Hoe de kommiezenvriend verdween

Onder de overkoepelende titel ‘Aan de boorden van de Tjam’ bevat de Winschoter Courant van de jaargangen 1889/1890 een serie sfeerstukken, deels spelend in het Finsterwolde van medio negentiende eeuw. De schrijver noemde zich Henry, en presenteerde zich als een in Finsterwolde opgegroeide en weer naar dat dorp teruggekeerde zeeman. Deel VI, in de editie van 24 mei 1889, gaat over de Dollard en besluit met dit smokkelverhaal:


De beste wensen van Sieno Perton voor 1933

De Bellingwolder tak die zich rond 1820 van de Oldamtster familie Perton afsplitste, was niet alleen wat commerciëler, maar ook wat cultureler, zo blijkt uit de Winschoter Courant. Exponent was Sieno Perton, die er net niet in slaagde om in drie eeuwen te hebben geleefd. Hij had een manufacturenzaak in de buurtschap van de Rhederbrug, waar hij voor de oorlog een grote rol in het lokale verenigingsleven speelde. Na de oorlog is hij nog jarenlang PvdA-wethouder van Bellingwolde geweest. Deze advertentie van hem stond in de Winschoter Courant van 31 december 1932.

Naschrift 2-2-2022:

Van mijn achter-achter-achter-achterneef René kreeg ik nog deze foto toegestuurd van Sieno Pertons manufacturenzaak bij de Rhederbrug in Bellingwolde, ergens in de jaren dertig:

Sieno, zijn vrouw en hun zoon staan in het portaal voor de winkeldeur. Links en rechts naast ze staat hun personeel. Het is opruiming.

In maart 1929 deden Sieno en vrouw hun eerdere, zich even verderop aan de Rhederweg bevindende winkel in tabak en schrijfbenodigdheden van de hand. Ze kochten er een lap bouwgrond vlakbij de brug voor weer, waar ze deze manufacturenzaak op lieten bouwen. De zaak opende eind dat jaar. In advertenties noemde Sieno deze “de goedkooper volkswinkel”. Volgens een advertentie uit 1931 was hij erin geslaagd zijn omzet “aanmerkelijk te vergroten”.


2022


Westerhaven in de winter

Sinds Bibi Putting dit topstuk op Twitter plaatste, heb ik hem als bureaubladachtergrond. Het betreft een ‘Wintergezicht op de Westerhaven’ uit 1947 van de Ploegschilder Jan van der Zee (1898-1991).

Op het kwart linksboven zie je in de verte een stukje Praediniussingel en wat dichterbij het gedeelte van de A tussen de oude Museumbrug en de Zuiderhaven. Rechts langs de A ligt de Sluiskade. Een paar panden voorbij het hoekpand heeft mijn oudtante Siene nog een poos gewoond, eind jaren 50.

Recht vooruit in de verte de oude Steenhouwerskade, met daarachter de buurt die ‘het Eiland’ werd genoemd. Hier groeide de schrijver Ab Visser op, die er in 1953 zijn autobiografische roman De buurt over schreef. Tegenwoordig staat hier afschuwelijke nieuwbouw uit de jaren 70.

Het op de Sluiskade doodlopende stuk water op de voorgrond is het uiteind van de L-vormige Westerhaven, die werd gedempt nadat de gemeenteraad daartoe in november 1960 slechts met één stem meerderheid besloot.

Uit de jaren 50 dateert deze vergelijkbare foto, die genomen is vanaf een of twee bovenwoningen verderop aan de Westerkade:

Op de ligplaats van de schepen bevond zich later, in de jaren 60 en 70, de Groninger groentemarkt, tot die weer terugverhuisde naar de Vismarkt.

De schilder Jan van der Zee zat waarschijnlijk op de bovenverdieping van het hoekpand Westerkade 24/Westerhavenstraat (nu Pims fietsen vlakbij de oude Museumbrug. Van der Zee’s positie en blikveld heb ik op het volgende kaartfragment weergegeven met een gele cirkel en dito lijnen:

Tegenwoordig liggen op de plek van de schepen een parkje en een schuin dak waarop ’s zomers heide groeit:

Nachrift 5 januari 2022:

Jaap Rijkeboer meldde in een reactie dat hij een prent heeft uit 1952, ook door Van der Zee en gemaakt vanaf ongeveer hetzelfde standpunt:


De prijzen voor een liedvel

Kwam deze tegen in het Nieuwsblad van het Noorden de dato 18 april 1909

Het lied lijkt nergens bewaard, maar ik weet ook niet of we er veel wijzer van zouden worden: de titel komt wat vreemd over met dat Holland’s in combinatie met koningin, maar waarschijnlijk betrof het een nationalistische lofzang op koningin Wilhelmina, die twaalf dagen later van prinses Juliana zou bevallen. Een troonopvolgster – ons koningshuis was dus gered.

Ook ga ik even voorbij aan de verkopers, mogelijke tevens de tekstdichter en componist, en beiden woonachtig in de Groninger Noorderplantsoenbuurt. De tweede, Bertus Almanak, ook wel Reclame Bertus of Maal Bertus geheten, was destijds een wijd en zijd bekende stadsfiguur en is momenteel mijn onderwerp van studie

Nee, wat ik voor nu even interessant vind aan deze advertentie, zijn de prijzen van het aangeboden liedvel. De stuksprijs voor individuele consument bedroeg 2 cent, maar als liedzanger op kermissen, venter of wederverkoper kon je er 100 kopen voor een gulden. Dergelijke grotere afnemers hadden bij het aan de man en vrouw brengen van het lied dus een marge van 100 %.


Verboden met almanakken te venten

Universiteitsbibliotheek Groningen

Begin dit jaar stuitte R, een van de vrijwilligers die bij de Groninger Archieven de stadsresoluties transcriberen, op een raadselachtig besluit. Het betrof een verbod, dat het Groninger stadsbestuur eind 1671 oplegde aan alle stadstamboers. Zij mochten geen almanakken meer bij “heeren, borgeren ofte inwoonderen” aan de deur komen brengen, op straffe van ontslag. “Waarom werd dat eigenlijk verboden?”, vroeg R. zich af. “Zou het met de inhoud van die almanakken te maken hebben?”

Eerst dit. Almanakken bestonden er sinds eind 15e eeuw. Ze waren er in allerlei soorten en maten, maar bevatten primair zakelijke informatie zoals maanstanden, jaarmarkten en vertrektijden van postwagens, beurtschepen en trekschuiten. Drukkers distribueerden ze bij iedere jaarwisseling, en dan vooral in december, via venters, vaak arme sloebers.  

Zoals we zullen zien, had het verbod daarmee te maken. Het was zeker niet nieuw. Eind 1649 verboden Gedeputeerde Staten al aan de beroepssoldaten van het Groninger garnizoen “het ommelopen ende praesenteren van almanachen”, samen met andere nieuwjaarsgebruiken zoals het afvuren van geweren en het aanbieden van nieuwjaarsgedichten. Ook toen al stond er ontslag op als straf.

Eind 1650 herhaalde het stadsbestuur het almanakkenventverbod, maar maakte het algemeen. “Niemandt van wat staet ofte conditiehy zy”, mocht nog almanakken langsbrengen bij “heeren off officieren huysen”. Toch wordt ook duidelijk wie zich vooral hieraan schuldig maakten:  “dat oock geen tamburijns off pijpers met geraes van trommen, pijpen, almanack  brengen off anders nye jaeren sullen moogen eysschen”. Dat eisen (verzoeken) slaat uiteraard op de tegenprestatie, in drank of in geld. Naast ontslag kwam er nu een boete van een pond groot (ƒ 6,-) op te staan,  en dreigde het stadsbestuur met inbeslagname van de trommels en pijpen.

Eind 1667 werd de boete op het rondbrengen van almanakken bij “d’heeren, borgers ofte inwoonderen deuren” nog verviervoudigd tot 25 gulden. Er is dan geen sprake van specifieke zondaars, en ook dit stadsverbod lijkt dus algemeen. Voor het eerst krijgen de schulte (schout) en zijn dienaars expliciet opdracht om het verbod te handhaven. De bepaling van 1671, zoals R. die aantrof, versmalde het mikpunt weer tot de stadstamboers.

Die wending blijkt een definitieve, het algemene publiek laat men voortaan ongemoeid, alleen kleine, ambtenaren die men gemakkelijk kon koeioneren, kregen nog met sancties te maken als ze met almanakken ventten. Ook motiveerde het stadsbestuur nu pas zijn verbod. Eind 1694 gaf het de lampbezorgers, lantaarnopstekers, ratelaars (nachtwachten) en stadstamboers te verstaan, dat zij niet mochten “bedelen” aan de deuren, en er ook geen almanakken mochten komen langsbrengen, op straffe van ontslag. Bovendien werd het geven van aalmoezen of fooien aan almanakbrengers verboden.

Dit verbod  werd eind 1695 en eind 1713 nog eens herhaald, omdat de kleine ambtenaren zich er niet aan hielden. Het laatste verbod noemt het rondbrengen van almanakken onomwonden als een van de “bedelariën op nieuwjaersdagen”. Naast ontslag kwam er opnieuw een boete van ƒ 6,- op te staan.

Kortom, het rondbrengen van almanakken werd  beschouwd als (verkapte) bedelarij. Een algemeen verbod, medio zeventiende eeuw, bleek echter niet te handhaven, zodat de heren het later hebben toegespitst op hun laagste ‘officianten’. De heren wilden niet dat deze als bedelaars werden gezien, wat natuurlijk ook te denken zou geven over de schrale salariëring.

Met de inhoud van de almanakken had dit weinig te maken. De Groninger synode stoorde zich vanaf  1685 weliswaar bijzonder aan almanakken met “scandaleuse bijvoegselen” – vooral als die het kerkelijke huwelijksformulier satirisch op de hak namen – maar met het verbieden van zulke bijvoegsels mikten  het stadsbestuur en de staten in 1688 en 1713 op de boekdrukkers en -binders en niet op kleine stadsambtenaren.


De drukste vaarroute?

Drukte bij de Groninger suikerfabriek, Het Noorden in Woord en Beeld, 6 november 1925

‘Honderd jaar geleden was het Hoendiep de drukste vaarroute van Nederland’, lees ik hier.

O ja, is dat zo, vraag ik me dan af. Klopt dat?

Voor een antwoord op die vraag ben ik te rade gegaan bij het verslag over 1921 van de gemeente Groningen, het ontegenzeggelijke begin- en eindpunt van alle Groninger scheepvaartkanalen van enig belang. Als het Hoendiep hier al niet de drukste vaarroute was, dan kan het dat evenmin zijn geweest in heel Nederland.

De tabel op pagina 175 van dat gemeenteverslag splitst de schepen die dat jaar de Groninger kanalen  hebben bevaren op in drie categorieën: zeeschepen, binnenschepen en houtvlotten. De aantallen zeeschepen waren zeer laag: op het Eemskanaal waren het er 4, op het Reitdiep slechts 3. Meestal zal het gegaan zijn om coasters die van of naar een werf gingen. Het Hoendiep werd bevaren door geen enkel zeeschip.

Ook bij de houtvlotten ging het om kleine getallen: het havenkantoor aan de Noorderhaven registreerde er dat jaar 16 op het Reitdiep, 12 op het Eemskanaal en 6 in het kluster Verbindingskaaal-Hoornsediep-Eendrachtkanaal-Hoendiep. Noch qua zeeschepen, noch qua houtvlotten stak het Hoendiep er dus bovenuit.

Resteert de veruit belangrijkste categorie, die van de binnenvaartschepen. De stad-Groninger kanalen in  volgorde van druk naar minder druk:

Kanaal / klusterAantal binnenschepenTotale inhoud in kubInhoud gem. schip
Reitdiep2564272.860106,4
(Oude)Winschoterdiep2404161.42567,2
VBK, Hoornse- + Hoendiep2184182.81483,7
Eemskanaal1156150.989130,6
Boterdiep17412.44171,5
Damsterdiep17310.87162,8

Op het Reitdiep en het Winschoterdiep voeren dus de meeste binnenvaartschepen, daarna kwam pas het kluster waarvan het Hoendiep deel uitmaakte. Voor het Hoendiep alleen zal het cijfer nog beduidend lager uitgevallen zijn. Anderzijds viel het opgegeven getal voor het Winschoterdiep juist te laag uit, omdat hierbij niet werden meegerekend de 581 schepen die bij de gemeentelijke verzamelplaats van faecaliën, kortweg de Drekstoep, hun lading kwamen ophalen. Die Drekstoep zat bij het oostelijke uiteind van het Helperdiepje dat hier op het Winschoterdiep uitkwam. Doorgaans was de frisse lading die hier werd ingenomen bestemd voor Oost-Groninger dalgronden en ging de reis dus ook weer via het stad-Groninger deel  van het Winschoterdiep, dat al met al bevaren werd door 2965 schepen en daarmee helemaal ver voor het Hoendiep kwam, althans qua drukte in de stad.

De bewering dat het Hoendiep het drukst bevaren kanaal van het land  was, honderd jaar geleden, kan je dus met een korrel zout nemen. Misschien was dat periodiek even zo, in het najaar, tijdens de suikerbieten en strokartoncampagnes (die ook veel scheepvaartverkeer in de stad genereerden), maar dat gold zeker niet voor de rest van het jaar. Qua totale inhoud kwam het Hoendiep wat minder ver achter, en was het een goede tweede achter het Reitdiep. Overigens droeg ook het formaat van de schepen bij aan deze klassering: de schepen waren op het Hoendiep gemiddeld het grootst na die op Eemskanaal en Reitdiep.

Een slimmerik zou nu kunnen tegenwerpen dat Hoogkerk met zijn strokarton- en  zijn suikerfabriek ook nog schepen buiten de stad om kreeg, namelijk via het Hoendiep vanuit het westen en via het Aduarderdiep vanuit het noorden. Helaas hield de gemeente Hoogkerk in haar jaarverslagen geen cijfers hiervan bij, zodat het effect niet valt te begroten.

Voorlopig is mijn conclusie dat het Winschoterdiep honderd jaar geleden de drukste vaarroute van Groningen was, al waren die binnenvaarders hier aan de kleine kant, en zal het Hoendiep in het najaar tijdens de suikercampagne heel misschien wat drukker geweest zijn. Buiten die najaarspiek om en over het hele gehele jaar genomen bleef het Hoendiep echter achter. De stelling dat het generiek de drukste vaarroute was, houdt geen stand.

Binnenkort nog maar eens kijken of de provincie ook scheepvaartcijfers in haar verslagen heeft staan.


‘Smolensko’ stak tot twee maal toe de Berezina over

In Winschoten woonde in de eerste helft van de negentiende eeuw een bijzondere kerel, een echte stadsfiguur. Hij komt ter sprake in een nostalgisch getint stukje over de middenstand in het centrum van het toenmalige Winschoten, en was de vader van bakker Funt die daar in deTorenstraat pal onder de toren woonde. De ouwe Funt was zo bijzonder, omdat hij in 1812 de tocht van Napoleon naar Moskou had meegemaakt – èn overleefde. Als een van de weinigen kon hij dat navertellen:

Twee maal was hij de Beresina over geweest en nadat men in geen vijf jaren iets van hem had gehoord en niet anders dacht, dan dat hij inde sneeuwvelden van Rusland zijn graf had gevonden, Was hij in 1817 plotseling weer boven water gekomen. De Winschoters noemden hem bij voorkeur „Smolensko” en men zag hem ondanks zijn hoge leeftijd veel op straat, met een echte Poolmuts.

Bron: ‘Winschoten voor omstreeks 75 jaar’, Winschoter Courant, 19 maart 1938.


Buit van Guinea verbrast in haven van Delfzijl

Plattegrond van de vesting Delfzijl, circa 1640. Collectie Groninger Archieven 817-2389.1.

Zeer bekend is lokaal en regionaal het verhaal over de toevlucht, die admiraal Michiel de Ruyter in augustus 1665 zocht te Delfzijl. Dat deed hij met een flottielje van twaalf oorlogsschepen, omdat de Engelsen  afgezien van de Eems zo’n beetje alle Nederlandse zeegaten afsloten, nadat ze de zeeslag bij Lowestoft hadden gewonnen. Het Groninger haven- en vestingstadje kende wegens de oorlogsomstandigheden destijds een buitengewoon grote bezetting van zo’n 1500 soldaten. Daar kwamen nu minstens even zovele matrozen bij.

In de schaduw van de zeeheld krijgen al die mannen weinig aandacht van de geschiedschrijvers, maar de Delfzijlster middenstand beleefde een gouden tijd door hun komst. De Haerlemsche Courant bericht na het vertrek van de zeeheld:

Delfzijl den 14 augusti. Desen middagh is den Heer de Ruyter van hier na Groeningen vertrocken. Het is hier op het Hooft als Kermis, daer het vol Kramen staet: de Schepen leggen hier voorde Fortresse Op het afgaen van den Heer de Ruyter zijn eenige canonschoten gedaen. De ingekomen Boots gesellen beginnen te vertoonen, dat sy op de Kuste van Guinea seer schoonen Buyt hebben gemaeckt.

Bron: Oprechte Haerlemsche Courant, 18 augustus 1665.


De balen van katoen (2)

Vaak zie je dezelfde berichtjes in allerlei kranten in gelijkluidende bewoordingen terugkomen, maar hoe dichterbij het nieuws, des te uitgebreider het kan zijn. Dat blijkt ook uit het bericht over de tragische dood van H. Perton, die op 20 juni 1913 in de fabriek van Van Heek te Enschede bedolven raakte onder een baal katoen. Terwijl de Amersfoortsche dat ultrakort hield, gaf de Zwolsche Courant die avond wat meer bijzonderheden prijs:

Volgens de Zwolsche ging het allereerst niet om een fabrieksarbeider, maar om een metselaar die bezig was een riool te repareren. Anders dan andere kranten noemt de Zwolsche de naam van de fabriek. Dat mijn verre familielid onder de baal in een rioolput belandde, vind je elders niet, zoals andere kranten ook het gewicht van de baal en de reddingspogingen onvermeld lieten.

Door een reactie op mijn vorige van mijn achterachterachterneef René Perton, wist ik al dat het ging om een Hindrik Perton, zoon van een Heiko Perton, die al jong met zijn vrouw Free van Zomeren vanuit zijn geboorteplaats Bellingwolde naar Lonneker verhuisde. Daar in Twente kregen ze zes kinderen, die allemaal jong overleden. Overigens geeft de overlijdensakte van Hendrik bij WieWasWie wel fabrieksarbeider als zijn beroep op.


Grondkraak in Termunterzijl

Zou ik nog bijna vergeten dat de familie van mijn moeder ook deels uit het Oldambt komt en dus eveneens in die Winschoter Courant voor zou kunnen komen. En ja hoor, het is bingo in het nummer van 2 november 1884:

De Jan Vondeling (1833-1921) waarvan hier sprake is, was mijn betovergrootvader. Met een andere arbeider, Meindert Mossel uit Woldendorp, had hij een stuk grond bij het Termunterzijldiep gekraakt om er een woonkeet neer te zetten voor zijn gezin. Blijkbaar was het niet gelukt om gewoon een woning te huren. Het waterschapsbestuur liet deze “daad van willekeur” niet over zijn kant gaan en sprak hem voor de rechter aan. Die bonjourde de familie van het waterschapsperceel af.

Ook hier weer wat losse eindjes: de rechtszaak natuurlijk, en de notulen van het waterschapsbestuur, maar ik denk dat de familie ook wel eens kan voorkomen in archivalia van de armenzorg.


Een raadselachtig sterfgeval in Montreux

Dit stukje burgerlijke stand van de gemeente Scheemda, zoals opgenomen in de Winschoter Courant van 22 mei 1900, herbergde een verrassing: een naamgenoot van mijn betovergrootvader bleek overleden in Vernex, Zwitserland.

Volgens de corresponderende overlijdensakte van de gemeente Scheemda was deze Elzo Perton gestorven in het ziekenhuis te Vernex, een dorpje vlakbij Montreux in Franstalig Zwitserland. Volgens de akte oefende hij het beroep van kleermaker uit. Hij was begin 1861 geboren, dus nog  geen 40 jaar oud, en het stuk noemt als zijn ouders ene Gehrad Perton en diens vrouw Maguerite. Met zijn vrouw Marie Emma Bunt woonde Elzo in Heiligerlee, maar hij zou wel gedomicilieerd zijn geweest in Vernex.

Waarschijnlijk nam de Scheemder ambtenaar die wat exotisch klinkende namen van Elzo’s ouders klakkeloos over uit het overlijdensbericht zoals dat werd opgemaakt in de stad Montreux, want die namen blijken bij nader inzien danig verfranst. In werkelijkheid ging het om een Geert Perton en diens vrouw Grietje Brouwer te Westerlee. Deze vader Geert Perton was weer de oudste zoon van Aike Heikes Perton, een directe voorvader van mij die yot de tweede generatie Pertons in Nederland behoorde. Mijn betovergrootvader Elzo was een jongere broer van deze Geert. De ‘Zwitserse’ Elzo was dus een oomzegger van mijn betovergrootvader.

Het leven van de jongere Elzo is verder bijna geheel in nevelen gehuld. We kennen de naam van zijn ouders en vrouw, maar er is geen Nederlandse trouwakte, en kinderen zijn evenmin bekend van hem en zijn vrouw. Waarschijnlijk kwam zij uit Duitstalig gebied en in het Oldambt denk je dan al gauw aan Ost-Friesland. Of zou zij uit Zwitserland kunnen komen?  Ik denk van niet, want Montreux stond bekend als kuuroord, iets waarop ook dat ziekenhuis van Vernex als overlijdenslokatie wijst: mogelijk leed Elzo aan TBC, ging hij voor de heilzame lucht naar Zwitserland, waar de ziekte hem fataal werd.

Verder is er alleen een vestigingsadvertentie uit eind oktober 1889 van Elzo junior als kleermaker in Winschoten. Hij zat er redelijk centraal met zijn zaak aan de Engelstilstraat. Als hij daar ook gewoond heeft, moet hij later weer teruggekeerd zijn naar Heiligerlee:

Mogelijk komt Elzo’s vrouw wat beter uit de verf vanuit de bevolkingsregisters van Scheemda en Winschoten. Verder ontbreekt namelijk ieder spoor van haar.


De praam van Elzo Perton (2)

Na vele jaren wachten is vandaag eindelijk De Winschoter Courant online gekomen bij Delpher. Dat wil zeggen: van 1873 tot 1945 – voor de jaren na de bevrijding tot 1960 zijn de resultaten nog geblurred, maar je kunt je natuurlijk nog altijd met een lijst zoekresultaten bij de Groninger Archieven vervoegen om de nummers van die data daar na te kijken in de echte krantenleggers.

Natuurlijk heb ik meteen gezocht op mijn familienaam,. Het allereerste zoekresultaat bleek een advertentie uit eind januari 1873 voor een veiling in hotel Het Gemeentehuis te Beerta, waar onder andere het bolschip (of de praam) van mijn betovergrootvader Elzo Perton onder de hamer kwam.

Oorspronkelijk was deze praam van Elzo en zijn schoonvader samen, maar in 1869 had Elzo de helft van zijn schoonvader overgenomen. Dat het scheepje bij de Ganzendijk lag, bevestigt mijn vermoeden dat de actieradius – en daarmee het werkgebied – zich vooral aan de oostkant van Finsterwolde bevond. Binnenkort maar eens nagaan hoeveel de schuit opbracht – ik denk niet veel..

Verder zag ik veel berichten over branden en ongelukken die ik al eens eerder tegenkwam in andere kranten. Dat mijn overgrootvader Geert Perton (de zoon van Elzo) anno 1919 in het bestuur van een kersverse geitenfokvereniging en anno 1924 in het kiescollege van de hervormde kerkvoogdij van Finsterwolde had gezeten, was echter nieuw voor me.

Overigens zorgde de Bellingwolder tak van de familie Perton voor veel meer meldingen. Er bleek zelfs een kleine veenbaas bij te zitten. Daar stort ik me binnenkort maar eens op.


Qua hervaccinatie tegen de pokken was de Maatschappij haar tijd vooruit

In april 2006 interviewde ik promovenda Miek Roelfsema voor de Groninger universiteitskrant UK. Haar proefschrift over gezondheidszorg in de Drentse armoedekoloniën blijkt in bepaalde opzichten weer actueel.

“Vind je het niet idioot”, vraagt ze, “dat zo’n onnozele historica als ik bij geneeskunde promoveert? Om er meteen aan toe te voegen: “Ik denk dat het komt doordat medische geschiedenis een vak is bij geneeskunde. Zo krijgen de studenten er te horen dat het er vroeger heel anders aan toeging. Maar daarom is mijn promotie ook ondergebracht bij geneeskunde, terwijl ik niet eens weet hoe een hart werkt.”

Dat laatste is wellicht iets overdreven, want Miek Roelfsema – Van der Wissel is getrouwd met een huisarts, nu in ruste. Ze is verknocht aan archief-onderzoek, sinds twintig jaar vooral naar artsen in Drenthe. En omdat ze vlakbij Veenhuizen woont, lag het voor de hand dat ze zich nog eens bezig ging houden met de gezondheidszorg in de koloniën van de Maatschappij van Weldadigheid, een onderzoek waarop ze woensdag aan de RUG promoveerde.

Die Maatschappij van Weldadigheid was een particuliere instelling, die iets aan het fnuikende  armoede-probleem wilde doen door gezonde armen woeste gronden te laten ontginnen, waarna ze zich tot boeren konden ontwikkelen. In 1818 kocht de Maatschappij voor dat doel gronden in de wijde omgeving van Frederiksoord. Plaatste de Maatschappij hier nog kolonisten op vrijwillige contractbasis, van veel meer dwang was er sprake bij de koloniën die ze in 1822, 1823 inrichtte. In Ommerschans kwamen bedelaars terecht, en in Veenhuizen vooral wezen, maar ook bedelaars.

Om hun eigen wees- en werkhuizen te ontlasten, stuurden vooral Hollandse steden er duizenden mensen naar toe. Het was de bedoeling dat dat gezonde mensen zouden zijn. Miek Roelfsema maakt echter duidelijk dat de gemeenten maar al te graag juist hun ondervoede, zwakke, zieke en gehandicapte bedeelden loosden. En deze “kneuzen” brachten hun rachitis, luizen, schurft en tuberculose mee.

Was hun aanvangsconditie al slecht, de slechte hygiënische omstandigheden en voeding in de gestichten werkte eveneens een hoge mortaliteit in de hand, vooral onder bedelaarskinderen, maar ook onder wezen. Met de steden in het westen kenden Ommerschans en Veenhuizen de hoogste sterftecijfers van Nederland, rond 1850. Doodsoorzaak nummer 1 was meestal tuberculose, maar ook de cholera eiste haar tol. Door die vrij nieuwe ziekte stierven in 1849 maar liefst driehonderd mensen in Veenhuizen, ruim de helft van alle Drentse cholera-doden dat jaar.

De Maatschappij van Weldadigheid verdoezelde zulke dingen liever voor de buitenwacht. “Ze wilde geen negatief beeld oproepen”, verklaart Roelfsema, “de jaarverslagen stelden de zaken mooier voor dan ze waren. Het moest altijd een beetje juichend omdat de Maatschappij het van de fondswerving hebben moest.” Natuurlijk sijpelden er wel berichten door, en juist vanwege de angst voor besmetting buiten haar koloniën, voelde de Maatschappij zich vanaf 1826 verplicht om een relatief omvangrijk gezondheidsapparaat op te zetten.

Voordien bediende ze zich in Ommerschans nog van een goedkope kwakzalver, die in een hut aan een diepswal ongedefinieerde brouwsels vervaardigde. Nadien echter, beschikken de koloniën over academisch geschoolde artsen, praktische heelmeesters, apothekers, vroedmeesters en -vrouwen. “Dat zie je haast nergens in die tijd, dat bijna alle medische disciplines er voorkwamen”, zegt Roelfsema. “En daardoor is het ook zo’n ontzettend leuk onderwerp”.

Volgens haar verdiende een koloniale arts tamelijk weinig bij een grote hoeveelheid werk: “Je kunt rustig zeggen dat de medische stand er op een laag niveau stond qua waardering”. Het verloop onder de medische dienstverleners in de koloniën was dan ook groot: “Soms werkten ze er heel kort, en meer dan de helft van de artsen vroeg zelf ontslag. “

“Door de hiërarchie voelden ze zich beperkt in hun medische onafhankelijkheid en verantwoordelijkheid”, zegt Roelfsema. Maar ook frustraties over het eigen kunnen droegen bij aan dat verloop. “Het ontbrak de hele medische stand nog aan voldoende kennis, artsen hadden nog geen inzicht in de fysiologie en wisten helemaal niet hoe en waaruit ziekten ontstaan.” Therapieën kwamen daarom via trial and error tot stand. “Menigmaal dachten ze dat ze het ei van Columbus hadden gevonden en ze gingen dan heel voortvarend te werk. Maar als zo’n middel mislukte, waren ze weer ten einde raad.”

Bij dit sombere beeld ziet Roelfsema toch ook wel wat lichtpuntjes: “Ze wisten wel  wat voor gevolgen ziekten hadden, want ze deden opvallend veel lijkopeningen om te zien of hun diagnose goed was geweest, en dat stimuleerde hun ervaring.” In het gebruik van chloroform als verdovingsmiddel bij operaties (1849) liep Veenhuizen zelfs landelijk voorop. En ook wat betreft de invoering van hervaccinaties tegen de gevreesde pokken (1832) was de Maatschappij haar tijd vooruit. “Landelijk vond dat pas acht jaar later ingang”, zegt Roelfsema: “Nergens werden er zoveel ingeënt als in Drenthe, maar de provincie kwam er vooral zo positief uit dankzij Veenhuizen.”

Waren die wezen en bedelaars daar en in de Ommerschans niet beter afgeweest als ze in hun oude omstandigheden waren gebleven? “Nee”, is het antwoord. “Het lijkt me dat ze in de koloniën beter af waren. In de stedelijke weeshuizen, bijvoorbeeld, waren de hygiënische omstandigheden even slecht. Maar de Maatschappij zorgde wel voor de nodige medische voorzieningen en beknibbelde nooit op medicijnen.”


UK, april 2006.


Museum Appingedam andermaal bezocht

Na zeven jaar werd het ook wel weer eens tijd om het Museum Stad Appingedam opnieuw te bekijken. Ik kreeg er een rondleiding van vrijwilliger Henk Bolt. En zag andere dingen dan de vorige keer.

Schippersklokje uit de zeventiende eeuw (met een enkele wijzer):

Krukje met gereedschap in de koperslagerswerkplaats, onder in de kelder:

Kanonnetje dat tevoorschijn kwam bij een opgraving op het terrein van de voormalige borg (Oost-)Snelgersma; de wielen zijn er naderhand bij gemaakt:

Bord met de namen van de Damster beurtvaarders op Amsterdam, 1696. Als iemand onderweg was, kwam er een stop in zo’n gaatje rechts:

Jan Gewald (1840-1921?), de blinde stadsomroeper van Appingedam, met zijn vrouw die hem altijd begeleidde en waarschijnlijk ook souffleerde, want bij het memoriseren van de om te roepen boodschappen ging er natuurlijk wel een iets mis:

Raampje met gebrandschilderd glas dat me sterk deed denken aan soortgelijk werk uit 1718 op het koor van de kerk in Noordwolde:

Tegeltableau met schaap (volgens mij zeldzaam, gewoonlijk zie je koeien en paarden, maar geen schapen):

Vrouwenfiguur op een vroegmoderne schouw:

Op zolder het uithangbord van een lokale schoenenwinkel:

In een van de kamers hangt en staat werk van Jan S. Niehoff, dat me deels bekend voorkwam. Zo niet dit aardige wintertafereeltje:

Karel Arkema (1901-1964), De pastorie van Solwerd:

Sip Hofstede (1948-2019), Wijkstraat Appingedam: