Vrouw belaagt lantaarnopsteker

Kennelijk kreeg Aduard eind 1810 zijn eerste straatverlichting. De koopman Hendrik Jans Kremer vertelde kort nadien immers dat hij belast was

met het ansteken der lantaarns, nu onlangs te Aduart gezet.

Het ging om een bijbaan – op dat moment zullen er op hooguit enkele strategische punten langs de hoofdstraat van het dorp olielantaarns hebben gestaan, die meestal vanzelf uitgingen. De lantaarnopsteker moest zorgen voor voldoende raapolie in de lantaarns en omtrent zonsondergang ook de pitten aansteken, waarvoor hij met een ladder rondsjouwde. Helemaal zonder gevaar was dat werk niet. Zo vertelde Kremer dat hij op 29 december

bezig zijnde om de lamp te vullen in het lantaarn, staande bij de behuyzinge van Jan Klasens te Aduart, was angevallen onder veel schelden en dreygementen door de vrouw van dezelve Jan Klasen, die hem, terwijl hij nog op de ladder stond, een slag met een stok had toegebragt, en dat hij, naer beneden gaande, nog een slag had gekregen.

Eenmaal beneden probeerde Kremer met zijn ladder de stokslagen van de woedende vrouw af te weren, maar dat had je reinste slapstick tot gevolg, want de vrouw begon te trekken aan het andere uiteind van de ladder en “om alle verdere dadelijkheden te vermijden” had Kremer zijn ladder aan haar moeten overlaten. Deze nam ze eerst mee naar haar huis. Blijkbaar vertelde iemand haar, dat dit niet kon en ook strafbaar was en dus bracht ze die ladder naderhand naar de lantaarnopsteker terug.

Intussen had Kremer de vrouw al aangeklaagd bij het gerecht van het Westerkwartier in het naburige Zuidhorn. Hij vroeg “reparatie tegens de laesie hem klager hierover aangedaan”, zulks ook

tot conservatie van de rust en algemene veyligheid.

De drost maakte er een snelrechtzaakje van, dat hij agendeerde voor de eerste week van het nieuwe jaar. In die zitting liet de vrouw van Jan Klasens geen verstek gaan. Zij ontkende het akkefietje niet en gaf ook redenen voor haar “rustverstorend gedrag”, maar in de ogen van drost waren die onvoldoende. Daarom hoopte zij van haar kant op diens clementie als ze wat “mogt hebben misdreven”.

De drost

inagtnemende dat diergelijke verregaande baldadigheden niet ongestraft kunnen worden toegelaten, sonder de algemene veyligheid en order in gevaar te brengen, bijsonder te Aduart, waar diergelijke rustverstorende daaden meer dan op andere plaatsen worden gepleegt,

veroordeelde haar tot het betalen van maar liefst 6 ducatons (bijna 20 gulden) aan de diaconie van Aduard en 6 daalders (9 gulden) aan de gebelgde lantaarnopsteker, waarmee dan de beledigingen aan diens adres zouden zijn goedgemaakt. Binnen acht dagen moest ze de kwitanties voor beide betalingen tonen aan de wedman van Aduard. Bleef ze in gebreke, dan werd ze gestraft met acht dagen op water en brood in de toren van Midwolde, de gebruikelijke opbergplaats voor vandalen, vechtersbazen, kruimeldieven en andere kleine criminelen in het Westerkwartier. Ook kwamen de kosten van ‘t geding voor haar rekening,

wordende eindelijk aan de klager en de beklaagde gerecommandeert, om in het toekomstige zich voor alle anleiding tot ongenoegen sig sorgvuldig te wagten, zullende alle verdere overtreding der order rigoureuslijk worden gestraft.

Deze waarschuwng gold dus uitdrukkelijk ook voor de lantaarnopsteker, die door de drost blijkbaar niet helemaal vrij werd geacht van het gebeurde.

Wat nu eigenlijk de aanleiding was voor het hevige ongenoegen van de vrouw, blijft bij dit alles in het ongewisse. Misschien stoorde het haar, dat Kremer haar huis in gluurde?

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (jurisdictie Westerkwartier) inv.nr. 611: criminalia, maandag 7 louwmaand (januari) 1811.

Advertenties

‘Gewone jodeneed’

Als de fiscaal (aanklager) van de jurisdictie Westerkwartier eind 1804 Simon Benjamins uit Ezinge oproept om een verklaring onder ede af te komen leggen, blijkt dat Simon niet de gebruikelijke landrechtelijke eed zweert, “maar den gewonen Jodeneed”. Deze eed was zo gewoon, dat ik hem nog nooit eerder in een rechterlijk archief ben tegengekomen – noch in dat van de stad, noch in die van het Oldambt, Delfzijl, Oosterdeel-Langewold en Drenthe. Hier volgt het curiosum:

Gij zweert bij den levendigen God, die den Hemel en de Aarde geschapen heeft, dat Gij de waarheid (zo veel Gij weet) in de zaak, waarnaar de Fiscaal dezer Jurisdictie r[atione] o[fficii] onderzoek doet, zeggen zult, en generlei valsch bedrog of onwaarheid daar in gebruiken ofte inmengen; en zo Gij onrecht zweert, dat Gij eeuwig vermaledijd en vervloekt zijt, en U zal verteren het vuur dat Sodoma en Gomorra overging, en alle vloek in de Thora en de Wet geschreven, U overkomen, ook U de Aarde insluiten gelijk Dathan en Abiram, ja dat ook Uwe vrouw en weduwe en Uwe kinderen wezen worden. – Alzo helpe des alles en jeder de ware God Adonai.

Amen.

Bron: RHC Groninger Archieven 735 (jurisdictie Westerkwartier) inv.nr. 610 (criminalia) woensdag 14 november 1804.


Baldadige jeugd eeuwig probleem

Woensdag den 21 wintermaand 1809
De anklagte van het Gemeente Bestuur van Ezinge, houdende kennisgeving van de verregaande baldadigheden door jongens aldaar bij de straat wordende gepleegt, en ’t aldaar plaats hebbend dobbelen en spelen, is gestelt in handen…” [van de fiscaal].

Of die fiscaal (aanklager) er veel mee heeft gedaan, is de vraag. Verder horen we niets meer over deze klacht..

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (gerechten Westerkwartier) inv.nr. 611, criminalia.


Debitum conjugale

Grietje Riemts uit Zuidhorn was vijf weken getrouwd met Jan Jurjens, maar of alles koek en ei was in deze wittebroodsweken, mag je betwijfelen. Op 27 mei 1810 vertelde Grietje bij de drost van het Westerkwartier dat ze

thans wel wenschte dezen echt wederom te hebben verbroken om redenen dat gem[elde] haren man buiten staat is het debitum conjugale te vervullen…

De man kon dus niet aan zijn huwelijkse plichten voldoen, daarom wilde ze van hem af. Ze zou hierover “de volledigste opening” geven in een hoorzitting, die wat haar betreft het doel had ”den band des huwelijks” tussen haar en Jan Jurjens te verbreken.

De drost vroeg Jan om zijn kijk op de zaak. In de hoorzitting lichtte Jan die visie toe en beloofde hij dat hij

zich door de stads physicus betreklijk zijne lighamelijke gesteltenis, om behoorlijke conjugale ommegang bij een vrouw te kunnen hebben en zijn manlijk vermogen daartoe, zal doen onderzoeken.

Hij moest na het onderzoek een attest van de stadsdokter overleggen aan de drost, die dan een nieuwe sessie zou beleggen.

Grietje echter, had geen geduld. Ze diende nog dezelfde dag een nieuw verzoekschrift in. Er zou wel eens veel tijd kunnen verstrijken voordat het beloofde doktersattest er lag, zo voerde ze aan, en al die tijd duurde de inwoning en gemeenschap van goederen voort. Ze was bang voor “aanhoudende oneenigheden” en vroeg daarom, hangende het uiteindelijke besluit over een scheiding van tafel en bed, alvast om een verdeling van de gezamenlijke  spullen van Jan en haar. Dit stond de drost toe.

Noch het doktersattest, noch de scheidingsuitspraak heb ik kunnen vinden. Maar misschien dat Trijntje haar belangrijkste doel al bereikt had?

RHC Groninger Archieven Toegang 735 (gerechten Westerkwartier) inv.nr. 728: rekesten, die van 27 bloeimaand 1810.


Een ongenode kostganger te Opende

In de winter van 1810 stond Jurrien Alles binnen bij de drost van het Westerkwartier. Anderhalf jaar eerder, zo vertelde hij daar, had hij een boerenplaatsje in Opende gehuurd van de erven Jan Jans Heller. Een van die erfgenamen, Luitjen Jans Heller, stond zo’n tien weken geleden opeens voor zijn deur. Deze vroeg of hij zijn kabinet en nog wat andere meubels bij Jurrien mocht stallen, omdat hij er even mee omhoog zat. Ook wilde hij graag even komen logeren bij Jurrien. Het was maar voor een paar dagen.

Sindsdien had Jurrien deze Luitjen Heller menigmaal verzocht om weer weg te gaan, maar steeds tevergeefs. Heller bleef zitten waar hij zat, en dat was bij Jurrien in huis. Dan weer had hij de uitvlucht dat hij voor zijn aandeel het plaatsje niet met de andere erven meeverhuurde – iets wat aantoonbaar onjuist was – dan weer beweerde hij dat hij bij Jurrien als boerenknecht werkte.

Jurrien had wedman Hartsema al eens gevraagd met hem mee te gaan naar zijn huis, om te kijken of die Heller kon overhalen te vertrekken, en Jurrien “in het geruste posses van het verhuurd plaatsje te laten”. Ook dit had geen enkel effect. Heller weigerde op te krassen.

Jurrien gaf bij de drost aan dat hij het niet al te breed had – hij “was het zijne ten hoogsten nodig”. Aan de inwoning van Heller had hij niets en wilde hij niets hebben ook. Hij had een vrouw, twee kinderen en de derde was een dezer dagen op komst. Van Heller had hij nog geen duit gekregen voor de kost en inwoning. Hij was

ten hoogsten verlegen met dit sujet waarvan bovendien niet de beste renomé gaat.

Hij verzocht de drost beleefd om een eind te maken aan zijn probleem.

En dat deed de drost. Hij gaf de wedman van Opende opdracht om de persoon van Luitjen Jans Heller uit de behuizing van Jurrien Alles te “delogeren” – tenzij Heller binnen drie maal 24 uur kon aantonen, dat hij het recht had om daar bij in te wonen.

Het ziet er niet naar uit, dat Heller hierin slaagde.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (gerechten Westerkwartier) inv.nr. 728, rekest 31 Louwmaand (januari) 1810.


Zwarte Piet en de Kijkcijfertjes (2)

Herhaling van onderzoekje, dat ik in 2015 al eens verrichtte. Betreft bezoekstats over de laatste vier jaar van dit Zwarte Pietblogje. Het statistische beeld is niet wezenlijk anders.

April lijkt me dan de beste maand voor het voeren van de Zwarte Pietdiscussie. 🙂


Geschut schaap blijkt dure kostganger in Grootegast

Simon Andreas Krausz (1770-1825), Liggend schaap. Collectie Rijksmuseum.

Hindrik Alberts woonde, waarschijnlijk als herbergier, in het voormalige rechthuis van Grootegast. Maar ook al zetelde daar al jaren niet meer het gerecht met al zijn lucratieve aanloop, er zat nog wel steeds een schutstal bij, waar mensen loslopend vee konden heenbrengen, dat de eigenaar er dan kon ophalen tegen betaling van het voergeld en wellicht een kleine boete. Doorgaans zullen die eigenaren zich snel genoeg hebben aangediend voor hun vermiste levende have, maar begin 1808 had Hindrik Alberts een probleem, en wel met met een schaap. Hij begaf zich op weg naar de drost in Zuidhorn, en vertelde deze hoogste gezagsdrager van het Westerkwartier dat

zedert een geruime tijd door Wolter Sipkes, mede te Grotegast woonachtig, bij hem een schaap in schutting is gebragt, zonder dat tot hiertoe de eigenaar is bekend, of dienaangaande eenige order is gesteld…

Aan de tijd van kost- en inwoning zat kennelijk geen limiet:

daar nu het verschuldigde voergeld reeds verre de waarde van opgemeld schaap overtreft.

Bij eventuele verkoop van het schaap kreeg Hindrik dus een deel van zijn geld niet terug, en aangezien het niet van hem gevergd kon worden

het nadeel hieruit resulteerende te moeten dragen, zo is deszelvs submis verzoek dat gem[elde] Wolter Sipkes mag worden gelast het verschuldigde voergeld aan rem[on]s[tran]t te voldoen en teffens dezelve dienaangaande voor het vervolg securiteit te geeven.

De waard wilde dus eindelijk boter bij de vis en alleen nog dat schaap in zijn schutstal houden als Wolter (zich) borg zou stellen voor de kosten in de toekomst.

De drost krabde zich eens achter de oren en belegde een hoorzitting voor een week later. Bij die gelegenheid erkende Wolter Sipkes,

dat hij het schaap op order der boerrigters aldaar in de schutstal heeft gebragt.

Mocht Wolter menen dat hij zich zo vrij kon pleiten van de kosten, dan bedroog hij zichzelf. De drost beslechtte het geschil in dier voege dat Wolter inderdaad het voergeld van het schaap aan Hindrik moest voldoen. Hij zou dan de beschikking krijgen over het schaap en moest daar verder maar de boerrichters van Grootegast over aanspreken.

Ik denk dat Wolter tegen de boerrichters gezegd heeft dat ze zulke schapen in het vervolg zelf maar naar de schutstal moesten brengen.

Bronnen: RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (gerechten Westerkwartier) inv.nr. 727: rekesten, die van 20 en 28 januari 1808; idem inv.nr. 415: commissieboek, 28 januari 1808.