Een schoolmeester-filosoof die dagelijks de schelvisvangst voor ogen had

Schelvis, anoniem, 1560-1585. Collectie Rijksmuseum.

Schoolmeester Johannes à Brederode, die van 1646 tot 1662 in Beerta woonde en werkte, had enkele merkwaardige schilderijen aan de muur hangen, zoals blijkt uit een nooit geperfecteerde verkoopakte (1650):

“…een groot schilderije zijnde een schelvisvanck, een schilderije zijnde een schelvis, noch twee schilderijen zijnde twee troonjen…”

Aan de portretten kunnen we voorbijgaan, het gaat me om de schelvis en de schelvisvangst. Het lijkt erop dat de verzegelaar (de predikant van Beerta) meer van dergelijke schilderijen kende en daarmee doelde op een populair soort voorstellingen, net zoals bijvoorbeeld de vier jaargetijden dat waren. Voor schelvissen op zich mag het inderdaad zo zijn dat die wel meer werden uitgebeeld – het Rijksmuseum bezit een stuk of wat afbeeldingen uit de zeventiende eeuw, vooral stillevens, dus vast duidend op de vergankelijkheid – maar voor de schelvisvangst is dat absoluut niet zo, want daarvan heeft het Rijksmuseum slechts één enkele prent:

Schelvisvangst, prent door Caspar Luyken, 1711. Collectie Rijksmuseum.

Bovendien is de schelvis niet een vis die veel in de ondiepe Dollard werd gevangen – de Dollardvisserij hield zich meer bezig met grut als bot en garnaal. Schelvis was meer iets voor vissers uit Maassluis die zich met hun grotere schuiten iets verder van de kust af durfden wagen. Schelvis en schelvisvangst vormden daarmee voor de Oldambtster omgeving tamelijk exotische voorstellingen die appelleerden aan de persoonlijke smaak van meester Van Brederode zelf.

Volgens enige internet-genealogieën was Johannes à Brederode in 1608 geboren in Dokkum. Waarschijnlijk kwam hij uit een redelijk welgestelde familie, want begin 1635 schreef hij zich in als student filosofie aan de Groninger academie. Twee jaar later liet hij zich aannemen als gereformeerd  lidmaat, een standaard-voorwaarde om ergens als schoolmeester of predikant benoemd te kunnen worden. Mogelijk was hij, voordat hij naar Beerta kwam, nog schoolmeester in een andere plaats geweest.

Beerta had in de “Gouden Eeuw” dus een filosoof als schoolmeester die dagelijks een schelvis en een schelvisvangst voor ogen had. Je vraagt je af of hij daar in filosofische zin iets mee deed. Maar het kan natuurlijk ook zijn dat hij die schilderijen erfde. In dat geval zou zijn afkomst misschien licht kunnen werpen op zijn bezit van deze exotische konterfeitsels.

Advertenties

Eenarmige octopus

Iemand heeft een stofzuiger in de plomp gegooid. Het is net of een eenarmige octopus (altijd zielig, maar pas op) onze wereld verkent.

Gisterochtend lag hij er zo bij:

Vandaag zo – ik heb zo’n idee dat hij dood is, dat water is ook veel te ondiep voor hem:


Barok in Groningen

Ik lees hier dat het Groninger Collegium Musicum, een orkest van heren liefhebbers, eind zeventiende eeuw een aardige muziekbibliotheek had, doordat veel leden hun eigen muziekboeken aan het orkest schonken. Deze boeken kwamen grofweg uit de periode 1630-1690. Onder andere omvatte ze werken van:

Lully (Phaëton):

Uccellini:

Vivaldi:

Meermalen Lully zelfs, naar ik hoop ook deze fantastische Mars voor een Turkse ceremonie:

Ik koos bij dit aanschouwelijk maken met opzet voor live-opnamen, omdat die wat meer rammelen. Bovendien valt er ook echt wat te zien. Wellicht rammelde het bij de Groninger heren dilettanten nog wat meer, maar dat zal weinig aan hun genoegen hebben afgedaan.

Overigens beperkt zo’n exercitie zich natuurlijk wel tot componisten uit de klassieke canon. Van een heleboel andere op de lijst – de meeste – wordt nooit meer wat uitgevoerd. Die zijn totaal vergeten.


Spriknust, Vreet Op, Leegschuddel, Volhaand

Heel bevredigend, zoiets. Op het zeer fraaie kaartje dat Theodorus Beckeringh in 1759 tekende van het kerspel Zeerijp, staan zowaar allerlei boerderijnamen, waaronder de Lege Schottel en de Volle Handt.

Lang geleden, in het pre-internettijdperk hield ik me eens bezig met de kasteleinsfamilie Volhandt, uitbaters van herberg het Oldambtster Wapen aan het Winschoterdiep bij Groningen. Naar enkele genealogen me verzekerden kwam die familie uit de buurt van Loppersum, om precies te zijn van de heerd die de Volle Hand heette.

“Deze boerderij vormde een stel met de Lege Schuddel en er zit een verhaal bij over een bedelaar: bij de Lege Schuddel ontving die niets, terwijl hij bij Volle Hand zijn handen volgestopt kreeg.”

Nu ik echter even digitaal ga zoeken, blijkt het verhaal uitgebreider. Ten eerste zat er volgens Van der Aa (1846) tussen de Lege Schotel en de Volle Hand nog een boerderij: de Vretop (of, met aangepaste spelling: de Vreet-Op). Via het Groninger Woordenboek van Ter Laan, kom ik vervolgens terecht bij de ‘Schooiersraais‘, een volksverhaal dat mevrouw Huizenga-Onnekes in de jaren 20 noteerde en dat ook te vinden is in een bundel van Ter Laan. Voor wie het Gronings achter de links niet kan lezen – dat verhaal gaat ongeveer zo:

In de ouwe tijd kwamen er drie bedelaars vanaf Loppersum lopen. Ze bereikten eerst een boerderijtje dat niet veel voorstelde: “zoo’n spriknust”. Daar wilden ze hun hand niet bij ophouden, die mensen waren veel te arm. Dus liepen ze dat huis voorbij. Bij de tweede boerderij gingen ze wel aan, maar daar kregen ze niets, omdat de mensen daar alles al hadden opgegeten: “de schuddel was leeg”. Ook bij de derde plaats was alles al op. Pas bij de vierde boerderij konden ze aanschuiven en zich zat eten, want de schotel was er nog vol. Het gevolg:

“Van dij tied òf hebben dij vaaier ploatsen heur noam droagen, dij ze ja nou ook nòg hebben: ’t Spriknust, Leegschuddel, Vreet op, Volhaand.”

Als de bedelaars van Loppersum kwamen, dan was de dichtstbijzijnde boerderij inderdaad ’t Sprikkenust, bovenaan het kaartfragment. Tussen die armetierige boerderij en de Lege Schottel, heeft Beckeringh een boerderij niet benoemd, terwijl er volgens hem tussen de Lege Schottel en de Volle Handt geen boerderij stond. Zou het niet zo zijn dat die onbenoemde boerderij de Vreet Op heette? En dat daarmee de volgorde een ietwat andere was?

Hoe dan ook lijkt het vreemd dat namen die bedelaars aan boerderijen gaven, overgenomen werden door andere mensen en daarmee minstens anderhalve eeuw lang konden beklijven. Maar in de volksmond waren het natuurlijk spotnamen, geen officiële. Volgens de Bijdragen tot de kennis van de gemeente Loppersum (Uithuizen 1960) van Muntinga en Brongers heette de Leege Schuttel eigenlijk de ‘Jonge Sikkensheerd’, terwijl de Volle Hand oorspronkelijk getooid was met de naam ‘Godekensheerd’. De laatste was provinciaal bezit – misschien dat daar de toegedichte vrijgevigheid vandaan kwam?

Overigens zagen deze boerderijen er niet bepaald jofel uit, de laatste keer dat ik ze passeerde. Ik meen dat er al een paar zijn gesloopt. Dit is hartje aardbevingsgebied.


De klanten van mijn vader

Het gebied waar mijn vader met zijn boekhoud- en administratiekantoor in de jaren zestig klandizie had:

Er wat dichter op inzoomend:

Nu het allemaal in kaart gebracht is, zie ik dat er naar het noorden en westen meer rek in zat, dan naar het oosten en zuiden. In de Stellingwerven, over de grens met Friesland, had hij verspreid nog wel wat klanten zitten, maar hij kwam nauwelijks over de provinciegrens met Overijssel. Wanneperveen was daar de uitzondering. Waarschijnlijk was de concurrentie uit Steenwijk en Meppel in Noordoost-Overijssel te groot. In het oosten vormde de lijn Ommen-Hoogeveen-Assen de uiterste limiet. De dorpen met de meeste klanten waren in mijn herinnering Wapserveen, Uffelte, Ruinerwold, de Veendijk en Nijeveen.

Nog in de jaren 60 ging hij overal heen op zijn brommer, een Zündapp. Hij zei dan ’s morgens altijd waar hij naar toe ging. De meeste klanten waren destijds nog boeren, vaak met een 5 tot 15 koeien. Soms kwamen die hem schoenendozen vol ongesorteerde rekeningen brengen. Bij wijze van vakantiewerk heb ik die wel eens een week of wat op volgorde gelegd en ingeboekt, maar al te lang hield ik dat niet vol. Het was “klotewerk”, vond ik.


Jacob van Lennep over de Groninger boer

“Op het land vooral heeft men gelegenheid de aanmerkelijke verandering in zeden en geaardheid te beschouwen. Bij de plotselinge vermeerdering van zijn’ rijkdom, heeft de landman vergeten dat hem (…) de weelde van den stedeling niet voegde: dat niet alle jaren hem even voordeelig zijn konden, en dat niets onbestendiger was dan zijne bezittingen. Hij liet groote schuren en wooningen bouwen, bracht er alle meubelen in welke hij de uitgezochtste verfijning verkiest, liet al wat hij gebruikte, lepels, vorken, kannen en kommen van goud maken, vergat dat hij ook eenmaal knecht geweest was en at niet langer met zijne dienstboden; zond zijne kinderen op een Fransche kostschool, werd hoovaardig en trotsch ook jegens de eersten van het land, verzuimde zijn werk, en ziet nu, bij de daling der granen, te laat zijne dwaasheid in.”

Bron: De bekende reisbeschrijving uit 1823.

Commentaar: De auteur was een jonge Bilderdijkiaan en zette als zodanig het verval der zeden door het heersen van de weelde sterk aan, met bijbelse ondertonen. In 1823 was er een enorme agrarische crisis aan de gang. Menige boer die vlak voor die crisis met geleend geld zijn dure boerderij had gekocht of uitgebreid, kon door de ingezakte graanprijzen niet langer aan zijn financiële verplichtingen voldoen. Opvallend is dat Van Lennep hier al het gescheiden eten van boerengezin en dienstboden noemt, waar Hofstee dit enkele decennia later in de tijd plaatste. Mogelijk had Van Lennep vooral de toplaag van de landbouwers op het oog.


Een wandeling rond het Forum

In de Groninger Gezinsbode stond vorige maand een berichtje dat je mee kon doen aan een gratis bouwplaatswandeling rond het Forum. Er kwamen vanmiddag vijf oudere mannen op af. Menigeen bleek teleurgesteld dat de wandeling zich strikt tot de begane grond beperkte, omdat we nog niet in het gebouw mochten komen. Ook ik had graag genoten van een prachtig uitzicht over de stad.

De bouwput op de hoek van de Poelestraat en de Grote Markt, op de plek van voorheen Springs. De nieuwbouw hier krijgt het als het belendende hotel een dakterras, maar dan zijn we een heel eind verder in de tijd:


De blik omhoog in een steeg achter het Concerthuis:

De frisse oostenwind maakte deze steeg tot het Koude Gat nr. 3:

Blik op de Nieuwmarkt, de ruimte voor het Forum richting Grote Markt. Achter dat grote witte vlak links zit Vindicat – de kans is groot dat je hier straks nogal wat corpsballen tegenkomt.  Het witte gebouw rechts is het Feithhuis, waarvan het wat hoger gelegen achterterras straks pal in de middagzon ligt:

Het Forum vanaf de noordkant, achter de gevels van de Sint Jansstraat:

De rondleidster had het meermalen over “het nieuwe cultuurcentrum”, wat mij een beetje ging jeuken. “We hebben hier toch al een cultuurcentrum?”, dacht ik.

In het infocentrum op de Grote Markt de maquette van het Forum in zijn omgeving – gezien vanuit het zuidoosten:

En de maquette van het gebouw met zijn vloeren:

Volgend jaar zomer zou het klaar moeten zijn.