De prijs van de Sint-Maartensgans 1630-1750

Prijs van de Sint-Maartensgand 1630-1750 blog

Tussen de los gepubliceerde bijlagen op Tijms’ boek over de Groninger graanprijzen (2000) zit ook een tabel over de gemiddelde prijs van de Sint-Maartensgans. Tijms construeerde deze tabel door de prijzen die hij aantrof in de rekeningen van het Geertruids- of Pepergasthuis, het Sint-Anna- en Jacobsgasthuis en het Armhuiszittend gasthuis, te middelen. In het Geertruidsgasthuis bijvoorbeeld, aten de maximaal 66 conventualen jaarlijks met Sint-Maarten dertien of veertien ganzen, wat neerkwam op minstens 0,2 gans per conventuaal. Na 1750 bleek het middelen van de betaalde prijzen helaas niet meer mogelijk, door het verdwijnen  van de ganzen uit de gasthuisrekeningen. Waarschijnlijk was dit een gevolg van het veel vromere en meer sobere gereformeerde regime na de omwenteling van 1748 – opeens werkte de associatie met een roomse praktijk tegen de Sint-Maartensgans.

Om de fluctuaties wat af te vlakken, heb ik een rode lijn met de voortschrijdende vijfjaarlijkse gemiddelden over de blauwe staafjes voor de gemiddelde jaarprijzen heen gelegd. In het begin van de periode liggen de prijzen nog laag, hetzij door veel aanbod, hetzij door een reformatorisch offensief tegen de Maartensgans, wellicht ook door beide factoren samen. Zo tussen 1640 en 1720 kon je een gans kopen voor een daalder à 2 gulden. Wel is de trend op lange termijn een iets dalende. Nadien zakt de prijs opnieuw: een effect van de Nadere Reformatie, vermoed ik. In 1737 waren de ganzen extreem duur, waarschijnlijk het gevolg van een virusziekte die het aanbod decimeerde. Reken je die uitbijter niet mee, dan lag de prijs van een Sint-Maartensgans tussen 1720 en 1750 ongeveer op een gulden à een daalder, ruim het dagloon van een vakbekwame scheepstimmerman.


Hoerehondjes

Het Noorden in Woord en Beeld 14 december 1934.

Op een pagina over het Groninger Museum in het onvolprezen fotoblad Het Noorden in Woord en Beeld, jaargang 1934, trof ik bovenstaande foto aan.

Hoewel ik het verhaal ook wel eens apocrief heb horen noemen door een niet nader aan te duiden museumpersoon, weet ik niet beter of zulke hondjes stonden in verre havens in de vensterbanken van prostituees. Als de hondjes naar binnen keken, was zo’n vrouw zeg maar bezet en als zij naar buiten keken, kon de passagierende zeeman er bij de deur belet gaan vragen. Of andersom, dat weet ik niet meer zo goed.

In elk geval nam menig zeeman zo’n setje hondjes mee naar huis, waar zijn niet vermoedende eega en huisvrouw deze souvenirs in de vensterbank plaatste. Blijkbaar waren ook ongetrouwde Groninger jongedames niet ongevoelig voor de charmes van de aardewerken beestjes, als we Het Noorden in Woord en Beeld mogen geloven..

Overigens gaat het eerder om King Charles Cavalier Spaniels, dan om Staffordshire Terriërs. Dat wou ik qua raszuiverheid nog wel even hebben gezegd.

Op een tentoonstelling over prostitutie, Noordelijk Scheevaartmuseum begin 2017.


Een kleine beschouwing over landarbeiderswoningen

Ewer

In Noord-Groningen valt een groot onderscheid waar te nemen tusschen de landarbeiders,

  1. die in de oude landarbeidershuisjes wonen, meest éénkamerwoningen;
  2. die in huisjes wonen van den woningbouw;
  3. die een plaatsje bezitten volgens de Landarbeiderswet.

Ad. a. De behuizing van de onder a. bedoelde categorie is minimaal. Via een klein gangetje komt men in het woonvertrek, een kamer van ongeveer 3 bij 4 meter. Hierin moet dan alles gebeuren: koken, poetsen, strijken, eten, slapen, enz. Voor slaapgelegenheid zijn twee bedsteden aanwezig met daar tusschen in een kast. Dikwijls zijn de bedsteden veel te kort, zoodat de menschen met opgetrokken beenen moeten liggen. In de eene bedstede slapen dan de ouders, in de andere de kinderen.

In het Oldambt gaat dat nog eenigszins, omdat daar de huishoudens hoogstens drie kinderen tellen. In Noord-West-Groningen is dat erger. Daar zijn de huishoudens over het algemeen grooter en slapen de meisjes meestal beneden in de tweede bedstede en de jongens op den open zolder. Deze zolder wordt tevens gebruikt voor het opbergen van turven, aardappelen en alle mogelijke andere dingen, die in een huishouden zoo al bewaard worden. Ventilatie en verlichting is er alleen door een klein dakraampje, indien dat tenminste aanwezig is.

In het Oldambt komt ook nog een speciaal type landarbeidershuisjes voor. Naast de woonkamer treft men daar dan nog een klein hokje aan onder het schuin afloopende dak. Dit wordt dan meestal ook als slaapruimte gebruikt. Dat deze ruimte koud en vochtig is en dat het dak doorgaans lekt, is wellicht overbodig om te vermelden. Ondanks dergelijke behuizing krijgt men zelfs daar een goeden indruk van de bewoning. Wat er aan huisraad aanwezig is, is over het algemeen goed verzorgd en onderhouden.

Ad. b. De behuizing van de landarbeiders, die een huisje betrekken van den woningbouw, is direct veel beter. Hier heeft men behalve een woonkeuken nog een zoogenaamde “goeie kamer” en een afzonderlijke slaapkamer. In de woonkeuken wordt gehuisd. Slechts zelden komt men in de „goeie kamer”. Naast de woonkeuken treft men veelal een schuur aan, waarin de regenbak staat met gootsteen en aanrecht. Deze schuur dient gewoonlijk tot bijkeuken en tot verblijfplaats van het aanwezige vee. In de schuur zelf bevindt zich een zolder met afgetimmerde slaapkamer.

Ad. c. De behuizing van de landarbeiders, die in zoogenaamde landarbeidersplaatsjes wonen, is ruimer en ook beter. Deze landarbeidersplaatsjes zijn de ideale woningen voor deze categorie arbeiders en omdat het meestal de meest vooruitstrevenden zijn, die zoo’n plaatsje bezitten, is de bewoning zelf er ook het best. En wanneer de bezitter nu maar geregeld werk heeft, gaat het hem, althans wat de bewoning betreft, goed. Voor de losse arbeiders is zoo’n eigen plaatsje vaak een zware dobber, omdat in de weken van werkloosheid de rente en aflossing niet kan worden opgebracht. Voor de vaste en los-vaste landarbeiders levert dit over het algemeen geen bezwaar op.

Bevindingen van een onderzoek door het maatschappelijk werk, weliswaar uitgevoerd in de oorlog, maar zo te zien onbesmet. Frappant is dat landarbeidersgezinnen in Noordwest-Groningen groter zouden zijn dan die in het Oldambt: ik denk dan meteen aan de tegenstelling orthodox x ontkerstend. Eveneens opmerkelijk is dat de families die in een huis van een woningbouwcorporatie of gemeente woonden, een kamer reserveerden als ‘goeie kamer’ en gewoonlijk verbleven in de dagelijkse woonkeuken. De elite onder de landarbeiders had, naast vast werk, een eigen plaatsje met een lapje grond.

Bron: Theodorus Johannes Platenburg, Landarbeiders (1943).


Kameraad Stalin gefeliciteerd voor zijn zestigste verjaardag vanuit Finsterwolde

„Stalin veel geluk. Leider van het proletariaat. Naar het communisme! Onverschrokken generaal tegen de contrarevolutie! Bevrijder van het Finse volk!

H. SCHWERTMAN,
Finsterwolde.”

Bij zijn zestigste verjaardag, begin 1940, bereikten Stalin, de leider van communistisch Rusland, niet alleen de felicitaties van Hitler en Von Ribbentrop, met wie hij net een niet-aanvalsverdrag had gesloten. In het Volksdagblad van de CPN stond bovenstaande gelukwens van Hindrik Schwertman uit Finsterwolde.

Schwertman was daar voor de oorlog al prominent communist, na de oorlog werd hij er opnieuw gemeenteraadslid en tussendoor, toen Stalin en Hitler geen vriendjes meer waren, zat hij onder andere gevangen in het beruchte concentratiekamp Buchenwald.

Toch curieus, om zoiets tegen te komen.

Bron


Groninger bevolkingsregisters op het web

De Groninger bevolkingsregisters, voor zover aanwezig bij de Groninger Archieven, zijn van de week als scans op Alle Groningers gezet. Je hoeft nu niet meer met microfiches op de studiezaal in de weer te gaan (wat vooral tijd vreet als de indexen bij een gemeente in zijn geheel of voor een periode ontbreken), maar kunt de registers als het ware doorbladeren op je computerscherm, wat aanzienlijk sneller gaat dan met fiches.

Via die bevolkingsregisters kan je precieze woonplaatsen opzoeken, wat vooral van pas komt bij veel verhuizende types. Zelf nam ik de proef op de som met twee van mijn overgrootvaders. Beiden waren ze schoenmaker, maar waar hadden ze dat ambacht geleerd? – bij geen van beiden was me dat bekend.

De jongste, Hindrik Vondeling (1867 Termunten) heet al schoenmaker als hij in 1895 te Zuidhorn trouwt. Tussen Termunten en Zuidhorn ligt nogal wat ruimte, maar waar had hij zijn kennis opgedaan? In het dienstboden- en knechtenregister van Zuidhorn over de jaren 1880 en 1890 staat zijn naam niet – hij moet dus elders schoenmakersgezel zijn geweest. Zijn vrouw Grietje van der Velde staat er trouwens evenmin in. Ze waren dus vlak voor hun huwelijk van elders gekomen. Maar dat was niet haar geboorteplaats Marum, want ook daar ontbreekt ieder spoor in het dienstbodenregister.

Helaas is dat eveneens het geval in Termunten, Hindriks plaats van herkomst. In de algemene bevolkingsregisters (met aparte indexen) over de jaren 1870 en 1880 zien we dat hij dan nog thuis woont, bij zijn ouders Jan Vondeling en Trientje Bottinga. Dat is niet meer het geval in 1890, maar zijn naam blijkt ook afwezig in de Termunter dienstbodenregisters over de jaren 1880 en 1890. In dit geval loopt het spoor voorlopig dus dood, al kunnen we de meest voor de hand liggende mogelijkheden nu wel uitsluiten.

Dan de oudste van beide schoenmakers: Geert Perton (Finsterwolde 1864). In 1880 woont hij nog in bij zijn ouders Elzo Perton en Geeske Boog op het adres D 74 (later omgenummerd tot D 89) in Finsterwolde en heeft dus anders dan andere landarbeidersjongens (zoals zijn oudere broers) geen kost- en werkbaas waar hij bij inwoonde en werkte. Wellicht deed hij nog los werk. Op 1 augustus 1881 vertrok hij volgens het Finsterwolmer bevolkingsregister naar de naastgelegen gemeente Beerta, waar hij afgaand op het Beertster bevolkingsregister inwoonde bij een Adolf Tuin te Drieborg. Dit was inderdaad een schoenmaker. Sterker nog: het ging on de oom van Geert latere vrouw Antje Tuin! Behalve zijn ambacht, zal Geert hier dus kennis hebben gekregen aan zijn vrouw. Desondanks, of misschien wel juist om die reden, vertrok hij na nog geen jaar alweer naar een andere schoenmakerij, die van de gebroeders Roelf en Thomas Elles Jonker op het adres C 75 in Finsterwolde. Toen hij hier een jaar of drie had gewoond en gewerkt, werd hij remplaçant en vervulde hij de militaire dienst voor een boerenzoon uit Ulrum. Op 26 mei 1888 was hij afgezwaaid en vestigde hij zich als dienstbode bij de winkeliersfamilie Boneschans op de Ekamp bij Oostwold, terwijl hij een jaar later, inmiddels volwas schoenmaker zijnde, in het gemeentehuis van Finsterwolde trouwde en zich met zijn vrouw Antje Tuin vestigde in de dorpskom van Oostwold. Hier werden mijn grootvader en diens oudste zuster geboren. Maar het gezin heeft er maar vier jaar gewoond, want eind maart – begin april 1893 betrok het de nieuw gebouwde schoenmakerswoning aan de Klinkerweg in Finsterwolde.

In het ene geval zijn via de bevolkingsregisters iemands gangen dus op de voet na te gaan, terwijl dat in het andere niet zo goed mogelijk blijkt. Dat ligt vooral aan de kwaliteit van de registratie. Bovendien blijken de systematiek en periodisering van de bevolkingsregisters van gemeente tot gemeente ook nogal eens te verschillen: hier hebben de dienstbodenregisters bijvoorbeeld een alfabetische opzet, terwijl dat elders een chronologische is. Het is in principe dus een mooie bron, maar lang niet in alle gevallen even rijk. Bovendien zouden door een koppeling met het kadaster de letter-nummeradressen eens wat inzichtelijker gemaakt moeten worden. Misschien een aardig karwei voor historische verenigingen, die zo tegelijkertijd een mooi inzicht kunnen krijgen in de woningvoorraad en bevolkingsontwikkeling van hun dorpen, vooral wat betreft de negentiende eeuw.


“Hou je bek!” Of – eerbied voor grijze haren is er niet meer bij, nu ik ze zelf heb.

Naar schatting is hij een jaar of dertien, veertien. Hij heeft in elk geval de baard nog niet in de keel en zit nog op de grootste maat kinderfiets.

Al eens eerder doemde hij ’s morgens op de Ruskenveensebrug plotseling vlak naast me op en dwingt me dan opzij. Kennelijk heel leergierig, met zo’n haast om naar school te komen. Nou is die planken fietsbrug een jaar of wat geleden wel wat breder gemaakt, maar niet zo breed dat fietsers elkaar heel gemakkelijk kunnen passeren: je moet er heel alert zijn, want je zit er zo op elkaar, zelfs als het om een tegenligger gaat die je van ver al ziet aankomen.

Ik schrok me dus niet voor het eerst een hoedje toen die jongen vlak naast me opdook en riep hem, toen hij gepasseerd was, op mijn gemoedelijkst achterna: “Kan je niet even bellen, mienjong?” Zijn antwoord: “Hou je bek!” Hij sprintte uit zicht, maar toen ik hem nog toeriep dat hij er de volgende keer niet zo gemakkelijk langs zou komen, was dat nog eens het antwoord: “Hou je bek!”

Eerbied voor grijze haren is er niet meer bij, nu ik ze zelf heb. “Hou je bek!” Zou zijn vader misschien een van die wielrenners zijn, die me een keer op het Hoendiep schreeuwend inhaalde en me hetzelfde toevoegde toen ik hem vroeg of hij niet eens een fietsbel kon nemen?

Of nee, ik denk niet dat dit joch een opvoedende vader heeft. Die zou hem dat wel afleren, toch? Volgens mij is dit eerder een zoontje van een alleenstaande moeder die zulks regelmatig mag horen als meneer iets niet zint. En die dat dan steeds over haar kant moet laten gaan, de arme vrouw.


Hoe de evacués uit Roermond werden opgevangen in Stadskanaal

In een cahier met de getekende oorlogsdagboeken van landschapsarchitect Geke Hollema (1919-1991) zit een soort strip opgevouwen, over de opvang van Roermondse evacué’s in Stadskanaal, op 26 en 27 januari 1945. Hollema was daarbij, waarschijnlijk als chauffeur van een ploeg verpleegsters uit Veendam. Hier volgt zijn strip:


De ploeg moest urenlang blauwbekken voordat het vervoer naar Stadskanaal arriveerde:

De 600 Roermondenaren deden de reis per goederentrein, destijds een hachelijke onderneming met alle geallieerde jachtvliegtuigen in de lucht. Het uitladen van 600 Roermondenaren in Stadskanaal, die avond, bij 18 graden vorst:

De Veendammer verpleegsters konden meteen aan de slag met het ontdooien van voeten en het verzorgen van vrieswondjes:

Een auto voor de aanvoer van opgerolde slaapmatjes (?) weigerde dienst op de gladde weg:

Dus sliep de ploeg uit Veendam op stro:

De volgende ochtend maakte de ploeg een ontbijt voor de geëvacuueerden, en verschoonde ze baby’s:

Met de auto ging het weer op huis aan:

Zoef:

Bron