1686 en 1687, toen de Maartensvloed een deel van de Oldambtster huizen wegspoelde. Vanaf dan is er echter een ononderbroken stijgende lijn, die duidt op voortdurende bevolkingsgroei. Aan het eind van de lijn moeten we er overigens wel rekening mee houden dat die opgang wat aangedikt is, doordat ook in Veendam e.o het huizental gegroeid zal zijn.

Voor het Westerkwartier, waar geen sprake was van grote veenkoloniale vrijstellingen, hoefde alleen de verspringing door de tariefsverdubbeling van 1702 te worden gecorrigeerd. Hier ziet de ontwikkeling er zo uit:

De blauwe lijn bestaat uit de geboekte opbrengsten, het grijze vervolg uit de gecorrigeerde. Hier zien we dus eveneens een bloeiperiode in de jaren 1660, met verval erna. In de eerste helft van de achttiende eeuw was er in het Westerkwartier lichte krimp, in de tweede helft stagnatie op hetzelfde niveau.

Voor mijn verhaal was ik vooral benieuwd naar die achttiende eeuw. Door de correcties is het nu mogelijk, het romp-Oldambt en het Westerkwartier te vergelijken:

Wat we zien is een uiteenlopen van het Oldambt (blauw) en het Westerkwartier (bruin) – er ontstaat een kloof tussen de opbrengsten van het heerdstedengeld uit beide regio’s. Aanvankelijk zitten die nog dicht bij elkaar. Duidelijk is dat het Westerkwartier meer last heeft gehad van de eerste grote veepestepidemie in 1714 en volgende jaren; waarschijnlijk komt de dip door kwijtscheldingen. Het dieptepuntje van het Oldambt in 1720 kan ik nog niet verklaren; mogelijk heeft die wat te maken met vrijstellingen vanwege de Kerstvloed, drie jaar eerder. Ook de tweede veepestepidemie hakte er eind jaren 1740 in het Westerkwartier veel meer in dan in het Oldambt.

Van de jaren 1748-1751 zijn er geen cijfers, of heb ik ze niet opgenomen. Voordien werd de inning van het heerdstedengeld uitbesteed (‘verpacht’) tegen grote betalingen ineens, maar tegen die geprivatiseerde fiscaliteit rezen toen grote bezwaren, met als gevolg dat boeren of daartoe aangewezen personen de inning op zich namen, waarbij de totale opbrengsten van die jaren pas in 1751 als lump sum werden ingeboekt. Bij opname in de grafieken zouden deze opbrengsten een enorme piek veroorzaken en daar kan je dus ook niets mee als het je te doen is om een indicatie voor de bevolkingsgroei. Vandaar de weglating.

Vanaf 1751 werd het heerdstedengeld geïnd door collectors, plaatselijke belastingambtenaren, benoemd door GS op voordracht van grondgebruikers (met name boeren). Zoals je aan de grafiek ziet, zijn de opbrengsten dan gelijkmatiger van het ene op het andere jaar, d.w.z. zonder de fluctuaties die kennelijk met de verpachting samenhingen. Eind achttiende eeuw blijkt dat de opbrengsten van het Oldambt in een eeuw tijd met de helft zijn toegenomen, terwijl die van het Westerkwartier in dezelfde periode met een tiende zijn gedaald. Kortom, waar het Oldambt in de achttiende floreerde, had het Westerkwartier te maken met krimp en stagnatie.