Ooievaars bij Lagemeeden

Ze hadden al zo’n anderhalf, twee maanden op weg moeten zijn. Maar vanmiddag zag ik een groep van acht ooievaars fourageren bij de Nutweg in Lagemeeden:


Van het vee trokken ze zich weinig aan:

En nu maar voor ze hopen op een zachte winter.


Ordre op het getal der ganssen in den Oldambte

Dick de Bray, Ganzen, 1662. Collectie Rijksmuseum.

Boeren willen vandaag de dag nog wel eens klagen over de troepen wilde ganzen die neerstrijken op land met kort eiwitrijk gras. Naast gras doen die ganzen zich wel tegoed aan jong wintergraan en andere gewassen. Een beetje gans vreet zo’n halve tot een hele kilo per dag en bij een troep van enkele honderden ganzen loopt dat dus behoorlijk in de papieren.

Maar ook hun mest moet je niet uitvlakken. Een gans produceert om de vier minuten een keutel en nog afgezien van de ongewenste gevolgen voor de bodem, zoals een ongelijke vruchtbaarheid, wil je dat spul niet in het voer van je beesten. Geen wonder dat er allerlei middelen worden ingezet om grazende ganzen van het land te weren. Ook hebben boeren met “faunaschade”, aangericht door ganzen, recht op een vergoeding.

Klachten over ganzenschade zijn echter niet nieuw. Getuige een resolutie door het Groninger stadsbestuur van 13 maart 1685 hadden “ingesetenen en intresseerden van Nieuwolda, Oostwold, Scheembder Hamrick en Wagenborgen” een poosje eerder geklaagd over

het groot getal van ganssen, denwelcke van verscheiden particuliere huislieden te lande worden gehouden waerdoor het gewas wierde afgegeten en de landen bedorven en onbequaem gemaeckt om vrughten te konnen draegen.

Ook destijds al vraten ganzen dus het gras op en maakten ze akkers met hun uitwerpselen onvruchtbaar. Het is alsof we de boeren van nu horen, met dit verschil dat de ganzen van toen tàmme ganzen waren en géén wilde. Destijds werden die ganzen ook gehouden door “huislieden”, een term waarmee gewoonlijk boeren werden aangeduid, streekgenoten dus van de klagers en net als deze woonachtig in de kerspelen op de rand van het Oud-Nieuwland, de Dollardpolder die twintig jaar eerder, in 1665, was ingedijkt.

Het stadsbestuur, dat de baas was over het Oldambt en er de drost als zetbaas aanstelde, besloot op advies van een commissie die de klagers aanhoorde, paal en perk te stellen aan het aantal ganzen bij de Dollarddijk. Niemand mocht hier nog ganzen houden, tenzij

hij sestien deimbten landt in eigendom, possessie of gebruick was hebbende en dat die geene dewelcke alsoo begoedt waeren of meerder deimbten landts in eigendom hadden, possideerden of gebruickten, niet meer als een oude gent en twee geusen souden mogen houden en geobligeert sijn deselve te korten of te knuijven en op sijn eigen landen te weiden en waeren.

Met andere woorden: er kwam een verbod op het houden van ganzen voor landeigenaars en beklemde meiers die minder dan 16 deimt (7,2 ha) grond in bezit of gebruik hadden. Zelfs de meeste koop- en ambachtslui of ‘burgers’ hadden niet zoveel grond tot hun beschikking – het ging dus uitsluitend om boeren en misschien enkele brouwers en predikanten. Maar ook zo iemand mocht slechts een beperkt aantal volwassen ganzen houden, namelijk 1 mannelijke (gent) en 2 vrouwelijke (geusen). Deze moesten dan wel gekortwiekt worden en ook op het eigen of gehuurde land blijven van hun bezitter, die er ook op moest blijven letten.

Voor ganzen die het eigen territorium verlieten, gold bij voorbaat de doodstraf, want iedere landeigenaar of –gebruiker kreeg toestemming

…om de vreemde ganssen, soo hij op sijn landt quam vinden weiden, vrijelijck te mogen dootslaen, sonder de minste breucke, en dat de eigenaers van sodane ganssen daerenboven geholden souden sijn, om tot taxatie van d’Heer Drost de schade van gem[elde] ganssen veroorsaeckt te vergoeden en te betalen… 

De ganzendoder hoefde dus geen boete of schadevergoeding te betalen. Het was juist de eigenaar van zulke ganzen die schadevergoeding moest betalen aan iemand die ze op zijn land aangetroffen had.

Het stadsbestuur maakte er aardig wat werk van om deze “Ordre op het getal der ganssen in den Oldambte” bekend te maken, Het gaf de streekbewoners opdracht

om sigh hiernae strictelijck te reguleren, sullende desen tot dien eijnde van de predighstoel in voorschr[even] carspelen worden afgekundight, en geaffigeert.

Het reglementje werd dus op strategische plekken aangeplakt in de vorm van plakkaten en bovendien werd het afgekondigd vanaf de kansels in de kerken van Nieuwolda, Oostwold, Nieuw-Scheemda en Wagenborgen.

Helaas heb ik niet meer over deze maatregelen kunnen vinden. Ook weet ik niet of ze hebben geholpen. Je zou denken van wel, want het verbod is niet nog eens afgekondigd, zoals zo vaak gebeurde met allerlei verboden.

Wat sowieso opvalt is dat het reglementje vlak voor het voorjaar werd vastgesteld en afgekondigd. Zo aan het eind van de winterperiode zijn ganzen zeker niet vet, en al helemaal niet als het flink heeft gevroren en/of gesneeuwd. Waarschijnlijk zijn de vogels dan juist extra hongerig.


Onze slakken lusten George Washington rauw

Ik heb het net nog even gecheckt of het toch niet het ontwerp was, maar het is echt zo. Dit affiche heeft er iets meer dan een week gehangen, maar de slakken in mijn biotoop hebben het al deerlijk toegetakeld. Anders doen ze dat nooit hoor! Blijkbaar heeft de plakfirma extra lekkere lijm gebruikt, of zou het de herfst zijn, die het plaksel beter verteerbaar maakte?

Hoe dan ook, we konden het de slakken niet vragen. ’s Nachts slaan ze toe, de rakkers, maar overdag zijn ze, afgezien van ons achterpad zo’n vijftien meter verderop, in geen velden of wegen te bekennen.


Spinneweb

Vanochtend langs het Hegepad waren tal van bedauwde spinnewebben zichtbaar in het struweel. Qua lichtval en formaat sprong deze eruit:

Van wat meer afstand:

En nog wat dichterbij:


Vos in de Onlanden

Ik kwam terug van een fietstochtje door het Westerlkwartier, het weer betrok, zonder dat dit tot regen leidde. Voorbij de op een na laatste Omlander brug, in de verte, zag ik een groepje mensen gebiologeerd naar iets kijken. Het was een vos die in de berm langs het fietspad scharrelde. Hij bleek totaal niet schuw en trok zich nergens wat van aan. Hoewel hij er een stuk gezonder uitziet, zou het wel eens de vos kunnen zijn die dit voorjaar naar de enkel van een fietster hapte. Het ging in elk geval om dezelfde omgeving. Kreeg het idee dat iemand hem zit te voeren::


De plechtige teraardebestelling van Piet de parkiet

Kwam vanmiddag net op tijd voor de uitvaart van Piet, de parkiet ten huize van mijn achterneef in Ezinge. Na de gebruikelijke plichtplegingen werd het beestje met een 1, 2, 3 in Godsnaam aan de schoot der brokkelige aarde toevertrouwd.

Piet was een vrolijk dier. Het zong er tenminste lustig op los. Waaraan het zo plotseling doodging is onbekend. Piet is ruim één jaar geworden.


Eind van de lente

Op het bankje bij de eerste Onlander brug vanaf het gehucht Peizermade – wat voor vogel zingt daar?