Op de boeldag van mijn betovergrootmoeder

In mei 1908 overleed mijn betovergrootvader Elzo Perton. Zijn weduwe, mijn betovergrootmoeder Geeske Boog, volgde hem twee jaar later in het graf. In de tussentijd was ze in hun huisje aan de Klinkerweg te Finsterwolde blijven wonen, zoals blijkt uit het financieel verslag van de boeldag, dat in het notarieel archief bewaard bleef en dat een lijst bevat van alle kavels, de hoogste bieders en hun herkomst.

Op die boeldag, begin september 1910, kwamen slechts 58 kavels onder de hamer, terwijl er 34 hoogste bieders genoteerd staan. Op één na waren die personen allemaal man, wellicht omdat die van de notaris qua betaling moesten instaan voor hun (handelingsonbekwame) vrouwen. Een hoogste bieder sleepte gemiddeld dus nog geen twee items in de wacht. Geen enkele hoogste bieder kocht meer dan een handvol items, de meesten stelden zich tevreden met één of twee. Zo te zien waren er dus geen opkopers aanwezig.

Van de 34 hoogste bieders kwamen er 28 uit Finsterwolde en 5 van de Ekamp, dat vlak om de hoek van de Klinkerweg ligt en deels onder de gemeente Finsterwolde viel. De enige persoon die van wat grotere afstand moest komen, was de jonge joodse koopman Henri of Henrij Slager, die later met zijn vrouw Naatje vergast werd in Auschwitz. De inboedelveiling van mijn betovergrootmoeder was, kortom, van zéér lokaal belang – de plaatselijke veilingmeester vond het ook niet de moeite waard, deze in de Winschoter Courant aan te kondigen. Onder de aanwezigen vallen bovendien de namen van verschillend buurmannen op, zoals die van de dan 53 jaar oude anarchistische landarbeider Harm Harms Tuin, alias Harm Boukje. Hij woonde wat hogerop aan de Klinkerweg tussen Geeskes beide zoons in. Qua leeftijd viel hij nauwelijks uit de toon bij de aanwezigen, die gemiddeld ongeveer 50 jaar oud waren (de jongsten liepen zo’n beetje tegen de 30).

Die leeftijden checkte ik aan de hand van Alle Groningers, evenals de beroepen van de hoogste bieders:

arbeider / dagloner 17
timmerman 5
wagenaar / voerman / vrachtrijder / bode 3
schippersvrouw 1
visventer 1
schoenmaker 1
koopman 1
landbouwer 1
? / onbekend 4

Voor zover bekend, ging het in meerderheid dus om dagloners en arbeiders, en verder betrof het veelal kleine middenstand. Die ene boer was de uitzondering die de regel bevestigde.

De spullen die op de boeldag werden geveild, laten zich indelen in acht groepen:

  • Verwarming (2 kachels waaronder 1 kookkachel die als enige item werd gekocht door de joodse koopman, turf, tang, (turf-)bak en minstens 5 stoven);
  • Wasgerei (o.a. aker, tobbe, balie);
  • Kookgerei (pan, 2 x ketel, pot);
  • Drinkgerei (lampje oftewel theelichtje, een theepot, allerlei kopjes en schoteltjes, glasgoed, koffiemolen, koffiepot, dienblad, watervat);
  • Slaapgerei (3 bedden, 4 kussens, 3 dekens);
  • Zitgelegenheid (5 stoelen, armstoel, tafel);
  • Wand – en bergmeubels (klok, kabinet met beide kommen erop, commode);
  • Landbouw/tuingereeedschap (2 x schop, hark, schoffel, vork, krouwel, boor, snit?, zeis, 2x kruiwagen, kooi).

Het aantal stoven en de turfvoorraad in deze tijd van het jaar doen vermoeden dat Geeske wat kouwelijk was aangelegd. De vijf stoelen corresponderen met de grootte van haar vroegere gezin (met man en drie zoons), terwijl het landbouw- en tuingereeedschap herinnert aan het beroep van wijlen haar man Elzo Perton, die landarbeider of dagloner was.

In totaal bracht Geeskes boedel ƒ 78,85 op, niet veel. De duurste spullen bleken:

Kavel Hoogste bod Hoogste bieder
Klok ƒ 9,- Aiko Perton voor zijn zoon Elzo
Turf ƒ 8,50 Aiko Perton
Kabinet ƒ 7,- Pieter Ottes Kuiper
Bed ƒ 6,50 Hanno Speelman
Commode ƒ 3,50 Klaas Alles
Bed ƒ 2,80 Anno Speelman
Bed ƒ 2,60 Roelf Ahlers
Kruiwagen ƒ 2,40 Geert Perton

Opmerkelijk was, dat Geeskes beide in Finsterwolde woonachtige zoons op haar boeldag meeboden. Zoals gezegd, woonden zij vlakbij haar aan de Klinkerweg. Aico, een timmerman, kocht naast de klok de turfvoorraad van zijn moeder, haar koffiepot en een stoof. Die klok bracht meer op dan het kabinet en het duurste bed, mogelijk zat er een affectieve waarde aan vast – Aico kocht dat stuk immers voor zijn oudste zoon, die hij naar zijn vader genoemd had – al kan die klok ook het pronkstuk van het huis geweest zijn. De schoenmaker Geert Perton, mijn overgrootvader, bood het hoogst op de betere kruiwagen, de tafel, de koffiemolen en glaswerk. De koffiemolen zou later wel eens naar mijn grootvader gegaan kunnen zijn, en zo ja, dan heb ik hem nu.

Dat Geeskes beide zoons meeboden en zulke blijkbaar begerenswaardige objecten niet bij voorbaat aan de veiling onttrokken, zal gelegen hebben aan het feit dat hun broer Freerk in Amerika recht had op een derde deel van de opbrengst. Het moest er dan natuurlijk wel eerlijk aan toegaan.

Maar is dat ook gebeurd? De lijst met kavels lijkt een redelijk complete landarbeidersinboedel te omvatten, maar toch missen er dingen. En dan doel ik niet op boeken, muziekinstrumenten en spelletjes – aan dergelijke luxe deden arbeiders destijds nog niet, al hadden ze soms wel een bijbel of testament in huis, maar die ontbraken hier ook. Opsmuk aan de wanden kwam er evenmin onder de hamer – die hoeft er dus niet geweest te zijn, maar zou sowieso niet veel hebben voorgesteld. Wat wèl echt ontbrak waren borden en bestek – mogelijk waren die voorwerpen onderhands overgenomen door een zoon, misschien ook wel omdat Geeske haar warme eten in het huis van die zoon kreeg. Tevens ontbraken Geeskes kleding en mogelijk wat eenvoudige sieraden bij de kavels. Zulke ‘lijfstoebehoren’ werden vanouds echter altijd apart gehouden op boedelinventarissen en zullen aan de schoondochters gegeven zijn.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 110 (archief notaris A.H. Koning, Finsterwolde) inv.nr. 134, akte nr. 193: proces-verbaal van veiling d.d. 6 september 1910.

Advertenties

Onlander ommetje

In de buurt van Eiteweert – zwanebloem:

Aangevreten zuring:

Wilgenroosje:

Wederik:

Pluizende distels en helaas geen puttertje te zien:

Wederik en kattenstaarten:

Gehavende bloedrode heidelibel aan de Onlanderdijk – ik vermoed dat kokmeeuwen erop jagen:

Herkauwende witte koeien bij Roderwolde:

Rijpende rogge, Roderwolde:

Achter Foxwolde stond in een weiland een stel pinken met allemaal stippen en vegen van klei op hun koppen. Vroeg me af waarom die stippen niet elders op hun lijven zaten, maar bedacht dat ze daar wel zullen zijn weggelikt. Rest nog de vraag hoe ze aan die stippen en vegen kwamen:

Hooiwerkzaamheden bij Lettelbert:

Noordkant A7 bij Lettelbert:


Rondje Stad

Voormalig videopaviljoen en dito bushalte op het Emmaplein – doordat een boom ernaast is gekapt, komt de belettering hier nu veel beter uit de verf:

Topgevel voormalige Scheepshypotheekbank, Zuiderdiep nz. bij de Munnekeholm:

Noordoosthoek Grote Markt – Sint Maarten en de bedelaar in baksteen:

Brievenbus Martinikerk:

Werkzaamheden Herestraat:

Wat dichterbij:

De baas van restaurant  de Oude Brandweer nam een scooter in bedrijfsrood:

Werkzaamheden bij het Groninger Museum: hij voelde zich al die tijd al wat op de vingers gekeken (leeuw voert wapen Ripperda in zijn schild):


Hier in de buurt

Rijkswaterstaat geeft het goede voorbeeld voor de bestrijding van exoten bij de oprit naar de A7, Hoogkerk-Zuid:

Volkstuintje bij de Zuiderweg, Hoogkerk:

De oorspronkelijk uit de zeventiende eeuw stammende boerderij Lingenhuis aan het eind van de Peizerweg stort steeds verder in:

Ik heb nooit gezegd dat een exoot niet mooi kan zijn – bereklauw bij de hoek Campinglaan-Peizerweg op het terrein van een voormalige kwekerij:


Uitgevlakt landschap

In 1981 waren ze er nog, de stukjes Oostwolderpolderdijk achter Finsterwolde, waarop eerder een voetpad lag. Ze staken zo’n anderhalf, twee meter boven het omringende landschap uit:

In 1982 waren ze er niet meer. Ze werden verwijderd zonder dat er een haan naar kraaide. Vermoedelijk maakte een ruilverkaveling er een eind aan:

Jammer dat ze verdwenen zijn. Een polder zonder dijk is als een veenkolonie zonder vaart – de ziel is eruit.


Moord in de universiteitsbibliotheek? (III)

Het raadsel van de dode in de kelder van de universiteitsbibliotheek is opgelost. Het archief van de Groninger officier van justitie gaf eindelijk antwoord op de vraag of het moord dan wel zelfmoord was.

Op 7 september 1911 ontving die officier een schrijven van de commissaris van politie hier ter stede, met een kort bericht over de “zelfmoordenaar E. Schut”. Een dag later kreeg de officier bovendien een nog wat uitgebreider proces-verbaal van de commissaris. Helaas zijn deze stukken zelf niet bewaard. Wel is uit de agenda op de correspondentie van de officier op te maken, dat hij intussen al toestemming had gegeven voor Schuts begrafenis.

Een bron waar ik te laat aan gedacht heb, zijn de overlijdensbriefjes die voor de gemeente Groningen bewaard zijn gebleven. Deze geven doodsoorzaken op. Het briefje van Schut staat bovenaan dit stukje. De lijkschouwer noteerde:

“Zelfmoord door pistoolschoten”.

Daarmee is het raadsel wel opgelost, dat opgeworpen werd door de krantenstukjes over de dood van Schut. Waarom die berichtjes de aanwezigheid van zijn wapen niet noemden, blijft gissen. In andere gevallen gaven kranten wel degelijk ruchtbaarheid aan zelfmoord, ook in plaatselijke berichtjes, zoals bijvoorbeeld blijkt uit de jaargang 1911 van het Nieuwsblad van het Noorden. Suïcide lag publicitair nog niet zo in de taboesfeer als wel eens gedacht wordt.

Het motief van Schut is onbekend. Maar iets daarvan schemert door zijn turbulente levensverhaal heen. Bij zijn huwelijk (1897) en de geboorte van zijn twee kinderen (1898, 1899) bleek Schut nog politieman. Nu was dat een ambt voor het leven, extra aantrekkelijk vanwege het daaraan verbonden pensioen. Zo’n baan verliet men node.

Schut bleek zelfs rechercheur te zijn geweest, maar werd rond 1900 “wegens drift” ontslagen. Kennelijk was hij zijn boekje te buiten gegaan. Drie jaar later werkte hij zich helemaal in de nesten. Hij was toen stalknecht en koetsier bij de Dresseerschool aan de Korreweg, en beschoot na een hoogoplopende ruzie onverhoeds zijn werkgever daar, die hij in diens rug en arm raakte. In de veronderstelling dat hij zijn baas vermoord had, deed Schut nog een beste greep in de kas en nam toen de vlucht, maar werd op het nippertje in Nieuweschans aangehouden, waarbij een marechaussee hem de revolver, waarin nog vier patronen zaten, uit zijn handen wist te wringen.

Overigens had Schut bij die aanhouding nog 45 losse patronen op zak. Wegens poging tot moord en verduistering werd er naderhand zes jaar tegen hem geëist. De rechter maakte daar drie jaar van.

Elzo Schut was dus nog maar kort op vrije voeten, toen hij op 16 oktober 1906 – misschien op voorspraak van een reclasseringsvereniging – als tijdelijk bediende bij de UB in dienst trad. Net als in de Dresseerschool moet hij zijn functie hier als een afgang hebben ervaren. En getuige het jaarverslag, moet ook hier zijn drift hem parten hebben gespeeld – dat was waarschijnlijk het voornaamste gebrek, waar bibliothecaris Roos op zinspeelde.

Met dank aan alle mensen die reageerden met tips en zodoende meehielpen bij het zoeken!

Bronnen, naast de gelinkte:

  • RHC Groninger Archieven, Toegang 897 (archief Officier van Justitie) inv.nr. 22 (Agenda op de correspondentie) volgnr. 585;
  • Idem, Toegang 1399 (archief gemeentebestuur) inv.nr. 11143 (overlijdensbriefjes 1911) en dan nr. 896: het briefje d.d. 6 september over Schut.
  • Kees van Straten, ‘De dresseerschool van Groningen’, Stad & Lande 2016-4, 38-41, in het bijzonder 40.

Moord in de Universiteitsbibliotheek? (II)

Dat was een tamelijk mismoedig stemmende exercitie, vanmiddag. Elzo Schut, de bediende van de Universiteitsbibliotheek die in de vroege ochtend van 4 september 1911 bewusteloos en met twee schotwonden in zijn hoofd in de UB-kelder werd aangetroffen, komt nauwelijks in de bronnen voor.

In de studentenalmanakken van 1912 en 1911 zag ik hem niet bij de UB-bedienden staan. Deze jaarboekjes bevatten tittel noch jota over het geval. Ook stond Schut niet op de loonlijst van het vaste personeel – oftewel de ambtenaren van de Rijksuniversiteit – en evenmin komt hij voor in correspondentie van de UB zelf of de Curatoren (RuG-bestuur). Het enige wat ik vond is een stukje tekst in het jaarverslag van de UB over de “cursus” (= het studiejaar) 1910/1911. A.G. Roos, de de toenmalige UB-bibliothecaris, schreef daarin onder het kopje ‘Personeel’:

“Den 6en september 1911 overleed de tijdelijk aangestelde bediende E. Schut die sinds 16 October 1906 aan de Bibliotheek was verbonden. Ondanks zijn gebreken konden de ijver en nauwgezetheid, die hij bij zijn werk in de bibliotheek steeds aan den dag legde, slechts mijn tevredenheid wegdragen.”

Die gebreken konden gezien de lofwaardige plichtsbetrachting louter karakterfouten zijn. Maar belangrijker: ook hier is geen sprake van moord, zodat het er steeds meer op begint te lijken dat het toch om een suïcide ging.

Dat positief te bewijzen, valt echter niet mee. Het archief van de politie over deze periode is helaas spoorloos verdwenen. De dagrapporten van de politie voor de burgemeester zijn er over deze periode ook al niet meer. Maar hopelijk word ik morgen nog wel iets wijzer door stukken van de officier van justitie.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 1777 (archief Universiteitsbibliotheek) inv.nr. 5: A.G. Roos, Verslag omtrent de Universitaire bibliotheken, cursus 1910/1911.