Gevelsteen markeert herbouw apotheek

Stond vanavond nog wat met H. na te praten in de Raamstraat, vlakbij de Herestraat, toen me deze gevelsteen in het oog sprong. Moet hem natuurlijk wel eens eerder hebben gezien, maar nu pas viel hij me echt op, dankzij het strijklicht.

De steen zal een soort eerste steen zijn geweest. Apotheek Oldeman heropende namelijk niet in 1948, maar op maandag 31 januari 1949 haar deuren op deze plek. Sinds 1932 was ze hier gevestigd geweest, maar bij de Bevrijding was het oude pand in vlammen opgegaan, zodat het bedrijf een paar jaar bij een andere apotheek in moest wonen. Daar kwam een eind aan met de oplevering van het wederopbouwpand dat er nu nog staat, een ontwerp van het architectenbureau Nijhuis & Reker. Destijds werd vooral de verkoopruimte in het pand fraai gevonden – dankzij een groot oppervlak aan glas ving die veel licht.

Advertenties

Moord in de Universiteitsbibliotheek?

Terwijl ik bezig was met het zoeken van bijenveilingen, zag ik vanuit mijn ooghoek dit berichtje:

Nieuwsblad van het Noorden 4 september 1911.

Uiteraard ga je dan even verder zoeken, maar veel meer is er – vreemd genoeg – niet te vinden:

Nieuwsblad van het Noorden 5 september 1911.

Volgens een andere krant had de man schotwonden in zijn rechter slaap. Na een paar dagen stierf hij alsnog:

Nieuwsblad van het Noorden 7 september 1911.

Dat is al. Opmerkelijk is dat er geen melding wordt gemaakt van een wapen bij de zwaargewonde. Een zelfmoord lijk je dan te kunnen uitsluiten. Maar zou een moord niet veel meer berichten hebben opgeleverd?

Maar eens kijken of ik er nog wat meer over vinden kan. De overledene heette Elzo Schut. Hij was geboren in Bourtange, 46 jaar oud en getrouwd met een Grietje Renkema. Zij plaatste deze overlijdensadvertentie:

Nieuwsblad van het Noorden 8 september 1911.

Van zijn werkgever, de universiteit, kon er geen advertentie af. Maar misschien was dat ook nog niet de gewoonte. Binnenkort maar eens kijken of er iets in de Academische Almanak stond en wat de bevindingen van de Groninger politie waren.


Een bijenveiling in Beerta

Onderlegger collectie RHC Groninger Archieven 1536-6973.

Eind maart 1889, aan het begin van een nieuw bijenseizoen, liet Eildert Schuitema, de bakker in Beerta die mijn betovergrootvader het geld voor zijn huis voorschoot, 116 korven bijen veilen door de “uitveiler” Girbe Smilda. Of Schuitema al deze overwinterde bijenvolken zelf aangehouden had, is onbekend, maar zou ook weer niet zo vreemd zijn – honing vormde immers een ingrediënt voor koek, een eminent bakkersproduct. In elk geval werden alle hoogste biedingen op de veiling van zijn volken genoteerd in een proces-verbaal, dat bewaard bleef in het archief van notaris Koning te Finsterwolde. Uit dat stuk kunnen we bijvoorbeeld een indruk krijgen, wie er in de omgeving zoal bijen hield.

Schuitema’s 116 korven met bijen kwamen per stel of paar onder de hamer. In totaal ging het dus, afgezien van bijzaken, om 58 kavels. In onderstaande tabel heb ik alle 16 hoogste bieders op deze kavels in hun volgorde van opkomst opgesomd met de aantallen kavels die ze uiteindelijk in de wacht wisten te slepen:

Naam Woonplaats Beroep (Alle Groningers) Aantal stellen korven met bijen Rangnummer
Hindrik Olgers Beerta korenmolenaar 2
Harm Oolders Beerta tuinier/arbeider; vrouw kramerse 17 (1)
Harm Drenth Scheemda arbeider 10 (3)
Geert Emmens Beerta schoenmaker 1
Karel Steen Drieborg schoenmaker 4 (4)
Harmannus Uffen Beerta timmerman 2
Roelf Huizing Zuiderveen timmerman 12 (2)
Geert Schuurman Noordbroek arbeider 1
G. Moerke Beerta ? 1
Christoffel Smit Bellingwolde timmerman 1
Sikko Sikkens Beerta ? 1
Gerrit Smit Finsterwolde dagloner 1
Geert T. Meijer Finsterwolde dagloner 2
Arend Stroobos Blijham arbeider 1
Hindrik Bodde Midwolda arbeider 1
Jakob Emmens Beerta schoenmaker 1

(De initialen van de voornamen der 16 bieders, hun volledige achternamen, hun woonplaatsen en de in de wacht gesleepte stellen korven komen uit het proces-verbaal van veiling. De volledige voornamen en de beroepen zijn aan de genealogische database Alle Groningers ontleend.)

Herkomst bieders
Allereerst de plaatsen waar deze hoogste bieders vandaan kwamen – deze zijn met rode stippen op bovenstaand kaartje weergegeven. Die stippen overziende, was de veiling van regionaal belang: alle hoogste bieders kwamen uit de kleistreek bij de Dollard. Zeven waren er afkomstig uit Beerta en twee uit Finsterwolde. Andere plaatsen uit de omgeving waren slechts met een enkele hoogste bieder vertegenwoordigd. Opvallend is dat de hamrikken (Nieuw-Beerta, Nieuwolda en Nieuw-Scheemda) als plaats van herkomst ontbreken, net als Oostwold, Nieuweschans en Winschoten.

Beroepen

Arbeider 4
Dagloner 2
Tuinier-arbeider 1
Schoenmaker 3
Timmerman 3
Molenaar 1
? 2

De arbeiders en dagloners enerzijds en de (kleine) middenstanders anderzijds hielden elkaar zo’n beetje in evenwicht. Zeer opvallend voor deze omgeving is de afwezigheid van boeren. Blijkbaar imkerden die niet? Voor de arbeiders en middenstanders die dat wel deden, was het houden van bijen waarschijnlijk vooral een nevenverdienste.

Prijzen
Het hoogste bod voor een stel korven met bijen varieerde van ƒ 2,30 tot ƒ 13,50; het gemiddelde zal zo’n ƒ 6,- à ƒ 7,- per stel geweest zijn. Lege korven deden bij het nevenspul zo’n ƒ 2,- à 2,50 per paar, zodat een gemiddeld volk netto een gulden of 2 deed. Naarmate de veiling vorderde, stegen overigens de hoogste biedingen. Mogelijk kwamen de kwalitatief betere volken pas later onder de hamer, al kan het ook zijn dat de animo om te bieden opliep naarmate de veiling vorderde – het een sluit uiteraard het ander niet uit.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 110 (archief notaris AH Koning Finsterwolde) inv.nr. 76 (bundel akten uit 1889), akte nr. 90 d.d. vrijdag 29 maart 1889.


Gemeentehuis Scheemda zat in Hotel Panman

Algemeen Handelsblad 27 maart 1886.

Op het Loket voor Lief & Leed heb ik wel een wat verteld over de Groninger gemeentehuizen, die in de negentiende eeuw doorgaans in herbergen waren gevestigd. Vooral bij aangiften burgerlijke stand kon dat nog wel eens minder wenselijke gevolgen hebben, bijvoorbeeld doordat een nieuwbakken vader besloot een borrel of wat op zijn geluk te nemen.

Hoe de zaken nu precies waren geregeld tussen de herbergier en de bij hem inwonende gemeente, blijft veelal in nevelen gehuld. Bij het doornemen van de repertoria van notaris Koning uit Finsterwolde (die een soort van streeknotaris was voor alle Oldambtster dorpen) had ik echter een mooie bijvangst, die licht werpt op de regeling zoals die in de gemeente Scheemda bestond. Op 3 augustus 1886 sloot het gemeentebestuur hier, zoals vertegenwoordigd door burgemeester De Beer en wethouder Crol, een huurcontract  voor 25 jaar af met Eildert Panman, de eigenaar en uitbater van een zeer bekend logement in Scheemda.

Het gemeentebestuur huurde niet dat gehele logement, maar slechts vier vertrekken op de bovenverdieping, te weten

“Eene raadzaal, ene secretarie met brandvrij archief, eene burgemeesterskamer en eene wachtkamer voor het publiek, met eigen toegang van de openbare straat over den grond van verhuurder.”

Panman moest voor 1 november daaraan volgende deze vertrekken met hun toegangen en de tussenliggende corridor hebben ingericht conform de plannen die daarvoor waren gemaakt, en die inmiddels waren goedgekeurd door de gemeenteraad. Hij had dus nog bijna drie maanden de tijd om de ruimten te laten aftimmeren en verven.

Vanaf de oplevering kwam al het onderhoud van ‘t binnenwerk in die vertrekken en ook alle stukadoor-, schilder- en glaswerk, voor rekening van de gemeente. Het onderhoud van het meeste buitenwerk – dak, dakgoten, bovenste zolder, zolderkozijnen, drempels en buitenmuren – was echter voor Panman, die moest zorgen

“dat het gemeente archief noch het ameublement door lekken of vochtigheid eenige schade zal kunnen lijden”.

Panman diende zijn hele logement bij een solide brandverzekering onder te brengen. Wederopbouw bij een brand of een andere ramp kwam ook voor zijn rekening. Als het gemeentebestuur zou besluiten het binnenonderhoud aan Panman uit te besteden, dan betaalde het hem daarvoor een vast bedrag van 50 gulden per jaar.

Blijkbaar zat de gemeente Scheemda ruim bij kas, want ze voldeed de 4000 gulden huur voor de algehele huurtermijn van 1 november 1886 tot en met 31 oktober 1911 in één keer aan Panman op de opleveringsdatum 1 november 1886. In de begrotingen en gemeenterekeningen van de opvolgende jaren zal men zodoende geen posten voor huisvesting vinden. Men was er in één keer vanaf.

Taande naarmate de termijn verstreek het vertrouwen tussen huurder en verhuurder? Het huurcontract werd immers niet helemaal uitgediend. Na het overlijden van burgemeester De Beer (1902) duurde het niet lang, of de gemeente Scheemda betrok een eigen onderkomen (1906), overigens wel vlakbij Hotel Panman aan de Winschoterweg (nu Esborgstraat).

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 110 (notarissen van de standplaats Finsterwolde) inv.nr. 67 (akten van 1886), akte nummer 179, opgemaakt door notaris A.H. Koning te Finsterwolde op 3 augustus 1886.

Hotel Panman te Scheemda, 1904. Collectie RHC Groninger Archieven 1986-15306.


Rondje Eiteweert

Bij het gehucht Peizermade – opgesierd hek met op de achtergrond de Hamersweg:

Haflingers bij de Hamersweg:

Juffrouw ooievaar bij de Langmadijk:

Paardenintimiteit:

Berm bij Eiteweert – opkomende wederik:

Zelfde berm – bont zandoogje:

Heel rustig onderweg en ook geen visserlui. Dus even op zo’n visvlondertje langs het Peizerdiep gezeten, met dit als uitzicht:

Er snorden nogal wat libellen en juffers langs. Deze platbuik kwam even gezellig naast me zitten:


Verkwikt en geschoren in Café De Vriendschap

Deze advertentie uit het Nieuwsblad van het Noorden van 15 februari 1930 kwam vanavond voorbij in een causerie van Sieb Eldering voor de Historische Vereniging Hoogkerk:

Dat het café diende als wachtkamer voor de bus, komt wellicht vreemd voor, evenals de melding dat het bedrijf voorzien is van elektrisch licht (wat toen kennelijk nog bijzonder was). Maar dat het tevens fungeerde als barbierszaak, is helemaal curieus. Hoewel? De VVD wil nu een dergelijke combinatie van neringen weer toestaan. Eigenlijk grijpt de ondernemerspartij daarbij dus terug op een heel oud concept. Niets nieuws onder de zon!

Of het verstandig is dat concept weer uit de motteballen te halen? Van menige caféhouder heet het, dat hij zijn beste klant is, maar tussen een dergelijke taakopvatting en de nevenfunctie lijkt wel enige spanning te bestaan. De vraag dringt zich dan ook op of de bar-bier zijn klanten altijd wel met een even vaste hand schoor.


Elzo Perton koopt een lap grond en bouwt er een huis

Het anno 1880 in bouwpercelen verdeelde stuk weiland (E 543) van boer Wester, links bij de Klinkerweg, en zijn ligging ten opzichte van Finsterwolde. Bron: HisGis.

Jan Jans Wester, een boer op de westkant van Finsterwolde, bezat daar vrij veel grond. Onder meer een kamp weiland aan de westkant van de nog onbewoonde Klinkerweg, die nagenoeg 1 hectare groot was en kadastraal bekend stond als E 543 (zie kaartje, links). Eind 1879, begin 1880 besloot Wester de kleinste helft van dat perceel van de hand te doen. Hij liet langs de Klinkerweg vijf bouwpercelen afbakenen, “huisplaatsen” van elk 9 are en 60 centiare groot, en deed deze uit in beklemming (erfpacht met vaste, onveranderlijke huur). Elk perceel moest voortaan 12 gulden beklemhuur per jaar gaan doen. Op 9 januari 1880 vond in een herberg de veiling van deze beklemmingen plaats.

Van noord naar zuid waren dit de hoogste biedingen, met erachter de namen van de mannen die het hoogst voor de beklemmingen boden:

Koopsom: Koper:
ƒ 150,- Elze Perton, arbeider te Finsterwolde
ƒ 150,- Freerk van Dijk, dienstknecht te Oostwold
ƒ 140,- Elze Principaal, dienstknecht te Finsterwolde
ƒ 140,- Harm Bakker, arbeider te Finsterwolde
ƒ 100,- Jan van Dijk, arbeider te Finsterwolde

Hoe zuidelijker het perceel lag, hoe minder er werd geboden. Mogelijk hing dat samen met hoogte of de afwatering, misschien speelde de afstand tot Finsterwolde ook wel een rol. Alle bieders behoorden tot de arbeidersstand, we zien hier de eerste fase van de Klinkerweg als roemruchte arbeidersstraat. Mijn betovergrootvader Elzo Perton ging aan de haal met het perceel dat het dichtst bij Finsterwolde lag.

Omdat boer Wester nogal wat stukken (akker)land om de nieuwe huisplaatsen heen had liggen (zo’n dertien percelen) verbood hij zijn nieuwe meiers op hun grond “pluimgedierte” te houden, op straffe van 10 gulden boete. In de veilingakte liet hij dit verbod en de sanctie vastleggen als erfdienstbaarheid op de huisplaatsen. Geen arbeiderskip zou hem het graan wegpikken!

Specifiek voor Elzo Perton gold nog de bepaling dat de laan langs de noordgrens van zijn perceel het eigendom van boer Wester bleef. Elzo mocht er dus niet zomaar gebruik van gaan maken. Langs de laan moest er een sloot komen van een meter breed, waarvoor Wester de helft van de grond leverde, terwijl Elzo de andere helft voor zijn rekening moest nemen. Elzo draaide echter in zijn eentje op voor het onderhoud – hij moest zorgen dat de sloot haar breedte bleef houden. Bovendien mocht hij binnen twee meter vanaf de laan geen “houtgewas”, dus bomen en heesters planten.

Net als de andere kopers moest Elzo op 1 mei 1880 zijn beklemming betalen. Bleef hij of een van zijn nieuwe buren in gebreke, dan gold een rente van 5 % over de schuld, Zolang er niet afbetaald was, hield Wester een recht van hypotheek., en mocht een beklemde meier zijn vastgoed niet van de hand doen.

Naderhand, op 21 mei 1880, leende Elzo Perton 650 gulden van Jan, Eildert en Albertje Schuitema. Het ging om twee broers en een zus te Beerta, waar de ene broer (Jan) blauwverver en de andere (Eildert) bakker was. Elzo groeide op in Beerta, waarschijnlijk ging het om oude kennissen die hem vertrouwden. Van het geld zal 150 gulden voor de betaling van Westers beklemming bestemd zijn geweest, en 500 gulden voor de bouwkosten van de dubbele woning die er kwam. In Beerta tekenden partijen ook de hypotheekakte, en wel bij kastelein Jan Hindrik Puister, die tevens optrad als getuige. Elzo zou jaarlijks 5 % rente over zijn schuld aan de Schuitema’s betalen, en zij verkregen als geldschieters de gebruikelijke hypothecaire rechten over Elzo’s behuizing en de beklemming van de bijbehorende grond, kadastraal nog steeds aangemerkt als E 543 (zij het gedeeltelijk). Elzo moest zich verplicht tegen brand verzekeren en dat was maar goed ook, gezien de ervaring in 1892, toen door de wind vlammen van de overkant van de Klinkerweg oversloegen en zijn huis tot de grond toe afbrandde.

Bronnen: RHC Groninger Archieven, Toegang 110 (archief notaris A.H. Koning te Finsterwolde) inv.nr. 48, akte 1880 nr. 6 (veilingakte d.d. 9 januari 1880); en inv.nr. 50, akte 1880-146 (hypotheekakte d.d. 21 mei 1880).

De handtekeningen onder de koopakte van 1880. Links van de rode streep de onbeholpen pootjes van de kopers, allen arbeiders; rechts van de rode streep de veel geroutineerdere signaturen van de verkoper, diens getuige, een notarisklerk en de notaris zelf.