Rondje Eiteweert – Den Horn – Leegkerk

Mijn favoriete, ‘Dalmatisch-gevlekte’ koe staat weer bij de Langmadijk:

Er werd iets groots verricht op de vloeivelden ten zuiden van de A7:

Opeens ook allemaal dikke bulten zand bij Eiteweert:

Terwijl het weiland even verderop verboden terrein is verklaard. Niet dat ik daar buiten de boer ooit iemand heb zien lopen, maar blijkbaar wil de (nieuwe?) eigenaar alle eventualiteiten voor zijn:

Boot genaamd Q bij de Zuidwending:

Pril blad:

Meerkoeteieren::

Paarden bij een dam, Leegkerk. Op de achtergrond de suikerfabriek.


Oldambtster koolzaadrondje

Windmee vanaf station Nieuweschans. Helaas kwam, anders dan vanochtend was beloofd, de zon er niet goed door, in de verte zag je blauwe lucht, maar boven het Oldambt nleven wolken hangen.

Bij Finsterwolde achteruit de polder in (er lijkt daar een dijkrestant te liggen)::

Ook bij Finsterwolde:

Bij het oosteind van Oostwold (oftewel de Goldhoorn):

Zon of niet, de honinggeur was overweldigend. Overal kasten met bijen:

Hier en daar werd al beregend vanwege de droogte, zoals in de polder bij Midwolda:

Bij Midwolda:

Tot dan toe ging het om incidentele percelen, het echte werk, de gele vlakte, begon pas tussen Scheemda en Noordbroek:

Eindje verder:

De imker hier bleef maar aan het opzetten:

Toch nog iets van een Oekraiens contrast:

Nog steeds tussen Scheemda en Noordbroek, maar dichter bij Noordbroek dan bij Scheemda:

Bij Noordbroek nog een kleiner stuk:


‘Stad houdt stand’ geopend

In het Groninger Museum opende vanochtend de historische expositie ‘Stad houdt stand‘ ter gelegenheid van het feit dat de stad Groningen 350 jaar geleden werd ontzet uit het beleg door de bisschop van Munster en diens kompanen.

Deze bisschop, een soort Poetin van die dagen en vooral bekend onder zijn bijnaam Bommen Berend, aan het werk in zijn studeerkamer, met onder andere mijter en staf. Portret door Jacob Quinckhardt. Op de achtergrond een stadsgezicht van Munster, zijn residentie die meneer ook niet bepaald zachtzinnig behandeld heeft:

Portret van het gezin van Johan Schulenborgh, de Groningse raadgever van de bisschop. Schulenborgh, een carrièrepoliticus van burgerlijke komaf die het tot raadsheer van de stad en lid van de Staten-Generaal schopte, was in 1662 afgezet en zelfs ter dood veroordeeld wegens zijn eigenmachtig optreden en betrokkenheid bij het gildenoproer. Sindsdien leefde hij in Munster in ballingschap:

Leeuw van zandsteen met het wapen van kolonel Bernard Johann Prott, de bevelhebber die de vesting Bourtange wist te behouden tegen de bisschoppelijke troepen:

De leeuw is oorspronkelijk afkomstig van de borg Rikkerda bij Lutjegast, waar Prott resideerde als hij even geen soldateske beslommeringen had. Prachtkop trouwens:

Via nazaten is ook de reiskoffer van Prott bewaard gebleven:

De bestorming van Coevorden, eind 1672, door Pieter Wouwerman:

Het wapen van Stad & Lande op het vaandel van de studentencompagnie in 1672:

Maquette met het schootsveld op de Stadstafel. In de verte de brandende stad. De belangrijkste approches (loopgraven) lagen op het hooggelegen terrein tussen de Hereweg (links) en het Oude Winschoterdiep (rechts). Een jaar of twintig geleden werd op een bouwplaats aan de Meeuwerderweg nog zo’n loopgraaf teruggevonden. Iemand met een metaaldetector trof er musketkogels aan, waarvan hij me een paar gaf:

Detail van de maquette, nu vanuit de stadskant gezien. Links het Oude Winschoterdiep met de Bonte, eerder ook wel Rode Brug ter hoogte van De Brink. Dat de maquette deze brug toont, moet haast wel een vergissing zijn, want op de Brink lag een schansje met Groningers. Zo’n brug laat men dan niet liggen. Maar ik zal eens nakijken wat ermee gebeurd is:

De sterk beschadigde perkamenten kaart van het schootsveld, die vroeger in de garderobe van de Stadsarchief hing, en de laatste jaren in de benedengang van de Groninger Archieven, is ontlijst en gescand. De bijgewerkte scan hangt nu op de expositie. Je kunt er allerlei details op zien:

K’non’n en koegels dei je nait op joen pokkel mos krieg’n.:

De helm van Rabehaupt, bevelhebber en redder van Groningen:

In deze fraai vormgegeven zaal ligt klein grut – munten, noodgeld en penningen:

Topstuk is hier de herdenkingspenning voor Rabenhaupt:

Tamboerstrommels van de latere burgerwacht:

De laatste zaal is gewijd aan de materiële herdenkingscultuur rondom Groningens Ontzet, zoals deze schotel, gemaakt bij het jubileum van een eeuw geleden:


Op jacht

Zilverreiger bij het Hegepad – alert:

Klaar om toe te slaan:

En daar gaat het visje via de snelste weg naar de maag:

Next:


Rondje Ezinge

Tulpen in voortuintje Zuiderweg, Hoogkerk:

Leegkerk – links de kosterij met erachter de kerk, rechts de voormalige pastorie:

Pas geploegd land en boerderij bij de Gaaikemadijk:

Voederbietenversnipperaar op achtererf, Beswerd:

Sluitsteen met stier, Beswerd – stond hier destijds de buurtbolle ter dekking?

Plaisterploats, bed and breakfast in Beswerd

’t Kerkje van Fransum (1):

’t Kerkje van Fransum (2):

In de kerk op een lessenaar dit gebed voor Oekraïne:

De melkfabriek van Ezinge heeft zijn langste tijd gehad. Onder de ramen metselwerk in Noors kettingverband, als ik het wel heb:

De breimachine van Reinie was kaduuk. Heeft iemand van dit vrij algemene type misschien nog een werkend exemplaar, dat toch niet gebruikt wordt?

Belgen bij Dorkwerd:


Rondje Lucaswolde – De Jouwer

Ontluikend blad, Roderwolderdijk Hoogkerk:

Stapel schrikdraad langs de weg, Leutingewolde:

In Nietap kwamen tientallen antieke motoren voorbij, waaronder dit zijspan:

Middenweg bij Boerakker, dacht ik:

Vrouw Snakenborg staat er nog, langs de Hooiweg in Lucaswolde:

Stal met extra ventilatie, De Jouwer:

Vrij veel pollen dotters daar, op slootranden – hier bij mij in de buurt heb ik ze dit voorjaar niet zoveel gezien:

Drie lammeren op een dijk bij het Hoendiep zuidzijde tussen Enumatil en Oostwolmerdraai:


Rondje Donderen – Peest

Fazantenhaan bij de Weringsedijk in de Onlanden:

Hek bij Het Beeld, een stukje coulissenlandschap bij de Drentsedijk:

Donderenseweg vlakbij het Paasveen – de suggestie van groen dat op sprang staat:

Het doel was het inleveradres voor plastic doppen tbv de opleiding van geleidehonden, aan het Roozand achter Donderen. Voor het huis stond deze te pralen:

Daarna op goed geluk door het Noordsche Veld gereden, een natuurgebied onder Peest.

Pril naaldgroen dat me niet bekend voorkwam – een ceder?:

Berkenbos in de buurt van het Bunnerveen:

Honderd meter verderop stond er precies zo’n bord aan de andere kant van de weg. Op de weg lag totaal geen modder – blijkbaar had de boer Paasschoonmaak gehouden, maar was hij de borden vergeten:

De Vaartweg bij Altena:

Uitbottend waar gesnoeid was:

Ooievaar op de Weehorst bij Roden:

In overleg met zijn vrouw, met wie hij samen aan het foerageren was:

En wegstiefelend:

Onvoltooide asbestsanering? Achter ’t Bos, Roden:

Doorkijkje:

Stookhut met fruitbloesem, Foxwolde:


Ruud Bartlema – Avondmaalsgroep

Gezien in de kerk van Vries vanmiddag, deze ‘Avondmaalsgroep’ van de beeldend kunstenaar (en theoloog) Ruud Bartlema:

Op het eerste gezicht dacht ik dat het monniken waren, door hun uniforme pijen. Het zullen discipelen zijn, in afwachting van:

De middelste van de groep lijkt het eten en drinken te zegenen:

In de groep spelen zich onderonsjes af, soms op gang gebracht met een subtiel gebaar:

Het luisteren, terwijl er misschien niet eens zoveel gezegd wordt:

Een roddeltje achter de rug om:

“Neem en eet.”


Garmerwolde v.v.

‘Ontvellende berk’ bij het noordelijke fietspad in het Stadspark:

Bak met montagemateriaal van de spoorwegen, bij het fietspad langs de Peizerweg:

Kunstwerk Garmerwolde (detail): hond, hok, bal:

In de kerk van Garmerwolde Johan van der Dong met zijn performance Klei-Monologen:

In de kerk exposeerden Johan en zijn vrienden, waaronder Luc Veenstra met stemmige foto’s van kleilandschappen:

Drogende, scheurende klei, ook van Veenstra:

Op de grafsteen van de stokoude dominee Hermannus Sebastiani uit 1672 een wapen met een wassenaar en drie sterren, dat lijkt op het stadswapen van Dokkum:

Terug langs de Oosterhaven in Stad:


Het klapgeld van de Bonte Brug

Tussen 1662 en 1694 werd er ‘klapgeld’ geheven op of bij de toen vrij nieuwe Bonte Brug buiten  Kleinpoortje over het Schuitendiep (nu Oude Winschoterdiep). Getuige een resolutie beschouwde het stadsbestuur dit klapgeld als een soort van tol. Of de heffing (turf)schepen gold waarvoor de brug omhoog moest, en/of passanten die over de brug kwamen, is me nog onbekend, evenals de tarieven. Die hoop ik binnenkort nog eens te achterhalen in de bijlagen bij de stadsrekeningen.

Wel noteerde ik uit de stadsrekeningen ooit de bedragen, waarvoor de inning van het klapgeld ieder jaar verpacht werd, wat gebeurde op afmijningen (veilingen bij afslag in plaats van opbod). De gerealiseerde pachtsommen weerspiegelen derhalve de verwachtingen die de kandidaat-pachters hadden van de sommen die ze in het komend jaar bij elkaar zouden weten te innen. Of het nu om veenkoloniale schepen ging dan wel passanten te voet of te paard – die verwachtingen hingen samen met schatting die de kandidaat-pachters hadden van de verkeersintensiviteit bij de klapbrug en hoe die zich in het komende jaar zou gaan ontwikkelen. Bij een stijging van de pachtsommen werd een groei van die verkeersintensiviteit verwacht, bij een daling een vermindering. Hier dan de grafiek van die pachtsommen (blauwe staafjes nominale opbrengsten, rood voortschrijdende vijfjaarlijkse gemiddelden). 

Te zien is dat de pachtsommen in de jaren 1660 nogal fluctueren, wat mogelijk ook komt doordat het een vrij nieuwe heffing was, waarbij de gegadigde exploitanten nog niet goed een raming konden maken van kosten (de pachtsom plus loon van eventueel inningspersoneel) en baten (de geïnde sommen),

In elk geval is de trend in de jaren 1660 een dalende. De jaren 1670-1672 waren duidelijk geen beste, integendeel, de minste van de hele periode. Als de oorlog van 1672 door zou spelen in de biedingen voor 1673, dan zou de pachtsom van dat jaar minstens even laag geweest zijn als die van de voorgaande jaren, maar dat is dus niet zo: de opbrengst in de stadsrekeningen stijgt en blijft stijgen. Vanaf 1678 wordt deze zelfs hoger dan in de jaren 60. Na 1688 is de groei voorbij en in 1694 wordt het klapgeld weer afgeschaft.

Als de verkeersintensiviteit, zoals ik vermoed, een afspiegeling is van de veenkoloniale economie, dan ging die weer groeien in de jaren 1673-1688. Daarna is er een recessie. De crisis van het rampjaar 1672 heeft hier niet zo lang doorgewerkt.


Voorjaar in het Vredewold en de Kop van Drenthe

Lammeren bij Sandebuur:

Veel ‘keboutertitjes‘ (speenkruid) dit jaar, zoals in de omgeving van Den Horn:

Sandebuur – ooievaarsnest. Ze zijn daar in de buurt (Roden, Peize, Roderwolde) bijna allemaal bezet, dat was vorige jaren wel anders:

Bosanemonen op berm Roderwolde:

Fazantenhaan in het riet, Onlanden bij de Roderwolderdijk:

Bij Nienoord:

Speenkruid bij slootje Den Horn:

Fazentenhaan bij fietspad Langmadijk, Peizermade:


“Zeegewasjes die men zwijntjes noemt”, of slavernijgeld in Hoogkerk

Monetaria annulis. Foto: Harry Rose, Flickr cc.

Op een kwade dag in 1807 miste Lourens Passe, boerenknecht bij Hans Gerbers in Hoogkerk, de geldbuidel uit zijn broekzak. In die beurs zaten een dubbeltje en “twee zeegewasjes die men zwyntjes noemd”. Gelukkig ontving Lourens zijn schatten terug van de dienstmeid, die hij van de diefstal had verdacht.

Over die zeegewasjes las ik al vaker iets, zo meende ik, alleen wist ik niet meer waar. Vaag associeerde ik het met Egge Knol, die zich al van jongs af aan bezighoudt met schelpen. Daarom mailde ik Egge of hij wist wat er met die zeegewasjes bedoeld werd. Hij kon zich er niets bij voorstellen en vroeg zich af of het niet gewoon schelpen waren geweest.

Zelf dacht ik in eerste instantie aan koraal. Volgens het WNT werd het woord zeegewas zo ook gebruikt door Dodenaeus (1568). Een inleiding op de penningkunde uit 1717 meldt echter dat “zeekere zeehoorentjes (Caurits genaamd)” door de bewoners van Siam als “duyten” (kleingeld) werden gebruikt, “welk zeegewas” hier vanaf de Malediven werd aangevoerd. Een andere WNT-bron  noemt bovendien “schulpkens” (schelpjes) als zeegewassen. Het Nederlands-Franse woordenboek van Halma (1710) definieert zeegewas ook als alles wat de zee voortbrengt, zowel koraal als schelpen.

Egge kwam weldra terug met een stokoud artikel uit zijn ‘lijfblad’ Basteria, het orgaan van de Nederlandse Malacologische Vereniging, dat inderdaad een goede verklaring geeft voor het raadsel, wat er anno 1807 bedoeld werd met die “zeegewasjes die men zwyntjes noemd”.

Dat artikel gaat in bij een vondst in het voorjaar van 1954. Bij grondwerk in de Wieringermeer ten zuiden van het vroegere eiland Wieringen kwamen er toen in een smalle opstrek van kavels op een voormalige zandbank bijna 4000 kauri’s tevoorschijn van de soorten Monetaria moneta en Monetaria annulus. Dat wekte bevreemding, want zulke schelpen zijn niet hier inheems, maar in de Indische Oceaan en bij de Molukken.

De curieuze schelpenvondst in de Wieringermeer deed ook sterk denken aan eerdere, soortgelijke vondsten in Zeeland. Op zaterdag 28 juni 1738, anders een rustige dag, was het VOC-retourschip Reygersbroek door een onverwachte windvlaag tegen de Westkapelse Zeedijk te pletter geslagen, waarbij het grootste deel van de bemanning, inclusief kapitein Moens, het leven liet. Slechts dertig manschappen konden deze schipbreuk navertellen. Hun schip kwam van Ceylon en was deels geladen met kauri’s. Nog jaren na de schipbreuk werden er vooral in Westkapelle, op Walcheren en verder op alle stranden tussen westelijk Zeeuws-Vlaanderen en Goeree grote hoeveelheden van deze schelpen gevonden. Zelfs in 1955 trof men nog af en toe een exemplaar aan.

Kauri’s speelden een belangrijke rol in de koloniale handel tussen Europa, Azië, Afrika en Amerika. De schelpen werden vooral gewonnen bij de Malediven. Rond 1700 gingen ze “in menigte”, want soms wel met dertig, veertig schepen tegelijk, naar Bengalen, waar ze, net als in Siam, gangbaar waren als kleingeld. Sommige inheemse vorsten hadden er pakhuizen vol van. Vanaf Bengalen, Ceylon en de Molukken verscheepten de Nederlanders deze kauri’s naar West-Afrika, waar ze deze vooral ruilden tegen slaven, maar ook wel andere goederen. Een slaaf deed 20.000, 30.000 kauri’s. Op de slavenkust werden de lege ruimen vervolgens gevuld met slaven voor de Amerikaanse plantages, die koloniale producten als koffie, suiker en tabak voor de Nederlandse thuismarkt terug leverden. Niet alleen de Nederlanders hadden zo’n mondiaal handelssysteem, maar de Engelsen en Fransen evenzo.

Zoals de kauri’s van Westkapelle door stromen en getijden verspreid raakten over de stranden van een veel wijdere kustregio, zo bleken de kauri’s van Wieringen tevens te vinden langs de kusten van de Kop van Noord Holland tussen Bergen en Enkhuizen. Bij Wieringen  is er echter geen schipbreuk van een Oostindiëvaarder gedocumenteerd, laat staan een wrak gevonden. Mogelijk heeft een schip hier een deel van zijn lading verloren of overboord gezet, toen het op weg van of naar Amsterdam in nood raakte.  Dat moet dan gebeurd zijn voor de afschaffing van de slavernij in 1863, die aan het gebruik van grote hoeveelheden kauri’s voor de slavenhandel een eind maakte.

In de kustregio’s van Walcheren en westelijk Zeeuws-Vlaanderen hebben de kauri’s zelfs nog sporen nagelaten op de folklore. Nog  heel lang na de schipbreuk van 1738 gebruikte de plattelandsbevolking hier ze als pasmunt en fiches bij (kaart)spelletjes. De kauri’s werden er gewoonlijk “keutjes” genoemd, omdat ze leken op varkenssnuitjes. De koers was twintig keutjes voor één cent. In sommige plaatsen noemde men ze ook wel “varksjes” en “zeugjes”. En daarmee zijn we weer  beland bij de “zwyntjes” in het Hoogkerk van anno 1807.

Het schelpengeld dat in West-Afrika de slavenhandel faciliteerde, was destijds dus zelfs te vinden in de geldbuidel van een Groninger boerenknecht. Het kan zijn dat die het aan een potje kaarten overhield. Neemt niet weg dat de kauri’s in zijn beurs tot nadenken stemmen. Slavernij was niet alleen iets van plantages in de koloniën, en grote stadspaleizen in patria. Ze zat in de haarvaten van de samenleving.

Met dank aan Egge Knol.

Bronnen, behalve de gelinkte:

  • Groninger Archieven, Toegang 136 (archief Hoge Justitiekamer) inv.nr. 2170 (Grietje Lammerts, Leegkerk) nr. 28: getuigeverklaring Hans Gerbers, Hoogkerk, 10 wintermaand 1809).
  • W,S.S. van Benthem Jutting (Zoölogisch Museum, Amsterdam), ‘Vondsten van tropische kauri’s in Nederland’, Basteria: Tijdschrift van de Nederlandse Malacologische Vereniging, XIX (1955) nr. 1, pag. 1-20.

De 2 miljoen voorbij

Maar ach, wat zegt het ?


Rondje Niekerk – Tolbert

Maarsdijk bij Niekerk:

Het ooievaarsnest bij de boerderij Werklust aan de Smidshornerweg in Niekerk blijkt bezet:

De eerste vlinder van het jaar, een kleine vos bij de Dijkweg onder Bakkerom:

De waterberging bij de Dijkweg stond nog voor een groot deel blank:

De drie Pijlders, een ouwe herberg in Tolbert:

De kerk van Tolbert:

Laantje bij Oostwold. Het bosje in de verte rechts, bij de A7, herbergt een vuilnisbelt uit de jaren zestig. Er komt een zonnepark:

Het was de eerste keer dat ik dat hek open zag staan, dus er even heen. Er viel weinig te zien. Het laantje was van de andere kant af wel weer mooi:


Steiloor en loboor

Bij het Achterstewold, Peize:

Lekker in de zon en op ’t hooi, wat wil een varken nog meer?