Ommetje Eiteweert-Leegkerk

Kastanjeknoppen – ’t zel weer veujoar worren:
dsc00454
Populieren aan de Roderwolderdijk,Hoogkerk – een elftal aalscholvers treedt aan in 5-3-2 opstelling met hangende vleugelbacks:
dsc00463
Doorkijkje boomgaard voorheen Kweeklust:
dsc00466
Ganzenvlucht:
dsc00470


Jan S. Niehoff en de Winschoter Courant

Begin jaren 70 ontpopte Jan S, Niehoff, schoolarts te Appingedam, zich als actievoerder tegen het Plan Kikkert dat van een groot deel van Westerwolde een militair oefenterrein wilde maken:

“Dikwijls vielen me ’s avonds laat nieuwe argumenten tegen het oefenterrein in; ik ordende ze dan in een krantenartikel. Hiermee reed ik meermalen tegen middernacht naar Winschoten om het daar in de brievenbus van de Winschoter Courant te deponeren. Dat – progressieve – blad bestaat helaas niet meer, het had toen om en nabij de 30.000 abonné’s. Door zijn felle weerstand tegen het plan-Kikkert en als klankbord heeft het ons veel steun verleend. In dat opzicht is het jammer dat veel kleine maar gezaghebbende bladen als de Winschoter zijn opgegaan in grotere, die in controversen als deze de wederzijdse belangen ontzien, vaak voorzichtig-neutraal reageren of ze uit de weg gaan.”

Uit: Jan S. Niehoff, Memoires (Bedum 2015) 85.


Aan de dood ontsnapt bij Ouessant

Herinnering aan een coastertrip in de jaren 50:

“Onze reis werd door de weergoden niet begunstigd: Ouessant, het eilandje dat met een sterke vuurtoren wacht houdt voor Bretagne’s westpunt, lag dik ingepakt door mist, erlangs loopt een drukke vaarroute, dus trachtten we van tijd tot tijd de wattige stilte te splijten door fluitstoten. Niettemin doemde plots een duister gevaarte voor ons op: met onaandoenlijke kluisgaten staarde het over ons heen. Het reuzenschip scheen maar niet op te houden en voor ons net op tijd om er vrij van te lopen, zagen we de ronding van z’n kont, waarachter de mist zich onmiddellijk sloot. “Dat was ‘m”, zei de kapitein effen. “D’r hoefde geen verrekijker bij.”

Uit: Jan S. Niehoff, Memoires (Bedum 2015) 48.


Smokkelaarster zet kind in

RHC Groninger Archieven 731-1948.

De boedelinventaris van Geertruid Anthonij. RHC Groninger Archieven 731-1948.

Ze had niet veel spullen, Geertruid Anthonij, de weduwe Eijldert Wierts te Wildervank. Haar boedelinventaris uit februari 1734 beslaat slechts één enkele pagina. In haar heldere, misschien enigszins aandoenlijke handschrift noteerde ze wat slaapgoed, wat simpel ijzeren kookgerei en aan huisraad slechts een tafel met vier stoelen en een “eten spinde”. Ze had vast een winkeltje, want ze beschikte over een toonbank, een houten weegschaal en wat rekjes. Dat was alles, op nog wat schotels na. Bestek ontbrak, zo bezien aten zij en haar kinderen met de handen.

Zij en wijlen haar man hadden wel een koophuis. Er zat nog 412 gulden aan onafgeloste hypotheek op; 140 gulden was afbetaald. De waarde van het huis moet bij aankoop dus minstens 552 gulden zijn geweest, een bedrag dat men zo ongeveer voor een kleine middenstandswoning neertelde. Naast de hypotheekschuld had Geertruid echter nog wat losse schulden aan leveranciers. Zelfs als ze het huis voor dezelfde prijs kon verkopen als zij en haar man het destijds hadden gekocht, stond ze nog altijd voor ruim 314 gulden in het krijt. Met die weinige spullen in haar huis kon ze dat nooit en te nimmer afbetalen. Ze zat er tot de nek toe in.

Toch beloofde ze haar vier minderjarige kinderen samen 100 gulden bij de afkoop, die haar in ruil de volledige beschikking gaf over het huis en de inboedel. De drie oudsten waren al boven de achttien, die konden hun aandeel in de afkoopsom, als ze dat wilden, onmiddellijk opeisen. De jongste, nog geen achttien, bleef in huis voor rekening van de moeder. Geertruid zou dit kind op haar kosten naar school sturen, om het lezen en schrijven te laten leren. Op zijn achttiende kreeg het dan ook zijn deel van het beloofde bedrag.

Zo stond het in het contract van afkoop, dat Geertruid en de voogden van haar kinderen overeenkwamen en lieten verzegelen. Maar die voogden klaagden naderhand over haar bij de drost:

“Remonstranten pupillen moeder zig met smokkelen ophoudende, zelfs haar kind daartoe mede gebruikende om uit de Pekela in de Wildervank onvreje waren over te brengen, verder an remons[tran]ten in q[uali]te weygerende haar jongste kind ter school te laten gaan om tot het leezen en schrijven onderwezen te worden, haar kind van smokkelen niet willende onthouden, zaken van de uiterste quade consequentie. De pagtenaren de moeder nu jongst met onvreje waren hebbende ontdekt, te vreesen staande dat dienswegen de boedel van suppleanten pupillen moeder door breuken en proceskosten staat [te] worden geabsorbeert, waardoor de kinder van de beloofde 100 cae[oli] g[u]l[den] dusdanig worden ontwaart…”

Doordat ze haar kind niet naar school stuurde, kwam Geertruid het contract met de voogden niet na. Haar jongste kind schakelde ze in bij smokkel tussen Pekela en Wildervank, waar nog vrij veel ongerept veen lag. Daarbij was ze betrapt door particuliere belastinggaarders die de inning van een bepaalde belasting hadden gepacht. De voogden vreesden dat boete en proceskosten Geertruids huishouden nog verder in het rood zouden drukken, daarom wilden ze dat Geertruid borg stelde voor de afkoopsom die ze haar vier kinderen beloofde,

“om in eventum van deze 100 car. gl. niet gefrustreert te worden”.

Ook zagen de voogden graag dat de drost Geertruid zou bevelen om haar kind naar school te sturen en

“zig inkomstig te onthouden van het zelve tot smokkelen in het overhalen van onvreje waren uit de Pekela verder te anplojeren”

Voor het geval dat Geertruid dat toch deed, wilden ze graag een stok achter de deur. Dan moest de drost nadere maatregelen nemen.

Op 20 juli 1734 willigde de drost dit verzoek op alle punten in. Geertruid Anthonij werd gelast borg stellen voor het beloofde geld. Ook moest ze haar jongste kind dagelijks naar school sturen, op straffe van “nader dispositie”.

Wat betreft de belastingpachters vond ik geen civiel (boetstraffelijk) proces, noch een crimineel vonnis. Waarschijnlijk maakte Geertruid Anthonij dat in het particulier af met de pachters, zonder dat Gedeputeerde Staten zich er als rechtbank voor belastingzaken mee hoefden bemoeien. Ook in het prothocol met sententies, uitgesproken door de Oldambtster drost ontbreekt Geertruids naam. De smokkelzaak zal met een sisser zijn afgelopen.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 6117 (samengevatte rekesten met apostilles of kantbeschikkingen).


Valkje in de ochtendzon

dsc00275

(Bij het Hegepad vanmorgen)


Groningen fietsstad nummer 1? Niet als het aan de Milieudienst ligt!

Gisteravond werd er om een uur of acht, negen al gemopperd door Wim van de Onlanden. Hij was op de fiets van Stad naar Peize gegaan. De fietspaden in de stad waren bagger. Er bleek niet gestrooid. De Drentse fietspaden daarentegen, lagen er mooi schoon bij.

Dan denk je dat de Groninger Milieudienst wel flink zijn best zal doen voor het forenzenfietsverkeer dat maandagochtend o.a. vanuit Peize op gang komt. Helaas, dat bleek een vergissing:

Situatie Johan van Zwedenlaan:
dsc00273
Situatie Hegepad:
dsc00277
Nogmaals Hegepad:
dsc00280
Bij de Eelderbrug:
dsc00281
Op het fietspad langs de Peizerweg was het middelerwijl niet veel beter. Stukjes waren schoon, op andere stukken trok je spoortjes door de proeksel.

En dan denk je dat de Groninger Milieudienst wel zijn stinkende best zal doen voor het forenzenfietsverkeer dat maandagavond  op gang komt, maar de situatie bleek nauwelijks verbeterd. Een eind voorbij de Eelderbrug, net voor de Eendrachtbrug was het zelfs ronduit gevaarlijk: spoortjes door de opgestaste proeksel, links een bus die je passert op 50 cm afstand. Gewoon eng.

Langs het Hoendiep leek het op het fietspad langs de Peizerweg vanochtend: stukken schoon, andere stukken glad. Bij de afslag Diamantlaan weer sporen door de proeksel.

NB: Intussen was het minimaal dooi, zonder sneeuw.  De hele dag is er dus niets gebeurd. Groningen fietsstad nummer 1? Niet als het aan de Milieudienst ligt!

Bij Gravenburg schenen de fietspaden vanochtend mooi schoon te zijn. Het kon dus wel. Iemand merkte tegen me op dat dat de Milieudienst zo weinig oog voor Hoogkerk heeft, omdat hier nauwelijks medewerkers van de Milieudienst wonen. Je zou het bijna geloven.


Over hondepaden (2)

Op zoek naar honde(n)paden in woordenboeken, dienen zich voor Groningerland twee definities aan. De eerste komt uit Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19de eeuw (1887):

“Een binnenpad bijlangs of door het koren, waarvan men niet dan ter sluips gebruik durft maken. Een pad dat geen recht van bestaan heeft.”

Anno 1912 kwam deze omschrijving terecht in het WNT als:

“Naam voor een (ongeoorloofd) binnenpad bijlangs het koren.”

Hoewel het WNT met de haakjes gas terugneemt, benadrukken beide omschrijvingen het illegale of op zijn minst dubieuze karakter van een hondepad. Het bestaat, maar het mag eigenlijk niet bestaan. In Zuiderveen, anno 1802, was er echter geen sprake van illegaliteit. De gedupeerde Zuiderveensters meenden een gebruiksrecht te hebben op het af te snijden Hondepad, en dat recht werd zowel door de grondeigenaars als de regionale magistraat gerespecteerd.

De andere definitie, die van Ter Laan in zijn Nieuw Groninger Woordenboek (1952), is wèl op het Zuiderveenster geval van toepassing. Dat woordenboek omschrijft hondepad veel korter en globaler, maar ook beduidend minder karakteristiek als:

“Pad door ’t veld.”

Daarbij verwijst het nog naar hondeloane als “laan met onaanzienlijke huizen”. Dit zijpad van Ter Laan laat ik verder buiten beschouwing, al wil ik nog wel wijzen op twee officiële straatnamen, een eerste ten zuidoosten van Schildwolde en de tweede ten zuidoosten van Zuidbroek op grondgebied van Muntendam. In tegenstelling tot Hondelaan is Hondepad tegenwoordig nergens in Groningerland een officiële straatnaam, maar een pad is dan ook geen laan.

Welke van de twee definities – die van Molema of die van Ter Laan – deed nu het meeste opgeld? Dat valt te onderzoeken aan de hand van gedigitaliseerde kranten (Delpher) en andere publicaties (Google Books), die nog hondepaden opleveren te Meeden, Bellingwolde en Vriescheloo. Opvallend genoeg allemaal in Oost-Groningen, maar daar was het areaal (half)natuur of ‘veld’ dan ook veel groter dan in de Ommelanden ten westen van het Damsterdiep.

Meeden

Het pad in Meeden wordt slechts een enkele keer genoemd, namelijk in de bekendmaking uit 1849 van een vastgoedveiling, waarbij onder de hamer kwam

“een eind bovenbouwte tot aan het Hondepad”.

Dit Hondepad lag net als de gelijktijdig te veilen percelen ten zuiden van de Hereweg, dat is de hoofdweg door Meeden. Wellicht lag het Hondepad parallel daaraan en betrof het een nu verdwenen bovenstreekje. In elk geval impliceert het verschijnen van de naam Hondepad in een dergelijke bekendmaking dat die naam hier geen al te negatieve bijklank had waardoor men kopers zou kunnen afschrikken. Het Meedener Hondepad was dus meer conform de omschrijving bij Ter Laan, dan die bij Molema.

Bellingwolde

Anders was het gesteld met het hondepad bij Bellingwolde. Al eerder citeerde ik hier een rechtbankverslag uit 1895, dat over de omgeving van Bellingwolde opmerkt:

“De smokkelaars verdienden (?) een aardigen stuiver en kenden de hondepaadjes over heide en veld zoo goed, dat ze moeielijk te snappen waren.”

Dat rechtbankverslag gaat over een recent verleden, maar de Staatscourant rept in 1815 al over contrabande, aangetroffen

“op het zogenaamd Hondenpad onder Bellingwolde.”

Om wat preciezer te zijn gaat het in januari dat jaar om 4,5 kroes jenever, achtergelaten door een meisje dat op de vlucht sloeg, en in augustus om een ongemerkt roggebrood van 12 pond. Via bekendmakingen wilde de overheid graag achterhalen wie de wettige eigenaars waren.

Toch is dat Hondenpad bij Bellingwolde ook een (bijna) officiële gehucht- en straatnaam geweest. A.J. van der Aa maakte er in zijn Aardrijkskundig Woordenboek (1844) zelfs een apart lemma van, waarbij hij dit Hondenpad aanduidt als een

“voorname boerenstreek en voetpad in Westerwolde.”

Volgens hem lag dit pad parallel aan de rijweg Bellingwolde-Vriescheloo, op 5 minuten (= ruim 400 meter) lopen ten oosten daarvan. In totaal had het een lengte van anderhalf uur gaans (ongeveer 7,5 kilometer). Het begon in het noorden bij De Lethe en liep in zuidwestelijke richting over de Bovenstreek ten zuidoosten van Bellingwolde door langs Vriescheloo, om bij de Ossedijk te eindigen. Een topografisch-militaire kaart uit die tijd, die de naam Hondepad ook noemt (zowel bij Bellinwolde als bij Vriescheloo) geeft een indruk van het tracé, hoewel dat er niet helemaal op staat:

Het Hondenpad bij Bellingwolde (lila aangezet).

Het Hondenpad bij Bellingwolde (lila aangezet).

Van der Aa noemt dit Hondenpad eveneens bij zijn lemmata over Bellingwolde en Wittenburg (een hofstede of boerderij). Een wegwijzer voor Groningerland van enkele decennia later vermeldt het als de naam van een buurt bij Bellingwolde. Van het tracé lijkt nu weinig meer over, wat deels zal komen door de aanleg, omstreeks 1910, van het Boelo Tijdenskanaal, maar ook door herinrichting van het gebied. Zo bood de ruilverkavelingscommissie Blijham-Bellingwolde in 1963 voor afbraak te koop aan een huis met twee woningen onder één kap, op de adressen Hondepad 1 en 2, welk vastgoed het eigendom was geweest van een H. Renken Gzn. Of het hier een officiële straatnaam betrof, zou ik niet durven zeggen, maar het Hondenpad te Bellingwolde dook in 1972 nog op in een wervingsadvertentie van dagblad De Tijd.

De conclusie voor dit hondepad moet luiden, dat het zowel de negatieve als de neutrale naam had. Daarmee voldeed het aan de beide definities, gegeven door Molema en Ter Laan.

Vriescheloo

Een eind zuidelijker, bij het westzuidwestelijken uiteind van Vriescheloo, pal op de grens van de gemeenten Bellingwolde en Wedde, lag het volgende hondepad, dat in het najaar van 1873 aanleiding gaf tot een rechtszaak bij het Kantongerecht in Winschoten.

In de avond van 9 mei dat jaar betrapten hier twee Weddenaren, H.H. Kemies en K. Bos, een wandelaar wiens naam in de berichtgeving helaas niet genoemd wordt. De man liep op een perceel dat Kemies en Bos hadden verpacht aan hun dorpsgenoot, de landbouwer W. Leta, die de grond geschikt had gemaakt als bouwland, waarop hij haver inzaaide. Noch van de eigenaars, noch van hun pachter had de voetganger toestemming zich op Leta’s grond te begeven. Daarom diende de boer een klacht in bij het Kantongerecht, welke klacht gepaard ging met een eis tot schadevergoeding.

Bij de kantonrechter bekende de gedaagde grif de overtreding, waarop volgens het Wetboek van Strafrecht (art. 471) nog een geldboete van 1 tot 5 frank stond, bij wanbetaling te vervangen door een celstraf van één tot drie dagen. De gedaagde bestreed echter dat het wetsartikel van toepassing was. Volgens hem was het namelijk zo

“dat niet alleen hij, maar ook ieder ander sedert onheugelijke tijden herwaarts bedoeld land in de rigting van het noorden naar het zuiden en omgekeerd plagten te begaan, zonder dat zulks immer of ooit bevorens door of vanwege de eigenaren of gebruikers was verboden of te keer gegaan.”

Om dit te staven nam de beklaagde twee getuigen mee: de weduwe B. Holstein-Smook en H. Beishuizen, beiden uit Vriescheloo. De wed. Holstein gaf aan dat zij en wijlen haar man vroeger het behuisde plaatsje, nu door W. Leta gepacht, hadden bewoond en gebruikt. Dat plaatsje bevond zich nog net op Vrieschelooster grondgebied, maar het haverland in kwestie lag er onmiddellijk ten zuiden van op grondgebied van Wedde. Ertussenin lag een sloot, die tevens de gemeentegrens vormde. Beaamde zij eenvoudig de bewering van gedaagde, Beishuizen gaf aan dat hij en andere kinderen uit het zuidwestelijk deel van Vriescheloo ruim een halve eeuw eerder over het land in kwestie naar hun school in Wedde liepen.

Voor de kantonrechter vormde het meningsverschil aanleiding om ter plaatse poolshoogte te nemen. Dat deed hij in aanwezigheid van de officier van justitie en de beide partijen en hun vertegenwoordigers. Door dit uitstapje kwam hij tot de conclusie dat er geen sprake kon zijn van ontslag van rechtsvervolging. Dat buren eerder niet klaagden “om elkander onderling door eene meer gemakkelijke gemeenschap te gerieven”, sprak zijns inziens de overtreder niet vrij en evenmin deed dat het feit dat de schade altijd zo beperkt bleef dat er nooit vervolging werd ingesteld. Mensen uit de buurt mochten het onlangs in bouwland veranderde stuk veldgrond dan wel langdurig zonder tegenspraak hebben gebruikt als openbaar voetpad, maar dat was alleen maar omdat de eigenaar zulks gedoogde. Daarmee was er nog niet werkelijk sprake van een recht van overpad, temeer niet daar het vermeende buurtpad ontbrak op de gemeentelijke leggers.

Wel hield de kantonrechter in zijn strafmaat rekening met het aangevoerde. Hij legde dan ook de minimumsanctie op, te weten een boete van 50 cent. Betaalde de verdachte deze niet binnen twee maanden, dan ging hij voor één enkele dag de gevangenis in.

Ook wat betreft de civiele eis tot schadevergoeding hield de kantonrechter er rekening mee dat vroegere eigenaars en pachters van het land gedoogden dat het werd gebruikt

“als overgang of (gelijk het in de taal der landlieden in deze streken veelal wordt genoemd), als hondenpad“.

Het door Leta geëiste bedrag, dat niet als overdreven werd bestreden, hield de kantonrechter daarom beperkt tot 1 gulden terwijl de veroordeelde ook de proceskosten moest voldoen.

De veroordeelde accepteerde de uitspraak niet en vroeg cassatie aan bij de Hoge Raad. Eind dat jaar besloot dat rechtscollege echter, het bij de uitspraak van de kantonrechter te laten blijven. ‘Eenmaal een hondepad altijd een hondepad’ ging dus niet op.

Nog even weer de beide definities van Molema en Ter Laan ernaast leggend, moet gezegd worden dat die van Ter Laan hier meer van toepassing was. De term hondepad werd in deze zaak neutraal gebruikt.

Tot besluit alle genoemde hondepaden namelijk die van Zuiderveen, Meeden, Bellingwolde en Vriescheloo recapitulerend, blijkt dat de term slechts in één geval, namelijk dat van Bellingwolde, ook een negatieve klank had. De neutrale woordenboekdefinitie van Ter Laan is daarom, ondanks zijn beknoptheid, beter dan die van Molema, al zou ikzelf de smokkelconnotatie niet buiten beschouwing hebben gelaten.