Rondje Boerakker

Fazant op de Onlanderdijk, Onlanden:

Het Waal onder Roderwolde:

Boomsingel van eiken bij de Waalborg, Roderwolde:

Dezelfde boomsingel vanuit een andere hoek:

Gekandelaberde bomen bij de kerk van Roderwolde:

In blad schietende eiken, Foxwolde:

Lentevreugd, Foxwolde:

Overweldigend luchtje:

Schuur bij het Schilligepad tussen Tolbert en Boerakker:

Bij de Dijkweg nog geen bloeiende meidoorns. Ook geen buizerdnest dit jaar. Wel een nieuw slag rundvee in het natuurgebiedje:

Ik studeer voor koeienfotograaf:

Dodenherdenking op de Poffert:

Advertenties

Naam Harry is uit, ook in de VS

Terwijl de voornaam Harry in het Nederland van de jaren 50 nog won aan populariteit, was hij in de VS al aan een vrije val begonnen:

Trending zou hij nooit meer worden. Maar we koesteren de exclusiviteit.

Bron: How trending is your babyname?

 


Obergum – Stad

Haantje bij de kerk van Obergum:

Bemoste, beschadigde en onleesbaar geworden grafsteen achter de kerk van Obergum:

Gekandelaberde bomen, Bellingweer:

Veulen, Alingahuizem:

Haas in de zon, Hekkum:

Druistige paarden, Paddepoel:

Het ene moment jagen ze als gekken door hun weiland, een moment later grazen ze vredig zij aan zij:

Paddepoel, bij het crematorium:


Avondloeister

(Blaarkop bij Leegkerk.)


Een Rottumer predikant blikt terug

“Niet spoedig zal ik vergeten het uitzicht dat ik had van het kerkhof af in mijn eerste gemeente. ’t Lag op een hooge, oude terp, zooals zoovele dorpen in Groningen. En dan zag ik de wijde, vlakke velden, de groote boerderijen met de boomen rondom, de stoere zadeldaktorens van vele kerken, tot ver weg, en hoorde ik over die stille avondvelden de carillonklanken komen uit den ouden toren van Middelstum…”

Aldus ds. Marius Nicolaas Wisse Smit (1903-1980), later nogal een carrière-predikant, die in zijn jonge jaren echter drie jaar lang, van 1930 tot 1933, hervormd predikant was van de kleine gemeente Rottum en Stitswerd. Smit had voor zijn betrekking hier alleen gewerkt als hulppredikant van een evangelisatie in Emmen. Mogelijk waren de ervaringen daar van invloed op zijn Noord-Groninger waarnemingen. In elk geval schreef hij enkele jaren later een essay over zijn tijd in Groningen, waarin hij de verhouding tussen de Noord-Groningers en de hier ooit zo dominante hervormde kerk onderzoekt.

Allereerst komen in dat stuk enkele vooroordelen tegen de Noord-Groninger aan bod. Die was meestal kort van stof, bepaald niet geneigd tot lyriek, en wars van pluimstrijkerij. Met zijn geslotenheid beschermde hij zijn gevoeligheid. Zijn nuchterheid stond vooral voor zakelijkheid. Een Groninger was materialistisch en mocht zich graag verbeteren, ook qua gezag en macht. Van geld moest je in zijn ogen vooral meer geld zien te maken.

“Blijft een huishoudster ergens uit liefde, terwijl haar elders ƒ 150 meer per jaar wordt geboden, dan vindt het dorp dit wel mooi, maar eigenlijk vreemd en het zal zich in de vraag verdiepen of zij misschien een spaarbankboekje heeft. (…)

En bedankt een dominee voor een beroep naar een plaats, waar het traktement ƒ 1000 „dikker” is, dan gaat dit tegen den werkelijkheidszin, tegen de zakelijkheid van den Noord-Groninger in. Hij vindt het vanzelfsprekend dat ook een dominee „zich verbetert”, als hem daartoe de gelegenheid geboden wordt.”

Zakelijkheid, geldzucht en ambitie beheersten ook de onderlinge verhoudingen tussen boeren, arbeiders en middenstand, aldus ds. Smit. Enkele veelbesproken uitzonderlingen daargelaten, bestonden er geen affectieve banden tussen boeren en arbeiders. Zonder verklaarde partijgangers te zijn, stemden de arbeiders rood. De boer had ook liever cocksiaansche arbeiders aan het werk, want gereformeerden brachten nog eerbied op voor het gezag.

Maar deze voorkeur had niets te maken met een levensbeschouwelijk standpunt. Verreweg de meeste boeren gingen zelf niet meer naar de kerk, wat voor kerk dan ook. De dominee mocht heus wel bij ze op visite komen, maar absoluut niet op visitatie. Dan konden ze vrijblijvend meningen uitwisselen, zonder dat er een boodschap ter sprake kwam. Want

“…zoodra hij de boodschap hoort klinken, sluit hij zich af. Hij wil desnoods hooren wat de dominee over God denkt, beslist niet wat God over den Noord-Groninger boer denkt.”

Die boer bad niet meer. Hij voelde zich onafhankelijk. De kunstmest was zijn God. De kerk was in zijn ogen best wel  een nuttige instelling, maar voor anderen, die dat helemaal zelf moesten weten. Beter dat mensen de Bijbel lazen dan een revolver pakten. De boeren lieten hun kinderen al niet meer dopen, die gingen ook niet naar de catechisatie.

In de gemeenten rond Rottum en Stitswerd was er in die jaren onder de arbeiders al vrij veel bewuste onkerkelijkheid. Zo’n kwart van de mensen vulde bij de Volkstelling in dat ze nergens meer bij hoorden. Toch had de kerk bij zulke arbeiders nog een voet tussen de deur, als ze dominee tenminste een “nuvere kerel” vonden, wat afhing van zijn luisterbereidheid, en zijn neiging om ze, als ze tegenslag hadden, iets van hun pacht kwijt te schelden. Maar zulke arbeiders bonden zich verder niet. Het lag ze voorin de mond bestorven dat de kerk, net als Jezus, moest opkomen voor de armen en verdrukten. De kerk moest de boeren maar eens flink de waarheid zeggen. Zoals het er voorstond waren de boeren bezorgder voor hun paarden dan voor hun arbeiders.

Net zomin als de boer liet de arbeider zijn kinderen nog dopen. Als die naar catechisatie wilden, moesten ze dat zelf maar weten. Hij zou ze nergens toe dwingen, je wist vooraf ook niet met wie ze gingen trouwen. Maar als dominee op ziekenbezoek kwam, dan werd diens “meeleven” zeer op prijs gesteld. En bij begrafenissen van onkerkelijke arbeiders vroegen ze dominee ook nog steeds om te komen spreken.

“Al is ’t gesprek in ’t arbeidersgezin bewogener dan met de boerenfamilie: practisch leven ook zij niet kerkelijk mee en in hun critiek kastijden zij de kerk in hun gekrenkt vertrouwen. Eigenlijk is er onder deze arbeiders geen die van onze kerk nog werkelijk veel verwacht. Hun liefde en hun hoop hebben zij van haar afgetrokken en hun verwachting hebben zij gesteld op andere bewegingen.”

Onder de dorpsmiddenstand waren er relatief nog veel kerkgangers, maar ook nogal eens vanwege de klandizie van de kerk, die met de bijbehorende verenigingen, de zondagschool en de diaconie best veel te spenderen had. Zulke en meer bezielde middenstanders vormden dan met een deel van de arbeiders de meelevende gemeente.

En passant schetst Smit een beeld van hoe het er in Rottum qua kerkgang aan toeging:

“In dit onkerkelijke dorp, met pl.m. tweehonderddertig Hervormden, stond de kerk net even buiten het dorp. Zondags preekte ik dan voor gemiddeld vijf en dertig menschen. Een enkele avonddienst bracht zestig in het kerkgebouw, meerdere ochtend- en middagdiensten vijf en twintig. De mannen zaten links, de vrouwen rechts. Behalve de mannenbroeders uit den kerkeraad en één kerkvoogd, die vlak bij den preekstoel zaten, zaten er in de kerk nog vier mannen, door sterven tot twee teruggebracht, als trouwe kerkgangers aan de linkerzijde. De anderen waren vrouwen. Hun aller leeftijd was tusschen de veertig tot tachtig jaar. Als de jeugdige orgeltrapper zijn moeder niet verving, was er geen jeugd, tenzij er doopelingen waren.”

Stitswerd was veel kerkelijker dan Rottum. Verder wisselde het beeld in de omgeving nogal. In de meeste gemeenten kwam er weinig jeugd in de kerk, maar er waren ook gemeenten waar die jeugd nog steeds in de kerkbanken zat. Ouderen lieten geregeld verstek gaan wegens familiebezoek. In dorpen waar de onkerkelijkheid dominant was geworden, bleven mensen ook uit de kerk weg vanwege de spot die ze ten deel viel.

Bron: M.N.W. Smit, ‘Onder Noord-Groningers’ in: S.F.H.J Berkelbach van der Sprenkel e.a., Kerke-werk. Beschrijvingen van den arbeid der hervormde kerk in stad en land (Nijkerk 1938) 16-30.


De gebrandschilderde ramen van de WEEVA

Dankzij een tweet van Pauline Broekema ontdek ik dat ik een serie foto’s, gemaakt in 2007 van de gebrandschilderde ramen in het Martinihotel, hier nooit geplaatst heb. Tijd om dit alsnog te doen!

Oorspronkelijk stond op deze lokatie aan het Groninger Zuiderdiep de Volksgaarkeuken, een laag gebouw uit 1871. In 1930 werd dit gemoderniseerd en hernoemd tot het Woon- en Eethuis voor Allen, onder Groningers beter bekend onder zijn  afkorting WEEVA. Volgens een van de ruiten werden de ramen geplaatst bij het 70-jarige bestaan van deze “inrichting”. Dat jubileum zal slaan op de Volksgaarkeuken – de ramen dateren derhalve uit 1941. Verder is er heel weinig documentatie over te vinden, zelfs de maker is onbekend, iets wat mogelijk samenhangt met de tijd dat ze vervaardigd werden. Ze hebben als onderwerp de manier waarop voedsel tot stand komt en met een portie onwelwillendheid zou je kunnen zeggen dat er een bloed- en bodemgeest uit spreekt. Aan bod komen fruitteelt, akkerbouw, jacht en visserij – merkwaardigerwijze ontbreekt echter de veehouderij. Of zouden die ramen verdwenen zijn?

Fruit – appels plukken:

Fruit – het wegbrengen van appels:

Fruit – peren plukken:

Fruit – peren wegbrengen:

Fruit – druiven, perziken, appels en een enkele peer, schenkkan en kaas:

Hetzelfde fruit, nu met een pompoen en een ham:

Groente – kolen:

Groente – wortels:

Groente – kolen, wortels, prei, uien, tomaten en knoflook:

Akkerbouw – ploegen:

Akkerbouw – eggen:

Akkerbouw – zaaien:

Akkerbouw – zichten:

Akkerbouw – aardappels poten:

Akkerbouw – aardappels rooien:

Jacht:

Jacht – opvliegende eenden:

Jacht – gevogelte:

Jacht – edelherten:

Visserij:


Hoe Geert Perton soldaat werd

Onlangs werd ik op een middag naar de studiezaal geroepen, want meneer Wortelboer had iets voor me gevonden. Het bleek te gaan om het contract van plaatsvervanging dat mijn overgrootvader in 1886 afsloot.

Over die Geert Perton (1864-1949) heb ik hier al eens verteld dat hij zelf van de militaire dienstplicht vrijgesteld was wegens broederdienst, en dat hij als remplaçant de plaats innam van iemand die ingeloot was maar niet in dienst wilde. Ooit heb ik wel gezocht naar hun contract van plaatsvervanging, maar dat niet kunnen vinden. Je zoekt zoiets ook niet gauw bij een stad-Groninger notaris als de dominante contractpartner uit De Marne en de andere partner uit het Oldambt komt. Maar nu kwam het contract dus toch tevoorschijn, dankzij Wortelboer.

Wortelboer had bij zijn archiefonderzoek al veel van zulke contracten onder ogen gehad – volgens hem was het op zich niet zo héél bijzonder. Inderdaad bleken de bepalingen zo algemeen, dat de stadse notaris kon volstaan met een voorbedrukt formulier, waarop hij de benodigde gegevens handmatig invulde.

Omdat geen van beide contractpartners meerderjarig was, werden zij vertegenwoordigd door afgezanten van de ouderlijke macht. In het geval van Geerts vader was dat de zaakwaarnemer Jacob Wetsema uit Scheemda en wat betreft de boerenzoon Pieter Bouma uit Ulrum ging het om diens voogd, een boer uit Hornhuizen. Bemiddelaar Wetsema, oorspronkelijk uit Winsum, had een zuster in Ulrum wonen – zo was het contact waarschijnlijk ontstaan. Beide partijen kwamen dan overeen dat Geert, in de overeenkomst schoenmaker genoemd, als Pieters plaatsvervanger zou dienen door het vervullen van diens militaire dienstplicht. Hiermee verdiende Geert 350 gulden (anderhalf maal het jaarinkomen van een Oldambtster landarbeider), hem na zijn afzwaaien te voldoen op 1 mei 1889, dus ruim drie jaar na het ingaan van het contract. Opmerkelijk is nog, dat Geert deze overeenkomst tekende als G.E. Perton, terwijl hij officieel alleen als Geert Perton te boek stond. Blijkbaar was de vroegere gewoonte om zich met een patroniem (zoonvadernaam) aan te duiden, in zijn geval nogal hardnekkig.

Geerts astma vormde geen reden om hem medisch af te keuren. Ook vormde zijn strafblad geen beletsel. En dus verving hij de Ulrumer boerenzoon daadwerkelijk, en wel bij het eerste regiment veldartillerie, waarvan de kanonnen natuurlijk nog door paarden werden voortgetrokken. Later zou hij zich zijn Utrechtse diensttijd met genoegen herinneren: “’s Mörgns as deur’n opengong’ng frensd’n peerd’n aal”. In die herinnering manifesteerde zich de landarbeiderszoon, die hij was.

Inderdaad moet Geert zijn remplaçantenvergoeding op 1 mei 1889 hebben ontvangen. Drie weken later trouwde hij immers met Antje Tuin, mijn overgrootmoeder, waarna ze zich vestigden in Oostwold.

Bron:
RHC Groninger Archieven, Toegang 1869 (archief notaris R.A. Quintus, Groningen) inv.nr. 617, akte 1886-115 (22 april 1886).