Rondje Noordlaren

Langs het paadje naar de vogelkijkwand in de Onlanden: is dit een nieuwe invasieve exoot?

Er even op ingezoomd::

Rijpende bramen. Vrij laag hangend en dus ook straks niet consumabel (omdat er een vos overheen kan hebben gepiest):

Bekoorlijk rietpolletje:

Meestal zie je ze wel in plukjes, maar zoveel bij elkaar dat komt wat minder vaak voor:

Langs het Omgelegde Eelderdiep staat momenteel veel wilde peen, met witte bloemen. Deze roze lijken erop, maar ze zijn er geen variant van:

Holdert bij de Hooiweg, Paterswolde (het was nog voor enen):

Bij een zandweg in Noordlaren: de autodokter kan er zelf wel een gebruiken. Wagen lijkt vanachter trouwens verlegd:

Noordlaren:

Omdat er een trouwerij was geweest, stond de kerk open. Buiten veegde een man witte bloemblaadjes op, binnen was een jong stel mensen de boel aan het opruimen. Ik mocht wel even rondkijken – engel met bazuin bij het orgel:

Fraai armblok voor het storten van collecte-inkomsten. Er zitten drie sloten op – elke diaken kreeg één sleutel, alleen gezamenlijk konden ze het blok openen om de inhoud te tellen:

Noordlaren – het diepje naar het Zuidaardermeer:

Waar ik het de laatste jaren wel eens minder druk heb gezien:

Groepje wit rundvee bij Onnen

Bloemenrand bij korenveld, Glimmen:

Haren, Rijksstraatweg:


Ooievaars bij Lagemeeden

Ze hadden al zo’n anderhalf, twee maanden op weg moeten zijn. Maar vanmiddag zag ik een groep van acht ooievaars fourageren bij de Nutweg in Lagemeeden:


Van het vee trokken ze zich weinig aan:

En nu maar voor ze hopen op een zachte winter.


Ordre op het getal der ganssen in den Oldambte

Dick de Bray, Ganzen, 1662. Collectie Rijksmuseum.

Boeren willen vandaag de dag nog wel eens klagen over de troepen wilde ganzen die neerstrijken op land met kort eiwitrijk gras. Naast gras doen die ganzen zich wel tegoed aan jong wintergraan en andere gewassen. Een beetje gans vreet zo’n halve tot een hele kilo per dag en bij een troep van enkele honderden ganzen loopt dat dus behoorlijk in de papieren.

Maar ook hun mest moet je niet uitvlakken. Een gans produceert om de vier minuten een keutel en nog afgezien van de ongewenste gevolgen voor de bodem, zoals een ongelijke vruchtbaarheid, wil je dat spul niet in het voer van je beesten. Geen wonder dat er allerlei middelen worden ingezet om grazende ganzen van het land te weren. Ook hebben boeren met “faunaschade”, aangericht door ganzen, recht op een vergoeding.

Klachten over ganzenschade zijn echter niet nieuw. Getuige een resolutie door het Groninger stadsbestuur van 13 maart 1685 hadden “ingesetenen en intresseerden van Nieuwolda, Oostwold, Scheembder Hamrick en Wagenborgen” een poosje eerder geklaagd over

het groot getal van ganssen, denwelcke van verscheiden particuliere huislieden te lande worden gehouden waerdoor het gewas wierde afgegeten en de landen bedorven en onbequaem gemaeckt om vrughten te konnen draegen.

Ook destijds al vraten ganzen dus het gras op en maakten ze akkers met hun uitwerpselen onvruchtbaar. Het is alsof we de boeren van nu horen, met dit verschil dat de ganzen van toen tàmme ganzen waren en géén wilde. Destijds werden die ganzen ook gehouden door “huislieden”, een term waarmee gewoonlijk boeren werden aangeduid, streekgenoten dus van de klagers en net als deze woonachtig in de kerspelen op de rand van het Oud-Nieuwland, de Dollardpolder die twintig jaar eerder, in 1665, was ingedijkt.

Het stadsbestuur, dat de baas was over het Oldambt en er de drost als zetbaas aanstelde, besloot op advies van een commissie die de klagers aanhoorde, paal en perk te stellen aan het aantal ganzen bij de Dollarddijk. Niemand mocht hier nog ganzen houden, tenzij

hij sestien deimbten landt in eigendom, possessie of gebruick was hebbende en dat die geene dewelcke alsoo begoedt waeren of meerder deimbten landts in eigendom hadden, possideerden of gebruickten, niet meer als een oude gent en twee geusen souden mogen houden en geobligeert sijn deselve te korten of te knuijven en op sijn eigen landen te weiden en waeren.

Met andere woorden: er kwam een verbod op het houden van ganzen voor landeigenaars en beklemde meiers die minder dan 16 deimt (7,2 ha) grond in bezit of gebruik hadden. Zelfs de meeste koop- en ambachtslui of ‘burgers’ hadden niet zoveel grond tot hun beschikking – het ging dus uitsluitend om boeren en misschien enkele brouwers en predikanten. Maar ook zo iemand mocht slechts een beperkt aantal volwassen ganzen houden, namelijk 1 mannelijke (gent) en 2 vrouwelijke (geusen). Deze moesten dan wel gekortwiekt worden en ook op het eigen of gehuurde land blijven van hun bezitter, die er ook op moest blijven letten.

Voor ganzen die het eigen territorium verlieten, gold bij voorbaat de doodstraf, want iedere landeigenaar of –gebruiker kreeg toestemming

…om de vreemde ganssen, soo hij op sijn landt quam vinden weiden, vrijelijck te mogen dootslaen, sonder de minste breucke, en dat de eigenaers van sodane ganssen daerenboven geholden souden sijn, om tot taxatie van d’Heer Drost de schade van gem[elde] ganssen veroorsaeckt te vergoeden en te betalen… 

De ganzendoder hoefde dus geen boete of schadevergoeding te betalen. Het was juist de eigenaar van zulke ganzen die schadevergoeding moest betalen aan iemand die ze op zijn land aangetroffen had.

Het stadsbestuur maakte er aardig wat werk van om deze “Ordre op het getal der ganssen in den Oldambte” bekend te maken, Het gaf de streekbewoners opdracht

om sigh hiernae strictelijck te reguleren, sullende desen tot dien eijnde van de predighstoel in voorschr[even] carspelen worden afgekundight, en geaffigeert.

Het reglementje werd dus op strategische plekken aangeplakt in de vorm van plakkaten en bovendien werd het afgekondigd vanaf de kansels in de kerken van Nieuwolda, Oostwold, Nieuw-Scheemda en Wagenborgen.

Helaas heb ik niet meer over deze maatregelen kunnen vinden. Ook weet ik niet of ze hebben geholpen. Je zou denken van wel, want het verbod is niet nog eens afgekondigd, zoals zo vaak gebeurde met allerlei verboden.

Wat sowieso opvalt is dat het reglementje vlak voor het voorjaar werd vastgesteld en afgekondigd. Zo aan het eind van de winterperiode zijn ganzen zeker niet vet, en al helemaal niet als het flink heeft gevroren en/of gesneeuwd. Waarschijnlijk zijn de vogels dan juist extra hongerig.


Onze slakken lusten George Washington rauw

Ik heb het net nog even gecheckt of het toch niet het ontwerp was, maar het is echt zo. Dit affiche heeft er iets meer dan een week gehangen, maar de slakken in mijn biotoop hebben het al deerlijk toegetakeld. Anders doen ze dat nooit hoor! Blijkbaar heeft de plakfirma extra lekkere lijm gebruikt, of zou het de herfst zijn, die het plaksel beter verteerbaar maakte?

Hoe dan ook, we konden het de slakken niet vragen. ’s Nachts slaan ze toe, de rakkers, maar overdag zijn ze, afgezien van ons achterpad zo’n vijftien meter verderop, in geen velden of wegen te bekennen.


Spinneweb

Vanochtend langs het Hegepad waren tal van bedauwde spinnewebben zichtbaar in het struweel. Qua lichtval en formaat sprong deze eruit:

Van wat meer afstand:

En nog wat dichterbij:


Vos in de Onlanden

Ik kwam terug van een fietstochtje door het Westerlkwartier, het weer betrok, zonder dat dit tot regen leidde. Voorbij de op een na laatste Omlander brug, in de verte, zag ik een groepje mensen gebiologeerd naar iets kijken. Het was een vos die in de berm langs het fietspad scharrelde. Hij bleek totaal niet schuw en trok zich nergens wat van aan. Hoewel hij er een stuk gezonder uitziet, zou het wel eens de vos kunnen zijn die dit voorjaar naar de enkel van een fietster hapte. Het ging in elk geval om dezelfde omgeving. Kreeg het idee dat iemand hem zit te voeren::


De plechtige teraardebestelling van Piet de parkiet

Kwam vanmiddag net op tijd voor de uitvaart van Piet, de parkiet ten huize van mijn achterneef in Ezinge. Na de gebruikelijke plichtplegingen werd het beestje met een 1, 2, 3 in Godsnaam aan de schoot der brokkelige aarde toevertrouwd.

Piet was een vrolijk dier. Het zong er tenminste lustig op los. Waaraan het zo plotseling doodging is onbekend. Piet is ruim één jaar geworden.


Eind van de lente

Op het bankje bij de eerste Onlander brug vanaf het gehucht Peizermade – wat voor vogel zingt daar?


Koekoek, Lettelberterpetten


Ram belaagd door lammeren

Gezien aan de Molenweg aan de zuidkant van Eelde: Drentse ram probeert staande op stropak van jonge boomblaadjes te knabbelen, maar lammeren maken het hem lastig:


Heel vroege musjes

Het jaar 1817 was een warm jaar met ook een warme februarimaand. Daarvan getuigt bijvoorbeeld dit bericht:

Groningen, den 13 Maart.
Uit het naburig Winschoten wordt ons gemeld bet volgende buitengewoon natuurverschijnsel:
„Den 17den februarij 1817 werd alhier op een duivenhok een muschennest gevonden met vijf eijeren, waarin reeds levende jongen waren, zoodat dezelve spoedig uit de doppen moeten komen, eene bijzonderheid welke in dit gewest op dien tijd zonder voorbeeld is.”
(Provinciale Groninger Courant.)

Bron: Nederlandsche Staatscourant 19 maart 1817.


Zwaan


Zat zich erg uit te sloven op de Ruskenveenseplas, maar hield er acuut mee op toen ik hem ging fotograferen. Blijkbaar schaamde hij zich.


Een dure haas in Hoogkerk

Op 18 april 1804 kreeg de drost van het Westerkwartier van de fiscaal of aanklager te horen, wat die aan de weet was gekomen over Hindrik Jans te Hoogkerk, “wegens het schieten van een haas aldaar”.

De drost gaf de fiscaal toestemming om deze Hindrik Jans èn de watermulder Albert Katoen te dagvaarden voor de volgende rechtdag, zodat beiden hierover nader aan de tand konden worden gevoeld.

Een week later bleken Hindrik Jans en Albert Katoen inderdaad aanwezig. Geconfronteerd met de bevindingen van de fiscaal, bekende de eerste “alsnog” op zondag 8 april een haas te hebben geschoten in het dorpsgebied van Hoogkerk. De drost veroordeelde hem tot drie boetes, op basis van evenzoveel bepalingen in het jachtreglement, namelijk: ƒ 25,- voor het jagen zonder jachtakte of -vergunning; ƒ 50,- voor het jagen in gesloten tijd (1 januari tot 22 september); en nogmaals ƒ 25,- voor het jagen op een zon- of feestdag. Al met al dus maar liefst 100 gulden, waar de verbeurdverklaring van het jachtgeweer nog bij kwam.

Van dat bedrag kon een arbeider acht maanden leven. Een boer had het wellicht nog wel in huis, maar bij een arbeider was dat vrijwel uitgesloten. Hoe dan ook, Hindrik verklaarde het bedrag “praesentelijk” niet te hebben en kreeg daarom veertien dagen uitstel van betaling.

Wat betreft de tweede verdachte, Albert Katoen – hij werd ervan beschuldigd dat hij de gestroopte haas bij hem thuis had laten “praepareren en consumeren”. De watermulder hoefde  geen boete te betalen, maar kreeg van de drost de zeer ernstige aanbeveling om zich voortaan “zorgvuldig te onthouden van zulke ongeregeldheden”.

Hindrik Jans viel niet nader te identificeren, er woonden wel vier van die naam in Hoogkerk. Watermulders daarentegen, waren er maar twee – een op de Zuidermolen de andere op de Noordermolen (of Oude Held). Albert Katoen bediende waarschijnlijk de laatste. De dure haas werd dan waarschijnlijk geschoten in het gebied bij het Klijfdiep tussen de Kerkweg en het Aduarderdiep, waar ook nu nog veel hazen rondlopen..

Bronnen:
RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (gerechten Westerkwartier) inv.nr. 610: criminalia, die van 18 en 25 april 1804.

Publicatie van het Departementaal Bestuur van Stad en Landen van Groningen, houdende het provisioneel reglement op de jagt en visscherye in gemelde departement. Gearresteerd den 31 augustus 1803, art. 17, 28, 31.


De reglementering van de vossenjacht in Groningen en Friesland

Jean Bernard – Dode vos, hangend aan zijn poten, 1815. Collectie Rijksmuseum.

Naar aanleiding van de vossenjacht die in januari 1805 werd gehouden in de woudstreek van het Westerkwartier, heb ik eens gekeken of het provinciale jachtreglement iets zei over zulke jachten. De nieuwste versie daarvan dateerde destijds van 31 augustus 1803 en bevat er inderdaad een paar bepalingen over.

Ten eerste mocht iedereen met een jachtakte “ten allen tyde” op vossenjacht gaan. Er gold dus geen gesloten tijd zoals bij regulier jachtwild: de vos was het hele jaar bejaagbaar en werd impliciet gezien als een plaag. Zelfs was het zo dat in mandelige jachtvelden alle jagers op vossenjacht mochten, terwijl voor het gewone jachtwild gold, dat het ene jaar de ene jager en het andere jaar de andere mocht jagen, terwijl ze nooit tegelijk aan bod konden komen. De vos was dus onbeperkt vogelvrij. Wel moesten jagers die individueel of samen op stap gingen om vossen te schieten dat vooraf melden aan het gerecht ter plaatse, waaronder we wat betreft het Westerkwartier de wedman van een voormalige rechtstoel moeten verstaan.

Een melding bij een wedman was vrij laagdrempelig. Diens toestemming was zelfs niet vereist. De wedman moest er alleen van afweten.

Naast de kleinschalige jacht op vossen, was er echter sprake van

generale vossejachten van het ene district in het andere (…) door de gerechtigde tot de jagt in zodanige districten…

Deze algemene, dus grootschalige jachtpartijen over een ruim gebied dat meerdere (vroegere) jurisdicties besloeg, doen haast denken aan de collectieve wolvenjachten zoals die ooit werden gehouden. Dit soort vossenjachten werd in Groningerland wat strenger gereglementeer: er was “consent van het gerichte” voor nodig, wat in het Westerkwartier neerkwam op toestemming van de drost. Het zal duidelijk zijn dat er bij de vossenjacht in de wijde omgeving van Grootegast in 1805 sprake was van een dergelijke, grootschalige jacht.

Ik heb het Friese jachtreglement, dat van twee weken eerder dateerde, nog even naast het Groningse gelegd. Globaal ket het dezelfde bepalingen als het Groningse op het punt van de vossenjacht. Maar het is wat uitgebreider. Zo noemt het ten eerste een sanctie voor mensen zonder jachtakte, die toch “met schietgeweer” op vossen jagen. Om te beginnen gaat het om een boete van 25 gulden, die bij onvermogen tot betaling wordt omgezet in drie maanden tuchthuis.

In Friesland werd vossenstropers dus expliciet de wacht aangezegd, wat in Groningerland niet gebeurde. Uit dat benadrukken van het voorrecht, verbonden aan een jachtakte, mogen we echter niet concluderen dat vossen in Friesland minder voorkwamen of als een geringer probleem werden gezien dan in Groningerland. Integendeel. Daarop wijst de premieregeling voor Friesland, terwijl die in Groningen niet bestond. Gevangen of gedode exemplaren deden in Friesland:

Volwassen moervos ƒ 3,00
Volwassen rekel ƒ 2,50
Jonge moervos ƒ 2,00
Jonge rekel ƒ 1,50

De scheiding tussen oud en jong legde het Friese reglement bij 1 november:

Voor oude vossen zullen worden gerekend alle die na Allerheiligendag gevangen worden en voor jonge alle onvolwassenen welke voor dien dag gevangen zijn.

Kortom, het Friese jachtreglement maakte meer werk van de vossenjacht, en kende een premieregeling die in Groningen ontbrak. Daarmee zullen vossen in Friesland als een grotere last zijn ervaren dan in Groningerland. In elk geval was het voor slimme jagers mogelijk in Friesland premies te vangen voor vossen die ze in Groningerland hadden geschoten.

Bronnen:
Publicatie van het Departementaal Bestuur van Stad en Landen van Groningen, houdende het provisioneel reglement op de jagt en visscherye in gemelde departement. Gearresteerd den 31 augustus 1803, art. 35-36.

Publicatie betreklijk het reglement, op de jagt en visscherijen in Friesland, gearresteerd den 17 Augustus 1803, art. 58-63.


Een vossejacht bij Grootegast

Roelant Savery – Vossejacht in een bos, ca. 1630. Collectie Rijksmuseum.

Op het verzoek van

…Wybe en Pieter Willems Hazenberg te Grotegast adidem, om in de Woudstreek van dit Quartier een en andermaal de vossejagt te mogen exerceren, is aan dezelve geaccordeerd, en dezelve vossejagt op den 11 dezer bepaald, zullende de koddebeier hierbij assisteren.

Bron: Groninger Archieven 735 (rechterlijk archief Westerkwartier) inv.nr. 411 (civiele zaken) vrijdag 4 januari 1805.

Met de woudstreek van het Westerkwartier werd het zuidelijke deel van deze landstreek bedoeld, met name het gedeelte tegen de Friese grens aan. De koddebeier was de jachtopzichter.

Het is de eerste keer dat ik een dergelijk verzoekschrift zie. Misschien was er een vossenplaag? Aanvankelijk dacht ik dat deze jacht hier dan vast niet zou lijken op de nu bekende vossenjacht met jagers op paarden en met een meute honden, maar in de databank van het Rijksmuseum komen de meeste Nederlandse plaatjes daar toch wel op neer, zij het dan zonder de rooie jasjes en ruiterhelmen van tegenwoordig.
.
Vooraf dacht ik ook dat er geen rekesten in het civiele protocol van het Westerkwarttier zouden voorkomen omdat er een aparte registratie voor was. Maar dat bleek eveneens een vergissing.