Harm Tuin jr. en de uniciteit van Finsterwolde

Harm Tuin jr.

De ogen en het haar zijn anders, maar voor de rest, en dan vooral voor wat betreft de onderkant van zijn gezicht, leek mijn vader sterk op Harm Tuin jr., de neef van zijn vader die het schopte tot burgemeester van Finsterwolde en Slochteren. Blijkbaar waren er bij mijn vader trekken overerfd van zijn grootmoeder Antje Tuin, die weer tante was van de latere burgemeester.

De foto van Harm Tuin vond ik  bij een interview uit 1950. Daarin kreeg hij onder meer een vraag voorgelegd waarover wel meer mensen zich het hoofd hebben gebroken, namelijk waarom juist Finsterwolde zoveel communisten of (of communistische kiezers) telde, terwijl die in het naburige Oostwold en Midwolda nagenoeg ontbraken.

“Daar is moeilijk een antwoord op te geven”, vond ook Harm Tuin, die  desalniettemin een antwoord gaf:

“Misschien wel, omdat in Midwolda de kerk orthodox gericht was en bleef, terwijl in Finsterwolde het modernisme ingang vond. Hier zijn onder de predikanten veel knappe koppen geweest, die echter de binding met de mensen verloren. De kerk geeft innerlijk houvast. Als men die verliest en er komt niets voor in de plaats en men leeft daarbij onder slechte omstandigheden, zoals hier het geval was, dan is de baan geopend voor allerlei extremistische richtingen. De tegenstelling tussen boeren en arbeiders is hier zeker groot, maar niet groter dan elders. De reactie is wel groter geweest. Die vroegere boerengeneratie telde prachtige kerels, conservatief liberaal, mensen die niet van buigen wisten. En de arbeiders wilden óók eigen baas zijn en wisten óók niet van buigen.”

Helemaal origineel is de verklaring niet, ik meen me te herinneren dat de sociograaf Hofstee tot een soortgelijke analyse kwam. Die had veel invloed in het gebied dat hij voor zijn proefschrift bestudeerde.

Advertenties

Aan de rand van Nederland met Bob den Uyl (1978)

In een van spleen doortrokken winterreis per boemeltrein langs de deels allang niet meer bestaande stationsgebouwen van Visvliet, Loppersum, Hoogezand en Nieuweschans onderhoudt auteur Bob den Uyl zich diepgaand met literaire collega’s als Wil Vening, ds. Van Leeuwen en Kees van der Hoef. De film is door de toenmalige regisseur Theo Uittenbogaard op Vimeo gezet >>>


A-weg bij herfst


Even naar de stad

Suikerfabriek van over de Ruskenveense plas:

Gemankeerde regenboog:

Voor me de bui:

Achter me nog een sprank zon:

(Foto’s van gistermiddag laat.)


Soesjesgoed

De Muntendammer Jacob Jacobs kwam op zaterdag 11 augustus 1770 met het Lemmerder schip in de stad Groningen aan. Waarschijnlijk was hij in Amsterdam geweest om inkopen te doen. Hij had namelijk een reiszak bij zich “met eenig bondgoed”, koopwaar waarmee hij de hele stad doorsjouwde naar het Winschoter veer bij het Binnen-Winschoterdiep.

Blijkbaar gaf hij dat goed onderweg niet aan. “Om reden dat op zijn Sabbat geen geld vermog aan te tasten”, verzocht hij een van de snikkevaarders van het Winschoterveer om dat  voor hem te willen doen. In het Goudkantoor werd bij het openen van Jacobs reiszak echter een stuk “soesjesgoed” (gestreepte zijden doek uit China, later ook wel van katoen) bevonden, waarvan Jacob meende dat het onder de kramerij hoorde, terwijl dat in werkelijkheid onder de manufacturen was. Over die manufacturen moest meer belasting betaald worden. Omdat het door de snikkevaarder ingeleverde aangiftebiljet en de werkelijke inhoud van de reiszak niet overeenkwamen, nam de Administrator der Gemene Landsmiddelen, zeg maar de opperbelastingman van de provincie, Jacobs reiszak met inhoud in beslag.

Jacob zat in zak en as en kwam met hangende pootjes bij Gedeputeerde Staten, de opperste regelaars en rechters in belastingzaken. Hij zou niet graag met de Administrator willen “discreperen”, zo zei hij, en verzocht daarom arbitrage.

Na een hoorzitting met beide partijen, streken de heren inderdaad de hand over hun hart. Ze scholden Jacob de boete kwijt, mits hij zelf, maar dan goed, aangifte zou doen van dat door hem ingevoerde soesjesgoed.

Bron: RHC Groninger Archieven Toegang 1 (archief Staten van Stad en Lande) inv.nr. 193 (aktenboek G.S.).


De dubbele muren van ‘t nieuw Rozendal

Thomas von der Dunk behandelt in zijn artikel over Amsterdamse inzendingen bij de Groninger stadhuisprijsvraag van 1774 onder meer de vormgeving van de kerkers in het nieuw te bouwen stadhuis. Onder het oude, nog af te breken, middeleeuwse raad- en wijnhuis zaten al kerkers in een kelder die – hoe ironisch – het Rozendal was geheten en dat Rozendal moest uiteraard een vervangende voorziening krijgen in het nieuwe stadhuis.

“Het Groningse prijsvraagprogramma was hierover helder”, aldus Von der Dunk: “elke ontwerper had in zijn stadhuis gelijkvloers drie of vier cellen te construeren, ‘en dan nog eenige zeekerder en zwaarder gevangen Kamertjes onder den Grooten trap’”. Andere desiderata van het Groninger stadsbestuur betroffen een gijzelkamer (voor notoire debiteuren die vermoedelijk nog wel wat reserves achter de hand hadden) en pal naast de kerkers een verhoorkamer,

“licht scheppende op de Straat of Markt, dog aan dien kant voorzien met een dubbelde muur, opdat men er niet zoude konnen inzien, of van buiten eenig geluid hooren’.

De gevoelige oren van passanten op de Grote Markt moest het akelig geschrei der ijslijk gefolterden uiteraard bespaard blijven. Volgens Von der Dunk hielden de meeste mededingers bij de prijsvraag zich keurig aan de Groningse opdracht. Jan Bolten bijvoorbeeld, had er zorgvuldig op gelet dat de gevangenen met niemand binnen of buiten contact konden leggen, terwijl zijn gijzelkamer geen schoorsteen kreeg,

‘om de kwaade gebruiken die gegijzelde perzoonen met dezelve en met vuur zoude konne uitrigte’.

De dubbele muur voor de verhoorkamer kwam in de meeste ontwerpen voor. Ook in het winnende van Husly, dat, aldus Von der Dunk, “de Groningse burgemeesters duidelijk geen enkel risico op ongewenste ontsnappingen wilde laten lopen”. Naast de dubbele muren kwamen er in Husleys ontwerp nog driedubbele deuren voor de normale cellen en drie extra-speciale ‘Zwaare Gevangen Kamers’ voor notoir vluchtgevaarlijken.

Men vraagt zich af wat van deze Groninger EBI is geworden. Vermoedelijk functioneren ze nu als voorraadhokken voor kopieerpapier en pakken koffie.

Bron: Thomas von der Dunk, ‘Amsterdamse bouwmeesters aan de slag voor Groningen’, pag. 48-67 in het pas verschenen Historisch Jaarboek Groningen 2017, in het bijzonder 60-63.


Zuidlaardermarkt was mannendingetje

Happend in de traditionele Zuidlaarderbol:

Bij de 1500 paarden:

Kijkend naar een acrobatische standwerker:

Op de kermis:

Dit was de regenachtige editie van 1933.