‘Fog everywhere’

Fog everywhere. Fog up the river, where it flows among green aits and meadows; fog down the river, where it rolls defiled among the tiers of shipping and the waterside pollutions of a great (and dirty) city. Fog on the Essex marshes, fog on the Kentish heights. Fog creeping into the cabooses of collier-brigs; fog lying out on the yards, and hovering in the rigging of great ships; fog drooping on the gunwales of barges and small boats. Fog in the eyes and throats of ancient Greenwich pensioners, wheezing by the firesides of their wards; fog in the stem and bowl of the afternoon pipe of the wrathful skipper, down in his close cabin; fog cruelly pinching the toes and fingers of his shivering little aprentice boy on deck. Chance people on the bridges peeping over the parapets into a nether sky of fog, with fog all round them, as if they were up in a balloon, and hanging in the misty clouds.

Charles Dickens, Bleak House, chapter 1.

Voorgelezen met beeld dat het woord onvoldoende recht doet.


“Beveiligd door Bandit”

Gezien bij de ingang van vernieuwde AH in ons dörp: sticker, dienende ter afschrikking van plofkrakend canaille dat het op de geldautomaat heeft voorzien. Zodra dit gespuis bij nacht en ontij binnenvalt, slaat er een apparaat aan dat ze effectief de dampen aandoet. Op het tekeningetje rent boevemans nog de deur uit, maar gezien ettelijke productvoorlichtingsfilmpjes is het maar zeer de vraag of hij überhaupt nog de weg naar buiten weet te vinden.

Veel van die filmpjes zijn drie jaar oud en dus is het product niet nieuw, maar ik zag het plakplaatje vandaag voor het eerst en dat is wat hier telt.

Opmerkelijk overigens, dat de firma zich Bandit noemt. Met boeven vangt men boeven, heet het. Een variatie daarop is: Bandit beveiligt u tegen bandieten.


Rondje Lettelbert – Enumatil

Wal en sloot, Roderwolderdijk Hoogkerk:

Zilverreiger bij de Hooiweg tussen Roderwolde en Matsloot:

Ze gaan de bomen bij het gemaaltje daar rooien, getuige de gele stippen op de stammen:

Beuk bij het viaduct over de A7, Lettebert:

Kat met jong op zonnig stukje boswal, noordkant A7 bij het Lettelberterdiepje:

Koeienpaadje bij de Zuiderweg tussen Enumatil en Zuidhorn:

De skyline van Enumatil vanaf het Hornpad:

Blaarkop in Leegkerk:


Sint-Maartensganzen

Leonardus Schweickhardt, Wensbrief met een boer en zijn ganzen (uitsnede),1815. Rijksmuseum.

Tamme ganzen werden vooral om hun vlees gehouden en in het najaar geslacht. Vrij bekend waren de Sint-Maartensganzen: langdurig vetgemeste jonge dieren die in Oost-Nederlandse contreien op Sint-Maartensdag (11 november) op het menu stonden. Elders in Nederland, zoals in Friesland, at men gans vooral met kerstmis, zodat men daar wel sprak van kerstganzen.

Het aantal Groninger meldingen van Sint-Maartenganzen is vrij beperkt, maar dat komt wellicht ook doordat het houden, vetmesten en consumeren van ganzen vooral een particuliere aangelegenheid was, waarmee de overheid zich weinig bemoeide. De oudste Groninger melding van een “sunt Meertens gans” die ik vond, dateert in elk geval pas van zaterdag 10 november 1590. Deze is te vinden in het Diarium van de Groninger stadssecretaris Egbert Alting, daar waar hij schrijft over een inval door staatse soldaten bij Delfzijl en Appingedam die roet in dit lekkere eten gooide. [1].

Niet alleen daar bij de Eems, maar ook in de stad Groningen verorberde men graag een Sint-Maartensgans. In een stedelijke ordonnantie uit 1631 is er sprake van herbergiers die met Sint Maarten hun gasten maaltijden met als hoofdgerecht een Sint-Maartensgans voorzetten,

streckende tot groote schaede van de gemelte tappers ende onnutte verleinge van spise ende dranck”.[2]

Die verleiding en schade golden vooral het zieleheil. Met name orthodoxe godgeleerden en predikanten fulmineerden tegen de Sint-Maartensganzen omdat die naar een katholieke heilige verwezen, terwijl het eten nogal eens met drankmisbruik gepaard ging. Zo schreef Martinus Schoock, later hoogleraar in Groningen, in zijn Deventer tijd een traktaatje tegen het eten van Sint-Maartensgans door zijn studenten/[3].

Sint-Maartensganzen zullen het meest bij mensen thuis zijn genuttigd. De toenmalige Groninger horeca zag er de commerciële mogelijkheden van in, zoals nu ook de kerstmaaltijd in restaurants eigenlijk afgeleid is van het kerstmaal thuis. Hoe dan ook, het stadsbestuur verbood de tappers voortaan nog het bereiden van Sint-Maartensganzen op straffe van een pond groot of 6 gulden, zowel voor hemzelf als elk van zijn gasten. Zo’n boete vertegenwoordigde destijds ruim een weekloon voor een geschoold arbeider. Overigens was het geld half voor de stad en half voor het tappersgilde dat kennelijk op de naleving toe moest zien. [4].

Een volgende melding van Sint-Maartensganzen komt van Hemmo Dijkema, een landhuishoudkundige uit de buurt van Baflo, en slaat op diens jeugdjaren in de eerste decennia van de negentiende eeuw. Op de “meedens” (lage hooi- en weilanden) van Hunzingo en Fivelingo werden toen volgens Dijkema vele ganzen gehouden, die een “niet onbelangrijk aandeel bijdroegen” aan de inkomsten van de doorgaans wat kleinere boeren daar. Ook in het Westerkwartier, Duurswold en Westerwolde werden ganzen “in groote hoeveelheid aangefokt en maakten er een belangrijk artikel uit van de landelijke inkomsten”. Volgens Dijkema dreef men de ganzen (in het najaar) naar de Stad en elders. In een noot kondigde hij aan dat hij hier nog op terug wilde komen in verband met “den zogenoemden St. Maartensgans”, maar aan het uitvoeren van dat nobele voornemen kwam hij helaas niet toe. [5].

Een soortgelijke herinnering als Dijkema, maar dan uit de jaren 1840-1850, had de later in Friesland wonende , maar in de stad Groningen geboren en getogen advocaat J. Pelinck Stratingh. Over de Sint-Maartensganzen schrijft hij:

Ik herinner mij nog flauw, dat een groote troep ganzen door Gruno’s veste werd gedreven, denkelijk naar eene ganzenmarkt te Zwolle, zooveel ganzen waren er toen…” [6]

Kennelijk waren er later veel minder ganzen in Groningerland. Wat aansluit bij een waarneming van ene J.W.v.R. in een editie van het katholieke dagblad De Tijd van november 1898. Hoewel deze constateerde dat Sint-Maarten nergens nog zo gevierd werd als in Groningerland, bleef het “hoofdnummer van het program”, namelijk het eten van een gebraden gans, hier toen achterwege “omdat de ganzen niet meer in ieders bereik vliegen”. [7] Anders gezegd: ze waren voor menigeen te duur geworden, denkelijk door een veel geringer aanbod.

Een oude, vrij algemene gewoonte

Het aanrichten van een feestmaal met een vette, gebraden gans op Sint-Maartensdag was beslist niet typisch Gronings – zoals gezegd was de gewoonte wijdverbreid, ook in het nabije buitenland, vooral Westfalen. Medio negentiende eeuw was het gebruik in Nederland op zijn retour, maar dat vooral in de steden – op het platteland van met name Overijssel en Gelderland leefde deze traditie nog volop. Daar ook had je de laatste grote ganzenmarkt, die van Deventer. [8] Verder waren er zulke markten in Coevorden, Oldenzaal, Zwolle en Utrecht, ooit allemaal sterkten van het wereldbisdom Utrecht waarvan de schutspatroon Sint-Maarten was.

De oudste melding van een Sint-Maartensgans dateert uit de twaalfde eeuw. Hoewel er in volksoverleveringen allerlei verbanden werden gelegd tussen de heilige en de gans, zijn die volgens kerkelijke levensbeschrijvingen van Sint-Maarten op weinig gestoeld. Het gebruik hangt veeleer samen met de kerkelijke kalender en een verandering daarin. Oorspronkelijk waren er meerdere vastenperiodes in het kerkelijke jaar, waaronder een van 40 dagen voor Pasen, welke nog steeds bestaat en die op de dag na vastenavond of carnaval begint, en een ander van 40 dagen voor Kerstmis die de dag na Sint-Maarten begon. Net als vastenavond was Sint-Maartensdag dus een uitgelezen moment om nog eens flink uit te pakken met eten en drinken, voordat men aan het vasten begon. Toen in de dertiende eeuw de vastenperiode voor kerst werd afgeschaft, bleef de gewoonte voortbestaan om op Sint-Maartensdag nog eens lekker een gans te verorberen. [9].

Volgens een dialectstukje uit Westfalen waarvan de Groningse vertaling in 1842 in de Groninger Volksalmanak stond, werd zo’n Sint-Maartensgans urenlang boven een vuur aan een spit gedraaid en dan opgediend met gestoofde appels met krenten, pannekoekjes van tarwemeel, gepofte tamme kastanjes en gebakken eieren. Vooral de bruin-gebraden ganzehuid gold als delicatesse. [10] Nadat de gans soldaat gemaakt was, kwam er nog een staaltje bijgeloof aan te pas en onderzocht men de kleur van het borstbeen: was deze geel of doorschijnend wit? In het laatste geval kwam er een strenge winter aan, met veel sneeuw en ijs. [11]

Noten:

[1] W.J. Formsma (ed.), Diarium van Egbert Alting, 1553-1594 (’s Gravenhage 1964) 807.

[2] Groninger Archieven (GrA)A Tg. 2100 (stadsbestuur voor de reductie) inv.nr. 12-2: ordonnanties en plakkaten, tot 1640 uitgevaardigd door het stadsbestuur, en dan die van 21 maart 1631.

[3] L.J.F. Janssen, ‘Over den oorsprong der St. Maartensganzen’ in: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1850, 171-181, aldaar 173.

[4] Zie noot 2.

[5] H. Dijkema, Proeve van eene geschiedenis der landhuishouding en beschaving in de provincie Groningen, deel II (Groningen 1851) 399, 402.

[6] J. Pelinck Stratingh, ‘De ganzen van Klein Altenburg’, Leeuwarder Courant 1 januari 1900.

[7] J.W.v.R., ‘Brieven uit Groningen IX’, De Tijd 23 november 1898, rubriek Binnenland.

[8] L.J.F. Janssen, ‘Over den oorsprong der St. Maartensganzen’ in: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1850, 171-181.

[9] L.J.F. Janssen, ‘Over den oorsprong der St. Maartensganzen’ in: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1850, 171-181; zie ook Joës a Leydis, ‘De St-Maartensgans’, De Tijd 6 november 1898.

[10] C.F. Westphal (vert.), ‘De Sunt Meertens-Gans; of hoe de Pastoor van Grasheim van zien gans en cijperwien ofkwam’, Groninger Volksalmanak 1842, 165-166; zie ook Jan ter Gouw, De Volksvermaken (Haarlem 1871) 250-251.

[11] Joës a Leydis, ‘De St-Maartensgans’, De Tijd 6 november 1898.


Bij de ingang van de Appie

Ik kom aanzeilen op mijn fietsie, maar er staat een gezinnetje op de fietsparkeerplekken naast de ingang van de AH. Een kleine vrouw is bezig met het in- en opladen van de boodschappen en haar kind, haar forse man staat met zijn fiets breeduit op het complete rijtje parkeerplekken, zijn licht gebogen rug naar me toe. Ik besluit om maar even te wachten. Het duurt langer dan gedacht. Eindelijk keert de man zich om: “Wil je hier je fiets neerzetten soms?” Het klinkt nors, onvriendelijk. Ik hou mijn antwoord maar zo kort mogelijk: “Ja”. Licht agressief klinkt het nu: “Nou dat had je toch ook wel even kunnen zeggen niet?” Eindelijk haalt hij zijn fiets weg en kan ik de mijne neerzetten. Hij en zijn gezinnetje stappen op en rijden richting brug weg. Ietwat verbouwereerd staar ik ze na. Meneer kijkt nog even om.


Rondje Lettelbert – Leek – Leutingewolde

Rund bij de boerderij van het Groninger Landschap, Lettelbert bij de A7:

NIVON-camping bij het Lettelberterdiep:

Nienoord, Leek:

Bord met sluistarieven op de tentoonstelling over Leekster schippers in Museum Nienoord:

Leutingewolde:

Leutingwolde nabij ‘Sweers Anwende’:

Leutingewolde bij de Kring:

Foxwolde:


In een Reiderwolderpoldersloot

Ben hiervoor nog even teruggereden op die lange polderweg. Wilde even weten wat er precies op dat bord stond:

“Alleen toegankelijk voor leden HOG. Verboden voor auto’s.”

HOG = Harley Owners Group? Zit er zoiets hier in de buurt? Er zit wel een motorclub bij Finsterwolde. Is het bord misschien van een voorganger?