Bij de kerstboom in huize Perton

Mijn broertjes bij de kerstboom, anno 1969.

Mijn vader heeft die boom net opgetuigd met echte kaarsjes. Wat dat betreft waren we zo’n beetje de laatsten in de buurt. “Het licht is veel warmer”, vond mijn moeder. Er droop natuurlijk wel kaarsvet uit en daarvoor lagen de Meppeler Couranten op de vloer, die naderhand misschien ook dienst deden tegen de uitval van naalden, al ging de boom vlot na Nieuwjaar de deur uit. De emmer met bluswater staat er nog niet of blijft buiten beeld. Inderdaad is onze kerstboom een keer in de fik gevlogen, een jaar of wat later. Wat een consternatie gaf dat. Toen kwamen er alsnog elektrische lampjes. Dat het licht zo warm werd, was nou ook weer niet de bedoeling.

Verder biedt de foto een unieke blik op onze radio- en TV-hoek. Die TV, nog zwartwit, ging niet lang nadien haperen en als je hem dan aan de zijkant een beste klap gaf, functioneerde hij weer even. Deze handeling moest je op een avond steeds vaker herhalen. Boven de TV hangt de kalender van Pro Juventute (kinderbescherming) en op de beeldbuis staat het portret van mijn oma die op Sinterklaasdag 1962 overleed.  Onder de TV staat de radio, die in dit geval met wat bananenstekers achterin diende als versterker voor de pick-up. De naald staat vast op een draaiende grammofoonplaat met kerstliedjes. Rechts aan de wand drie ronde lijstjes met miniatuur-borduurwerkjes en op de voorgrond een ovalen salontafel met vergulde “kroeme poties” en in kunsthars gelegde brokken natuursteen (deels marmer). Aan dat loeizware ding, een hartewens van mijn moeder weet ik nog, kon je gemeen je schenen stoten. Er staan een brandewijnkom en een asbak op.

Mijn moeder wilde ons alle vier ook graag altijd even op de foto hebben. Dit was een van de zeer zeldzame keren in mijn leven dat ik een das omhad:

Advertenties

Kerstmis in Groningen, 1890

Schager Courant 25 december 1890.

Schager Courant 28 december 1890.

Meer over de barre winter van 1890.



Kerstmis was in achttiende eeuw nog niet zo bijzonder qua kerkbezoek

Op Kerstavond en Eerste Kerstdag zit de kerk tegenwoordig altijd vol, waar die op gewone zondagen door het jaar heen altijd maar matig bezocht wordt. Dat zal zijn effect hebben op de collecteopbrengsten, zou je zeggen. Ik weet niet hoe het nu zit – misschien is er een diaken onder mijn lezers die hierover uitsluitsel kan geven – maar in de achttiende eeuw waren de collecteopbrengsten bij Kerstvieringen nooit zo extreem hoog, vergeleken bij die op gewone zondagen. Dat bewijzen opbrengsten van de builcollecten op dagen dat er in 1770 gepreekt werd in de kerk van Noordbroek. Deze heb ik in onderstaande grafiekje verwerkt:

Op een gewone zondag kwam er gemiddeld 3,5 à 4 gulden binnen. Dat hing ook een beetje ervan af of er twee diensten waren of één. Wat betreft die gewone zondagen zie je een soort golfbeweging door het jaar heen: een stijgende lijn van januari tot in maart, daarna een langzame afname tot in oktober, waarna de golf weer oploopt. Dit zal samenhangen met het bezoek: in de eerste fase toenemend met het steeds betere weer, daarna landurig afnemend naarmate het werk op het land meer roept, en weer oplopend als dat werk in december stilligt.

Qua uitbijters zijn de laagste opbrengsten van proef- en passiepreken op doordeweekse avonden. Interessanter zijn dan de dagopbrengsten die er bovenuit steken. Dat betreft ten eerste die van Nieuwjaarsdag met 7 gulden: de dubbele opbrengst van een gewone zondag. De tweede piek hangt samen met de voorjaarsbiddag. Die vond weliswaar vier dagen eerder plaats dan de zondag met die piek, maar op de biddag werd, anders dan gewoonlijk, niet gepreekt, terwijl er dan anders ook altijd bijzonder hoge opbrengsten werden geboekt. Die Dank-Vast en Biddag was hèt charitatieve moment van het voorjaar. Ik neem dan ook aan dat veel Noordbroekster kerkgangers hun gift nog even vasthielden tot de eerstvolgende gelegenheid. Met Pasen (medio april) werden geen bijzonder hoge inkomsten genoteerd en dat gebeurde evenmin op Hemelvaartsdag. Wel is Pinksterzondag met ruim 6 gulden een uitbijter. Dan is er eind juli een hogere piek, die onverklaarbaar is – mogelijk heeft iemand wat extra geld in de buil gestort. Het piekje van begin september komt van de dankdag wegens  Groningens Ontzet, en de hoogste opbrengst van laatste maand is die van 16 december en juist niet van een Kerstdag. De ƒ 6,65 van de eerste dier dagen is niet extreem hoog vergeleken met de omringende dagopbrengsten en doet onder voor die van Nieuwjaarsdag en flink onder voor die van de voorjaarsbiddag. Qua collecte-opbrengsten en dus kerkbezoek was Kerstmis dus nog niet zo bijzonder.


Wat met Midwinter in een Groninger bakkerskorf zat

Vond een foto van een broodventster in Het Noorden in Woord en Beeld van 17 december 1926:

Zo ongeveer moet mijn overgrootmoeder erbij gelopen hebben, in Zuidhorn. Aardig is dat de bijbehorende conversatie ook het midwinterse assortiment in zo’n broodkorf weergeeft:

“Stoede? Kedetjes? Frizze olwieven? Mit krenten? ’n kwartje moar. Twaibakken? Kniepkoukjes en rollertjes veur neijoar?”

 


Zo’n meisje toch


Graffiti, Viaductstraat.


Vrij werk van Dirk Staf zweemt naar Cobra

In de Trouw van 4 februari 1971 staat de biografie van toen pas overleden Dirk Staf, die ik tevergeefs heb gezocht in de Meppeler Courant. Onze dorpspottenbakker waarvan ik een hekkentic overnam, bleek eerder overleden dan ik dacht en hij is niet erg oud geworden: slechts 50 jaar. Hij stierf in een verpleeghuis in Hoogeveen. Volgens het bericht bracht hij zijn jeugd door in België en Frankrijk en leerde hij zijn vak in Limoges en Sèvres, de stad van het serviesgoed. Naast potten, vazen en kommen maakte hij wandreliëfs voor openbare gebouwen en grootwinkels, met name in Duitsland. Ik meen dat ik daar wel eens eentje van gezien heb, o ja, deze:

De vormentaal zweemt naar Cobra.