Korhoenders in Groningerland, 1828


Bij het doornemen van schoolmeestersrapporten uit 1828 viel me op dat sommige onderwijzers bij de vraag naar de “voortbrengselen des dierenrijks” ook jachtwild noemden, o.a. korhoenders/korhoenderen. Heb al die rapporten er maar even systematisch op doorzocht. Op de plekken, gemarkeerd door de rode stippen op de kaart werden korhoenders door de schoolmeesters gerapporteerd.

Het Westerkwartier, het Gorecht en Westerwolde springen eruit als leefgebieden van deze veel bejaagde vogel. Bij Scheemda, op het  schiereiland van Winschoten, werden ze ook wel gezien. In alle gevallen ging het om hoger gelegen zand- en veengronden met nog vrij veel onontgonnen natuur en kleinschalige landbouw.

Een overdreven voorstelling van de aantallen moeten we ons maar niet maken. In Grootegast werd het korhoen zeer zelden gezien, in Opende ging het om enkele exemplaren, in Zevenhuizen waren ze vrij zeldzaam en in de buurt van Scheemda zag je ze weinig. In belendende streken als de Friese Wouden en Drenthe – waar nog veel meer hoogveen aan snee zou komen – waren de aantallen wellicht groter.

Een bijzondere vermelding verdient nog de schoolmeester van Doezum. Hij kwam met een volksetymologische verklaring voor de naam van de buurtschap Kornhorn:

het heeft ook zoo men zegt, zyn naam van de jagt ontleend; hier werden in vroeger tyden veel korhoenen gevangen of geschoten, en omdat dit wild, hier in menigten verkeerde, noemde men die hoek de Korhoek of Korhorn; nu zegt men gewoonlyk de Kornhorn.

Eind zeventiende eeuw is in stukken steeds sprake van Curringehorn. Dat duidt eerder op een familie- en een boerderijnaam.

Advertenties

Dienstbodenbesteders

Via de truc met het procentteken trok ik uit Alle Groningers 42 meldingen tevoorschijn van besteders/bode{n)besteders/dienstbode(n)besteders: mannen die de arbeidsbemiddeling tussen werkgevers enerzijds en anderzijds meiden en knechten als hun hoofdberoep beschouwden. Waar woonden deze arbeidsbemiddelaars?

In elk geval nauwelijks ten zuiden van het Reitdiep en het (Verlengde) Winschoterdiep, dus in Westerkwartier,  Gorecht, Veenkoloniën en Westerwolde. Het Lageland en Duurswold vallen er ook duidelijk tussenuit.

Bodensteders waren er wel in de Stad, en verder in drie klusters op het platteland:

  1. bij de jonge polders langs de Waddenzee;
  2. in de streek rond Loppersum en Stedum en
  3. in het Oldambt.

Die drie regio’s hebben gemeen dat er veel graan werd verbouwd. Mogelijk waren de arbeidsverhoudingen er, net als in de Stad, wat zakelijker, waardoor de behoefte aan arbeidsbemiddeling er ook wat groter was. De streken waar de beroepsgroep nauwelijks voorkwam, kenmerkten zich veelal door kleinere gemengde bedrijven en veeteelt. Alleen de Veenkoloniën vormden wat dat betreft een uitzondering.


‘Eene onvoorzigtigheid, geheel strijdig met het veylig gebruik der publieke wegen’

Op 25 mei 1809 ontving de drost van het Westerkwartier bericht,

dat op den 23 dezer digtbij Noordhorn de vrouw van Freerk Hendriks onder Grijpskerk zoude zijn overgereden door het rijtuig van enen Luurt Popkes onder Niehove woonagtig, en sodanig gekwetst, dat zij korte uren daarna was overleden…

Onmiddellijk gaf de drost de fiscaal (aanklager) van de jurisdictie opdracht de zaak zo snel mogelijk te onderzoeken. Aan de dodelijke afloop van het ongeluk hoefde men alvast niet te twijfelen, want op 29 mei werd te Grijpskerk Tietje Sijtses (56), de vrouw van Frederik Hendriks begraven. Het echtpaar woonde op de Westerhorn bij Grijpskerk en was in goeden doen. Dat gold eveneens voor de boer Luurt Popkes, die wat later de familienaam Gaaikema aannam. Misschien dat die welstand ook teweegbracht, dat de fiscaal niet zo’n haast maakte met zijn onderzoek. Met armere sloebers werden heel wat kortere metten gemaakt, maar een boer liep niet weg.

Pas drie maanden later, op 16 augustus 1809, bleek dat de fiscaal zijn “praeparatoire informatiën” had ingeleverd bij de drost. Ook gaf hij de drost nog een mondelinge toelichting op deze getuigenverhoren “nopens het praesumptiv overrijden der vrouw van Freerk Hendriks door het rijtuig van Luurt Popkes”. De drost besloot daarop dat de getuigen hun verklaringen zo snel mogelijk onder ede moesten bevestigen.

Dat noch de voorlopige, noch de beëdigde verklaringen bewaard zijn gebleven, komt doordat de strafrechtelijke procedure, nu deze serieuze vormen begon aan te nemen, geen geheim bleef voor Luurt Popkes Gaaikema. Ik denk dat hij ook zelf is verhoord. In een rekest vroeg de boer “in submissie” te worden aangenomen. Inwilliging van een dergelijk verzoek zou betekenen, dat de zaak niet crimineel werd vervolgd (waarbij verbanning, een lijf- of celstraf dreigde), maar boetstraffelijk, zeg maar door middel van een schikking. Daarvoor was echter wel nodig dat de verdachte zijn schuld zou toegeven, dus een bekentenis aflegde en spijt betuigde. Het bleek dat Gaaikema daar enige moeite mee had.

Op 15 oktober verklaarde hij dat hij zich geheel onschuldig achtte aan de “verregaande moedwil of onvoorsigtigheid” die hem ten laste werd gelegd doordat zijn rijtuig op de weg tussen Zuid- en Noordhorn de sjees van Freerk Hindriks en diens vrouw Tietje Sytses omverwierp, waardoor de vrouw aan haar eind kwam. Wat betreft een dergelijke “wandaad” was zijn geweten geheel schoon, zei Gaaikema. Het griefde hem dat men het deed voorkomen alsof hij iemand van het leven beroofd had. Ook trof het hem zeer,

na reeds een gevorderde ouderdom te hebben bereikt, en tot hiertoe zo veel mogelijk de regels van prudentie aan zijne jaaren passende, te hebben geobserveert, eensklaps van de verregaandste petulantie te worden betigt

Hij was al 34 en dus echt niet meer zo onstuimig. Hij zou zijn “onbesproken levenswijze” gemakkelijk kunnen bewijzen, maar achtte dat onnodig omdat de verzamelde getuigenverklaringen niets konden behelzen “waaruit enig ongunstig denkbeeld opzigtelijk zijn gehouden gedrag kan worden gevormd”. Echter, hij had gehoord dat de verhoorde getuigen familie van het slachtoffer waren en zulke mensen konden zich door hun emoties laten meeslepen. Vandaar dat hij zijn eigen versie van het gebeurde gaf:

Dat hij benevens zijn huisvrouw op den 23 van bloeimaand l.l. ter gelegenheid van de kermis met de wagen na Groningen zijnde gereisd, tegens de avond retournerende, en zig op de Heereweg tusschen Noord- en Zuidhorn in een stroom van rijtuigen gewikkeld bevindende, door het hevig geraas en getier van eenige derzelve des rem[on]s[tran]ts peerden zig zodanig hebben geschrickt, dat dezelve geheel uit zijn magt zijn geraakt, wanneer (nadat de teugels vervolgens in stukken waren gerukt), hij niet in staat is geweest te kunnen beletten dat zijn hollende wagen een der raden van de chais waarop Freerk Hindrisk en vrouw waren, bij het passeren van dezelve zodanig te raaken, dat de chais is omgeslagen, en bij welke gelegenheid de vrouw van dezelve Freerk Hindriks zig zo ongelukkig heeft bezeert.

Ongelukkig bezeerd…, wat een bagatel – alsof het niet veel erger was geweest. Gaaikema had de paarden voor zijn (zwaardere) wagen dus niet in toom kunnen houden. Weliswaar erkende hij “alzoo eenigerwijze kan geoordeeld worden de oorzaak van dit ongeluk geweest te zijn”, toch deed hij een beroep op “zodanige verschonende omstandigheden”, dat het ongeluk voor hem geen “zeer onaangename gevolgen” mocht hebben. Daarom hield hij zich niet langer stil. Ook was de voortdurende herinnering aan het ongeluk hem “even smartelijk als onverdraaglijk”. Hij had niets liever dan

door eene spoedige afdoening mogelijk in staat te zijn dit ongeval gedurende zijn leven nog eenmaal te kunnen vergeeten.

Vandaar zijn verzoek “in submissie” te worden toegelaten, en de gerechtelijke vervolging in deze zaak op te schorten. Dat nu, deed de drost zomaar niet. Die wenste eerst het advies van de fiscaal in te winnen.

Op 17 januari 1810 was dat advies binnen. De fiscaal vond dat Gaaikema zijn verzoek zo had ingekleed, “dat daarin geen schuldbekentenis wierdt gevonden”. Om die reden zou de drost het verzoek moeten afwijzen, daar “er gene submissie kon plaats hebben van iemand die zich geheel onschuldig houdt”. De drost besloot dit advies op te volgen en Gaaikema om een nadere uitleg te vragen – zonder zo’n toelichting wilde hij diens verzoek niet inwilligen. Aldus voor het blok gezet, haalde Gaaikema bakzeil. Hij erkende nu,

door onvoorzigtigheid de eerste aanleiding tot dit ongeval te hebben gegeven, en dus in soverre sou kunnen worden beschouwt op eene meer of min schuldige wijze in dit geval te zijn begrepen…

De fiscaal zag hier “een zekere schuldbekentenis” in, waardoor zijn bezwaar tegen een boetstraffelijke afhandeling van de zaak verviel. Op 15 februari 1810 kwam de drost tot zijn uitspraak. Hoewel hij Gaaikema onschuldig achtte aan het opzettelijk overrijden van het slachtoffer, was er bij de ongelukkige inhaalmanoeuvre toch wel sprake geweest van

eene onvoorzigtigheid, geheel strijdig met het veylig en ongestoort gebruik der publieke wegen, waarvan de schadelijke gevolgen alleen moeten komen ter verantwoordinge van diegene , welke het waagt een ander van agteren voorbij te rijden, ter oorzake, dat dezelve vooruit kan zien en weten of de passage breed genoeg is om onverhindert en sonder letzel het rijtuig, dat voor hem op weg is, voorbij te kunnen rijden…

Daarom veroordeelde de drost Luurt Popkes Gaaikema tot een boete van 80 daalder. Bovendien moest Gaaikema de “dood- en uittigstkosten” van Tietje Sijtses aan haar man vergoeden, evenals de schade aan hun sjees. Van de betalingen moest Gaaikema kwitanties aan de drost tonen. Hij kreeg verder nog de rechtskosten voor zijn kiezen.

Getuige de post van 120 gulden in het breukenregister van de jurisdictie Westerkwartier heeft Gaaikema de boete vrij vlot voldaan. Laat de kosten van de begrafenis en de bijbehorende maaltijd een 40 gulden geweest zijn, het rekest en de civiele uitspraak vergden samen een even hoog bedrag. Bovendien kwamen daar nog kosten van de afgebroken strafrechtelijke procedure overheen en niet te vergeten die voor de sjeesreparatie. Al met al schat ik dat Gaaikema er minstens 250 gulden bij inschoot. Voor dat bedrag had hij als boer een jaar lang twee arbeiders in dienst kunnen hebben.

Bronnen:
RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (archieven gerechten Westerkwartier) inv.nr. 611: criminalia: 25 bloeimaand en 16 oogstmaand 1809, 17 en 31 louwmaand 1810; idem inv.nr. 727: rekestboek d.d. 15 wijnmaand 1809; idem inv.nr. 416: uitspraak van 15 sprokkelmaand 1810; idem inv.nr. 767 breukenregister, 1810.


Rondje Leegkerk – Dorkwerd

Gedumpte goot in de berm van de Roderwolderdijk, Hoogkerk:

Hindernisbalken van Henkie Hout, Aduarderdiepsterweg Leegkerk:

Door geiten aangevreten boom bij de Tichelwerkbrug:

Boerderij op Leegkerk:

Leegkerk – reddeloos ensemble met de kerk op de achtergrond:

Gaaikemadijk, de populierenrij:

De nieuwe brug bij Aduard staat nog omhoog:

Het kerkje van Dorkwerd:


Paragraaf over de jacht

Uit het Gemeenteverslag van Marum, 1851, :

Er waren in het afgelopen jaar weinig hazen, veel patrijsen, enkele korhoenders, houtsnippen en kwartels, veel lijsters en vinken, verder eenige ganzen, eenden, watersnippen en schrieken.


Een kind van het strand

Bij een novemberstorm in 1803 werd er een schip op de kust bij Oldehove geblazen. Het hol was nog wel dicht en de schipper en zijn vrouw bleven voorlopig aan boord, want de vrouw was hoogzwanger. Ze beviel ook op die opmerkelijke plek, maar naderhand weigerde de predikant van Oldehove haar kind te dopen. Daarom stapte de vrouw, toen de gangbare kraamtijd zo’n beetje voorbij was, naar het gerecht. Op 11 januari 1804 legde ze haar probleem voor aan de drost van het Westerkwartier:

Door Geertje Teunis, vrouw van Willem Schouten zijnde voorgedragen, dat zijlieden met hun schip door harde wind en vloed op strand geraakt zijnde nabij Oldehove, zij Geertje Teunis aldaar in dien tijd voor ruim vijf weken in de kraam was bevallen van een kind, zijnde een dogter, dewelke de predikant der plaats do. Muntinghe zwarigheid maakte te dopen.
Is dezelve geauthoriseerd, gelijk geschiedt bij dezen, om aan het kind in dit singulier geval den Heiligen doop toe te dienen, zonder dat immer uit dien hoofde ten nadeele der diaconie van Oldehove eenige consequentie zal kunnen worden getrokken.

De predikant was dus bang geweest dat de schipper en diens vrouw tot armoe zouden vervallen, waarbij hun kind, als het in Oldehove gedoopt was, tot last van de Oldehoofster armenkas zou komen. Maar het gerecht, oftewel de drost, gaf hem in dit buitengewone geval een vrijwaring. De predikant kon er staat op maken dat zoiets niet zou gebeuren.

Niets stond de doop van Grietje, de dochter van Willem Schouten en zijn vrouw Geertje Teunis meer in de weg. Op zondag 15 januari 1804 vond die plaats. De predikant noteerde in het doopboek, dat de ouders uit Giethoorn in Overijssel kwamen en dat hun kind door hem gedoopt was “op bijsondere authorisatie van den Drost van het Westerquartier”. Ook staat er bij de doopinschrijving een verwijzing naar het kerkboek. Bedoeld is in dit geval het kerkeraadsprotocol van de gemeente. Daarin schreef ds. Muntinghe bovenstaande verklaring van de drost in extenso over, waarbij hij de laatste bijzin, die met de vrijwaring, nog even extra duidelijk onderstreepte.

Bronnen: RHC Groninger Archieven:

  • Toegang 735, archief Jurisdictie Westerkwartier, inv.nr. 729: publicaties en notificaties door de drost, die van11 januari 1804.
  • Doopboek Oldehove, akte 15 januari 1804.
  • Toegang 279, archief hervormde gemeente Oldehove, inv.nr. 1, notitie 15 januari 1804.

Knecht ontvlucht gemelijke baas

In de vroege ochtend van 6 december 1804 kneep Jan, knecht van Zytse Hindriks bij Oldehove, er stilletjes tussenuit. Hij nam wat stukjes vlees en een kop boter mee uit de melkenkamer van de boerderij en kocht onderweg bij een koopman in Oldehove vier doeken en twee paar kousen op rekening van zijn baas.

Jan was Oldehove al uit, toen de wedman hem achterhaalde en terugbracht naar het dorp. ’s Middags bracht de wedman hem over naar het rechthuis in Zuidhorn, waar de drost van het Westerkwartier zetelde en rechtsprak.

Jan bekende bij meneer de drost meteen alles.

dog tot zijne verschoning inbrengende, dat hij enen geruimen tijd ziek geweest zijnde en hierdoor buiten staat geraakt om voor den boer te arbeiden – dewelke hem voor zijn dienst, kost, klederen en het meesterloon moest betalen – deze zich daarover meermalen gemelijk tegen hem betoond had, zo dat hij daar niet langer konde verblijven; dat hij voorts niet meer dan tot reiskost had medegenomen, en eindelijk dat daar hij niets geen geld en maar weinige slegte klederen hadde, hij bevreest geweest was, om bij het aannaderen des winters bij geen ander te kunnen teregt komen; ook had hij begrepen dat het zo erg niet was op een anders naam iets te halen…

Jan vroeg om een genadige behandeling. Gezien zijn leeftijd, 16, bleek de drost daartoe bereid. Hij veroordeelde Jan tot acht dagen opsluiting in de toren van Midwolde, waarbij hij de roderoede van de Leek opdracht gaf om Jan

in dezelve toren van behoorlijk stro te voorzien en voorts twee maal daags het nodige water en brood te bezorgen.

Ik vermoed dat Jan het met dat dieet daar in de toren van Midwolde aardig koud heeft gehad. Eenmaal weer op vrije voeten zal hij met zijn afgedragen kleren en gebrek aan referenties inderdaad geen baas hebben kunnen vinden. Zo iemand moet een heel gemakkelijke prooi zijn geweest voor de zielverkopers of wervers voor leger en vloot.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (gerechten Westerkwartier) inv.nr. 610: criminalia, notitie 6 december 1804.