De oorlog met Engeland en zijn economische gevolgen

Napoleontische medaille voor volksvlijt (1808). Collectie Rijksmuseum Amsterdam.

Dat een volkomen handelsoorlog tussen het Verenigd Koninkrijk als zeemogendheid enerzijds, en anderzijds het vasteland van Europa voornamelijk verliezers kent, wordt mooi aangetoond door bedrijfsstatistieken uit de Franse Tijd, toen Napoleon een volkomen boycot van Britse producten en diensten, het zogenaamde Continentale Stelsel, afgekondigd had. Neem een staatje uit 1808 van bedrijvigheid in de beide Oldambten (het kleigebied bij de Dollard + de veenkoloniën ten zuiden ervan zoals Veendam- Wildervank en de beide Pekela’s), een staatje dat gebaseerd is op een enquête onder de ondernemers zelf. Verdeeld over vier sectoren, komt het effect van de oorlog hierop neer:

Scheepsbouw
Met de 22 scheepswerven, de 7 lijnbanen, de 7 blokmakerijen en de 3 zeilmakerijen in de Oldambten gaat het zeer slecht in vergelijking tot vroeger. Schepen onder eigen vlag kunnen immers nauwelijks het zeegat uit, zonder gevaar te lopen op kaping door de Britten. De ondernemers snakken daarom naar vrede en vrije zeevaart en handel. Eventueel zouden stimulerende maatregelen in de vorm van bedrijfssubsidies en inkomsensondersteuning voor scheepstimmerlui de hoogste nood kunnen lenigen.

Bouw
Ook de gewone bouw zit flink in het slop, getuige de opmerkingen bij de 6 houtzaagmolens, de 10 kalkovens en de 7 steenfabrieken en pannenbakkerijen. Door de oorlog op zee komt er weinig hout uit Noorwegen en het Oostzeegebied – het is dus schaars en duur. Daardoor zijn bouwprojecten tot het uiterste minimum beperkt: reparaties van de bestaande woningvoorraad. De oplossing is ook hier: vrede en vrije zeevaart en handel. Verder is het maar afwachten – anders dan in de scheepsbouw opperen de ondernemers in deze sector geen stimulerende maatregelen of inkomensondersteuning.

Kleding en schoeisel
De 17 blauwververs en 5 leerlooiers geven een gemengd beeld. Met de leerlooiers gaat het vrij goed. Een deel van hun concurrentie is uitgeschakeld. De blauwververs krijgen echter geen grondstoffen meer van overzee. Ook zij verlangen zeer naar vrede, vrije zeevaart en handel.

Voedings- en genotmiddelen
De 19 korenmolenaars, 13 bierbrouwers en 4 oliemulders uiten evenmin als de leerlooiers klachten. Hun grondstoffen komen uit de streek zelf, terwijl er geen concurrentie van buiten is. De 30 grutters (met ros- oftewel paardemolens) en 7 pelmulders, die gerst en boekweit verwerken tot grutten voor het andere volksvoedsel naast brood, namelijk pap, klagen echter over concurrentie van de korenmolenaars. De laatsten mogen wel gerst vermalen tot meel, terwijl de pelmulders en grutters geen rogge of andere broodgranen mogen vermalen. Ze roepen om lastenverlichting en marktordening: maximering van het aantal bedrijven en prijszetting door de overheid. De problemen van de pelmulders en grutters hebben echter weinig te maken met het feit dat Brittannia buitengaats heerst. Hun grondstoffen komen eveneens van dichtbij, alleen is er structureel iets mis met hun bedrijfstak.

Kortom:
Vooral voor de scheepsbouw en in iets mindere mate in de huizenbouw had de situatie op zee gevolgen: deze sectoren lagen op hun gat, of bijna op hun gat. Aanvoer van hout over land, bijv. uit Drenthe en Westfalen, was kennelijk veel duurder dan aanvoer van hout over zee. In de kleding en schoeisel heerste een gemengd beeld, en alleen bij de voeding had de internationale politieke situatie geen (directe) gevolgen, omdat de grondstoffen van dichtbij kwamen. Weliswaar waren ze ook duur, maar daar hadden mensen in loondienst veel meer last van dan ondernemers en boeren.

Bron: Groninger Archieven Toegang 731 (Plaatselijke gerechten Oldambt) inv.nr. 7062.

P.S. De getranscribeerde tabel met zes kolommen kon ik hier niet kwijt – steeds viel een kolom buitenboord. Mocht iemand er toch belang hebben, dan hoor ik dat graag.

Advertenties

De Stad, haar wallen, de molens en de wind

Zo van 1620 tot 1875 telde de stad Groningen 17 dwingers in de stadswal. Volgens de kaart van Haubois (ca. 1640) gingen die in 12 gevallen (dus de grote meerderheid) vergezeld van standerd- of roggemolens. Haubois tekende deze allemaal met het gevlucht naar het noordoosten – op zijn kaart waait een wind zoals we die momenteel ook hebben.

Van deze standerdmolens is wel ongeveer bekend, wanneer ze verdwenen zijn. Ik ga ze vanaf het noorden kloksgewijs langs, om wat bijzonderheden te melden, waarbij ik het jaar dat zo’n molen verdween – veelal door plaats te maken voor een bovenkruier – ontleende aan het artikel van Bob Poppen.

Op een podium of molenberg aan de binnenkant van de Boteringedwinger, met de sarrieshut aan de voet. Deze standerdmolen werd als laatste als laatste gesloopt, in 1784:

Precies zo’n situatie tref je aan bij de Ebbingedwinger, waar de standerdmolen al in 1703 weggehaald werd:

Bij of in de drie dwingers tussen de Ebbinge- en de Poeledwinger, aan de oostkant van de Stad, had je volgens Haubois geen molens, waarschijnlijk omdat deze locaties zich bevonden in de windschaduw of lijzijde van de stad. Een van die dwingers, de Jacobijner-, diende als militaire executieplaats. De volgende standerdmolen vinden we pas in de Poeledwinger. Deze verdween voor 1733:

Bij de zuidoostelijk gelegen Steentildwinger stond weer geen molen. Maar bij de Drenkelaarsdwinger heb je weer de molenberg aan de binnenkant van de dwinger met de sarrieshut aan de voet van de molen, die in dit geval voor 1694 het veld ruimde:.

Van de standerdmolen bij de Oosterdwinger is onbekend wanneer deze plaats maakte voor een ander molentype:

Ik denk echter dat we daarvoor kunnen afgaan op die van de Heredwinger, welke verdween in 1672, bij het beleg door Bommen Berend. In deze dwinger zie je ook een waterdobbe, en waslijnen van een bleker:

De Oude Rondeelsdwinger aan de zuidwestkant van de stad, waar de meestal heersende zuidwestenwind de grootste kracht had, was een van de twee dwingers met meerdere standerdmolens. De ene stond zoals gewoonlijk aan de binnenkant en de andere in het midden van de dwinger. Dat laatste was een unicum. De ene molen verdween al voor 1643, de andere pas in 1759:

Overzien we nog even de standerdmolens aan de zuidkant van de stad, dan blijkt dat die hier vergelijkenderwijs het vroegst verdwenen zijn. Dat zal samenhangen met het beleg van 1672, maar ook met de ophoging van juist deze wallen in de jaren 1690 – hier lagen ze op de niet onder water te zetten hondsrug. Juist op deze wallen was het beleg ook geconcentreerd geweest.

Eveneens in het zuidwesten: de Marwixdwinger – de standerdmolen hier verdween in 1731

Terwijl die in de verder lege A-dwinger voor 1771 plaats maakte:

Twee standerdmolens staan er weer aan de binnenkant van de westelijke Kranedwinger, met opnieuw een waterdobbe in de dwinger zelf. Waarschijnlijk moest deze ook bluswater leveren, als een molen droogliep en in brand vloog. Deze molens werden vrij laat gesloopt, namelijk voor 1778, en voor 1781. Let ook eens op het grote schip (een fluit?) dat niet door de waterpoort kan en daarom buiten de stad in het Reitdiep ligt, naast de Kranepoortenbrug::

Bij de Reitdiepsdwingers zien we een standerdmolen die voor 1743 verdween. Deze stond onmiddellijk bij de Westindische werf, als je goed kijkt zie je er ook wat scheepstimmerlui bezig met hun bijltjes:

En weer helemaal terug in het noorden, tot slot, de standerdmolen in de Jatsdwinger, vlakbij een afgeschermd arsenaal in de dwinger zelf. Omstreeks 1700 verdween deze molen.

Enkele conclusies na deze rondgang:

  • Bij de oostelijke wallen zaten de minste standerdmolens. Verder had je er in totaal 14 in 12 van de 17 dwingers staan.
  • Bij de zuidelijke wallen verdween dit molentype het eerst, al in de zeventiende eeuw, dankzij het beleg en de versterking van deze wallen nadien.
  • Op de plekken waar de wind uit de overheersende richtingen, namelijk zuidwest en west, de omwalde stad binnenkwam, verdubbelde het aantal molens in sommige gevallen.

Goena-goena in mijn gang

Op de zolder van die boerderij in Tinallinge lag een vrachtje bijenboeken en vooral -tijdschriften die ik wel mocht hebben. Ze waren er achtergelaten door de vorige bewoner, die bijen hield.

De oudere tijdschriften, deels van ver voor de oorlog, zijn ingebonden en voorzien van een ex libris van ene H.C Mansveld. Erg mooi kan ik het stukje grafiek niet vinden, mij teveel vage floep, maar ik vond het wel enigszins intrigerend. Er staat een boekenkast op waar een paar kloeke delen voor liggen met op de rug de naam van de spirituele veelschrijver dr. L.A. Rademaker, kennelijk het geestelijk kompas waarop Mansveld voer. Verder toont het ex libris een paar bijen, veel kristallen, een notenbalk met de eerste tonen van een mij onbekend muziekstuk, naast enkele hippie-achtige motieven die je ongetwijfeld in kleur had moeten zien.

Wie was deze Mansveld? Delpher is mijn vriend. Volgens enkele kranten uit de jaren 1927-1930 betrof het een artistiek spiritist uit Den Haag. Hoewel hij nooit eerder aan schilderkunst had gedaan en ook niets van artistieke technieken afwist, maakte hij als medium in trance tekeningen en schilderijen naar de hand van overleden meesters als Jacob Maris, Anton Mauve en Fantin Latour. Met de laatste verstond hij zich in het Frans, een taal die hij nooit geleerd had. Volgens de spiritistische vereniging die een tentoonstelling met Mansvelds werk organiseerde, gaf het “stoffelijk bewijzen van een voortbestaan na de dood”. Ook deed Mansveld als kleine zelfstandige aan “geestesfotografie” en “direct handschrift”. Later schijnt hij zich op vertalen te hebben toegelegd. Zo kwam er in 1951 een bijenboek uit, dat Mansveld uit het Duits overgezet had.

Een spiritistisch medium heeft dus met eigen speeksel die ex librissen op en in die ingebonden bijentijdschriften geplakt. Gelukkig liggen ze nog veilig in de gang. Zal even extra gespitst zijn op onverklaarbare hocus pocus en andere goena-goena, vannacht.


Kunstminnend zwijn

Er haastte zich een vrolijk varken over het stationsplein, vlakbij het stadsbalkon:

Het leek op weg naar het Groninger Museum:

En dat terwijl de tentoonstelling Grrrom al is afgelopen.

(Het varken bleek er neergezet door de Dierenpartij in het kader van een actie voor landbouwdieren.)


Boerderij, Tinallinge

K. kocht een voormalige boerderij op de grens van Tinallinge en Menkeweer en nodigde me uit om te komen kijken.

Dampaal:

Het gewezen kippenhok langs de ree:

Bongerd op sprang:

Levensboom:

Voorkamer:

Maarzicht:

Achter het huis:

Werkbank met oud ijzer:

Geluksvangers (volgens een school onder de hoefijzerwatchers)::

Achter is er een heel bosperceel, een waar vogelparadijs in het lege land:

Het gewezen kippenhok van de andere kant:

Kruis in de rimboe (nee, hier ligt niemand begraven, het is een sierobject):

Veel oud hout in het bosje, de eerste specht heeft zich ook al laten horen:

Omgevallen boom met stapeltjes oude bakstenen:

Terug bij het huis – aangereden haas:

Hoe de boerderij er uitzag voordat de vorige bewoner er kwam wonen:

Met dank aan de rondleider!


De neergang van de standerdmolen in Groningerland

De standerdmolen aan het Sarriespad in Zuidhorn, gezien vanuit het zuidwesten, ca. 1908. Collectie gemeente Zuidhorn.

Als mijn overgrootouders in Zuidhorn uit het raam van hun voorkamer keken, zagen ze links, op een meter of 70 afstand, deze standerdmolen. Hij werd naar verluidt opgericht in het jaar dat Columbus Amerika ontdekte (1492) en gesloopt in 1910. Het was een van de laatste drie werkzame in onze provincie. Nu staat er alleen nog een authentiek exemplaar in Ter Haar, Westerwolde, en een reconstructie in de vesting Bourtange.

Het type van de standerdmolen ontstond in de Hoge Middeleeuwen in Vlaanderen en verspreidde zich eind twaalfde eeuw eerst naar Franse en Engelse kuststreken en vervolgens naar Duitsland en de rest van Europa. Anders dan het tegenwoordig dominante type windmolen, dat van de bovenkruier, werd de standerdmolen niet met de wieken op de wind gezet door alleen het kopje, maar door het algehele molenlichaam te draaien, een vrij pittig karwei, waar vast paardekracht aan te pas kwam. Die molenkast rustte en draaide op een ‘standerd’, een rechtop gezette, zware stam van zo’n 60 à 80 centimeter dik, die vanonder werd verankerd en geschoord met dikke balken. Bovenop de standerd verhinderde een ‘stormpen’ dat de molenkast kapseisde en weggleed, onderop steunde de molenkast ook nog, maar dan in veel lichtere mate, op een ‘zetel’ halverwege de standerd.

Standerdmolens waren te onzent uitsluitend korenmolens, of liever gezegd roggemolens want hier werd voornamelijk roggebrood gegeten. De industriële windmolens die vanaf ongeveer 1600 in zwang kwamen voor het zagen van hout, het slaan van olie en het pellen van gerst etc. waren louter bovenkruiers, die op termijn voor het graanmalen veel standerdmolens zouden gaan vervangen, omdat ze een grotere productie- en opslagcapaciteit hadden en minder onderhoudsgevoelig waren.

Voor 1656 waren er nog geen bovenkruiers in Groningerland. De primitieve middeleeuwse, maar volgens mij oneindig veel mooiere standerdmolens hadden hier nog het alleenrecht. Hoe deze hier verdwenen, is door Bob Poppen gedocumenteerd. De lijsten in diens artikel bleken dermate precies, dat ze heel goed bruikbaar zijn voor verspreidingskaartjes.

In 1628 stonden er op het platteland van de drie Ommelanden en de beide Oldambten 109 van zulke roggemolens. Deze waren lang niet allemaal even rendabel. Ook om die reden werd de belasting op het gemaal nogal eens ontdoken. Om nu èn de winstgevendheid te verhogen èn de controle op het gemaal te vergemakkelijken, besloot het provinciebestuur in 1628 tot een grootschalige sanering: maar liefst een derde van de roggemolens moest (tegen vergoeding) het veld ruimen, wat neerkwam op 36 standerdmolens. Op onderstaande kaartje, aangevuld met incomplete gegevens uit de stad en Westerwolde (dat een ander belastingregime kende) zijn de molens die mochten blijven aangegeven met groene stippen, terwijl de verdwijnende met rode stippen gelokaliseerd zijn:

Groningerland beschikte dus over een dicht netwerk van zulke molens, en er werd duidelijk met de kaasschaaf gewerkt, waarbij eigenlijk alleen het zuiden van het Westerkwartier werd ontzien. Mogelijk zat men in deze venige streken niet met een overcapaciteit, al kan het ook aan de invloed van Nienoord gelegen hebben.

Poppen is de resterende standerdmolens blijven volgen, waarbij hij vooral benieuwd was naar hun sloop of vervanging door een bovenkruier (veelal) of een stellingmolen (vrij zelden). Ook noteerde hij de nieuwkomers. Afgaande op zijn ‘burgerlijke stand’ van standerdmolens, waren er in 1750 in heel Groningerland nog minstens 90 over, nog steeds heel mooi verspreid over het gewest:

Daarna, en dan vooral in de tweede helft van de achttiende eeuw, toen verlichte geesten ook heel hard werkten aan de technische vervolmaking van de bovenkruier, kwam er fors de klad in en verminderde het aantal standerdmolens zienderogen. In 1850 waren het er nog maar 25:

In een heel groot deel van de provincie bleken ze verdwenen. Bij de polders langs de kust, in het Lageland, Duurswold, het Gorecht, de Veenkoloniën, het Oldambt en de Stad zag je ze niet of nauwelijks meer. Concentraties waren er nog slechts in het Westerkwartier, De Marne bij het Reitdiep, en Westerwolde. In twee van de drie gevallen ging het om beslist armere gebieden op zand- en veengrond. Daar waagden molenbezitters blijkbaar minder gauw de innovatieve overstap naar een bovenkruier.

Ook de drie laatste werkzame standerdmolens stonden in die armere gebieden. Het betrof de exemplaren van Vriescheloo, Zuidhorn en Mussel, respectievelijk afgebroken in 1909, 1910 en 1943.

De standerdmolen waarop mijn overgrootouders uitkeken, die van Zuidhorn, raakte eerst “deerlijk gehavend” door een hevige rukwind op Sint Maartensdag. Hij sloeg van de pal of rem, de wieken begonnen hevig te draaien, maar veroorzaakten in dit geval geen brand, Een ervan raakte namelijk los en stortte via het dak van een belendend huis neer op de molenvoet, waarvan het een stuk balk en een deel van de fundering wegsloeg. Verder zeilde er “een menigte latten en borden” van de overige wieken door de lucht. Er zat geen enkele lat meer aan een wiek. Sloop van de molen was onvermijdelijk. Ook dat maakten mijn overgrootouders van dichtbij mee:

Sloop van de standerdmolen aan het Sarriespad te Zuidhorn, eind 1910 of begin 1911. Foto: Wikimedia commons.

Bron: B.D. Poppen, ‘Het verloop van de Groninger standerdmolens na de resolutie van 25 juni 1628’, Molinologie, nr. 28 (2007) 1-10.


Grafschrift voor de kleine grauwe in het Euvelgunnerland

We kunnen helaas weer een grafschrift schrijven! Op de wandeling bij Groningen langs het Winschoterdiep kon men de kleine grauwe zien staan in de sappige groene weiden van het Euvelgunnerland; dapper en taai zwaaiend met de lage wieken in den buiïgen wind onder de geweldige Noorder-wolken; grijs en stil droomend bij zijn tochtsloot in zomeravondnevel en mist, of zwart en armelijk gedoken in een oneindigheid van sneeuw maar altijd met de dunne „taille” en het zware „hoofd’ van de echte „standerd-molen”, een mooie, eenzame figuur in de vlakte.

Zijn leven is nu uit. De trouwe vechtersbaas is sedert begin November verdwenen, als zoovelen. Zijn portret geven we hier nog. Heel ver achter hem rijst de Martini, die eens zelfs vele „standerd-molens” op de „dwingers” van de omwalling beneden zich zag.

Bron: Het Noorden in woord en beeld, jrg 1 (1925-1926) nr. 36, 4 december 1925.