Al vroeg circus op de Leekster jaarmarkt

Vredewold den 27 May 1794.

Bij het E.E. Gerighte sijnde gelesen het request van N. Lion houdende hoe graag wenschte te obtineren om geduirende de markt sijne diverse konsten, bestaande in koordansen en balanceren, in sijne tent te vertonen, alvorens van UE[del] Gestr[enge] gratieuslijk versoeke: ten einde UEd Gestr goedgunstig gelieve te behagen den suppl[ian]t te permitteren de aanstaande markt alhijr te mogen vertonen.

/was geapostill[eerd]/

Het E.E. Gerighte accordeert aan den supplt het versoek om in de aanstaande kermis van sijn konsten te vertonen in een tent, waartoe de plaats door den gerigtswedman zal worden aangewesen, en recommandeert aan den supplt om van sijn inbeuringe de diakonije op de Leek mildelijk mede te delen.

Commentaar: Van Lion, de indiener van het verzoekschrift, vraag ik me af of hij niet iets te maken had, of te identificeren is met Lion Kinsbergen. Volgens advertenties was die vroege circusdirecteur pas in 1796 actief in Amsterdam en kwam hij pas in 1801 voor het eerst in Groningen met zijn troep koorddansers, acrobaten en ruiters, maar hij kan natuurlijk voor die tijd in kleinere provincieplaatsen hebben opgetreden met een beperktere troep..

De jaarmarkt van Leek vond waarschijnlijk een paar dagen na de indiening en inwilliging van Lions verzoekschrift plaats op Hemelvaartsdag, altijd een belangrijke dag voor het Vredewold. Jaarlijks werden op die dag de buurrichters van de dorpen beëdigd op de kerkhoven van Tolbert (voor die van Vredewold-oost), en Nuis (die van Vredewold-west).

Helaas is er geen diaconierekening over 1794 in het kerkarchief van Midwolde en Leek bewaard gebleven. Of Lion inderdaad iets aan de armen afdroeg, en hoeveel dat dan was, blijft dus onbekend.

Bron: RHC Groninger Archieven, Tg. 735 (gerechten Westerkwartier) inv.nr. 98 (rekestboek).


‘Een voorbeeld van onbehoorlijke wellust’

“…dan is Grete weduwe van wilen Hindrick Jansen Schoelapper gecensureert, also sij seeckere scandaleuse actie begaen hadde, hebbe getrout ende voorts bekennet, seeckerenn vremdenn ende boeffachtigen lantloper, sonder advijs van dien onder wiens cure sij stonde, ende niet tegen-staande, dat haer rechtswegen verboden was verdere concubinaat, waermede sij rebellie tegen wereltlijcken overicheijt, begaen, en een exempell van onbehoerlijcke wellusticheijt gegeven hefft. Ende daerenboven is sij mede van wegen haer lelijcke slapericheijt onder het gehoer van Godes H. woort, berispet.”

De weduwe Jansen trok zich dus niets aan van haar familie en een rechterlijk verbod en trouwde een criminele vagebond, wat opgevat werd als een voorbeeld van rebellie en onbehoorlijke wellust. Bovendien viel ze steeds in slaap onder de zondaagse preek in de kerk. Niet gewoon in slaap, maar lelijk in slaap! Mogelijk sliep ze er haar roes uit en snurkte ze.

Bron: Handelingen kerkeraad Aduard, juni 1627,


De blekers en hun honden

In de achttiende eeuw bevonden zich enige bleekvelden onmiddellijk buiten de Oosterpoort oostzijde langs de stadsgracht, daar waar nu nog het Cultuurcentrum staat. De exploitanten van deze bleekvelden, de blekers, wasten en droogden linnengoed voor beter gesitueerden. Hun nering was onzeker door de zesjarige pachttermijnen, door perioden van gebrek aan klandizie en door overstromingen vanuit de stadsgracht en het Winschoterdiep. Meer hierover een andere keer. Nu eerst iets over nog een ander probleem waarmee de blekers kampten en het wapen dat ze tegen dat probleem plachten in te zetten.

Dat probleem vormden de vele diefstallen waarvan blekers het slachtoffer werden. Daarbij moeten we bedenken dat de primaire levensbehoeften toentertijd veel duurder waren dan tegenwoordig. Dat gold zeker voor linnengoed, allemaal nog handwerk, een product van spinnen, weven en naaien. Dat linnengoed lag bovendien voor het grijpen op de relatief open, hooguit met heggen afgeschermde bleekvelden. Eventueel pakte men een stok om het spul over een heg naar zich toe te halen.

Blekers buiten de Oosterpoort en het Kleinpoortje werden o.a. op die manier meermalen het slachtoffer en zelden werd er een dader gepakt. Het was zelfs zo dat een bleker moest uitkijken om niet zelf van diefstal beschuldigd te worden. Dat overkwam Derk Bos, bleker buiten de Oosterpoort, die in 1747 door een klant ervan werd beticht dat hij vier hemden, tien neteldoekse doeken en 24 stukken kleingoed had ingepikt. De kwestie werd uiteindelijk geschikt, maar kan onmogelijk in Bos’ kouwe kleren zijn gaan zitten. Het was een dieptepunt in zijn carrière, zeg maar.

De gelegenheid maakte ook toen al de dief en de stadsoverheid zag erop toe dat men niet al te gemakkelijk gelegenheid gaf: linnen dat al te dicht bij de weg over een heg hing, werd onverbiddelijk in beslag genomen. Van hun kant deden de blekers er ook alles aan om diefstal te voorkomen. Zo vroegen de gezamenlijke blekers van de stad Groningen in 1795 om gespaard te mogen blijven voor inkwartiering van Franse troepen omdat ze toezicht moesten houden op de spullen, die hen waren toevertrouwd.

Mocht hiermee de schijn gewekt zijn dat ze dat toezicht louter in hoogst eigen persoon uitoefenden, dan is een rechtzetting op haar plaats. Want de blekers stonden bekend om hun grote, bijtgrage honden. Zo vroegen de Groninger blekers in 1638 aan het stadsbestuur of ze hun honden overdag los mochten laten. Dat mocht niet, ze moesten deze aan de ketting leggen “tot voorkoming van onheilen”, en anders kregen ze een boete.

In 1641 hielden enige blekers zich niet aan deze regel. Hun honden veroorzaakten een dermate grote schade op een hof (siertuin) dat het stadsbestuur bepaalde dat de slachtoffers in het vervolg zulke honden desnoods mochten doodslaan of vergiftigen. Maar ondanks zulke maatregelen waren er in de achttiende eeuw nog regelmatig klachten over blekershonden. Zo pakten deze in 1753 een vrouw, beten ze in hetzelfde jaar een twaalftal schapen dood en in 1772 een 40 à 50 stuks pluimvee. Tussen die wanbedrijven door, in 1764, was er nog een geval waarbij een bleker iemand met zijn honden bedreigde.

Toen in 1807 hier ter stede de hondenbelasting werd ingevoerd – twee gulden per hond per jaar in twee termijnen – waren de gezamenlijke blekers uit de stad, waaronder Sicke Thies Sickens van buiten de Oosterpoort, er ook als de kippen bij om vrijstelling te verzoeken. Ze konden weliswaar begrip opbrengen voor het argument van het stadsbestuur dat honden in de regel een soort van weelde vormden en dat alleen de meer gegoeden honden bezaten, maar ze zagen zichzelf als een duidelijke uitzondering op deze regel. Want, zo voerden ze aan, zonder hun honden bestond er een “zeker gevaar van dieverij”,

“daar men toch gemakkelijk kan vooruitzien, dat wanneer zij deeze trouwe wachters verwijderden de door een groot aantal ingezetenen aan hun vertrouwde goederen zeer schielijk een prooi van den roofgierigen dief zouden worden”.

Ja, het was onmogelijk die honden weg te doen zonder tegelijkertijd gedag tegen de kostwinning te zeggen, want vervanging van de honden door mensen zou de bleektarieven dermate doen stijgen dat de bleekmarkt zou inzakken.

Helaas voor de blekers kregen ze nul op hun rekest. De tweede termijn van de hondenbelasting, die van januari 1808, leverde overigens 504 gulden op, waaruit we mogen opmaken dat er hier in Groningen slechts 504 geregistreerde honden waren, inderdaad een luxe.

Nu was de blekersnering zeker geen vetpot. De blekers hadden het niet breed – als ondernemers met een gering bedrijfskapitaal behoorden ze tot de kleine middenstand. Hun weinig beduidende positie op de maatschappelijke ladder roept nog de vraag op hoe de blekers het voor elkaar kregen om hun grote, geduchte honden van voedsel te voorzien.

Welnu, ook daarover is wel iets bekend. In 1754 was er een rechtzaakje over de grote hoeveelheden “gedarmte en andere vuijligheijdt van slagters komende”, die Jan Remmerts, bleker buiten het Klein Poortje, voor zijn hondehok placht te deponeren, waardoor zijn buurman, de scheepstimmerman en hellingbaas Anthonie Jans van Bergen en diens knechten

“dagelijks seer veel ongemak moesten ondervinden, insonderheijdt wanneer de windt west is, soo dat van stank daar door gecauseert niet konnen alsdaar verblijven”.

Anthonie Jans wilde dat Jan Remmerts het spul zou verwijderen, mede omdat Remmerts het vroeger altijd op het andere eind van zijn bleek had gelegd. Remmerts echter, voelde daar weinig voor. Hij moest immers, zo zei hij, jaarlijks “groote lasten en swaerigheden” voor zijn stadsgrond betalen en bovendien was hij verplicht om zijn zeven (!) honden aan de ketting te laten liggen, zodat hij wel gedwongen was om ze juist op die plek te voederen. Anthonie’s bewering als zou het slachtafval eerder elders hebben gelegen, waren wat Jan Remmerts betreft maar “blote segswoorden” – Remmerts kon anders ook wel over Anthonie’s “secreet” (plee) gaan klagen, “waar uit ook niet als stank komt”, maar ging daar “uit genegentheijdt” liever aan voorbij.

Na ter plaatse poolshoogte te hebben genomen stelden de Heren van de Kluft, de scheidsrechters in dit soort burenruzies, de bleker min of meer in het gelijk, dat wil zeggen hij mocht zijn honden op dezelfde plek blijven voeren, al diende hij bij de aanvoer wel enige matiging te betrachten: zou Remmerts bij uitzondering nog eens “dusdane voedsel (…) komen opmennen en ansleepen”, dan zou het stadsbestuur op een klacht van Anthonie andere maatregelen nemen…

Bleef het bij kleine hoeveelheden slachtafval dan was dat dus tot daar aan toe. Maar het kon nog erger. Vijftien jaar eerder, in juni 1739, kwam er bij het stadsbestuur een klacht binnen van de buren buiten de A-poort, van inhoud dat de weduwe Albert Alberts, de aldaar woonachtige bleekster, haar honden voedde door ze kadavers van o.a. paarden voor te zetten, “waar door dusdanig somwijlen de lugt is geïnfecteert dat er bijna geen mensch kan duiren”. Het stadsbestuur verbood vervolgens aan àlle blekers, dus niet alleen die van buiten de A-poort, om nog langer kadavers op hun bleken neer te leggen. De kadavers die er op dat moment al lagen moesten ze direct begraven; lieten ze dit na dan kregen ze een boete van twaalf gulden.

Ondanks die lang niet malse boete – ongeveer een maand loon voor een gewone arbeider – was dit niet de laatste klacht over kadavers op een bleek. Zo kregen de vroede vaderen van onze stad in juni 1795 (alweer vlak voor de hondsdagen!) de melding dat er op een van beide bleken buiten de Oosterpoort en het Kleine Poortje een plaats was aangelegd waar de Fransen hun zieke paarden mochten laten afmaken. Het stonk er soms zo erg, dat de werklui op de bovengenoemde scheepswerf, dan van de weduwe Van Bergen, het niet konden uithouden.

Hoe schoon het linnen ook werd door toedoen van de blekers, helemaal fris rook het in hun omgeving niet altijd.

Verhaal, eerder verschenen in De Oosterpoorter van 199? en nu ontdaan van Ventura-tags en opnieuw geredigeerd.


Wapens, krijgslieden en graftombes – tatoeages bij jeugddelinquenten (1901)

Stukje mensenhuid met diverse tattoos, Frankrijk 1930-1900. Science Museum Londen.

“De voorstellingen, die de jonge delinquenten op hun lichaam hebben, versterken de waarschijnlijkheid dezer theorie. Werktuigen en andere voorwerpen, die herinneringen zijn aan een beroep, vindt men daaronder ongeveer niet. Zeelieden tatoeëeren zich een anker, soldaten het onderscheidingsteeken van het wapen waartoe zij behooren, handwerkslieden een werktuig. Onder de bewoners van de verbeterhuizen (= gevangenissen, HP) zijn wapens de meest geliefde onderwerpen voor tatoeage: in de eerste plaats dolken, dan pistolen, degens, lansen, pijlen; sommigen hebben deze wapens een aantal malen afgebeeld, anderen hebben doorstoken harten er aan geregen, tot zelfs 7 toe, of het aantal slachtoffers dat zij maakten er naast geschreven.

 Op de afbeeldingen van wapens volgen die van krijgslieden; dan graftombes, soms met de namen van slachtoffers, verder ook bloemen, vogels, vreemde phantastische geslachtswapens, kruisen, kransen, sterren enz. Daarbij komen ook veel opschriften voor, waardoor oproerige, als: ‘Leve de anarchie’, ‘Dood aan C.I.U.’, ‘Leve de misdadigers’. Ook zeer onzedelijke voorstellingen en woorden vindt men, die bewijzen voor de vroegrijpheid van deze jeugdige misdadigers op erotisch gebied.”

Bron: ‘Wetenschappelijke mededeelingen’ in Soerabajjasch Handelsblad, 3 mei 1901.

Bron van de illustratie: Preserved tattoos (een collectie historische tatoeages op sterk water).


Liefdesdrama in Roderwolde

Politie aan het werk bij de fiets van het slachtoffer. In het midden hoofdinspecteur Kraaijenga. NvhN 3 september 1940.

“Een afschuwelijk drama”, aldus het Nieuwsblad van het Noorden van maandagmiddag 2 september 1940,

“heeft hedenmorgen het stille Roderwolde, dat in landelijke eenzaamheid onder de rook van Groningen ligt, opgeschrikt”.

Ten westen van het Roderwolder gehucht Sandebuur, nabij de Rodervaart, woonden daar vlak bij elkaar de families Meijer en Brink,

“ver van den grooten weg, diep het land in, slechts te bereiken langs een zandweg, die door de voortdurende regens van de afgeloopen weken herschapen is in modderpoelen…”

Twee kinderen uit deze gezinnen, Alberdina Meijer (22) en Hillebrand Brink (32) hadden zeven jaar lang verkering met elkaar gehad. Maar begin augustus maakte Dina het uit.

‘s Zondagavonds om half zeven verliet zij de ouderlijke woning. Ze ging in Roden dansen, zei ze. Maandagochtend vroeg was ze nog steeds niet terug.

Bij de familie Brink was hetzelfde aan de hand met Hillebrand. Hij ging die zondagavond om negen uur de deur uit, mogelijk om nog iets te doen in zijn fietsenzaakje te Roderwolde, want hij trok oude kleren aan. Ook hij bleek ’s ochtends nog niet thuis.

Beide families gingen samen op zoek.

“Deze speurtocht door het land, langs boschjes en wallen, eindigde met een verschrikkelijke ontdekking. De oude baas Brink zag op een gegeven oogenblik, het was omstreeks acht uur, op een kamp bouwland het meisje in het struikgewas, achter een walletje ter zijde van den zandweg, op enkele honderden meters van de ouderlijke woning, liggen. Zij bleek dood te zijn.”

Honderd meter verderop stond haar fiets in het struikgewas bij een zijpad van de zandweg. De veldwachter werd gewaarschuwd, die de burgemeester belde. Ze kwamen meteen naar Sandebuur, net als de majoor van de Rijksveldwacht, de huisarts uit Roden, de officier van justitie en diens substituut uit Groningen en hoofdinspecteur Kraaijenga van de Groninger recherche.

De laatste nam de zaak in onderzoek.

“Als eerste voorloopige indruk kwam daarbij wel vast te staan, dat het meisje geworgd is. Lichte verwondingen bij de keel duidden duidden daar op. (…)“

Dina was inderdaad in Roden wezen dansen. Bij café Busscher. Ze was er om ongeveer tien uur weggegaan. Een van haar vriendinnen had nog aangeboden om een eind mee te rijden, maar Dina sloeg dat af: „Welnee, ik kan het alleen best vinden”.

“Daarop is zij weggereden….
Wat er daarna gebeurd is, hoe het trieste gebeuren op dien stikdonkeren eenzamen landweg dien het meisje moest nemen om haar huis te bereiken, zich heeft afgespeeld, dat alles ligt volkomen in het duister.”

De verslaggever die het Nieuwsblad erop afstuurde, constateerde “groote ontsteltenis” in het anders zo rustige Sandebuur.

“Enkele groepjes bewoners stonden daar op den zandweg het gebeuren te bespreken en onder hen bevonden zich de beide vaders van de betrokkenen, van wie één daarbij een dochter had verloren, terwijl de andere in ongerustheid omtrent het lot van zijn zoon verkeerde.
Op het vermoeden, dat deze de hand aan zich zelf heeft geslagen, werd hedenmorgen met dreggen begonnen in het Roder kanaal… “

De vermiste buurjongen, Hillebrand Brink, stond bekend als een binnenvetter die nooit overlast gaf, maar wel altijd deed wat hij in de kop had. Dat Dina het uitgemaakt had, was zeer tegen zijn zin geweest. Sindsdien waren er enkele onaangename ontmoetingen geweest. Hij zat vol wrok en had gezegd,

“dat hij geen andere jongens bij het meisje moest zien”.

Die maandagmiddag al werd hij gevonden in een hakbosje, ongeveer een kilometer verderop.

“Hij bleek door ophanging een einde aan zijn leven te hebben gemaakt.”

Bij de begrafenis van Dina, op donderdag 5 september, wemelde het van de mensen op het kerkhof van Roderwolde, middenin het land. De dominee sprak er over Romeinen 14 : 17:

„Want niemand van ons leeft zichzelven en niemand van ons sterft zichzelven”.
Naar de beweegredenen, waarvan beide partijen het slachtoffer zijn geworden, behoeft niet te worden gevraagd. Vast staat, dat voor Egberdina de keus der liefde zeer moeilijk is geweest. Of zij de voor haar goede heeft gedaan, heeft niet den mensch te beoordeelen.”

Kennelijk waren er mensen, die het slachtoffer de schuld gaven van het gebeurde.

Dina was lid van hervormde meisjesvereniging van Roderwolde. Haar clubgenoten bewezen haar de laatste eer,

“terwijl ook de familie van den dader van den moord aan de groeve was.
Anderzijds was de familie Meijer bij de begrafenis van Hilbrand Brink aanwezig.”

Bron: Nieuwsblad van het Noorden 2, 3 en 6 september 1940.


Een hiërarchie van Drentse kerspelen (1524)

Geïntrigeerd door enkele opmerkingen over ‘ploegen’ als belastinggrondslag in het laat-middeleeuwse Drenthe, kwam ik via via terecht bij een lijstje uit 1524, dat de Drentse archivaris Magnin ooit opdiepte uit het stadsarchief van Hasselt. Het bevat de verdeling van de Drentse bijdrage aan de bezetting van Hasselt door soldaten van de Utrechtse bisschop, waarbij de grondslag bepaald werd op 600 ploegen Deze ploegen, die ook wel heetten te staan voor volle erven, bleken in 1524 als volgt verdeeld over de Drentse kerspelen, waarbij ik die kerspelen op volgorde van hun aantallen ploegen heb gezet :

Kerspel/schultambt Ploegen 1524
Beilen 60
Anlo 44,5
Vries 38
Zweelo 36
Rolde 36
Westerbork 34
Borger 27
Sleen 24
Emmen 24
Dwingeloo 23
Oosterhesselen 20
Vledder 19
Zuidlaren 17
Dalen 17
Pesse, Echten, Ansen 16
Diever 15
Havelte 14
Gieten 13,5
Norg 11
De Wijk 11
Meppel 10
Peize 10
Roden 10
Gasselte 10
Zuidwolde 8
Kolderveen 8
Nijeveen 8
Koekange 7
Roderwolde 6
Wapserveen 6
Roswinkel 6
Schoonebeek 6
Eelde 5
Heel Drenthe 600

Wat opvalt aan dit lijstje is dat de eerste tien kerspels vrijwel allemaal hoog en droog op het centraal Drents plateau liggen. In de middengroep zitten er nogal wat uit het Noordenveld en het Dieverderdingspil, (dus de Kop van Drenthe en het zuidwesten), terwijl het laatste tiental kerspelen op de lijst voornamelijk oude, laag gelegen veendorpen aan de rand van het Drents plateau omvat. Die oude veenontginningen droegen dus weinig bij aan de hoofdsom, en centraal en hoog en droog liggend Drenthe betaalde juist veel. Verder valt de positie van Meppel als handelsnederzetting en toekomstig stadje nogal tegen, evenals die van Eelde, waar het later wemelde van de buitenplaatsen.

Op de lijst ontbreken de zelfstandige heerlijkheden Ruinen en Coevorden. De veenkoloniën Hoogeveen en Gasselternijveen bestonden nog niet. En Assen was nog een klooster.

 


Balboekjes

Teruggevonden bij het archiveren en taggen van mijn foto’s – twee balboekjes voor het danspartijtje van Mimi Hesse in 1900:

Boekjes is eigenlijk een groot woord, want het betreft dubbelgevouwen kaartjes. In dit geval waren die van een jongedame. Op de binnenkant van haar balboekje tekenden jongeheren in op de dansen van het programma:

Dat muzikale programma bestond voornamelijk uit walsen en polka’s. Deels zijn die doorgedrongen in het ijzeren volksdansrepertoire, dus nog wel bekend en identificeerbaar:

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 1774 (bibliotheek documentatie)  inv.nr. 3947.


Groningen als gidsstad bij de inenting tegen de pokken

Dat de inenting tegen de pokken een goede zaak was, sprak in de achttiende eeuw allerminst vanzelf. Binnen de hervormde kerk bestond er nog een vrij sterke orthodox-bevindelijke onderstroom, die dat inenten zonder meer afwees. Vaccinatie gold voor de aanhangers hiervan als een inbreuk op de voorzienigheid Gods. Het was immers een vorm van ziek maken, weliswaar om erger te voorkomen, maar toch: ziek maken. En God was in hun visie de enige die ziek mocht maken. Zo zegt Christus volgens het bijbelboek Mattheus: ” Die gezond zijn, hebben de medicijnmeester niet van node, maar die ziek zijn”. Deze uitspraak werd letterlijk genomen, niet geestelijk.  Vaccinatie of preventief ziek maken was dus uit den boze.

Dit anti-vaccinatie-standpunt werd bijvoorbeeld gehuldigd door Bernardus Gersonius in 1770. Deze oorspronkelijk uit Leek afkomstige chirurgijn van het Oldambtster Midwolda schreef een samenspraak van een ongeleerde en een geleerde, waarin hij de ongeleerde groot gelijk gaf. In de bijbel, aldus Gersonius, stond er niets waaruit af te leiden viel dat inenting toegestaan was, en daarom was het verboden. Door inenting werd God benadeeld in zijn almacht, voorzienigheid en eer. Vaccinatie was daarom een groot kwaad en ongeoorloofd ,“want”, zo schrijft de chirurgijn van Midwolda: “Godt geeft gesontheyt en krankheyt, en tot geneesing der siektens heeft hij de medicijnmeesters gegeven onder zijn almagtige bestiering; hoe het gedraeit wert, heeft niemant vrieheyt om siektens te maaken.” En met nog een ander citaat:

”Het ziek worden en sterven zijn onder de verborgene zaaken en daarom moeten wij daer vanaf blijven, want de verborgene dingen zijn voor den Heere.”

Gersonius schreef dit op een moment dat de variolatie, pokkeninenting met menselijke smetstof, grote opgang maakte in de stad Groningen. In 1759 was daarmee een voorzichtig, maar succesvol begin gemaakt door de arts en hoogleraar geneeskunde Van Doeveren, die zeven kinderen van stadsregenten inentte. In 1765 waren er bij een kleine pokkenepidemie ook weer wat inentingen verricht, maar de twijfel overheerste, ook door de enorme tegenstand uit orthodox-bevindelijke hoek. Pas bij een nieuwe, veel verwoestender epidemie, eind 1769, begin 1770, kwam de grote doorbraak. Vanaf november werden er in een paar maanden tijd maar liefst 450 inentingen gedaan en volgens Van Doeveren betrof het hierbij meest kinderen van aanzienlijken, “dog ook niet weinige van minderen en borgerlijken staat, als ook sommige van de kleine gemeente”. De stadsdokter Matthias van Geuns beaamde dit en schreef dat

”bijna alles wat niet gepokt had, zich bij meenigten ter inentinge aanbood, wel onder den eersten en aanzienlijksten stand, doch ook zeer veelen onder de andere treflijkste burgers, en zelfs sommigen van ’t meest bevooroordeelde gemeen.”

De bestuurlijke elite nam dus duidelijk het voortouw: zo lieten de machtige Van Iddekinges hun kinderen inenten, wat trouwens ook gold voor hun Ommelander evenknieën van de familie Alberda. Volgens Van Doeveren hadden zulke bestuurders hierin veel invloed en vond hun voorbeeld veel navolging. Ook de rol van de kerkelijke voorgangers was volgens hem groot:

“De edelmoedige toestemminge en openlijke verklaaringe van de voornaamsten onzer Godgeleerden en predikanten; hunne voorbiddingen en dankzeggingen van den kanzel, ja het geeven van voorbeelden in hunne eigene kinderen en naastbestaanden hebben hier niet weinig toegebragt om kragt aan ’t werk bij te zetten en veelen te doen overgaan tot het omhelzen van die praktijk.”

Dit voorbeeld van de politieke elite en kerkelijke voorgangers is des te meer van betekenis, als je beseft dat inenting bepaald niet van gevaar ontbloot was. Tegenover de honderden kinderen die voorlopig geen pokken meer konden krijgen, waren er ook een paar die aan de inenting overleden. Inenten was nog echt een gok met kwade kansen.

In elk geval rept Van Doeveren in 1770 van een “ongemeen groot en algemeen succes der inentinge in deze stad“ en stelt vervolgens de stad èn de provincie ten voorbeeld aan geheel Nederland, waar “de inentinge nog bijna overal geweldigen tegenstand ontmoet”.

Pokkeninenting werd dus gangbaar bij de bestuurlijke elite, vond ook wel ingang bij burger- of middenstand en zelfs bij sommige werklui en arbeiders. Hoe lager in de samenleving, hoe minder groot de animo was. Dit veranderde niet in de achttiende eeuw, want pakweg dertig jaar later schrijft de stad-Groninger arts Jacob van Geuns naar aanleiding van een kwaadaardige pokkenepidemie die honderden doden kostte, dat er “weinig plaatsen in de Bataafse republiek” zijn

“alwaar men zo algemeen voor de inenting der pokjes is als hier, bij verre de meesten is dit punt aan geene contestatie meer onderheevig, en dat niet alleen onder de aanzienlijken, maar vooral ook onder middelclasse en zelfs gemeene lieden”.

“Onder de fatsoenlijke en deftige burgerlieden”, aldus Van Geuns, “is meest alles wat pokken moest, ingeënt – en als die nog door de ziekte aangedaan worden, is de dodelijkheid verre zo groot niet”. Bij de “allerlaagste classe” daarentegen, zag hij de meeste slachtoffers vallen. Veel mensen uit die stand dachten dat er niets aan de ziekte te doen viel, of beschouwden haar nog als een oordeel Gods, waartegen menselijke hulpmiddelen niets konden uitrichten.


Rebulie bij de polderdijk

De Oostwolderpolder op een kaart uit 1791. Donkergroen de nieuwe dijk van 1769, lichtgroen die van 1701, blauw de Olde Geut, rood de voornaamste plaatsen. Bron: RHC Groninger Archieven 817-836.

Na jaren voorbereiding begon op dinsdag 14 maart 1769 om 9 uur ’s ochtends dan eindelijk de openbare aanbesteding van het dijkwerk voor de nieuwe Oostwolderpolder. Elke grote aannemer uit Groningerland en aanpalende gewesten met belang bij grondwerk liet zich toen vinden in de herberg van Harm Jans Golthoorn te Oostwold, waar de bestekken al een poos ter inzage lagen.

In totaal ging het om ongeveer 1300 roeden (5,4 kilometer) hoofddijk en een gelijke lengte aan (minder zware) kadijk, die “by putten” zouden worden aanbesteed. Aan zo’n put (graafkarwei) schepte en krooide een ploeg van acht tot twaalf dijkwerkers onder leiding van een ‘putbaas’ of voorman, die zelf vaak onderaannemer was.

De nieuwe zeedijk zou bijna 2700 deimt (of 1200 bunder) kwelder gaan insluiten. Ongeveer de helft hiervan lag in de opstrek achter Oostwold, maar ook de grondeigenaren en boeren van Finsterwolde kregen er land bij, ongeveer een vijfde van het polderareaal. Daar bij Finsterwolde, ten noorden van de kerk, sloot de nieuwe dijk ook aan op de oude dijk. Een derde van de polder lag aan de overkant van de Olde Geut onder Oostwolderhamrik.

Het project werd niet getrokken door de lokale boeren. Dat gebeurde door de grondeigenaren, voornamelijk stadjers, die enige vooraanstaande heren uit hun midden hadden aangesteld als hun “volmagten tot de aanstaande indijkinge van de Uiterdijkslanden agter Oostwold, Hamrik, Goldhoorn en Finsterwolde” – kortweg “gevolmagtigden” of “volmachten”. Hiervan regelden burgemeester W. Siccama, stadsrentmeester A.H. Berghuijs en de prominente katholiek J.J. Cremers de aanbesteding. Maar zij beleefden daar op die dag weinig plezier aan. Al bij de gunning van het eerste stuk dijkwerk ging het mis, zo berichtten ze naderhand de drost van het Oldambt. Kennelijk waren er naast aannemers ook veel dijkarbeiders afgekomen op de aanbesteding, want toen de aanneemsom van dat eerste, maatgevende stuk dijk in hun ogen veel te laag uitviel, waardoor ze konden voorzien dat hun loon eveneens mager zou zijn, werd

“den aannemer van het eerste pand door quadaardige menschen (…) vervolgt en met stokken geslagen, zodat die ternauwernood heeft kunnen worden gered, zijnde de verdere anneemeren hierdoor geïntimideert, zodat dien dag de verdere uitbestedinge heeft moeten worden gestaakt,…”

De volmachten, beducht dat een tweede publieke aanbesteding precies zo zou aflopen, besloten toen tot een list: de onderhandse gunning van al het dijkwerk tegen 9 gulden de put, “met dat gevolg dat nog dien avond het grootste gedeelte van de dijk is uitbesteed”. De volgende dag kwamen de betrokken aannemers hun bestekken bij Goldhoorn tekenen. “’t Geen meerendeels in een goede orders is verrigt”, aldus de volmachten, tot uiteindelijk “een groote menigte quadaardige menschen” dreigend hun herbergkamer binnendrong, die zodanig “bezet” raakte, dat ook die dag het verdere gunningswerk onmogelijk was gemaakt.

Problemen voorzien

Dijkarbeiders hadden een reputatie op te houden. In 1740 en 1762 legden ze voor een hoger loon het werk neer bij de dijkbouw voor de Stadspolder en de Landschaftspolder. Dat wisten de volmachten van de Oostwolderpolder natuurlijk en die hadden dan ook al problemen voorzien. Een maand voor de aanbesteding maakten ze al hun opwachting in het Groninger stadhuis, waar ze vertelden,

“hoe bij indijkinge van genoemde landerijen een meenigte vreemde arbeidslieden zullen moeten emploijeren om ’t werk spoedig te kunnen perfecteren, waaronder dikwerf kwaadwilligen worden bevonden, die off niet langer willen arbeiden, of meerder penningen dan hebben bedongen willen trekken, ook beletten dat de goedwillige om ’t begonnen werk voort te zetten, zoo als de ondervindinge in diergelijke gevallen heeft geleerd…”

De volmachten verzochten om voorspraak van het stadsbestuur, “dat zij ter beveil[ig]inge van het werk met een detachement militie mogten werden voorsien”. Op 10 maart, enkele dagen voor de aanbesteding, reageerden Burgemeesteren en Raad welwillend op dit verzoek. Zij vroegen de garnizoenscommandant, luitenant-generaal Van Holsten, om voldoende troepen naar het Oldambt te sturen “ter protectie van onze goede ingezetenen”, en om “desnoods alle tumulten en geweld (…) te weeren en te beteugelen”.

Enkele dagen na de aanbesteding bleek Van Holsten bezwaren tegen zo’n missie te koesteren. Het garnizoen was al zwak en er kwamen oefeningen aan. Sowieso diende eerst de opperbevelhebber, prins Willem V, er zijn toestemming voor te geven, vond hij. En daar moest het stadsbestuur de prins zelf maar om vragen. Hetgeen gebeurde. Op 21 maart ging er een brief naar de prins, waarin Burgemeesteren en Raad uitlegden dat het ging om een belangrijk werk waar maar liefst “1300 à 1400 meest vreemde arbeiders” op af zouden komen. Als raddraaiers ook maar het geringste oponthoud veroorzaakten, zou de indijking “voor het geheele zomer onnut kunnen werden gemaakt”. En omdat het werk al op 25 april begon, was er haast geboden. Of de prins de garnizoenscommandant bevel wilde geven,

“om een convenabel detachement militie ter requisitie van de volmagten te laaten volgen uit het guarnisoen van Groningen (…), teneinde deselve te dekken en de tumultueuse te apprehenderen en an de domiciliaire regter over te geeven, en dus dat werk in een behoorlijke tranquiliteit te laaten verrigten…”

Anders gezegd: de manschappen stonden ter beschikking van de volmachten; ze moesten deze beschermen, terwijl ze bij het dijkwerk de rust dienden te handhaven en eventuele oproerkraaiers moesten oppakken en aan de drost overleveren. Op 4 april honoreerde de prins, “overtuigt van de billijkheid”, het verzoek om militaire bijstand. Hij gaf commandeur Van Holsten schriftelijk bevel tot de Oldambtster missie.

Uiteraard moest er in het Oldambt gezorgd worden voor kost en inwoning van de militairen. De verdere organisatie en vooral ook de sterkte van het detachement liet de prins aan de commandeur over, al bepaalde hij nog wel dat het “sterk genoeg” moest zijn “om geen gevaar te loopen van aan affronten blootgestelt te zijn”. Van Holsten diende nog te overleggen met de volmachten. Ook moest hij de prins op de hoogte blijven houden.

De zoetelaarster en de schildwacht

Vanuit Groninger bronnen is het exacte aantal soldaten onbekend, maar uit de rang van hun bevelhebber laat zich afleiden dat het om enkele tientallen ging. Hun hoofdofficier was de 84-jarige Jean Valat, een hugenoot geboren in de Languedoc, inmiddels opgeklommen tot luitenant-kolonel en kapitein der infanterie. De eerste maand had zijn detachement weinig te doen en bleef het rustig. Dat Valat schildwachten langs de nieuwe zeedijk uitzette, die communiceerden met een wachtlokaal, blijkt pas uit een akkefietje dat zich op 9 juni voordeed.

Die avond bezochten twee Oldenburger dijkarbeiders, Geert Berends (28) en Berend Ipsen (25), het schip van Geerts zwager, om er enige “montprovisie” op te halen die de zwager vanuit Oldenburgerland had ingevoerd. Diens schip lag “in de Oude Gote agter Oostwoldt bij de nieuwe dijk” en pal ernaast lag een andere schuit “om drank en eetwaren an de arbeijders uit te suidelen”. De Oldenburger dijkwerkers besloten daar eens even langs te gaan. Ze dronken er “verscheidene half oorden genever met suiker” en het ging er vrolijk aan toe, want iemand pakte zijn viool en men ging dansen. Op een gegeven moment raakten beide Oldenburgers echter “door drank bevangen” en begonnen ze onbehoorlijke taal uit te slaan tegen de zoetelaarster, die ze ook “stoeijender wijze” beetpakten. Een aanbod van haar en haar man om koffie te gaan drinken, sloegen ze af, en ze pakten zelfs haar man bij de schouders, waarbij diens “hemtrock” scheurde. Sein voor de angstige vrouw om de dichtstbijzijnde schildwacht te roepen. Die arresteerde beide dijkwerkers, en leverde ze over aan de achterwacht.

Inderdaad raakten beiden zo in handen van de Oldambtster drost, die ze echter na enkele weken brommen in de Zuidbroekster toren weer vrij liet. Volgens de drost was de zoetelaarster namelijk “gene smerte, nog enige wondinge” aangedaan, terwijl hij de verdachten hun uitlatingen niet aanrekende, omdat die “inter personas vilioris conditionis” waren gedaan – kennelijk vond de drost dat soort uitlatingen normaal voor lieden van geringe stand. Ook had de zoetelaarster de schildwacht er “meer uit confusie, dan eminent gevaar” bij geroepen. Bovendien hadden de verdachten hun spijt betuigd. Weliswaar viel “ het antasten van jemant in zijn eigene schuite” niet te tolereren, maar daarvoor volstond het voorarrest als straf. Verder liet de drost het bij een ernstige waarschuwing.

“Schiet mij maar dood”

Het gevalletje in de zoetelaarsschuit was nog onschuldig vergeleken bij wat er op zondag 2 en maandag 3 juli gebeurde. Die zondag werd ergens een “wagen met smokkelwaaren” aangehouden, waarvan de lading bestemd was voor iemand bij de nieuwe dijk. Toen de dijkarbeiders op de polder bij de Goldhoorn hiervan lucht kregen, gingen er zo’n vijftig via Oostwold en Midwolda naar Scheemda, waar de wagen zou staan. Dat bleek niet het geval, zo ontdekten ze. De wagen stond inmiddels in de schuur van substituut-wedman Jacob Egges te Winschoten, waar hij niet alleen door landsbedienden (belastingcommiezen), maar ook door een sergeant, een korporaal en elf soldaten bewaakt werd.

Hoewel de dijkarbeiders opdringerig waren, bleef het daarbij. De volgende ochtend echter, vertrok er een ”menigte” arbeiders van de nieuwe dijk achter Finsterwolde via de Ekamp naar Winschoten met het voorneen om de in beslag genomen goederen te heroveren. Van twee kanten sloten ze het huis van Egges in. Ditmaal drongen ze zo op, dat ze de soldaten wisten te overmeesteren. Die raakten hun geweren kwijt en vervolgens werd de contrabande in triomf naar de dijk gevoerd.

Over de indentiteit van de arbeiders die bij deze actie betrokken waren, zijn de bronnen ambigu. Terwijl een eerste stuk het heeft over Oldenburgers, spreekt een tweede van “arbeiders van de dijk en andere”, terwijl de de “desordres” volgens een derde werden gepleegd “zo door de Oldenburgers als ingezetenen”.

In elk geval waren twee van de drie aanvoerders die naderhand werden opgepakt, geen Oldenburgers. De eerste was Jan Elses (35) uit Beerta, die ‘s zondags in Winschoten de gewapende soldaten had uitgedaagd: “Hyr staa ik, duivels, schiet mij maar dood’.’ Ook had hij de militairen uitgescholden voor “canaille”. Gedeputeerde Staten, die recht spraken in belasting- en smokkelzaken, veroordeelden hem hiervoor tot twee jaar verbanning.

Een heel wat zwaardere straf kregen de Pekelder Jan Hindriks Karstens (40), in de wandeling Starke Jan, ook wel Jan Oldenburger, en de putbaas Jan Beerends (ca. 59) die uit Bonderhamrik afkomstig was. Zij golden als leiders van de arbeiders die op maandagochtend Winschoten waren binnengetrokken. Starke Jan had daar bovendien een soldaat ontwapend en diens geweer afgeschoten. Hij raakte daarbij gewond aan een hand. Net als zijn Oostfriese collega werd hij veroordeeld tot een levenslange verbanning uit de provincie.

Intussen kregen de belaagde soldaten een extra beloning van GS, namelijk 25 gulden voor de sergeant. 10 gulden voor de korporaal en 5 gulden voor elk van de manschappen. Ook omdat er na de rebulie opeens erg veel belasting ontdoken werd, besloten GS nog veel meer troepen te sturen naar de nieuwe Dollarddijk dan er al lagen. In overleg met commandeur Van Holsten, de Oldambtster drost Berghuijs en kapitein Valat werd de versterking bepaald op één officier, twee onderofficieren en zestig man voetvolk. Deze moesten een feitelijk samenscholingsverbod afdwingen en zoveel mogelijk zorgen dat de dijkarbeiders bij hun werk bleven en niet meer “bij troepen over den ouden dijk” kwamen.

Het nieuwe detachement vertrok op maandagochtend 24 juli in trekschuiten naar Scheemda, en marcheerde vandaar naar Finsterwolde. Daar sloot de nieuwe dijk immers op de oude aan, zodat eventuele “samenrottingen” daar ook het gemakkelijks te voorkomen waren. Op vier wagens, elk met twee paarden bespannen, werd de bagage van het nieuwe commando vervoerd. Daartoe bevolen door de drost regelden de dijkrichters (waterschapsbestuurders) van Finsterwolde dit vervoer. Zij ook, moesten voor de inkwartiering zorgen. Alleen de huishoudens die grondbelasting betaalden, kregen ermee te maken. De drost gaf nog de aanwijzing,

“dat de heer capitain en de beijde officieren in het dorp de fraeijste en geschikste behuijsing werden toegevoegt, hetzij bij de meester off jemant anders. Voor ’t overige moeten de biljetten voor de gemienen, waaronder nogthans de sergeanten niet te rekenen, geformeert worden na quantiteit der behuisingen en vermogen der ingezetenen.”

Het eerste wat het nieuwe commando deed, was het arresteren van de bovengenoemde aanvoerders van de rebulie in Winschoten. Zodoende werd “de justitie dienst gedaan en het ligchaam van sijn hoofden berooft”. Ook beschermde het detachement een “administrator” (hoofdbelastinggaarder) die permanent in de omgeving gestationeerd werd. Naar het zich laat aanzien, was hun missie zeer effectief – voortaan bleven de dijkarbeiders rustig.

“Belastinge met egaliteit”

Maar zoals dat gaat, ging de inkwartiering tegelijkertijd zwaarder wegen. Op 23 augustus klaagde kapitein Budde van het detachement bij de drost dat ene Harm Hindriks Groot drie van zijn manschappen de inwoning had ontzegd, terwijl Groot ze voor hun geld ook geen eten meer wilde geven, “zeggende dat zijn vrouw, oud zijnde, dat niet beredden konde”. Budde probeerde hem nog te overreden, maar “alles tevergeefs, willende nae niets hooren”. Het draaide zelfs nog op ruzie uit. En dus zwierven er drie soldaten door Finsterwolde, “niet wetende waar zij voor haar geld te eeten zullen krijgen”. Budde stelde de drost voor om ze te huisvesten in een herberg, waarbij de meerkosten voor Groot zouden zijn,

“dan word hij als een ongehoorsaeme gestraft, op welke wijse de andere ook best in toom gehouden kunnen worden, anders vreese ik dat meer het voorbeeld van deezen Harm Hindrik Groot volgen sullen.”

De kapitein klaagde bovendien over wedman Roemeling van Finsterwolde. Ondanks een bevel van de drost wilde Roemeling de soldaten geen stro bezorgen: “Wilt gij stroo hebben, ziet dat gij het krijgt”. Zodoende moest Budde zijn mannen ’s avonds na de taptoe nog ligstro laten halen.

Budde zal blij zijn geweest, dat hij en zijn troepen zes dagen later werden afgelost. Bij zijn vertrek kreeg hij nog woorden met een dijkrichter over het bagagevervoer. Ook Harm Groot was blij, die raakte de soldaten voorlopig kwijt. Volgens de instructie moest het nieuwe detachement namelijk “zo veel doenlijk bij andere lieden” worden ondergebracht dan voorheen, “opdat de belastinge met egaliteit werde gedragen”.

Het nieuwe commando bleef een stuk minder lang dan dat van kapitein Budde. Voortaan werden de troepen ook sneller afgelost. Eind oktober werd het detachemernt gehalveerd en toen GS op maandag 13 november vernamen dat

“de nieuwe dijk achter Oost- en Finsterwold in den Oldambte met de afloop van deze week geheel en al stond te worden geëindigt, en dat er bovendien voor het tegenwoordige niet veel boven de honderd arbeiders, alle inlanders, in ’t werk waren”,

kon het commando zelfs helemaal inrukken, waarmee er een eind aan de missie kwam. Overigens kreeg elke soldaat die eraan deelnam een beloning, bestaande uit een extra week soldij. Hiervoor leverden de kapiteins attestaties in, waarbij de “huislieden” (boeren) van Finsterwolde verklaarden “zeer tevreden te zijn over de voorschr[even] commando met opzigte tot derzelver gedrag”.

Finsterwolde kwam er daarentegen nogal bekaaid vanaf. Drost Berghuijs deed op 25 november nog een goed woordje voor het kerspel bij GS. Hij schreef de heren dat de inwoners door de ongeveer achttien weken durende inkwartiering “zeer veele inconveniënten en aanmerkelijke nadeelen” hadden ondervonden. Hij verzocht ze derhalve om een schadevergoeding voor deze mensen, “voor ’t grootste gedeelte in bekrompene omstandigheden zijnde”. In de provinciale stukken echter, is er geen spoor van een dergelijke tegemoetkoming te vinden. En daarmee lijkt het er sterk op dat de militaire bescherming van het dijkwerk ten koste van Finsterwolde is gegaan.

Wie er uiteraard wel garen bij sponnen waren de boeren en vooral de eigenaars van land in de nieuwe polder. In 1770 vroegen en kregen die nog een vrijdom van de grondbelasting voor 25 jaar. Voorafgaand aan de indijking hadden ze jaarlijks nog 2 stuivers per deimt voor hun “hooikwelders” betaald. Zelfs daar waren ze nu vanaf.

Bronnen per paragraaf

Aanbesteding

  • Stratingh en Venema, De Dollard (Groningen 1855) 117-118.
  • Groninger Courant 10 januari; 3, 21 en 28 februari; 3 maart 1769 (aanbesteding); 18 april 1769 (Golthoorn); 15 april.1763 en 3 februari 1769 (kwelderaanwas),
  • WNT: de lemmata kaaidijk (kadijk) en put (putbaas).

Problemen voorzien

  • RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (plaatselijke gerechten) 6153 (inzet militaire bij indijking, 1769), dossier met diverse brieven naar en van de Oldambtster drost.
  • Vriendelijke mededelingen over dijkstakingen van Otto S. Knottnerus in mails d.d. 25 en 26 juni 2017 (waarvoor hartelijk dank!).
  • RHC Groninger Archieven, rekest aan het stadsbestuur 10 maart; resoluties van het stadsbestuur 10, 20 en 21 maart; uitgaande missive 21 maart (in 1605-502); ingekomen missive 4 april (in 1605-316); resuluties 6 en 12 april, alles uiteraard 1769.
  • Via http://www.allegroningers.nl het begraafboek van de Waalse gemeente Groningen, september 1772 (kapitein Valat).

De zoetelaarster en de schildwacht

  • RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (plaatselijke gerechten) 5694, de sententies van 17 juni 1769.
  •  WNT, het lemma zoetelaar.

“Schiet mij maar dood’”

  • RHC Groninger Archieven, Toegang 1 (Staten) 1352, de sententies van G.S. d.d. 9 september (Jan Elses) en 23 serptember (Starke Jan en Jan Berends) 1769.

Belastinge met egaliteit”

  • RHC Groninger Archieven, Toegang 1 (Staten) 193: akten GS 10, 21, 24, 27 en 31 juli; 26 augustus; 7, 21 en 23 september; 3. 4 en 21 oktober; 1, 9, 13 en 22 november; en 11 december 1769.
  • RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (plaatselijke gerechten) 6153 (dossier met brieven over de inzet van militairen bij de indijking, 1769).
  • RHC Groninger Archieven, Toegang 1-444 (rekesten dec. 1769-eind 1770, ihb die van 2 of 3 april 1770), 1-193 (akten GS over dezelfde periode), en 1-60 (resoluties Landdag, ihb die van 23 april 1760.

Schoolmeester Leegkerk keek onder hemd van domineeszoon

De kosterij van Leegkerk, gezien vanuit het zuidoosten.

In de zomer van 1641 benoemden Gedeputeerde Staten van Stad & Lande een nieuwe koster-schoolmeester in Leegkerk. Het betrof Berend Jans uit Westeremden en het provinciebestuur koos hem niet zelf uit, want Berend kreeg de betrekking “op voorstel van den pastoor & gemiente”. De ingezetenen van Leegkerk, met hun predikant ds. Abel van Bolhuis voorop, moeten dus blij zijn geweest met Berends komst.

Ruim een jaar later bleken de verhoudingen danig verstoord. In de classis Westerkwartier, die via de predikanten en kerkeraden toezag op de schoolmeesters en hun onderwijs, moest Berend Jans op het matje komen. Tegen de schoolmeester van Leegkerk waren, denkelijk door zijn kruiwagen, de predikant aldaar, vijf “swaere clachten” ingediend. Ziehier het lijstje met meesters zonden:

  1. dat hij ten huise van Harmen Hebrants in t’ bier gelach end’ bij droncken lieden psalmen D[avi]ds gesongen hadde, end’ tot ofstant vermaent, geseit hadde ick hebbe de brui van de papen.
  2. dat hij sijn pastoor met vuile reden, met liegen t’ heeten, end’ uitdagen qualick beiegent hadde.
  3. dat eenige jonge maegden t’ schoele gaende in sijn bijwesen die venten de broecken hadden ofgestreecken end’ hij des pastoors vent Alle het hemd hadde opgelicht.
  4. dat hij op sondagh onder predicatie sonder noot in een ander mans lant hadde gaen hoijen, end’ sijn eegen op voermiddach hadde doen anmenden.
  5. Een ander enormiteit begaen om reden niet exprimeert.

Vermoedelijk hoorden de eerste twee klachten bij elkaar. In een herberg of bij een nabertering werd flink wat bier gedronken, mensen waren dronken geraakt en de schoolmeester, die op zondag tevens in de kerk optrad als voorzanger, was uitgebarsten in psalmgezang. Iemand, waarschijnlijk de predikant, vermaande hem om dat niet te doen: heilige gezangen bij een slemppartij, dat gaf immers geen pas. De schoolmeester reageerde verbolgen, noemde ds. Van Bolhuis met zoveel woorden een leugenaar en daagde hem uit, iets wat je voor die tijd letterlijk moet nemen: Kom jij maar eens mee naar buiten, dan vechten we het daar wel uit.

In de classis bevestigde meester dat hij bij de slemppartij was geweest en er psalmen was gaan zingen. Maar hij zou niet hebben gezegd dat hij genoeg had van “de papen” (bijv. dominee). Om het smaden, schelden en uitdagen van de predikant draaide hij eerst heen, zonder dat hij het ronduit durfde ontkennen. Op beide punten lagen er getuigeverklaringen die de aanklacht ondersteunden.

Dat er enige schoolmeisjes over de broeken van de jongens hadden gestreken, was niet in zijn bijzijn gebeurd, aldus de onderwijzer. Hij negeerde de aantijging dat hijzelf onder het hemd van het domineeszoontje had gekeken. Was het verhaal over de broekenstrijkerij aan hem verklikt of opgebiecht en probeerde hij de jongen te kleineren door quasi te inspecteren of er nog enig effect bespeurbaar was?

Dat Berend Jans zonder enige noodzaak (zoals naderend onweer) iemand op zondagochtend hielp bij het hooien, gaf hij grif toe, evenals het zondaagse vervoer van hooi naar de kosterij en de onnoemelijke en daarmee nogal raadselachtige “enormiteit”.

De classis, die de klachten, getuigeverklaringen en meesters bekentenissen “rijpelick” overwoog, was unaniem van oordeel dat mr. Berend Jansen wegens zijn “schandelijke, ergerlijcke end’ onlijdelicke comportamenten” eigenlijk ontslag op staande voet verdiende. Een dergelijk figuur hoorde niet langer de “so eerlicke kercken-dienst end’ schoeldienst t’ bedienen”. Het was dan ook alleen “om sijn swacke huisfrouwe end’ armlicke kinderen” dat Berend de komende koude winter nog met zijn schoolwerk door mocht gaan. Hij werd echter tot nader orde geschorst als voorlezer en voorzanger in de kerk. Ook werd hij geschorst als lidmaat; hij mocht dus voorlopig niet meer aan het heilig avondmaal deelnemen. De deputaten van de classis zouden bovendien bij de provinciale rentmeester Verrucius beslag laten leggen op “sijn toekomende wintertractement”, tenzij ds. Van Bolhuis van Leegkerk getuigenis kon geven van “merkelijke beteringe van zijn fouten en van een recht godtsalich levent”. Ging Berend “tegen de last van sijn beroepinge” nogmaals in de fout, dan ontsloeg men hem zonder pardon uit al zijn functies.

Berend Jans kreeg dus niet zijn congé, zoals Bottema meent, de classis liet hem slechts bungelen. En hielp dat? Ja, het zag ernaar uit van wel. Op 12 oktober, een maand na de schorsing van Berend als voorlezer, voorzanger en lidmaat, vertelde ds. Van Bolhuis in de classis dat zijn schoolmeester “sick niet verslimmerde in sijn comportement”. De predikant vroeg daarom of de meester zijn kerkelijke taken weer mocht oppakken. De classis besloot dat aan ds. Van Bolhuis en zijn kerkeraad over te laten – dominee moest daarin handelen “tot godes ehre ende stichtinge siner gemeente”.

Inderdaad kreeg Berend zijn functies weldra terug. In november rapporteerde ds. Van Bolhuis, dat hij de schoolmeester had voorgehouden zich voortaan netjes te gedragen, zodat er geen klachten meer over hem zouden zijn. Waarop de schoolmeester beloofd had “door godes genaede” zijn leven te beteren. Omdat er verder ook niets meer op hem aan te merken viel, zou de meester tegen Kerstmis ook wel weer aan het avondmaal mogen deelnemen.

Of er later nooit geen klachten meer waren, weet ik niet, zover ben ik nog niet gekomen in het classisprothocol. Berend Jans stierf in elk geval in 1666 als koster en schoolmeester van Leegkerk.

Bronnen:

  • Jaap Bottema, Naar school in de Ommelanden (Bedum 1999) 42, 104, 173.
  • RHC Groninger Archieven, Toegang 1 (archief Staten van Stad en Lamnde) inv.nr. 126 (Akten- of resolutieboek GS) 12 juli 1641.
  • RHC Groninger Archieven, Toegang 180 (archief classis Westerkwartier) inv.nr. 3 (handelingen) 5 september 1642, 12 oktober 1642, 21 november 1642.

De kosterij van Leegkerk, gezien vanaf het westen.


Schoolmeester Noordhorn maakt muziek in herbergen en samenkomsten der jeugd (1629)

Cornelis Pietersz. Bega, Musicerende en dansende boeren, midden 17e eeuw, Rijksmuseum.

Handelingen classis Westerkwartier, 7 september 1629.

“Ende also eenige klachten sijn gewest over Petrum Eppens, schoelmester tot Northorn, als dat he sick solde cunde onderwinden in harbargen ende andere sosamenkomsten der jeucht up instrumenten te spoelen, het walke een schoelmesteren niet en betaemt; ock stridet tegens ordeninge der kercken ende den dienst der schoele marcklick verhindert. So is hem petro vors[zeide] belastet worden sulck doen achter te laaten, mede sick sines schoelmestes allene anneemen; het walke he dan te doen belofet heeft.”

Vertaling: Er zijn wat klachten geweest over Petrus Eppens, de schoolmeester van Noordhorn, dat hij in herbergen en samenkomsten der jeugd muziek maakt. Dat past een onderwijzer niet, druist in tegen de kerkorde, en gaat zeer ten koste van het schoolwerk. Daarom is Petrus aangezegd deze praktijk na te laten, en zich louter met het onderwijs bezig te houden. Wat hij ook beloofd heeft.

Commentaar: Als er in een herberg muziek gespeeld werd, was dat meestal op een viool en dan werd ervoor gedanst. Dat aspect zal de predikanten van de classis Westerkwartier het meest dwars gezeten hebben. Als voorzanger of organist maakte de schoolmeester immers ook muziek die bij zijn kerkelijke functie hoorde, sacrale muziek. Het ging de predikanten dus vooral om het profane, als zondig ervaren aspect van spelen in de herberg..


Lucebert – Vrede is eten met muziek

Was van de week even op bezoek in het H.N. Werkman Stadslyceum aan de Nieuwe Sint-Jansstraat. Grote verrassing: hier hangt in een soort van studielokaal/kantine het werk ‘Vrede is eten met muziek’ van Lucebert. Eerder hing dit schilderij (uit 1985, acryl op multiplex panelen) in de kantine van een schoolgebouw aan de Melisseweg. Toen dat gesloopt werd, zamelden oud-docenten van de school geld in voor een broodnodige, maar zeer geslaagde restauratie van Luceberts werk. Daarna hing dat even in het Groninger Museum en vorig jaar kreeg het een nieuwe permanente plek hier aan de Nieuwe Sint-Jansstraat:


Eigenlijk is het een drieluik. Op het middendeel staat een orkestje te spelen. De sax heeft uitstraling, de gitarist swingt alle kanten op en de drummer is zeer dynamisch:

Het gezelschap links, met een innig verstrengeld stel:

Het gezelschap rechts. Let op de komkommerbespeler, het mannetje dat om de hoek komt klieren en de kat met de twee muizen:

Er zitten fantastische details in dit werk, zoals deze hond met kluif:

Er hoort een allesbehalve hermetisch gedicht bij waarin Lucebert ons voorhoudt waarom het gezamenlijk eten en drinken met een vrolijke deuntje erbij goed is:

Vredig eten is goed eten
Want lekker eten doet men alleen in rust en vrede
Voor een goede spijsvertering is het een vereiste
Dat men elk hapje minstens vijftienmaal kauwt
Daarom eet men met muziek ook beter
Want onder vrolijke tonen bewegen de kaken vanzelf
Harmonieus en met de kaken ook de slokdarm
En later zelfs de overige dertig meter
Lange darmen in de buik .

Vrede is goed eten met goede muziek.
Met marsmuziek kan men beter lopen dan eten
Als men dan ook maar vredig loopt
En niet meemarcheert met een troep soldaten
Tegen andere soldaten –
Dan is marsmuziek net zo besmet
Als bedorven voedsel

Maar bij dansmuziek is het zeker goed eten,
Want dansen is geen vechten.
Wie danst houdt rekening met andere dansers,
Zoals men onder het eten niet alle
Lekkere hapjes alleen verorbert, maar die deelt
Met de overigen de disgenoten.

In het oorspronkelijke paneel met dit gedicht zat een foutje. In het woord spijsvertering ontbrak namelijk de s. Die is er met behulp van een fotobewerkingsprogramma alsnog in geplaatst, op zo’n manier dat de verbetering kenbaar blijft:

Weblog over de actie voor behoud en restauratie van Luceberts werk.


De Twee Provinciën, toen het nog niet zo lang bestond

Ik merk dat het clubhuis van watersportvereniging De Twee Provinciën i  Paterswolde honderd jaar bestaat. RTV Drenthe besteedde er vandaag aandacht aan.

De Twee Provinciën is een zeer toepasselijke naam, aangezien het clubhuis zich pal op de grens van Groningen en Drenthe bevindt. Oorspronkelijk was het de naam van een uitspanning, waarvan ik me nu afvraag of die zich op precies dezelfde locatie bevond:

Het clubhuis van 1917, zoals dat er nu nog staat, op een foto van vlak na de bouw:

Van het eerste lustrum bleef het programma bewaard:

Ook later kon je er nog wel dansen:

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 1774 (documentatie bedrijven en instellingen) inv.nr. 4218/1 (Paterswolde).


Het klauwregister van Hoogkerk

In 1661 vergaderden de eigenerfden van Hoogkerk meermalen in het Provinciehuis in de stad Groningen om een klauwregister vast te stellen voor de Schepperij (= waterschap) van Hoogkerk. Blijkbaar was daar eerder onenigheid over geweest. Afgesproken werd dat de eigenaars van de twintig grootste heerden land (= boerderijen met een bepaald minimum-areaal aan grond) elk om de beurt, en wel om de twee jaar, de Schepper zouden mogen benoemen, die het zijlschot en de schouwboetes zou innen. Zulke boetes waren grotendeels voor degenen die de Schepper benoemden en dat maakte het benoemingsrecht aantrekkelijk.

De manier waarop de Schepper zijn werk deed, moest blijven zoals die ‘altijd’ was geweest. Alleen werd bij loting de volgorde bepaald, waarin de eigenaars van de twintig heerden die aan de criteria voldeden, een Schepper mochten aanstellen. Het klauwregister legde deze “ommegangen” vast. Hieronder heb ik dat stuk in de eerste vijf kolommen samengevat, terwijl in de laatste twee kolommen de opvolgende eigenaren van de ommegangen uit de achttiende eeuw te vinden zijn:

1661 1701 evj. 1741 evj
Nr. Huisnaam Bij rechtstoel genoemd? Eigenaar Meier Eigenaar

 

Eigenaar

 

1 Lt. Derk van Ballen en Juffer Anna de Sygers Jantien, wed. Melis Geerts Heer van Aduard Heer van Aduard
2 Jr. Jan Dominicus Clant Reinder Peters en Oene Clasens Heer van Aduard Heer van Aduard
3 Wed. en erven Soll. Luitjen Jansen Hoving Grietje, wed, Hajo Arends Heer van Aduard Heer van Aduard
4 De Woltgraft Dr. Simeon Wychel Claas Derks en Frerick Siers Stad Stad
5 De Koningspoort Vrouw van Bierum Riener Crabbes Heer van Aduard Heer van Aduard
6 Geert Lubbers Hindrik Fockes Heer van Aduard Heer van Aduard
7 Het Hol Ja Provincie Pieter Claasen Stad Stad
8 Lt. Huysman Hermen Roelefs Heer van Aduard Heer van Aduard
9 Siccamaheerd Ja Dr. van Swinderen Wessel Hindriks Stad Stad
10 Elderhuisen Wed. en erven Lt. Johan Coenders Hermen Jacobs en Hermen Walichs Wiers Stad
11 Cruisemahuis ja Siabbe Abbringe Siabbe Abbringe Heer van Aduard
12 Jr. Doede Manninga, nu jr. Geert Horenken Jan Hermens Heer van Aduard Heer van Aduard
13 Elmersma ja Jr. Ulrich van Ewsum Gerrit Clasen Heer van Aduard
14 Armhuiszittend Convent Jacob Clasen Armhuiszittend Convent
15 Bangeweer Ja (Popko Jongeringsstede op Bangeweer) Dr. Simeon Wychel en Hermen Clasen Hermen Clasen Stad en Heer van Aduard samen
16 Joost Lewe op Klinkenborg Roelf Peters Heer van Aduard
17 Provincie Jan Clasen Buir Stad
18 De Luisenborgh Ja (eerder ook wel ’t Huis ten Hamrik) Erven Fennetien van Rhenen en co. Willem Jansen Heer van Aduard
19 Erven Johan Coenders + Armhuiszittend Convent Evert Jacobs Stad en het Armhuiszittend Convent samen
20 Godes Ackers Heerd William MacDowell + Jr. Ulrich van Ewsum Loech Onnes Heer van Aduard

In het stuk van 1661 staan 10 huisnamen – de overige heerden worden genoemd naar hun eigenaren. Van die 10 huisnamen zijn er maar 6 terug te vinden bij de 17 edele heerden die een stem in het kapittel hadden bij de benoeming van de rechter in Hoogkerk. Er moet veel meer overlap tussen de lijsten geweest zijn – er waren niet veel meer boerderijen in Hoogkerk. De lijst van de 17 inzake de rechtstoel stamt weliswaar uit 1754, en is daarmee beduidend jonger, maar gaat qua huisnamen waarschijnlijk veel verder terug, ik denk tot de zestiende of vijftiende eeuw. Niet alleen het kleinere aantal heerden doet dat vermoeden, maar ook de aard van de namen op die lijst: deze namen verwijzen veelal naar Friese eigenerfde families.

Hoewel de volgorde van 1661 bij loting is bepaald, lijkt er een route van noord naar zuid in de lijst te zitten. De Woltgraft lag op de hoek van de Kerkweg en het oostelijke deel van de Legeweg, waar nu een grote boerderij met een handel in tuinmachines staat. De Koningspoort lag op de hoek van het Koningsdiep en het Hoendiep, waar nu vloeivelden liggen van de suikerfabriek. Het Cruisemahuis, ooit Drents kloosterbezit, moeten we ook  in die omgeving zoeken. Elmersma, een borg met schathuis, lag op de zuidoostelijke hoek van het Hoendiep met de Zuiderweg. Bangeweer bestaat nog steeds als bult met restaurantboerderij. Maar dit zijn ook de enige heerderijn waarvan me de locatie bekend is, van de rest wil ik die nog zien te achterhalen. (Vooral de Luisenborg en de Godsakkersheerd intrigeren me.)

De eigenaren van 1661 waren voor tweederde deel jonkers, praktisch allemaal verschillende. Een paar heerden waren eigendom van de provincie, een paar andere waren van gewone namen en het Armhuiszittend Convent in de stad bezat ook nog anderhalve heerd. In de achttiende eeuw zijn er nog maar een paar eigenaren over: de Heer van Aduard heeft dan 12,5 ommegangen, de Stad 6 en het Armhuiszittend Convent nog steeds 1,5.

Van zowel de Heer van Aduard, als de stad als het Armhuiszittend Convent bleef een goede boekhouding bewaard, met staatboeken en rekeningen. In principe moet het daarmee mogelijk zijn de latere beklemde meiers van deze heerden te achterhalen, zodat er een verband is te leggen met het kadaster van 1830. En dat levert dan de precieze locatie op van alle genoemde heerden en daarmee van de huisnamen die tot nu toe nog niet thuisgebracht zijn.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 1605 (Stadsbestuur 1594-1816) inv.nr.8160 (klauwlijsten Hoogkerk, voorheen rnr 1311 d.)


Hoogtepunten uit een collectie foto’s van bovenlichten of snijramen

Ik vertelde zaterdag al dat ik een verzameling foto’s van bovenlichten door mocht kijken. Deze zwaan sprak me het meest aan, niet alleen omdat het een fraaie uitwerking van een bekend symbool (voor Luther) en beeldmerk van talrijke ondernemingen was, maar ook omdat hij me meer in het bijzonder doet denken aan een Groninger uithangbord, dat zich reconstrueren liet aan de hand van een misdruk tabakszak:
Er stond geen notitie achterop deze foto, maar volgens de website over bovenlichten- en snijramen van Ben Veldstra, bevindt de uitgebeelde zwaan zich nog steeds in Vianen. (doorscrollen naar onderaan de pagina).

Deze is er ook nog steeds, aan de Groenmarkt 13 in Middelburg:
De twee zeemeerminnen houden het wapen van de stad, zeg maar een steenhuis, overeind. Meestal gebeurt dat door een eenkoppige arend. De vormgeving is overigens niet oud, gezien de zeemeerminnenlijven. Ik vermoed dat het een remake is van een veel ouder, ontoonbaar geworden snijraam.

Ook niet oud, want uit 1957, was het volgende snijraam, helaas achter glas toen het gefotografeerd werd. Hoewel het lijkt te reageren op de vorige, markeerde het een adres in een heel andere stad, namelijk Waldeck Pyrmontkade 34 in Den Haag. Op dat adres zit nu een APK-keuringsstation. Het komische snijwerk met het dansende paar rond de toren blijkt daar verdwenen, het ontbreekt ook in de verzameling van Veldstra:

Tot slot nog iets wat meer lijkt op een draadplastiek dan op een snijraam. We zijn terug in Middelburg, en wel op de Korte Brug 1. Daar hangt nog steeds Goede Reede: