Rondje Kloosterburen

Leegkerk:

Bij de Nieuwbrug:

Bij Warfhuizen in de buurt, meen ik:

Industrieel monument, Wehe:

Broek en het Broekster- of Wierhuistermaar:

Bij Hornhuizen: art déco dampaal:

Bij Hornhuizen, sluitsteentje met koe:

Vreemde structuren in sloten door de snelle dooi:

Kloosterburen, ornament van keramiek, ongetwijfeld van Anno Smith:

Bij Kloosterburen:

Dorpsgezicht Hornhuizen:

Leens:

Jugenstil topgeveltje, oostkant Leens:

Iets ter herdenking van Ede Staal, ook daar:

Buizerd bij Roodehaan:

Fransum:


Baksteen uit De Helle voor Groninger kerken

Kaartje van De Helle (nu Terheijl) en omgeving in de Middeleeuwen, gemaakt door alle latere toevoegingen, zoals Nienoord, de veenkolonie Leek en Nietap, te verwijderen uit een kaartje dat Beckeringh ca 1750-1760 vervaardigde. NB: de oriëntatie is de omgekeerde van de gebruikelijke: zuid is hier boven en noord is onder. Je moet dus als het ware kijken vanuit Nienoord, dat onderaan het kaartfragment stond, maar dat is weggepoetst.

De Helle lag op Drents grondgebied in de hoek tussen enerzijds de landweg Roden-Tolbert/Midwolde en anderzijds het grensriviertje De Lek tussen Drenthe en het het Vredewold. Dat was in the middle of nowhere. De dichtstbijzijnde nederzettingen waren de buurtschap De Zulthe onder her kerspel Roden aan de Drentse kant en Tolbert/Midwolde aan de Vredewoldster kant. Deze uithoek bestond tot ongeveer 1300 voornamelijk uit een onontgonnen wildernis van hoog- en laagveen en heide.

De reden dat het grote klooster Aduard destijds hier een uithof vestigde, was, zoals bekend, dat er aan de oppervlakte potklei gevonden werd, terwijl er ook turf kon worden gewonnen. Met de turf verbakten de bewoners van de uithof in veldovens de potklei tot bakstenen en dakpannen, waarmee bijvoorbeeld de prachtige romanogotische kerken van Groningerland werden gebouwd.

De uithof van De Helle was geheel en al georiënteerd op Aduard in het noorden, zoals je ook kunt zien aan het doodlopen in het veen van een weg naar het zuiden (nu de Scheperij). Via het dichtstbijzijnde bevaarbare punt van de Lek – misschien bij de boerderij Romen, of anders nog wat dichterbij het Zulthermeer (nu Leekstermeer) – en verder het Leekstermeer, de Munnikevaart en de Gave bij Oostwold, de Zuidwending, het Aduarderdiep en de Lindt gingen de producten naar Aduard, waar ze werden gebruikt en verhandeld.

In 1807 is uithof De Helle allang veranderd in een havezate of buitenhuis Terheijl, dat intussen ook aanzienlijk uitgebreid en verfraaid werd, maar een lijstje van de dan door de eigenaar zelf geëxploiteerde percelen (Drents Archief OSA 1513), laat zien hoe het verleden nog in de veldnamen voortleeft. Bij het Huis Ter Heyl en zijn hoven en singels horen dan:

  • De Duivekamp, bos(s)ie en Osseboerskamp
  • De Rutsche camp
  • De Vagevuur kamp
  • De Tichel kamp
  • De Sante(e)’s kampen
  • Leekster veld
  • 4 campen bij de Nietap
  • ’t Zuyderveld en -veen
  • 10¾ waaren (aandeken) in ’t gescheyden veen
  • ’t Baggelveld

De onderstreepte namen, komen ook voor op de veldnamenkaart van Wieringa, ca. 1970 (zie HisGis). Opvallend zijn het Vagevuur (dat als het ware reageert op De Helle, ooit een schansje)  en de Tichelkamp, een plek waar potklei zal zijn gewonnen. Het Leeksterveld, het Zuiderveld, het Baggelveld en de naamloos gescheiden venen hebben te maken met de winning van turf. Toch zullen deze venen niet allemaal al in de Middeleeuwen in exploitatie zijn genomen. Het Zuiderveld ten zuidwesten van De Helle, en het |Leeksterveld even over de provinciegrens kwamen pas veel later aan snee. Het Baggelveld, dichter bij de uithof, heeft dan wat betere papieren, ook omdat baggelen duidt op laagveenderij (vanonder de grondwaterspiegel vandaan), die een turf met een hogere calorische waarde voor de steenbakkerij opleverde. Verder lijken ook de Santeekampen – overgenomen van of gepacht door de ondernemersfamilie Santee – een aanwinst uit een veel jongere periode, ik schat tweede helft achttiende eeuw..

Een Jan Smit bracht in 2012 de hem bekende veldnamen van Terheijl e.o. in kaart (pdf) voor Staatsbosbeheer:

NB: dit kaartfragment heeft wel weer de gewone noordzuidoriëntie. Afgezien van het Zuiderveld, het  Leeksterveld en het Baggelveld, maar inclusief de diverse in 1807 ongenoemd gebleven Hellen, liggen de in 1807 genoemde percelen in een  opstrek tegenover het huis, zeker als we de Santeekampen niet meerekenen. Met de kampen onmiddellijk ten westen en zuiden van het huis die in 1807 evenmin worden genoemd (Olle Tuun, Heerskamp, Klaverkamp) en  met de eveneens ongenoemde Klaaiedobben, de Voorste Ganzenkamp en wellicht het Baggelveld aan de westkant moeten ze behoord hebben tot de middeleeuwse uithof De Helle, waar dus die kloostermoppen vandaan kwamen voor onze prachtige oude Groninger kerken.

 


Winters rondje Terheijl

Groepje jongeren, schaatsend op een slenk in de Onlanden:

Drinkbak bij Roderwolde met een dichtgesneeuwd koeienpaadje erheen::

Roderwolder Schipsloot:

Foxwolde?

Leutingewolde:

Hoek Toutenburgsingel bij de Santeeweg:

Terheijl, bij de Scheperij;

Blok ijs uit drinkbak aan zandweg binnendoor:

Terheijl, bij de Scheperij in het veld:

Binnenkort in dit theater:

Het boerderijtje middenin het veld waar mijn oudtante Gerkje Kroese en haar man Jan Albert Postema van ongeveer 1937 tot zeker haar vroegtijdig overlijden in 1963 hebben gewoond:

Destijds had je nog niet zulke stoppels van mais, ’s zomers zit je er nu nogal ingesloten, lijkt me:

Bij Nienoord:

Het Lettelberterdiep:

Het pontje van de Poffert, ingevroren:

Vanaf Leek kan je over het Leeksterhoofddiep of het Leekstermeer en de Munnikevaart redelijk veilig tot De Poffert komen en dan over het Hoendiep naar Enumatil. Aan de oostkant van de DePoffert zit een grooy vogelwak en bij de suikerfabriek op Vierverlaten is het ijs kapotgevaren of tamelijk dun. Vanaf de stad kan je in elk geval geen Leekstertak gaan halen:


Avercampje Cosun Beet

Even naar het schaatsvertier op de Ruskenveense Plas wezen kijken. Zo heel druk was het er nou ook weer niet, maar morgen en overmorgen zou dat wel eens anders kunnen zijn. Het middendeel met op de achtergrond Bangeweer (zonder koek en zopie):

De kant van de suikerfabriek op:

Bij de Dijkstralaan was wat meer volk:

Stel met buggy:


Wat als God een van ons was?

Had God een naam – hoe zou die zijn dan?
En sprak je hem zo aan?
Als je hem in zijn volle roem zag
En wat breng je uit, als je hem wat vragen mag?

Refrein:
En ja, ja, God is groot
Ja, ja, God is goed
En ja, ja ja ja-ja-ja

Wat als God een van ons was?
Gewoon een vreemde met plastic tas?
In de bus een doorgangsgast, die
anoniem naar huis toe was.

En God zijn gezicht, hoe zou dat zijn dan.
En wou je het zien, als dat betekent
Dat je geloven moet in dingen
als hel en hemel, profeten, heiligen en Jezus?

Zomaar iemand op weg naar huis.
Terug naar de hemel heel alleen
Niemand belt hem op weg erheen
Buiten de paus misschien geeneen


Drenthe heeft Hel en Vagevuur dubbel

Bron: HisGis Drenthe, veldnamenkaart.

In 1723 is er voor de Etstoel, de hoogste rechtbank van Drenthe, een procesje over het onderhoud van de Leck of Leek, een waterlossing door de groen- en hooilanden (maden) van de marke Alting en Klateren ten noordoosten van Beilen. Het venige stroomje op de grens van twee verkavelingsblokken mondt uit in de Beilerstroom. Als veldnamen worden in dit proces genoemd De Hel (voor groenland) en het Vagevuur (voor hooiland).

Uiteraard heb ik ze even gekeken of deze namen te vinden zijn op de Drentse veldnamenkaart onder Hisgis. Deze is gebaseerd op aantekeningen van de veldnamenonderzoeker Wieringa, die allerlei boeren interviewde, maar helaas ook wel actuele namen mengde met historische, zodat je eventuele ontwikkelingen niet meer kunt zien. Inderdaad zijn op de HisGiskaart de veldnamen te vinden.

Opmerkelijk is, dat dezelfde toponiemen voorkomen bij Nietap in Noord-Drenthe. De Leek was daar oorspronkelijk een veenstroompje, parallel aan het later gegraven Leekster Hoofddiep. Ten oosten ervan lag De Helle, vanaf de veertiende eeuw tot ca. 1780 de gangbare naam voor een (voormalige) uithof van het klooster Aduard Na 1780 kreeg De Helle hier de aangenamer klinkende naam Terheijl. Ten oosten daarvan lag en ligt nog steeds Het Vagevuur. Maar Noord-Drenthe heeft nog iets extra’s, want bij De Hel en Het Vagevuur lag (en ligt) er ook nog een boerderij Romen, een naam die bij Beilen nou juist ontbreekt.

In Noord-Drenthe was de Helle duidelijk het oudste toponiem. Het betekende zoals als laag , drassig land. Toen de naamsoorsprong hier niet meer begrepen werd, kwamen er Vagevuur en Rome naast, die beiden refereerden aan  het (voormalige) kloosterbezit. Bij Beilen lijkt zo’n aanleiding helemaal afwezig: Kloosterbezit was niet perse nodig om naast een Hel een Vagevuur te zien.

 


Socialist koopt NSB-krant bij Uffelter klompenmaker

Het Drentse NSB-affiche voor de provinciale statenverkiezingen van 1935. Lijsttrekker was de beruchte Dieters, over wie vorig jaar een biografie verscheen door Sienus Nijborg.

In De Vrije Socialist van 3 april 1935, sinds kort op Delpher te vinden, staat een verslag van een merkwaardige ontmoeting in Uffelte, dat het anarchistische periodiek ontleende aan het sociaaldemocratische dagblad Het Volk.  Omdat de oorspronkelijke publicatie niet op Delpher te vinden is, moeten we het doen met De Vrije Socialist. Volgens dat blad had de ontmoeting zich bijna een jaar eerder, dus in het voorjaar van 1934, voorgedaan, en was het veel recentere verslag erover afkomstig van een H.M. uit Groningen, die met een groep AJC-ers vanuit het Havelter Hunehuis een wandeling naar Uffelte had gemaakt.

In de initialen herkennen we Herman Molendijk, sinds eind jaren 30 leider van de noordelijke AJC (de jeugdbond van de sociaaldemocratische SDAP), tevens bouwheer en bedrijfsleider van ‘t Hunehuis in Havelte, het vaste onderkomen voor vakantiekampen van de noordelijke AJC. Zoals in een recent boek over het Hunehuis te lezen valt, liep Molendijk steevast met groepen bezoekers naar Uffelte, om daar een en ander uit te leggen over de omgeving. In 1934 woonde hij nog met zijn vrouw in het Hunehuis, een jaar later was hij inmiddels wethouder in Groningen.

Goed, nu dat verslag. Op een bospad naar Uffelte, zagen Molendijk en zijn AJC-groep voor “een kleine, wankele hut” een groot bord staan met reclame voor Volk en Vaderland. Ze verbaasden zich erover; hoe belandde dat reclamebord voor de NSB-krant hier in Uffelte? Molendijk besloot het de bewoner, een klompenmaker, zelf te vragen:

Ik stapte het erf op, vroeg een krant te koop en knoopte een gesprek aan. Met nog een paar van zijn mede- gehuchtbewoners was hij met de heeren (van de NSB, HP) in aanraking gekomen. Ze kwamen met een auto uit Utrecht!

Voorzichtig informeerde Molendijk  naar de reden waarom de klompenmaker zich bij de NSB aangesloten had. Daar kon men toch geen heil van verwachten? De Uffelter was het daar niet mee eens, wat leidde tot een curieuze gedachtenwisseling tussen links en rechts, die anno 2021 helaas enige herkenning oproept:

— Och meneer (aldus de Uffelter), zoo kan het ook niet blijven! Het moet allemaal anders worden.

— Ja, dat vinden wij ook! (beaamde Molendijk). Alles moet anders worden, maar het wordt niet anders als de menschen elkaar opsluiten en de hersens inslaan. Voor verandering is geen geweld noodig.

— Dat kan wel, meneer, maar nu hebben we hier de S.D.A.P. in de regeering en wat zijn we er beter van geworden?

—De S.D.A.P. in de regeering? Daar vergist u zich toch zeker in? De S.D.A.P, heeft hier nog nooit in de regeering gezeten.

— (De man tot zijn zoon): Haal dat kraante dan za’k et um veurleze (De vader, lezende uit de krant): Heur dan: hier steet et! Minister Slotemaker de Bruine, minister van Sociale Zaken, antwoordt. Dat is dan toch een sociaal!”

Nu had de SDAP op dat moment nog nooit in de regering gezeten, terwijl minister Slotemaker de Bruïne van de conservatief-christelijke CHU was. Molendijk probeerde de man het onnozele fabeltje van de socialistische regeringsdeelname uit het hoofd te praten, maar tevergeefs, want:

‘”Slotemaker is partijgenoot en moet het blijven.

Dat Molendijk een jaar later nog eens in de krant terugdacht aan de ontmoeting, kwam doordat in maart 1935 de kandidatenlijsten voor de aanstaande statenverkiezingen in de diverse kranten werden gepubliceerd, ook die van de NSB. En daaruit bleek

dat ons klompenmakertje uit Uffelte voorkwam als no. 9 op de Drentsche lijst. Hij is waarschijnlijk een van de mannen, die door hun deskundigheid de openbare lichamen versterken…”.

Om wie het ging, viel gemakkelijk te achterhalen. Het bleek te gaan om een A. Jonkers. Dat was echter niet de oude man die per abuis meende dat de SDAP in de regering zat, maar diens zoon. Die overigens  dezelfde politieke opvatting toegedaan was.

De oude klompenmaker heette Berend Jonkers en was ten tijde van de ontmoeting met Molendijk ruim 75 jaar. Sinds enkele jaren was hij gescheiden van zijn vrouw, met wie hij  bijna een halve eeuw getrouwd was geweest. Hij overleed in 1941.

Zijn zoon op de provinciale NSB-lijst heette Albert Jonkers en staat net als zijn vader te boek als klompenmaker, maar ook als arbeider en boomkweker. Hij was begin 1894 geboren en dus 40 jaar oud ten tijde van de ontmoeting met Molendijk. Deze Jonkers was in 1917 getrouwd met een arbeidersdochter en dienstbode uit Havelte, met wie hij zeker vier kinderen kreeg (een overleed een paar dagen na de geboorte). Als hobby fokte hij stamboekgeiten. In de crisisjaren deed hij nogal eens mee aan lokale geitenkeuringen.

In de oorlogsjaren liet Albert Jonkers zich niet onbetuigd. Hij deed in 1944 en 1945 in de omgeving dienst als ‘hulplandwachter’, in welke functie  hij voor de Duitsers patrouilleerde, bewakingsdiensten verrichtte en aan huiszoekingen meedeed. Ongetwijfeld is hij na de oorlog meteen opgepakt en geïnterneerd. Zijn zaak was te zwaar voor het Tribunaal en vervroegde vrijlating. Eind mei 1949 kwam deze  daarom nog voor het Bijzonder Gerechtshof in Leeuwarden. De eis was dertien jaar gevangenisstraf. In de uitspraak bleef daar negen jaar van over, met aftrek van de vier jaar voorarrest, maar ook met levenslange ontzegging van het actief en passief kiesrecht. Hierbij had het Hof nog rekening gehouden met de algemene gratie bij de troonsopvolging van 1948. Geen kattepis, al met al, zo’n straf.

Albert Jonkers zal in 1953 of 1954 op vrije voeten zijn gesteld en keerde toen terug naar zijn woning aan de Ruiterweg in Uffelte. Daar kwam op 7 juli 1966 een eind aan zijn leven. Na het middageten reed hij zonder uit te kijken met zijn brommer de weg op, en werd geschept door de bestelauto van de lokale Sparwinkel. De huisarts, dokter Bruins, kon slechts de dood constateren. Een paar dagen later werd Jonkers ter aarde besteld op de begraafplaats van Uffelte, een eindje verderop aan de Ruiterweg. Getuige de rouwadvertenties in de Meppeler Courant herdachten zijn nabestaanden hem als een “lieve man” en “beste vriend”.


Oudoom als back in Groninger Elftal

Drachtster Courant 8 april 1938.

Ontdek via de Drachtster Courant op Delpher, dat een jongere broer van mijn grootvader vlak voor de oorlog als back in het Groninger Elftal speelde. Waarschijnlijk was het Hein, omdat Klaas Vondeling al naar Assen was verhuisd, waar hij in Achilles speelde. In het Groninger team zat slechts één GVAV-er; WVV Winschoten (later de club van Klaas Nuninga, Jan Mulder en Arie haan) was de hofleverancier van het team met drie spelers, waarvan er twee in de voorhoede speelden.

Bij de Friezen geen Abe Lenstra en ook geen andere spelers van Heerenveen en Cambuur. Akkrum was hier de enige club die meer dan een enkele speler aan het vertegenwoordigende team leverde.

De Groningers begonnen de match als underdog, maar wonnen volgens het wedstrijdverslag van een paar dagen met 5-3 . De Friezen waren fysiek sterker, maar de Groningers technisch beter. Vondeling wordt niet met name genoemd, maar volgens het verslag waren er geen zwakke plekken in het Groninger Elftal.   Sinds 1909 hadden beide elftallen elkaar 32 maal bestreden waarvan de Groningers 19 ontmoetingen won en de Friezen slechts 8.

 


‘Hier kan men zien wat goede wil vermag’

Johan Melse – Sneeuwlandschap. De Wandelaar, 1936.

[Uffelte] Vanmorgen was het in ons dorp een en al bedrijvigheid. Men zag oud en jong druk aan het sneeuwscheppen, wat met de dikke duinen, die hier en daar te hoop gestoven waren, ook wel noodig was. Vanmorgen reed de zandstrooier door ons dorp, zoodat nu alle straten weer begaanbaar zijn. Hier kan men zien wat goede wil vermag.

Aldus een bericht in de Meppeler Courant van dinsdag 6 februari 1940. Het was uiteraard alleszins lofwaardig dat de Uffelters  hun straten weer vrij schepten, maar het gemeentebestuur in het naburige Havelte wilde wel even gezegd hebben, dat het niet helemaal vanzelf gegaan was en dat het de stoot had gegeven tot deze sneeuwruimerij. In de volgende editie van de Meppeler, die van 9 februari, kwam daarom dit berichtje te staan van de Havelter correspondent:

HAVELTE. Door het gemeentebestuur werd krachtens art. 69 van de algemeene politieverordening (betreffende persoonlijke diensten) de geheele bevolking dezer gemeente tegen maandagmorgen opgeroepen om behulpzaam te zijn bij het sneeuwvrij maken van de doorgaande verkeerswegen, welke door de sneeuwverstuivingen geheel of nagenoeg geheel waren gestremd. Aan deze oproep hadden tal van goedwillende ingezetenen gehoor gegeven, in alle buurtschappen was men met man en macht bezig om de groote sneeuwmassa’s te verwijderen. Het is gebleken dat door eendrachtig samenwerken veel te bereiken is. De gemeenschapszin van de ingezetenen onzer gemeente had tot resultaat, dat de communicatie met de omliggende dorpen weer volledig hersteld werd.
Gebeurtenissen als deze hebben stellig tot gevolg dat de strenge winter van 1939-1940 nog lang in de herinnering zal blijven voortleven.

Niet alleen in Uffelte, maar overal in de gemeente Havelte waren mensen collectief in touw geweest. Kennelijk stond er een bepaling in de APV dat volwassenen daartoe ook verplicht waren. Ik denk dat dat artikel al heel lang geschrapt is en dat je nu een oproer zou krijgen als je de lui ertoe zou verplichten. Zelfs in de vrij sociale Oosterpoortbuurt was ik meestal de enige van mijn straat die de stoep voor zijn huis sneeuwvrij maakte.

Overigens is die strenge winter van vlak voor de oorlog allang vergeten. Als wij het over strenge winters hebben, dan gaat het over die van ’63 en ’79.


Rondje Roderwolde – Matsloot – Lagemeeden

Berijpt bermgewas bij tunnel Eemsgolaan:

Kleumende vink (met dank aan Hendrika) bij de eerste Onlander brug:

Uitgebloeide cichorei met rijp:

Even verderop aan de Roderwolderdijk:

Mollenfeest bij de Waalborg:

Het weggetje naar de Waalborg:

Achtereind boerderij bij de Waalborg met diverse plunderij:

Zuidelijke uiteind van de Stobbenvenne met op de achtergrond het Roderwolder kerkhof:

Scharrelvarkens aan de Hooiweg:

Dode reiger in de Matsloot:

Miro-motiefje in de  berm van de Woeste Hoeve:

De Poffert – hellingbazenwoning met pontje:

Kerkhof Lagemeeden:

In een hoek op de zon bloeiden er sneeuwklokjes:

De schuur, wat verder aan de Nutweg:

Berijpte bereklauw:


Een dode letter

Gevelsteen  in het Jacob- en Annagasthuis aan de Vishoek in Groningen.

Op 30 mei 1635 neemt het Groninger stadsbestuur een kloek besluit:

Is geresolveert dat voortaen geen curatoren oft voorstanderen van weeshuisen, gasthuisen en andere publique conventen zullen eenige van haerer naemen boven de deuren, poorten oft portailen laten houwen ofte schrijven, maer alleene de naemen van de versz[eide] conventen met de datumps der reparatiën.

Voortaan zouden de gast- en weeshuisvoogden dus niet meer mogen geuren met hun eigen namen op gedenkstenen die herinnerden aan de onder hun beheer verrichte (ver)bouwwerkzaamheden. In de resolutie is sprake van steenhouwers- en schilderswerk. Houtsnijwerk noemt ze niet. Die lacune maakten Burgemeesteren en Raad ruim een jaar later goed. Ze verordonneerden op 23 juli 1636

dat voortaen boven die Gasthusen ende Weeshusen die naemen van derselver vooghden niet gehouwen, gesneden noch geschildert sullen mogen worden.

Ook kregen de voogden van de tientallen verschillende charitatieve instellingen dit keer afschriften van het besluit, wat waarschijnlijk nog een andere omissie van het voorgaande jaar goed moest maken.

Een motivatie voor hun besluit gaven de heren niet, daar waren ze überhaupt niet zo sterk in. Ik denk dat ze de eigen lof boven allerlei poorten op gespannen voet vonden staan met de vereiste calvinistische soberheid. Bovendien hoorde je niet op je goede werken te pochen. Maar dat de maatregel al zo snel opnieuw afgekondigd moest worden, geeft  waarschijnlijk aan dat de gast- en weeshuisvoogden er zich nauwelijks aan hielden. Inderdaad zien we in veel Groninger hofjes uit die tijd de later aangebrachte opschriften, die bewijzen dat de maatregel een dode letter bleef.

De heren gaven zelf ook niet het goede voorbeeld. Volgens een besluit van 26 september 1638  lieten ze in alle ruimtes van hun Wijnhuis (keuken, oldermans-, vrouwen-. heren- en burgerkamers) nieuwe ramen maken met gebrandschilderde glazen waarop hun eigen namen (en wapens?) en die van andere andere ‘stadsofficianten’ prijkten. In de Martinikerk heb je soortgelijke ramen met familienamen en -wapens.

Maar eigenlijk mogen we ook wel blij zijn dat de maatregel een dode letter bleef. Zonder al die opschriften zouden de Groninger hofjes heel wat saaier zijn.


Rondje Terheijl

Overal vrij veel water op het land. Roderwolde:

Hout te koop, Leutingewolde:

Baggelveld, Terheijl:

Midwolde vanaf een plek bij de Hoedekast in de buurt:

Het lijkt wel of die toren steeds verder overhangt:

Bij de Kerkweg tussen Oostwold en Oostwolmerdraai:

Bij het Hoendiep vertoonde zich een bui in de vorm van een varken:

Aduarderdiep met vergistingstanks van de suikerfabriek bij Vierverlaten:


Oldambtster landarbeiders en hun verdiensten

Dagloners bij het bieten poten op het land. Nieuw-Scheemda, jaren 30. Collectie Groninger Archieven 818-10704.

Bij de landarbeidersstaking van 1907 in het Oldambt publiceerden verschillende kranten loongegevens. Die uit de Land en Volk van 8 mei 1907, nogal onoverzichtelijk achter elkaar opgeschreven, heb ik hieronder in tabel gebracht en wat nader toegelicht:

Jaarlonen in guldens volgens zegsman te:
Arbeider Beerta Boer Beerta Arbeider? Finsterwolde Boer Nieuw-Scheemda Boer? Nieuw-Beerta
Boerenknecht 150 à 160 160
Boerenmeid 90 à 100 100
Arbeider vast 305 320 294 325 390
Arbeider los 280 370 294+ 350 400+
Vrouw 70 67,50 à 57,50

Met boerenknechten en boerenmeiden werden bedoeld het op de boerderij inwonende, ongetrouwde personeel van in de regel zo’n 12 à 25 jaar oud. Opgegeven zijn de maximum-lonen voor knechten en meiden die volledig op hun taak berekend waren qua ervaring en kracht. Bij de geldlonen kwamen dan nog de kost- en inwoning, of eigenlijk moet je het andersom zeggen want de kost en inwoning vormden de basis, het geld kwam erbij. Kinderen die nog maar pas op een boerderij kwaren kijken, kregen vaak ook niet of nauwelijks geld in handen, daarvoor golden de kost- en inwoning als loon. Bij winnen aan kracht en ervaring, groeiden dan de geldbedragen van jaar op jaar. Minderjarigen stonden het verdiende geld overigens meestal af aan ouders of voogden als bijdrage in het gezinsinkomen. Bij gezinnen die onder de diaconie vielen, beurde de diaconie dat loon.

Met vaste arbeiders zijn bedoeld de arbeiders met een vast dienstverband op de boerderij. Op elke boerderij was er één, in totaal waren er dus evenveel vaste arbeiders als boerderijen. Zo was mijn betovergrootvader Elzo Perton vast arbeider op de Onnesheerd in de Reiderwolderpolder. Die viel onder Finsterwolde, zijn kale loon zal dan ongeveer 294 gulden hebben bedragen. Maar daar zaten de emolumenten in natura nog niet bij. Omgezet in geldwaarde werden die in Finsterwolde op minstens 59 gulden begroot. Het ging dan om walgras (ƒ 25); het mogen lezen en zoeken van aren, erwten en bonen op afgeoogst land (ƒ 7.50); twee pak gerstestro (ƒ 1,50); het mogen gebruiken van de boer zijn paarden en wagens voor het halen van bijvoorbeeld turf en kwelderhooi (ƒ 20); en gratis weide voor schapen (à ƒ 5). Inclusief deze emolumenten bedroeg het jaarloon van een vaste arbeider in  Beerta 305 à 320 gulden, die was uiteindelijk dus wat minder af dan zijn collega in Finsterwolde. Die van Finsterwolde (te begroten op 353 gulden) deed echter weer onder voor die van Nieuw-Beerta (390 gulden inclusief emolumenten). De daglonen liepen daarbij op en af met het aantal (werkbare) uren daglicht en de oogstdrukte, zoals bijkomende specificaties uit Beerta en Nieuw-Beerta laten zien:

Beerta Nieuw-Beerta
Maart tot half juli (8 uur) ƒ 0,75 ƒ 0,75
Half juli tot september (14 uur) ƒ 1,25 ƒ 2,00
September-november (12 uur) ƒ 1,25 ƒ 1,00
November tot maart (7 uur) ƒ 0,60 ƒ 0,75

Ook hieruit blijkt weer, dat de vaste arbeider vooral in Nieuw-Beerta goed af was.

Maar veel groter dan het aantal vaste arbeiders, was in een Oldambtster dorp het aantal losse arbeiders of dagloners, al gauw enkele honderden per dorp. Volgens opgave uit Finsterwolde namen zij (en hun ploegen) werkzaamheden vaak per perceel aan en verdienden dan een kwartie meer per dag dan een vaste arbeider. Hoewel ze door de tijdsdruk vaak harder aan moesten poten, was hun arbeidsdiscipline minder groot: “Ze verloopen vaker een dag en zijn ook in tijden van overgang vaker zonder werk, zoodat ze per jaar niet veel meer verdienen dan vaste arbeiders”. Ze profiteerden vooral van de oogstdrukte in de zomer.

Een arbeider uit Beerta begrootte het jaarloon van een dagloner op 280 gulden, terwijl een boer uit hetzelfde dorp dat op 370 gulden raamde. In 1893 was dat nog ruim 230 gulden, zodat de daglonen rond 1900 sowieso verhoogd moeten zijn. Daarbij valt het verschil tussen beide jaarloonopgaven uit Beerta nogal op. Dat komt doordat de arbeider elders verdiend loon uit veenarbeid niet meetelde, omdat lang alle losse arbeiders daaraan deden. De specificatie die de Beertster boer leverde, zag er vanaf eind maart zo uit:

7 weken in de venen 80 gulden
2 weken wieden 8 gulden
4 weken maaien in Friesland 44 gulden
4 weken divers werk 24 gulden
6 weken oogst (vooral augustus) 90 gulden
6 weken divers werk (september, oktober) 40 gulden
4 weken (november) 20 gulden
4 weken (december) 16 gulden
8 weken (januari, februari) 24 gulden
5 weken (februari, maart) 26 gulden
TOTAAL: 372 gulden incl. of 292 gulden excl veenwerk

Tot slot de vrouwen: zij werkten vooral mee op het land voor zover hun huishouden dat toeliet. In Beerta werden hun verdiensten wat hoger geschat dan in Nieuws-Scheemda. De verschillen tussen beide bedragen, in het laatste dorp opgegeven, komen doordat de vrouw van de vaste arbeider ook meehielp in het huishouden en op de tuin van de boer, bij wie haar man in dienst was.  Een specificatie van daglonen voor vrouwen is er uit Finsterwolde:

Wieden ƒ 0,40
Schoven binden ƒ 1,75
Aardappelen en bieten rooien ƒ 0,60 à 1,00
Erwten plukken ƒ 0,80 à 1,20
Oogst inhalen ƒ 0,60 à 0,75

Dit zullen dan de bedragen zijn, die Geeske Boog, de vrouw van Elzo Perton, ongeveer zal hebben verdiend.


Veldslagen aan de Tjamme

In het voorjaar van 1886 haalde een bericht uit de Winschoter Courant meerdere landelijke kranten zoals het Algemeen Handelsblad en De Tijd. Ook regionale kranten namen het over, met onderling minieme verschillen. Dit is de versie uit de Provinciale Drentsche en Asser Courant van 29 maart dat jaar:

Tusschen de boerenknechten van Finsterwolde en die van Beerta hebben twee keeren vrij ernstige vechtpartijen plaats gehad. Waren den eersten keer de Beerters overwinnaars, de laatste maal moesten ze afdruipen, zelfs werden zij tot in Beerta achtervolgd. Enkelen hebben lichte wonden gekregen. Er wordt gevochten met stokken en palen, welke aan het eene eind voorzien zijn van spijkers. Naar we vernemen, zouden de vechtersbazen eergisterenavond elkaar weer ontmoeten. De oorzaak van een en ander moet zijn, dat de knechten van Finsterwolde soms het hof maken aan de meiden van Beerta. (W. Ct.)

Kennelijk waren deze collectieve veldslagen zelfs in Drenthe nieuws. Terwijl het daar toch maar al te bekend was, hoe jongens uit het ene dorp een mededinger uit een ander dorp afrosten, tenminste, als hij zo’n vechtpartij niet afkocht met een fles jenever.

Dat zulke praktijken destijds in het rap moderniserende Oldambt nog bestonden, daar stond ik wel van te kijken. Beerta en Finsterwolde komen later in zoveel opzichten overeen, dat je geneigd bent te denken dat het ‘dorpisme’ hier in 1886 allang uitgebannen was, een veronderstelling die destijds, gezien de verspreiding van het bericht, blijkbaar ook in den lande leefde.


Harm Boukje als propagandist

Bij de nieuwste aanwinsten van Delphers krantenbank vandaag, staat o.a.  De Vrije Socialist (1898-1940), een krant van Domela Nieuwenhuis. Uiteraard was ik benieuwd of Finsterwolde er ook in voorkwam en dan natuurlijk speciaal de anarchistische broer van mijn overgrootmoeder Antje Tuin. Dat bleek inderdaad het geval, namelijk in een bericht van 21 december 1901:

Finsterwolde. Tuin uit Finsterwolde en de ontslagen werkman Eimers zijn begonnen de propaganda in den noordoostelijken hoek van Groningen ter hand te nemen. Eerst gingen zij des maandags op de markt staan te Winschoten, maar de regen noodzaakte hen weg te gaan, zoodat zij maar voor 80 cents aan brochures verkochten. Dit was niet zeer bemoedigend.

Te Oudeschans hielden zij een openbare vergadering. Een 20-tal belangstellenden waren ter vergadering. Na opening der vergadering door Tuin, kreeg Eimers het woord en ofschoon hij zijn rede voorlas, dit hinderde niets. Spoedig zal hij wel de noodige vrijmoedigheid hebben om vrij te spreken. Ook droeg hij eenige gedichten voor, die zeer in den smaak vielen.

Tuin sloot weer de vergadering met een opwekkend woord, om aan te dringen op solidariteit onder de arbeiders. Terwijl de boeren werken aan de veredeling van paarden en vee, werken de socialisten aan de veredeling van de menschen en voor dat doel te werken, is wel de moeite waard. Tuin kolporteert ook met brochures en brengt in die streken heel wat lektuur ouder de menschen.

Harm had dus niet alleen een handeltje in boeken en brochures, maar ging ook in de wijde omgeving op stap als propagandist. Voor de veredeling der mensheid stond hij op de Winschoter markt, ging hij langs de deuren met zijn lectuur en hield hij openbare bijeenkomsten.

De jongere en nog onervaren kompaan met wie hij dat deed, was de huisschilder Christiaan Eimers, geboren in 1880 te Vlagtwedde. Waarschijnlijk werkte Eimers in 1901 bij een patroon in Winschoten en was door deze ontslagen. Enige jaren laten vestigde Eimers zich in de stad Groningen, waar hij trouwde en een schildersbedrijf had in de Van Julsinghastraat, Oosterpoortwijk. Hij zou nog wel vaker in de kolommen van de De Vrije Socialist voorkomen, ook als spreker. Volgens Eimers’ nazaten was het een forse kerel, die altijd zijn anarchistische overtuiging trouw is gebleven. Hij overleed in 1940.

Bron: De Vrije Socialist 21 december 1901.