Het raadsel van Randa – een Tolstojaan die alles weggaf?

Vanwege Nieuwjaar bekeek ik nog eens het kaartje dat mijn overgrootvader Geert Perton aan zijn vroegere patroon en leermeester Fokke Randa stuurde en waarbij hij deze een “kolossale zak met duiten” toewenste. Daarbij kwam ook weer het verhaal  van mijn oud-tante Jurriena tevoorschijn, dat haar ouders (mijn overgrootouders) geld van Randa hadden geërfd, waarmee ze hun huis aan de Klinkerweg in Finsterwolde zouden hebben betaald. Nog steeds was me niet duidelijk hoe die mythe in de wereld kwam.

In de hoop daarover wat meer aan de weet te komen, besloot ik eens te kijken naar de overlijdensakte uit 1920 van Randa. Tot mijn verbazing bleek die getekend door mijn overgrootvader Geert Perton en diens zoon, mijn grootvader Harm Perton. De laatste was blijkbaar met de Pinksterdagen even over uit Sas van Gent in Zeeuws-Vlaanderen, waar hij destijds als kommies gestationeerd was. De derde ondertekenaar van de akte bleek Harm Tuin junior, de zoon van mijn overgrootvaders zwager en buurman, de anarchist Harm Boukje. Tuin junior tekende als ambtenaar op het gemeentehuis van Finsterwolde, waar hij in 1924 gemeentesecretaris en na de oorlog burgemeester en regeringscommissaris werd. Als hoofd van het burgerlijk armbestuur  was hij in de crisisjaren al niet bepaald geliefd bij de comnunisten, en als regeringscommissaris werd dat er natuurlijk niet beter op; toch keek hij er later in Slochteren, waar zijn loopbaan als burgemeester  afsloot, met een forse dosis mildheid op terug.

Meestal werden overlijdens bij de gemeentesecretarie aangegeven door buren (als er nog geen leedaanzeggers of uitvaartondernemers waren). Maar mijn overgrootvader woonde aan de Klinkerweg en wijlen Fokko Randa enkele honderden meters verderop aan de Hoofdweg nz. in Finsterwolde, zodat er in dit geval geen sprake van een naberschapsrelatie of -plicht kon zijn. Leedaanzeggers waren Geert en Harm Perton evenmin. Maar waarom deden zij dan die aangifte? Had Randa zijn vroegere schoenmakersgezel Geert Perton misschien benoemd tot executeur-testamentair, was de vraag die bij me bovenkwam.

Sowieso was er geen testament van Randa, zo leerde een snelle blik in het Centraal Testamentenregister (CTR).  Maar destijds kon je ook zonder notariële tussenkomst nog een executeur of uitvoerder van je informele laatste wil aanstellen. Echter, verder vond ik in het archief van notaris Koning ook geen bewijs voor de bemoeienis van zo iemand met Randa’s nalatenschap, bijvoorbeeld in de vorm van een proces verbaal van een boeldag. Bovendien ontbrak in het archief van de Arrondissementsrechtbank Winschoten een verzoekschrift, waarmee zoiets ordentelijk geregeld kon zijn.

Over dit geval pratend met oud-notaris Wortelboer, een ‘stamgast’ in de studiezaal van de Groninger Archieven, ried die me aan om te kijken of er een successiememorie was, een stuk waarmee de fiscus kon vaststellen of en hoeveel de erfgenamen van Randa aan successiebelasting verschuldigd waren over diens nalatenschap. Er bleek inderdaad zo’n memorie te zijn. In ’t stuk, gedateerd 23 september 1920, dus vier maanden na het overlijden van Randa opgesteld door notaris Koning, staat dat Randa inderdaad ab intestato (zonder formeel testament) overleden was, zodat Randa’s broer Jan Derks Randa, oud-schoenmaker te Nieuweschans, en Randa’s oomzegger Lubbert Marten Schmidt, schilder in hetzelfde dorp, als naaste familieleden diens wettige erfgenamen waren.  Veel had Randa ze niet nagelaten, namelijk alleen zijn kleren en andere “lijfstoebehoren”, geschat op een verkoopwaarde van 50 gulden.  En omdat de begrafeniskosten  ook 50 gulden bedroegen, en er verder geen baten bekend waren, bleef er helemaal niets, noppes, nada voor de familie over.

Omdat dit de ontvanger van de successiebelasting bevreemdde en hij enig wantrouwen opvatte,  moest de klerk van notaris Koning zich een week later andermaal aan een brief zetten. Nu kreeg de heer ontvanger bericht dat Fokko Randa in het verleden wel degelijk onroerend goed had bezeten,  een huis namelijk dat hij in 1917 voor 1000 gulden had verkocht aan de arbeider Klaas Mellema. Bij die koop had Randa ook een deel van zijn inboedel aan Mellema van de hand gedaan voor 150 gulden –

“Andere roerende lichamelijke goederen (= inboedel) schonk hij weg aan Geert Perton, schoenmaker te Finsterwolde, omstreeks denzelfden tijd waarvan echter de waarde wel beneden  ƒ 1000,-  zal zijn gebleven. Tot aan zijn dood heeft hij (= Randa) successievelijk alles wat hij had weggeschonken, zoodat er bij zijn overlijden alleen zijn kleeren en lijfstoebehooren over waren gebleven.”

Toen Randa tegen de tachtig liep en zijn einde voelde naderen, had hij dus eerst zijn huis verkocht, met een deel van de huisraad erbij. Een ander deel van de huisraad  – wellicht het schoenmakersgereedschap? – ging naar Geert Perton. Omdat Randa ook van de opbrengst van zijn huis het nodige wegschonk, bleef er niets over voor zijn familie en de staat.

Bezien we nog even  weer het fotoportret van Randa. Zo’n enorm lange baard als hij droeg, typeerde destijds vooral de Tolstojanen of christen-anarchisten. Deze leefden in navolging van Tolstoy zo sober mogelijk, hechtten dus totaal niet aan aards bezit en gaven dit het liefst weg aan mensen die het meer nodig hadden dan zij. Het ontbreekt me helaas aan een positief bewijs, maar de baard en het gedrag van Randa in de laatste jaren van zijn leven doen hier sterk aan denken. Bovendien krijgt het kaartje van mijn overgrootvader aan Randa er een sterk ironische lading door: wie een Tolstojaan  een kolossale zak met duiten toewenst, terwijl die Tolstojaan een deel van zijn bezit aan jou weggeeft, is uiteindelijk degene die het meest baat heeft bij dat geld.

Wat buiten zicht van de fiscus bleef, waren de drie graven op het kerkhof van Finsterwolde, die Randa in 1917 of iets later aan Geert Perton overdroeg. Op zich vormden die ook vastgoed met een bepaalde waarde, en ze hadden dus eigenlijk in de successiememorie kunnen staan. Randa zal een vierde en vijfde graf zonder monument mogelijk voor zichzelf hebben gereserveerd, maar naast hem en zijn vrouw kwamen Geert Perton (1949) en zijn vrouw Antje Tuin (1929) te liggen.

Met dank aan Jan-Paul Wortelboer voor de tip en Albert Beuse voor het tevoorschijn brengen van Randa’s succesmemorie.



Konijnenjacht met fretten op Rottumeroog

Detail uit centsprent Dirk Noothoven van Goor, ca. 1870. Collectie Rijksmuseum.

Toen de provincie Stad en Lande van Groningen in 1738 besloot om Rottumeroog terug te kopen, liet ze de eilandvoogd, nog benoemd door de vorige, particuliere eigenaar, vooreerst aanblijven. Maar deze Jan Wijbrands voldeed niet. Hij bracht weinig tot niets aan van de gestrande goederen, ‘daar wel eenige suspicie van diversie op viel’, en werd dus (betekenis 4) verdacht van verduistering. Ook was onduidelijk op welke vergoedingen Wijbrands recht had, en wie eigenaar was van levende have, wagen, kar en schip.

De provincie besloot Wijbrands per maart 1742 af te danken. Voordat hij zijn laatste loon kreeg, kwam een provinciebode op het eiland alle provinciale eigendommen inventariseren, opdat Wijbrands niets mee zou nemen. Als zijn opvolger benoemde men Tjark Ebels, een Warffumer schipper die al jaarlijks de provinciale kaap op Rottumeroog kwam teren. Ebels ontving voortaan 150 gulden loon per jaar, naast 170 gulden vergoeding voor het onderhoud van de levende have ‘en andere gereedschappen’. Het schip en rundvee bleven van hemzelf, alleen de twee paarden zou de provincie bij ziekte of dood nog vervangen. Bovendien golden er nieuwe verdeelsleutels voor de opbrengst van alle strandgoed op het eiland en de nabije zandplaten. Tot slot zou Ebels voortaan zijn eigen ‘vritten’ (fretten) moeten houden, waarbij voor hemzelf zouden zijn ‘alle conijnen en derselver vellen welke [hij] kan bekomen’.

Anders dan bij kleine Youp en zijn kerstmaal, ging het bij de Rottumeroger konijnenjacht dus niet zozeer om ’t vlees van Flappie, als wel om diens pels. Voor die jacht gold geen beperking qua jachttijd of hoeveelheid konijnen, de eilandvoogd mocht er met zijn fretten zoveel vangen als hij maar kon. Waarschijnlijk speelde hierin het eilandbeheer mee. Ebels moest immers ook al het nodige doen ‘tot conservatie van de duinen en sanden’. Zonder fretten zouden de konijnen zich in hun ideale biotoop spreekwoordelijk snel voortplanten, het aangeplante helmgras snel wegvreten en daarmee ongewenste zandverstuiving veroorzaken.

De zo geregelde konijnenjacht was voordelig voor zowel provincie als eilandvoogd. Hoe die jacht er destijds aan toe ging, vertelt ons Chomel (417, 418). In feite betrof teamwork van mens en dier. De jager liet eerst een kortpotig hondje een uur lang los in het duin rondlopen , om alle konijnen in hun holen te jagen. Alle ingangen van de holen dekte hij vervolgens af met netten. Daarna kwam de fret, een gedomesticeerde bunzing, in beeld. Deze kreeg een belletje om de hals en de jager hielp hem een hol in. Zodra de konijnen zijn aanwezigheid opmerkten, vluchtten ze in paniek en raakten vast in een net. De jager moest zo’n konijn dan terstond uit dat net halen, voordat de fret erbij kon.

Dat er op Rottumeroog met fretten op konijnen gejaagd werd, mag niet verbazen. Sinds  de Romeinse tijd verspreidde het konijn zich vanuit Spanje en Zuidwest-Frankrijk over West-Europa, vooral in bos en duin. In de 14e eeuw bereikte het de Nederlandse kusten tot aan Vlieland.  In de 16e eeuw bezat Keizer Karel V eeuw een ‘warande’ (konijnenberg) op Schiermonnikoog. Volgens reisbeschrijvingen van 1698 en 1720 werd er op Rottumeroog gejaagd met fretten, die van Juist waren gehaald. De konijnenjacht met fretten, aanvankelijk een herenprivilege, volgde gewoon op de opmars van het konijn.

Een iets andere, maar ordentelijk geannoteerde versie van dit stukje verscheen in Stad & Lande 2022-4. Met dank aan Hidde Feenstra voor zijn suggesties.


Moeilijke stiefvader over de vloer

Het zaakje kwam pas eind mei 1755 voor de grietman van het Vredewold in het rechthuis van Leek, terwijl het zich begin februari dat jaar al had voorgedaan. Erg veel haast maakte de grietman dus niet. Eerst lijkt er ook sprake van een eenvoudige mishandeling, waarbij het slachtoffer louter melding maakte van schade aan zijn jas. Dit slachtoffer was Gerke Hindriks, oorspronkelijk afkomstig van Surhuisterveen, maar sinds een jaar of tien getrouwd met de weduwe van de Marumer schoolmeester Jan Rommerts. Gerke was die middag om vier uur langsgegaan bij de woning van zijn stiefzoon Rommert Jans. ook in Marum, “om een pijp an te steken” en hij had er ook werkelijk even rustig gezeten, tot Rommert hem bij de kraag van zijn “hembtrok” pakte en hem “met gewelt” het huis uit zette, “sodat de hemtrok scheurde”.

Zoals wel vaker bij aangiften, voel je op je klompen aan dat het verhaal niet verteld is met enkel de incriminerende feiten. Ook in dit geval hield Gerke, het slachtoffer, zich liever stil over de aanleiding. In zijn verweer wilde de door hem aangewezen dader, zijn stiefzoon Rommert Jans, daar echter graag een boekje over open doen. De grietman noteerde dat deze

niet weinig doleerde over de slegte conduite van sijn stiefvader, met wien sijn moeder zig tot een behoorlijke zamenleving niet konde verenigen, sodat [zij] genoodzaakt wierde haar toevlugt tot hem te nemen ter bekoming van het nodigh onderhoudt, en [zij] dus ten zijnen last en onderhoudt quam. (…)

Tussen Rommerts moeder en zijn stiefvader Gerke boterde het dus niet zo en zij was naar haar zoon gevlucht, die haar sindsdien kost en inwoning verschafte. De extra huishoudelijke uitgaven leken Rommert vooral dwars te zitten, maar ook leek hij zich eraan te storen dat Gerke nu van die kostenpost af was, terwijl Gerke, als die bij hem op bezoek kwam, zich ook nog eens misdroeg:

des niet te min sijn stiefvader (…) teffens zigh niet onthield hem in zijn eijgen woning dronken en vol zijnde te ontrusten, waardoor de veiligheidt en vrede van zijn huis wierde gestoort, het welke vermeinde niet te behoeven te dulden.”

Zo was het die derde februari dan uit de hand gelopen, althans volgens Rommert:

Dat deswegen met moeijte en iver angedaan, denzelven [stiefvader] na voorgaande weijgeringh uit ‘t huis had gezett, vertrouwende geen misdaat daaran begaan te hebben, en zig versekert houdende van an denzelven alle liefde en genoegen te zullen betonen, indien [hij] zig als een stiefvader betaamt quam te comporteren, maar daaran in alles deficiërende, verzogte in ’t toekomstige an zijn huis ongemolesteert te mogen verblijven.

Rommert vond dus dat hij Gerke terecht uit zijn huis had verwijderd. Als Gerke zich netjes gedroeg, mocht hij weer langskomen.  Het Edel Gericht, beider standpunten tegen elkaar afwegende, kwam uiteindelijk met beider goedvinden tot een soort van vergelijk en tekende enerzijds aan

dat Rommert Jans wegens zijn al te verre gegane iver tegens de eerbied an sijn stiefvader schuldig, ten profijte van de armen zal betalen tijn dalers en de kosten hierover gevallen.

Rommert moest dus flink in de buidel tasten voor zijn heethoofdige gebrek aan respect voor zijn stiefvader. Anderzijds kreeg Gerke een soort van lokaalverbod opgelegd en moest

zig voortaan van de woning van zijn stiefzoon onthouden en denselven ongemolesteert laten, bij poena van nader dispositie.

Als Gerke er dus nog eens kwam opdagen, dreigde de grietman met andere maatregelen. Beiden namen genoegen met deze uitspraak. Ik vermoed zelfs dat Rommert het geld er graag voor over had om op deze manier van Gerke af te zijn:

Zijnde voorts opgemelte betaling dadelijk door Rommert Jans gedaan in de bus van de diaconie armen op de Leek.”





Bron: Groninger Archieven Tg. 735 invnr 91:  rechtdagen Vredewold,  26 mei 1755.


Uffelters zien het Sint-Elmsvuur (1850)

Hindrik de Vries, Elmusvuur. Collectie Groninger Museum.

“Donderdagavond l.l. (laatstleden) keerden twee landlieden per as, woonachtig te Uffelte gemeente Havelte, van de weekmarkt te Meppel huiswaarts. Toen ze zich op een half uur afstands van hunne woning bevonden, kwam er een geweldige hagel- en sneeuwbui op, vergezeld van een sterken zuidwestewind. De duisternis werd daarbij zoo erg, dat ’t iemand bange te moede zou worden. Op ’t onverwachts kwamen een hunner eenige lichtende punten op de handschoe­nen. Terwijl men hierover sprak, en vruchteloos er de reden van trachtte op te sporen, vertoonden ze zich niet alleen op de handschoenen, maar ook meer en meer op al hunne kleeren, en het paard scheen als met vonken bezaaid, zoodanig zelfs, dat men ’t paard duidelijk kon onderscheiden. Langzamer­hand verdwenen ze met ’t overtrekken der bui, totdat men ze nog slechts op de manen en ooren van het paard waarnam. – Wij geven hiervan door dezen kennis in de hoop, dat een of ander natuurkun­di­ge zich verledige, om dit zeldzame natuurverschijnsel eenigzins nader toe te lichten.

Aldus een bericht in de Drentsche Courant van 12 februari 1850. Twee Uffelters reden, kortom, na hun bezoek aan de donderdaagse Meppeler weekmarkt bij donkere avond met paard en wagen terug naar huis, toen ze op een half uur (= ongeveer 2,5 kilometer) afstand van hun dorp bij een felle hagel- en sneeuwbui lichtverschijnselen waarnamen, eerst op hun handschoenen en kleren, en later op hun paard en dan het hardnekkigst op diens manen en oren. Omdat de Uffelters, noch de redactie van de krant deze verschijnselen konden verklaren, riep de redactie daartoe de hulp van een “natuurkundige” in.

Zoals gebruikelijk, werd het opzienbarende en intrigerende bericht naderhand met minimale wijzigingen overgenomen door kranten, in dit geval vooral regionale uit Noord- en Oost-Nederland .  Een daarvan was de Provinciale Groninger Courant waarin ene G., blijkbaar zo’n gezochte natuurkundige, een paar dagen later een uitgebreide duiding verschafte, die de Drentsche Courant op haar beurt weer compleet overnam op 22 februari.

Volgens G. kwam het verschijnsel zo zelden voor – en dan vooral bij duister en storm – dat het mensen die ‘t niet kenden gemakkelijk bang kon maken. Het betrof het zogenaamde St-Elms- of Sint-Elmusvuur, zo genoemd naar een heilige bij zeelieden. Die zagen het fenomeen namelijk weleens tijdens hun nachtelijke wachten:

“Meestal ziet men ze als heldere lichtpunten, of ook wel als vlammen van eene meerdere of mindere uitgestrektheid, op de toppen der masten en de uiteinden der ra’s. (…) Het St.-Elmsvuur (…) ontstaat door de elektriciteit , en wordt soms waargenomen gedurende een onweder, of ook vooral bij stormachtig weder, wanneer sterk electrische wolken over eene plaats drijven, zonder dat eene eigenlijke ontlading plaats heeft. Daar de ligchamen in de nabijheid (…) mede electrisch worden, zoo worden ook in dit geval de voorwerpen op aarde eveneens sterk electrisch en deze opgehoopte elektriciteit straalt, bij hooge en spitse voorwerpen onder de gedaante van lichtvlammen uit, even zoo als men zulks bij de spitse punten aan eene gewone electriseermachine opmerkt. De ondervinding heeft geleerd, dat deze electrische lichtvlammen zich vooral vertoonen aan de uitstekende gedeelten van menschen en dieren, aan de punten van kleedingstukken, aan spitse wapenen en werktuigen enz.”

Volgens G. bevatte de natuurkundige literatuur  vele waarnemingen van Sint-Elmsvuur en hij noemde enkele recente voorbeelden van het verschijnsel in de Kop van Overijssel en bij de stad Groningen. Hij dankte de Drentsche Courant voor haar  nauwkeurige beschrijving en hoopte dat zijn verklaring de angstigen gerust zou stellen, en de bijgelovigen – die het verschijnsel voor bovennatuurlijk of wonderbaarlijk hielden – zou corrigeren.

Wie in encyclopedieën naar het verschijnsel zoekt, zal zien dat de verklaring van G.  globaal nog steeds opgeld doet. Het zwakke, enkele centimeters grote, blauwwitte tot blauwgroene licht, optredend bij onweersachtige verschijnselen aan allerlei uitsteeksels, wordt qua vorm ook wel omschreven als vlammetjes, lichtbundeltjes of glimlichtjes, die gepaard gaan met zacht geknetter, gesuis en gesis. In wezen gaat het om sproeiontlading van luchtelektriciteit op positief of negatief geladen punten. Het verder ongevaarlijke  verschijnsel kan zich ook manifesteren bij elektrisch geladen hoofdhaar en moet niet worden verward met de bolbliksem die eraan verwant is.

Beide Uffelters kregen ermee te maken op een half uur gaans van hun dorp. Dat komt neer op zo’n 2,5 kilometer en meten we die afstand uit, dan komen we terecht bij het Meeuwenveen, dat zich ooit tot voorbij de Hoofdvaart uitstrekte. Inderdaad werd het fenomeen ook wel gezien als “dwaallichtjes” boven moeras. Vandaar dat G. bijgeloof wilde bestrijden! Maar ook bij officieel geloof is het Elmsvuur wel in verband gebracht met bovennatuurlijke verschijnselen, zoals het brandende, maar niet verterende braambos in Exodus 3.

Een iets andere en geannoteerde versie van dit stukje verscheen in Onsen Spieker (tijdschrift van de historische vereniging Havelter e.o.) jrg. 2022 nr. 4.


Loonstrijd zonder frictie

De kortstondige loononderhandeling tussen een boer en diens grootknecht Harm, Midwolda ca. 1860 – dus lang voordat het socialisme doorbrak – zoals bijna zeventig jaar later verteld door de boer zijn zoon:

Elk jaar zei Harm: „Ik mos aigenliek n beetje meer verdainen”, waarop vader antwoordde: „Woarom Harm, doe bist over dartig joar, meerder worst doe nait meer!’ t Is ook zoo, zei Harm dan: „den mouten wie d’r moar weer op reken”.

Bron: G. de Jager, ‘Oldambtster Landbouwer en zijn bedrijf vóór 60 jaar en thans’, Maandblad Groningen, 1 april 1927, pag. 20-23.


“Waar eens de landman zijn sikkel zal slaan in zwaar beladen granen” – Een uitstapje naar de Dollard (1846)

Kaartje van de Dollard, gemaakt door stadsopzichter Roelofs in 1858, dus nog voordat de nieuwe dijk van de Reiderwolderpolder er lag. In grijsgroen zijn de wat oudere Dollardpolders langs de zuid- en oostrand weergegeven en in blauwgroen de buitendijkse kwelders waarop de voorgenomen polder zou komen. Collectie Groninger Archieven 1536-2238.

Van de Reiderwolderpolder bij de Dollard is bekend, dat die in twee afdelingen werd aangelegd: 1) een particulier gedeelte, zo’n beetje tussen oostkant Woldendorp en de iconische Beersterzijl; en 2) een veel kleiner stadsgedeelte, vanaf die zijl tot de Stadspolder. Het westelijke, particuliere gedeelte werd in 1863 ingedijkt en de oostelijke stadsportie kwam in 1874 gereed. Toch  was er in augustus 1845 al sprake van indijking van de kwelders op dit stuk Dollard, zoals we leren uit een anoniem artikel dat een jaar later in de Provinciale Groninger Courant verscheen en waaruit blijkt dat het hele inpolderingsproces vanwege tegenslag en rechtszaken zo’n dertig jaar heeft geduurd.

Dat artikel in de Provinciale Groninger, naderhand overgenomen door kranten elders, bevat een schilderachtige beschrijving van de Reiderwolderpolder in zijn prilste stadium, augustus 1846. Op dat moment lag er op het dijktracé nog slechts een rijsbedding. Dat lijkt misschien wat weinig, maar de berichtgever in de krant – mogelijk een bestuurder, ambtenaar, landmeter of ingenieur – was opgetogen over de drukte, die hij er in tegenstelling tot een jaar eerder aantrof:

“Wélk een onderscheid tusschen het voorgaand jaar en het tegenwoordige! Dààr heerschte toen eene doodelijke stilte, waar men heden leven en bedrijvigheid ziet; nabij het werk staat voor de heeren ondernemers eene sierlijke woning op den dijk; aan den voet van denzelven twee schoone woningen (alle tot tijdelijk verblijf) voor de heeren aannemers van het werk, en eene rij rieten keeten voor het werkvolk, terwijl er buitendijks ruim een 20tal schepen zijn.”

Omdat er nog slechts rijswerk lag op de plek waar de nieuwe dijk moest komen, gaat het bij de hier besproken dijk om de dijk van de Finsterwolderpolder uit 1819, die ter hoogte van Finsterwolderhamrik met een bijna haakse bocht aantakte op de Egyptische dijk. Afgaande op topografische kaarten begon de bewoning hier bij de oude oude Beerster en Bellingwolderzijlen. Stroomafwaarts van de eerste zou buitengaats eerst een oude afwateringsgeul, de Beerster Moe of Mude, rechtgetrokken en verdiept worden tot de plek in de verte waar later de nieuwe dijk zou kwam te liggen. Langs dit nieuwe kanaal kwam een weg, en langs die weg verrees een lint woningen dat later, waarschijnlijk naar een polderwerkersherberg, De Hongerige Wolf zou gaan heten. Het is niet moeilijk om in de rij rieten keten een voorganger van dit gehucht te zien, al ligt de locatie van die keten nog niet vast.

Om terug te keren tot de waarnemer uit 1846 – hij bekeek al het verrichte werk zowel bij eb als vloed, met grote waardering:

“Ik heb het werk een tijd bij hoog en bij laag water waargenomen en alles in zijn volle bedrijvigheid gezien; het geheel leverde een schoon gezigt! Hier voeren schepen met aarde , ginds met zoden , rijs of steen, elk naar zijne bestemming, kruisende door het zilte nat, waar, na verloop van korte jaren, zoo als te wenschen is, eens de landman zijne sikkel zal slaan in zwaar beladen rijpe granen ; — elders waren mannen bezig met het zoodensteken , anderen met het lossen of het laden der schepen, of nog andere groepen bezig de rijsbedding te leggen.”

Volgens de nogal rooskleurige waarnemer waren de polderwerkers vaardig, welgemoed en “regt in hun element”.  Gemiddeld werkten er die zomer zo’n honderd man. Hij verwonderde zich over het werk dat ze al hadden gedaan…

“…hetwelk dan ook van den ijver, de kunde en bekwaamheid der aannemers getuigt, die met hunne manschappen in eene bijna onafgebroken werkzaamheid zijn (…), niettegenstaande zij door het schoone weder en lage watergetij boven verwachting begunstigd worden. Heil hun allen, die tot zulke nuttige einden hunne, middelen, krachten en vermogen aanwenden!”

De man contrasteerde vervolgens het gewelddadige landjepik door imperialistische grootmachten  als Frankrijk en Engeland met de “edeler zucht tot landveroveren” in Nederland, die slechts kapitalen vereiste en ‘geene tooneelen van moord en bloedplenging”. Naar zijn oordeel zou de nieuwe indijking bij de Dollard “voor de ondernemers goede en voordeelige uitkomsten opleveren”. Hij wenste dat er nog veel meer van de Dollard zou worden ingedijkt, en dat men daartoe alvast voorbereidingen zou treffen door het leggen van rijsbeddingen, die het opslibben van de vette Dollardklei zeer bevorderden. Zo lag er al een rijsdam over een kleine zandplaat bij het Munnikeveen, waardoor het maaiveld er zienderogen was opgehoogd.  Er was in dit eerste stadium zelfs al een naam voor de nieuwe polder:

“Naar eene kaart van het voormalige Reiderland, nu Dollard, heeft er in het thans in te dijken gedeelte een dorp gestaan, dat den naam droeg van Reiderwolde, welke naam den in te dijken polder weder is gegeven, voerende eene bij het werk aanwezige zoogenaamde zoedelkeet bereids dien naam op een uithangbord.”

Mogelijk was die keet, waar de polderwerkers hun eerste levensbehoeften, tabak en drank konden kopen, de rechtstreekse voorganger van de herberg, die wat later De Hongerige Wolf ging heten en die al voor 1877 zijn naam aan het gehucht heeft uitgeleend.

Bron: Provinciale Overijsselsche en Zwolsche courant, 28 augustus 1846., die het weer uit de Provinciale Groninger Courant had.


Ploeteren in de polder

Begin dit jaar verbaasde ik me erover dat de huwelijksakte van uit 1889 van Geert Perton en Antje Tuin, mijn overgrootouders uit Finsterwolde, bleek te zijn getekend door vier boeren, alle vier uit de Reiderwolderpolder en lid van het polderbestuur aldaar, terwijl Geert en Antje landarbeiderskinderen waren en de sociale afstand tussen boeren en arbeiders in het Oldambt vrij groot was. Het leek er ook op dat de boeren speciaal voor het huwelijk naar het gemeentehuis waren gekomen. In dit geval moet de relatie goed zijn geweest en ik schreef dat toe aan Geerts vader Elzo, die voor een van de boeren en mogelijk ook met zijn praam voor het polderbestuur werkte.

Ik wilde na die vondst nog in het archief van het polderbestuur gaan kijken, om te zien of deze veronderstelling juist was. Gister wam ik daar eindelijk aan toe. Uit de stukken bleek, dat het polderbestuur die dag in het gemeentehuis van Finsterwoldde vergaderde, een logische plek omdat burgemeester Schortinghuis van Finsterwolde tevens de administrateur/boekhouder van de Reiderwolderpolder was. Hij was dus tevens de man die tijdens het huwelijk Geerts vader Elzo met een ‘Tou tou tou’ tot enige spoed aanmaande bij diens tekenen van de trouwakte, waarop Elzo hem toevoegde: “Tou tou tou? Ik mout meer tou-tou-tou den die!”

In de zakelijke notulen, brieven en rekeningen van het polderbestuur wordt het huwelijk helaas niet genoemd. Er kwamen louter polderbeslommeringen aan de orde. Dat de boeren als getuigen de huwelijksakte tekenden, zal komen door een samenloop van omstandigheden – de vergadering en het huwelijk – en doordat de burgemeester en/of het bruidspaar de boeren ertoe uitnodigde. Mogelijk toonde de burgemeester enige haast vanwege de vergadering.

De stukken van het polderbestuur leverden in dit opzicht dus een teleurstelling op. Wel komt Elzo Perton enkele malen in de rekeningen voor wegens onderhoudswerk dat hij voor het polderbestuur deed. Zo maakte hij in het najaar van 1880 bijna 9 kilometer Bermsloot schoon van waterplanten en ander ongerief. Deze sloot, inmiddels verbreed tot een afwateringskanaal, lag aan de binnenkant van de hele zeedijk, zoals die in 1862 werd gelegd voor het westelijke, particuliere gedeelte van de Reiderwolderpolder. Elzo verdiende 105 gulden met deze klus, wat destijds in het Oldambt neerkwam op een derde van een gangbaar arbeidersjaarinkomen. Op de jaarrekening van 1881-1882 staat hi bovendien nog eens voor 43 gulden wegens het “schoonen van wateringen”. Overigens zal dit aanbesteed werk zijn geweest – bij de vaste uitgaven komt hij niet voor. Helaas onbreken de bijlagen met de bestekken bij de rekeningen, zodat we niet weten wat hij per (vierkante) meter met dit zware, natte en in de herfst vaak extra onaangename handwerk verdiende.

Ook mijn andere betovergrootvader Harm Tuin komt in de rekeningen voor – hij leverde het polderbestuur nogal eens keislag (kapot geklopte keien) waarmee de polderwegen werden verstevigd. De H. Boog die in 1890 ruim 20 gulden betaald kreeg voor “grint spreiden en bermen afslichten” zal familie van Elzo Pertons vrouw Geeske Boog zijn geweest.

De Reiderwolderpolder tussen Finsterwolde, de Dollard en Woldendorp op de topografische kaart van 1884, met in blauw de Bermsloot:

Bronnen: archief Waterschap Hunze en Aa’s, Aquapark Veendam – archief Reiderwolderpolder, inv. nr. 4 (notulen bestuur 1887-1912), inv.nr. 10 (uitgaande brieven 1862-1913) en 33 + 34 (rekeningen 1872-1892). Met dank aan Wilma Koning.


Brand op de Martinitoren, 1822

GRONINGEN, den 8 Maart. (Extract uit een particulieren brief.) “Deze nacht was een nacht van schrik en ontroering. De bliksem sloeg hedenmorgen tegen half vijf ure bovenin den pijnappel van St. Martens toren, welke begon te vlammen. Er waaide een hevige storm; stukken vuur vlogen door de lucht tot buiten de Steenstilpoort, bij de molens. Het gesmolten lood-, dat als een regen in den pijnappel droop, belette ieder in het eerst om bij het vuur te komen; evenwel was een gevangen soldaat, hiertoe losgelaten, de eerste met eenen zeeofficier, die boven kwamen en het brandende hout afbikten; doch door den vreesselijken wind konden zij den brand niet meester worden, dan nadat het werk, daar de spil in zat, waaraan het paardje draaide, afgebrand was, waarop het paardje met de as van boven viel. Ten acht ure zag men geen brand meer. De schade is zeker niet groot, daar de pijnappel meest nog in zijne gedaante is, doch het geval is te betreuren wegens de ongelukken die erbij gebeurd zijn. Zoo is de zoon van den Winschoter schuitenvoerder Bontekoe, een brave jongeling van 20 jaren, verpletterd. De officier van Policie , de heer van Wartum, is zoodanig aan zijn hoofd gekwetst, dat men aan zijn herstel wanhoopt; hij ligt nog op het Stadhuis en men heeft hem getrepaneerd. Een schoenmaker in de Oosterstraat is in een deerlijken toestand ons huis voorbij gedragen. Ook zegt men dat er een soldaat bij omgekomen zou zijn.”

Bron: ’s Gravenhaagsche Courant, 13 maart 1822.

Commentaar: De brand van begin maart 1822 op de Martinitoren is bekend van een andere, meer uitvoerige brief van een dag later, en een nog later krantenverslag, beide door Frans Westra opgenomen in zijn boek over de toren (2009). Deze bronnen reppen van een “verschrikkelijke donderslag” tijdens een al uren durende storm, die in de “stinkdonkere nacht” tot een orkaan zou aanzwellen. Om half vijf had de torenwachter op zijn brandhoorn geblazen, en repten burgers zich naar de Grote Markt waar de pijnappel op de Martinitoren al in brand stond. Hele vonkenregens vlogen er uit, waarbij eerst niemand de toren op durfde gaan. De zeeofficier waarvan in de Haagse brief sprake is, en die als eerste de toren op liep, was een R. de Sitter, kapitein bij de mariniers. Hij werd gevolgd door vier anderen, maar het lukte ze door de storm alleen gezamenlijk de pijnappel in te komen. Bij het met een bijl weghakken van de smeltende loden bekleding om de pijnappel, raakte De Sitters jas zelfs nog even in brand. Omdat het gezelschap de brand met water en natte koeienhuiden niet meester kon worden, en er vanwege gloeiend ijzer en  smeltend lood ook niet goed bij kon komen, moest het gezelschap zelfs nog even de pijnappel uit. Op dat moment begon de mansdikke stang met het paardje te buigen, en knapte ze als een strootje af, waarbij ze val van alles met zich meesleurde in haar val op het Martinikerkhof achter de Hoofdwacht, waar politiechef Van Wartum, schoenmaker Kraus en Geert Bontekoe en diens broer werden getroffen. Toen het De Sitter bovenin de toren er voor de tweede keer in slaagde de pijnappel in te komen,  kregen hij en zijn helpers de brand vrij snel onder controle. Het trepaneren van Van Wartums schedel vindt men ook in de andere bronnen. Opmerkelijk is nog dat het conservatieve stadsbestuur vrij snel na deze brand besloot een bliksemafleider op de toren te laten plaatsen, maar dat er jarenlang niets van uitvoering van dit mooie voornemen kwam, zodat de toren tijdens een onweer in februari 1836 opnieuw in brand raakte.


De drie Buicks van burgemeester Tuin

De officiële opening van het Groninger Emmaviaduct vormde een hoogtijdag voor wederopbouw en automobiliteit. Die vrijdagmorgen de 25ste september 1964 reden om 11:20 uur de eerste auto’s over het nieuwe viaduct in de richting van het Stadsparkpaviljoen, waar de genodigden zouden toasten op de nieuwe voorziening, tegelijk een stadsdoorbraak en een belangrijke schakel naar de grote uitvalsweg naar het zuiden (nu A 28). Voorop ging de dienstauto van burgemeester Jan Tuin.

Afgaande op de foto in het afscheidsalbum dat Tuin een half jaar later van de gemeente Groningen kreeg, zat hij op de passagiersstoel van de Buick en liet hij het rijden over aan de  gemeentelijke chauffeur, waarschijnlijk een van beide mannen die op een nadere foto in datzelfde album trots poseren naast hun wagen, die ze parkeerden in de schaduw van het oude stadhuis, zo’n beetje onder de ramen van de burgemeesterskamer.

Deze Buick was al de derde dienstauto van dat merk. De eerste was medio maart 1953 bij Dieverbrug in de prak gereden, toen hij bij mistig weer op een nauwelijks zichtbare, stilstaande vrachtwagen botste. Ook toen zat Tuin op de passagiersstoel.  Hij vloog met zijn hoofd tegen de voorruit, raakte even zijn bewustzijn kwijt en hield een gapende hoofdwond aan de botsing over, terwijl zijn chauffeur De Vries met twee gebroken ribben in het ziekenhuis belandde. De burgemeesters van Baflo, Noorddijk en Nieuwe Pekela, die gedrieën op de achterbank zaten, kwamen er met wat schrammen, builen en blauwe plekken nog vrij goed vanaf. Met zijn geheel ontzette motorblok en in elkaar gedrukte carosserie bleek de auto total loss en stond als zodanig nog een poos in een gemeentelijke garage.

De vier Groninger burgemeesters waren die ochtend al om vijf uur met de Buick op weg gegaan naar Den Bommel en Ooltgensplaat op de oostkant van Goeree Overflakkee, een tocht van bijna 600 kilometer heen en terug. Ze hadden ginds besprekingen gevoerd over de hulp, die ze namens de Groninger gemeenten konden aanbieden na de bekende watersnoodramp. In het archief van Tuin zit nog steeds een boek over die ramp, in 1955 door beide gemeenten geschonken aan de gemeente Groningen wegens haar “spontaan verleende personele en materiële hulp”. Ik vermoed dat het souvenir Jan Tuin niet alleen aan die ramp, maar ook aan het ongeluk herinnerde.

Tussen de eerste  Buick (1947-1953) en de derde Buick (1959-1965) was er nog een tweede (1953-1958), waarover het Nieuwsblad later wist te vertellen dat de burgemeester meestal zelf het portier opende, omdat hij als sociaaldemocraat geen man was die zich een dergelijke dienstbaarheid van een chauffeur liet welgevallen. Eenmaal afgedankt, belandde de tweede Buick bij een boer in Hattem, die er twee maal daags zijn melkbussen mee vervoerde, een lot waarmee Tuin zich als landarbeiderszoon vast wel heeft kunnen verzoenen.


Naar een nieuwe canon voor het Westerkwartier


Webbenrijk rondje Ezinge

Afgelopen zondag waren de velden vol spinnewebben en af toe kreeg ik er een in het gezicht, die door de wind was meegevoerd.

Bij de spoorwegovergang Den Horn was er nog niets aan de hand:

Maar even voor Zuidhorn werd het al zichtbaar:

Tussen Noordhorn en Oldehove:

Bij Oldehove:

Tussen Oldehove en Ezinge, nabij het Ronde Zwienhok:

Spoorbrug Zuidhorn vanaf de Zuiderweg tussen Ezinge en Fransum:

Tussen Den Ham en Aduard:

Bij Dorkwerd in de buurt – exotische koetjes (Brown Swiss?) lusten ook wel wat kruiderij uit de sloot:


Verabsolutering van vrijheid

Gister discussie over vrijheid, een begrip dat sommigen opblazen tot mythologische proporties, Helaas heeft vrijheid altijd ’n keerzijde: de eigenheim-VVD’er die uit naam van de vrijheid tegen asielzoekers ageert, gaat eraan voorbij dat zij juist vrijheid zoeken van onderdrukking.

Zo wordt ook de automobiel graag verbonden met vrijheid: je kunt immers gaan waar je wil. Ja, dat kan, maar uiteindelijk rest slechts een gedevalueerd uitzicht op vangrails.

Verabsolutering van vrijheid leidt tot het tegendeel ervan: het faciliteren van repressie, het verkloten van het landschap.


Rondje Appingedam

Windwijzer met kat in Winneweer (kan ook Garrelsweer geweest zijn):

Alle struweel is weggehaald en de restanten van steenfabriek Rusthoven bij Wirdum zijn weer zichtbaar. Maar eens van dichtbij checken met wat mooier weer:

Natte webben op de heg bij station Appingedam:

Bij Museum Möhlmann in de tuin:

Vanaf het Damsterdiep naar het oosten en dan voorbij Garreweer dit bermmonumentje. Denk dat hier iemand gemotoriseerd de plomp in is gegaan:

Ganzen op het Hoeksmeer:

Een eindje verderop deze dikke buizerd in het land – getuige zijn burgemeestersketting zou het wel eens een passant uit Scandinavië kunnen zijn:

Het kerkje van Wittewierum:

De toren:

Andere kant Eemskanaal – de alpaca’s hebben Luddeweer bereikt:

Landschap Luddeweer:

Lutjepotje met appelmoes en pompoenen bij een groepshuis, Luddweer:


Rondje Ezinge

Toch blij dat ik dit tochtje gistermiddag maakte, en niet vandaag. Door de matige, maar gestage wind hingen er lange wolkenstraten in de lucht, zoals hier bij Leegkerk:

Leegkerk, bij de Kosterij:

Bij de nieuwe Aduarder brug had een van de kunstfietsers, die hier staan, een slag in zijn voorwiel:

Vandalisme? Denk eerder dat een auto die richting Den Ham moest, wat al te vroeg rechtsaf sloeg of de bocht te krap nam, misschien ook doordat hij een fietser van links te laat opmerkte. De dader zal vast op het kerkhof liggen. NB: het plaatstaal waarvan het kunstwerk werd gemaakt, is een centimeter dik, dus dat ging met nogal wat kracht gepaard:

Bij Aduard een koeienrij voor de melkstal:

Feerwerdermeeden:

Ik zou even langs bij een kennis die daar op de vlakte woont, maar de rottweiler van boer Jensema wilde me er niet langs laten. Heb daar dus maar even een diepgaand en verhelderend gesprek mee gevoerd:

Uitzicht op de populierenrij bij Beswerd:

De boerderij die van mijn overleden achterneef Johannes Nienhuis en diens ouders was, aan de Onnesweg te Feerwerd, krijgt van de nieuwe eigenaars een nieuw dak op de schuur:

Tussen Feerwerd en Ezinge:

Een zo te zien tevreden klant bij het café in Ezinge:

Op het fietspad langs het Aduarderdiep ter hoogte van Nieuwbrug zat een kat te kauwen op een muis: