Buxusmot nu ook in Hoogkerk

Dit vlindertje had ik nog niet eerder gezien. Het blijkt de buxusmot. Een invasieve soort – een jaar of twaalf kwamen de eerste over uit Korea om zich vol te vreten aan de buxushaagjes, die nu zo in de mode zijn in tuinen.

Volgens een nieuwsbericht van de Vlinderstichting kwam hij vorig jaar ten noorden van de IJssel nog niet zoveel voor. Sporadisch in Overijssel, Drenthe en Friesland, alleen wat meer in Oost-Groningen. Ten westen van de stad Groningen echter nauwelijks. Dat lijkt nu te veranderen.

Het beestje heeft geen natuurlijke vijanden. Men hoopt nu dat kauwen, kraaien en mezen het als voedsel gaan zien. Ik weet niet, buxus is giftig, de rupsen van de vlinder zullen immuun zijn voor dat gif, maar dat geldt toch niet voor de jongen van genoemde vogels die dat gif via de rupsen binnenkrijgen. Als al die jongen doodgaan, overleven op den duur alleen de kauwen, kraaien en mezen die vies van buxusmotten zijn. Hoe zou dat eigenlijk in Korea zijn gegaan?

 

Advertenties

Bijen zetten aanval in op jonge ooievaars

“In een ooievaarsnest te Borger zijn zondag vier bijna volwassen jonge ooievaars zóo hevig door bijen aangevallen, dat er levensgevaar bestaat. De oude ooievaars hadden eenige visch als buit voor hunne jongen aangevoerd, en men denkt dat de kwalijk riekende lucht van die visch de woede van de dichtbijstaande bijen heeft opgewekt. Pogingen worden aangewend om de ooievaars in het leven te behouden.”

Aldus het Nieuwsblad van het Noorden op 20 juli 1904, op basis van een iets uitgebreider bericht in de Drentsche en Asser van een dag eerder. Allerlei kranten in den lande brachten dit nieuwtje. Merkwaardig genoeg had juist de Drentsche en Asser geen follow up. Misschien uit schaamte de zaak wat al te dramatisch te hebben voorgesteld, want uiteindelijk viel de schade voor de jonge ooievaars nogal mee. Net als weer tal van andere kranten berichtte het Nieuwsblad van slechts een paar dagen later:

“De ooievaars te Borger die door bijen gestoken werden, zijn, na zorgvuldige verpleging alle weggefladderd.”


Bijenslachting over de landsgrens

‘BOERTANGE, 22 Sept. Een slachting op reusachtige schaal heeft hier gisteren aan de overzijde der grens plaats gehad. De heer Eskamp van Papenburg, die niet minder dan 40.000 pond honig a 46 ½ ct. per kilo aankocht van den bijenhoudersbond ‘Vooruitgang’ welke hare leden in het Oldambt en Westerwolde telt, ontvangt thans die ontzaglijke hoeveelheid te Neu Rhede. Daartoe moeten evenwel de nijvere koninkrijken levend worden ingevoerd, want alleen in zoodanigen toestand kan de honig van ons land in Duitschland worden toegelaten. Alle wagens beladen met korven levende bijen worden gedood, de honig uitgebroken en in groote vaten gestampt. De meeste leveranciers ontvangen ƒ 100 tot ƒ 200. Sommigen veel meer, een werd over de ƒ 6000 uitbetaald.’

Aangezien een pond een halve kilo was, ging er 20.000 kilo honing over de grens. Bij de genoemde prijs van ƒ 0,465 per kilo maakte dat 9300 gulden. Als een van de aanbieders 6000 gulden uitbetaald kreeg, dan nam die dus tweederde van het aanbod voor zijn rekening. Kan haast niet anders, of dat was een opkoper, als het niet de bijenhoudersbond zelf was. De 6000 gulden die deze ontving, maakte een heel riant jaarsalaris. Voor een arbeider was 100 gulden misschien nog aantrekkelijk bijwerk, maar 200 gulden substantieel.

De 20.000 kilo geëxporteerde honing is ook af te zetten tegen de gemiddelde opbrengst in kilo’s honing per ‘geslachte’ korf. We spreken over 1904. De met moderne methoden werkende imker die in het Nieuwsblad van het Noorden een bijenteeltrubriek schreef, had een zwaarste korf die 40 kilo honing opleverde. Een derde van zijn korven woog meer dan 30 kilo, driekwart meer dan 20 kilo. De gemiddelde opbrengst per korf zal bij hem dus zo’n 25 kilo zijn geweest. Maar afgaand op de gemeenteverslagen van dat jaar waren de gemiddelde korfopbrengsten van alle imkers in een gemeente, inclusief de traditioneel werkende, aardig wat lager. In Finsterwolde, waar mijn grootvader het imkeren leerde, bedroeg dat gemiddelde nog 20 kilo, maar in Slochteren bleek het 15 en in Wedde 10. Het gemiddelde voor Oldambt en Westerwolde samen zal dan zo’n 15 kilo honing per korf geweest zijn. De 20.000 kilo aanvoer in Neu-Rhede vertaalt zich derhalve in zo’n 1300 korven. Inderdaad behoorlijk wat wagens vol – er stond een file met bijen voor de grens!

De 6000 gulden van de opkoper of de bijenhoudersbond gold bij de genoemde prijs 12.903 kilo honing. Gedeeld door de 15 kilo gemiddeld per korf, maakte dat maar liefst 860 korven. De 100 tot 200 gulden opbrengst voor de meeste leveranciers, stonden voor resp. 14 tot 29 korven. Ook dat waren hoeveelheden die de aantallen korven bij tuinimkers overtroffen. Wellicht waren er ook kleine collectieven of opkopers actief.

Bron van het aanleidende bericht: Nieuwsblad van het Noorden, 23 september 1904.


Hemeldragonder (3)

In 1811 uit ds. Nieuwold van Zuidbroek “geene geringe bezwaren” tegen Engel Remkes Dekker, een kleermaker uit het dorp, wegens diens “openlijk ergerlijk gedrag”. Deze Dekker is hervormd lidmaat en staat dus onder toezicht van de kerkeraad. Die roept Dekker op om zich te komen verantwoorden, maar de kleermaker weigert meermalen te verschijnen: “Hij lachte wat om den Domenij, had de Domenij hem wat te zeggen, kon hij aan zijn eigen huis komen.” Zelfs noemde de snijder ds. Nieuwold “een regte Hemeldragonder”.

Waar de eigenlijke zaak over ging, wordt niet duidelijk, maar dat is in dit verband ook niet belangrijk. Het gaat me hier om die term, die in de bron al is onderstreept. Dat deze term toen reeds als een spotnaam of scheldwoord gold, is meteen duidelijk, want de kerkeraad achtte hem zeer beledigend en was dan ook “grotelijks verontwaardigd”.

Zelf associeerde ik de term ‘hemeldragonder’ altijd met heilssoldaten, vanwege het militaire aspect, maar hij blijkt dus veel ouder dan het Leger des Heils, dat in 1865 werd opgericht en pas enkele decennia later in Noord-Nederland verscheen. Reden om eens in het Woordenboek der Nederlandsche Taal te kijken, of dat het woord ook noemt en wat voor historische voorbeelden het er dan bij aanhaalt. Dat blijken onder andere te zijn literaire werken van Potgieter uit 1841 en van Van Lennep uit 1865. Waarmee onomstotelijk vaststaat dat het woord inderdaad ouder is dan het Heilsleger, maar ook, dat de melding in het Zuidbroekster kerkeraadsprotocol nog weer enkele decennia eerder opgetekend is.

Even hoopte ik, de alleroudste melding van dat ‘hemeldragonder’ te pakken te hebben. Voor alle zekerheid toch nog maar even bij Google Books gekeken. Als oudste meldingen geeft deze digitale bibliotheek een biografie van paus Clemens XIV uit 1768, een traktaat over de eenzaamheid uit 1791, een blijspel uit 1806 en een historische roman uit 1809. Het woord was dus al gangbaar, toen de Zuidbroekster kleermaker het in de mond nam.

Jammer, daar ging mijn ‘primeurtje’. Maar, al is de term hemeldragonder nog ouder dan zijn uitlating, de kleermaker uit Zuidbroek zat wel vrij dicht op die eerste meldingen. Ik denk dat het een belezen type was; zijn zoon werd niet voor niets schoolmeester.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 339 (archief hervormde gemeente Zuidbroek) inv.nr. 1: kerkeraadshandelingen, bepaaldelijk die van 28 juli, 30 juli, 4 augustus en 13 augustus 1811.


Slochteren kocht kerkklok uit Zuidbroek

Van de Eerwaarde Heer Wolthers, predikant te Slochteren, voor een klocke zo van ons [is] gekogt, en [door] de Hr. Wildervank [is] betaalt, en an mij heden weer overgegeven. ƒ 80-,-

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 339, inv.nr. 252: kerkvoogdijrekeningen Zuidbroek 1750-1812, bepaaldelijk die van 1761.

Commentaar: Ik kon verder weinig informatie vinden over die klok. Volgens Sible de Blauw in het Historisch Jaarboek Groningen 2010 is de huidige Slochter klok in 1373 gegoten door een Segebodus, een Fries, in opdracht van de abt van Wittewierum. Die klok van Bloemhof werd in 1828 overgebracht naar Slochteren en dat is dus deze, qua gelui.


Naar Steenwijk

Voor een zaterdag vroeg op. In de Folkingestraat poetst een duif zijn veren:

Bij de ingang van de voormalige V&D in de Ebbingestraat staat een bord voor een nieuw bier. Aan het behoud van het gebouw op dat bord heb ik indertijd, medio jaren 90, het mijne mogen bijdragen. Grappig dat er nu een biersoort naar genoemd is:

Bij de Beren:

We gingen naar Steenwijk, naar de presentatie van een boek en de opening van een gelijknamige tentoonstelling: ‘Raggers rond de Baarg’. Zowel in het boek als op die tentoonstelling staan de gebroeders Kuiper centraal, beide geboren op de Steenwijker kant van de Bisschopsberg, op de grens van Drenthe.

Dit is het zelfportret van Henk:

Van de twee was hij de betere schilder, zoals in dit dorpsgezicht:

Of in dit korenveld:

Het werk van zijn broer Geert, is juist sterker in het grafische, zoals in ‘Heidebrand’, dat de angst voor het naderende vuur bijkans voelbaar maakt:

Of in deze ‘Herinnering aan de herhalingsoefening’ uit 1931:

Beiden waren het verdienstelijke amateurs, ander werk is zwakker. Toch, als zulke kerels eens een kunstopleiding hadden kunnen volgen, wat zou er dan wel niet van geworden zijn?

Na de bijeenkomst via Kallenkote naar Wapserveen, waar we uitstapten bij De Olde Fabriek, dat wil zeggen de voormalige zuivelfabriek waarin nu een restaurant met aanschuiftafel zit, al kan je er ook gewoon koffiedrinken of lunchen. Er stond een stapel kaasplanken buiten. Henk zag meteen handel::

Voor betreding van dit restaurant moeten de telefoons uit, een heel verstandige maatregel die de conversatie bevordert::

Binnen waren er verscheidene elementen die aan de oorspronkelijke functie van het pand herinnerden, zoals een kastje met kaasmakersmedailles, zowel van  Nederlandse Zuivelbond:

Als van de Drentse variant voor coöperatieve zuivelfabrieken:


De Groninger honingdief

Bellerophon.

Dit weekend was in het nieuws dat de diefstal van bijenvolken hand over hand toeneemt. Het zou gaan om een “betrekkelijk nieuw fenomeen”. Dat is echter onjuist, want in een verder verleden had je ook dieven die zich toelegden op bijen en/of honing. Zo iemand sloeg tussen 1740 en 1756 herhaaldelijk toe in het hovengebied buiten de Groninger Here- en Oosterpoort. Hoe ging deze dief te werk, en welk lot wachtte hem?

De slachtoffers van de Groninger honingdief bezaten bijenstallen aan de oostkant van de Trekweg buiten Kleinpoortje, aan de Oliemolensteeg buiten de Oosterpoort, buiten de Herepoort aan de Hereweg, en aan de Rozenstraat in het noorden van de stad. Naast hun aangiften zijn er drie notities van de stadsschulte (of schout) bewaard gebleven, die de werkwijze en het profiel van de dader schetsen.

De eerste aangifte, uit 1740, kwam van de koopman Jan Nering, die aan de Gelkingestraat in De witte Rooster woonde, maar buiten de Oosterpoort in de Oliemolensteeg zijn hof had. Daar waren “wederom” twee korven met bijen uitgehaald, “zoo dat voor de overige ook bedugt ben als konnende deselve in geen huis besluiten”. Kennelijk sloeg de dief eerder toe op Nerings hof, maar hield de koopman ook na de tweede keer nog wel bijenvolken over.

Dat de dief bijzonder brutaal te werk ging, blijkt uit de aangifte van Albert Tiesing, de dato 3 juli 1741. Ook deze Tiesing bezat een hof aan de Oliemolensteeg waar hij korven met bijen had staan. Op de klaarlichte middag van zondag 2 juli, tussen een en vier uur, was de dief daar langs geweest. Volgens Tiesing lichtte hij alle honing uit één korf, en brak hij een andere korf finaal in stukken, “soo dat deese beijde korven met ijmen gants te niete sijn gemaakt”.

Op 2 oktober 1746, dus na het bijenseizoen, kreeg bovendien de hof van Hindrik Jacobs Decker ongewenst bezoek, met als resultaat de vermissing van één korf met bijen, en de vernieling van nog eens acht andere. Deckers hof bevond zich vermoedelijk buiten Kleinpoortje aan het Winschoterdiep. Daar woonde zeker Olfert Kneurshof, aan de oostzijde van het Trekpad, ter hoogte waar nu het Griffeweg ligt. Twee maanden na Decker gaf Kneurshof door, dat hij een korf bijen uit de grote hof achter zijn woning miste.

Intussen keek de schulte al naar de dief uit. Volgens diens recapitulatie van maart 1744 was Kneurshof ook in januari van dat jaar al een wintervolk kwijtgeraakt. Als meervoudig slachtoffer gold eveneens de bovengenoemde Albert Tiesing, van wiens hof aan de Oliemolensteeg sinds 1742 in totaal negen korven met bijen en honing waren weggehaald.

De schulte twijfelde er niet aan, of het ging steeds om dezelfde dief. Die zocht namelijk de allerzwaarste korven uit, die de meeste honing bevatten. Eerst stopte hij de vlieggaten van de korven dicht met lapjes stof om de bijen te kunnen doden (met zwavel). En als dat gebeurd was, sneed hij de korven van bovenaf met drie sneden open, om er gemakkelijk de honing uit te kunnen halen.

De schulte mat ook de voetstappen van de dief, die hij hier en daar aantrof. Deze bleken steeds van één en dezelfde schoenmaat en er werd een papieren model van gemaakt, dat in het dossier bewaard bleef. Op 26 februari 1744, toen de honingdief en bijensmoorder toesloeg op de tuin van de moesker Jan Harmens aan de oostzijde van de Hereweg, kon de schulte, daarbij geholpen door meerdere mensen, ook naspeuren waar deze voetstappen vandaan kwamen. Het spoor kwam van de lijmziederij aan het Hoornsediep (nu Cascade), en liep vervolgens langs de Toppinggaborg van Raadsheer Smith aan de Achterweg (Postflat) en een moeskerstuin in die omgeving, om dwars over de Hereweg Jan Harmens’ tuin te bereiken. Terug ging het langs de Davidsteeg tot de hof van schrijver Brongersma, waar de gestolen korf weer op die karakteristieke manier was opengesneden en leeggehaald. De drie stukken van de korf gooide de dief in belendende hoven. Met de honing kwam hij weer voorbij de Toppingaborg en de lijmziederij, waarbij zich een brugje over het Hoornsediep bevond, en het spoor liep uiteindelijk dood in het groenland achter de hoven buiten de A-poort bij de Lissabonsteeg.

In deze omgeving woonde ene Conraet Hindriks, die snijder (kleermaker) van beroep was. Voor veel mensen gold hij als verdachte nummer één, omdat hij van Haren kwam, waar de collector (een belastingontvanger), ook al eens op identieke wijze een korf met bijen kwijtraakte. Bovendien had Conraet al eens linnen van een bleek in Anlo gestolen, linnen dat zijn slachtoffers gedeeltelijk uit het beddestro in zijn kamerwoninkje tevoorschijn haalden, maar deels ook aantroffen op een bleek buiten de Oosterpoort.

Twee maal gingen er een Raadsdienaar en wat belastingpachters langs bij Conraets huisje, op zoek naar gestolen goed en smokkelwaar. Ze troffen evenwel niemand thuis en deden ook geen huiszoeking. Wel wisten buren naderhand te vertellen dat Conraet en zijn vrouw daarna heel “confuus” waren. De hele nacht zouden ze op zijn geweest, en ze zouden ook een vat met honing hebben leeggegooid in een sloot achter hun hof.

Hoewel de schulte sterk dacht te staan, kon hij zonder heterdaard uiteindelijk niets bewijzen. Ook begin april 1756, toen onder andere bij de moesker Jannes Wiltes buiten de Herepoort korven met imen waren “doot gesmoort ende de hoenig daer uit gestolen”, stond de schulte met lege handen. Hoewel de werkwijze en de voetstappen en hun schoenmaat andermaal dezelfde bleken, ontsprong Conraet steeds weer de dans.

Tot een veroordeling kwam het dus niet, maar voor ons doel is dat ook niet zo erg belangrijk. Wel interessant is, dat de honingdiefstallen de aanwezigheid van zeker vijf kleinere bijenhouders buiten de Herepoort, de Oosterpoort en het Kleinpoortje aantonen. Met de bijenhouders die de dief niet bezocht, moeten deze toch al gauw enige tientallen, zo niet meer korven met bijen hebben gehad. Voeg hieraan toe de nog veel grotere hoeveelheden korven van meer professionele imkers, en dan blijkt dat de bijenteelt hier sterk leefde.

Waarom dat zo was? Bijna geen hof, of er stond een lading fruitbomen in. Met name appel- en perebomen, maar ook pruimen- en kersenbomen, wijnranken en aalbessenstruiken. Daarnaast deden de bijen waarschijnlijk ook wel allerlei sierbloemen en de bloeiende koolplanten van moeskers aan. In elk geval was er hier in het seizoen genoeg nectar voorhanden, om de bijen en hun bazen ruimschoots van honing te voorzien.

Eerder in iets andere vorm gepubliceerd in wijkkrant De Oosterpoorter.