Rondje Norg

Zilverreiger in de plas achter de Onlanderij:
dsc04319
Norlingerweg, Peize:
dsc04323
Toch nog zwaluwen – windwijzer bij de Pol in Peize:
dsc04326
Eindje verder, nieuwsgierige Peizer geiten:
dsc04328
Voorzichtig begin van de herfst:
dsc04331
Biologisch maisveld tussen Peize en Norg levert kolfje naar mijn hand:
dsc04338
Bij het Oostervoortse diepje:
dsc04340
Libelle met groenig rugschildje en vier vlekken op de vleugels, het lijf lijkt zwart:
dsc04350
Onder het brugje een zwerm schrijvertjes:
dsc04359
Norg, marionettenspel in etalage antiekzaak:
dsc04363
Duivenhok in andere etalage:
dsc04364
Veldje met meest uitgebloeide kleine zonnebloemen bij Langelo:
dsc04365
Een exemplaar dat het nog volhoudt:
dsc04368
Geïmproviseerd hek bij Langelo:
dsc04370
Het centrum van Roden bleek wegens een dorpsfeest afgesloten voor alle verkeer en zeer druk. Ging daarom langs een weggetje naar de achterkant van Mensinge en ontdekte dat daar op het veld naast het huis tientallen antieke tractoren stonden:
dsc04376
Meteen bij de opgang deze fraaie, maar curieus gekleurde Lanz Bulldog:
dsc04377
Hij leek wel in de olie gezet:
dsc04379
Midden op het terrein waren de dorsers er net mee opgehouden:
dsc04385
Maar bij het duivenhok was iemand nog bezig met een mij onduidelijke bewerking:
dsc04391
Huize Mensinge was al dicht. Eigenlijk had er achter het grote raam een freule moeten staan die met zichtbaar misprijzen op heur gelaat het plebs aanschouwde dat zich in heur tuin vermeide bij al die affreuze apparaten.
dsc04396


Van Zuidbroek naar Delfzijl

Westeind Zuidbroek, waar een stukje van het Oude Winschoterdiep doodloopt:
dsc04187
Op de plek van die dwarsweg lag ooit Tamminga’s Klap:
dsc04188-was-3
Bij de Akkers een ware pompoenentrein van de kweker Dallinga:
dsc04192
“Jongens niet dringen hoor, jullie komen allemaal aan de beurt”:
dsc04195
Leuk hoekje van Zuidbroek:
dsc04197
De Galgeweg, Zuidbroek, loopt tegenwoordig dood. Zo hoort het. Ik kwam er deze buizerd tegen:
dsc04207
Dame met rijke oogst in topgevel van Oldambtster boerderij, Uiterburen:
dsc04213
Bij de Drostenlaan:
dsc04215
Op de Drostenlaan een Volvo-truck uit 1968:
dsc04219
Nieuweweg – bloeiend mosterdaad, zoet ruikend, naast een stoppelakker:
dsc04221
Hier ergens moet in de achttiende eeuw de Oldambtster drostenborg hebben gestaan:
dsc04222
Cartouche met landbouwgereedschap in topgevel van Oldambtster boerderij:
dsc04226
Nog net in Uiterburen – een rijke pompoenenoogst:
dsc04227
Torentje met carillon op voormalige doopsgezinde kerk. Die wijzers gaan binnenkort van de wijzerplaat vallen::
dsc04236
Driesprong iets ten noorden van Noordbroek, het laatste stukje Noorderstraat in de richting van Veendijk. Denk dat hier een herberg heeft gestaan. Vanaf de veranda kon je op je gemakkie naar de passanten koekeloeren. Is tegenwoordig niks meer aan – ze gassen je hier  voorbij:
dsc04237
De voormalige herberg (met doorrit) heeft aan de overkant nog een overtuin.  Hier zijn knuffels (te weten beren) terechtgesteld die aan de wurgpaal en hoogste boom zullen blijven rotten tot hun laatste vezel is vergaan. Dit als straf voor het stelen van honing en tuinvruchten, en zulks ter lering en exempel van velen :
dsc04240
Als penitentie voor zijn eigenrichting heeft de snode herbergier een andijvieperkje in de vorm van een kerk aangelegd:
dsc04242
De Eideweg afrijdend richting Siddeburen, zag ik een paar honderd meter verder op de N33 een kolonne van misschien wel twintig brandweerwagens uit het noorden komen. Er zaten zelfs Duitse exemplaren bij. Denk dat er ergens een treffen was:
dsc04248
Misschien wel in Siddeburen, want daar was een dorpsfeest. Daar hoort bij dat elke straat bij alle woningen een uniform opsierding heeft. De Eideweg koos voor een rode stoomlocomotief met een waarschuwingskruis voor spoorwegovergangen:
dsc04250
Andere kant Siddeburen, bij de Geerlandweg – te koop staande ploeg:
dsc04254
Tegenover de Geerlandweg, op de langwerpige plas langs de Damsterweg, waren lui aan het racen op waterscooters:
dsc04263
Ik neem maar aan dat dat hier mag? Deze plas was nota bene drukker met watersporters dan het hele Schildmeer:
dsc04266
Atelier Avalon, een broedplaats, naar het schijnt, voor van alles:
dsc04269
Lapjeskat blijft doodgemoedereerd op landweg liggen:
dsc04275
Terwijl er achter me een hels geblaf uitbreekt:
dsc04278
Hier woonde duidelijk een peerdekerel
dsc04286
De Aquarius uit Port Vila meert af in het Eemskanaal bij Delfzijll:
dsc04292
Delfzijl, eindpunt van de reis:
dsc04297


Oude Mei – dé ingangsdatum voor arbeidscontracten

paulus-laman-aanleiding

Vandaag bleek me dat dat de Anleiding tot de eerste beginselen der Groninger Regtskennis van Paulus Laman sr. op Google Books staat. Het betreft een eenvoudige compilatie uit 1738 van rechtsregels uit de verschillende delen van Groningerland, welke rechtsregels in de juridische praktijk van de verschillende rechtsgebieden ook werkelijk naast elkaar werden gebruikt: als het eigen Landrecht op een punt tekortschoot, speelde men gemakkelijk leentjebuur.

De Landrechten vulden elkaar zodoende aan, wat het werk van Laman inhoudelijk van universele waarde voor de gehele provincie Stad & Lande maakte. Qua taal had het dan nog voor een beperkt, academisch publiek bedoeld kunnen zijn, maar Laman schreef zijn boek in ’t Nederlands en niet in ’t Latijn. Zoals de titelpagina zegt, gaf hij het uit “ten dienst van ‘t gemeen” – relatieve leken moesten er wat uit op kunnen steken. Vanwege dat didactische doel hield Laman het bij de alleszins bevattelijke vraag-antwoordvorm die we ook kennen van de destijds populaire catechismussen en tractaatjes. Zijn Anleiding werd daarmee een gewild boek, dat later nog meermalen is herdrukt en geactualiseerd, met name door zijn zoon, mogelijk ook de eerste die de tekst überhaupt onder ogen kreeg.

Na mijn ontdekking van het boek, dat ik nog nooit had ingezien, ben ik vanuit de inhoudsopgave meteen naar het hoofdstuk over de dienstboden gegaan, niet alleen omdat talloze voorouders van me die nederige functie hebben bekleed, maar ook omdat ik in de rekesten van het Oldambt nogal wat arbeidsrechtelijke zaken rond dienstboden tegenkom (vooral ontslagkwesties). Dat hoofdstuk van Lamans boek begint met een droge definitie van wat onder een dienstbode moet worden verstaan, maar met het antwoord op de volgende vraag raken we al op spannender terrein. Die vraag 2 gaat erover, op welk tijdstip in het jaar de dienstboden van Stad & Lande in dienst moeten treden:

“Als geen aparte tydt bedongen is, drie dagen na de eerste Sondach in May of November (…) by verbeurte van het loon. By Placcaat van den 4 november 1723 is gestelt drie dagen na de sondach na den 12 May of na den 12 November invallende.”

Hier is dus sprake van een provinciale regel, die in 1723 werd herzien. Voordien was de eerste zondag na 1 mei of 1 november de richtdatum voor indiensttreding, nadien werd het de eerste zondag na 12 mei of 12 november. Die verschuiving hangt samen met een kalenderwisseling van 1700 op 1701. Op oudejaarsdag 1700 verdween de oude kalenderstijl, op 12 januari 1701 verscheen de nieuwe stijl en de tussenliggende dagen werden dat jaar geschraptt, waarmee het eerste kalenderjaar wel twaalf dagen was ingekort, maar natuurlijk niet de looptijd van allerlei jaarcontracten die nu doorliepen tot 12 mei, zijnde ‘de oude mei’ in nieuwe gedaante. De rechtsregel van 1723 kan je dan zien als een aanpassing aan deze almaar voortgezette praktijk. In alle Noord- en Oost-Nederlandse provincies werd in 1700-1701 de kalender aangepast en in al die gewesten gold de ‘oude mei’ sindsdien als een belangrijke ingangsdatum voor contracten. Zo stond 12 mei in Friesland bekend als de “âlde Maaie”.

Sinds 1701 markeerde de oude mei dan vaste trouw- en verhuisdata, het ingaan van arbeids- en huishuurcontracten, en, daarmee samenhangend, dienstbodenvakanties. Met Sint Maarten had je ook zo’n periode, maar die was minder in zwang, naar mijn stellige indruk.

Ben wel eens in discussie geweest met een collega-historicus, die studie maakte van een tamelijk beperkte regio in Groningerland en stellig meende dat het fenomeen ‘oude mei’ daar nu juist niet bestond. Volgens haar ging het om een “totaal ander gebied”. Inderdaad staat het placcaat van 1723 het bedingen van een “aparte tydt” toe, maar of een hele streek daarmee kon afwijken van de door de provincie voorgeschreven data? Ik betwijfel het. Natuurlijk waren er wel individuele uitzonderingen zoals Aaltjen Klasens, die zich volgens haar rekest bij de Oldambtster drost , “van St. Niklaas 1776 tot St. Niklaas 1777 als dienstmaagt (…) hadde besteedt”. Maar dergelijke uitzonderingen tref ik bar weinig in de bronnen aan en ze bevestigen daarmee volgens mij de algemene regel.


Drie veenkoloniale Oostindiëgangers

de-wapens-van-de-verenigde-oost-indische-compagnie-en-van-de-stad-batavia-17e-rm

Collectie Rijksmuseum.

We zijn een beetje gewend om de VOC als een Hollandse aangelegenheid te zien, maar op de VOC-schepen voer toch ook menige Groninger mee. Hetgeen ook blijkt uit Oldambtster rekesten.

I
Zo wilde Anna Geerts, de weduwe Douwe Jans, eind 1759, begin 1760 graag hertrouwen met Harm Meijnderts. De predikant van Noordbroek had hun huwelijk al een keer gekondigd, maar op last van de Oldambtster drost waren de verdere “proclamaties” opgeschort,

“doordien er geen zeker berigt voorhanden was, waaruit den doot van Douwe Jans haar vorige man consteerde”.

Die vorige man zou nog kunnen leven en als Anna dan hertrouwde, maakte ze zich schuldig aan bigamie, een delict dat nog uiterst streng werd bestraft. Gelukkig voor Anna echter, kreeg ze een bericht van de Heren Bewindhebbers der Oost-Indische Compagnie, dat de dood van haar eerste man bevestigde. Met dat bericht gewapend, verzocht ze eind 1760 de drost zijn bezwaar in te trekken en de predikant van Noordbroek te machtigen om door te gaan met de kondigingen. De drost stemde hiermee in en het aardige is dat hij zijn klerk de VOC-verklaring liet overschrijven in het rekestboek:

“Wij onderges[chreven] bewinthebberen van de OostIndische Compagnie, verklaren bij dezen, dat Douwe Jans van Sapmeer, den 13 maart 1755 zonder testament te maken, niets nalatende is gestorven, als blijkt bij ’t Grootboek van de Caab (= Kaap de Goede Hoop, HP).
Ao 1754/5 fo. 496.
In Amsterdam 25 maart 1760
/stond/
G. Bors van Waveren
Jacob van Gnevel”

II
Een tweede verzoekschrift dat ons een glimp van een veenkoloniale VOC-medewerker oplevert, kwam van Hindrik Franssen. Hij was zelf varensgast en een tijdje eerder met zijn schip thuis gekomen. Daar wachtte hem minder prettig nieuws: zijn in de Borgercompagnie wonende schoonzus was overleden, onder achterlating van vijf kinderen. Intussen zat haar man, Hindriks broer Roelf Franssen in Amsterdam, waar hij zich volgens een “mondelijke tijding” had “geëngageert op een schip naar Oostindiën”. Op die manier was er toezicht op huishouding, noch kinderen. Dat kon niet, vond Hindrik, die als varensgast natuurlijk zelf niet langdurig aan de wal kon blijven en de drost daarom het voorstel deed om de diakenen van Veendam de ”directie over den boedel” over te laten nemen. Van die diakenen voorspelde Hindrik dat ze het op termijn sowieso voor het zeggen zouden krijgen (“als ter welker last de kinder naa alle gedagten zullen moeten vervallen”). Inderdaad bleek de drost op 2 juni 1772, toen hij ook de Veendammer diakenen over het geval aanhoorde, dat Hindrik de waarheid sprak. Daarom kregen de diakenen opdracht de huisraad van de boedel te verkopen om van de opbrengst de kinderen te ondersteunen. Zodra hun vader Roelf Fransen zich weer binnenslands mocht vertonen, moesten de diakenen aan hem rekening en verantwoordigng afleggen over hun administratie. En als er dan nog wat geld overschoot, moesten ze dat geld aan hem overhandigen, samen met de kinderen.

III
Een derde rekest dat ik in dit opzicht tegenkwam, was dat van Sijpke Hindriks, de weduwe Jacob Itzes uit Veendam. Zij vertelde de Oldambtster drost dat haar man in de winter van 1773 voor de kamer Enkhuizen was vertrokken met het Oost-Indische Compagniesschip ‘Hoog Carspel’ onder het bevel van de “manhaften schipper” Pieter Helmes. Bij die gelegenheid had haar man haar nog een brief geschreven vanaf Texel. Het was kennelijk zijn laatste levensteken, want later vernam ze dat hij op 20 mei 1775 op het schip De Mercuir was komen te overlijden. Ook hoorde ze dat de Compagnie hem nog steeds 79 gulden aan salaris schuldig was. Bij dat geld, een half jaarloon voor een arbeider, had ze natuurlijk alle belang. Alleen was er een complicerende factor: haar mans naam was verbasterd in de VOC-boekhouding terechtgekomen,

“het welk buiten twijffel geoccasioneert is, doordien vermelde eheman van de rem[onstra]nte in leven swaar ter taal en uitspraak zijnde, deszelvs naam niet distinct genoeg heeft geuit.”

Dankzij wijlen haar mans binnensmondse gemurmel vormde het dus een probleem om vanuit het verre Veendam dat geld los te krijgen. Om die reden moest Sijpke zelf of een gemachtigde van haar naar Enkhuizen om haar recht op dat geld te bepleiten. Nu leefden er nu nog twee kinderen van haar man en haar: een dochter Lammegien en een zoon Idze, beide nog minderjarig en samen voor de helft erfgenamen van het tegoed. Sijpke of haar gemachtigde kon het geld dan wel gaan opvragen en beuren bij de bij de VOC-Kamer Enkhuizen, maar waarschijnlijk kreeg zij of hij zonder machtiging van de drost om ook de helft van de kinderen op te vragen slechts de helft van het geld mee. Daarom wilde ze graag een verklaring dat zij als ‘legitima tutrix’ (wettig voogdes) het ouderlijk gezag had over de kinderen van haar en Jacob Idzes. Op 14 juli 1777 gaf de drost haar die verklaring.

Kortom
Nagelaten betrekkingen van VOC-personeel hadden het nogal eens moeilijk. Er ontbrak bijvoorbeeld bewijs voor het overlijden van een Indischgast, zodat diens weduwe niet hertrouwen kon. Of zo’n Indischgast liet de boel de boel en zijn kinderen in de steek. Of zijn naam stond verkeerd in de VOC-administratie, zodat zijn erfgenamen maar moeilijk aan de erfenis konden komen.

Naar de Oost gaan, stond sowieso al niet in zo’n gunstig daglicht. Vaak ging het om mannen met een vlekje. Soms moesten mannen er ook wel heen van familie en/of gerecht, omdat ze een misstap hadden begaan. De sterfte was groot, aan boord zowel als ginds. Overlevenden zetten het nogal eens op een zuipen. “Verlopen Oostindiëvaarder” was niet voor niets een scheldwoord. Politici die het publiek een VOC-mentaliteit voorhouden, kletsen dan ook finaal uit hun nek.

Bronnen: RHC Groninger Archieven , Toegang 731 (gerechten Oldambt) de inv.nrs. 6120, 6123 en 6126.


Rondje Faan

De haan van kinderboerderij Minerva, Hoogkerk:
dsc03792
Familie op stap met paard en wagen, Zuiderweg tussen Enumatil en Zuidhorn:
dsc03798
Hoendiep gezien vanaf de Zuiderweg:
dsc03800
Minibieb bij de katholieke kerk van Zuidhorn:
dsc03819
Vee bij de Holtweg, zuidkant Zuidhorn. Mooi is hier aan de achtergrond te zien hoe Zuidhorn op een (bescheiden) hoogte ligt, een voormalig zandeiland:
dsc03824
Spreeuwenzwerm in mast, Briltil:
dsc03831
Witrik-stieren (met dank aan de reageerders) in een weiland bij het Niekerkerdiep zuidzijde:
dsc03837
Close up:
dsc03838-was-36
Roodgekapte boerderij bij het Faan:
dsc03840
Wipkar op de Maarsdijk onder Niekerk:
dsc03842
Dorpsgezicht Enumatil. Jammer van die golfplaten:
dsc03843
Curieus pandje op de Pasop:
dsc03847
Kar met tuinproducten, Pasop:
dsc03851
Kentekenen van een voormalige smederij, Pasop:
dsc03855
Opspringende paarden tegenover Westpoort:
dsc03870
Boomgaard op Westpoort bleek half ontdaan van fruit. De andere helft van de bomen hing nog vol:
dsc03871


Slachtoffer gifmoord laat minder na dan gedacht

haren-van-de-zeis

Soms kwamen ook inwoners van andere jurisdicties iets verzoeken bij de Oldambtster drost. Op 8 april 1777 waren dat bijvoorbeeld Hindrik Jans en Geeske Jans, een echtpaar dat “te Horen onder Wedde woonagtig” was. Zij maakten zich bij hem bekend als de ouders van de “ongelukkig laast overleden” Lambert Hindriks te Oostwold, die getrouwd was geweest met de “onlangs gedecolleerde” Geeske Tjabbes. Voor welke “ondaadt” hun schoondochter onthalst werd, staat niet in het verzoekschrift van het Wedder echtpaar, maar daarvoor kunnen we te rade gaan bij de Oldambtster criminele sententies en dan blijkt dat het gaat om gifmoord op twee achtereenvolgende echtgenoten.

Wijlen de zoon van het echtpaar, Lambert Hindriks (geb. 1748 te Wedde) en wijlen hun schoondochter Geeske Tjabbes (geb. 1752 te Beerta) waren een week voor pinksteren 1776 getrouwd in Oostwold. Ruim een half jaar later wilde Geeske al van Lambert af. Ze kocht rattenkruid in Midwolda en mengde een deel daarvan op tweede kerstdag door de “soupenbreij” (karnemelkse pap), die ze haar man gaf, toen die hongerig van een buurtbijeenkomst kwam. Hij at zijn bordje niet leeg, omdat hij de brij niet lekker vond, maar was de hele nacht misselijk en benauwd geweest. De volgende dag echter, was hij gewoon naar zijn werk gegaan . ’s Middags zich opnieuw heel minnetjes voelend, waarbij hij ook moest overgeven, was hij naar huis gegaan. Daarop gaf zijn echtgenote hem de rest van het gif in “soupen broodt”, waarin ze ook de kliek van de brij had verwerkt. Op 28 december stierf haar man, voortdurend brakend en onder helse pijnen. Op 3 januari 1777 werd hij begraven.

Eerst leek er geen vuiltje aan de lucht voor de gifmengster, maar op 14 januari was haar mans lichaam weer opgegraven. Bij hun lijkschouwing vonden de medici arsenicum album, witte arseen. Daarop bekende Geeske de gifmoord en dat niet alleen, ze bleek ook haar vorige man, de uit Lippe afkomstige Christiaan Hendriks, te hebben omgebracht met rattengif in de brij. Met die eerste man had ze het nog korter uitgehouden – op 30 juli 1774 waren ze in Beerta getrouwd, en na zeven weken stierf de Lipsker. Met die eerste man, zegt het vonnis er nog bij, had ze “in geene betamelijke huwelijksgenegenheijdt” geleefd. Die sententie, uitgesproken op 8 februari, 1777, hield voor Geeske dus onthoofding in. Na de voltrekking zette de beul haar hoofd op de pin van het rad, tot voorbeeld van anderen die mogelijk zoiets van plan waren.

Exact twee maanden later kwam het echtpaar uit Wedde zijn opwachting maken in de Oldambtster drostenborg. Hun zoon Lambert, verklaarden ze, was “in ongemeenschap van goederen” met Geeske Tjabbes getrouwd geweest. Een afschrift van de akte met de huwelijksvoorwaarden hadden ze bij zich. Dit betekende dat zij als ouders erfgenamen waren en recht hadden op de zaken die hun zoon bij het huwelijk met Geeske had ingebracht in hun gezamenlijke huishouden, namelijk:

  • Zijn “lijvestoebehoren” (= kleding en eventuele opsmuk als edelmetalen knopen en gespen);
  • 10 pond vlas (een reservering voor zijn doodskleed?);
  • een oud schaap en een lam;
  • een “zwade en een zigte met het haartuig” (= diverse zeisen met aanscherpmateriaal);
  • en een jaar verdiend (boerenknechten)loon, te weten de somma van 60 gulden.

Omdat ze “zeer behoeftig” waren – mogelijk droeg hun vermoorde zoon aan hun inkomen bij – verzochten de Wedder ouwelui de drost om deze goederen uit de boedel van Geesje Tjabbes te halen, “soo verre deselve aldaar in natura bevonden worden”. Ook wilden ze graag Lamberts loon graag terug, nadat het huisraad van Geeske zou zijn geveild.

In zijn kantbeschikking erkende de drost dat Lambert Hindriks’ lijfstoebehoren inderdaad waren aangetroffen in de boedel van de ter dood veroordeelde. Deze kleding moest wedman Stheeman tegen een ontvangstbewijs aan Lamberts ouders geven. De “zwade en zigte met haijrtuig” kende de drost eveneens aan hun toe, “bij aldien ontdekt wordt waar hetzelve is berustende”. Blijkbaar werd dit maaigereedschap vermist; de gifmengster kon het hebben verkocht, maar het zou natuurlijk ook nog bij de boer en werkgever van Lambert kunnen liggen. Ook de contanten, het vlas, het oude schaap en het lam bevonden zich niet meer in de boedel, maar daarvan ontbrak volgens de drost het bewijs dat ze werkelijk waren ingebracht. Daarom wees hij wat dat betreft die zaken het verzoek van het Wedder echtpaar van de hand.

Met andere woorden: de ouders van de vermoorde man kregen alleen diens kleding overhandigd. Op termijn konden ze misschien nog hopen op diens maaigereedschap, maar naar alle andere (vermeende) bezittingen konden ze fluiten. Het laat zich raden hoe de ouders zich voelden, temeer daar de kleding van hun zoon waarschijnlijk niet eens opwoog tegen het salaris van de advocaat die ze voor hun verzoekschrift in de arm hadden genomen.

Bronnen:
– RHC Groninger Archieven Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 6126 (verzoekschriften met daarop gevallen kantbeschikkingen).
– Idem, oude notatie Rechterlijke Archieven V (Wold-Oldambt) ss dl. 3 folio 54 e.v. (vonnis Geesje Tjabbes d.d. 8 februari 1777) – nieuwe notatie inv.nr. 5694.


‘Morgen is zij de bruid’

Aan de overkant van de rotonde zag ik een groep van acht, negen wichter naderen. Op een paar na reden ze op identieke scooters. Allemaal hadden ze een spijkerbroek aan, alleen de laatste niet. Die droeg een verpleegstersuniform uit de feestwinkel:

dsc03742

Heb zo’n idee dat het een vrijgezellenfeest is. Normaal zijn die in de binnenstad. Het fenomeen lijkt zich uit te breiden naar suburbia.

Plaatje voor het plaatje.