Rottumeroog 1915 – genocide op de sternkolonie

Dat Rottumeroog in de Eerste Wereldoorlog een redelijk forse bezettingsmacht had van 125 man Nederlandse troepen, is een weinig bekend feit. Erik Bouwmeester, zelf luitenant-kolonel b.d. der Grenadiers,  schetste in de onlangs verschenen Stad & Lande de geschiedenis van dit detachement, dat vanaf december 1914 bestond uit mariniers.

Deze jongens hebben nooit hoeven vechten, en hun werk bestond voornamelijk in het koekeloeren naar water en lucht: of er mischien schepen, luchtschepen of vliegtuigen met het vaderlandse territorium schonden. Erg vaak gebeurde dat niet en verveling lag dus op de loer. Natuurlijk: er waren boeken. Geregeld deed men aan gym. Ook had het detachement een voetbalteam, dat onder meer tegen teams uit Noordpolderzijl, Warffum en Uithuizen speelde. Er kwamen militaire toneelgezelschappen langs en tevens orkesten. En men had zelfs een eigen krant.

Maar de jongens gingen ook wel de natuur in, om eieren te zoeken waarmee ze hun rantsoen aanvulden. En deze activiteit zorgde voor een relletje.

Eind 1915 bereikte de Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten, de beschermster van het eiland, namelijk een klacht dat de volledige sternkolonie door het eierrapen was verdwenen. En dat terwijl iemand van Natuurmonumenten vlak voor het broedseizoen nog een lezing met ‘lichtbeelden’ voor alle manschappen op het eiland had gehouden, waarin hij ze wees op de funeste gevolgen van het eierrapen.

Natuurmonumenten vroeg Toxopeus, de eilandvoogd, of en in hoeverre de melding klopte. Die berichtte dat het zeker niet alleen militairen lag, maar dat ook het hoge water in mei veel eieren had meegenomen.

Het Hoofdkwartier van de Opperbevelhebber van Land-en Zeemacht stelde op verzoek van Natuurmonumenten alsnog een onderzoek in, dat uitmondde in een verbod op het rapen van eieren. De mariniers protesteerden en schreven dat het juist de beide knechten van Toxopeus waren die zoveel eieren raapten, zeker 750 per dag. Die knechten hadden er een mooie bijverdienste aan, want ze deden de eieren voor 7 cent per stuk van de hand aan de mariniers. Indirect waren die dus wel schuldig aan de genocide op de sternkolonie.

Door de Staat van Beleg zal het militaire verbod op eierrapen ook gegolden hebben voor Toxopeus’ knechten. Die waren hun leuke handeltje dus kwijt. Maar dat Toxopeus hun rol in zijn rapport verdoezelde, moet de bestuurders van Natuurmonumenten toch te denken hebben gegeven.


De omzwervingen van een Russische scheepskat

“G. G. verhaalt in „de Reddingboot”: Bij een bezoek in Januari j.l. aan het eiland Rottum trof de secretaris van het bestuur der N-Z.  Holl. Redd. Mij van de scheepbreukelinken van “De Zwerver” nog slechts de scheepskat aan. Zij zou veel kunnen vertellen, ware zij een kat uit een sprookje, die spreken kan. Het zou dan echt Russisch zijn. Geboren te Riga nam een matroos van een Nederlandsch stoomschip haar aldaar mede aan boord. Het stoomschip liep in het Kattegat op een mijn, bemanning en de kat verlieten het schip in de boot en landde te Skagen.
Daar wisselde de kat van meesrter.
Een matroos van de Nederl. Zeetjalk De Zwerver nam haar mede aan boord en dit schip strandde na een stormachtige reis vol wederwaardigheden op Rottumerplaat. Wederom ging de bemanning met de kat in de boot en landde op Rottumerplaat, een uitgestrekte plaat, geheel omgeven door water. Achter de [be]manning aan moest zij de geheele plaat overloopen, om eindelijk te bemerken, dat er nog diep water was tusschen Rottumerplaat en het eiland Rottum. Eindelijk werd overgestoken naar dit eiland, en zat de kat daar, spinnende op tafel, in overdenking.”

Bron: Nieuwsblad van het Noorden dd 9  mei 1919.

Gek genoeg staat ditzelfde verhaaltje, maar dan elegant verkort en met een leukere uitswinger onder de data 1, 2 en 3 juni 1911 (dus acht jaar eerder!) in het dagboek van Hendrik de Booij, de in het bovenstaande krantenbericht bedoelde secretaris van de Noord- en  Zuid-Hollandsche Reddingmaatschappij:

“Een kat op Rottum was te Riga aan boord van een Hollands SS (= stoomschip) gekomen. Dit SS liep in het Kattegat op een mijn, de equipage met de kat kwam in een sloep aan wal op Skagen. De kat werd overgegeven aan een Hollandse tjalk De Zwerver, deze strandde op de Rottumerplaat. De kat liep de hele Rottummerplaat over en zit nu op Rottum en spint. Het spijt hem zo dat alle eilanden nu door hem gezien zijn.”


Langs de Waddenzeedijk

Noordpolderzijl, waar het Zielhoes bijna koude koffie serveerde:
2014-05-17 007
De geul voor de zijl – hoog water:
2014-05-17 011
Kwelder:
2014-05-17 016
Alle schapen zaten aan de koele zeekant:
2014-05-17 017
Borkum in de verte:
2014-05-17 031
Bergeend en kluut:
2014-05-17 053
Enorm veel ganzen op de kwelders. Af en toe hoorde je aan de andere kant van de dijk een doffe dreun – de boeren proberen ze zo van hun land af te houden:
2014-05-17 065
Aardappelteler:
2014-05-17 077
De Wadloper. Beeld bij Pieterburen op de dijk (het stond vroeger in Pieterburen zelf):
2014-05-17 093
Aardappelveld vertoont micro-reliëf bij Kloosterburen:
2014-05-17 113
Nieuw Onrust, een voormalige eendenkooi waar je niet in mag (foto is door de spijlen van het hek genomen):
2014-05-17 123
Verdronken? lam op een bedje van zeewier:
2014-05-17 142
Lauwersoog, het andere Urk:
2014-05-17 152
Wierumerschouw, replica (met dank aan SB te D) met op de achtergrond Schiermonnikoog:
2014-05-17 162
Geul en geultje:
2014-05-17 168
Windvaan op de hervormde kerk van Paesens:
2014-05-17 182
Aan de Friese kant van het Lauwersmeer heb je fantastische dijkcoupures, zoals deze:
2014-05-17 219
En deze:
2014-05-17 222
Het Amerikaanse spionnennest bij Burum lijkt steeds meer schotels te tellen:
2014-05-17 234
Weer op Groninger bodem – het Piepke bij Munnekezijl (piepke was op het Groningse platteland wel vaker de aanduiding voor een boogbrug, bijv. ook in Noordbroek):
2014-05-17 237


Een knoeperd van een barnsteen (2)

003

De barnsteenmeldingen stromen binnen. Vandaag nam Henk Scholte deze oranjerode jongen mee naar het werk. We hebben hem op de brievenweger gelegd en hij bleek ruim 107 gram, dat is dus flink wat zwaarder dan het heldergele Groningse exemplaar dat even voor 1786 in het stadhouderlijke naturaliënkabinet belandde en dat mogelijk nog steeds in Naturalis bewaard wordt.

Henk vond zijn barnsteen jaren geleden bij een flinke noordoostenwind vlak in de buurt van paal 10 op Schiermonnikoog. Hij dacht eerst dat het een gewone steen of zo was, schopte er een paar keer tegenaan en besloot het ding toen op te rapen en aan een nadere inspectie te onderwerpen, Met het gelukkige gevolg dat het hier nu getoond kan worden. Met dank!


Hoe een tjalk uit Leek bij Vlieland aan de grond liep en de schippersvrouw gered werd

Op den 31sten October 1797 raakte het tjalkschip De vyf Gebroeders, gevoerd by schipper Jan Hendriks, woonachtig te Leeg (= Leek HP) by Groningen, door tegenwind, zwaare storm en zeer holle zee, tusschen, Vlieland en Ter Schelling aan den grond, bleef vastzitten, en wierd verbryseld. Aan boord bevonden zich behalven de stuurman, een matroos en twee passagiers, ook des schippers huisvrouw Santje (= Jantje? HP) Claassen en deszelfs zusters dochtertje. Het schip, dat ten drie uuren in den namiddag vast geraakte, was reeds ten vier uuren, door de hooge en zwaare branding en de eene storting op de andere die zy over hetzelve kreegen, tot aan het dek vol water. De schipper, zyne vrouw en het gemelde meisje trachtende te redden, haalde dezelven uit het vooronder, daar zy reeds half onder water zaten, en bragt ze beiden naar boven.

Om half vyf vermiste men het dochtertje, en een half uur later lagen de schipper en zyne vrouw beiden als levenloos op het dek. Zy wierden daar door den stuurman met een stuk zwaar zyl overdekt en vastgemaakt, ten einde door de hooge zee en geweldige stortingen niet over boord geslagen te worden. Het was niet mogelyk den boot uittezetten. De ziedende golven intusschen, het schip meer en meer bedekkende, jaagden het overige volk naar het wand der masten, alwaar zy tot ’s avonds ten tien uuren zaten, wanneer de ebbe ten einde liep, en wind en zee een weinig begonnen te bedaaren.

Zy zetten toen de boot uit, werkten het schynbaar zielloos ligchaam der vrouw er in, verlieten hunnen dooden schipper, schip en goed, en kwamen, niet zonder het grootst gevaar ’s nagts ten eif uuren aan Vlieland. Zy sleepten het nu voor dood gehouden ligchaam der vrouw op strand, en verre genoeg van zee, dat het door de opkomende vloed niet konde weggespoeld worden. Zy spoedden vervolgens naar het dorp, een half uur van daar, om hulp te zoeken en eenen wagen te bekomen. Ten een uuren ’s nagts eindelyk, kwamen zy weder terug, leiden het vermeend lyk op hunnen wagen en voerden het naar het dorp, in de herberg de Morgenwekker.

De chirurgyn Joh. Hend. Kupperts, alreede daar zynde, vond het ligchaam yskoud, doodverwig wit van aangezigt, blaauw van lippen, met beklemden onderkaak, verwyde oogappels, half geslooten oogen, slap hangende leedemaaten, en zonder de geringste tekens van leven. Hetzelve ontkleed en in eenen zekeren afstand van een matig vuur, op eene dubbele wolle deken gelegd hebbende, plaatste hy onder de oxels gewarmde doeken, deed de voetzooien schuijeren met een styven borstel, het ligchaam vryven met brandewyn en zout, den Sp. Sal. Amm. onder den neus houden, den buik zagt drukken en ginds en weder beweegen.

Hier meede omtrent drie uuren lang aangehouden hebbende, deed er zig eenige hoope op tot redding. Eene geringe beweeging der beenen en eene diepe inademing wierden na eenen geruimen tyd gevolgd door meer gunstige tekens. Men deed nu van tyd tot tyd wat Hoffmans droppen en andere geestryke vogten in zeer geringe hoeveelheid tusschen de tanden door in den mond loopen. Vervolgens gaf men haar een braakmiddel, en eindelyk hoorde men des uchtends ten half vyf uuren den drenkeling eenig zagt brommend geluid, en een half uur later eenige verstaanbare woorden voordbrengen.

Het opgewekt leven met den tyd werkzamer wordende, begon zy circa 6 uuren des morgens zeer te schreijen en te roepen “myn man! myn man!” terwyl zy met verwilderde oogen de omstanders aanzag. Haar redder deed haar kort daarna in een gewarmd bed leggen. Eene zagte sluimering beving haar, uit welke zy des morgens om negen uuren by haare volkomen kennisse ontwaakte, haare meede schepelingen kende, en met eene zwakke en droevige stemme naar haaren man vraagde. Van het geen zederd zes uuren des voorigen avonds gebeurd was, wist zy niets.

Van nu aan herstelde zy, dog zeer langsaam, en was niet dan met het einde van november in staat na haar verblyf te Leeg in Groningerland te vertrekken.

De chirurgyn Johan Hendrik Kuppersz, ontving voor deeze redding de goude medaille.

Bron: Historie en gedenkschriften van de Maatschappy tot redding van drenkelingen, XIIIe stukje (Amsterdam 1800) 214-218.


Paul Sixta – Op ’n diek

Film over de dijklandschappen langs de Friese en Groninger waddenkust verkent tevens de grens van film en fotografie. Hij werd gemaakt door de Rotterdammer Paul Sixta voor een symposium over het toerisme in dit gebied.

Groot op je scherm is-ie extra mooi!


New York Times loopt wad

“In the Netherlands, trudging through muck is a recreational pastime. The Dutch call it wadlopen…”

>>>