Ongehoord geval van twee zwaluwen en een mus

“Nog ter school gaande, hadden wij onzen weg doorgaans over het Martini-Kerkhof alhier. Als wij nu eens op zekeren dag hierlangs passeerden, trok het getjilp van een mannetjes muschje mijne aandagt tot zich. Aanstonds zag ik nieuwsgierig naar de plaats, vanwaar ik dagt dit geluid te horen en zag het diertje in de grootste vreugde zitten in een nest, ‘t welk door zwaluwen aan de vensters der kerk gebouwd was, en ‘t welk het scheen ingenomen te hebben, om het voor zich te behouden.

Dan deze vreugde duurde niet lang, maar had weldra voor het arme diertje de treurigste gevolgen. De zwaluwen, aan wien het nestje toebehoorde, en die waarschijnlijk uitgevlogen waren om eenig voedzel of iets anders op te sporen, keerden weder en vonden dezen vreemden gast in hunne wooning. Aanstonds ontstond er een hevige twist in het nest, en het muschje moest de vlugt nemen, doch wierd terstond door een der zwaluwen vervolgd, terwijl intusschen de andere zwaluw naar den grond vloog en iets, hetgeen mij een draad garen geleek, opraapte, en daarmede naar het nest terug keerde: het duurde niet lang, of ik zag de vervolgde musch, nog steeds door de zwaluw agtervolgd, over een daar tegenover staand huis ook terug keren, en, tot zijn ongeluk, in het reeds gemeld nestje vliegen. Hierop hoorde ik weder een hevigen twist in het nestje, welke egter eensklaps door eene diepe stilte wierd afgebroken.

Dan hoe verbaasd stond ik te kijken, toen ik de musch, die uit het nest wilde vliegen, terstond met gemelden draad garen om den hals zag hangen, even als iemand, die geëxecuteerd wierd; in welke houding hij, na eenige beweging gemaakt te hebben, stierf, en er een langen tijd daarna heeft gehangen.”

Bron: Vaderlandsche Letteroefeningen 1805, pag. 701 (correspondentie via apotheker Tieboel uit Groningen).


Dag bloemen. Dag vlinders. Dag vogels.

2015-05-26 001

Zo werd vanmiddag vanaf het fietspad korte metten gemaakt met de prachtige, kruidenrijke begroeiing op onze slootwallekanten. Alleen bij wat paaltjes staan nog wat polletjes, die men zeer binnenkort vast met de zeis gaat verwijderen.


Delfzijl afgewezen als marinehaven

“Onze marine heeft wel wat met Delfzijl”, zo heet het in een reportage over het Pinksterfeest in die plaats. Marinemensen zouden graag in de Groningse havenstad komen.

Indien waar, is dat wel eens anders geweest. Toen er in 1796 een tweede nationale marinehaven moest komen, deed Bacot, een afgevaardigde van Groningerland, in de Nationale Vergadering (het Bataafse parlement)  een goed woordje voor Delfzijl. De commissie die over de opties moest rapporteren, liet echter na Delfzijl te bezoeken. Vervolgens wees de municipaliteit, het patriotse gemeentebestuur van Delfzijl, de nationale afgevaardigden tot twee maal toe op een “zoo dikwerf vergeeten plekjen aan de boorden der Eems”. “Dit plekjen”, zo schreef het,

“is Delfzyl, ‘t welk by verbeterde omstandigheden een onberekenbaar gemak, voordeel en aanzien aan Neerland zou kunnen verschaffen. De revier de Eems, welke aan den voet van onze fortresse langs stroomd, is een der geschiksten rivieren van dit waerelddeel voor de zeevaart: men vind er overal den besten ankergrond, de veiligste schuil- en legplaatsen, en tevens word men beveiligd door de batteryen langs den dyk. Slechts eene kleine droogte is er, de Westerbalge genaamd , waar echter by peil laag water 3,5 vadem water is; maar by hoog water met gewoonlyke ty 31 voet (= 9 meter). Voor het overige is de rivier zeer diep, cn dc zwaarste oorlogscheepen kunnen tot aan Delfzyl naderen. Ja zelfs de grootste schepen op onze ree voor hun anker zwaaijen en draaijen. En waar is er veiliger zeegat in de Republiek, om binnen te zeilen, dan dat van de Eems? De haven van onze plaats, zoo verzuimd en verslykt als dezelve thans ligt, laat by hoog water schepen binnen van 15 voet (= 4,5 meter diepgang); doch dewyl dezelve slechts met slyk en geenzins met zand bezet is, zoo kan ze met weinige kosten zodanig opgeruimd cn gemaakt worden, dat er de oorlogschepen gcrustelyk. in deszelfs boezem kunnen schuilen.”

Het welsprekende pleidooi van de Delfzijlsters mocht niet baten en net zomin deed dat een tweede brief. Delfzijl lag te dicht bij Pruisen, en het belang van het economische zwaartepunt Holland sprak natuurlijk ook een woordje mee. De keus viel op Medemblik.


Havelte rond

Op het fietspad erheen treft een sterke meidoorngeur:
2015-05-24 008
Vanaf een zandweg bij de Boskampbrugweg:
2015-05-24 036
De Oude Vaart of Beilerstroom bij Ettelte.  Hier ongeveer leerde de generatie van mijn vader zwemmen:
2015-05-24 054
Dat was naar het noorden gezien, dit is de blik naar het zuiden, waar het riviertje nogal dichtgroeit:
2015-05-24 056
Brugwachtershuis bij de Havelterbrug:
2015-05-24 063
Oostkant van het oude streekdorp:
2015-05-24 067
Kerktoren:
2015-05-24 080
Het Eupen Bargien. Vroeger dachten de ouwe Havelters dat het hier spookte. Het is een grafheuvel uit de Bronstijd, ongeveer 3400 jaar oud. Vlakbij had mijn grootvader zijn bijen staan op grond van de familie Kroonenburg:
2015-05-24 090
Stukje opgegraven smalspoor van het ‘Tom Poeslijntje’ uit de oorlog, toen de Duitsers hier in de buurt een vliegveld hadden. Rondom liggen nog de bomkraters van het tapijtbombardement van 24 maart 1945 (mijn opa was op die dag jarig):
2015-05-24 093
Paadje:
2015-05-24 105
Hier en daar bloeit de brem bij bosjes:
2015-05-24 110
Verse kegels:
2015-05-24 111
Het Gat van Berend Boer, zoals wij het als jongens noemden, alias ‘Het Finse Meertje’ zoals het abusievelijk op ansichtkaarten staat. Zandafgraving waar de Duitsers met dat smalspoor zand voor de aanleg van hun vliegveld lieten weghalen:
2015-05-24 114

We gingen met een stel jongens hier een keer op een zandkop zitten. Bleek er vlak achter ons een nest met adders te zijn. We maakten dat we wegkwamen. Bij terugkeer bleek er niets meer te zien.

Jong eikenloof:
2015-05-24 123
Holtinge:
2015-05-24 124
De Meeuwenkolonie, waar geen meeuw meer vliegt.  Plas ontstaan door lage veenderij. Was  als jongen een keer om dit meertje heen aan het struinen, springt er anderhalve meter van me af een reebok uit de dekking, vlak langs me heen. De schrik van mijn leven – zoiets vergeet je nooit weer!:
2015-05-24 134
Cirkel van dennenappels rondom de boom, ik zou haast denken: door mensenhand gewrocht:
2015-05-24 137
Hier keek ik vreemd tegenaan: naaldbomen met een natuurlijk gazonnetje eronder:
2015-05-24 141
Schaapskudde:
2015-05-24 163
Veel vertier bij de hunebedden:
2015-05-24 208
Bij het Schier achter Darp:
2015-05-24 223
Aan de Oosterbrink, de kern van het oude Darp of Westerhesselen, deze tweelingschuur:
2015-05-24 241
Monument voor een neergeschoten Franse spitfire-piloot:
2015-05-24 255
Oorspronkelijk stond dit nagenoeg onbereikbaar midden in het land, maar de plaatselijke historische vereniging verwierf een stukje grond dichterbij de Van Helmomaweg, waar het monument toen naar toe verplaatst is. Er staan rododendrons omheen, terwijl een dubbele boomcingel naar de oorspronkelijke plek leidt. Ik vind het echt heel mooi gedaan.
2015-05-24 261
Doorkijkje naar de Havelter molen:
2015-05-24 271
Boerderijen bij Busselte:
2015-05-24 278
Vanaf de Bisschopsberg gezien:
2015-05-24 298
Ooievaar met jongen aan de Veendijk:
2015-05-24 305


Middagster rondje

Ook afgezien van de kiekendief was het gister een mooi rondje fietsen. Soms denk ik dat ik uitgekeken ben op de Middag, dat het gedeelte van het Westerkwartier tegen het Reitdiep aan. Maar dan doen zich toch nog dingen voor, die eerder onopgemerkt zijn gebleven.

Bij de driesprong Noodweg-Zijlvesterweg, ten noorden van Hoogkerk, ligt een onbehuisde wierde. Normaliter is die vrij moeilijk in beeld te brengen, maar nu werd er gehooid, waardoor het reliëf extra goed zichtbaar is:
2015-05-22 006
Bij de Zijlvesterweg voorbij Slaperstil – meerkoet met pullen:
2015-05-22 012
Een hekje aldaar:
2015-05-22 018
Scholekster met afgesleten snavel:
2015-05-22 019
In Oostum was rietdekker Kiers uit Oudeschip aan het werk:
2015-05-22 025
Elzenhaantje bij Aduarderzijl:
2015-05-22 051
Bloesem, Aduarderzijl:
2015-05-22 085
Dorpsgezicht Feerwerd:
2015-05-22 096
Wapenschild met adelaar op grafsteen, Feerwerd:
2015-05-22 103
Dorpsgezicht Garnwerd:
2015-05-22 122
Een wisselend bewolkt arcadia bij Hekkum:
2015-05-22 130
Siësta:
2015-05-22 132
Koeien aan de dijk:
2015-05-22 167
Op de Hoge Paddepoel zo’n dertig, veertig zwanen op een kluitje (ik dacht dat ze dit alleen bij vorst en winterdag deden):
2015-05-22 187
Beetje dichterbij:
2015-05-22 192
Even op bezoek in de Grouwelderij:
2015-05-22 205


Kluftenstrijd rond de Witlattensteeg

Bij welke nabuurschap hoorden de kamers van Braden Appeltien eigenlijk? Een verhaal dat het historische belang van burenhulp demonstreert èn relativeert.

Ca. 1765-1770 worden er opmerkelijk veel nieuwe ‘kamers’ (dwz eenkamerwoninkjes) in en om de stad Groningen gebouwd. Buiten de Oosterpoort geschiedde dit bijna uitsluitend in het hovengebied, en wel primair aan de Houtzagersteeg en langs de Griffe. Bij elkaar genomen vormden deze eenvoudige woninkjes de kiem van een sloppenwijkje, dat nog een lang leven beschoren zou zijn.

De redenen dat deze schamele stulpjes hier toendertijd neergezet werden, liggen voor de hand. Enerzijds was er nog volop ruimte in het hovengebied, waar de bouwregelgeving soms ook wat minder strikt gehandhaafd werd. Anderzijds sloegen hof-eigenaars door het bouwen van kamers twee vliegen in één klap:  ze beurden voortaan huurpenningen èn ze verkregen toezicht op hun siertuinen, die bij nacht en ontij nogal eens door onverlaten werden bezocht, al kon dit positieve effect bij het huisvesten van de verkeerde persoon wel eens omslaan in een jammerlijk tegendeel.

Een steeg die hierboven ongenoemd is gebleven was de Witlattensteeg, die met een bajonet-achtige verspringing ingeklemd lag tussen de Oosterweg en de Merwe, de sloot op de plek waar we nu de Meeuwerderweg aantreffen. De noordoostelijke helft van die steeg nam nog de plaats in van het oostelijke gedeelte van de Polderstraat – aan het uiteind van dit steeggedeelte, waar zich nu wat winkels bevinden, werd omstreeks 1767 een rijtje van drie kamers onder één dak gebouwd, die uitzagen op de Merwe met een dam erin, een wal aan de overkant, het groenland van de Meeuwerd en in de verte de molenrij langs het Winschoterdiep.

De bouwer en eigenaar van deze kamers, Stoffer Jans Pieman, in de wandeling ook wel ‘Braaden Appeltien’ geheten, was herbergier, aanvankelijk in de Koning van Denemarken aan de Rademarkt – waarvan hij de stichter was – en ten tijde van de bouw van genoemde kamers in het veel oudere logement de Karper, dat zich even binnen Klein Poortje bevond, vlakbij het provinciale klokhuis waarvan het belletje op regelmatige tijden de afvaart van trekschuiten in de richtingen Delfzijl en Winschoten aankondigde. Dankzij de wachtkamerfunctie van de Karper voor het reizende volk en zijn pacht van het ‘verlaat (de sluis) tussen het Damsterdiep en het Schuiten- of Winschoterdiep moet Pieman goed hebben geboerd. Hij kocht en bouwde wel meer ontroerend goed in de stad en bovendien werd hij meermalen door collega’s in het herbergiersgilde tot ‘olderman gekozen, dit ondanks het feit dat hij de schrijfkunst niet machtig was.

Vlak na de bouw en de verhuur van zijn kamers aan de Witlattensteeg, om precies te zijn op 7 maart 1768, vervoegde Pieman zich ten stadhuize met een verzoekschrift, dat voor hem was opgemaakt door een schrijver van professie en dat hij getekend had met een kruisje. Uit dit stuk blijkt dat die kamers nog niet ingedeeld waren bij een van de naberschappen buiten de Oosterpoort – door de bewoners daar ook wel ‘kluften genoemd – en dat het uiteind van de Witlattensteeg als het ware nog een soort niemandsland, een witte vlek vormde op de kaart van de naberhulp aldaar.

Voor Piemans huurders had dit nare consequenties. Toen één van zijn kamerbewoners stierf en de twee eerste kluften aan de Oosterweg het niet eens konden worden tot welke kluft die kamers behoorden, moest de president-Burgemeester eraan te pas komen om het Salomons-oordeel te vellen, dat de bewoners van beide naberschappen dan maar gezamenlijk het stoffelijk ovrschot moesten afleggen, kisten, naar het kerkhof dragen, verluiden en ter aarde bestellen.

In het verzoekschrift meldt Pieman dat beide naberschappen inderdaad aan het bevel van de president-Burgemeester hadden voldaan. Alleen zat het hem dwars dat ze de kist niet langs ‘de gewone en gemene passage – d.w.z. de gebruikelijke weg over de dam die vlakbij de kamers in de Merwe lag, door de ‘wringe (het damhek), over het lage dijkje langs de Merwe, langs het ‘Slijkdiep (de Griffe) en de Drekstoep naar het begin van de Oosterweg – hadden gebracht, maar via de Witlattensteeg, naar het zeggen van beide kluften omdat ze geen vergunning hadden om eerstgenoemde route te gebruiken. Daarbij hadden ze vooraf de ‘doodbarve (de uit de kerk gehaalde draagbaar) niet zoals te doen gebruikelijk naar de kamer van de overledene gebracht, maar aan het begin van de Oosterweg neergezet.

Het gebruik van de volgens Pieman normale weg zou betekenen dat de eerste naberschap langs de Oosterweg verantwoordelijk zou zijn voor naberhulp in Pieman’s nieuwe kamers aan de Witlattensteeg. Indeling van zijn kamers bij die kluft had ook Pieman’s uitgesproken voorkeur. Vooraan de Oosterweg, zoals gezegd langs de Houtzagersteeg en de Griffe, stonden immers nog meer nieuw gebouwde woningen en die bevonden zich in noodgevallen zoals geboorte, ziekte en overlijden het dichtste bij. Pieman verzocht de heren daarom of ze zijn kamers bij de eerste naberschap wilden indelen en of ze het gebruik van de door hem geprefereerde route voor het vervoer van gestorvenen, ‘als zijnde het naaste kerkpad, wilden bekrachtigen.

Piemans verzoekschrift werd meteen na de indiening in handen gesteld van een raadscommissie onder leiding van Burgemeester van Iddekinge, de luitenant-stadhouder en veruit de machtigste Groninger regent. Vlak voor de ‘bonenkeur’ of regeringswisseling van februari 1769, ruim tien maanden later, was deze commissie klaar met haar werkzaamheden en bracht ze rapport uit aan het volledige stadsbestuur. Dit nam het besluit dat Pieman’s kamers voortaan – anders dan Pieman wilde – onder de middelste naberschap aan de Oosterweg zouden horen en dat de overledenen uit die kamers via de Witlattensteeg ter begrafenis zouden worden gedragen, welke steeg dus als kerkepad dienst zou doen. Jammer genoeg gaven de heren geen motivatie voor deze keuze, daar blonken ze wel vaker niet in uit, maar wellicht heeft het feit dat de eerste naberschap al wat groter was dan de tweede en wat meer dragende mannen omvatte, er een rol in gespeeld.

Een raadsdienaar werd naar de Oosterweg gestuurd om het besluit van het stadsbestuur officieel mede te delen aan de oudste naburen van de middelste naberschap, d.w.z. de mannen van wie het in dit soort gevallen afhing of er een buurtvergadering werd belegd. Deze oudste naburen waren Jan Willems Cramer (vermoedelijk een kleine handelsman), Willem Keizer (de derde moesker van de oostzijde van de Oosterweg) en Tonnis Willems (de tweede moesker aan de westkant), al met al lieden die letterlijk (vanaf hun hogergelegen geografische positie, tegenwoordig tussen de Kroeg van Klaas en Wah Hing) en figuurlijk (qua stand) neer moeten hebben gekeken op de armoedzaaiers die de lager gelegen hoven langzamerhand gingen bevolken, waarmee ik maar wil aangeven dat er ook wel eens een sociaal aspect aan hun onwil kan hebben gezeten. Want men legde zich niet neer bij de beslissing van de heren. Het duurde niet lang of de ‘volmachten (woordvoerders) van de tweede kluft kwamen onder aanvoering van Cramer op hun beurt met een verzoekschrift ten stadhuize, waarin ze het stadsbestuur vroegen om de benoeming van een nieuwe commissie ter heroverweging van het besluit. Zo’n commissie kwam er niet. De heren hadden blijkbaar weinig zin om op het besluit terug te komen lieten dit rekest rustig aan de spijker hangen.

Dat betekende niet dat de middelste naberschap het hoofd in de schoot legde, zo bleek ruim een jaar later (voorjaar 1770), toen zich daar tot twee maal toe een sterfgeval voordeed – o.a. van een kind dat in de Oliemolensteeg in de kost was en daar aan de pokken bezweek – en de kamerbewoners van de Witlattensteeg niet uitgenodigd werden voor het verrichten van de naberplichten en het bijgevolg ook niet voor de drinkgelagen achteraf waarop traditioneel halve en kwart tonnen kluin werden geconsumeerd. Pieman kwam toen andermaal op voor zijn huurders en vervoegde zich opnieuw met een klacht bij de heren, die wederom een raadsdienaar op de tweede kluft afstuurden met de boodschap dat men andere maatregelen zou nemen als het niet afgelopen was met die halsstarrigheid.

Deze raadsdienaar stapte naar Pieter Takens, de eerste moesker aan de westzijde van de Oosterweg, die fungeerde als ‘breukmeester´ (inner van entreegelden plus boetes, kasbeheerder) van de tweede naberschap. De raadsdienaar kreeg van Takens te horen dat diens kluft ‘finaal’ weigerde om aan het door de heren genomen besluit te voldoen.

En dat betekende hommeles. De heren vonden het nu welletjes met dat eigenwijze volkje buiten de Oosterpoort en vroegen hun ‘fiscaal (officier van justitie) een gerechtelijk onderzoek in te stellen naar deze ‘disobediëntie (ongehoorzaamheid).

De fiscaal ontbood Takens voor een verhoor. De breukmeester ontkende zich in gemelde termen tegen de raadsdienaar uitgelaten te hebben. Persoonlijk kon het hem weinig schelen bij welke naberschap Piemans kamers aan de Witlattensteeg nou eigenlijk hoorden, maar zijn eigen naberschap was in elk geval de mening toegedaan dat ze die kamers er niet bij konden hebben, omdat ze de doden uit die kamers dan over een ‘pendam (schutdam in een sloot) en een plank moesten dragen, inderdaad nogal een hachelijk karwei met die combinatie van draagbaar en doodskist. Dat Piemans kamers tot de eerste kluft behoorden stond voor de buren van de tweede kluft buiten kijf, want de buren van de eerste hadden ‘het geld van intrede van de kamerbewoners gevraagd en bovendien waren de nabervrouwen uit die kluft ook bij een kraamvrouw in een van Pieman’s kamers geroepen.

Het relaas van de raadsdienaar en het verhoor van Takens door hun fiscaal gaf de heren van het stadsbestuur aanleiding om te laten merken dat het hun menens was. Ze bevestigden hun eenmaal genomen besluit nog eens definitief, waarbij ze ‘een ieder die sulks mag aangaan gelastten ‘aan het selve te obediëren en sig stiptelijk daar na te reguleren’.

Breukmeester Pieter Takens werd wegens ongehoorzaamheid veroordeeld tot een daalder boete, die hij binnen acht dagen aan ‘de gemene armen’ diende te voldoen. Getuige een kwitantie en een post in de diaconierekening betaalde Takens juist op tijd. Van enigerlei problemen bij de buiten-Oosterpoorter naberschappen is nadien geen sprake meer.

Harry Perton

Eerder in iets andere vorm verschenen in De Oosterpoorter van ? 1994. Met dank aan mijn ‘oomzegger’ E. voor het uittypen van de digitaal zoekgeraakte tekst.


Bruine kiekendief op jacht bij Hekkum

Vlakbij Hekkum, in gebied van het Groninger Landschap, zag ik een bruine kiekendief ‘hoveren’ boven lang gras. Op de voorgrond keken twee volwassen hazen toe:
2015-05-22 142
Maar zij waren duidelijk niet de beoogde prooi, want de kiekendief maakte geen aanstalten in hun richting. Hij hing een eindje verder in de lucht:
2015-05-22 143
En steeds boven dezelfde plek, die buitengewoon interessant moest zijn:
2015-05-22 144
Misschien dat de jongen van de hazen daar zaten. Of anders jonge vogels. Maar die hielden zich dan bijzonder gedeisd. Af en toe vloog de kiekendief hoger op:
2015-05-22 145
Om dan weer naar dezelfde plek terug te keren:
2015-05-22 148
Crop van de vorige, waaruit blijkt dat een van de volwassen hazen meer op de fotograaf zat te letten:
2015-05-22 148b
Shotje kiekendief tegen de vrije lucht:
2015-05-22 149
Na deze vloog hij – het betreft een volwassen mannetje –  onverrichterzake weg om niet terug te keren.
2015-05-22 155

Met dank aan Afanja voor de gezaaide twijfel en Wim van Boekel voor het definitieve uitsluitsel dat het een bruine kiekendief en geen buizerd betrof (zoals ik eerst meende).


Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 676 andere volgers