Groeten uit Groningen

Ansichtkaartje Hoge der A met regenboog:

Portrait in plaats van landscape:

Terwijl ik hiermee doende was, breidde de regenboog zich uit:

Op de terugweg ten westen van De Held ook nog een exemplaar:

Advertenties

Boeiend leesvoer

Vanmiddag gezien bij de boekpresentatie in de Maartenshof: burgemeester Peter den Oudsten verdiept zich zodanig in het (bijna) eerste exemplaar van Caritas in verandering, dat hij zich door niets en niemand laat afleiden. En dat terwijl hij de pdf van Albert Buursma’s boek al had doorgenomen voor zijn praatje, waarin hij het aanprees als “zeer leesbaar”.


Op het oude Rijksarchief

Foto: Elmer Spaargaren.

Schrijver dezes schijnbaar aan het werk in het oude Rijksarchief aan de Sint Jansstraat, najaar 1990. Ik heb een paar imposante bundels met stukken uit de Franse Tijd uit het depot laten halen, maar enkel voor de show. De Fibula, het blad van de Nederlandsche Jeugdbond ter Bestudering van de Geschiedenis (NJBG) had mijn beeltenis nodig bij een column van me en Elmer Spaargaren maakte die plaat.

Dat ik een tijd niet in dat archief geweest was, kan je zien aan het huishoudelijk reglement onder mijn rechter elleboog. Bij de receptie kenden ze me niet meer, vandaar dat ze me dat reglement toestopten. Onder mijn linker arm ligt een willekeurige lijst van stukken. In mijn hand heb ik een balpen van CE Couriers, het  bedrijf waarvoor een vriend van me werkte. Tegenwoordig mag je in de studiezaal niet meer met een pen schrijven, een verbod waarvan de doorvoering enige moeite heeft gekost.

Die studiezaal van het oude Rijksarchief, daar liepen wat types rond. Een liep constant in zichzelf te mompelen, gaf in het heen en weer gaan ook wel commentaar op bezoekers. Een ander ging daarin nog een stuk verder. Toen ik een keer in een grijswitgevlekte parachutistenbroek volgens de laatste punkmode de studiezaal binnenkwam, werd daar luidkeels over geklaagd door een haler met een gebroken geweertje, die weigerde me nog te bedienen zolang ik die broek droeg.

Door de ijzeren kolommen, de onbeklede muren en het dunne linoleum op de betonnen vloer was het er extreem gehorig. Ik ben er wel eens berispt wegens het te luid omslaan van een blaadje.

Beeldbank: Rijksarchief


Winschoter predikant gaf archief “ten proij aan rotten & muizen”

Muizenvraat. Collectie RHC Groninger Archieven 1785-15848.

Eind april 1802 dienden de kerkvoogden van Winschoten een verzoekschrift in bij de Oldambtster drost. Omdat ze daarover “zeer ongunstige berigten” hadden gekregen, waren ze meteen na hun aantreden een onderzoek begonnen “na den staat en gesteldheid der prothocollen met den aankleve van dien”. Kennelijk ging het hierbij om het archief van de verzegelingen, zeg maar de notariële akten, waarvoor de oudste predikant en de kerkvoogden als zegelaars gezamenlijk verantwoordelijk waren. In de motivatie voor hun bemoeienis met dit archief legden de kerkvoogden immers een verband met het materiële wel en wee van de Winschoters,

“als te zeer overtuigd van het groot gewigt dezer waarborgen voor de eigendommen van der ingezetenen bezittingen, dan dat zij zig hadden durven veroorloven ten dien opzigte onverschillig te zijn…”

Bij hun onderzoek dan, kwamen ze er “tot hunne grootste verbaasdheid” achter dat niet alleen het lopende archief, maar ook de oudere delen onvindbaar waren bij de oudste predikant, ds. Smit,

“aan wien de trouwe bewaaring van dezelve was gedemandeert”.

Leuk was anders, vonden de kerkvoogden, maar ze voelden zich verplicht om hun dominee aan te raden het vermiste archief weer tevoorschijn te brengen in zijn weem, zodat dit door hen kon worden onderzocht.

Een paar weken later, vlak voor kerst 1801, begaven de kerkvoogden zich andermaal naar de pastorie van ds. Smit. Dit keer kregen ze de vermiste protocollen wel te zien. Ze hadden er, zo vertelden ze de drost,

“meest alle die archieven van het carspel in een allerdeerniswaardigen toestand bevonden, onder elkanderen op de grond geworpen in de grootste verwarring, veel van dezelve ten proij gegeven aan rotten & muisen, anderen defect, en weder anderen met losse bladen van onderscheidene jaaren aangevuld…”

Kortom, de archiefzorg geschiedde hier met “de grootste & onvergeeflijke slordigheid”. Kennelijk voelde ds. Smit zich onder druk gezet, want vlak na nieuwjaar diende hij een rekest in bij de drost, met het verzoek om zijn schoonzoon, een lokale ondernemer, in de eed te nemen als secretaris-kerkvoogd, zodat die dan voortaan de verzegelingen zou schrijven en kopiëren. Gelukkig, aldus de kerkvoogden, had de drost hen om advies gevraagd, een advies dat ze ook hadden gegeven en negatief voor de schoonzoon uitviel, maar sindsdien was de zaak in het slop geraakt, omdat ds. Smit niets meer van zich liet horen.

Nu, eind april was de maat vol. Al drie maanden hadden de kerkvoogden vergeefs zitten wachten op hun oudste predikant en nu gedoogde de zaak geen uitstel meer. Daarom dienden ze een klacht tegen hem in. Ze hadden zwart op wit een verklaring van hem, dat hij “de carspelprothocollen van Winschoot, beginnende met den jaare 1609 tot 1782, bij goede overlevering heeft ontvangen”. Dit archief was eind vorig jaar echter als janboel bij hem aangetroffen en daarom golden de volgende overwegingen:

“Gemerkt nu de zekerheid der eigendommen en derzelver beveili[gi]ng is een der gewigtigste objecten van justitie & policy; overzulks de instrumenten & chartres door welken dezelve bestaat in geene handen vermogen verplaatst te worden, tenzij van hem die met opzigt der getrouwe eeds- en ambtsbetragting aan de maatschappij niet alleen niet de geringste aanleidende vermoedens van verwaarlozing, slordigheid & pligtverzuim hebben gegeven, maar daarenboven ten dien opzigte bekend staan voor personen bij welker administratie en surveilance men gerust kan zijn. Gemerkt het tegendeel van dit alles ten dezen opzicht gebleeken is in dezen alhier plaats te hebben in de bezorging en de bewaaring dezer prothocollen van dat carspel. En overzulks eindelijk de zaak voor hetzelve carspel is van dat gewigt, dat daarin ten spoedigsten behoord te worden voorzien, zoo nemen de rem[onstran]ten de vrijheid zig bij dezen te addresseeren en met gedienstig verzoek teneinde de rem[onstran]ten mogen worden geauthoriseert der voorgemelt carspelprothocollen van denzelven oudsten praedicant C.H. Smit in hunne bewaaring te nemen…”

Met andere woorden: de kerkvoogden wilden met steun van de drost, dus eventueel met behulp van zijn sterke arm, het notarieel archief bij de predikant weghalen. Ook wilden ze zelf een “een bekwaam persoon” als hun scriba kunnen aanstellen, die dan door de drost beëdigd moest worden.

Op 7 mei 1802 besloot de Oldambtster drost beide partijen te horen. Een week later vond die sessie plaats. De drost probeerde partijen tot “concordia” te bewegen, maar deze mediatie bleek ‘vrugteloos”. Ds. Smit ontkende dat het archief in zijn tijd in de aangetroffen staat was beland. Bovendien vond hij dat de toestand lang niet zo slecht was als de kerkvoogden beweerden. De laatsten echter, hielden voet bij stuk. De drost moest zelf maar eens in de pastorie van ds. Smit gaan kijken, zeiden ze, ze waren er zeker van “dat de zaak aldus zal bevonden worden”. Ds. Smit was naar hun mening verplicht om opening van zaken te geven. Als hij dat niet wilde, moest de drost “tot securiteit des carspels” zulke maatregelen nemen “als het belang der zaak vordert”.

Inderdaad zegde de drost toe, een kijkje te nemen bij het archief in de Winschoter weem. Maar die “oculaire inspectie” liet nog wel bijna een jaar op zich wachten. Pas op 28 april 1803 kwam de drost eraan toe. Bij die bezichtiging trof hij inderdaad het beschreven zootje aan. De kerkvoogden hadden dus gelijk. Alleen hield ds. Smit staande,

“dat het defectueuze aan de oude prothocollen reeds bestaan had ten tijde der overneming van zijne voorzaat en hij door zijn afgegeven hand van goede overlevering alleen bedoelt hadde het getal der prothocollen”.

Anders gezegd, de overdracht was destijds kwantitatief heus wel in orde geweest, maar kwalitatief bepaald niet. Tegelijkertijd kwam er een doorbraak uit de patstelling. Ds. Smit verklaarde namelijk tevens,

“wegens lichaams swakheden de kerspel prothocollen met hetgeene daaraan verbonden is, niet langer te kunnen administreeren, verzoekende daar van salvo honore et emolumentis eene decharge”,

met welk verzoek de kerkvoogden konden instemmen, al wilden ze dit wel gerechtelijk vastgelegd zien. Dat gebeurde vervolgens op 3 mei 1803 in een laatste beschikking van de drost.

“In aanmerking nemende het groot belang der ingezetenen dat de carspel prothocollen nauwkeurig bewaard en geadministreerd worden”,

gaf hij de kerkvoogden toestemming deze in ruil voor een bewijs van afgifte van ds. Smit over te nemen. Als de kerkvoogden het schrijfwerk zelf niet meer wilden doen, dan konden ze “een bekwaam en vertrouwt persoon” als scriba voordragen aan de drost. In dat geval bleven ze echter zelf verantwoordelijk. Ds. Smit kreeg het bevel het archief over te dragen. Voortaan had hij er geen bemoeienis meer mee. Alleen bleef hij de bijverdienste houden, die hij als oudste predikant uit hoofde van de archiefzorg genoot.

RHC Groninger Archieven Toegang 731 (rechterlijke archieven beide Oldambten) inv.nr. 6142 (rekesten).


Winschoter kalligrafie


Twee stukjes schrijfkunst uit het kerspelarchief van Winschoten. Het linker stamt uit 1747, het rechter uit 1817. Is links nog redelijk eenvoudig en sober, op het rechter specimen heeft de schrijver, vermoedelijk een schoolmeester, zich finaal uitgeleefd. Hij moet daar dagenlang aan hebben gewerkt, zijn pen voortdurend versnijdend, met het puntje van zijn tong uit zijn mond en zweetdruppeltjes op zijn voorhoofd. Vanuit de bedstede riep zijn gade hem tot haar, maar steeds vergeefs. Hij moest deze eervolle opdracht van de kluftmeesters afmaken, ook al zou het hem zijn huwelijk nog kosten.


Vondsten uit het Frieschenveen

Zojuist gepost filmpje over de leerlingen van AOC Terra in Eelde, die de zuidoostkant van het Frieschenveen exploreren. Op de meeroever daar ligt een vooroorlogse stortplaats van blik, glas en email uit de stad Groningen:


Rondje Stad

Schip passeert de Vissersbrug:

De stichtster van het Pieternella-gasthuis, een van de drie hofjes aan de Leliestraat

Bord aan het toegangshek van datzelfde gasthuis:

Het lijkt erop dat er al pannebier is geweest bij het Groninger Forum, hier gezien vanaf de nieuwe rooilijn Grote Markt oostzijde:

De Poelestraatmuur rechts op de vorige foto:

Entree van de Dolhuisgang:

De nieuwe, foeilelijke gevel van het conservatorium aan de Meeuwerderweg:

Fundamenten van de Tabakko, een complex met huurappartementen voor jongeren aan de Koeriersterweg: