Een schoolmeester pleegt zelfmoord

Op donderdag 8 juni 1775, even na de middag, verleent de Etstoel in Assen gehoor aan drie eigenerfde boeren uit de omgeving: Willem Remmels Haange van Grollo, naast Johannes Homan en Albert Eijsinge, beide van Rolde. Ze zijn in shock en in rouw als zwagers en schoonvader van Tonnis Gerrits, de koster-schoolmeester van Rolde. Die blijkt zeer recent overleden, want zijn aangetrouwde familieleden geven aan

dat zij gem[elde] Tonnijs Gerrits gisterenavond seer laat in den avond dood gevonden hebben in de school tot Rolde en wel sodanig, dat hij in een swaarmoedigen geest op een tijd dat zijn verstand niet magtig is geweest zijn doot heeft veroorsaakt.”

De schoonvader en de zwagers van Gerrits zeggen het wat voorzichtig, maar de schoolmeester had zichzelf in de school opgehangen. Impliciet blijkt dat ze hem daar nog niet hebben weggehaald. Sterker nog, hij hangt er nog steeds. De mannelijke verwanten vragen de Etstoel immers om toestemming voor “de losmakingen, verkledinge en begravinge van hun doot gevonden swager en schoonzoon”. Dat spreekt allemaal niet vanzelf – in de achttiende eeuw wordt ook in Drenthe iemand die zelfmoord heeft gepleegd – zo dat ruchtbaar wordt – meestal onder de galg begraven.  Dit keer echter, strijkt de Etstoel met de hand over het hart: de familie mag de schoolmeester gewoon op het kerkhof van Rolde laten begraven.

Tonnis Gerrits was al 43, toen hij met Pinksteren 1773 Egbertien Eissinge trouwde. Op Tweede Kerstdag 1774  werd hun dochtertje Hendrike gedoopt. Waarschijnlijk stierf de moeder in het kraambed, want Tonnis was weduwnaar toen op late juni-avond levenloos in de school werd gevonden. Mogelijk droeg de dood van zijn vrouw bij aan een ernstige depressie?

De aangetrouwde verwanten van de schoolmeester maken enkele dagen na hun lugubere vondst als voogden over Tonnis’ dochtertje een eerste boedelinventaris op van Tonnis en zijn vrouws bezittingen. Die lijst is vrij uitgebreid – voor een schoolmeester bleek Tonnis redelijk welvarend. Zo had hij aardig wat vastgoed: een klein aandeel in de boermarke, wat bouwland op de Rolder es, enkele percelen hooiland en meerdere “goorden” of tuinen. Met de 291 gulden aan contanten in zijn kabinet kon Tonnis nog minstens een jaar vooruit, ook gezien de voorraden rogge (drie zakken) en boekweit. Hij bezat twee koeien voor de melk, een vaars en ongeveer 25 schapen. Ook hield hij bijen getuige de lege “ymenkorven”, de  “olde ijmendoeken”, het imkersgereedschap en de honing in zijn achterhuis.

Vrijwel elke dorpsschoolmeester was er destijds nog boer bij, meestal alleen op kosterijland, maar Tonnis boerde bovendien nog op zijn eigen grond. Hij was echter van nòg een markt thuis en trad ook op als landmeter, getuige zijn landmetersketting, astrolabium (voor het meten van hoeken) en verrekijker. Hij bezat zelfs “een kaart wegens de plantagie &c van Alkmaar”, die enkele decennia eerder in Suriname gesticht was door een collega-landmeter.

Hoewel de achttiende eeuw vaak wel als ‘Pruikentijd’ werd neergezet, is dat zeer onterecht: lang niet iedere man droeg een pruik, dat waren vooral de welgestelden. Tonnis Gerrits had er wel een. Met zijn schoolmeesterschap hadden te maken de inktkoker, wat schrijfboeken, twee schrijfborden en een aantekeningenboekje waarin hij zijn “schoolverdienst” noteerde: niet alle kinderen betaalden immers elke week hun stuiver schoolgeld, dat moest je goed bijhouden.

Met de kerkelijke kant van zijn functie – het koster- en voorzangerschap – hadden Tonnis’ beide (kerk)bijbels met zilveren haken van doen, evenals het Nieuwe Testament met daaraan toegevoegd de psalmen in de nieuwe berijming die nog maar een half jaar eerder, eind 1774, in Drenthe was ingevoerd. Dat testament zat in een los omslag “waaraan enig zilver” zat. Sowieso bevond zich vrij wat zilver in Tonnis’ boedel. Curieus is de “baartmannegies schelling” die getuige de tweede kleinere boedelinventaris voor het dochtertje bewaard bleef..

Tonnis bezat verder een kastje met helaas ongespecificeerde boeken. Getuige de tweede inventaris – die na een of meerdere boeldagen in maart 1776 van de resterende goederen opgemaakt werd – waren dit kleinere formaten “over de godgeleerdheid”, naast een landrecht van Drenthe. De schoolmeester van Rolde was dus vooral geïnteresseerd in theologie. Welke richting die belangstelling precies uitging is ook bekend. Van twee stichtelijke werken worden de auteurs en titels genoemd, mogelijk omdat het om wat grotere formaten ging, die wat luxer waren ingebonden. Het betreft:

Beide werken staan in de traditie van de Nadere Reformatie, waren razend populair in bevindelijk-gereformeerde kringen en zijn zelfs nu nog courant in de Nederlandse Bible-belt. Dat van Van der Kemp, meer voluit getiteld De Christen geheel en al het eygendom van Christus in leven en in sterven, vertoont in 53 predikatiën over de Heidelbergsche Catechismus, verscheen voor het eerst in 1717, maar kreeg in 1773 nog een achttiende druk.  Het besteedde extra veel aandacht aan God als oorzaak van het goede en de mens als oorzaak van het kwaad en stond uitgebreid stil bij de strafwaardigheid van de zonde.

De menselijke onmacht tot het goede – een calvinistisch dogma dat haaks staat op het optimistische vooruitgangsgeloof van de Verlichting – is nog sterker uitgebouwd door de Oldambtster predikant Wilhelmus Schortinghuis in diens minstens even populaire bestseller  ‘t Innige Christendom, die in 1740 voor het eerst verscheen en eveneens tientallen malen herdrukt is. Van Schortinghuis zijn de bekende ‘vijf nieten’: ik wil niet, ik kan niet, ik weet niet, ik heb niet en ik deug niet’. Op de spits gedreven leidt zo’n adagium tot volslagen passiviteit, of lijdelijkheid zoals men dat noemde.

Op mensen die toch al geneigd zijn tot depressiviteit kan een dergelijk pessimistisch geloof leiden tot versterking van het ziektebeeld. Naast het overlijden van zijn vrouw, heeft mogelijk ook een inktzwarte geloofsovertuiging bijgedragen tot de gemoedsgesteldheid van de schoolmeester te Rolde. Tonnis Gerrits moet hebben gemeend dat er geen redding meer voor hem mogelijk was. Overigens was de predikant van Rolde, ds. Grootholtman, eenzelfde geloof toegedaan. Met zulke kerkelijke ambtsdragers, gekozen door de eigenerfde boeren, behoorde Rolde tot de  bevindelijk-gereformeerde zône, die destijds nog door heel Nederland liep, van Zeeland tot Oost-Groningen.

Bronnen, behalve de gelinkte:

Drents Archief, Assen:

  • Tg 85 (Etstoel) inv.nr. 14, deel 60, folio 3v, 8 juni 1775;
  • Tg 102 (Schultengerechten) inv.nr. 220 deel 4 (Rolde, voogdij) 11 juni 1775 en 6 maart 1776 (scans 338-350).

De zilverschat uit het Boekweitenveen

In het voorjaar van 1775 vond de vierpaards- en daarmee ‘dikke’ boer Jacob Lantinge een aardewerken kan met “oud silverwark” in het Boekweitenveen bij Zwinderen, een buurtschap in Zuidoost-Drenthe. Met wat moeite wisten hij en wat omstanders enige namen te ontcijferen, die op het zilver “gesneden” waren: enerzijds ging het om die van een Grietje Everts, anderzijds om die van een Willemtje, Aaltje en Roelofje Deningen. Er liepen in de omgeving allang geruchten over een verborgen zilverschat. Meermalen was ernaar gezocht, maar tevergeefs. Een van de omstanders wist ook al meteen te vertellen, wie precies recht op de schat had.

Deze aangewezen rechthebbende, net als de vinder wonend in Zwinderen, was de tweepaardsboer Jan Nienhuis, ook wel Nijenhuis genoemd. Een half jaar later diende hij bij de Etstoel, de overkoepelende Drentse rechtbank, de klacht in dat Lanting hem de zilverschat onthield. Nienhuis wilde dat de Etstoel Lantinge zou veroordelen tot het aan hem afgeven van het zilverwerk “onder genietinge van een eerlijke recognitie voor het bergen en moeijte”.

Tot “erholding” van die eis voerde  Nienhuis aan, dat op het zilver de namen stonden van enige van zijn voorouders: Grietje Everts en Willemtje, Aaltje en Roelofje Deningen. Om dit te staven, had hij zich verdiept in zijn genealogie en leverde hij een retrograde afstammingslijst, die sterk doet denken aan de lijst zoals Ayaan Hirsi Ali die in mei 2006 opvoerde om haar precieze Somalische identiteit te bewijzen. Alleen ging Nienhuis wat minder ver terug – zijn lijst omvatte geen tien generaties zoals bij Hirsi Ali, maar slechts vijf, waar weer tegenover stond dat er bij de Drent naast voorvaders ook sprake was van voormoeders:

 Ouders Jan Nienhuis:Willem Nienhuis en Jantje Eeverts
1665-1674, BisschopstijdGrootouders:Geert Nienhuis en Grietje Everts
 Overgrootouders:Willemtje Nienhuis en Willem Jacobs Huising
1629 getrouwd:Betovergrootouders:Geert Nienhuis en Griete Everts
(Even na 1600)Betbetovergrootouders:Olde Jan Nienhuis en Willemtje Deninge

De op het zilver aangetroffen namen heb ik in dit lijstje vet gezet. We moeten ervoor terug tot de eerste helft van de zeventiende eeuw. Volgens Nienhuis, die blijkbaar al op leeftijd was, hadden zijn grootouders de steengoed kan met het (in elkaar gedrukte) familiezilver “in de zogenaamde bisschopstijd” begraven. Dat was een tijdsaanduiding die je ook in Groninger bronnen uit het begin van de achttiende eeuw tegenkomt, voor de periode dat de Münsterse bisschop Bernhard von Galen , alias Bommen Berend, twee maal Noordoost-Nederland aanviel en deels bezetttte: 1665-1666 en 1672-1674, oftewel 1665-1674. Nienhuis wist erbij te vertellen dat de man die de schat destijds had begraven, “ongelukkig omgekomen” was, zodat de plek onbekend was gebleven,  

ofschoon na dien tijd meermalen door de Boer van Gees en Zwinderen in het veen na dit silver was gesogt, ‘tgeen aan veele lieden door het verhaal hunner ouderen bekent soude zijn

Ook hadden Nienhuis’ ouders het er vaak over gehad en hun kinderen aangemoedigd om ernaar te zoeken. Toen Lanting het zilverwerk dan eindelijk aantrof, was er ook ogenblikkelijk een Hendrik Roelofs bijgekomen, die op het lezen van de naam Griete Everts direct oordeelde dat het zilverwerk aan Nienhuis toebehoorde, “welk oordeel insgelijks door anderen daarover was gevelt geworden”. Vinder Lanting had zich daarop nog bereid getoond het zilver “tegen een eerlijke recognitie”  aan Nienhuis te geven. Dat beloofde hij zelfs met zoveel woorden, maar hij had daarna geweigerd zijn woord te houden.

In de zitting van de Etstoel liet zich ook een Albert Dening van de Diphoorn (een gehucht bij Emmen) vinden. Dit verre familielid van Nienhuis liet noteren dat hij geen partij wilde zijn in dit proces. Zodoende hoefde hij niet mee te betalen, maar zag hij ook af van een aandeel in het zilver. Ongetwijfeld was dit in het voordeel van Nienhuis.

Uiteraard was de vinder van de schat, Jacob Lantinge dus, het niet eens met eis van Nienhuis, anders had het niet eens tot een proces hoeven komen. Hij vond Nienhuis’ aanspraken op de schat zwak gefundeerd. Proces voeren op basis van zo’n afstammings- en rechtsopvolgingslijstje vanaf de betbetovergrootmoeder achtte hij  “tegen alle ordre en geregelde regtsplegen”. Dat de naam van Griete Everts op het zilverwerk stond, wilde nog niet zeggen dat de Griete ten tijde van het begraven ook eigenaar van die stukken was. Deze konden intussen best wel aan een ander zijn gegeven of verkocht. Ook was volgens de schatvinder niet gebleken dat  Aaltje en Roelofje Deninge voorouders of familie van Nienhuis waren geweest. Het zilver met hun namen was “van een veel later fatsoen” dan dat van Willemtje Deninge, dus van een latere mode of stijlperiode. Het zou best eens zo kunnen zijn geweest, aldus Lantinge, dat meerdere families gezamenlijk hun zilver in die aardewerken kan hadden gedaan, “om hetselve voor de vijanden te verbergen”.

Lanting (en/of zijn advocaat) was er dus vooral op uit om twijfel te zaaien. Ook hij had genealogisch onderzoek gedaan, waaruit naar voren was gekomen dat Nienhuis’ betovergrootmoeder Griete Everts vijf kinderen had. Nienhuis zou dus “in allen gevalle” moeten aantonen dat hij nog haar enig overgebleven nazaat was, die dan ook als enige recht kon laten gelden op de stukken waarop haar naam en die van Willemtien Deninge stonden. Dan nog kon Nienhuis geen aanspraak maken op het zilver met andere, of helemaal zonder namen, ook omdat het zilver niet in zijn eigen,

maar in gemene boeregrond gevonden was, en dat deze grondeijgenaren ook sustineren dat haar dit zilverwerk, althans een gedeelte daarvan niet kan worden geweijgert, overmits het neer dan 30 jaren in haar grond hadde gezeten, en dus als een accessoir van deselve moeste gehouden worden”.

Op de achtergrond was er dus ook een claim op het zilver door de boermarke van Zwinderen, het boerencollectief dat een groot deel van de woeste gronden in het dorpsgebied bezat en beheerde. het Boekweitenveen incluis. Als grote boer had Lanting daar zonder meer een flink aandeel in, al zou hij de buit dan moeten delen. Tot slot zette Lanting een historisch-kritisch vraagteken bij de verhalen die Nienhuis te berde bracht:

dat een overlevering die veeltijds fabuleus word bevonden, zo min als losse gissingen de plaats van valable preuven vervangen of tot een rigtsnoer van decisie verstrekken kan

Als eisende partij zette Nienhuis hier eerst een formeel argument tegenover. Hij vond dat Lantinge zijn bezwaren al had moeten inbrengen op de goorspraak, de periodieke bijeenkomst voor het aankaarten van allerlei juridische kwesties op dorpsniveau. Nienhuis had zijn zaakjes goed voor elkaar en kon aan de hand van  afkoopbrieven en andere notariële akten bewijzen dat hij “de eenigste erfgenaam” van Griete Everts en Willemtje Dening was. Aan de waarheid van ”het algemeen erfgerugte” kon volgens hem bovendien niet worden getwijfeld. Lang voor het terugvinden hadden Nienhuis’ ouders en grootouders meermalen verteld over de vermiste schat en daarbij zelfs de vorm van de kan beschreven waarin het zilver verstopt zat, “ ‘tgeen alle twijfeling behoorde weg te nemen”.

Zoals gebruikelijk in moeilijke zaken benoemde de Etstoel eerst een commissie om beide partijen te horen en zo mogelijk het geschil bij te leggen. Deze commissie bestond uit twee etten van het dingspil Zuiderveld en de beroemde ontvanger en geleerde Van Lier. Zij bracht al na een dag rapport uit in de plenaire Etstoel. “Bij manquement van minlijk vergelijk” wees de Etstoel daarop vonnis in de zaak. Lantinge moest als vinder Nienhuis het zilver geven, maar Nienhuis diende de helft van de waarde daarvan aan Lanting uit te betalen. Ook moest hij Lanting vrijwaren voor eventuele aanspraken op het zilver door derden (zoals de boermarke als grondeigenaar). Beide partijen samen betaalden de kosten van het geding.

Bronnen:

Drents Archief, Tg. 0085 (archief Etstoel) inv.nr. 14. deel 60. folio 87-89 (scans 173-177 ) lotting 28 november 1775, zitting 20 december 1775; folio 91 (scan 181) tussenvonnis 21 december 1775; folio 92 (scan 183) de uitspraak van 21 december 1775.


Rondje Ter Heijl

Narcissen op slootwal, Hoogkerk:

Schuur in Foxwolde:

Die ree blijkt openbare weg:

Opeens twee ooievaarsnesten in Ter Heijl – de pas toegevoegde is nog onbewoond:

Bij het Baggelveld, Ter Heijl:

Twee scholeksters in zo’n vijvertje dat als kunstwerk moet herinneren aan het Leekster Hoofddiep in Leek:

Een verdween al snel uit beeld, de ander bleef lekker poseren::

Boerenerf bij de A7:


Rondje Peize – Roderwolde

De Onlander Cascade werkt weer:

Oostkant Peize:

Bosanemonen galore:

De drie Gezusters, Achterstewold Peize:

Er zit altijd een wat meer ondernemend type bij:

Verkrottende boerderij, westkant Sandebuur:

Verzameling kabelspoelen, Westpoort:


Rondje Eenrum – Menkeweer


Brouwerijvoorraden leveren kluinrecept op

Als op 10 oktober 1722 de Groninger brouwer, olderman der brouwers en hopman van de Groninger burgerwacht Gerlof van Suirenhuisen overlijdt, laat hij onder meer zijn brouwerij met ketels en kuipen in de Brugstraat zuidzijde na. Eerst wordt dit bedrijf voortgezet door zijn tweede vrouw, de uit Utrecht afkomstige Agnes Gaillard (of Galjaard). De weduwe krijgt het er nog druk mee, want getuige de aandelen in huizen en panden en diverse schuldbrieven leverde de brouwerij kluinbier aan herbergen en tapperijen in onder meer Vierverlaten, Enumatil, Leek, Tolbert en Marum, dus in het gehele Vredewold, maar ook in de stad en in Baflo. Mogelijk dat een kortingsregeling in de vorm van “geschenken” of “vereeringen” de afzet van de brouwerij vergrootte. Zo’n regeling wordt namelijk een paar keer genoemd in de zeer uitgebreide boedelinventaris, die er van Gerlofs van Suirenhuisens nalatenschap opgemaakt is.

Onder meer bevat deze boedelinventaris twee voorraadstaatjes van kluin in de kelder en ingrediënten op zolder. Het oudste staatje, dat evenwel later in het stuk verschijnt, dateert waarschijnlijk van 28 januari 1723:

Terwijl het jongste staatje op 30 maart 1724 is opgemaakt:

In het ene geval lagen er 15 tonnen kluin (à 155) liter in de kelder aan de Brugstraat, terwijl het ruim een jaar later 19 tonnen waren. Van lichter stuiversbier is geen sprake. Ook zijn de mout- en hopvoorraden in tweede instantie veel groter. Het zijn maar momentopnamen, natuurlijk – hooguit zou je met een slag om de arm kunnen zeggen dat de zaak er onder het bestier van de weduwe Van Suirenhuisen-Gaillard niet op achteruit ging. Ook uit de gezolderde ingrediënten kan je eigenlijk geen ontwikkeling opmaken. Het gaat me dan ook niet om de verschillen tussen beide staatjes, maar om een overeenkomst:

JaarHopGerstemoltHavermoltMolt beidePerc. haver
17231,5 mud414,5 mud26,5 mud441 mud6,0 %
172416 mud630 mud61 mud691 mud8,8 %

Zoals we weten, ging er een flinke dot haver in de kluin, dat roemruchte want uiterst lekkere Groninger bier, maar is onbekend hoeveel haver dat was in verhouding tot de gerst. Bij beide voorraadopnames in de brouwerij aan de Brugstraat was de hoeveelheid havermolt echter minder dan 10 % van alle mout samen (zie laatste kolom), veel minder dan de 40 % die wel eens genoemd wordt. Op basis van deze cijfers zou je zeggen dat je als kluinbrouwer met één deel havermolt op negen of tien delen gerstemolt al aan de ruime kant zit. Vanaf die verhouding zou je de hoeveelheid haver in je kluin wellicht nog wat omlaag kunnen brengen voor de juiste historische smaaksensatie.

Uiteraard gaat het maar om één enkele brouwerij, maar met de voorraadstaatjes van andere brouwers uit het archief van de Weeskamer is de receptuur wellicht nog wat te verfijnen.

Bron: Groninger Archieven, Tg. 1462 (archief Weeskamer) inv.nr. 14 (boedelinventarissen) 1724-22a (scans 527 e.v., met name 561 (1724) en 585 (1723).


De barre grond van Roden

Notitie uit 1745 van de beëdigde landmeter W. Atlas uit Roden, dat het bouwland in Roden, Leutingewolde en Steenbergen niet altijd als volwaardig te beschouwen viel, omdat veel akkers maar een jaar of drie bebouwing verdroegen. Na die drie jaren moesten ze een jaar of vijf braak liggen en kon er hooguit wat vee worden geweid. Na afloop van deze cyclus was het land soms na twee jaar alweer met heide begroeid. Daarom diende er volgens hem ook een kortingsregeling te komen bij de heffing van de grondschatting.

De notitie zegt alles over het mesttekort, destijds, toen er nog geen kunstmest was, laat staan een stikstofprobleem.

Bron: Drents Archief, Toegang 1, inv.nr. 858.23 folio (en scan) 50.


De Toutenborg, herberg van Terheijl

Jammer dat sommige huisnamen alleen op kaarten en in archivalia te zien zijn en niet op of bij het pand zelf. Dit vrij onopvallende pand op de grens van Nietap en Roden heet bijvoorbeeld Toutenborg.

Het staat in het verlengde van de Toutenburgsingel, maar het is daar niet naar genoemd. Net als de singel ontleende het huis zijn naam aan de Toutenburg in Vollenhove, de woonplaats van de heer en mevrouw De Lille-Van Dedem voordat zij het in 1789 het geheel opgeknapte Huis Terheijl betrokken. Zij lieten de Toutenburgsingel aanleggen en moeten de Toutenborg hier destijds ook hebben neergezet. Het pand kreeg de functie van herberg.

In het Terheijlster Staatboek van 1806 wordt het zo beschreven:

Een herberg genaamd Toutenborg, gelegen tusschen de Nietap en Roden, bestaande in een behuizinge, schuur en stallingen voor eenige paarden, benevens de grond achter hetselve en aan de noordzijde is gelegen, midsgaders de bouwacker in de bos ten oosten en de weijderij in ’t Zulterveld, verhuurd in losse huure aan Hind[rik] Caspers jaarlijks voor ƒ 70,-…

Hindrik Caspers was nog tot mei 1814 de uitbater, steeds voor dezelfde huur. Dat bedrag vormde een bescheiden pachtsom, in aanmerking genomen dat herbergen in de stad Groningen meestal 100 à 200 gulden aan huur per jaar deden. Waarschijnlijk was de Toutenborg, zoals gebruikelijk op het platteland, ook meer een boerderij dan een herberg. Aan de noordkant werd er tot aan de Turfweg rogge en haver verbouwd op de zogenaamde Dobber-es en -kampen, verder had Hindrik nog de beschikking over bouwland dat ingeklemd lag tussen percelen van het Noordholt. Op een strook groenland tussen zijn huis en het Noordholt zullen wat melkkoeien hebben gelopen. Aan de andere kant van de weg lag de Zulterheide waarop zijn schapen graasden.

In 1806 waren dat zelfs merinoschapen, die bij opbod verkocht werden aan “liefhebbers van de schapeteelt en de wolverfijning”. Maar veel belangrijker waren de houtveilingen in herberg de Toutenborg, met name in 1810 en 1811.  In het eerste jaar ging het in november om “eene aanzienlijke kwantiteit eiken stamboomen, waaronder geschikt voor molenmakers, wagenmakers en scheepstimmerlieden”. Daarnaast betrof het percelen schilhout in de bossen en op de boerenplaatsen van Terheijl. In het voorjaar van 1811 kwam bovendien dennen-, elzen- en berkenhout onder de hamer, dat reeds gekapt klaarlag op de “cingels en plantagiën” van Huize Terheijl. Ook later dat jaar werden weer enorme partijen hout verkocht, het moet er een aanzienlijke kaalslag zijn geweest.  En steeds was kastelein Hindrik Caspers van de Toutenborg de man die je alles kon aanwijzen, als je gading op wat hout maakte.


Ommetje suikerfabriek

Eigenlijk lag iets anders in de bedoeling, maar het was me iets te grijs, fris en winderig. Het daarom maar eens dichtbij gehouden.


“Ongeluckige schoott” eist leven bij klootschieterij te Roderwolde

Zet om naar conceptVoorbeeld(opent in een nieuwe tab)BijwerkenTitel toevoegen

Bij een opgraving of een zoektocht met een metaaldetector komt er nog wel eens eentje uit de bodem tevoorschijn: het skelet van een klootschietbal, dat wil zeggen een meervoudig kruisvormig stuk lood, dat ooit via gaten ingegoten was in een verder mooie ronde, maar spoorloos verdwenen houten bal die men bij het klootschieten gebruikte.

Slechts één keer komt dat spel ter sprake in de lottingsregisters van de Etstoel, maar dat ene geval maakt wel duidelijk hoe gevaarlijk zo’n bal kon zijn.

Gabbe Jacobs, een jonge boer “wonend op het Zandebuijr”, zou die Petridag (22 februari) 1676 van zijn levensdagen  niet vergeten. Op zo’n St-Petri ad Cathedram liepen nogal wat huurcontracten voor los land af en ging er ook meer geld om dan anders. In het kerspel Roderwolde, waaronder Sandebuur viel, was Jan Ottens, de knecht van kapitein Van Echten op bezoek om wat paarden te verkopen. Zowel Gabbe als Jan deden mee aan een pot klootschieten. Tijdens die partij schoot Gabbe uit met de bal zodat Jan door hem

ongeluckig an hett hooft is geraeckt en naerdatt deselve noch een geruijme tijdt mede hadde gespeelt, sijn Heeren peerden an koopluijden gepresenteert, flaeuw wordende, waer komen te overlijden sonder datt hij remonstrant (= Gabbe) oijt de minste quaestie mett de overledene hadde gehadt, off miening om hem te quetsen, veel weijniger te dooden, gelijck alles en sijnen vullencomen onnoselheijt uijtt de informatiën door ordre van den heer Drost genomen, genoegsaem soude consteren, alsmede uijtt de verklaringe van den D[octo]r[e]n en Chirurgijns, die hett doode lichaem hebben gevisiteert, dat de voorschr[even] Jan Ottens niet soo seer an dese ongeluckige schoott, als well van voorige onpasselijckheden sij overleden…

Gabbe was dus onhandig geweest, erg onhandig. Hij had Jan helemaal niet willen raken, laat staan doden. Maar Jan deed daarna nog een hele poos mee aan het spel en bood zelfs zijn paarden te koop aan bij handelaars. Daarna zakte hij weg en stierf. Uit de verklaringen die de drost naderhand ter plaatse liet opnemen, bleek ook wel dat er geen opzet in het spel was, terwijl de lijkschouwing uitwees dat Jan al langer niet zo gezond was geweest.

Gabbe vroeg daarom of het gerecht hem vrij wilde laten met kwijtschelding van de gerechtelijke- en andere onkosten. Inderdaad willigde de Etstoel dat verzoek in – deze Drentse rechtbank sprak Gabbe zonder criminele strafoplegging vrij van alle aantijgingen. Wel moest Gabbe de kosten van zijn verzoekschrift betalen en de kosten van zijn detentie na de eerste drie dagen. Blijkbaar vond de Etstoel dat Gabbe zijn onvoorzichtigheid nog wel in zijn beurs mocht voelen. Het kerspel Roderwolde zou de eerste drie dagen moeten betalen, terwijl de Etstoel verder besloot dat de lijkschouwing en alles wat in deze zaak op last van de drost was geschied, “tott lastt van hett landt” zou komen.

Bron: Archief Etstoel, inv.nr. 14, deel 22, folio 407, 6 juni 1676.


Rondje Terheijl

ooo


Tel de knopen! Of: een dure broek te Wapserveen

De weesjongen Jan Hessels uit Wittelte en de mulder Jan Jacobs van Wapserveen troffen elkaar in het najaar van 1692 op een begrafenis in de laatste plaats. En zoals wel vaker bij een uitvaart – ze maakten daar plezier met zijn beiden. De mulder bewonderde quasi de broek van de weesjongen, die het zelf bij nader inzien ook wel een mooi exemplaar vond. De mulder vroeg of Jan die broek van ‘m niet wilde verkopen. Eerst zei de weesjongen van nee, maar toen de mulder er bij voortduring op aan bleef dringen, noemde de jongen toch een prijs. Die liep per knoop op: voor de eerste knoop aan zijn broek vroeg hij slechts een duit, maar voor elke knoop meer wilde hij het dubbele beuren van het bedrag voor de vorige knoop. Lachend sloot de mulder de koop en drukte de hand van de weesjongen, die hem geluk wenste met zijn aanwinst.

Maar toen Jan Hessels zijn broek naar de molenaar op Wapserveen kwam brengen, weigerde die het kledingstuk in ontvangst te nemen en de bedongen prijs te betalen.

Waarschijnlijk zou de jongen het zelf wel uit zijn hoofd hebben gelaten, maar zijn voogd, Lucas Jansens Snoeck uit Wittelte, die wellicht nog een appeltje met de molenaar te schillen had, drong er bij hem op aan om door te zetten. Het was ook oom Snoeck die naar de Etstoel stapte, en zijn neef ruim een jaar later voor deze rechtbank vertegenwoordigde in de zaak over de broek.

Hier bleek dat de verkooppijs van het kledingstuk door de systematische verdubbeling van het bedrag bij iedere knoop aardig opgelopen was. De broek telde namelijk 17 knopen. De daarmee exponentieel toegenomen vraagprijs bedroeg uiteindelijk ruim 409 gulden, een bedrag waarvoor je destijds een kleine middenstandswoning kon kopen.

Oom Snoeck wilde dat de Etstoel de mulder van Wapserveen zou veroordelen tot betaling van dit bedrag. De broek was nou eenmaal voor dat bedrag verkocht en ook aangeboden bij mulder Jacobs. Die had Snoecks verweesde neef voor de gek willen houden, maar was “door sijn raillerie ten rechte bedrogen” en “na rechte hijrin condemnabel”. De mulder, kortom, had het geheel en al aan zichzelf te wijten dat hij erin gestonken was.

Uiteraard was de molenaar het niet eens met deze voor hem netelige voorstelling van zaken. Hij voerde bij de Etstoel aan

dat dyergelijcke saecken niet behoorden voor den richter te komen als sijnde niet als gecker[n]iën geweest”.

De zaak moest dus volgens hem ‘hors de la cour’, buiten het gerecht verwezen worden, zoals dat ook wel eens bij scheldzaakjes gebeurde. De molenaar noemde de koop onbewezen, in elk geval was die niet serieus bedoeld, maar slechts het resultaat van “raillerie”, scherts geweest. Een broek van 3 of hooguit 4 gulden was toch zeker geen 400 waard?

De Etstoel benoemde een commissie om beide partijen te horen, zo doenlijk tot elkaar te brengen, of anders een uitspraak te doen. Het werd een uitspraak. Van de commissie hoefde de molenaar niet het volle pond te betalen, maar wel 100 gulden. Daar kon je geen woning meer van kopen en toch was het nog steeds een leuk bedrag voor een wees.

Voor de molenaar was het nog steeds veel te veel, en de voogd van de jongen vond het juist te weinig. Beide partijen gingen daarom in hoger beroep. Ook in de appèlzaak hield de Etstoel echter vast aan de sententie. De mulder van Wapserveen moest dus dokken. Hij zal vast flink de smoor in hebben gehad.

Bron: Drents Archief, Etstoel inv.nr. 14, deel 30, folio 114, 13 november 1693; en idem folio 216, 4 juni 1694.


Men noemt een goede waard geen poffertbakker

In de index op de handelingen van de Etstoel, het Drentse gerechtshof, viel mijn oog op een lasterzaakje uit 1698, waarbij het slachtoffer zich beledigd achtte door de term “pofferbacker of poffereter”. Poffer of poffert kwam al wel enkele decennia in kookboeken voor, maar was verder ook weer niet zo bekend. In het kookboek van  de Menkemaborg (1717-1750) heet het baksel nog “boffert”. Over poffertbakkers weten we al helemaal niets. Dat dit nobele beroep als een scheldnaam figureerde, verbaasde me zeer. Vandaar dat ik me maar eens op dit zaakje wierp.

Bij nader inzien hoorde het bij een cluster van vier soortgelijke zaakjes, waarbij één naam centraal stond, die van Hindrik Lenting (ook wel Lentinge of Lentinck). Hij was telg van een vooraanstaande eigenerfde boerenfamilie die schulten (het equivalent van de latere burgemeesters en notarissen) aan de kerspelen Zuidlaren, Borger en Zweelo leverde en was (een dikke) vierpaardsboer op De Groeve, vlakbij de Drents-Groningse grens, en bovendien herbergier en solliciteur.

Met die laatste functie werd hij meestal aangeduid. Deze hield in dat Lenting namens de overheid optrad als bank, payroll of geldschieter voor een compagnie soldaten. Hij schoot uit eigen zak de soldij voor en ontving van de overheid aflossingen met een bovengemiddelde rente terug. De overheid was blij, want dit vormde de oplossing voor een voortdurend krappe kas, vooral in tijden van oorlog; de soldaten waren eveneens blij, want ze kregen hun soldij op tijd zodat ze niet hoefden muiten en plunderen. Een mooie winwin-situatie dus, waaraan je als solliciteur ook redelijk goed kon verdienen. De functie stond, zo is mijn indruk, vrij hoog in aanzien.

De herberg van Lenting op De Groeve moet ook een goede reputatie hebben gehad. Het was niet zomaar een tapperijtje. In 1695 vergaderde “de gemene bour” van Zuidlaren er, waarbij deze ingezetenen van Zuid- en Midlaren gezamenlijk maar liefst 235 gulden verteerden, een bedrag waar sommigen echter niet aan mee wilden betalen., Waarschijnlijk ging de vergadering over de grens tussen Midlaren en Zuidlaarderveen  en daarmee over het visrecht op het Zuidlaardermeer, een kwestie die al sinds 1636 speelde en waarover ook nu weer de partijschap was opgelaaid. Omdat Lentings vordering op zich niet werd bestreden, wees de Etstoel die toe. De “bour” of boermarke van  Zuidlaren moest dus collectief de somma betalen, waarbij ze het geld maar terug moest zien te halen bij de leden die aan de vergadering(en) hadden deelgenomen.

Goed, twee jaar later, in 1697, werden er vier klachten wegens ‘verbale injurie’ of belediging ingediend. Dat gebeurde op een goorspraak – een periodiek gehouden samenkomst waar mensen verplicht alle delicten moesten melden waarvan ze weet hadden. Twee van de klachten kwamen van een gebelgde Hindrik Lenting. Maar hij en zijn schoonzoon Jan Tabing waren op de goorspraak ook zelf van belediging beticht.

Voorlopig bleven de beledigingen zelf nogal schimmig. Ze moeten wel in het verslag van de goorspraak hebben gestaan, maar dat stuk ontbreekt nu. Bij de Etstoel betichtte Lenting ten eerste Egbert Sissing, een keuterboer op Zuidlaarderveen. Lenting wilde dat Sissing zijn gewraakte uitlatingen openlijk voor de Etstoel herriep, maar daar had Sissing geen zin in. Volgens hem bestond er geen enkel bewijs voor dat hij Lenting beledigd had. Hij had Lenting niet genoemd, laat staan bedoeld. Zijn woorden hielden geen belediging in, en hij had bij Lenting – in wiens herberg zich een en ander kennelijk had afgespeeld – ook geen “animus injuriandi” gehad toen hij de woorden uitsprak.

Meteen na Sissing sprak Lenting een Laurens Levinge aan, van een ander gezeten boerengeslacht. Hij was zoon van een Jan Levinge en daar kon je in Zuidlaren meerdere kanten mee op: in 1672 woonde er nog een oud-schullte met die naam in het dorp, en in de jaren 90 een tweepaardsboer, naast een driepaardsboer die ook herberg hield. Dat was dus een concurrent van Lenting en ik kan het helaas niet hard maken, maar vermoed dat Laurens een zoon van deze laatste was. In elk geval verliep de behandeling van Lentings klacht in zijn geval eerst precies zo als bij Sissing. Hij had Lenting niet beledigd, vond Levinge, en zijn woorden hielden geen belediging in.

Zoals gezegd, werd Lenting zelf ook van schelden beticht. Dat gebeurde door Hermen Hermens, de knecht van Gedeputeerde van Selbach die op de havezathe Laarwoud woonde. Lenting ontkende het hem ten laste gelegde, noemde alle tegen hem  ingebrachte getuigeverklaringen partijdig en kon “in goeden gemoede” verklaren dat hij niets ten nadele van de dienstknecht  had gezegd. Net als Sissing en Levinge voor hem, wilde ook Lenting zijn woorden niet openlijk herroepen of intrekken. Zouden deze drie zaakjes dus nog een vervolg krijgen, anders was het gesteld met het vierde, op basis van een klacht die de Zuidlaarder molenaar Willem Hendriks had ingediend tegen Jan Tabing, de schoonzoon van solliciteur Lenting die op Zuidlaarderveen woonde. Mede op basis van het formele argument dat deze veenkolonie qua volmachten, grondschatting en goorspraak zelfstandig was, werd deze zaak niet verder behandeld – de Etstoel achtte Tabing  ook niet schuldig aan belediging.

Drie zaken liepen dus nog door en in alle drie deze zaken benoemde de Etstoel een vrij zware commissie die bestond uit de drost, baron Van Pallandt, de landschrijver en de vier etten van het dingspil Oostermoer. Dit gezelschap moest de klagers en beklaagden nogmaals horen om ze dan zo doenlijk de zaak “in der minne” bij te laten leggen, of, als dat niet lukte, ze bij uitspraak te “ontscheiden”.

Dat gebeurde nog in november 1697. In alle drie deze restante zaakjes legde de commissie de schelders (Lenting, Sissing en Levinge) op te verklaren, dat ze niets van de beledigde partij wisten “als alle eer en goet”. In het geval van Lenting gold dit Hermens als individu: Lenting moest verklaren dat hij de gedeputeerdenknecht mogelijk “in grote toorn en haestigheijt” had beledigd, “wenschende dat het niet waer voorgevallen”. In de verklaring was ook vastgelegd dat deze niet zou strekken “tot de minste krenkinge van de ere en reputatie, goede naem en faem” van Lenting zelf. Lenting moest Hermens bovendien een deel van diens proceskosten betalen: 10 zilveren ducatons (ruim 30 gulden).

In de zaken van Lenting contra Sissing en Leving kwam de Etstoelcommissie tot een gelijk oordeel, met dien verstande dat beide gedaagden moesten verklaren dat ze solliciteur Lenting èn diens  familie niet hadden willen beledigen. Het ging dus om meer dan de eer van de solliciteur alleen. Voor de tegemoetkoming in de proceskosten maakte dat niets uit, die bestond uit hetzelfde bedrag.

Lenting, Sissing en Levinge gingen alle drie in hoger beroep en Sissing  zou zelfs revies aanvragen, maar dat baatte allemaal niets: de Etstoel bleef in 1698 en 1699 bij de commissoriale uitspraken van eind november 1697. Alleen in het geval van Laurens Levinge kwam nog aan het licht, waardoor Lenting zich nou zo in zijn eer aangetast voelde. Levinge verklaarde dat de motieven van Sissing  niet voor hem golden – hij was dus maar een meeloper. Hij kon daarom “hoog en duir” en bij “sin hoogste waerheijt” verklaren

dat hij de woorden van pofferbackers of poffer eters niet hadde gesproken

Blijkbaar waren dar dan de woorden van zijn kompaan Sissing geweest. Ook verklaarde Levinge dat een andere uitlating die hem aangewreven werd, niet de bedoeling had die solliciteur Lenting erin had bespeurd. Toen een gespreksgenoot van Sissing en Helinge opmerkte, “dat hij de poffen liever at met corinthen”, zou Levinge hebben gerantwoord: “Ick eetse liever met botter”. Echter, daarmee had hij  solliciteur Lenting, diens schoonzoon Tabing, of hun familie niet willen beledigen.

Het was Lentings eer te na om een poffertbakker te heten, of ermee vergeleken te worden. Wellicht was hij wat overgevoelig qua eer, maar dat gold voor vele tijdgenoten.  Het hier besproken cluster rechtszaakjes uit de jaren 1697-1699 toont dat eens te meer aan en ook maakt het duidelijk dat je poffertbakkers niet zomaar met goed-gereputeerde herbergiers mocht vergelijken. Een aardige bijkomstigheid is nog dat blijkt, hoe poffert destijds werd gegeten: met krenten of met boter. In elk geval was het betere kost, dan die je in een herbergje op het Zuidlaarderveen kon eten – de eigenaar daarvan stond in het Zuidlaarder heerdstedenregister van 1694 te boek als “Jannes in de Brijpot”.

Bronnen:

Drents Archief, Etstoel 14,

  • deel 31, folio 119, 120 e.v.: 19 november 1695;
  • deel 32, folio 348-351: 16 november 1697;
  • deel 33, folio 46-51: 19 juni 1698;
  • deel 33, folio 273-276: juni 1699.

Inentingstoebereidselen

Het encyclopedische woordenboek van Chomel uit 1778 bevat een lang artikel over “inenting der kinderpokjes”, dat Groningen en Petrus Camper nogal eens noemt. Mijn oog bleef haken bij een passage over de voorbereiding tot de handeling – de heren onderzoekers dachten destijds heel verschillend over nut en noodzaak daarvan:


Poëzie voor lekkerbekken

Marsepeynen, eyervlaen,
Hoenders aen het spit gebraen,
Vetgemeste huyskapoenen
Met een sap van citeroenen
Voor een vyertjen omgedraeyt,
En met suycker wel bezaeyt,
Vette gansen, jonge duyven,
Hippelkievits met haer kuyven,
Hanekammen veelderley
In een soete meelpastey,
Of een snipjen, of een duycker,
Welbestroogt met kruyt en suycker,
Of een haesjen, of een knijn,
Of een biggen van een swijn,
Of een vinckjen, of een mosje,
Of een baersjen, of een posje,
Of een sallem fris geleeft,
Of een krabben, of een kreeft,
Of wat kappers, of olijven,
Of ansjovis, of andijven,
Of noch eenigh groen’ salaet
Die soo versch op tafel staet,
Oude bieren, nieuwe wijnen,
Tonnevijgen, blaeuw’ rosijnen,
Confituren voor ’t banket,
Alles wert hem voorgeset…

Uit: ‘Al te losse huyshouding’, in: Isaac Burghoorn, Nieuwe werelt vol gecken (Den Haag 1619) 33-34.