Uit het vriendschapsalbum van Octavia Feith

Sjieke lui schreven tussen 1832 en 1836 teksten voor het vriendschapsalbum van Octavia Feith, dat altijd losbladig is gebleven. Bij slechts enkele zitten plaatjes, die ze waarschijnlijk zelf tekende. Daardoor zijn ze, hoewel zéér Biedermeier, wèl oorspronkelijk, anders dan de kant- en klare plaatjes die je in latere poeziealbums aantreft.

– Vogelnest:
007
– Landschapje met huisje en molentje:
014
Bloemen, daar hield Octavia vooral van:
025
Met name viooltjes:
036

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 1501 (Losse stukken GAG) inv.nr. 370.


Appel, bril, citroen – een ABC van voor het leesplankje

Aap, noot, mies mag dan in het collectieve geheugen gegrift zijn als verwijzing naar het vroegere spel- en leesonderwijs, niet altijd was het leesplankje van Hoogeveen dat die trits in ons geheugen grifte, maatgevend. Voor 1897 bestond dat hele aap-noot-mies zelfs nog niet. In die vroegere era bestonden er nog meerdere abc-boekjes, waar de letters naar andere dieren, voorwerpen en mensen verwezen. Een dergelijk boekje was het kaftloze katern uit de eerste helft van de negentiende eeuw, dat zich bevindt in het familiearchief Van Iddekinge. Het bevat 24 ingekleurde plaatjes voor even zoveel letters, alleen de q en de x komen er bekaaid af en moeten het zonder illustratie doen:

1

2

3

4

5

6

7

8


Afgewezen als model voor Minerva

Begin 1908 vroeg de Groninger kunstacademie Minerva via een advertentie om een model. Een opmerkelijke sollicitant was de negentienjarige mejuffrouw Hindrikje Knip. Dit is haar brief:

Groningen 29 Januari 1908

H.

Ik heb u advertentie gelezen en ben zoo vrij mij voor model aan te bieden. Ik ben ruim 19 jaar en heb een goed figuur. Ik ben machinebreister. Ik woon met mijn moeder maar zij mag het niet weten. Donderdagavond ben ik van zeven tot acht alleen thuis en kan u mij dan het best spreken want ik wil niet graag hebben dat u mij een brief thuis stuurd. Dan kan u mij ook zeggen wat U betaalt.

achtend,

juffrou
H. Knip

Kattendiep 40

Helaas voor haar werd mej. Knip afgewezen. Links naast haar ondertekening staat namelijk met grote rode en ook nog onderstreepte potloodletters: “Niet.” Onderstreept is tevens de passage in haar sollicitatiebrief, dat haar moeder het niet mocht weten. Dat zal de reden voor de afwijzing geweest zijn.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 1448 (archief academie Minerva) inv.nr. 65: sollicitiebrieven van mensen die willen poseren als model (1908-1921). De voornaam Hindrikje komt uit haar trouwakte (1914).


Preeg

In de vensterbank van een collega staat een heel dun koperen plaatje. Als je het tegen het licht houdt, zie je de uitsparingen goed:
003
Ooit deed een Plaatselijk Bestuur van Groningen hier dus iets mee. Die aanduiding ‘Plaatselijk Bestuur’ associeer ik met een deel van de Bataafse Tijd (1798-1810), maar het kan best zijn dat het koperen plaatje later gebruikt is.

Naast het plaatje, in dezelfde vensterbank, staat een oude preegtang.  Daarmee werden inktloze reliëfstempels in papier geperst. Het kon dan gaan om notariële akten als koopcontracten of testamenten, verzoekschriften aan de overheid, of zelfs kranten. De aangebrachte reliëfstempels vormden het bewijs dat een pittige belasting, het droit de timbre of zegelrecht, betaald was.

Vermoedelijk legde ‘t Plaatselijk Bestuur van Groningen het plaatje onder de preegtang, om  zijn reliëfstempel of preeg in officiële stukken te drukken ten bewijze dat het zegelrecht voldaan was..

Als je de kleuren van de foto omkeert, krijg je een beter idee van de Grunniger preeg, al is het zwart op reëel papier hooguit schaduwgrijs (vaak vallen die pregen helemaal niet zo op):
003 v
Inderdaad ontbreekt er een stukje: tussen de twee linker adelaars.


De beginjaren van de fotografie in Groningen

4 R

“Het zal omstreeks 1858 à ’60 geweest zijn, dat mijne ouders van een bezoek aan mijne grootouders te Scheveningen een groote nieuwigheid meebrachten: een daguerrotype van hen beiden, in Den Haag vervaardigd. In Groningen is nooit gelegenheid geweest voor het maken van dergelijke afdrukken, en proeven ervan waren zéér zeldzaam, zoodat het schilderijtje heel wat bekijks had.  Naar den tegenwoordigen maatstaf was het maar weinig zaaks: een verzilverde plaat waarop men niet zonder moeite, door het licht erop te laten spelen, eenige vlekken en strepen bespeuren kon, die inderdaad deden denken aan den persoon wiens beeltenis was  opgenomen. Meer dan een succès de curiosité hadden die afbeeldingen niet, en ze werden al heel spoedig verdrongen door de photografie die weldra haar intocht deed, doch dit op schroomvallige wijze.

Wie nu juist de eerste beroepsphotograaf in Groningen geweest is, durf ik niet te zeggen. Wèl weet ik dat een der eersten een gewezen onderofficier was, die Jansen heette, en een zeer bescheiden atelier had in een tuinhuis aan de toenmalige Kruitgracht, nu Kruitlaan.

Ter wille van de grootouders te Scheveningen, die natuurlijk prijs zouden stellen op de beeltenissen van hunne kleinkinderen, werden – ongeveer in 1860 – mijn drie zusjes en ik naar Jansen geleid om daar gefotografeerd te worden.  “Geleid om te lijden.” Want fotografeeren was in de eerste jaren geen kleinigheid: het poseeren duurde enkele minuten (men kon dan leeren hoe lang éém minuut duurde) en zoo was het, vooral voor kinderen, een beproeving om zóó lang rustig te blijven; het hoofd werd gesteund door een ijzeren beugel, die wel eens kneep. Er werden dan ook gewoonlijk een paar opnamen achter elkaar getrokken, om daaruit dan de minst slechte te kiezen.  Als een bizonderheid herinner ik me nog, dat die eerste photo’s van Jansen op linnen genomen waren.

Intusschen maakte de fotografie reusachtige vorderingen. Zoo heb ik nog een portret van mij uit 1862, in Den Haag genomen, dat nu nog een zeer goed figuur maakt.

Nog ééne opmerking. In plaats van de natuur zoo veel mogelijk te benaderen, werd in die eerste dagen vooral veel waarde gehecht aan de “pose”. De ateliers der eerste fotografen waren gevuld met allerlei attributiën, die bij de opstelling konden gebruikt worden. Balkonhekken, kolommen met bloemvazen en dergelijke malle dingen waarmee een gewoon mensch nooit in aanraking komt; geschilderde achtergronden die zalen of parken moesten voorstellen waren er te vinden, en het kostte dikwijls moeite om onder die ongewone dingen een keus te doen. Voeg dan daar nog bij de ijzeren beugel die het achterhoofd omkneld hield, en men kan zich voorstellen wat er vaak van zoo’n opneming terecht kwam. De uit dien tijd nog bewaard gebleven foto’s zijn in onze oogen vaak belachelijk.

Al spoedig bracht de fotografie in haar gevolg de stereoscoop mee: het houten kastje, waarin men door twee openingen twee beelden ziet, die samensmelten. Deze plaatjes, vaak vreemde landen voorstellende, werden spoedig zeer populair, en terecht, want ze vermeerderden de kennis van vreemde landen, gelijk die tot hier toe langs geen andere wijze bereikt kon worden.  De stereoscoop heeft haar recht van bestaan behouden.

De fotografie ging intusschen met groote schreden voorwaarts. De opneming werd steeds korter van duur, wat vooral aan de natuurlijkheid van het beeld ten goede kwam. De hooge prijs bleef aanvankelijk wel een beletsel: tien gulden voor twaalf kleine portretten was niets ongewoons. Op de kermis kon men wel goedkooper terecht, maar het werk was er dan ook naar.

Na Jansen, hiervoren genoemd, kwamen spoedig anderen, die een kostwinning zochten in de nieuwe kunst, maar het waren er slechts enkele. Van deze herinner ik mij nog Hühnerjäger, wonende in de O. Boteringestraat, een paar huizen ten noorden van de Butjesstraat, die goed werk maakte. Hij was een slimme mof, niet beschaafd maar goed gebekt. Op zekeren dag ontving hij het bezoek van de controleur der belastingen, een pompeus man die bij binnentreden zei: “Ik ben Crayvanger”. “Dann sind wir ja Verwandten”, kreeg hij ten antwoord: “Mein Name ist Hühnerjäger.”

Egenberger, kunstschilder en directeur van de academie Minerva, werd ook fotograaf. Het schilderen gaf hem in Groningen geen droog brood, en Minerva weinig meer. Hij had zijn atelier aan de Stationsweg, nabij de viaduct. Daar het nieuwe vak hem vreemd was,  had hij een Duitscher in dienst genomen: een heel bekwaam vakman, die zich weldra van hem losmaakte en voor eigen rekening begon. Von Kolkow, zoo was zijn naam, kreeg het weldra heel druk, en is gedurende jaren wel de beste vakman ter plaatse geweest. Hij kwam uit Oost-Pruissen, noemde zich Freiherr Julius von Kolkow en gevoelde zich zéér, wat men ter wille van het uitstekende werk dat hij leverde, verdroeg. Vooral was hij actief in het opsporen van oude zaken die opgeruimd zouden worden, en menig vergeten brok kunst en natuur werd door hem voor het nageslacht vastgelegd.

Dan had men Kramer aan het Aa-Kerkhof, die eveneens mooie foto’s buiten de hem bestelde genomen heeft.  Godfried de Jong en zijn opvolger Bekkering telden ook mee. Als laatste – en wellicht beste –  noem ik Wijnberg in de Poelestraat, die vele jaren lang in zijn ruim atelier heel wat opnamen gedaan heeft en vooral gevraagd werd voor het maken van groepen, die hij bizonder goed wist weer te geven.  Dat het poseeren hoe langer zoo korter duurde, en de fotografie bijna instantanée geworden was, is natuurlijk aan het welslagen in hooge mate ten goede gekomen.

De fotografie bracht weldra een andere liefhebberij mee: het verzamelen van de prentjes. Daarvoor kwamen al spoedig albums in den handel: groote boeken die vier gewone plaatjes op één bladzijde konden bergen, met mooie banden van leer en fluweel. Iedere familie die zich respecteerde, had zoo’n boek, dat te pronk lag op een tafeltje in de visitekamer. En als dan het gesprek kwijnen mocht, gaf het bekijken van die plaatjes weer stof tot discours. Ook de jonge dames waren niet tevree, alvorens ze in het bezit van zoo’n album waren.

Van zulke albums met foto’s uit vervlogen tijd, zullen er in oude families nog genoeg bewaard gebleven zijn. Het is te hopen, dat men die zaken niet beschouwt als oude prullen, maar ze zorgvuldig bewaart als trouwe getuigen van den tijd waarin ze ontstaan zijn, niet het minst ter wille van kleeding en uiterlijk voorkomen. Ik denk hier vooral aan de coiffure en het schoeisel van de vrouwen en meisjes, dat thans zulk een opvallend verschil toont met de drachten van eene halve eeuw geleden.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 1501 (Verzameling losse stukken Gemeentearchief Groningen) inv.nr. 369.6 (aantekeningen door W.J. Roelfsema Hzn. over het dagelijks leven in Groningen etc., eind 19e – begin 20e eeuw) katern VI, pag. 74-79 (notitie gedateerd augustus 1932).


Rondje Eiteweert, Nieuwklap en Leegkerk

Eend in de Avondsloot:
2015-03-22 003
Hangplek, viaduct Roderwolderdijk over de A7 (ook in de berm ligt het een en ander):
2015-03-22 020
Flikflooiende futen op het Aduarderdiep:
2015-03-22 030
Wilgenkatjes:
2015-03-22 039
Stapel autobanden bij Nieuwbrug:
2015-03-22 042
Boerderij Leegkerk:
2015-03-22 048
Hoekje Aduarderdiep-Zuidwending:
2015-03-22 050
Bergeend, Aduarderdiep bij de Washuisplaats:
2015-03-22 056
Stal in aanbouw bij Nieuwklap:
2015-03-22 059
Elisadahoeve met op de achtergrond watermolen De Jonge Held:
2015-03-22 064
Een verbouwinkje bij Slaperstil:
2015-03-22 066
Leegkerk, pastorie en kerk:
2015-03-22 079


De eerste sociale woningbouw van Finsterwolde

2015-03-13 012

Op 9 februari waren drie timmerlui al bezig met het voorwerk, waarschijnlijk het maken van kozijnen voor ramen en deuren. Op 23 februari kwamen er twee timmerlui bij, Aike en Elzo Perton, twee neven van mijn grootvader. Ook begonnen die dag vier grondwerkers aan het karwei, waaronder Harm Tuin (eveneens familie) en Jan Broesder, beide anarchisten. Dat gold ook voor Harm Broesder, de opperman. Op 2 maart werden er nog twee extra timmerlui ingeschakeld, terwijl op 6 april voeger L. Reininga, aan het werk kon en op 20 april stucadoor S. Havinga. Op 3 mei werden de eerste metselaars alweer afgedankt en op 17 mei de eerste timmerlui (de beide Pertons). Volgens het loonstaatje kwam eind juni het hele werk gereed, niet lang daarna zullen de eerste bewoners erin zijn getrokken.

In de twaalf zesdaagse werkweken zullen de neven van mijn grootvader elk  ƒ 3,.- per dag hebben verdiend. Het totaal aan loonkosten bij het project bedroeg ƒ 5171,32. Daar kwam nog ruim 1500 gulden aan materialen overheen, o.a. 18 gewone tramwagons met scherp zand à ƒ 23,- en voor een kleine duizend gulden aan dakpannen. Merkwaardigerwijs ontbreekt de verwerkte baksteen in het kostenstaatje. In elk geval bedroeg de totale rekening, voor zover bekend ƒ 6711,78.

Daarmee kwamen de kosten van het blokje van zes woningen (of drie twee onder éénkappers), welke de stichting Finsterwolder Woningbouw in het voorjaar van 1919 neerzette, neer op ruim 1000 gulden per woning. Omdat de gemeente Finsterwolde de kosten voorschoot en de stichting Finsterwolder Woningbouw drie jaar later nog steeds bijna 2800 gulden niet terugbetaald had, kwam er een proces van. Merkwaardigerwijs liet de gemeente dit proces namens haar voeren door haar opzichter Hendrik Boetz, met een bewijs van onvermogen. Waarom ze het zo deed, is onbekend, maar aan het verzoekschrift voor het verkrijgen van dit bewijs danken we het kostenstaatje, waaraan ik hierboven het een en ander heb ontleend.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 882 (archief Arrondissementsrechtbank Winschoten), inv.nr. 1382 (verzoekschriften) volgnummer 205 (30 juni 1922). Met dank aan Jan-Paul Wortelboer.


Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 644 andere volgers