Het oude liedje

stemwijzer

Volgens Stemwijzer.


Kleuterschoolmemoires

img857

Naar aanleiding van een bijna antropologische uitzending over het universum van vierjarigen, gisteravond, zocht ik de enige foto op van mijn eigen kleuterschoolperiode. Het betreft de ‘bovenste klas’ van de Hummelhof aan het Schukkingpad te Havelte, in het schoolljaar 1960/1961 poserend op het klimrek schuin achter de school.

In totaal betreft het 25 leerlingen: 14 meisjes en 11 jongens. Een jaar of wat geleden heb ik er, voor zover ik het nog wist, de namen bij gezet. Die kende ik nog bij 4 meisjes (29 %) en 10 jongens (91 %) – de selectiviteit van mijn geheugen weerspiegelt hoe apart beider leefwerelden waren op die leeftijd. Dat is nog steeds zo, bleek uit de TV-uitzending van gister: een vierjarig jongetje bliefde bijvoorbeeld geen meisjescadeau.

Ook speelt hiërarchie een buitengewoon grote rol bij kleuters. Het klimrek op de foto bewees hier nuttige diensten. Sommige durfals zaten er altijd helemaal bovenop en gingen soms zelfs ondersteboven aan hun knieën aan de hoogste sporten hangen. Vooral een van de meisjes had daar een handje van. Maar ze kon nooit zelfstandig weer omhoog komen en de aandachttrekster krijste dan net zo lang tot de juffrouw haar kwam verlossen. Wij als jongens vonden dat maar stom!

De Hummelhof herinner ik me verder van territoriale conflicten in de zandbak. En van het bruggetje over de “Kikkersloot”, waar de tegenover gelegen rioolwaterzuivering met veel gebruis het schoongemaakte water in loosde. Achter de school was een overkapping met overnaadse planken waaronder we onze autopeds neer moesten zetten. Binnen deden we kringspelletjes en leerden we bekende kinderliedjes. Op een keer moesten we van de juf voorgedrukte figuren uit papieren prikken. Ik vond dat niks. Waarom zou je zo’n figuur met een prikker uitprikken, terwijl het met een schaar veel sneller en mooier ging? De juffrouw accepteerde mijn protesten niet en stuurde me naar de hoek toen ze zag dat ik toch met een schaar aan de gang was gegaan. Kleutertrauma!

De Hummelhof ging op 30 maart 1960 open. Eerder was de Havelter kleuterschool nog naamloos gevestigd in het gebouw Eursinge bij Overcinge, waarvan me vooral heugt hoe de juf ons mee uit wandelen nam in de omringende Homan-bossen. In de herfst verzamelden we daar allerlei bladeren, kastanjes, eikels en paddestoelen voor herfststukjes en kijkdozen. Sommige jongens raapten er beukenootjes die ze openpulkten om de inhoud op te eten (getsie!).

Op de dag van de kleuterschoolverhuizing werden we met zijn allen vanaf Eursinge op een versierde boerenwagen naar de Hummelhof gebracht. We kregen er een toneelvoorstelling te zien: Goudlokje en de drie beren. Spannend joh, enorme griezels waren dat, die beren! Tot mijn grote opluchting liep het goed met Goudlokje af. Ik was wel een beetje verliefd op haar geworden, maar dat had weinig toekomst.


Achtste wereldwonder

img856-blog


“Overval-alarm aanwezig”

Gezien op het Hoendiep bij de Energieweg – een schark waarop een bootjesmelker vier lullige kamertjes heeft afgetimmerd, alle nog onbewoond en met houten platen voor de ramen, maar elk al wel op de toegangsdeur voorzien van een opvallend geel bordje: “Overval-alarm aanwezig”:

dsc01588

Je vraagt je af wat voor kapitalisten hier komen wonen dat zulke bordjes noodzakelijk zijn. Voorlopig hou ik het er maar op dat de bordjes voornamelijk de paranoia van de bootjesmelker weerspiegelen.


Vrouw neemt dienst als soldaat

“Also Geertruit van Duiren de stoutheijd heeft gehad niet alleen zig in manluiden klederen te kleden, maar nog daar en boven zig eerst te laten engageren als fuselier in het regiment van de generaal Glabbeek in de compagnie van capitain Petersen op den 23 maart jongst, en daags daar an als soldaat in de compagnie van de lieutenant-generaal B. Lewe; so hebben de Heeren Gedeputeerden na gehoudene deliberatie goedgevonden en verstaan dat deselve voor de tijd van een jaar in het provinciale tughthuijs sal worden gebragt om aldaar met haar handen arbeijd de kost te verdienen.”

Commentaar: In de zeventiende en achttiende eeuw kwam het geregeld voor dat vrouwen zich in mannenkleren hulden en zo dienst namen in het leger of bij de marine. Vaak lijkt dat een soort van roeping. In dit geval zou je dat kunnen betwijfelen gezien het dienst nemen bij meerdere legeronderdelen, waarbij steeds een handgeld werd geïncasseerd. Die twijfel wordt er niet minder op doordat de vrouw, zelf afkomstig uit de stad Groningen, daar twee jaar eerder getrouwd was met een Beierse soldaat.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 1 (archief Staten van Stad & Lande) inv.nr. 1351 (sententies in fiscale- en militaire zaken), bepaaldelijk die van 28 maart 1748.


Blinde smokkelaar komt met de schrik vrij

“Door de pagtenaren van de toebak op de daad zijnde agterhaalt eenen Jan Hindricks van ’t Niebert ter sluik inbrengende vijf pond toebak zonder angevinge, en daarover in de Geweldige gefaiseert, en ondersogt bevonden een blind man te zijn, die voorgaf hem de voorschr[even] toebak vereert te zijn; en daarvoor intercederende de diaconie van ’t Niebert; – hebben de Heeren Gedeputeerden Jan Hindriks uit zijn detentie ontslagen, mits de diaconie voorn[oemd] hem zullen zoeken te onderhouden en van het smokkelen te rugge te houden, wordende de Capit[ei]n Geweld[ige] gelast de kosten in zijne declaratie te brengen.”

Vrij vertaald: De pachters van de tabaksaccijns betrapten Jan Hindriks van Niebert op heterdaad. Hij had, waarschijnlijk vanuit Drenthe, vijf pond tabak over de provinciegrens gesmokkeld. In de provinciale gevangenis te Groningen bleek dat hij blind was. Hij vertelde dat hij de tabak bij wijze van aalmoes had gekregen, nogal ongeloofwaardig gezien de hoeveelheid. Dankzij de tussenkomst van de Nieberter armvoogden, kregen de heren rechters in dit soort zaken echter medelijden met Jan. Waar ze gewone smokkelaars minstens een paar jaar verbanden of in het tuchthuis opsloten, lieten ze Jan vrij op voorwaarde dat de diaconie hem steun gaf en van het smokkelen afhield. Jan hoefde zelfs de kosten van zijn detentie niet te betalen.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 1 (archief Staten van Stad & Lande) inv.nr. 1351 (sententies in fiscale- en militaire zaken), bepaaldelijk die van 19 juni 1741.


Reizigers beroofd van leeftocht

Natuurlijk mochten Meindert Harms en Erenst Hindriks controleren op de aangifte en betaling van een belasting, namelijk de bieraccijns. Dat jaar pachtten beide Noordbroeksters immers de inning van die impost in het Oldambt. Ook hun metgezel Rudolph Keun had wel degelijk een fiscale opsporingsbevoegdheid, want hij was chercher in Meeden, zodat hij toezag op de aangifte aldaar van het gemaal, een belasting die men moest betalen voor graan dat naar de molen ging. Maar de bevoegdheden van dit trio strekten zich niet uit tot andere belastingen, en dat was nou net, wat ze wel deden voorkomen. Op 24 oktober 1727 patrouilleerden ze in de heidevelden tussen Pekela en Meeden, een berucht smokkelgebied, hielden er een paar, waarschijnlijk Duitse voetreizigers aan en gingen daarbij hun boekjes ver te buiten. Zoals in het vonnis van Meindert staat, maakte elk van de drie zich eraan schuldig,

“onder praetext van op het frauderen der gemeene middelen inquisitie te doen, hem heeft onderstaan met sijne meede complicen twee vreemdelingen over het veen van de Pekell A na de Meeden passerende, te beroven van twee schinken, 2 stoeten en eenige nieuwe jaarskoeken, niet tegenstaande geen pagtenaer van de wage was, nogh van deselve gelast, en de hammen ònder het gewigte den impost van de wage subject…”

De quasi-belastingcontroleurs hielpen de reizigers dus van hun leeftocht af: hammen, brood en koeken. Aardig is dat we deze mondkost kunnen vergelijken met het voedsel dat een Westfaalse hannekemaaier anno 1767, maar dan in het voorjaar, bij zich had. Ook hij nam brood en koek mee, maar koos voor worst in plaats van ham. Opmerkelijk aan het geval in 1727 is trouwens, dat er eind oktober al nieuwjaarskoeken in omloop waren: in de verkrijgbaarheid lang voor de datum, zijn onze pepernoten blijkbaar niet uniek.

Voor hammen van boven een bepaald gewicht moest er waagaccijns betaald worden, maar daar hadden de drie speurneuzen uit Noordbroek en Meeden niets mee uit te staan, en dus ook geen opsporingsbevoegdheid voor. Bovendien haalden de hammen van beide vreemdelingen niet eens het vereiste gewicht waarvoor waagaccijns betaald moest worden.

Desalniettemin namen de de drie ´controleurs´ zowel de schinken als de stoet in beslag, om ze naderhand onder elkaar te verdelen. En dat terwijl ze donders goed wisten,

“dat de goederen over sluikerijen angehaalt niet tot particulieren gebruik mogten emplojeren maar in sequester (= verzekerde bewaring, HP) brengen”.

Waarschijnlijk doordat de reizigers hun beklag deden, kwam het weldra uit. Het trio ‘controleurs’ belandde in het Geweldige Hof, zeg maar het huis van bewaring in Groningen. Gedeputeerde Staten, die recht spraken in belastingzaken, keurden het machtsmisbruik sterk af, ze vonden dit eigenlijk

“een seer zware misdaat, d[i]e anderen ten exempel, op het swaarste behoorde te worden gestraft”.

Desalniettemin streken de Heren Gedeputeerden met hun hand over het hart, en veroordeelden elk van de drie knevelaars tot een boete van 50 gulden, die meteen moest worden voldaan. Gebeurde dat niet, dan ging de schuldenaar voor acht dagen op water en brood in het “stockhuis”. Uiteraard moest het trio ook nog de beroofde vreemdelingen hun schade vergoeden en de rechtskosten betalen.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 1 (archief Staten van Stad & Lande) inv.nr. 1351 (sententies in fiscale- en militaire zaken), bepaaldelijk die van 6 januari 1728.