Een autograaf van Elmondo Kruzengoa, volksdichter

Ook volksdichter en veurzitter van het Rooie Dorp Elmondo Kruzengoa wilde graag iets doen met de Zomermanifestatie van 1972. Vandaar zijn brief aan cultuurwethouder Max van den Berg en diens hoofd culturele zaken Johan Rijfkogel, welk schrijven Kruzengoa heel zorgvuldig en secuur op papier van een HEMA-kladbloc componeerde. Op de koop toe gaf hij nog een gedicht mee :DSC06639

DSC06640

DSC06641

DSC06643

Bron.


‘Scheepsnamen’ door Groegroe

Enkele voor evangelisatie omgebouwde vrachtschepen

Ene Groegroe schreef in de jaren 1926-1927 tegen de honderd lichte verzen voor de Noord-Ooster en het Nieuwsblad van het Noorden. Soms waren die briljant en zouden ze niet misstaan in de bloemlezing van Komrij. Later kwam er wat meer gelegenheidsmaakwerk doorheen en ook schreef hij wel eens een iets te opgelegd moralistisch stukje, maar getuige het feit dat een bundeling van zijn ‘leutige liedjes’ bij de Groninger toneel-uitgeverij Dijk minstens drie drukken haalde, moeten ze destijds tamelijk populair geweest zijn.

Wie zich achter het pseudoniem Groegroe verschool is intussen onbekend. Begin jaren 30 dook het nog een paar keer op in Breda en Amersfoort en daarna is er alleen nog maar stilte. Of de man overleed, of hij zette deze activiteit onder andere naam voort. Mocht iemand zijn ware naam weten, ik hou me aanbevolen!

Hier volgt een klassieker van hem: ‘Scheepsnamen’. Deze stond in de Noord-Ooster van 13 maart 1926. Op 5 februari 1927 verscheen nog een vervolg op dit succesnummer, ‘Contrasten’ geheten.

Scheepsnamen

Als we dagelijksch de schepen
Eens nauwkeurig gadeslaan,
Zullen w’ elken dag opnieuw weer,
Voor veel vreemde dingen staan !
Laatst zag ik een heel oud scheepje,
Dat bijna gezonken was,
‘k Zag nog juist den steven,
waar ik „LUCTOR ET EMERGO” las!

De schipper van „DE VROUWE ANNA’
Is nog altijd ongetrouwd !
En de baas van „WELTEVREDEN”
Kankerende weggesjouwd !
Van de schuit „EBEN HAEZER”
Is de schipper atheïst !
d’ Eigenaar van „VOL VERTROUWEN”
Een geboren pessimist !

Van de „ORA ET LABORA”
(Deze naam is veel in trek)
Lag de baas languit te razen
En te vloeken op het dek !
De „EXCELSIOR” en „VOORWAARTS”
Voeren in een jaar al niet!
Van de „WELVAART”, „HOOP OP ZEGEN”
Gingen de patroons failliet !

Altijd even ontevreden
Is de baas van „DANKBAARHEID” !
Aan het roer van „DE GEBROEDERS”
Stond een flinke, frissche meid !
‘k Zag een oude passagiersboot,
Thans met paardemest bevracht !
Men had er in beet’re tijden.
Op geschilderd : „NOOIT GEDACHT” !

d’ Eigenaar van „WILHELMINA”
Is een vuur’ge bolsjewiek !
Van de „VOORSPOED” ligt de schipper
Al ruim negen maanden ziek !
De kap’tein van „QUO VADIS”
(Men weet wat die naam beduidt)
Ging er op een goeden morgen
Met de centen tusschenuit !”


Onverbiddelijk heeft overtreffende trappen

groene boekje onverbiddelijk

Dit verbaasde me in hoge mate: dat het Groene Boekje beide overtreffende trappen toekent aan ‘onverbiddelijk’. Want voor mijn gevoel heeft onverbiddelijk geen overtreffende trap: je kunt niet onverbiddelijker zijn dan onverbiddelijk, en ware dat wel mogelijk, dan verliest het onverbiddelijk zijn kracht, waarmee de vermeende overtreffende trappen ook op drijfzand  komen te berusten.

Om mijn gelijk te halen wendde ik mij tot het WNT. Maar zie daar, ook dat geeft beide overtreffende trappen. Weliswaar zonder voorbeelden te geven, maar toch: de taalkundigen zijn unisono de mening toegedaan dat je het absolute en definitieve van onverbiddelijk mag relativeren en uitrekken.

Het WNT geeft dus geen voorbeelden, terwijl het daar anders zo sterk in is. Zijn er überhaupt wel voorbeelden te vinden van dat onverbiddelijker en onverbiddelijkst? Jawel, zo blijkt: Delpher geeft een kleine duizend gevallen van onverbiddelijker in kranten sinds 1807 en bijna zestig van onverbiddelijkst vanaf 1843.

Mijn taalgevoel zal zich onverbiddelijk bij de feiten neer moeten leggen.


Het debiet van foezel met de jaarwende

Albert Hahn, smokkeldne tribunisten 1918 IISG b

“Aan de grenzen ­– zoo schrijft men ons – beleven velen weder dagen van angstige spanning. ’t Is toch algemeen bekend, dat tegen nieuwjaar het smokkelen op het drukst is, en dat zij, die er anders geen gebruik van maken, dan ook een paar liters of meer ‘verboden waar’ halen, om vrienden of andere bezoekers te kunnen onthalen. Dat zij zich aan een groot gevaar blootstellen, weten zij, maar houden toch vol, op gevaar af, dat zij eene maand gevangenisstraf zullen oploopen. Om eenige stuivers voordeel stelt men eenige guldens in de waagschaal. Maar wordt men aan de grenzen gaarne getracteerd op het ‘vocht van over de grenzen?’ O neen! Men heeft daar liever één glas schiedammer dan 2 glazen foezel; maar die ze schenkt wil gaarne eene groote hoeveelheid geven en weinig geld besteden.”

Bron: Provinciale Groninger Courant 24 december 1875.


Wat een scheerbaas verdiende

074

Kwitantie voor een jaar “raaseergeld”, op 22 april 1777 betaald door de heer Maurits Clant van Hankema uit Zuidhorn aan de chirurgijn Reinko Friebes Woltgraft in de stad.

De chirurgijn, gezien zijn achternaam mogelijk van Hoogkerker komaf, had kennelijk te weinig patiënten om van zijn medische praktijk rond te kunnen komen. Als de heer Clant zich twee maal per week liet scheren, dan verdiende Woltgraft met dit werk iets minder dan een stuiver per scheerbeurt. Bij vier scheerbeurten per week zou dat een halve stuiver zijn.

Zulke kwitanties wegens kleine persoonlijke dienstverlening zijn uiterst zeldzaam in archieven. Dat spul wordt altijd vrij gauw weggegooid.


Bron:

RHC Groninger Archieven, Toegang 498 (familie Clant) inv.nr. 298: Stukken van diverse aard.

 


Waar woonde Haike Aeijkes?

Ik heb hier al eens verteld hoe de achternaam Perton in de wereld kwam. Dominee Haenenberger van Beerta voegde hem toe aan het patroniem van mijn vroegste Nederlandse voorvader Haike Aeijkes, zowel bij diens huwelijksinschrijving uit 1788 als bij de doopinschrijvingen van diens vijf kinderen (1788-1798). Hoogstwaarschijnlijk gebeurde dat in augustus of september 1811, vlak nadat Napoleon het dragen van een familienaam verplicht stelde en vlak voordat ds. Haenenberger de huwelijks- en doopregisters inleverde bij de burgerlijke gemeente Beerta.

Haikes vader was schoenmaker in Bonda of Bunde. Haike deed waarschijnlijk hetzelfde voor de kost, afgaande op de bijnaam Pik (= pek) die hem en de twee volgende generaties Perton in Beerta aankleefde. Zijn kinderen waren later bij hun trouwen boerenknecht of dienstbode. Getuige hun vrij lage sociale status, kwam het als een verrassing dat Haike Aeijkes verschillende malen voorkomt in de verzegelingen van Beerta. Steeds met zijn patroniem, terwijl ds. Haenenberger samen met de kerkvoogden deze notariële akten opstelde. Wat nog eens bevestigt dat de naam Perton pas in 1811 in de wereld kwam, of beter: officieel vastgelegd werd.

De eerste van die verzegelingen is het huwelijkscontract van Haike Aeijkes, “jongman van Bonda” en Ettjen Hindriks, “jonge dochter van de Beerta”. Het werd opgesteld op 16 oktober 1788, drie weken na hun huwelijk dat een ‘moetje’ was, omdat Ettjen al zo’n zeven maanden zwanger ging van hun oudste zoon, die rond kerst dat jaar geboren werd. Op zich bevat het contract vrij gangbare voorwaarden, die door de komst van kinderen ook nog eens hun geldingskracht verloren. Zo bestond er zonder nageslacht geen gemeenschap van goederen. Als er geen kinderen waren en een van de partners overleed, ging zijn of haar inbreng terug naar zijn of haar familie. Bij zo’n kinderloos overlijden hield de overlevende partner echter wel levenslang vruchtgebruik van de goederen die de partner naliet.

Wèl opmerkelijk aan het contract zijn de getuigen. “Bij gebrek van bloedvrienden” traden namelijk als “dedigsluiden” (onderhandelaars) aan de kant van de bruidegom op: de koster-schoolmeester Popko Jurjens (Dijksterhuis) en ene Reinder Veltman. Waarom lieten Haijkes ouders dit aan vreemden over? Ze leefden nog en woonden even over de landsgrens, op nog geen 14 kilometer van Beerta. Was er naast de fysieke verwijdering ook nog sprake van een emotionele? Aan de kant van de bruid tekenden, naar goed gebruik,  haar vader en moeder ­– de timmerman Hindrik Uilders en diens vrouw Aaltjen Klaasens – terwijl als gewone getuigen optraden de kerspeldienaar Jan Meints (Swart) en de chirurgijn-vroedmeester H.W. Heckman.

007 hc 1788 handtekeningen

Waarschijnlijk woonde het jonge paar in bij de schoonouders, Hindrik Uilders en vrouw. Uit 1791 stamt immers een tweede verzegeling, waarbij die schoonouders de helft van hun huis en tuin aan de jongelui verkochten, met de beklemming van de grond eronder. Zo’n beklemming, ook wel “overdracht” genoemd, was het vaste, overdraagbare gebruiksrecht van een perceel grond tegen een onveranderlijke pacht. Beklemde meiers waren eigenaar van wat er op de grond stond, maar pachtten de ondergrond. In dit geval betrof het pastoriegrond, waarvoor de eigenaars van het hele pand jaarlijks 3 gulden tuinhuur of grondpacht moesten betalen aan de predikant van Beerta, destijds dus de hierboven al meermalen genoemde ds. Haenenberger.

In dit geval noemt in het koopcontract ook de “zwetten”, die de aanpalende percelen grond in de vier windstreken identificeerden. Het vastgoed bevond zich tussen de Hereweg (nu Hoofdstraat) aan de zuidkant en het kerkhof aan de noordzijde, dus in het centrale deel van Beerta, vlakbij de kerk. Als westelijke zwet wordt genoemd “de halve behuizinge der verkopers”. Qua plaatsbepaling heb je daar niet veel aan, al zegt het wel dat de beide aandelen in het huis fysiek van elkaar gescheiden zijn: de schoonouders van Haike Aeijkes hadden hun eigen ruimte, Haijke Aikens en zijn gezin evenzo. Als oostelijke zwet gold het goed van Reinder Veltman, de man die namens Haike optrad als “dedigsman’ bij diens huwelijkscontract. Hij was dus een buurman. Uit een andere verzegeling blijkt dat zijn huis eveneens op pastoriegrond stond, en dat hij daar 6 gulden per jaar grondpacht voor betaalde. Bij de destijds geldende ‘nabergelijke huur’ had hij dus twee maal zoveel grond tot zijn beschikking. In 1793, toen Veltman op de vaste bedelingslijst van de Beertster diaconie kwam, gaf hij al zijn bezit over aan de diaconie. De verzegeling die daarmee gepaard ging, bepaalde dat hij

“als een arm mensch om Gods wil levenslang in dit huisje zal blijven wonen, aangezien hij door armoede geperst zich hiertoe genoodzaakt bekende te bevinden”.

Om terug te komen op de koopakte uit 1791 van Haike Aeijkes en zijn vrouw – die bepaalde tevens dat de put op het erf voortaan mandelig was (in gemeenschappelijk gebruik). Naast de halve grondpacht moesten ze voortaan ook andere lasten (zoals het heerdstedengeld) voor de helft betalen. Voor het halve huis bedongen Haikes schoonouders 200 gulden, niet echt veel, zeker niet als je weet dat zij in 1764 490 gulden voor het hele vastgoed betaalden. Haike en vrouw werden dus schappelijk behandeld, al kan het ook zijn dat het pand achteruitgegaan was sinds 1764. Uit die tijd zat er ook nog een hypotheek van 400 gulden op het huis, die geërfd of overgenomen was door de boer Helenius Jans en zijn zwager Helenius Hanssens. Als geldschieters verklaarden zij in te stemmen met de verkoop, mits de koopsom aan hen zou worden voldaan. De kopers beloofden dit. Getuigen bij de hele transactie waren Reinder Veltman (alweer die buurman) en ene Reinder Jans.

Bij zo’n eenvoudig stuk vastgoed als dit waren dus drie partijen betrokken: de eigenaars van wat er op de grond stond, de eigenaars van de ondergrond èn de geldschieters. In 1797 werden die geldschieters in dit geval bovendien eigenaars van de ondergrond. De kerkvoogdij van Beerta verkeerde toen in geldnood en verkocht daarom meerdere stukken vastgoed, waaronder

“den eigendom van eene huisplaatse en tuin gelegen oostwaards in de Beerta, aan de pastorie der Beerta toebehorende (…) zijnde onder beklemming gebruikt door Hinderk Uilders.”

De koopakte noemt alleen de naam van Haikes schoonvader als beklemd meier. Bovendien gold als grondpacht nog steeds 3 gulden per jaar, welke inkomstenbron hierbij dus overgedragen werd aan de nieuwe eigenaars. Aan een en ander kan je zien dat het perceel ondergrond formeel niet gesplitst was en dat Haikes schoonvader nog als aanspreekpersoon voor het geheel fungeerde. Voor hun investering betaalden de nieuwe eigenaars, Helenius Jans en Helenius Hanssens, 70 gulden aan de kerkvoogdij.

Net als de koopakte uit 1791 noemt deze uit 1797 de zwetten van het perceel. Dat het tussen de hoofdweg en het kerkhof lag, was al bekend, maar de buren oost en west zijn nieuw ten opzichte van de vorige akte. Aan de westkant van het hele perceel lag de “kosterie der Beerta”, oftewel het huis van de koster-schoolmeester met daaraan vast de school. De bewoner hiervan was Popko Jurjens (Dijksterhuis), sinds 1776 de schoolmeester van Beerta. Bij het opmaken van het huwelijkscontract van Haike Aeijkens en zijn vrouw fungeerde hij als dedigsman voor Haike, net als de buurman van de andere kant, Reinder Veltman.

Die laatste is in de akte van 1797 als oostzwet vervangen door Jurjen Harkes. Op dezelfde dag verkocht de kerkvoogdij namelijk de pastoriegrond onder Veltmans huis aan deze boer, die aan de andere kant van Veltman woonde en die de naam Oosthof aannam, waarschijnlijk omdat hij ten oosten van het kerkhof woonde. Anders dan de andere koopakte uit 1797, noemt deze verzegeling echter niet het kerkhof als noordzwet. Je zou dan zeggen dat het kerkhof niet zover doorliep. Als zwet wordt aan die kant Jurjen Harkes zelf genoemd – hij had zowel de grond ten noorden als ten oosten van Veltman.

In 1800, toen de schoonvader van Haike Aeijkes als weduwnaar overleed, erfden Haike en zijn vrouw de andere helft van het pand. Ruim een jaar later besloten ze het hele vastgoed hier te verkopen aan dezelfde Jurjen Harkes, die de grond van de buurman al had. Het bracht 1065 gulden op, wat een aanzienlijke waardevermeerdering impliceert. Nog steeds gold als zuidzwet de Hereweg en als westzwet de kosterij van Beerta. Als oostzwet noemt de akte Reinder Veltman in zijn hoedanigheid van beklemd meier (van Harkes’ grond). Aan drie zijden veranderde er dus niets, alleen is het kerkhof als noordzwet nu vervangen door Jurjen Harkes, die intussen blijkbaar een stuk van het kerkhof had gekocht, al kon ik daar bij de verzegelingen van Beerta geen akte van vinden.

Haike Aeijkes en vrouw hoefden in elk geval nog niet te verhuizen, gezien de uitdrukkelijke voorwaarde:

“…dat verkopers in de agterkamer van dit huis vrij zullen blijven inwonen tot Maij 1802, en dezelve alsdan zonder opzage moeten verlaten, ook zal de huur à 25 Gld. zo Daniel Febes op 1 Maij 1802 betalen moet tot voordeel der kopers wezen, zullende elk zijn gedeelte van den tuin zo als bij elke kamer verdield is, van dit jaar gebruiken”.

Haike en zijn vrouw hadden dus de andere helft van hun pand verhuurd, maar de koop verbrak die huur niet. De 25 gulden huur per jaar was niet hoog, die som hoorde bij de betere arbeiderswoning. De akte noemt verder de beide Heleniussen (Jans en Hanssens) als eigenaren (sinds 1797) van de ondergrond. Getuigen bij deze verkoop waren onder andere schoolmeester Popko Jurjens en dominee Haenenberger.

Tot zover de verzegelingen. Rest de vraag waar het vastgoed van Haike Aeijkens precies lag. Nog even de zwetten op een rijtje:

JAAR NOORD OOST ZUID WEST
1791 Kerkhof Reinder Veltman Hereweg ½ huis verkopers
1797 Kerkhof Jurjen Harkes Hereweg Kosterij Beerta
1801 Jurjen Harkes Veltman, meier Hereweg Kosterij Beerta

De meest eenduidige zwet was de Hereweg aan de zuidkant. Dat de kosterij steeds aan de westkant zat, lijkt ook wel zeker – er is geen verhuizing bekend. Aan de oostkant zat in 1801 Veltman als meier en Harkes als eigenaar van de ondergrond. Aan de noordkant nam Harkes een stuk kerkhof in. Confronteren we deze constellatie nu met de eerste kadasterkaart van ca. 1830:

Beerta Minuutplan sectie I 1, detail blog (2)

Centraal zie je hier, in blauw, de kerk, met eromheen het kerkhof (221) van Beerta. A is de toren. Het blauwe kruis over de kaart dat de toren als middelpunt heeft, duidt erop dat de landmeters bij hun driehoeksmeting uitgingen van de toren. Ten zuidoosten van het kerkhof heb je nog een blauw ingekleurd gebouw: de school met de kosterij (220), oftewel de westzwet van Haike Aeijkes’ vastgoed in 1800-1801. Ten oosten van het kerkhof, onder nummer 191, bevond zich in 1830 nog steeds de boerderij van Jurjen Harkes Oosthof. Ook het tussenliggende stuk (192) bleek toen in handen van Oosthof. Naast het pand van Haike Aeijkes en de ondergrond van Reinder Veltman, moet hij dan inmiddels het pand van Veltman hebben gekocht van de diaconie. Het perceel 192 omvatte dan zowel vastgoed dat ooit van Veltman was, als dat van mijn voorvader. Dat het een geheel lijkt, zal komen doordat Oosthof beide percelen zal hebben samengevoegd.

Anders dan de ondergrond van Veltman, had Oosthof ten tijde van de eerste kadastrale registratie nog niet de ondergrond van Haike Aeijkes perceel. Aangeduid als “grondpacht, groot ƒ 3,- , in gebruik bij J.H. Oosthof” kwam die in 1838 onder de hamer. De eigenaren bleken toen de erfgenamen van Eltje Helenius Gastman en Jantje Helenius. Deze erflaters zullen dit op hun beurt hebben geërfd van Helenius Jans en/of Helenius Hanssens. Koper was Jurjen Harkes Oosthof, voor een som van 60 gulden. Het kadastrale nummer bleek 192, hetzelfde waar je terechtkomt als je redeneert op basis van de zwetten.

De eerste Perton woonde derhalve in de kerkbuurt van Beerta, rechts naast de school en vlakbij de kerk en de toren. Maar ook de predikant die hem trouwde, die zijn kinderen doopte en ze naderhand allemaal de naam Perton meegaf,  woonde in de directe omgeving. Volgens het kadaster bevond zich aan de andere kant van de weg, op 216, namelijk de pastorie, waar ds. Haenenberger gewoond had. Dat hij in 1811 de naam Perton toevoegde aan de namen in het trouw- en het doopboek, was een gunst voor iemand die hij van nabij goed gekend had.

Tot slot nog even de plek van Haike Aeijkens’ woning nu:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Het betreft de parkeerplaats van woonzorgcentrum De Tjamme, met een bushalte.

Bronnen:

RHC Groninger Archieven (GrA), Toegang 731 (archief gerechten Oldambt) de inv.nrs. 7083, 7084 en 7085: verzegelingen Beerta –

  • Koopcontract 1 mei 1764 (Hindrik Uilders);
  • Schuldbrieven 1 mei 1765 en 4 juni 1766 (idem);
  • Huwelijkscontract 16 oktober 1788 (Haike Aeijkes);
  • Koopcontract 23 maart 1791 (idem);
  • Overgavebrief 8 april 1793 (Reinder Veltman);
  • Twee koopcontracten 23 oktober 1797 (Veltman en Aeijkes);
  • Koopcontract 1 mei 1801 (Haike Aeijkes).

Groninger Courant, advertenties 5, 12 en 16 januari 1838.

GrA, Toegang 113 (Notarissen Winschoten) inv.nr. 72 (akten notaris Vreseman Viëtor) de veilingakte van 19 januari 1838 (nr. 8).

 


Ganzen op paaltjes

Een gans op een paal, dat is opmerkelijk, ook al betreft het dan een Egyptische gans, van een soort die zich natuurlijk weinig gelegen hoeft te laten liggen aan de weinig paalzitterige usances onder ganzensoorten die hier te lande als autochtoon gelden:

DSC06605

Nog opmerkelijker dan één gans op een paal, zijn twee ganzen op twee palen vlak naast elkaar (het lijkt verdomd wel circus):

DSC06607

Het valt vast niet mee om met je zwemvliezen op zo’n paal te staan. Maar voor enig overzicht over je nakomelingen is zo’n wat hogere positie uiteraard verkieslijk.

(Vanochtend gezien in de hoek tussen het Hegepad en de Johan van Zwedenlaan.)


Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 817 andere volgers