Ouwe steenbulten

“Ach dei ol stainbulten”, riep Freerk, wijlen mijn achterneef, voortdurend uit. “Wat moje d’r mit. Ofbreken dei rommel.” Hij kreeg me er nog mee op de kast ook.

Begin jaren zeventig logeerde ik nog één keer bij mijn oud-tante Lieuwkje en mijn oud-oom Klaas op de boerderij in Feerwerd. Mede dankzij het radioprogramma van Marijke Ferguson over middeleeuwse muziek was ik zwaar geïnteresseerd geraakt in de Middeleeuwen. Het plan was  daarom een hele serie oude Groninger kerken op dia te zetten.

Dat deed ik met een cameraatje dat ik een paar jaar eerder, op mijn veertiende of vijftiende, voor 25 gulden op de kop had getikt, de AGFA ISO Rapid I. Het beschikte over een heuse Parator-lens en twee sluitertijden, respectievelijk aangegeven door een zonnetje en een zonnetje met streepjes erdoor en een bliksemschichtje ernaast. In het ene geval werden je dia’s vaak onderbelicht, en in het andere overbelicht, dus ging het om een moeilijke keuze.

Ik weet nog dat het de bedoeling was om die ouwe steenbulten zo tijdloos mogelijk op de dia te zetten, liefst zonder dat het middeleeuwse beeld werd gerept door auto’s e.d. Dat lukte nooit helemaal, altijd was er wel een anachronistisch stukje asfalt of een lantaarnpaal te zien, of een man die met een moderne motormaaier het gazon bij de steenbult kort hield en zo mijn middeleeuwse beeld naar de filistijnen hielp.

Decennia keek ik niet om naar de serie dia’s die ik indertijd maakte. Andere interesses. Maar nu heb ik ze ingescand. Weliswaar waren de meeste genummerd, maar de bijbehorende lijstjes raakte ik kwijt. En hoewel ik de meeste plaatjes wel herkende, leverde de determinatie in ongeveer eenderde van de gevallen hoofdbrekens op. Torens herken ik meestal wel, maar wat doe je met dia’s waar alleen zijmuren op staan? Gelukkig is daar Kerken in Beeld. Dankzij dit nieuwe digitale fotoarchief van het Instituut voor Liturgiewetenschap lieten al mijn ouwe steenbulten zich gewillig thuisbrengen.

Ik bezocht onder meer Aduard, Baflo, Bedum, Bierum, Den Ham, Ezinge, Holwierde, Krewerd, Leermens, Middelstum, Oldehove, Oostum. Stedum, Ulrum, Winsum en Zeerijp. In sommige gevallen was dat vanuit Feerwerd een flink eind fietsen. Voor Bierum, Krewerd en Zeerijp moet ik toch zeker 75 à  80 kilometer hebben gemaakt op die dikke bandenfiets van achterneef Freerk, die zelf allang op een plof reed.

Achteraf vind ik nog het minst aan de tijdloze plaatjes. Je zou ze vandaag de dag ook kunnen schieten, met een veel betere kwaliteit. De leukste dia’s vind ik nu de landschapjes, waarvan sommige verdwenen zijn, door oprukkende nieuwbouw of hoog opschietend groen.

– Bedum:

Bedum

– Godlinze:

Godlinze

– Oostum:

Oostum

– Zeerijp:

Zeerijp


De moesker met het clavecimbel

Over de eerste school buiten de Oosterpoort

Geplaatst op 26 januari 2007

In de zeventiende en achttiende eeuw mocht iemand in en om de stad Groningen pas een school beginnen, als hij of zij lidmaat van de bevoorrechte gereformeerde kerk was, en een examen afgelegd had voor en een vergunning ontvangen had van de ‘scholarchen’, de commissie die namens het stadsbestuur toezicht uitoefende op het lagere en middelbare onderwijs. Deze bepalingen werden in de praktijk evenwel op grote schaal ontdoken, niet alleen door andersdenkenden, maar ook door gereformeerden. Zo was er na ca. 1690 een periode, waarin de scholarchen kwistig vergunningen uitdeelden en er een min of meer vrije vestiging van schoolhouders leek te bestaan. Dit liberale vestigingsklimaat werkte niet alleen een grote concurrentie in de hand en het lesgeven voor minder dan de afgesproken schoolgelden, maar veroorzaakte ook een gevoelig kwaliteitsverlies van het lagere onderwijs.

Anno 1730 was de situatie dermate geëscaleerd, dat zelfs de scholarchen begonnen te klagen over

“de excessive menighte der meesteren ende de weinige bequaemheydt van het grootste deel van haar”.

Het stadsbestuur stelde daarom paal en perk aan het getal schoolmeesters (m/v). Op dat moment waren er, afgezien van de 2 weeshuismeesters, 34 schoolhouders met een vergunning, waarvan er slechts 6 of 7 louter van onderwijs-activiteiten konden bestaan. Dat getal van 34 moest uitsterven tot 18 (2 per kluft = wijk). Daarnaast mochten nog 9 vrouwen (1 per kluft) scholen houden

“om de aller eerste ankomende tedere kindertjes tot sitten te gewennen ende haer het A.B. te leeren”.

Alle 27 schoolhouders zouden een additioneel tractementje krijgen uit het ‘peculium scholasticum‘ (de stedelijke schoolkas). De vroegere bepalingen over kerklidmaatschap, examinering en vergunning voerde het stadsbestuur daarbij opnieuw in en scherpte hij zelfs aan, evenals die t.a.v. de inhoud van het onderwijs. Oude schoolhouders die een vergunning hadden, mochten alleen dan doorgaan, als ze zich met goed gevolg door een predikant hadden laten onderzoeken op hun bekwaamheid in ’t godsdienstonderricht.

Het reglement van 1730 zegt niets over het schoolhouden onmiddellijk buiten de poorten van de stad. Daar bleef vooreerst het liberale vestigingsklimaat gehandhaafd, tot ook hier een uitsterfbeleid werd gewenst, misschien omdat schoolhouders zonder vergunning er een goed heenkomen zochten. In juni 1736 bepaalde het stadsbestuur dat er in de toekomst in de “voorsteden” nog maar drie schoolmeesters mochten opereren, één buiten de Here- en de Oosterpoort, een andere buiten de A-poort en de derde buiten de Boteringepoort. Deze drie mochten geen kinderen van binnen de stadswallen toelaten en kregen ook geen toelage uit algemene schoolkas. Ze moesten zich dus geheel en al bedruipen van het schoolgeld, dat ouders uit de buurt betaalden.

Het besluit van juni 1736 duidt er op dat er al onderwijs gegeven werd buiten de Oosterpoort. Dat kan kloppen, want vijf weken nadat het viel, leverde Elsien Geerts, de weduwe Basthagen, oud 70 jaar, een verzoekschrift in op het Raadhuis, waarin ze vertelde dat ze

“altijd nae de doodt van haar man school heeft gehouden buiten Oosterpoorte maar daar niet meer van kan bestaan…”

Ze verzocht “tot haar noodruft” om een wekelijkse toelage uit de algemene middelen, m.a.w. om op gelijke voet met de erkende schoolhouders in de stad behandeld te worden, hetgeen de heren van de hand wezen.

Elsiens rekest is de eerste vermelding van een onderwijsvoorziening buiten de Oosterpoort. Wat waren de achtergronden van deze onderwijspionier, waar werd er buiten de Oosterpoort school gehouden en wat moeten we ons ongeveer voorstellen bij die school?

Qua achtergrond van de weduwe Basthagen liep mijn spoor dood in Tinallinge, waar haar man Roebert Basthagen omstreeks 1694 tot koster, schoolmeester en organist werd benoemd door de op huize Weerda residerende jonker Pompejus Gruys, zich noemende ‘unicus collator’ van Tinallinge (wat betekende dat hij in zijn eentje de belangrijkste kerkelijke ambten ter plaatse mocht begeven). Buiten de lange zomer en de vakanties om vertoefde jonker Gruys meestentijds in de stad, waar hij Hoofdman (een van de hoogste rechters van Stad en Lande) was en bovendien Stadsartilleriemeester, zeg maar de baas over het Kruithuis.

In de kosterij van Tinallinge kregen Elsien en Roebert Basthagen tussen 1694 en 1703 zes kinderen, waarvan er drie al spoedig stierven. Anders dan andere kosters-schoolmeesters – zoals zijn opvolger – en ondanks een kerkelijke schorsingsbedreiging zette meester Basthagen niet zijn handtekening onder de calvinistische ‘Formulieren van Enigheid’ in het prothocol van classis (kerkvergadering) de Marne. Want jonker Gruys gaf hem nooit de beroepbrief, waarmee hij zich in de classis moest vertonen. Zoals wel meer jonkers toonde Gruys op deze manier wie de macht had in de locale kerk: hij, en niet de predikanten van de classis.

Bij gebrek aan een kerkeraadsprothocol is er weinig bijzonders te melden over het leven en werken van de Basthagen’s in Tinallinge. Net als zijn collega’s elders in de Marne zal meester Basthagen te maken hebben gehad met veel schoolverzuim, waardoor het zoeken van bijverdiensten op de borg of in de schepperij (het waterschap) noodzakelijk was, temeer daar ook het boerenwerk op de kosterij bepaald geen vetpot was. Maar over Basthagen deden er geen verhalen de ronde, zoals over zijn collega van Leens, die met de noorderzon verdween; of de vakbroeder van Saaxumhuizen, die tijdens een kerkdienst dronken was; of de pedagoog van Obergum, die op een zondag in de herberg voor lichte vrouwen op de viool speelde en die bij een bloederige vechtpartij in het plaatselijke godshuis zijn opponent de neus dreigde af te bijten.

En toch voldeed meester Basthagen niet, althans niet in de ogen van de man die hem aangesteld had. In april 1707 kreeg de schoolmeester de wedman aan de deur, die hem uit naam van jonker Gruys de gerechtelijke aanzegging deed dat hij binnen acht dagen uit de kosterij moest vertrekken

“ende sulx om redenen de E. Heer Gruis daartoe moverende”.

Met andere woorden: de koster kreeg zijn congé en de jonker beliefde het niet dit ontslag schriftelijk te motiveren.

Het kan zijn dat Basthagen aan de verkeerde zijde was gaan staan in de partijstrijd die het dorp in zijn greep had. Want Tinallinge werd beheerst door twee ‘cabalen’ of facties, die elkaar geen duimbreed toegaven. De ene partij stond onder leiding van jonker Gruys en de andere werd aangevoerd door redger (plaatselijke rechter) Scherius, een zetbaas van de Heer van Ulrum. Gruys en Scherius lagen al langer met elkaar overhoop over aandelen in de schepperij van Baflo en de collatie van en de glazen in de kerk van Tinallinge, en het conflict kwam opnieuw tot uitbarsting na het ontslag van de schoolmeester.

De redger vocht dit ontslag onmiddellijk aan en ontzegde de jonker het recht om het kosterijland te verhuren. Bovendien benoemde de redger alvast een plaatsvervangende klokkenluider, hetgeen de jonker in het verkeerde keelgat schoot. In dit conflict trok jonker Gruys in oktober aan het langste eind, door een uitspraak van ‘zijn’ Hoofdmannenkamer.

Verder was er de zaak van de wedmansverkiezing, die net als Basthagens ontslag medio april 1707 plaatsvond. Deze verkiezing was op touw gezet door ds. Vechtman, de predikant van Tinallinge, een trouw aanhanger van jonker Gruys, en werd eveneens bestreden door Scherius, die op dit punt uiteindelijk kon triomferen omdat hij nou eenmaal zelf redger was.

Intussen liepen de emoties hoog op bij een maaltijd na een wegenschouw door de scheppers van Baflo. De daar voor “schelm” uitgemaakte redger Scherius graaide de pruik van ds. Vechtmans hoofd, gooide deze het venster uit, greep de predikant vervolgens aan zijn echte haar beet en sloeg diens gezicht met de vrije hand bont en blauw, totdat een collega van ds. Vechtman tussenbeide kwam. Tegen de vrouw van de predikant, die naderhand verhaal kwam halen, sprak redger Scherius de gedenkwaardige woorden:

“Brui wegh, ghy votse, wat hebt ghy hier te doen, of ik geef u een voet in den aars”.

Van die verheffende Ommelander dorpstaferelen. Ook over het koren op het bouwland, de mest, het hooi, de “eyde” (eg) en het “etgroen” (tweede gewas op gemaaid hooiland) van de kosterij zette men elkaar de voet dwars.

Basthagen had met dit alles verder weinig te maken. Hij en zijn vrouw hielden een boeldag om van hun overbodige spullen en schulden af te komen en vertrokken richting stad. Ds. Vechtman weigerde ze naderhand een attestatie van lidmaatschap te geven, iets wat pas in 1712 zou worden rechtgezet.

Na hun gedwongen vertrek uit Tinallinge kochten Roebert en Elsien een moeskerij aan de oostzijde van de Oosterweg. De precieze datum van deze aankoop is onbekend, aangezien er geen koopakte te vinden is, maar waarschijnlijk was het in 1708 of 1709. De vorige eigenaresse van de ondergrond had enige jaren eerder namelijk de behuizing op en de “overdracht” (beklemming) van de tuin “met het insaadt, boomen, planten en plantagiën met nog een bulte hooy” van het vorige moeskersechtpaar overgenomen voor slechts 104 gulden – waarmee tevens twee van de drie jaar huurachterstand goeddeels waren ingelopen – maar ze moest zich veel moeite getroosten om dit berooide echtpaar en naderhand de weduwe ook van de tuin te krijgen. Zelf maakte ze dat niet meer mee; het zou pas haar dochter en enige erfgename lukken, eind maart 1708, dus vlak voor het zaai- en plantseizoen.

Dat er geen koopakte is, kan enerzijds gelegen hebben aan die dochter, die haar erfenis er in zo’n hoog tempo doorjoeg, dat er een zaakwaarnemer benoemd moest worden, een neef die haar onder curatèle liet stellen. Anderzijds kan men het ontbreken van een koopakte ook zien in het licht van de jarenlange verwaarlozing, waaraan de moeskerij onderhevig moet zijn geweest. Want veel zullen Roebert en Elsien Basthagen er niet voor hebben neergeteld; wellicht was het zo weinig dat het de kosten en moeite van een gang naar de zegelaar niet eens loonde.

Het nieuwe eigendom van de Basthagen’s, de derde moeskerij aan de oostzijde van de Oosterweg, was 407 roe (ruim 0,6 ha.) groot en er moest 40 gulden en 14 stuivers grondpacht per jaar voor worden betaald, precies 2 stuivers de roe (16,94 m2). Afgezet op de huidige kaart van de Oosterpoort omvatte deze moeskerij een kleine 40 passen brede strook grond tussen Oosterweg en Meeuwerderweg, gelegen langs de zuidzijde van de tegenwoordige Jacobstraat. De behuizing stond ongeveer op de plek waar zich nu de binnenplaats van Oosterweg 76 bevindt.

Twee stuivers de roe was een standaardprijs voor moeskersgrond. Met die grond was niets mis. Anders was het gesteld met de bedrijfsvoering van de Basthagens, waarbij als verzachtende omstandigheid geldt, dat het in deze tijd wel meer moeskers niet voor de wind ging. Gaf Roebert bij een collecte voor de herbouw van de half ingestorte A-kerk in 1710 de op een na grootste gift van de moeskers buiten de Oosterpoort, hetzelfde jaar nog werd hij in rechte aangesproken omdat hij een koe niet betaald had. In 1711 bleef hij in gebreke na een boeldag waarop hij zich het een en ander aanschafte en in 1712 liet de nieuwe eigenaar van de tuinondergrond vanwege achterstallige beslag leggen op gewas en inboedel. In 1712 vorderde iemand bovendien nog een oude boekschuld op, waarvoor in 1714, na maar liefst vijf maal uitstel van executie, pand gehaald zou worden in de vorm van een bed met toebehoren. Tijdens dit proces betaalde Basthagen aanvankelijk ook niet de advocaat. Het veepestjaar 1714 vormde sowieso een rampjaar voor de Basthagens, want iemand eiste geld voor zijn hooileverantie en al hun roerende goederen werden op verzoek van de grondeigenaar gerechtelijk opgeschreven voor het geval dat.

Aan deze registratie danken we een inkijkje in het huis van Roebert en Elsien. Het lijstje met hun goederen omvat afgezien van de 3 “roothaarde” koeien en het kalf o.a. een boekenkastje met enige oude boeken, een zandloper en een clavecimbel, unieke voorwerpen voor een moeskersinboedel. Uit boeken haalde iemand zijn wijsheid, als hij daar tenminste behoefte aan had, maar dan behoorde hij wel tot een zeer kleine minderheid. Een zandloper gaf van dichtbij de tijd aan, bijvoorbeeld het eind van een les. En wat moest een groenteteler in hemelsnaam met een clavecimbel? In een redelijk gegoede burgermanshuishouding kwam zo’n voorwerp nog wel eens voor, maar in deze omgeving was het volstrekt ongekend. En reken maar dat er op gespeeld werd ook, want anders was het gezien het gebrek aan liquide middelen allang te gelde gemaakt. Behoud van kostbare voorwerpen uit nostalgie kon men zich in het milieu van de Basthagens allerminst veroorloven.

Geplaatst op 26 januari 2007  b

De boeken, de zandloper en het clavecimbel duiden erop, dat Roebert Basthagen zich buiten de Oosterpoort niet louter bezighield met het telen van groente en het melken van zijn rode koeien. Genoemde voorwerpen kunnen weliswaar niet ondubbelzinnig bewijzen dat hij hier doorging met lesgeven, maar ze vormen er wel een stevige aanwijzing voor.

Toen de Basthagens in 1716 opnieuw in het krijt stonden bij de eigenaar van hun tuin-ondergrond, en hun goederen andermaal geregistreerd werden, bevonden de boeken zich nog steeds op hun inventaris. Zo niet de zandloper en het clavecimbel; het muziekinstrument was vervangen door een viool, wel zo goedkoop, maar niet duidend op een einde aan de muziekpraktijk van de (ex-)schoolmeester. Van de drie koeien resteerde er op dat moment nog maar één. Nieuwe elementen in de inboedel vormden een partij vlas en enige percelen garen, waaruit we kunnen opmaken dat Elsien inmiddels met spinnen iets probeerde bij te verdienen.

Vlak na deze tweede opschrijving was het dat de Basthagens 300 gulden leenden van koopman Alle Writsers. Ook verkochten ze hun moeskerij voor 700 gulden, waarbij de nieuwe eigenaren een tot dan toe ongeregistreerde, restante hypotheek à 400 gulden van dezelfde koopman Writsers uit 1710 overnamen. Vergelijken we de nieuwe prijs van het vastgoed met die van het jaar 1704 – te begroten op ruim 185 gulden – dan blijkt de waarde van de moeskerij in twaalf jaar tijd bijna vier maal over de kop gegaan te zijn, een teken dat de Basthagens er het nodige aan hadden verbeterd. Waarschijnlijk was er een nieuw huis op de tuin gebouwd.

Begin mei 1717 ontruimden de Basthagen’s dit huis. Tot Sint Jacob (25 juli) van dat jaar verbleven ze nog in een slaapstee in de stad, om vervolgens richting Wildervank te vertrekken, waar ze van hun overgebleven geld en op een krediet van een tichelaar (steenfabrikant) uit Westerlee andermaal een nieuwe woning lieten neerzetten. Hoewel ik ook hiervoor geen enkel positief bewijs kon vinden, denk ik toch dat Roebert Basthagen zich in Wildervank – een uitdijende veenkolonie met een groeiende kinderschare – probeerde te vestigen als schoolhouder, zij het niet als een officiële, maar als een bijschoolmeester. Maar ook het verblijf in Wildervank was niet gelukkig en eind 1719 keerden de Basthagens terug naar de stad, waar ze inmiddels weliswaar twee verhuurde kamerwoninkjes onder één dak in de Kostersgang hadden geërfd, maar ook weer werden achtervolgd door schuldeisers, die uiteindelijk deze woninkjes gerechtelijk zouden laten veilen.

In het kader van deze procedures is het, dat we indirect van de dood van Roebert Basthagen vernemen. Op 12 december 1719 leefde hij nog, maar op 12 maart 1720 werd zijn weduwe aangesproken op een restant huis- en tuinhuur, waarmee we het begin van haar onderwijspraktijk buiten de Oosterpoort kunnen bepalen op 1720. Overigens noemde Elsien wijlen haar man in een rekest van eind maart 1720 nog “gewezen schoolmeester”, iets wat minder in de rede zou liggen als Roebert zich na 1707 helemaal niet meer met onderwijs zou hebben bezig gehouden. Ondanks het ontbreken van echte bewijzen neem ik dan ook aan dat niet Elsien, maar Roebert de eerste schoolhouder buiten de Oosterpoort was, temeer daar uit literatuur blijkt dat schoolmeesters vaak geassisteerd, en bij afwezigheid of ziekte vervangen werden door hun vrouwen, die als weduwen ook menigmaal de scholen van wijlen hun echtgenoten voortzetten.

Als Roebert Basthagen tussen 1708 en 1716 inderdaad buiten de Oosterpoort school heeft gehouden, dan zal dat in de derde moeskerij aan de oostzijde van de Oosterweg geweest zijn. De plek waar zijn weduwe tussen 1720 en 1736 haar onderwijs aanbood blijft echter een raadsel.

Op een lijstje van Elsien’s crediteuren uit 1722 staan louter leveranciers van binnen de wallen der stad, o.a. zaadkoopman Van Alsema uit de Herestraat. Onroerend goed heeft ze verder niet meer bezeten en huurders zijn nu eenmaal een stuk moeilijker te traceren dan eigenaars.

Misschien dat Elsien school heeft gehouden in een moeskerij van een zoon of dochter. Want drie van haar kinderen (Jan, Roebert en Trijntien) kwamen terecht op een moeskerij aan de Oosterweg.

Jan Roeberts Basthagen kocht ca. 1715 de eerste moeskerij aan de oostzijde. Hij stierf echter al in 1720, waarna zijn weduwe spoedig hertrouwde. Naderhand kregen deze vrouw en haar zwager Roebert Roeberts Basthagen, voogd over de zoon uit haar eerste huwelijk, ruzie, welk conflict resulteerde in het uit haar huis nemen van die zoon. De eerste moeskerij aan de oostzijde ligt derhalve minder voor de hand als plaats waar Elsien school hield.

Roebert Roeberts Basthagen, geboren in 1696, nam na een mislukt avontuur buiten de Boteringepoort in 1723 de achtste moeskerij aan de westzijde van de Oosterweg van zijn schoonmoeder over. Deze moeskerij lag naast het groenland waarop veertig jaar later het Sterrebos zou komen, een wat excentrische lokatie voor een school.

Trijntje Roeberts Basthagen, geboren in 1703 en op haar twintigste trouwend met Jan Geerts, kwam in 1730 met deze man van Sloterdijk terug naar Groningen, waarna ze de derde moeskerij aan de oostzijde van de Oosterweg betrokken, dezelfde moeskerij die van 1708 tot 1716 het eigendom was geweest van Roebert Basthagen senior en Elsien Geerts. Van de drie moeskerijen die in handen waren van Elsiens kinderen lijkt me deze nog het meest in aanmerking te komen als plek voor haar school, tenminste in 1736.

Hierbij zou ik het kunnen laten, ware het niet dat er nog een complicerende factor is in de vorm van Elsien’s tweede huwelijk met ene Jan Hansen, welk huwelijk in februari 1724 werd voltrokken. Van deze Jan Hansen weet ik verder niets. Maar of we veel belang aan dit huwelijk moeten hechten is de vraag, gezien het feit dat Elsien zich anno 1736 nog steeds de weduwe Basthagen noemde. Wellicht heeft Hansen na hun huwelijk niet zo lang meer geleefd – Elsien was zelf op het moment van haar tweede trouwen immers ook al 58 jaar.

Tot slot nog iets over de aard van het onderwijs dat hier door Roebert Basthagen en zijn weduwe zal zijn gegeven. Wat moeten we ons daarbij voorstellen?

De plaats waar op werkdagen van acht tot elf en van één tot drie uur (behalve op woensdag- en zaterdagmiddag) lesgegeven werd, was, zoals reeds uit het voorgaande kan blijken, een moeskerij, d.w.z. niet de krappe woonkeuken met haar vuurhaard en bedsteden maar de onverwarmde en slecht verlichte schuur erachter.

Als onbesproken lidmaten van de bevoorrechte, gereformeerde kerk zullen de Basthagens zich in deze schuur niet hebben onttrokken aan de opdracht van die kerk om

“neerstige acht te geven op de tedere spruiten, die an hare sorge en opsicht toebetrouwt worden, ten eynde deselve te cultiveren voor Godt en haer eeuwigh welvaeren”.

De godsdienstige en zedelijke opvoeding vormde inderdaad het alfa en omega van het basisonderwijs in deze tijd. De lessen begonnen en eindigden met gebed. De leermiddelen bestonden voor een belangrijk deel uit psalmen, spreuken, evangeliën, (verkorte) catechismussen en andere stichtelijke lectuur. En de belangrijkste leerdoelen waren het aanleren van eerbied voor God, de overheden, de gereformeerde kerk, predikanten, schoolmeesters, ouders en alle eerlijke mensen, alsmede het afleren van vloeken, zweren, ontuchtige praatjes, dobbelen, kaarten, kijven, vechten, bijnamen geven, met gebreken spotten etc.

In methodisch opzicht was het zaak om de jongste leerlingen eerst maar eens te doen gewennen aan eenvoudig stilzitten. Vaak waren deze jongste leerlingen nog peuters. Zo heet het anno 1730 hier in de stad dat

“veele borgeren en ingeseetenen de gewoonte hadden haere jonge kindertjes, selfs van 3 à 4 jaeren, seer vroegh nae de schoolen te senden, niet soo seer om daer te leeren, als wel om niet alleen van haer niet belemmert te worden in hunne huysdiensten, maer ook om gerust te syn dat se voor een groot gedeelte van de dagh waaren in eene versekerde plaetse…”

Juist om deze reden werd in genoemd jaar ook bepaald dat er in iedere kluft van de stad een vrouw aangesteld zou worden als (bewaar-)schoolhoudster.

Of de weduwe Basthagen een zuivere bewaarschool hield weten we niet, maar het lijkt me onwaarschijnlijk gezien ’t feit dat zij voor 1736 van de schoolgelden kon leven. Zeker is dat veel schoolmeesteressen zich niet tot alleen maar bewaren beperkten en net als hun mannelijke collega’s lees- en schrijfonderricht gaven, vooral aan kinderen tot zo acht, negen jaar, die daarna gewoonlijk door de ouders van school werden genomen om aan het werk te worden gezet. In deze omgeving zal dat niet anders geweest zijn en verdwenen de meisjes in een huishouding en gingen de jongens bijvoorbeeld op een tuin assisteren.

Meestal konden die ex-leerlingen dan al wel lezen, hoe onbeholpen ook. Ze hadden dat trapsgewijs geleerd, eerst door gotische en romeinse alfabetten uit het hoofd te leren, vervolgens door wisselende letters afzonderlijk te spellen, daarna door lettergrepen in hun verband te lezen, in ’t voorlaatste stadium door teksten spellend te lezen en uiteindelijk door lezend te lezen.

Schrijven was echter een geheel andere zaak, want daaraan mochten de leerlingen pas beginnen als ze het lezen volkomen machtig waren, wat gemiddeld een jaar of drie duurde. Ook vele buiten-Oosterpoorters kwamen niet eens aan schrijven toe, getuige het feit dat ze op latere leeftijd geen handtekening of zelfs maar simpele initialen konden produceren. Het schrijfonderricht, eveneens trapsgewijs, was ook duurder, want het vergde papier, inkt en gesneden ganzeveren, materialen waarmee de schoolhouder een duit of wat extra kon verdienen.

Over rekenen doe ik maar het zwijgen toe, al leek de kennis van de cijferkunst voor moeskers geen overbodige luxe. Rest me nog te vertellen dat kinderen van de verschillende leeftijden door elkaar zaten en dat elk kind in zijn eigen tempo en hardop voor zichzelf leerde, zodat het ook in die moeskerij aan de Oosterweg een geroezemoes van jewelste geweest moet zijn.

Geplaatst op 26 januari 2007  c


In oons haart bin’n wie allemoal communisten

geplaatst-op-16-juli-2007-c

Jaren geleden fietste ik eens door het nog communistische Finsterwolde. Ik bekeek het vervallen kerkhof met zijn scheefgezakte pronkzerken en stak voor een tosti aan in de kroeg naast de kerk. Op dat moment was ik de enige gast, maar weldra kwam er een oudere man binnen, met wie ik aan de praat raakte. We bleken familie van elkaar, via mijn overgrootmoeder en haar broer Harm Tuin.

Die Harm Tuin, vertelde mijn zegsman, was een vooraanstaand anarchist geweest. Meermalen logeerde Domela Nieuwenhuis bij hem in Finsterwolde en als dank kreeg Harm Domela’s geschilderde portret, dat nog tot zijn dood in de jaren vijftig boven de kachel hing.

De zus van Harm, mijn overgrootmoeder Antje Tuin, gold daarentegen als zwaar christelijk. Dat was bepaald geen traditie in haar familie, en evenmin in die van haar man, mijn overgrootvader Geert Perton. Tijdens een zware ziekte had Antje visioenen gekregen, en zij en Geert werden op slag gelovig en ook kerks, wat ze tot “oetoarders” in de rode omgeving maakte. Temeer daar ze op zondagen de rechtzinnige prediking in Oostwold prefereerden boven die van de vrijzinnige predikanten in het eigen dorp. Alleen als er in Finsterwolde een predikantsvacature was en er een orthodoxe dominee een vervangingsbeurt deed, wilden ze daar nog wel eens naar de kerk gaan.

Antje Tuin en Geert Perton waren in 1889 getrouwd. Zijn vader, een landarbeider die bij zijn eigen huwelijk nog had moeten volstaan met een kruisje, deed bij de huwelijksvoltrekking van zijn zoon heel erg zijn best op het zetten van een or-den-te-lij-ke handtekening. Deze operatie verliep dermate langzaam, dat de burgemeester hem met een “tou, tou, tou” tot enige spoed maande. Van mijn betovergrootvader kreeg hij lik op stuk: “Tou tou tou? Ik mout meer tou tou tou den die!”

Antje en Geert Perton behoorden niet meer tot de landarbeidersstand. Geert was als jongen in de leer gegaan bij een schoenmaker en op zijn 22-ste nog schoenmakersknecht, toen hij een flinke som geld kon beuren. Met twee oudere broers was hij zelf vrijgesteld voor de militaire dienst, maar hij trad als remplaçant in de plaats van iemand uit Ulrum die wel ingeloot was. Zodoende kwam hij bij het eerste regiment veldartillerie, waarvan de kanonnen  natuurlijk nog door paarden werden voortgetrokken. Ergens bleef Geert landarbeiderszoon, in het grote genoegen namelijk waarmee hij zich deze episode later herinnerde: “’s Mörgns as deur’n opengong’ng frensd’n peerd’n aal”.

Anders dan veel andere landarbeiderszonen bleef Geert zijn leven lang orangist. Na zijn diensttijd vestigden hij en Antje zich eerst in een gehuurde schoenmakerij te Oostwold. Een paar jaar later kochten ze van het geld dat hij bijeengespaard had dertien are zandgrond aan de Klinkerweg in Finsterwolde en lieten er zijn broer Aike een huis van wel duizend gulden op neerzetten. Het was het allereerste huis aan de Klinkerweg. Eigenlijk konden Geert en Antje veel meer land kopen van boer Amster aan de overkant van de Hoofdweg, maar dat hadden ze niet aangedurfd. Op het lapje grond bij het huis hielden ze kippen, en een schaap en een geit voor de melk. Ook had Geert ‘imen’, oftewel bijen, die in het voorjaar op de koolzaad vlogen en daarna met een wagen naar de heide in Westerwolde gingen.

Al stond de trapnaaimachine in de schoenmakerij zelden stil, Geert en Antje hadden een sober bestaan. Vanwege de gloeiende kachel bleven er ’s winters nogal eens mensen in de werkplaats plakken. Maar buiten de schoenmakerij om hadden Geert en Antje niet zoveel contact met dorpsgenoten. Het waren ernstige, bepaald niet uitbundige mensen. Hun geloof speelde daarin een rol, maar ook weer ziekte. Geert was zelf asthmatisch. Mijn oud-tante herinnerde zich levendig de keer dat haar vader door een hevige aanval niet naar een verloting kon en zijn lot aan een buurman mee moest geven. Het ging om de verloting van een geit zonder horens in logement Ufkes.

Met kerst kwam er geen boom in huis, want dat deden alleen vrijzinnigen. De kinderen gingen aanvankelijk ’s zondags ook naar Oostwold, maar dan voor de catechisatie. Daar kwam een eind aan toen ze onderweg steeds getreiterd en uitgescholden werden door de andere kinderen. Vanaf dat moment bezochten ze ’s zondags een evangelisatie-lokaaltje in Beerta, waar ene Molenkamp de godsdienst onderwees.

Hoe uitzonderlijk Antje en Geert ook waren, tegelijkertijd kreeg de opstandigheid die breed onder de Oldambster landarbeiderbevolking heerste ook vat op hun. Geert zong onder zijn werk wel eens een spotliedje op de boeren, ik neem aan als er geen boer in de buurt was. Ook bracht een boer eens vetbemodderde laarzen, zo van het land, weer terug naar de schoenmakerij, omdat hij er niet op vertrouwde dat ze goed gerepareerd waren. Antje weigerde ze schoon te maken, wat ze anders uit goeiigheid wel deed. Maar te ver kon dat natuurlijk niet gaan. Al had hij er een bloedhekel aan, Geert hielp de grote boerenklanten ’s zomers met koolzaaddorsen. Dat kon hij als kleine middenstander niet weigeren.

Na Oud en Nieuw kwamen de boeren altijd hun jaarrekeningen betalen in het mooie voorkamertje. Tenminste: de meeste boeren, want sommige bleven in gebreke. Toen Geeske, de oudste dochter van Geert en Antje, daar oud genoeg voor was, moest zij bij deze wanbetalers langs. Dat betekende kilometers lange kleiwegen aflopen, ploeterend door de bragel en tegen weer en wind. Zo kwam ze een keer doorweekt bij zo’n boer, die haar in de opening van de achterdeur vroeg: “Vertraauwt Perton oons nait meer? Kom volg’nde weke moar terug heur”.

Thuis, aan tafel bij het avondeten, bracht Geeske verslag uit van deze ervaring. Haar conclusie: “In oons haart bin’n wie allemoal communisten.”

“Stil toch mien wicht”, zei Geert. “Denk om oons affère.”