‘Kip, kap kogel, Sinte-Maartens vogel’ – een beschrijving van de Groningse Sint-Maartensviering uit 1898

Nergens is van de feestviering op Sint-Martinusdag (11 november) zooveel overgebleven als in de provincie Groningen. Weliswaar moet een hoofdnummer van het program, het eten van een gebraden gans, achterwege blijven omdat de ganzen niet meer in ieders bereik vliegen, maar overigens wordt het feest met vollen luister herdacht. (…)

Op straat is het voornamelijk feest voor de kinderen. Allen zijn des avonds gewapend met een lampion, in de wandeling een Sinte Martinus genoemd. De kinderen der burgerij gaan bij vrienden en bloedverwanten, die der armen huis aan huis. En terwijl de bonte rij van lampions een schilderachtig effect maken en iets warms geven aan den guren, somberen herfstavond, klinkt het uit de kelen der kleinen:

Sinte Martinus bisschop, patroon van stad en lande,
Dat wij hier met lichtjs loopen, is voor ons geen schande.
Hier woont de rijke man, die ons wel wat geven kan.
Veel zal hij geven, lang zal hij leven,
Zalig zal hij sterven, den hemel zal hij erven.
God zal hem loonen met honderdduizend kronen.
Met honderdduizend lichtjes aan, daar komt Sint-Martinus weer aan.
Geef ons maar een appel of een peer, dan komen we ’t hele jaar niet meer.

De lezer zal wel begrijpen dat het liedje, dat ik zoo nauwkeurig mogelijk heb weergegeven, in den mond der kleinen niet altijd tot zijn vollen recht komt. Heel vaak hoort men: “Zalig zal hij leven en lang zal hij sterven” en andere afwijkingen.

Het “Kip,. Kap, kogel, Sinte-Maartens vogel” hoort men, als ik wel ben ingelicht, nog in enkele dorpen van de provincie, maar het lopen met luchtjes is zeer algemeen. Zoo las ik in de Nieuwe Groninger Ct het volgend berichtje uit Pieterburen , een dorpje in het noorden onzer provincie:

“Eén gebruik handhaaft zich hier echter met succes, en wel het loopen met lichtjes op St-Maartensavond. Van alle gezindten komen de kinderen in grooten getale opzetten, of liever (…): van alle rangen en standen. Aristocraatjes en democraatjes heffen broederlijk en zusterlijk in alle grondtonen het “Alse-Sunte Meerten, de koeien dragen steerten” aan, sommige dreumesjes, die pas kunnen loopen, onder moeders geleide. Reeds dagen te voren worden sigarenkistjes, mangelwortels, kalebassen enz. opgevraagd, uitgesneden en beplakt met allerlei graden van kunstvaardigheid. Pas begint het te donkeren, of bij de omliggende boerderijen neemt de feestelijke tocht een aanvang, om later in het dorp zelf voortgezet te worden en zoo de rechtse dorpsstraat een alleraardigst aanzien te geven.

Een 170-tal bewogen zich op straat. Appels en peren, anders ook wel de “gave” van den “rieken man”, zijn schaarsch, ofschoon de boomen bij verscheiden twee maal gebloeid hebben, tot zelfs in november.”

Naschrift: opvallend is een verschil tussen stad en land in deze beschrijving. In de stad gaan de kinderen van de gezeten burgerij slechts bij familie en goede kennissen langs, terwijl de armen huis aan huis afgaan; op het platteland daarentegen gaan de kinderen van alle rangen en standen gezamenlijk op pad.

Bron: De Tijd 23 november 1898, Binnenland, Brieven uit Groningen IX.


Rondje Schilligeham

Leegkerk:

Bij de ingang tot het erf van de boerderij Gravenburg – hun moeder zat achter mij in het weiland te jagen, ze wachtten haar op. Ik denk dat deze kittens een week of vijf, zes oud zijn:

Schutting met koeien bij Oostum:

Dijkcoupure bij Schaphalsterzijl:

Mosterdzaad bij Schouwen (het Groningse, zonder Duiveland):

Rijenteelt maakt micro-reliëf zichtbaar:

Arbeiderswoningen en de gewezen boerderij van Guikema aan de Onnesweg in Feerwerd:

Watermolen in de buurt van Steentil:


Smidsdiploma


De handgeschreven invulteksten op dit smidsdiploma zijn aanzienlijk verbleekt en nauwelijks meer leesbaar, maar het werd op 4 augustus 1956 uitgereikt aan een Jacob Hofstee, dan bijna 30 jaar oud en geboren te Uithuizermeeden.

Linksonder een soldeerbout en rechtsonder een aanbeeld, met een hamer en oplaaiend vuur. De stijl doet jaren 30 aan. Wellicht had de vakopleiding nog een stapeltje vooroorlogse diploma’s liggen.

Het drukwerkje tikte ik op de kop bij de veiling van Boekito’s schilderijen, begin deze maand in het Poortershoes, het buurthuis van de Oosterpoort waar Boekito vlakbij woonde en ook redelijk vaak kwam. Hij heeft in maart een hersenbloeding gehad en kan nauwelijks meer praten. Zijn huis is ontruimd en bijna al zijn boeken zijn naar de stort gegaan: een drama voor de boekenverzamelaar.

Voor zover ik zag, werd er op zijn schilderijenveiling redelijk wat verkocht, meest romantische werken. Was wel een komisch gezicht in de buurt, om jongelui met zulk werk door de straten te zien lopen. Boekito zelf zag ik niet bij de veiling, op de deur van het buurthuis hing een briefje dat die pas ’s middags zou komen.

 


“Houten handen, waar te setten” – de oudste resolutie van het stadsbestuur over handpalen

Bij het doornemen van notities die ik een kwarteeuw geleden maakte, vond ik haar terug: de resolutie waarin het Groninger stadsbestuur voor het eerst hand- of strijkpalen noemt. Ze dateert van zaterdag 15 januari 1653 en stelde een commissie in

omme ordre te stellen, dat tot minste schade en beste mesnage van de Stat, bij het roode bruckjen achter de berckmeulen een houten handt wierde gestelt, alwaar een jegelijcke schuitevaerder ofte ander schipper s[i]nen seijl sal hebben te strijcken

Dat rode bruggetje lag buiten Kleinpoortje over het Schuiten- of Winschoterdiep. Kennelijk had deze voorganger van de huidige Bonte Brug al eens averij opgelopen omdat een zeilend schip ermee in aanvaring kwam. Vandaar dat er een handpaal met het gebod ‘strijk’ achter de toen nog bestaande barkmolen kwam, op ruim 150 meter afstand van de brug.

Ook bij het verlaat van Martenshoek en bij de “scheidbrugge” in Sappemeer kwam er zo’n handpaal te staan. Deze maakten verder deel uit van een heel pakket van maatregelen, dat ook de bruggen van Foxhol en het zandpad en de vonders van Sappemeer betrof.

Zie verder.


Graffiti op het hoekje van de Westerhaven


Tamelijk hagiografisch, maar tevens erg mooi

Lied over de man die vaak bij Harm Boukje logeerde:


Opkomst en ondergang van Dikke Trui

Op de Dag van de Groninger Geschiedenis werd gister een beeld opgeroepen van het eerste vrouwencafé in Groningen, zoals dat tussen 1979 en 1982 bestond. In die periode veranderde de doelgroep nogal, net als het muziekaanbod. Hier mijn verhaal voor de programmakrant.

De Dikke Trui, het allereerste vrouwencafé van de stad Groningen, had regelmatig last van ongewenst mannenbezoek. Zo trok een man in oktober 1979 een mes en beroofde vier bezoeksters omdat hij geen pilsje kreeg. Twee maanden later herhaalde zich dit, waarbij dezelfde dader opnieuw honderden guldens buitmaakte. Begin ’80 pleegde een andere man bovendien vernielingen in het café. De vrouwen hielden hem vast, maar hij ontkwam dwars door het raam. In oktober ‘80 stopte de politie nog zo’n bezoek. “De agressie van mannen is in de afgelopen jaren nauwelijks veranderd, aldus een Trui-medewerkster in mei ’81: “Als het volle maan is, dan lijkt het weer toe te nemen”.

Het vrouwencafé was juist opgericht, omdat vrouwen niet rustig in een café konden zitten zonder mannelijke opdringerigheid. Weliswaar bestond er vanaf 1975 een Vrouwenhuis in Groningen, maar dat was meer sociaal-politiek gericht en bood geen ruimte voor ontspanning en cultuur. Daarom hielden twaalf vrouwen – vooral babyboomers, werkzaam in onderwijs en kunst – in augustus ’77 een brainstormweekend op Schiermonnikoog, waar de naam ‘Vrouwen van Trui’ ontstond.

Na enige mislukte pogingen om een café te beginnen, leek de animo weg, tot zich in augustus ‘78 een andere initiatiefgroep aandiende met een plan voor een vrouwenboekhandel. Beide groepen besloten samen te gaan werken aan een vrouwencultuurcentrum. Hun stichting ‘Vrouwen van Trui’ kreeg weldra statuten met als drieledige doelstelling:

  1. Een ontmoetingsplaats bieden voor alle vrouwen;
  2. Het bevorderen van de emancipatie van de vrouw;
  3. Het bevorderen van vrouwencultuur.

Leestafel met vrouwenbladen
Zowel het vrouwencafé als de -boekhandel ging, vooruitlopend op dat veel bredere cultuurcentrum, ‘De Dikke Trui’ heten. Het was echter de boekhandel die als eerste een pand kreeg: begin maart 1979 opende deze aan de Visserstraat. Bijna drie maanden later, op 28 mei, ging het café los in het pand Oude Ebbingestraat 82, dat al eerder verbouwd was door de eigenaar, de Hengelosche Bierbrouwerij (Stella Artois), tevens leverancier van het bier. De Vrouwen van Trui pachtten dit pand, dat boven een expositieruimte en crèche kreeg, terwijl de benedenverdieping ingericht werd met een bar, dansvloer, zithoek, flipperkast en leestafel met vrouwenbladen.

Vrijwilligers, uiteindelijk zo’n 150, runden café Dikke Trui. Er waren werkgroepen voor alle voorkomende klussen en iedereen kreeg evenveel zeggenschap in de medewerkersraad die het laatste woord had. Alleen in zeer urgente gevallen kon een kleine coördinatiecommissie iets besluiten, maar dat gebeurde zelden.

Zoals gezegd vormde het café een opstap naar een breed vrouwencultuurcentrum en dat was in de feestweek na de stampvolle opening al goed te merken met optredens van clowns, een vrouwenband en een huisvrouwenorkest. Ook later waren de activiteiten in De Dikke Trui deels sociaal-cultureel van aard, met kindermiddagen, klaverjasavonden en open podia. Terwijl er aanvankelijk nog stijldansavonden plaatsvonden, werden dat in ’80 en ’81 echter swingavonden met onder andere new wavemuziek.

Een ander publiek
De expositieruimte boven was geen lang leven beschoren. Binnen een jaar na de opening verhuisde de beeldende kunst naar boekhandel Trui, die wel mannen toeliet. Van het café waren vooral de literaire activiteiten spraakmakend. Zo traden in ’80 en ’81 bekende feministische auteurs als Hannes Meinkema, Andreas Burnier en Elly de Waard op in De Dikke Trui, met een gehoor van zo’n 150 vrouwen. Voor grootschalig theater was de ruimte ongeschikt, maar er waren wel kleine projecten, bijvoorbeeld over “de lusten en lasten van het vrouwenlijf”. Bovendien vertoonde Trui regelmatig “roldoorbrekende” films. De ontwikkeling die het vrouwencafé doormaakte, is echter het best af te lezen aan de muziekoptredens. Aanvankelijk vallen nog klassieke ensembles en koren met strijdliederen op, terwijl in ’80- en ’81 meidenformaties als Vendetta, The Real Insects en The Bitch Band in het oog lopen met hun semi-punk en new wave.

Met het muziekaanbod veranderde ook het publiek van Dikke Trui. Volgens de statuten moest ze een ontmoetingsplaats zijn “voor alle vrouwen”, maar de praktijk week hier gaandeweg van af. In ‘80, ’81 hielden ettelijke vrouwen van het eerste uur het café voor gezien. De babyboomsters maakten zogezegd plaats voor een wat jongere, ‘verloren generatie’. Voor de buitenwacht ging het om “lesbische, geëmancipeerde wijven” en “mannenhaatsters”, iets wat Dikke Trui zelf in de pers ontkende, maar toch ook intern als verwijt klonk. Sommige medewerksters stoorden zich aan de vaste, anarcho-feministische kern die andere vrouwen zou afstoten – deze werd deze ook wel “de New Wave groep” genoemd, met als kenmerken: “kort, geverfd haar, alles zwart, grote oorbellen, grote bek en last but not least, new wave muziek”.

Bij het bovendrijven van deze bezoekstersgroep, kwamen er ook klachten over verruwde omgangsvormen. Bovendien zou Trui minder vrouwen trekken. Aan de omzet was dat echter niet merkbaar. Dat het café per 1 januari 1982 dichtging, lag dan ook niet aan het veranderende publiek, maar aan de brouwer.

Vier fusten per week
Volgens het pachtcontract uit mei ’79 moest Dikke Trui jaarlijks 100 hectoliter bier moest afnemen, zo’n 4 standaardfusten per week. Een een geringere bierafname gold als ontbindende voorwaarde. Alleen dronken de bezoeksters van Trui veel liever wijn en sterkedrank dan bier. Nadat de Keuringsdienst van Waren al eens teveel schimmels in een monster tapbier aantrof, constateerde de brouwerij in maart ‘81 dat Dikke Trui in een jaar tijd slechts 62 hectoliter bier afnam:

U zult begrijpen dat wij thans gerechtigd zijn de huur op te zeggen, hetgeen wij hierbij doen en wel met onmiddellijke ingang.

Dikke Trui wist haar bestaan nog wel te rekken, maar bouwde haar activiteiten af en zocht onderwijl naar een andere locatie. Die bleek nog niet gevonden toen op 1 januari ’82 zo’n 200 vrouwen het afscheidsfeest bijwoonden. In april maakte de harde kern een doorstart in het gekraakte Oude Politiebureau, in een nieuw vrouwencafé: ‘De Del’.

Na het vertrek van Dikke Trui werd het pand weer een gewoon café. De nu mannelijke klandizie trapte in het Nieuwsblad nog even na en hekelde de buitensluiting van mannen. “Dit was vroeger een feministisch café, zo’n enge club”, lichtte er een toe: “Maar als je ziet wat er boven op de wc geschreven staat, dan kunnen ze er toch niet zonder.”

Bronnen: dit artikel is vooral gebaseerd op Nieuwsblad-artikelen en archiefstukken van De Dikke Trui, vooral inv.nr. 142: correspondentie.