De familienaam Jager

Als je de dragers van de familienaam Jager naar de herkomst en betekenis van die naam vraagt, zal een grote meerderheid menen dat een voorvader dat beroep uitoefende en ‘dus’ wild schoot voor zijn broodwinning. Deze verklaring lijkt net zo voor de hand te liggen als die voor Boer, Bakker, Timmerman, Slager, Koopman, Schipper etc.

Maar wat voor de hand ligt, hoeft nog niet juist te zijn. Laten we eerst eens kijken naar het kaartje van de gemeenten waar in 2007 deze familienaam in meerdere of mindere mate in absolute aantallen voorkwam in de telefoongidsen:

De stad Groningen spant dan de kroon met 391 naamdragers, in de gelijknamige provincie gevolgd door de gemeenten Veendam (207), Hoogezand-Sappemeer (138), Menterwolde (133), Scheemda (103) en Delfzijl (101). De aantallen van de stad Groningen en Veendam worden elders in den lande nergens overtroffen. Enschede en Amsterdam kennen hier de grootste concentraties Jagers (178 om 162), terwijl in Friesland Leeuwarden (136) en Smallingerland (116) er bovenuit steken, wat in Drenthe geldt voor de gemeenten Emmen (118), Assen (107) en Tynaarloo (105). Opmerkelijk is verder dat de naam onder de grote rivieren nauwelijks voorkomt, net of ze daar nauwelijks professionele wildschutters hebben gehad.

De concentratie van de naam in het noorden krijgt nog veel meer reliëf op een kaartje van de percentages Jagers op het totale aantal naamdragers per gemeente in 2007:

De concentratie ligt dan helemaal in het Noorden, met name de gemeente Menterwolde, met als goede tweede en derde Veendam en Scheemda. In Menterwolde draagt zelfs meer dan 1 % van de mensen in het telefoonboek de naam Jager, Verder is de familienaam in heel Oost-Groningen met uitzondering van Westerwolde goed vertegenwoordigd, terwijl er ook relatief veel Jagers voorkomen in de veengebieden van Friesland en in Noord- en Midden-Drenthe (met o.m. Smilde).

Als we dan zestig jaar teruggaan in de tijd, en wel naar de Volkstelling van 1947, dan blijkt die noordelijke concentratie nog veel pregnanter te zijn geweest:

Met 1951 van de 5180 gezinshoofden die deze familienaam droegen, herbergde de provincie Groningen zelfs 37,7 % van alle Jagers. Gemeenten die eruit sprongen waren destijds Groningen, Veendam, Winschoten, Muntendam, Meeden, Hoogezand, Slochteren en Scheemda. De tweede provincie, Friesland, lag met een aandeel van 17 % op het landelijke totaal aantal Jagers een straatlengte achter.

Je zou kunnen veronderstellen dat die concentratie in Groningerland verder terug in het verleden, nog groter zou zijn. Voor de periode 1811-1821 geeft de landelijke genealogische website WieWasWie 652 kinderen, bij de burgerlijke stand aangegeven met de achternaam (De) Jager. Daarvan werden er 243 geboren in Groningerland, oftewel 37,3 %. Dat cijfer komt nagenoeg overeen met het percentage uit 1947 – Groningerland mocht dan van alle provincies de meeste Jagers voortbrengen, maar haar aandeel lijkt tussen 1811 en 1947 min of meer gelijk te zijn gebleven – het had dus ook in die vroege periode zeker niet het alleenrecht.

Tot slot ben ik dan nog via Alle Groningers voor die vroege periode 1811-1821 nagegaan, welke Groningse gemeenten eruit sprongen qua baby’s met de achternaam Jager. Dat bleken de stad Groningen (29), Meeden (18), Muntendam (15), Hoogezand (10), Delfzijl (10) en Nieuwolda (10). Ook toen al kwamen de Jagers vooral voor in Oost-Groningen, en dan met name de Veenkoloniën.

Waarom dat zo was? Voor een antwoord op die vraag kunnen we te rade gaan bij het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT). Dat geeft als negende verklaring voor de term ‘jager’: scheepsjager, oftewel “de bestuurder, drijver, en geleider — man of jongen — van het paard of de paarden voor een vaartuig dat gejaagd wordt”. De verkorting van scheepsjager tot jager werd weliswaar ook elders gebruikt, zo tonen de WNT-voorbeelden opnieuw aan, maar de veenkoloniën werden in buitengewone mate bepaald door hun infrastructuur van kanalen, diepen en wijken. Hier waren dus meer dan elders scheepsjagers in touw, vandaar dat hier ook meer dan elders mensen de familienaam Jager kozen om zich te onderscheiden van mensen met een ander beroep.

Advertenties

Demografische effecten van een polderaanleg

Sprekend over het Oldambtster Oostwold, zegt de Tegenwoordige Staat van Stad & Lande uit 1794:

“Het lag voorheen op den uithoek des Dollards en was daarom, evenal Finsterwold, eene wykplaats voor de garneelvisschers, Maar zedert de indykingen van den noorder inham, vooral zedert de laatste van 1769, is het een treffelyk dorp geworden…”

Met andere woorden: Oostwold was voor de indijkingen een armoedig vissersplaatsje, maar kreeg vooral na de totstandkoming van de Oostwolderpolder (1769) een heel ander, vooral welvarender aanzien.

Die polder vermeerderde het aantal boerderijen en het areaal akkerland en zorgde daarmee voor een groeiende werkgelegenheid. Op een doorsnee-Oldambtster boerderij werkten destijds zo’n drie of vier inwonende knechten en meiden, en zeker in het drukke zomerhalfjaar kwamen daar nog ettelijke dagloners bij. Je zou dus kunnen veronderstellen dat de ruimtelijke en economische ontwikkelingen zouden doorwerken in de aantallen huwelijken en gedoopte kinderen in de plaatselijke hervormde gemeente, die bijna de gehele plaatselijke bevolking herbergde. De aantallen huwelijken en dopen zouden moeten groeien. Maar was dat ook zo?

Eerst maar de huwelijken. De volgende grafiek geeft hun aantallen per vijf jaar weer over de periode 1730-1809:

De aanleg van de polder had wat betreft de in Oostwold geregistreerde huwelijken een enorme boom ten gevolge. In de 40 jaar voor 1770 was het gemiddelde 14 huwelijken per vijf jaar, daarna werd dat gemiddelde 43 huwelijken voor eenzelfde tijdsbestek, een verdrievoudiging. Voor 1770 was er bovendien sprake van een dalende trend, zeker als je de tweede helft van de jaren 1760 buiten beschouwing laat. Na 1770 was de trend stijgend.

Dan de aantallen gedoopte kinderen over dezelfde periode:

De dalende trend van voor 1770 bij de huwelijken, zien we in verhevigde mate terug bij de aantallen dopen. Mogelijk was er vergrijzing en trokken er al jongere vissersgezinnen weg naar plaatsen waar eerst niet brede kwelders moesten worden overgestoken om garnalen en bot te kunnen vangen. In de tweede helft van de jaren 1760 neemt het aantal dopen plots weer wat toe. Het lijkt een voorschot op wat komen ging – vestigden zich voor de inpoldering al daarop anticiperende gezinnen? In elk geval was in de 40 jaar voor 1770 het gemiddelde 43 dopen per vijf jaar, daarna werd dat 80 dopen voor eenzelfde tijdsbestek, een verdubbeling. De inpoldering zorgde dus onmiskenbaar voor een groter kindertal. al ging de groei niet zo snel als bij de huwelijken.

Oostwold kreeg inderdaad een heel ander aanzien, demografisch gesproken.


Stadspark


Hamersweg


Buurkat in de ochtendzon


Lekker droog, lekker warm op het platte dak.


Ommetje Eiteweert, vroeg in de middag

Mooi koetje in land bij het Peizerdiep:

Schapen zoeken al de schaduw op:

Wilg met spinselmotten, dacht ik eerst, maar een lezer wees me erop dat het rijp wilgenzaad is:

Fluitekruid, raapzaad en boterbloemen op de oever van het Peizerdiep bij de Baileybrug:


Populaire baas

In het Viooltjesland aan de Roderwolderdijk, tussen de boerderij van Landschapsbeheer en Vierverlaten, grazen de laatste jaren vaak vijf of zes jonge Blondes d’Aquitaine . Gistermiddag fietste ik richting Vierverlaten, toen de kleine kudde het op haar heupen kreeg en in een steeds snellere draf naar een achter mijn rug liggende hoek van het weiland holde. Daar kwam hun baas tevoorschijn met een schrikdraadapparaat. Ze dansten om hem heen alsof ze voor het eerst van hun leven in een weiland kwamen en begeleidden hem helemaal naar het hek aan de andere kant van het perceel: