In hoeverre bestond de woningvoorraad uit arbeiderswoningen?

In 1808 wilde de overheid met het oog op een nieuwe belasting weten hoeveel woningen er in elk dorp stonden, en hoeveel van die onderkomens arbeiders- en armenwoningen waren. Voor het Westerkwartier zijn de opgaven bewaard gebleven. Ik heb ze in deze tabel ondergebracht:

Plaats Totaal bewoonde huizen Boeren en ingezetenen Arbeiders dagloners + armen Percentage arbeiders
Vredewold
Marum +

de Wilp

115 51 44,3 %
Nuis 49 12 24,5 %
Niebert 55 20 36,4 %
Tolbert 119 52 43,7 %
Midwolde 49 15 30,6 %
Leek 151 45 29,8 %
Zevenhuizen 200 145 72,5 %
Lettelbert 46 10 21,7 %
Oostwold 35 11 31,4 %
Lagemeeden 22 6 27,3 %
Hoogkerk &c.
Hoogkerk 76 26 34,2 %
Leegkerk 31 11 35,5 %
Dorkwerd 17 4 23,5 %
Aduard etc.
Aduard 98 44 44,9 %
Hogemeeden 44 12 27,3 %
Den Ham 42 12 28,6 %
Fransum 23 6 26,1 %
Wierum 26 1 3,8 %
Oostum 14 3 21,4 %
Garnwerd 85 48 56,5 %
Westerdeel-Langewold
Grijpskerk 124 85 33 + 6 31,5 %
Kommerzijl + drie Waarden 82 50 61,0 %
Sebaldeburen 62 40 19 + 3 35,4 %
Lutjegast 93 59 28 + 6 36,6 %
Grootegast 145 84 55 + 6 42,1 %
Doezum 123 80 40 + 3 35,0 %
Opende 47 36 10 + 1 23,4 %
Lucaswolde 16 11 5 31,2 %
Oosterdeel-Langewold
Zuidhorn 133 57 42,9 %
Noordhorn 135 54 40,0 %
Niekerk 70 28 40,0 %
Oldekerk 68 37 54,4 %
Faan 10 1 10,0 %
Niezijl 78 39 50,0 %
Visvliet etc.
Visvliet en Pieterzijl 130 50 38,5 %
Kommerzijl + drie Waarden 82 50 61,0 %
Middag-Humsterland
Oldehove 134 63 47,0 %
Niehove 100 44 44,0 %
Saaksum 40 21 52,5 %
Ezinge 98 36 36,7 %
Feerwerd

De grootste kernen Zevenhuizen en Leek waren juist ook hele jonge – ze hadden hun ontstaan aan de vervening te danken. Maar terwijl Zevenhuizen het hoogste aandeel arbeiderswoningen van het Westerkwartier kende (72,5 %) was dat in Leek juist aan de lage kant (29,8 %). Zevenhuizen was veel proletarischer dan het verzorgingscentrum Leek, mag je concluderen. Hoge percentages arbeiderswoningen waren er ook in Kommerzijl en Garnwerd met hun kleinschalige havenactiviteiten. Door de bank genomen zal in het Westerkwartier ruim een derde van de woningvoorraad uit arbeiderswoningen hebben bestaan. Laag waren de percentages in typische boerendorpen als Dorkwerd en Lettelbert.

Verder heb ik de percentages geclassificeerd in vier groepen: 20-29% (geel), 30-39 % (oranje), 40-49 % (rood) en meer dan 50 % (paars). Hoe donkerder de kleur, hoe hoger het percentage arbeiderswoningen op de gehele woningvoorraad. In kaart gebracht levert dat het volgende beeld op:

De paarse stippen (relatief veel arbeiderswoningen) zitten vooral vlakbij het Reitdiep, waar afgezien van de haventjes de grote boerderijen op de jonge zeeklei ’s zomers behoefte aan veel losse arbeidskrachten hadden. In de omgeving van de stad en het noorden van het Vredewold vallen juist de lage percentages op. Ten zuiden van het Hoendiep is het paars van Zevenhuizen vrij uitzonderlijk.

Bron; Groninger Archieven, Toegang 735 (gerechten Westerkwartier) inv.nr. 752.


Een uitstervingsproces in de krant

Korhoen, man en vrouw. Collectie British Museum.

In 1856 maakten geregistreerde jagers nog 70 korhoenders buit in Groningerland. Bekend zijn ook de streken waar deze vogels enkele decennia eerder, in 1828, voornamelijk rondscharrelden: Westerwolde, het Gorecht en Zuidelijk Westerkwartier, kortom gebieden met nog redelijk veel hoogveen en heide. Waren dit nou ook de regio’s die later nog als korhoenderbiotoop in krantenberichten voorkomen en hoe verliep dan hier het uitstervingsproces?

De laatste meldingen door in Groningen verschijnende kranten van een gelijktijdige aanwezigheid van korhoenders in Groningerland zijn de volgende:

Maand en jaar Lokatie Hoeveelheid
Oktober 1891 Bellingwolde 3 (geschoten).
September 1897 Onstwedde 1 (geschoten);
September 1901 Westerwolde “Menigvuldiger dan ooit” (voorbeschouwing jacht).
September 1907 Onstwedde 1 (geschoten).
Augustus 1912 Westerwolde “Korhoenders treft men ook genoeg aan. Koppels van 5 tot 10 zijn geene zeldzaamheid” (voorbeschouwing jacht).

De vogels kwamen in Groningen dus het laatst voor in Westerwolde en dan vooral het zuiden van die streek. Opmerkelijk is dat hun aanwezigheid daar als ruim werd voorgesteld, ook nog nadat het laatste bericht over een geschoten exemplaar in de krant had gestaan. Mogelijk was dit wishfull thinking of propaganda om jagers naar de regio te lokken. Tegelijkertijd werd immers een jachtmotief verschaft met de bewering dat korhoenders schadelijk wild vormden, wat met name gebeurde door de Nederlandsche Heidemaatschappij, uit zorg voor haar jonge dennenaanplant.

De jachtdruk, of hoe noem je zoiets, kan in Groningerland ook wel eens hoger geweest zijn dan in Drenthe en Friesland, waar nog decennialang berichtjes vandaan bleven komen over geschoten korhoenders. Daar werden ook veel langer nog grotere aantallen gesignaleerd en geschoten, terwijl het korhoen bovendien vaak wordt genoemd in advertenties voor de verpachting van Drentse jachtvelden. Hoewel er in 1895 en 1897 al berichten over een voortdurende afname van het aantal exemplaren uit Drenthe kwamen, valt op dat ze even later, in 1898 nij de Gouwe in de Pezermade, vlak over de zuidgrens van Groningen nog “in troepen” te vinden zijn. In 1908 schoot een jager uit Helpman er in elk geval nog 10 bij Peize. Maar in 1923 bleken ze definitief verdwenen ten zuiden van de Onlandschedijk, achter het Stadspark op het grondgebied van Eelderwolde.

De grootste killer was echter niet de jacht, hoewel er meteen bij gezegd moet worden dat die zeker tot het uitsterven van het korhoen heeft bijgedragen. De belangrijkste oorzaak van die uitsterving was de ontginning van hoogveen en heide tot landbouwgrond, die vooral mogelijk werd gemaakt door de komst van de kunstmest. Na de Eerste Wereldoorlog intensiveerde het ontginningsproces, mede door de inzet van werkverschaffing. Zo herinnerde de voorzitter van de landbouwvereniging Marum in 1925 zich de omgeving van Trimunt vroeger als “het dorado der korhoenders”, welke streek in een kwart eeuw tijd met zuinigheid en vlijt was omgezet in productief cultuurland.

De biotoop van het dier verdween dus, in Groningerland voorop. Slechts een incidentele natuurliefhebber betreurde de gang van zaken. In de lekkerbek vond hij een medestander:

Bij de poeliers zijn bijna geen patrijzen te krijgen en er worden exorbitante prijzen betaald. Daarmede gaat de patrijs denzelfden weg op van het korhoen, dat in de meeste provincies door voortgaande ontginning en cultiveering bijna niet meer te vinden is. Dit stuk oerwild met zijn merkwaardige levenswijze, is slechts weinigen meer bekend en begint tot de zeldzaamheden der Nederlandsche jachtvelden te behooren (1927),

Dat ondanks het snel veldwinnende besef van zeldzaamheid en schaarste de jacht gewoon doorging, mede dankzij gastronomie en geldzucht, dat is pas het echte schandaal.


Bijenteelt concentreerde zich op hoogveen en heide

Aantallen korven met bijen per gemeente, 1866. Bron: Gemeenteverslagen, RHC Groninger Archieven 1099-8117 e.v.

Tussen 1866 en 1906 vermeldden de Groninger gemeenten in hun gemeenteverslagen de aantallen bijenkorven van hun eigen inwoners. Voor het eerste jaar heb ik de aantallen in kaart gebracht.

De dertien gemeenten die geen opgave van het aantal inheemse bijenkorven verstrekten, kregen op het kaartje geen bolletje van me. Driekwart van die gemeenten motiveerde het verzuim met de mededeling dat er geen bijenteelt was. Haren, waar je juist wel enige bijenteelt mocht verwachten, deed helemaal geen opgave in 1866, maar schreef in 1867: “Bijenteelt wordt hier niet anders uitgeoefend, dan door eenige liefhebbers in het klein”. Professionele imkers waren er dus niet in Haren.

De gemeenten tot 100 korven voorzag ik van een wit bolletje. Net als de gemeenten zonder opgave van cijfers komen deze het meest voor in het noordelijk Westerkwartier, De Marne, Hunsingo en noordelijk Fivelingo. Afgezien van het Lageland lag dat niet aan een gebrek aan drachtplanten, eerder aan afkeer en angst voor de angel.

Aan de randen van het grote bijenloze en bijenarme gebied zijn gele bolletjes te zien, daar trok de bijenteelt al wat meer. De oranje bolletjes staan voor een middencategorie: gemeenten met 200 à 500 korven. Deze trof je vooral in het Oldambt en noordelijke Westerwolde aan. De subtop, met rode bolletjes die staan voor 500 tot 1000 korven, zat vooral in het zuiden van het Westerkwartier. De gemeenten met de meeste bijenkorven, die de paarse bolletjes kregen, moet je echter zoeken in het zuidoosten van de provincie, in de Veenkoloniën en Westerwolde. Op de rij af vanuit het westen: Veendam (1282 korven), Nieuwe Pekela (942 korven), Vlagtwedde (1860) en Onstwedde (911). De absolute topgemeente qua eigen bijenteelt was echter de grote gemeente Slochteren, met maar liefst 2890 korven. In Slochteren zoemde het, in Slochteren zat de buzz.

Conclusie: waar nog hoogveen met heide was en die heide samen met boekweit in de nazomer de nectar verschafte, had je veel meer eigen bijenteelt dan op de klei met zijn koolzaad en klaver in het voorjaar en de voorzomer. Het beeld, opgeroepen door de Staat van den Landhuishouding, wordt hiermee bevestigd.

Uitheemse bijenvolken telden niet mee. Toch wijdden een stuk of wat gemeenten daar wel woorden aan. Het betrof deze vijf: Baflo, Warffum, Usquert, Uithuizen en Uithuizermeeden, nu een rijtje stationsplaatsen op het Hogeland. Deze vijf hadden allemaal jonge polders langs de Waddenkust met veel koolzaad. Drie van de vijf deden geen opgave van het aantal bijenvolken, omdat er, zoals ze zeiden, helemaal geen bijenteelt was. Uithuizen gaf 59 korven op en Uithuizermeeden slechts 1 (!). Al met al dus nogal karig. Dat werd echter gecompenseerd door Drentse imkers, die in deze gemeenten in het voorjaar hun bijen op het bloeiende koolzaad kwamen zetten. In Warffum en Usquert waren het enkele en in Uithuizen enige; in Uithuizermeeden daarentegen, ging het om vele. Naar het oosten namen de aantallen Drentse korven dus toe.

Overigens blijkt uit de gemeenteverslagen van Oude Pekela en Eenrum dat de bijenteelt er verminderde. De Staat van den Landhuishouding constateerde in 1818 al een achteruitgang voor het kleigebied.

In het overgrote deel van Groningerland vormde het bijenhouden een liefhebberij. Zelfs in een topgemeente als Onstwedde waren er slechts enkele semi-professionele imkers. Mogelijk zat er ook eentje in Appingedam. Echte profs, met 150 korven of meer, zullen er alleen in de paarse gemeenten hebben gezeten, Slochteren voorop.

De gegevens van alle Groninger gemeenten op een rij, naar aantallen korven:

GEMEENTE AANTAL KORVEN BIJEN OPMERKINGEN
Slochteren 2890
Vlagtwedde 1860
Veendam 1282
Nieuwe Pekela 942
Onstwedde 911 “Weinige ingezetenen dezer gemeente zoeken in de bijenteelt een middel van bestaan. Er worden slechts enkele gevonden die bijen vluchten houden, maar doen zulks als een bijkomende zaak.”
Leek 650
Wildervank 627
Marum 570
Scheemda 444
Finsterwolde 334
Midwolda 281
Oude Pekela 260 “Sommige personen houden zich hier nog met de teelt bezig (…), uit hoofde men van hier te veel met de korven moet reizen, eerst naar de klei en om de koolzaad en dan naar Westerwolde om de boekweit.”
Grootegast 230
Wedde 227 “Op de bijenteelt legt men zich hier niet veel toe.”
Zuidbroek 220
Noordbroek 207 “Slechts door eenige personen als bijzaak uitgeoefend, Het getal dier personen bedroeg 11.”
Sappemeer 195
Bierum 193
Meeden 184
Termunten 181
Muntendam 148 Hier alleen liefhebberij.
Bellingwolde 141
Grijpskerk 130 Wordt weinig en enkel uit liefhebberij gedaan.
Nieuwolda 128
Eenrum 122 “De bijenteelt vermindert.”
Oldekerk 120 “Bijen worden hier slechts bij enkele korven uit liefhebberij aangehouden.”
Appingedam 105 Er zijn in deze gemeente slechts twee bijenhouders.
Bedum 86
Aduard 84 De bijenteelt is hier van geringe omvang en bij velen een onbekende zaak
Hoogezand 79 Bijenteelt is hier “in zeer geringe mate”.
Winschoten 79 “De bijenteelt betekent hier weinig”
’t Zandt 76 “De Bijenteelt is van weinig beteekenis.”
Zuidhorn 75 “De bijenteelt wordt alhier meest uit vermaak aangehouden.”
Uithuizen 59 “Wordt hier weinig gedreven. In den regel komen hier eenige bijenhouders uit de provincie Drenthe welke gedurende den bloeitijd van het koolzaad hunne bijenkorven bij sommige landbouwers plaatsen.”
Noorddijk 53 Heeft hier weinig of niet plaats.
Hoogkerk 50 “De bijenteelt is hier van geene beteekenis.”
Ulrum 41 De bijenteelt is in deze gemeente van weinig belang.
Groningen 22
Loppersum 18
Nieuweschans 9
Kantens 7 “Is hier niet van beteekenis.”
Ezinge 6 à 7 “Aan bijenteelt wordt hier weinig gedaan. 6 à 7 stuks korven telt men in deze gemeente, welke aan vier eigenaars toebehooren…”
Stedum 3 “Bijenteelt wordt hier in de gemeente niet gedreven, slechts één persoon houdt drie korven voor zijn genot.”
Uithuizermeeden 1 “De bijenteelt wordt hier zeer weinig gedreven. Daarentegen komen hier vele Drentsche bijenhouders gedurende de bloeitijd van de koolzaad…”
Adorp Hier niet uitgeoefend
Baflo “Bijenteelt heeft in deze gemeente niet plaats, behalve door Drenthenaren die telkens voorjaren hier komen en tegen het najaar de ten deele gevulde korven weder met zich voeren.”
Beerta
Delfzijl Bijenteelt heeft men hier niet.
Kloosterburen Dit jaar geen bijenhouders hier aangetroffen.
Leens Van bijenteelt wordt hier in de loop van dit jaar geen gebruik gemaakt.
Middelstum
Oldehove Bijenteelt is hier niet.
Ten Boer
Usquert “De bijenteelt wordt hier niet uitgeoefend dan door enkele bijenhouders uit Drenthe.”
Warffum “De bijenteelt wordt hier niet uitgeoefend dan door enkele bijenhouders uit Drenthe.”
Winsum “Bijen worden hier niet gehouden.”
Haren Geen opgave 1867: “Bijenteelt wordt hier niet anders uitgeoefend, dan door eenige liefhebbers in het klein.”

 


Imegeld in Feerwerd

Feerwerd in 1822. Wit is bouwland, groen is weiland. Bron: http://www.hisgis.nl

Op 4 juni 1804 leverden L.M. Venema en Jan Cornellis, diakenen van Feerwerd, een verzoekschrift in bij de drost van het Westerkwartier, waarin ze klaagden dat bijenhouders van buiten hun kerspel weigerden om imegeld te betalen. Althans, deze waren niet genegen,

voor elke korf meer dan eenen stuiver te betalen.

En dat terwijl

gemeenlijk er in ander kerspelen door zulken, die bieën houden en gewoon zijn dezelve uit de wouden op de kley over te brengen ten tyde wanneer de kool in bloeije staat, twee stuiver voor iedere korf [tot] soutien der diaconie betaald word…

De diakonie van Feerwerd kon dus de helft minder per aangevoerde  bijenkorf vangen, dan armenkassen in de omgeving: 1 in plaats van 2 stuivers. Hun verzoek aan de drost was daarom, de imegeld-tarieven in hun voordeel gelijk te trekken:

dat Uw[el]Ed[el]Gestrenge naar uwe wijsheid voorzieninge gelieve te doen dat ook de Feerwerder diaconie, welke zo diep in decadence is, gelijke revenuen als andere karspelen te dezen jouisseren moge.

De drost maakte het verzoek “commissoriaal ter fine van nader onderzoek”, hetgeen zoveel wilde zeggen dat er na enige research nog een hoorzitting zou volgen. Een verslag daarvan heb ik echter niet kunnen vinden in de commissieboeken. Of er nog een vervolg geweest is, lijkt ook hoogst onzeker. Elders (met name in het Oldambt) bleek de inning van imegeld na 1795 namelijk meestal te stoppen, hoewel er ook pogingen werden waren om de traditie nieuw leven in te blazen.

In elk geval wordt uit het Feerwerder verzoekschrift duidelijk dat de imkers die in het voorjaar hun bijenkorven naar de klei onder Feerwerd overbrachten, afkomstig waren uit de woudstreek. Waarschijnlijk werd hiermee niet de Friese Woudstreek bedoeld, maar het zuidelijk deel van het Westerkwartier (omgeving Leek, Zevenhuizen, Marum, Opende, Grootegast).

Ook kan het koolzaad in de omgeving van Feerwerd wel eens een vrij nieuw fenomeen geweest zijn. De prijzen van oliehoudende zaden waren in deze jaren hoger dan ooit, terwijl nieuwe grondbewerkingstechnieken zorgden voor een hogere bodemvruchtbaarheid, die koolzaadteelt mogelijk maakte op gronden die daarvoor eerder ongeschikt waren. Toen de imkers uit de woudstreek daardoor in groten getale hierbij hun korven gingen plaatsen, achtte de diakonie van Feerwerd de tijd rijp voor dit rekest aan de drost van het Westerkwartier.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (gerecht Westerkwartier) inv.nr. 724: rekestboek, het verzoekschrift d.d. 4 juni 1804.


Paragraaf over de jacht

Uit het Gemeenteverslag van Marum, 1851, :

Er waren in het afgelopen jaar weinig hazen, veel patrijsen, enkele korhoenders, houtsnippen en kwartels, veel lijsters en vinken, verder eenige ganzen, eenden, watersnippen en schrieken.


Een duivelbanner of wonderdokter van Surhuisterveen

Daniel Nikolaus Chodowiecki, Wonderdokter (1788), uitsnede. Collectie Rijksmuseum.

Op donderdag 20 oktober 1808 werd Pieter Jacobs, bijgenaamd Pieter Scharenslijper, overgebracht naar het rechthuis van Zuidhorn. Waarschijnlijk keken de gerichtsbedienden van het Westerkwartier al een poos naar hem uit, maar nu hadden ze hem dan te pakken, want hij was

bevonden met een pak medicijnen en op de Sevenhuyzen mede rondlopende, sonder enige acte of patent.

Het patent was de vergunning die een handelaar, winkelier of ambachtsman sinds een jaar of wat moest hebben om zijn beroep te kunnen uitoefenen – er ging een belasting mee gepaard. Het andere stuk, de akte, sloeg op de officiële erkenning waarover een medisch dienstverlener moest beschikken. Juist in deze tijd werd er een forse stap gezet in de professionalisering van de medische stand, door een inventarisatie van alle medische beroepsbeoefenaren, waarbij gekeken werd naar hun diploma’s, bekwaamheden en ervaring. Toegelaten personen kregen zo’n akte. Tegelijkertijd keerden Geneeskundige Commissies zich fel tegen mensen die medische diensten leverden zonder dat ze over zo’n akte beschikten. Daarmee kreeg ook de strijd tegen de kwakzalverij een flinke impuls, en dat terwijl veel gangbare medische praktijken toch ook niet bepaald ‘evidence based’ waren – men denke alleen al aan het veelvuldige aderlaten.

Hoe dan ook, Pieter Scharenslijper werd voorlopig vastgezet en de drost stuurde de fiscaal (aanklager) op onderzoek uit. Een week later deed deze verslag van zijn bevindingen. Het was hem gebleken dat Pieter Scharenslijper, woonachtig te Surhuisterveen,

al zedert onderscheidene jaren binnen deze jurisdictie, meestal nabij de grensen van Friesland, heeft rondgesworven, en onder het voorwendsel van medicijnen voor paarden en beesten te verkopen, ook ondernomen heeft medicijnen voor menschen te praepareren en te verkopen, en wel bijsonder voor de sodanige menschen, van welke de siekte daaraan wierd toegeschreven dat zij behekst of betovert souden sijn, hoedanige menschen er ongelukkig in deze meer afgelegene contrainen uit hoofde van een aldaar voortdurend bijgeloof en onkunde nog worden gevonden…

Niet alleen bestond er in de meer afgelegen delen van het Westerkwartier nog een redelijk groot publiek voor de onttoveringsmiddeltjes van Pieter Scharenslijper, ook verhief hij

bij onderscheidene zodane zieken (…) op eene buitensporige wijze de waarde en wonderdoende kragten van zijne medicamenten ter genezing en wegneming ener gewaande betoverij.

Zo bedong de Feanster wonderdokter van “minvermogende en hoogst verlegen mensen” veel meer geld voor zijn “niets beduidende medicamenten” dan ze hoe dan ook waard konden zijn. Kortom, als monopolist gedroeg Scharenslijper zich net zo als de huidige farmaceutische industrie. De fiscaal bracht drie concrete voorbeelden van zo’n exorbitante vraagprijs te berde. Het eerste betrof een Berent Koster “op de Zevenhuijzen”,

welke gezegd wierdt betovert te zijn en van binnen bij zig te hebben een aalreiger, of slange.

Scharenslijper leverde de man twee drankjes, in totaal voor 13 gulden. Bij het tweede geval ging het om een kind van de roderoede (veldwachter) Jan Bakker uit Marum, “hetwelk mede wierd gehouden betoverd te zijn”. Het drankje dat Scharenslijper “ter genezing” van deze patiënt leverde, kostte de vader 4 gulden, een bedrag dat voor hem minstens een weekloon vertegenwoordigde. Het derde voorbeeld gold het kind van Tjebbe Jans en vrouw in Tolbert, dat “nu onlangs” voor betoverd werd gehouden, waarbij Scharenslijper “de verlegene ouders” voor 6,5 gulden een drank verkocht “met nog enige nietswaardige droge kruiden”.

Dit alles werd ook niet ontkend door Scharenslijper, zodat de drost hem schuldig achtte aan

het misdrijf van op eene listige wijze misbruik te maken van de onkunde en verlegenheid, om dezelven langs dezen weg onbehoorlijk hun dikwijls zeer duur verdiende gerede penningen uit handen te brengen, sowel als aan het veroorsaken van onenigheid en wantrouwen in de huisgezinnen en buurten, ter oorsake van de ingewikkelde beschuldigingen en gissingen welke doorgaans met sodane gewaande betoveringen en onttoverringen zijn verbonden.

Als er min of meer iemand werd aangewezen die voor de betovering verantwoordelijk zou zijn, dan kon dat forse sociale gevolgen voor zo iemand hebben, zeker in een bijgelovige omgeving. Als hij of zij daar niet boven stond, dan kon hij of zij naar de rechter stappen met de eis, dat de beschuldiging openlijk zou worden herroepen door degene die haar in de wereld hielp. Mogelijk had de drost daar in zijn civiele rechtspraak ervaring mee. In elk geval vond hij het voeden en misbruik maken van zulk bijgeloof een misdaad van dien aard,

dat ofschoon deselve kan worden begrepen gene absolute materie op te leveren voor een regelmatig crimineel proces, egter ten hoogsten de attentie der goede policie moet na sig trekken, ten einde ook aan de maatschappij van die kante de benodigde veijligheid te doen erlangen, temeer daar deselve is gepleegd door een persoon, welke volgens zijne eygene confessie reeds twee malen in het departement Friesland in regtshanden is geweest.

Hoewel dat meermalen opgepakt zijn van Scharenslijper nog niet betekende dat hij ook veroordeeld was, laat staan voor eenzelfde vergrijp, suggereerde de drost hier dat hij een recidivist was. In de drost zijn ogen mochten de termen voor een regelrechte strafzaak dan ontbreken, maar hij maakte wel korte metten met de wonderdokter, door hem bij akte te veroordelen tot teruggave aan de kopers van het geld dat zij hem voor de drankjes hadden betaald. Bovendien werd Scharenslijper voor acht dagen op water en brood gezet in de toren van Midwolde, waarna gerichtsbedienden hem over de grens van de jurisdictie Westerkwartier zouden zetten met de aanbeveling

om sig in het toekomstige buiten deselve te houden, bij poena van nadere dispositie.

Of Scharenslijper, die toen al 56 was, zich inderdaad nooit meer in het Westerkwartier gewaagd heeft, is de vraag. In elk geval lijkt hij voorlopig zijn werkterrein naar Drenthe te hebben verplaatst, want daar veroordeelde de Etstoel (hoogste rechtbank) hem op 6 december 1808 tot een levenslange verbanning uit Drenthe en het daarmee gecombineerde Overijssel. Als hij zich aan beide ontzeggingen hield, en al  eerder ook in Friesland veroordeeld was wegens soortgelijke praktijken, dan zal dat alles zijn actieradius aanzienlijk hebben beperkt.

Bronnen:

  • RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (gerechten Westerkwartier) inv.nr. 611: criminalia 20 en 27 oktober 1808.
  • Klaas R, Henstra, Duivelbanners en wonderdokters in de Wouden (Leeuwarden 2007) 83-84. Bron van de laatste was uiteindelijk een verhaal dat in 1985 in de rubriek ‘Noorder Rondblik’ (NvhN) heeft gestaan, en waarin ten onrechte sprake is van een veroordeling in, en verbanning uit Groningen, waar slechts het stuk uit het Westerkwartier bedoeld kan zijn.

Illegale verlotingen

In de laatste week van februari 1804 werd “tot narigt van een ieder” een notificatie aangeslagen op alle gewezen rechthuizen van het Westerkwartier. Omdat het houden van verlotingen nogal eens uit de hand liep, kondigde de drost een reglementje af, dat een eind moest maken aan de “ongeregeltheeden”.

Het bestond uit vier artikelen. Samengevat kwamen die neer op het volgende. Voortaan werd er alleen nog maar toestemming voor een verloting gegeven, als die plaatsvond in een algemeen toegankelijke en bekende herberg. De uitbater daarvan mocht de verloting alleen laten plaatsvinden, als de organisator van de verloting een schriftelijke vergunning van het gerecht kon tonen. Naast het betalen van “consentgeld” aan het gerecht voor die vergunning, moest een organisator een vrij lot reserveren voor de plaatselijke diaconie. Dit mocht hij vervangen door iets anders, maar sowieso diende hij een bewijsstuk van de diaconale acceptatie te tonen bij zijn vergunningsaanvraag. Verder mocht een herberg bij een verloting niet langer open zijn dan normaal. De hoogste tijd van 10 uur bleef van kracht – dan ging de tap toe, en moest iedere gast wegwezen, op straffe van een boete van 3 gulden, die half voor de gerichtsbediende (wedman of roderoede) en half voor de plaatselijke diaconie was. De wedman of roderoede die het dichtste bij de herberg woonde, zag ook toe op het ordelijk verlopen van de verloting.

Het reglementje is bepaald geen dichtgetimmerd stuk, en roept verschillende vragen op. Eerder bestond blijkbaar de opvatting dat er niet om toestemming hoefde te worden gevraagd. Maar was die opvatting wel juist? In het oudere rekestboek van het Vredewold vond ik inderdaad geen verzoeken voor het toestaan van verlotingen, maar wat betekent dat dan: waren ze zonder meer vrij, of werden ze hier, anders dan in het Oldambt, helemaal niet toegestaan? Ook laat het reglementje ons in het ongewisse over de functionaris die de vergunning moest afgeven – was dat de drost in Zuidhorn, of de lokale wedman? Bovendien lijkt er wel een boete te staan op het na sluitingstijd aanwezig zijn in een herberg, maar niet op het houden van een illegale loterij. Kortom, juridisch viel er nogal wat af te dingen op het reglementje.

Mogelijk is het ook een paar maanden later geboekt, dan in de bedoeling lag. De vervolging van illegale verlotingen begint namelijk eind 1803 al. Dan geeft wedman Sytsma van Hoogkerk de drost kennis dat er op maandagavond 26 december, dus op Tweede Kerstdag, bij kastelein Christiaan Hubster door ene Derk Derks

loterij was gehouden, zonder dat daartoe enig consent van den Drost was gevraagd, veel weiniger verleend.

De vergunningverlener, zo blijkt uit deze aangifte, was dus duidelijk (nog) de drost. En die paste snelrecht toe. Zowel Hubster als Derks moest op woensdagochtend 4 januari in het rechthuis van Zuidhorn verschijnen,

teneinde aan de dezelve de welmening van dezen Gerichte te doen verstaan.

Beiden kregen bij die gelegenheid de overtreding van ’s lands wetten aangewreven – mogelijk bestond er dus ook nog nationale regelgeving. Beiden erkenden grif een loterij te hebben gehouden zonder dat ze daar toestemming voor hadden gevraagd, maar verzochten om clementie. Daartoe was de drost niet bereid. Kastelein Hubster kreeg een boete van 2 daalder en organisator Derks mocht volstaan met de helft, welke bedragen ze binnen binnen drie etmalen aan de diaconie van Hoogkerk moesten voldoen, anders dreigden forsere sancties. Binnen dezelfde tijd moesten ze de kwitanties van hun betalingen tonen aan de wedman van Hoogkerk.

Op dezelfde 26ste december 1803 waren er ook illegale verlotingen in Saaksum en in Marum. Die van Saaksum werd bij de drost aangebracht door wedman Abbring van Oldehove. Het betrof de tapper Meerten Sytses, die op 5 januari te Zuidhorn op het matje moest komen. Sytses bekende “zijne misdaad” en verzocht om “gratie en vergiffenis”, “uit hoofde dat uit onwetentheid gepecceert hadde en arm was”. Dat laatste wilde de drost wel geloven, want de boete bleek voor Sytses beduidend lager uit te vallen dan die voor zijn Hoogkerker collega. Hij moest binnen drie maal 24 uur 2 schellingen (12 stuivers) aan de diaconie van Saaksum voldoen en binnen hetzelfde tijdsbestek een kwitantie daarvan tonen aan de wedman die hem aanbracht. In Marum ging het om kastelein Hindrik Jans Bakker. Hij kreeg te maken met hetzelfde tarief als in Hoogkerk: een boete van 2 daalders, binnen 3 maal 24 uur te voldoen aan de diaconie van zijn kerspel, de kwitantie binnen diezelfde tijd te vertonen aan wedman Juursema van Leek, de kerel die hem waarschijnlijk ook had betrapt.

Twee daalder of drie gulden, dat kwam ongeveer neer op het weekloon van een arbeider. Zo’n bedrag hield men liever op zak. Toch kwamen er eind 1804 en eind 1805 nog steeds illegale verlotingen voor in het Westerkwartier en dan met name in het Vredewold, waar wedman Juursema in alle drie de gevallen weer de aanbrenger bleek. Blijkbaar was die wat fanatieker in de opsporing dan andere wedlieden. Eind 1804 ging het om Jacob Feringa en Martje Pieters Koster, die respectievelijk op 22 en 24 december loterijen zonder vergunning hielden in hun huizen te Tolbert. Elk kreeg weer een boete van 3 gulden voor de lokale armen. De betalingstermijn werd in hun geval verlengd tot acht dagen. Die termijn gold ook voor Alle Hindriks in Marum, die op 24 december 1805 te Marum betrapt werd. Hij erkende zijn fout, “dog dat niet hadde geweten hieraan quaad te doen”. Enige korting kreeg hij er niet om. De boete bleef 2 daalder, waarvan in dit geval de helft naar de diaconie ging en de andere helft naar de aanbrenger, dus wedman Juursema.

Wat in het oog loopt bij deze zaakjes, zijn ten eerste de data. De illegale verlotingen van 1803 vonden alle plaats op 26 december, dus Tweede Kerstdag. Bij die van 1804 en 1805 ging het in twee gevallen om 24 december en in één geval om 22 december. Dus steeds betrof het de donkere dagen rond kerstmis. In het Oldambt bleek de periode voor (legale) verlotingen wat meer uitgesmeerd. December spande hier ook wel de kroon, maar verder kwamen ze voor in het gehele winterhalfjaar. ’s Zomers waren er geen verlotingen, dan riep het werk.

Met uitzondering van de arme tapper uit Saaksum, moesten de op een illegale verloting betrapte herbergiers van het Westerkwartier 2 daalders of 3 gulden boete betalen. De bestemming van die boetes was steeds de plaatselijke diaconie. alleen in het laatste geval, dat van Marum, ging het geld half naar de diaconie en half naar de aanbrenger. Zo’n half-halfregeling bestond inderdaad allang voor de boetes wegens het na sluitingstijd nog in een herberg zitten, en zal voor de gerichtsbedienden een extra stimulans zijn geweest om af en toe poolshoogte te komen nemen in een herberg.

Wat er bij de verlotingen in het Westerkwartier te winnen viel, is helaas niet bekend – voor de drost deden de prijzen er immers niet toe, of het nu om een vette koe ging of om een luxe klok, een verloting zonder vergunning bleef even strafbaar. Alleen een briefje van het Plaatselijk Bestuur Aduard uit februari 1809 laat weten wat er toen bij kastelein Simon Joosten op het spel stond: enige doeken etc. Uit het briefje blijkt ook dat de drost qua loterijen op afstand was gezet – het is namelijk een kennisgeving. De drost mocht nog wel zorgen voor politioneel toezicht, maar de vergunning werd inmiddels verstrekt door het nieuwbakken gemeentebestuur.

Bronnen: RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (jurisdictie Westerkwartier), de inv.nrs.:

  • 729: notificatie van 22 febr. 1804;
  • 98: rekesten Vredewold;
  • 610: criminalia 29 december 1803; 4, 5, 11 en 26 januari 1804; 14 en 23 januari 1805 en 15 januari 1806;
  • 722: het briefje van het Plaatselijk Bestuur van Aduard d.d. 9 februari 1809.

De achtste Kostverloren van Groningerland

Op een lijstje vastgoed met veldnamen te Marum en Niebert uit 1803 vind ik net dit item:

“een stuk hooiland te Marum de Kostverloren genaamt”.

Dat is dan de achtste mij bekende Kostverloren van Groningerland . De eerder bekende staan hier.

Bron: RHC Groninger Archieven, Tg. 735 (gerechten Westerkwartier) inv.nr. 98 (rekestboek) notitie d.d. 11 februari 1803.


Een vroeg jachtreglement voor ‘t Vredewold

Prod. an de secret den 1 Junij 170[?]

Placaet soo ordinaris op heemelvaertsdag volgens older gewoonte moet gepubliceert by de respective Grietmannen van Vredewolt op den dag van answeringe onder de blauwe hemel in t’ Olbert ende in de Nuyss uyt de name van t huyss van Nienoord, luydende van woort te woort alss volget:

N.N., wegen t’ huyss van Nienoort gestelde Grietman over Vredewoldt, doe mits desen wel expresse interdiceren ende verbieden, dat niemandt sick sall onderstaen ende verstouten haesen, reen, courhoenders, velt- offte patrijse hoenders met netten, roers, honden, strikken offte andere sinistre practycquen te doen vangen offte laeten vangen. Insgelycken doet gemelten Grietman verbieden, dat niemandt sick sall onderstaen drie weeken voor May ende 3 weeken nae May eenige visch te vangen offte doen vangen, dat oock niemandt des anders grafften, vischenijen ende slooten, buyten consent van die eigenaers sall meugen vischen, oock die Swaenen haere eijers offte Jongen te verwa[r]en, dit alles op die poena ende verbeurte van sestig franse schilden, die men den contraventeur offte contraventeuren ten scherpsten sall affneemen, waer naer een yder syck sall weeten te reguleeren. Aldus gepubliceert ten fine niemandt eenige ignorantie hebbe te praetenderen.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (archief gerecht van Vredewold) inv.nr. 82: rechtdagenprotocol 1661-1663.

Uitleg en interpretatie: Hoewel pas in het begin van de achttiende eeuw ter secretarie geregistreerd, is het handschrift van dit plakkaat ouder – het komt overeen met de akten die erna geboekt zijn en die dateren uit de jaren 1661-1663. Mogelijk komt het stuk zelfs uit een nog oudere periode. De munt waarin de boete gesteld is, de Franse schild, werd immers in de zestiende eeuw al niet meer geslagen en was vervolgens tot het begin van de zeventiende eeuw rekenmunt.

In de aanhef van het plakkaat is er sprake van, dat de grietman of rechter van ’t Vredewold het elk jaar afkondigde. Dat Vredewold was de heerlijkheid van de heer of vrouw van Nienoord, die deze grietman aanstelde. Het bestond uit de dorpsgebieden van Oostwold, Lettelbert, Midwolde-Leek, Tolbert, Niebert, Nuis en Marum, een streek langs een oude zandrug waar in de zeventiende en achttiende eeuw op de flanken nog vrij veel onontgonnen natuur te vinden was. De afkondiging van het plakkaat gebeurde ieder jaar op Hemelvaartsdag na de traditionele aanzwering van de grietman “onder de blauwe hemel” in Tolbert en Nuis. Met het voorlezen van het plakkaat verbood de zetbaas namens Nienoord de algehele jacht op hazen, reeën, korhoenders en patrijzen, waarmee vast de belangrijkste diersoorten in de vrije natuur van ’t Vredewold opgesomd zijn: fazanten en konijnen ontbreken waarschijnlijk niet voor niets in het lijstje. Op de genoemde dieren werd gejaagd met netten, geweren, honden, strikken en “andere sinistre practycquen”. Uiteraard waren die jachtmethoden niet duister maar legaal als het om de heer van Nienoord zelf en/of diens loonjager of gemachtigden ging. Het plakkaat beoogde dan ook niet zozeer faunabescherming, als wel protectie van Nienoords jachtterreinen.

Ook stelde het plakkaat een verboden tijd voor het vissen in: drie weken voor en drie weken na mei, dat wil zeggen het begin van mei. Na de kalenderwisseling van 1700 zal dit de Oude Mei geworden zijn oftewel 12 mei; de verboden vistijd duurde sindsdien dus van de derde week van april tot begin juni. Bovendien werd het vissen zonder vergunning in andermans grachten, visvijvers en sloten verboden. Buiten Nienoord zullen er niet zo vreselijk veel grachten en visvijvers geweest zijn, sloten waren natuurlijk wel algemeen, maar of daar nou zoveel vis in zat? Ten slotte beschermde het plakkaat zwanen, hun eieren en jongen – ook zwanendrift en -jacht golden als een voorrecht voor de heer.

De boete op overtreding van het plakkaat was lang niet mals: 60 Franse schilden, waar niets vanaf onderhandeld mocht worden. Zo’n Franse schild was anderhalve goudgulden, oftewel twee gulden en twee stuivers waard. De totale boete kwam dus neer op 126 gulden, destijds een arbeiders jaarloon !

Dat het plakkaat ieder jaar werd afgekondigd, was met het oog op de smoes van overtreders, dat ze niets van zo’n verbod afwisten. Door die jaarlijkse afkondiging kon niemand nog onwetendheid veinzen.


Oude Veenkoloniën waren bijenhoudersgebied bij uitstek in Groningerland

Dat ik de boedelinventaris van Jan Davids Braam vond, kwam door een nieuw ‘trucje’ in de geavanceerde modus van Alle Groningers. Door een procentteken (%) zonder spatie voor een beroepsaanduiding te zetten, krijg je – spelfouten daargelaten – alle akten van de burgerlijke stand waarin dat beroep genoemd wordt. Deze truuk kan je bijvoorbeeld uithalen met bijenhouder, bijker, ijmker, iemker, imker en bijhouder. In totaal krijg je voor die synoniemen dan 94 akten, die als volgt verdeeld zijn over de periode die de Burgerlijke Stand bestrijkt, onder aftrek van de min of meer recente decennia waarvoor een embargo op de akten berust:

Akten Burgerlijke Stand waarin bijenhouder, bijker, ijmker, iemker, imker of bijhouder genoemd wordt als hoofdberoep van een persoon in die akte. Bron: allegroningers.nl .

Vooral in de eerste decennia van de negentiende eeuw, duidden mensen zichzelf of wijlen hun vader nog aan met een dergelijk hoofdberoep. In de tweede helft van de negentiende eeuw viel dat duidelijk terug, waarna er een partieel herstel optrad in de eerste helft van de twintigste eeuw.

Of de grafiek ook werkelijk het voorkomen van professioneel imkerschap weerspiegelt blijft onzeker. Zoals je aan Braam kon zien, gaf men wel eens de voorkeur aan een andere beroepsaanduiding, terwijl het werkelijke hoofdberoep toch bijenhouder was. Je moet er dan ook rekening mee houden dat er veel meer professionele imkers waren, dan in de akten voorkomen. Het is ook nog mogelijk dat de grafiek vooral het beroepsimago weergeeft. Bovendien zijn de cijfers vanaf 1918 gedrukt doordat de geboorte-aangiften voor die periode nog niet in Alle Groningers zitten.

Uiteraard betreffen die 94 akten niet even zovele bijenhouders, omdat ettelijke imkers in meerdere akten voorkomen. In totaal kon ik 56 mannen identificeren die de bijenteelt als hoofdberoep noemden of als imker etc. werden aangeduid. De namen staan in een lijst die ik bij wijze van bijlage onderaan dit stukje heb geplaatst. In enkele gevallen, vooral in de eerste decennia van de negentiende eeuw, droegen die mannen ook familienamen, ontleend aan hun beroep. Zo hadden imkers in Wolfsbarge en Wehe de achternaam Bijker, terwijl een collega uit Warfhuizen Bijman, ook wel Bijma heette en een vakbroeder uit Hoogezand De Bij genoemd werd. In enkele gevallen zie je bovendien imkerdynastieën, waarbij het beroep van vader op zoon overging. Zoiets had ik al geconstateerd bij de familie Braam (Hoogezand e.o), maar het bleek ook ’t geval bij de Potjewijds (Oude Pekela) en de Van Timmerens (Slochteren).

Hiermee zijn al wat plaatsnamen genoemd. Verreweg het interessantst is inderdaad de vraag waar de mannen woonden, die als hoofdberoep bijenhouder opgaven, of ermee werden genoemd. En dan bedoel ik niet de gemeenten, maar de plaatsen waar deze imkers werkelijk woonden. Die woonplaatsen heb ik op een kaartje gemarkeerd:

Vooral in de omgeving van Slochteren, Hoogezand-Sappemeer, Veendam-Wildervank, het oudste deel van Stadskanaal en de beide Pekela’s kwam de beroepsaanduiding veel voor. In het Westerkwartier was het al beduidend minder, terwijl er in Hunsingo, Fivelingo (met uitgezondering van de omgeving Bierum), het Oldambt en Westerwolde maar weinig mannen waren die zich bijenhouder enz. noemden.

Nogmaals, er is een dark number van mannen die het beroep wel uitoefenden, maar de voorkeur aan een andere aanduiding gaven. Toch weerspiegelt het kaartje mijns inziens wel, waar mensen vooral van de bijenteelt konden leven, namelijk in Midden-Groningen en de oude Veenkoloniën. Dit was ook het gebied, dat centraal gelegen was tussen gebieden met verschillende dominante drachtplanten. Zelf kende het veel boekweitteelt, verder konden bijen naar het koolzaad in het Oldambt en de Ommelanden en naar de heide in Drenthe en Westerwolde.

Dat er veel bijen tussen zulke gebieden vervoerd werden, kan je ook zien aan enkele overlijdensakten. Zo stierf Jan Klaassens Bijman uit Warfhuizen in augustus 1824, tijdens de heidebloei, in het Drentse Hoogeveen, terwijl de Hoogeveense bijker Hendrik Smith in juni 1818, tijdens de koolzaadbloei, in Pieterburen overleed. De laatste heb ik overigens niet in onderstaande lijst opgenomen, net zomin als een andere Drent en enkele Friese imkers. Het was me immers louter te doen om de Groningse bijenhouders.

Bijenhouders etc., genoemd in Alle Groningers:

WOONPLAATS NAAM BIJENHOUDER GENOEMD IN AKTEN UIT JAAR
     
Bedum Jan de Neu (vgl. Zuidbroek) 1900, 1905, 1907, 1909,
Bierum Derk Jans Draak 1827
Jan Gerrits Schuurman 1838
Tjark Alberts van Dijk 1850
Foxhol (gem. Hoogezand) David Jans Braam (vgl. Hoogezand) 1845, 1846
Grijpskerk Eduard Poppema 1911, 1913, 1914
Groningen Willem Spiekman 1826
Haren Evert Heidema 1927
Hellum (gem. Slochteren) Jan Eisses Doornbos 1879
Hoogezand Hindrik Stoffers de Bij 1816
Jan Davids Braam (vgl. Foxhol) 1820
Kalkwijk (gem. Hoogezand) Arend Aljes Smit 1822, 1823
Kleinemeer (gem. Sappemeer) Derk Vegter 1868
Jan Barkman 1901
Kolham (gem. Slochteren) Jannes Tepper 1876, 1877
Pieter Schuur 1879
Midwolda Willem Baas 1943
Nieuwe Pekela Pieter Alles de Jonge 1813, 1814
Willem Jans Horlings 1832
Harm Jans de Weerd 1833
Noordhorn Jan Vlietstra 1906, 1912, 1913
Opende (gem Grootegast) Pieter van Velden 1921
Oude Pekela Harmen Klaassens Pottjewijd 1814
Geert H. Potjewijd 1816, 1818
Schildwolde Eisse Folkersma 1920, 1929, 1930, 1931, 1934, 1943
Jans Folkersma 1930, 1931
Sebaldeburen (gem. Grootegast) Johannes Schaafsma 1919, 1923
Siddeburen (gem. Slochteren) Kornelis Koning 1894, 1896
Slochteren Jakob Jans Meelker 1856
Eisse van Timmeren 1913
Jakob Hindrik van Timmeren 1927
Spijk (gem Bierum) Klaas Simons Groenewold 1827
Stadskanaal (gem. Wildervank) Gozen Albertus van Groenendal 1838
Stadskanaal (gem. Nieuwe Pekela) Pieter Hindriks Brouwer 1826
Harm Arends 1882
Veendam Arend Hindriks Bolhuis 1830
Jan Geerts Kool 1856
Derk Vos 1901
Koert Kram 1906
Vlagtwedde Heero Harms Tammes 1828
Warfhuizen Jan Klaassens Bijman (ook 3x Bijma) 1818, 1820, 1821, 1824, 1836, 1838
Wehe (gem. Leens) Jan Tammes Bijker 1814
Westerbroek (ge, Hoogezand) Eildert Jans Braam 1819, 1824, 1826, 1836, 1838, 1842
Westerlee (gem. Scheemda) Albertus Hermannus Rademaker 1937
Westerzand (vgl. Sebaldeburen) Johannes Schaafsma 1918
Wildervank Abraham Harms Staal 1837, 1839, 1841
Jacob Jans Boer 1851, 1852, 1855
Lourens Fokkes Kroon 1852, 1859
Hindrik Haijes Rubing 1864, 1869
De Wilp (gem Marum) Eelke Nieman 1921
Jelle/Jelke Tienstra 1926, 1934
Windeweer (gem Hz) Reint Arents Nieboer 1812, 1822
Folkert Buitenhof 1923, 1930
Winschoten Jan Wever 1934
Wolfsbarge (gem Hz) Arend Berend Bijker 1824
Zuidbroek Jan de Neu (vgl. Bedum) 1899

Rondje Ezinge

Klaprozen in een perkje langs de weg in Aduard:

Sleepboot met duwbak in het Van Starkenborghkanaal bij Aduard:

Hooitijd zweeltijd bij Den Ham:

Veulen van Belgische merrie heeft de broek aan van moeder, het jasje is van zijn pa:

Jensemaweg, globaal tussen Den Ham en Oldehove – het bord ‘Ol Vermoaning’ op de gevel van het verder onopvallende woonhuis nr. 5 markeert de locatie waar in de 18e en vroege 19e eeuw de Humsterlandse doopsgezinden hun godsdienstoefeningen hielden:

Hooitijd bij de Barnwerderweg onder Saaksum – de wagen is gehuurd in Marum:

Deze Tochtsloot haaks op het Oldehoofsch Kanaal vormde ooit de kerspelgrens tussen Saaksum en Ezinge. De brede groenstrook waarop de tractor rechts het gras maait, was voor 1826 de weg van Ezinge naar Saaksum:

Klein-Garnwerd:


Weer thuis, maar niet lang: Willem Snater, oorlogsburgemeester van Nieuweschans

De installatie van Willem Snater als burgemeester van Nieuweschans Nieuwsblad van het Noorden 5.10.1942..

Het verhaal van Peter Rehwinkel, die naar Groningen terugkeerde voor zijn droombaan, het burgemeesterschap van de Stad, ligt nog vers in het geheugen. En ook, hoe die droombaan uitliep op een nachtmerrieachtig fiasco.

Een dergelijk scenario heeft zich wel vaker voltrokken aan iemand die vanuit ‘den vreemde’ terugkeerde naar Groningerland om daar burgemeester te worden. Zo zit bij de onlangs openbaar geworden sollicitatiedossiers dat van Willem Snater (1904-1974), die in de oorlog burgemeester was van Nieuweschans.

Deze Willem was de zoon van de Jan Snater die na een periode als ambtenaar in Friesland en als gemeentesecretaris van Nieuwolda in 1919 burgemeester werd van Oude Pekela. Zoon Willem doorliep de HBS in Winschoten, ging vervolgens een poos naar de Zeevaartschool, en kwam via de gemeentesecretarie van Oude Pekela, waar hij een opleiding kreeg, terecht als ambtenaar op de secretarie van Grouw, waar hij naderhand een meisje uit Oude Pekela zou trouwen.

Daar in Grouw, de hoofdplaats van de gemeente Idaarderadeel, werd hij lid van de Liberale Staatspartij. Meermalen solliciteerde hij op een burgemeesterschap in Groningerland, zoals in 1932 te Termunten, in 1933 te Marum en in 1939 in Eenrum. Daarbij deed zijn vader een goed woordje voor hem. Dat deed in 1942, bij de vacature in Nieuweschans, ook de burgemeester van Idaarderadeel, die schreef:

“Het is van den beginne af steeds zijn bedoeling geweest te trachten een burgemeestersbetrekking te verkrijgen in de provincie Groningen. Hoewel hij zich in Friesland zeer wel thuis gevoelt, is hij toch in zijn hart een Groninger.”

Volgens zijn Friese chef had Snater, die inmiddels kommies en plaatsvervangend hoofd van de luchtbescherming te Grouw was, voldoende capaciteiten om zijn ambtgenoot in Nieuweschans te worden. En inderdaad werd Snater daar per 16 september 1942 benoemd.

Bij zijn installatie, op 2 oktober, dankte Snater “alle autoriteiten” die zijn benoeming bevorderden. Hij memoreerde dat het burgemeesterambt hem niet helemaal vreemd was, omdat hij dat van huis uit al kende…

“Overigens ben ik een Groninger en ik heb mijn jeugd op het Groninger platteland doorgebracht, zoodat na een verblijf van bijna 15 jaren in Friesland, mij het leven hier in Nieuweschans niet vreemd aandoet; integendeel, ik heb het gevoel, dat ik na een lange reis weer thuisgekomen ben.”

Voor de onmiddellijke toekomst deed Snater een “ernstig beroep” op de Nieuweschanskers hun gemeente niet tegen te werken, “zich te onthouden van elke handeling die de gemeente Nieuweschans en haar ingezetenen schade en narigheid zou kunnen berokkenen” en zich

“daadwerkelijk in te zetten bij het oplossen van de vraagstukken, waarvoor wij thans als gevolg van de gewijzigde omstandigheden geplaatst worden. De staatkundige vraagstukken kunnen hierbij gevoegelijk buiten beschouwing blijven, omdat deze toch niet in Nïeuweschans worden beslist.”

Hierbij moet men zich realiseren dat àndere burgemeesters op dat moment al in gijzelaarskampen zaten. Bij de door Snater uitgesproken intenties verbaast het niet dat diens profiel uiterst kleurloos was tijdens de rest van de oorlogsjaren. Zijn naam bleef uit de kranten, maar mogelijk stelde hij zich achter de schermen toch wat al te volgzaam op jegens de bezetter. In augustus 1945 werd hij op non-actief gesteld en in 1946 ontslagen. Hij bleef niet in zijn geliefde provincie Groningen wonen en verhuisde naar Zeist, waar hij in 1974 overleed.


“Een zwarte soldaat op een eenzame post” – M.J. Burema, de NSB-burgemeester van Hoogkerk

Als in 1935 de gemeente Hoogkerk wil gaan bezuinigen op het salaris van de lokale veldwachter, verzet het gemeenteraadslid M.J. Burema zich daartegen. Dat doet hij onder andere door het sturen van een ingezonden brief naar het Nieuwsblad van het Noorden, waarin hij een kenschets geeft van Hoogkerk en bovendien gewag maakt van het in elkaar slaan, aldaar, van een paar NSB-ers:

“Onze gemeente is geen rustige plattelandsgemeente, doch een gemeente waar door de groote industrieën en het veelvuldig verkeer van den politieman meer dan normale dienst wordt gevraagd; een gemeente, waar men nog wel eens op een relletje is belust; waar bepaalde elementen, zooals hier eenige weken geleden b.v. gebeurde, zich de luxe meenen te mogen permitteeren om het simpele feit, dat eenige jonge kerels uit Groningen colporteerden met „Volk en Vaderland” deze maar te kunnen mishandelen. In zoo’n gemeente ben ik er huiverig voor den ambtenaar, belast met de handhaving van het gezag, een minderwaardig salaris toe te kennen.”

Bij het nagaan van zijn antecedenten in de krantendatabank Delpher, bleek deze Michiel Jan Burema een tamelijk vooraanstaand figuur. Lokaal was hij actief als secretaris en later als voorzitter van de gymnastiek- en atletiekvereniging Hercules. Ook was hij voorzitter van de ijsclub, secretaris van het zoutwaterzwembad en secretaris van het Oranjecomité. Deze sportieve figuur had plaatselijk dus een vrij groot netwerk.

En dat terwijl hij helemaal nog niet zo lang in Hoogkerk woonde. Hij was in 1900 geboren in Drieborg (gemeente Beerta) als zoon van een boer en kocht na het doorlopen van de vierjarige HBS in Winschoten en de Rijkslandbouwwinterschool te Groningen in 1923 de grote boerderij Koningspoort, in de hoek tussen het Koningsdiep en het Hoendiep, waar nu de vloeivelden liggen van de Hoogkerker suikerfabriek. Deze boerderij ging door voor een “kleibouwplaats” – het meeste land dat erbij hoorde zal dus een stuk noordelijker hebben gelegen. Dat Burema akkerbouwer was, wordt bevestigd door kleine rubrieksadvertenties, waarin hij grote hoeveelheden stro van koolzaad, erwten, rogge, tarwe, gerst en haver aanbood, naast suikerbietenloof en capucijners. Toch deed hij ook in paarden en in mindere mate in vee, vermoedelijk deels als fokker.

Veelzeggend voor Burema’s status en aspiraties in Hoogkerk is zijn telefoonnummer: 1. Vanaf 1931 zat hij er in de raad namens een Algemeene Vrijzinnige Kiesvereeniging. Na de ARP en de SDAP, partijen die elk met drie zetels in de raad vertegenwoordigd waren, was deze club met zijn twee zetels de derde partij in de Hoogkerker gemeenteraad. Hoewel dus een nieuwkomer in Hoogkerk, kreeg Burema bij de verkiezingen van dat jaar 90 voorkeurstemmen. Zijn naam valt wat dat betreft als enige in de krant, waarschijnlijk ging het om het hoogste aantal voorkeursstemmen van alle kandidaten en wijst het aantal op een zekere populariteit, vooral bij boeren en middenstanders, want die stonden met name op de lijst van Burema’s kiesclub.

In elk geval ging Burema in 1935 nog door voor een vrijzinnig democraat, en daarmee links-liberaal. Bij de verkiezingen van dat jaar betoogde hij echter dat hij het lidmaatschap van de Vrijzinnig Democratische Bond had opgezegd. Die partij had zich op lokaal niveau verzet tegen het ontslag van een gehuwde onderwijzeres en was bovendien niet tegen het houden van politieke vergaderingen in de school. Vandaar de afscheiding van een aparte vrijzinnige kiesvereniging in Hoogkerk.

Naast het plaatselijke verenigingsleven en de lokale politiek ontplooide Burema zich in regionale landbouworganisaties. Zo was hij bestuurder van een Hagelverzekeringsmaatschappij, de Groninger Boerenbond en later Landbouw & Maatschappij.

Dat Landbouw & Maatschappij is berucht geworden als club die in fascistisch vaarwater raakte en daarin tal van boeren meezoog. Een van die boeren was Burema. Na de Duitse inval werd hij lid van de NSB en raakte als bestuurder van de Landstand, de gelijkgeschakelde boerenorganisatie, doordrenkt met de bloed en bodemideologie van de nazi’s. Burema werd zo geschikt geacht door de bezetter, dat die hem in januari 1942 tot burgemeester van Hoogkerk benoemde.

In de toespraak bij zijn ambtsaanvaarding verklaarde Burema dat het handhaven van orde en rust zijn belangrijkste doel was. Hij wilde loyaal samenwerken met de Duitse overheid als “soldaat van Mussert” en in het midden van zijn gemeente staan. De Oostfrontstrijders noemde hij zijn “kameraden” en hij zou korte metten maken met “saboteurs”. Onder de aanwezigen bij deze plechtigheid waren J. Maarsingh van Stadskanaal als gemachtigde van Mussert, de beruchte politiecommissaris Blank uit de stad en diverse kringleiders van de NSB. Een daarvan noemde Burema “een zwarte soldaat op een eenzame post”: “Immers, de nieuwe geest is hier nog niet doorgedrongen”. Ondanks zijn (vroegere) populariteit had Burema in Hoogkerk kennelijk niet zoveel politieke medestanders meer. Tot slot van de plechtigheid defileerden eenheden van de SS en de WA voor de nieuwe functionaris.

Als je op de kranten afgaat, wass burgemeester Burema vooral actief bij de regionale luchtbescherming. In oktober 1943 werd hij tevens waarnemend burgemeester van Marum, een gemeente waar nogal wat mensen neergeknald waren bij de April-Meistaking. Meteen na de Bevrijding, op 30 april 1945, werd Burema geschorst en in december definitief ontslagen als burgemeester en dat met terugwerkende kracht, want met ingang van 16 april van dat jaar.

In 1946 kwam eerst de vrouw van Burema voor het Tribunaal. Zij werd onder meer beticht van het collecteren voor Winterhulp en het verraden van een ondergedoken student. Ze ontkende dat laatste en deed het voorkomen alsof ze altijd tegen de bezetter was geweest, reden voor de aanklager om haar een Januskop toe te dichten. Het Tribunaal achtte de aantijgingen bewezen en veroordeelde haar tot de internering die ze tot dan toe onderging, met daarbovenop maar liefst 12.500 gulden boete en tien jaar ontzegging van het kiesrecht. Een maand later liet ze zich scheiden van haar man.

Burema zelf moest zich twee jaar later voor het Bijzonder Gerechtshof verantwoorden. De officier beschuldigde hem van het opstellen van gijzelaarslijsten, het doorgeven aan de Duitsers van namen van potentiële dwangarbeiders en het verraden van J. Giezen. Deze Giezen, een communist, was voor de oorlog gemeenteraadslid voor de CPH geweest, en had bij de April-Meistaking van 1943 een boer uit Peizermade, die rustig melk bleef leveren, de huid volgescholden. Dankzij Burema kreeg Giezen een enkele reis naar het concentratiekamp Buchenwald, dat hij net als vele anderen niet overleefde. Vooral dit geval legde gewicht in de schaal. Het Bijzonder Gerechtshof veroordeelde Burema in juli 1948 tot zeven jaar gevangenisstraf met aftrek van voorarrest, naast een levenslange ontzegging van het kiesrecht.

Na zijn vrijlating leefde Burema als stil burger en rentenier. Hij zou opnieuw trouwen en woonde met zijn tweede vrouw in Huize Maarwold in Haren. Hij overleed in 1984 in een ziekenhuis te Groningen.


Heere Boon en zijn smokkelaarsbende

De Pylaars in Tolbert bestaat nog steeds.

De Pylaars in Tolbert bestaat nog steeds.

In de oude landschap Drenthe waren genotsmiddelen als jenever, brandewijn, tabak, koffie en thee veel lager belast dan in Stad en Lande. Daarom werd er vanuit Drenthe veel van dat spul naar Groningerland gesmokkeld. Dit gebeurde vooral vanuit plaatsen dichtbij de grens, zoals Eelderwolde, Roderwolde en Zuidlaarderveen. Nietap bij Leek spande echter de kroon. Niet alleen mensen uit het zuidelijke deel van het Westerkwartier kwamen hier contrabande halen, maar ook mensen uit het aanpalende deel van de Friese Woudstreek, die dan een route door het Westerkwartier namen. In een enkel geval trad er zelfs bendevorming op van min of meer professionele smokkelaars. Deze sluikten niet slechts voor eigen gebruik, maar deden dat grootschalig voor de verkoop. Desnoods verdedigden ze de spullen gewapenderhand. In 1756 werd deze bende van Heere Boon opgerold.

Heere Boon, officieel Heere Gerrits Oldeboon (43), en in het Friese misschien ook wel Boonstra geheten, was geboren in Zuider Drachten, en woonde aan de Drachtster kant van het Ureterper Verlaat. Al vanaf 1751 keken de Groninger Landsbedienden, zeg maar de belastingcontroleurs, naar hem uit. Dat jaar maart hadden ze hem namelijk “met een pak op de rugge” bij Leek zien lopen. Een van hen had hem ook tussen Leek en Tolbert achterhaald. Maar bij zijn aanhouding bleek Boon dat pak niet meer bij zich te dragen. Gevraagd waar hij vandaan kwam en waar hij zijn bagage liet, antwoordde hij, dat hij van Nietap kwam en dat er wol in zat. Uiteraard wilden de Landsbediende dat graag bewezen zien. Maar Boon weigerde de verblijfplaats van zijn pak aan te wijzen: “Dat doe ik om de duivel niet”. Hij viel de Bediende zelfs aan en gaf deze “eene slag met een seer dikke stok aan ’t hooft dat er bloed op volgde, en een tweede over den arm”. De Bediende, niet bang uitgevallen, wist Boon naar de grond te werken, wrong hem zijn stok uit handen, maar moest hem loslaten, waarna Boon met een mes op hem inliep: “Nu salstoe sterven of ik”. Blijkbaar was de Bediende nog behendig genoeg, want hij kwam er vanaf met “ses of seven sneeden in sijne klederen”, “waarvan drie tot op het hemd”. Ook Boon zelf kwam met de schrik vrij – hij nam de benen.

Vijf jaar later opereerde Boon niet meer in zijn eentje. Op 21 januari 1756 deden de Landsbedienden met een Statenbode een inspectie ten huize van Jan Tonnis in Tolbert, toen Boon daar “met vier andere personen, zijnde Friesen” over het kerkhof kwam aanlopen, “hebbende jeder een pack op de rug met brandewijn en taback”. Boon kreeg al gauw door dat er controleurs aanwezig waren en daagde ze uit Jan Tonnis zijn huis. Hij riep dat hij de “schrobbers” (= afpersers, schurken) wel eens wilde spreken, waarop de Landsbedienden en de Statenbode het pand uitkwamen en de Friezen vroegen naar hun namen en de inhoud van hun pakken. Deze wilden ze graag visiteren; of de Friezen ze wilden neerzetten. Boon, “als de voorste zijnde”, gaf inderdaad nog zijn naam op – “Ik hiet Heere Boon’’ – al gebeurde dat zeker niet uit welwillendheid: “Wat duivel raakt u onse naemen”. Hij zette zijn pak op de grond en provoceerde de belastingmannen opnieuw: “Daar staat mijn pak, een van u duivels tast die eens an”. Tegelijkertijd stelde hij zich dreigend op met een soort van polsstok: “Het scheelt mij niet of ik slaa op u duivels nog, dat je niet weder opstaat”. Bovendien hitste hij zijn makkers op: “Sla op de duivels”. De Bedienden zagen zich daarom gedwongen van hun visitatie af te zien en lieten de groep passeren. Ook Boon nam zijn pak weer op zijn rug en vervolgde met zijn metgezellen de weg door Tolbert.

Wie hier verder bij waren, is onbekend, maar op 6 mei dat jaar trok Boon opnieuw door Tolbert met dit keer drie andere personen, waaronder het Ureterper echtpaar Claas Doitses (34), in de volksmond Kay Doit, en Renske Lammerts (44). Het was ’s ochtends zeven uur, dus klaarlichte dag, en elk van de vier droeg een lege zak op de rug, waarmee ze de weg naar Nietap insloegen. ’s Middags zag men de groep daar uit het huis van de koopman Pieter Santé komen, een bekende leverancier van smokkelwaar, ook in grotere hoeveelheden. De groep passeerde de Leekster brug en pleisterde rond vier uur in een herberg te Tolbert, en wel “in het soogenaamde huis in de Pijlaars”, waar de bendeleden hun pakken neerzetten, en Boon begon te pochen over zijn ontmoeting, de afgelopen winter, met een Landsbediende:

“hadde verhaalt, als wanneer sijn mes wat scherper waere geweest hij de Landsbediende beter gesneden zoude hebben, maar dat deselve al was weggelopen soo ras de scheede van het mes maar gezien hadde, beroemende sig wijders dat hij toen de Baas was geweest, maar sijn ander volk al bange waren geworden..”

Wellicht was iemand uit de herberg toen al op weg om de Landsbedienden te waarschuwen, want na nog wat geweldpleging was Boon “achter uit de Pylaars weggelopen”, en niet langs de weg, maar “over het land” uit zicht geraakt. Zijn drie metgezellen namen ook zijn pak mee, en liepen daarmee gewoon langs de weg door Tolbert. De enige die kon worden aangehouden was Kay Doit. Hij had maar liefst 25 pond tabak en een vaatje met 7 kroes (= 8,75 liter) brandewijn bij zich, alles gekocht bij Pieter Santé op de Nietap.

Anderhalve maand later, in de nacht van 19 op 20 juni 1756 hielden de Landsbedienden in Leek de vrouw van Kay Doit aan. Zij had toen bij zich een pak met 6 pond tabak, 3 pond thee en twee “borrels” (= flessen) met twee kroes en een oort brandewijn, ook weer betrokken bij Santé. In haar gezelschap was er een Meindert waarvan ze de achternaam niet kende, “zijnde een arbeider en mede woonagtig tot Ureterp”. Bij haar arrestatie dreigde hij “tot haare ontzettinge” de beide Landsbedienden “met het mes tot riemen te snijden, soo sij de gedetineerde niet wilden loslaten”. Deze Meindert wist te ontkomen.

Zoniet Boon, die op een ongespecificeerd moment tegen de lamp liep. Op 17 augustus kregen hij, Kay Doit en diens vrouw hun sententies voorgelezen in het provinciale gevang. Uit de vonnissen blijkt duidelijk, dat de heren Boon als aanvoerder zagen. Volgens hen maakte hij zich schuldig aan

“verregaande sluikerijen, geweldadige resistentiën aan ’s Lands bedienden in ’t Westerquartier en [heeft hij] voorts sig niet ontsien van innorme insolentiën te plegen, hebbende sig met scherp gewapent, zijnde als aan het hoofd van een bende sluijkers begeven, om nevens deselve de waeren uit het Landschap Drenth te halen en vandaar in deese provincie ter sluik in te voeren en se te verkopen waar maar best konden.”

Dat waren uiteraard hoogst strafbare zaken. Daarom kreeg Boon tot loon een strop om zijn hals terwijl hij aan de kaak stond. Ook werd hij streng gegeseld door de scherprechter. Verder kreeg hij nog een brandmerk en levenslang tuchthuis.

Kay Doit werd veroordeeld wegens “menigvuldige sluikerijen van tabak en brandewijn om deselve ten voordeele wederom te verkopen”,

“(…) strekkende tot merkelijke bekortinge van ’s Lands regten en inkomsten, stooringe van de maatschappij en bederf van andere, goede ingesetenen en vilipidentie van de ordres en placaten van den Landen.”

Zijn straf: kaak, geseling, tien jaar tuchthuis en daarna levenslange verbanning uit de provincie. En hoewel zijn vrouw zich van het geweld distantieerde, hielp dat haar niet, want zij kreeg kaak, geseling en een verbanning voor onbepaalde tijd uit de provincie.

Als ze die ban verbrak, dan ging ze levenslang het tuchthuis in. Ze bleek echter onverbeterlijk en werd nog geen anderhalve maand later, namelijk op 28 september 1756, tussen Leek enTolbert aangehouden met 2,5 pond thee die ze zonder aangifte te doen vanuit Drenthe de provincie Stad en Lande had ingevoerd. Op 8 oktober maakten de heren hun belofte waar en veroordeelden haar tot een levenslange tuchthuisstraf.

Van haar horen we niet weer. Wel van Heere Boon en Kay Doit. Boon brak in de nacht van 22 op 23 maart 1759 met twee anderen dwars door een muur uit het tuchthuis en bleef daarna, zoals het lijkt, uit zicht.

Kay Doit was net als zijn vrouw een recidivist. Op 17 maart 1763 werd hij op vrije voeten gesteld, waarmee de heren hem drie van zijn tien jaar tuchthuisstraf kwijtscholden. Hij vestigde zich weer in Ureterp en was dus net die kwijtgescholden periode op vrije voeten, toen hij op 10 oktober 1766 door ’s Lands bedienden even voorbij Tolbert “agter de Holm in ‘t Veld” werd aangehouden met 20 pond koffiebonen, 15 pond thee, 9 pond tabak en een halve kroes brandewijn, ook nu weer gekocht bij Pieter Santé op de Nietap en zonder aangeving in Stad en Lande ingevoerd. Naar zijn zeggen waren de spullen bestemd voor een koopman Focke Hayes in Ureterp. Drie weken later, op 31 oktober 1766, oordeelden de heren opmerkelijk zacht over hem – dit keer kreeg hij zes jaar tuchthuis, gevolgd door een levenslange verbanning.

Bronnen: RHC Groninger Archieven, Toegang 1 (archief Staten van Stad en Lande) inv.nr. 1352 (sententieboek GS) de vonnissen d.d. 17 augustus 1756, 8 oktober 1756, 10 april 1759 (van Salomon Elias, met melding ontsnapping Boon) en 10 oktober 1766.


Terug naar de Schepper met het dubbel doorschoten hart

In mijn kwartierstaat, als ik die zou maken, nemen Oldambtsters ongeveer vijfachtste van de ruimte in. Een kwart is bestemd voor Friezen. En een achtste deel bestaat uit mensen uit het Westerkwartier, met name Marum, Nuis, Niebert en Tolbert, die omgeving.

Tot nu toe heb ik aan dat deel van mijn komaf nooit veel aandacht besteed. De schakel er naar toe is een kleine, frèle, dappere vrouw, Grietje van der Velde, de moeder van mijn grootvader Vondeling.

Haar moeder, Antje van der Velde, bleek maar liefst vijfvoudig  ongehuwd moeder. Met Antje zitten we onmiskenbaar in een landarbeidersmilieu. Toch heeft haar moeder Grietje als familienaam Vossema. Vossema, ook wel Fossema, is de oudere naam van de Coendersborch in Nuis. Omdat die naam getuige Alle Groningers pas omstreeks 1811 opduikt in deze familie, vermoed ik dat deze voorzaten van me onder Nuis land van de borgfamilie pachtten, iets wat nog wel eens valt na te gaan.

Terwijl ik mijn Oldambtster voorfamilie – landarbeiders en vissers – nog niet verder terug heb kunnen traceren dan tot ongeveer 1750, leidt het draadje dat ik met Grietje en Antje en Grietje lostrok, via een grillig pad naar de Late Middeleeuwen.

Althans als ik een bepaalde website wil geloven. Volgen we de daar gegeven lijnen even terug.

De vader van Grietje Vossema was de dagloner Jan Douwes Vossema (Nuis 1774  – Marum 1838). Van diens vader Douwe Freerks (Nuis 1739-1809) is het beroep onbekend, maar dat zal ook niet veel voorgesteld hebben. Als ze braaf en opppassend waren, is er nauwelijks een verhaal over deze landarbeiders te maken.

Nog weer een generatie terug, stuiten we echter op een schoolmeester: Frerik Douwes, geboren in 1715 te Tolbert. Over schoolmeesters is vaak juist wat meer te vertellen, zeker als ze over de schreef gingen, want dan werd de kerkelijke tucht actief. Frerik trad als dorpspedagoog en –schrijver in de voetsporen van zijn pa Douwe Hindriks , wiens levensjaren onbekend zijn. Maar dat zou geen probleem mogen vormen. In elk geval trouwde hij in 1699 in Tolbert met Auckjen Sunkema, geboren in 1673 te Groningen, en aangezien Douwes lijn doodloopt bij zijn vader, vervolgen we de reis naar de Late Middeleeuwen met de lijn van haar.

Haar vader was Sirk Harmens Sunkema, die voor april 1676 overleed. Hij was Hoofdmansdienaar van zijn beroep, zeg maar medewerker van het gerechtshof. Wat hij precies deed voor de kost, staat vast wel in de een of andere officiële instructie. Hij woonde in de stad Groningen, maar was in 1666 in Tolbert met een Eetien Iwema getrouwd. Via haar lijn dalen we nog verder af.

Over haar vader Driewes Iwema is buiten het overlijdenstijdstip (winter 1672/1673) nauwelijks iets bekend. Diens vader Date Iwema (1588-1651) was echter een van de grotere boeren van Niebert. Die trad ook wel op als kerkvoogd. Een belangrijk man ter plaatse, over wie meer te vinden moet zijn. Vermoedelijk woonde hij op de Iwemaheerd, een oud steenhuis in Niebert. In elk geval deed zijn vader Harcke Iwema dat al.

Helaas bestaat  er geen volle zekerheid over diens afstamming. Met een slag om de arm daarom de boeren Drieuwes Iwema (Niebert ca. 1532-1600) en Harcko Iwema (Niebert 1485-1544), waarvan de laatste tevens als Grietman te boek staat. Zo’n Grietman was een soort rechter, burgemeester en notaris in één. Opmerkelijk: elders krijgt Harcke de Grietman heel andere leefjaren mee. Daar heet zijn rechtsgebied  Westerdeel-Vredewold. Hij zou dit samen met de eigenerfde Hille Fossema hebben bediend. Tevens was hij ‘Schepper tot Niebert’, dus lokaal de hoogste baas in waterschapszaken.

Een Grietman en Schepper stelde echt wel wat voor. In elk geval hadden de Iwema’s een mooi familiewapen, met een dubbel doorwond hart als belangrijkste element:

img276blog

Zoiets zag je nergens anders dan in het Westerkwartier. Het tekeningetje is ontleend aan het boek van Leo Martinus over de Auwema’s van Tolbert, die hetzelfde teken droegen. Trouwens, ook de Fossema’s van Nuis deden dat. Volgens Leo, die ik eind vorig jaar interviewde voor Stad & Lande, vormden de Auwema’s en de Iwema’s  oorspronkelijk wellicht één familieclan: “Zo’n hart”, vertelde hij,

“stond symbool voor de maagd Maria en er zou een verband kunnen zijn met het Cusemer klooster, dat deze familie na een kruistocht uit dank land schonk, maar dat ligt dus in de nevelen der tijden.”

Natuurlijk weet ik dat dit speculatie is en dat je heus niet alles op internet voor zoete koek moet slikken. Zeker bij webgenealogieën zou je eigenlijk alles moeten checken en nog eens checken. En toch maakt het zover kunnen teruggaan in de tijd heel even een tikje euforisch.