Ganzen op mijn pad

Nijlgans op de richel van het Wolvendijksbrugje bij de Peizerweg:

Brandganzen bij het Hegepad:


Aan de Klinkerweg in Finsterwolde (2)

Mocht vandaag bij de familie Tuin het prachtige fotoalbum bekijken, dat burgemeester Jan Tuin bij zijn afscheid in 1965 cadeau kreeg van de gemeente Groningen.  De fotograaf was onder andere langs geweest bij diens geboortehuis aan de Klinkerweg in Finsterwolde, volgens dichter Jan Boer, die de teksten in het album verzorgde, een “Vaailig hoeske” mit “vrundelk zicht” :


Mogelijk zit in deze regels de herinnering van Jan Tuin zelf aan de krimpjeswoning verwerkt. Ik verbeeld me dat hij hier voor het huisje met de postbode over vroeger staat te praten:

Ging hij met de fotograaf mee? Achter de postbode zie je het huis waar mijn grootvader Harm Perton geboren is. Hij was een neef van Jan Tuin, zijn moeder en de vader van Jan Tuin waren zus en broer.

Kennelijk had Jan Tuin ook herinneringen aan de molens van Finsterwolde. Maar die waren verdwenen:

Het Oude Rechthuis van Finsterwolde stond er in 1965 nog wel:

In 1972 is dat eeuwenoude pandje alsnog gesloopt. Het stond op de hoek van de Hoofdweg en de Leeuwerkeslaan, waar naderhand dorpshuis De Pyramide verrees:


Rondje Lagemeeden

De Zuidwendinger watermolen met het belendende boerderijtje:

Oprijlaan bij de Nutweg met ram en lammeren:

Afgedankte hooiwagen met ponderboom:

Beetje vreemde katjes (van een treurwilg?):

Groep zwanen in de velden tussen Lagemeeden en Den Horn:

Dode soortgenoot in sloot bij de Kerkweg:

Stuifmeelbom bij de Nieuwebrug:


Friese schipper dacht slim te zijn

Zoals wel meer schippers uit die tijd had Tiete Wijpkes (65), geboren te Bolsward, nergens een vaste woon- of verblijfplaats en was hij “altoos in zijn schip zig ophoudende”. Sinds een jaar of tien, twaalf voer hij vaak in de provincie Stad en Lande “om zeezand, zark en schulpzand te verkopen”. Dat zand zal hij, getuige zijn historie in december 1773, vooral van het eiland Ameland hebben betrokken. Daar bracht hij dan goederen uit Groningen heen, om plaatselijke producten als retourlading mee terug te nemen.

Dat we dit kunnen concluderen, komt door een vonnis van Gedeputeerde Staten van Stad en Lande. Want Tiete dacht slim te zijn, maar haalde een enorme stommiteit uit.

Op 2 december dat jaar kocht hij bij de koopman Wilhelmus Schneijder in de stad Groningen drie ankers (= al met al 114 liter) brandewijn, die hij contant afrekende. Net als een identieke hoeveelheid op 13 november was de brandewijn bestemd voor een Pieter Johannes van Ameland, wonend op Ameland. Omdat de brandewijn op dat eiland geconsumeerd zou worden, was de koper er er in Groningen geen accijns voor verschuldigd. Tiete Wijpkes kon dus volstaan met het afhalen van een vrijcedel bij het Goudkantoor, het provinciale belastingbureau bij de Grote Markt. Op 3 december stak Tiete van wal en voer langs het Reitdiep naar Zoutkamp, zo leek het. Diezelfde avond echter, kwam hij via de Aduarderzijl weer “binnen” en voer het Aduarderdiep op. Daar werd hij de volgende dag om een uur of 12 tussen Garnwerd en het Bolshuis (nu Bolshuizen) aangehouden door een stel Landsbedienden. Zij doorzochten zijn schip, troffen de vaatjes brandewijn aan en constateerden dat Tiete daar geen aangifte van had gedaan in het inklaringskantoortje bij de Aduarderzijl. Ze bevonden daarmee dat hij

“alzo de meergemelde drie ankers afgeschrevene brandewijn wederom ter sluik in deze Prov[inci]e heeft ingevoerd”.

Bij Gedeputeerde Staten , die als fiscale rechters over dit geval moesten oordelen, beriep Tiete zich op zijn onwetendheid. Ook zou er een timmermansknecht uit Aduard bij hem gekomen zijn, toen hij voor de Aduarderzijl lag. Die man wilde graag meevaren naar Ameland, en zou daar 4 gulden reisgeld voor betalen, als Tiete tenminste zijn spullen bij de Steentil zou komen afhalen. Maar Tiete wist geen naam van deze passagier-in-spe te noemen, en ook trapten de heren niet in Tietes geveinsde onwetendheid. Met zijn ervaring als schipper wist hij immers donders goed hoe het er in Groningerland aan toe ging. De heren veroordeelden Tiete daarom tot levenslange verbanning uit de provincie Stad en Lande en vonden dat nog een lankmoedig vonnis, hoewel ze toch geweten moeten hebben dat ze hiermee de Groninger negotie onmogelijk maakten, waarmee de Friese schipper zih in zijn levensonderhoud voorzag.

Niet alleen de Groninger negotie, trouwens, want naar gewoonte zou met de contrabande het schip verbeurd worden verklaard. Tiete was echter niet de eigenaar, zo bleek nog net op tijd. Een paar dagen voordat hij in de provinciale nor zijn vonnis te horen kreeg, diende namelijk ene Schelte Douwes, een collega-schipper, namens de voogden van het (diaconale) Armenhuis te Bolsward een verzoekschrift in met (notariële) bewijsstukken die konden aantonen

“hoe eenen Tijte Wijpkes hebben laaten vaaren op een kofschipje zoo aan gezeide voogden in eigendom is toebehorende (…) op welke kofschipje gezeide Tijtte Wijpkes alleenlijk geplaatst hebben om hem met zijn vrouw en kinderen aan de kost te helpen en dezelve van de diaconie opgenoemd af te houden..”

Als het kofscheepje vanwege Tietes smokkelarij “na strict recht” verbeurd verklaard zou worden, zou dat “ten eenemaal ongelukkig” voor genoemde instelling uitpakken, omdat deze haar armen moest onderhouden uit slechts weinig bezittingen. Daarom verzochten de Bolswarder armvoogden GS om het beslag op ‘t schip weer op te heffen en het terug te geven aan hun Armenhuis. Na bestudering van de stukken besloten Gedeputeerden dit verzoek te honoreren. De Bolswarder instelling kreeg het schip, “bevorens bij Tijtte Wijpkes bevaaren”, inderdaad “om Gods wille” terug “met zijn toebehorend zeil en treil”. Of dat schip nog weer aan Tiete ter beschikking werd gesteld, onttrekt zich aan mijn waarneming, maar lijkt me hoogst twijfelachtig, want hij maakte toch ook misbruik van het vertrouwen, door zijn weldoeners in hem gesteld.

Bronnen: RHC Groninger Archieven, Toegang 1 (archief Staten van Stad en Lande) inv.nr. 1352 (sententies GS in belastingzaken) het vonnis d.d. 20 december 1773; idem inv.nr. 445 rekest met apostille 16 dedember 1773.


Rondje Terheijl

Ree of opgang boerderij bij Lettelbert voorlopig alleen passabel met fietsen:

We houden je in de gaten.

Gerestaureerde boerderij bij het Lettelberterdiep:

Oude schuur bij doodlopend zijweggetje van Oostindië:

Min of meer het uitzicht van een huis dat te koop staat bij de Langewijk:

Vlakbij Nieuw-Roden:

Bouwval Terheijlsterweg:

Tussen Leek en Roderwolde – op fietse noar stad:


Saluutschoten trillen huis kapot

Toen de stad Groningen in augustus 1773 prins Willem V een week lang op bezoek kreeg, een week waarin ook de verjaardag van diens gemalin prinses Wilhelmina zou worden gevierd, stond zij bol van het feestgedruis. Niet iedereen echter, kon er louter met plezier op terugkijken.

De prins, de prinses en hun gevolg werden buiten de Apoort bij het Hoendiep ontvangen. Terwijl zij en de gastheren na de welkomstceremonie in koetsen de Apoortenboog (= Abrug) passeerden, begon achter de stoet bij de Apoortendwinger een omvangrijk saluut van kanonschoten. Vanaf die dwinger ging dat saluut met de zon mee: na de kanonnen bij de Apoort waren die bij de Kranepoort aan de beurt en zo ging dat verder tot alle 51 kanons op de stadswallen waren gelost. En dit gebeurde niet één keer, niet twee keer, maar wel drie keer, steeds op een startsein vanaf de Martinitoren.

In de stad moet dat een merkwaardig audioeffect hebben gegeven, die wave van gebulder in de rondte. Naderhand echter, dienden Pieter Bijmholt en zijn vrouw Aafke Jans een verzoekschrift in bij Gedeputeerde Staten. Zij woonden buiten de Apoort en memoreerden

“hoe onlangs ter occasie der blijde en heuchelijke komst van zijne Doorl[uchtigste] Hoogh[eid] den Heere Ervstadhouder door het iterative lossen van het canon van de stadswallen der suppl[ianten] wooninge zeer is beschadigt, zodat thans in groot gevaar in het zelve logeren, alwaarom de suppl[ianten] daardoor in de noodzakelijkheid zijn gebragt, om derzelven behuizing wederom eenigsins te moeten herstellen…”

Ze waren beiden oud en zwak en “in weinig omstandigheden van verdienste”, vertelden ze. Daarom vroegen ze GS om een schadevergoeding. “opdat in staat zijn hunne behuizinge wederom te kunnen behelpen”.

De heren erkenden hun verantwoordelijkheid en reageerden positief op dit verzoek, want kamerbewaarder Gout kreeg opdracht 5 ducatons aan het bejaarde echtpaar uit te tellen ter compensatie van de schade die het kanongebulder aangericht had. Hoe groot de schade werkelijk bedroeg en of de som van omgerekend bijna 16 gulden toereikend was, melden de stukken niet.

Bronnen: RHC Groninger Archieven, Toegang 1 (archief Staten van Stad en Lande) inv.nr. 197, de akte van 17 juni 1777 (opzet van het rondzingende saluutschotenproject) en inv.nr. 445 (rekesten) waarbij ik helaas de datum vergat te noteren (ergens in het najaar).

D


Van aardappelmeel tot zwelstijfsel

Aardappelplanten, omhoog rijzend uit een aardappelhoop, met de namen van de producten op rode wapenschildjes: aardappelmeel natuurlijk, maar ook dextrine, kleefstoffen, spiritus en zwelstijfsel:

Linksonder een evocatie van het fabrieksgebouw, rechtsonder een artist impression van Groningen, met de Martinitoren. Op de uitgebotte piepers het logo van Scholten, dat jodensterachtig aandoet. Vraag me nu af dat nog veel langer bestond, c.q. wanneer het afgeschaft is.

Onderaan de gelegenheid waarvoor dit glas in loodraam tot stand kwam, Het gezamenlijke personeel van Scholten bood het aan in 1939, toen er een nieuw kantoorgebouw in Hoogezand tot stand kwam, waar tevens het eeuwfeest van ’t bedrijf werd gevierd.

Volgens het krantenverslag van die gebeurtenis stelt het stuk “de bekende productiestamboom” voor. Het was geplaatst in het trappenhuis van het nieuwe gebouw. De Groninger glazenier Jan Wijkmans maakte het.

Zou het er nog zijn?

Bron: RHC Groninger Archieven Toegang 2139 (collectie fotoalbums) inv.nr. 251: Herinneringsalbum met foto’s en toespraken van de viering van het 100-jarig bestaan van W.A. Scholten’s Aardappelmeelfabrieken, 1939.