Ergens in Hoogkerk

Gezien de wappen-agressie zet ik het adres er maar niet bij:


Betrekkelijke welstand van arbeiders ondanks ouderwetse winter

Een week of wat eerder was er sprake van honderden schaatsers op de Drentse Hoofdvaart en verhaalden de kranten van een oud-jachtopziener uit Ruinerwold die als grijsaard nog zo mooi scheuvelde, dat jonge kerels er hun pet voor afnamen. Maar dat ouderwetse winters niet alleen maar ijspret betekenden, wordt duidelijk uit bovenstaand bericht van de Provinciale Drentsche en Asser Courant op 6 februari 1879: winter betekende werkloosheid voor mensen die het van daglonen moesten hebben, zeker de helft van de plattelandsbevolking. Weliswaar werd er nog geen honger en gebrek geleden, zodat particuliere liefdadigheid dit keer nog overbodig was. Het gros van de mensen had wat gespaard. Wel leefden mensen qua brood en kruidenierswaren op de pof bij hun leveranciers tot het voorjaar.

Wat het bericht ook duidelijk maakt: in 1879 was er nog geen sprake van algemene bittere armoe in de Drentse venen. Die kwam pas toen de steenkool als barndstof steeds meer de turf verdrong, definitief na de Eerste Wereldoorlog. Tot zo ongeveer 1880 was je als veenarbeider beter af dan als boerenarbeider op het Drentse zand. Vincent Tassenaar had dat al eens aangetoond aan de hand van de lichaamslengte van Drentse lotelingen voor de militaire dienst, maar zo’n bericht bevestigt zijn bevinding nog eens.


Poet-in kan van mij de rambam krijgen

Met mijn geslonken inkomen (nu aow + klein pensioentje), de toenemende inflatie alsmede de door Poet-in opgedreven gasprijs leek een kleine bezuinigingsactie me wel raadzaam: voortaan binnen een dikke trui aan, temperatuur in de huiskamer overdag op 18,5 graden; geen apparaten en lampen aan laten als dat niet strikt noodzakelijk is.

Van de stroom heb ik zo nog een vijfde af gekregen, van het gas een tiende. Ik zit nu op 60 % van het gasverbruik van een gemiddeld appartement en 44 % van het stroomverbruik van een gemiddeld eenpersoonshuishouden. De Russische dictator kan van mij de rambam krijgen.

Naschrift eodam dato:

Mijn maandelijks voorschot bedroeg 64 euro. Alleen aan gas ben ik over december bijna 100 euro kwijt, die bezuinigingsactie was dus absoluut nodig! Binnenkort komt de jaarafrekening.


Locomobielen van Buiskool te Beerta

Advertentie uit de Winschoter Courant van 8 augustus 1898, waarin zes boeren uit de Reiderwolderpolder een goed woordje doen voor de zuinige locomobielen van machinefabriek G. Buiskool te Beerta. Gezien de advertentie erboven maakte dit in elk geval sinds 1893 bestaande bedrijf naast locomobielen ook stoomketels, dorsmachines en zaagmachines. Bovendien is er vlak na de vestiging sprake van korenpletters, bonenbrekers en sproeimachines. Vanaf 1898 deed Geert Buiskool echter tevens in fietsen van de Duitse merken Hercules en Albatros.

Van de ondertekenaars der aanbevelng in de krant waren D.J. Mellema, F. Brinkman en E. Roelofs getuigen bij het huwelijk van mijn overgrootouders. Onnes en Barlagen waren bovendien zoon en schoonzoon van de vierde getuige bij dat huwelijk.

Barlagen op de Onnesheerd was werkgever van mijn overgrootvader Elzo Perton (1831-1908) die tot op hoge leeftijd nog werkte. Als vaste arbeider zal Elzo dus ook te maken hebben gehad met zo’n locomobiel van Buiskool voor de aandrijving van de dorsmachine .

Het bedrijf van Geert Buiskool (Beerta 1866-Zuidlaren 1936) bestond tot 1921, toen Buiskool en zijn gezin naar Zuidlaren verhuisden. Zijn meesterknecht zette de zaak voort en de locomobielen ervan zijn getuige advertenties nog in 1930 te koop. Er zijn nog enkele van bewaard. Een achterkleinzoon vertelt over het bedrijf in een aardig filmpje.

Naschrift:

Buiskool en zijn autobus, een Spijker, uit 1906.


Prominente polderboeren getuigden bij huwelijk van arbeiderskinderen

Toen ik een tijd geleden nog eens  de huwelijksakte uit 1889 van Geert Perton en Antje Tuin bekeek, mijn overgrootouders uit Finsterwolde, viel me iets merkwaardigs op.  Gewoonlijk werd zo’n akte getekend door vier naaste familieleden van het bruidspaar, eventueel aangevuld met buren of ambtenaren van het gemeentehuis. Bij Geert en Antje ging het echter om vier landbouwers, alle vier uit de Reiderwolderpolder.

Misschien kwam het een enkele keer wel eens voor dat een boer als getuige  optrad bij een huwelijk van arbeiderskinderen, maar hier ging het om vier, en dat terwijl in het Oldambt de sociale afstand tussen boeren en arbeiders vrij groot was. In de flankerende akten komen de vier ook niet voor – het was dus niet zo dat het boerenkwartet toevallig in het gemeentehuis aanwezig was, ze waren hier speciaal voor dit huwelijk.

Ook binnen de boerenstand ging het om prominenten, kopstukken:

Derk Jans Mellema (51)

Geboren 1837 te Nieuw-Beerta als zoon van een landbouwer. Met zijn vrouw in 1863 verhuisd naar een nieuwe boerderij in de pas ingepolderde Reiderwolderpolder A, waar bijna al hun kinderen jong stierven. Mellema was een befaamd paardenfokker, bij selecties van paarden voor het leger viel de keuze nogal eens op dieren uit zijn stal. Zijn hengst Kees viel in de prijzen bij een harddraverij in Groningen. Naderhand zijn er speciale keuringen van veulens die van Kees afstammen. Mellema zat vanaf 1888 in het bestuur van de strokartonfabriek De Dollard in Nieuweschans. Hij overleed in 1903.

Eltjo Tjark Roelofs (48)

Geboren in 1840 te Finsterwolde, waar zijn vader, de landbouwer Roelof Jurjen Roelofs, vanaf 1850 ruim twintig jaar burgemeester was. Net als Mellema behoorde Eltjo Roelofs tot de eerste lichting boeren van de Reiderwolderpolder. Hij overleed in 1926.

Filippus Brinkman (42)

Geboren 1847 te Finsterwolde als zoon van een dagloner. Trouwde in 1877 een boerendochter, (waarlijk iets zeldzaams!). Brinkman overleed in 1926.

Cornelius Jan Onnes (58)

Geboren in 1831 op de Kroonpolder als zoon van een landbouwer. Trouwde in 1859 een dochter van het bekende liberale tweede kamerlid Jan Freerks Zijlker, tevens boer te Nieuw-Beerta. Ook Onnes’ zwager, Zijlkers zoon, was kamerlid, in 1889 nog steeds. Onnes zou in 1917 op ’t Waar overlijden.

Natuurlijk vroeg ik me af waarom deze ‘dikke boeren’ in 1889 Geert Perton en Antje Tuin de eer aandeden, als getuige bij hun huwelijk op te treden. Het antwoord kwam toen ik bij Delpher zocht met al hun achternamen tesamen. Op die manier kwam namelijk een jubileumboekje van een halve eeuw Reiderwolderpolder (1862-1912) tevoorschijn, waaruit bleek dat ze alle vier ten tijde van het huwelijk zitting hadden in het bestuur van die Reiderwolderpolder. Ze traden dus niet op als individuen, maar collectief, als dat bestuur.

Nu was Geerts vader Elzo Perton in zijn latere jaren, begin twintigste eeuw, werkzaam als vaste arbeider op de Onnesheerd in de Reiderwolderpolder A, toen inmiddels het eigendom van Onnes’ schoonzoon Barlagen (bijgenaamd Barlagen met de lange baard). Van Elzo  weet ik inmiddels ook dat hij in elk geval tussen 1869 en 1873 een bolschip of praam had, die bij de Ganzendijk lag en waarmee hij in die omgeving – waaronder we ook de Reiderwolderpolder A mogen rekenen – bijvoorbeeld grond en kwelderhooi zal hebben vervoerd.

Met grond en kwelderhooi had ook het polderbestuur te maken. Bij het onderhoud van watergangen en dijken kwam grond vrij, of moest er juist grond worden aangevoerd. Elke zomer waren er bovendien meerdere veilingen van kweldergras en -hooi dat van de andere kant van de Dollarddijk kwam. Mijn conclusie is dan, dat Elzo met die praam bepaalde werkzaamheden verrichtte voor het polderbestuur. Waarbij de onderlinge relatie zo goed moet zijn geweest, dat de boeren hem het plezier deden om te getuigen bij het huwelijk van zijn zoon Geert.

Binnenkort maar eens kijken in de rekeningen van het polderbestuur, of deze hypothese hout snijdt. Zo ja, dan zal de naam Elzo Perton daar meermalen in voorkomen. Misschien wordt er in een rekening of notulen van het polderbestuur zelfs melding gemaakt van het gezamenlijke uitstapje naar het gemeentehuis van Finsterwolde, op de huwelijksdag.

—-

Aanvulling 11 januari 2022

Heb nu ook even een blik kunnen slaan in het eerste deel van het Boerderijenboek Beerta e.o. Op de pagina’s 433-473 vinden we de in totaal 18 boerderijen in de Reiderwolderpolder A en B samen. Met B, in 1874 gereedgekomen voor rekening van de stad Groningen die er pachtboeren op zette, hebben we verder niets van doen. Want alle vier de boeren die getuigden bij het huwelijk van mijn overgrootouders Geert Perton en Antje Tuin bewoonden als eigenaars boerderijen in het eerste, particuliere, westelijke gedeelte van de Reiderwolderpolder (oftewel Reiderwolderpolder A) dat gereedkwam in 1864, toevallig ook het geboortejaar van Geert Perton.

Overigens geeft het boerderijenboek een aardig beeld van het vermogen van deze polder boeren. De totale aanlegkosten van de zeedijk plus uitwateringskanaal- en sluis (ook voor het achterland) bedroegen 711.880 gulden. Met de eerste koolzaadoogst – bruto-opbrengst ƒ 600.000,- – werden die aanlegkosten al grotendeels afbetaald. En met de tweede koolzaadoogst, die van 1865 (opbrengst 740.000 gulden) gebeurde dat helemaal.

Het boerderijenboek nummert de elf boerderijen van de Reiderwolderpolder A van west naar oost als 198 tot en met 208.

Derk Jan Mellema zat in 1889, ten tijde van het huwelijk van mijn overgrootouders, op 203.

Op 204 zat Eltjo Tjark Roelefs

Filippus Brinkman  woonde op 208, Torpsum, de meest oostelijke boerderij van Reiderwolderpolder A, Tot 1880 zat hij echter op 198, de meest westelijke heerd, terwijl zijn vader op 205 boerde.

Cornelius Jan Onnes, de schoonzoon van Zijlker,  had 202, de Onnesheerd. In 1892 nam zijn schoonzoon Derk Tonko Barlagen dit bedrijf over. Bij hem op de Onnesheerd, werkte mijn betovergrootvader Elzo Perton als vaste arbeider. Mogelijk was Elzo eerder in dienst van Onnes geweest. Onnes bezat ook 199, waarop hij eerst een bedrijfsleider zette, maar dat hij in vanaf 1889 verpachtte aan zijn zoon.

Al met al waren in 1889 van de elf boerderijen in de Reiderwolderpolder A er vijf (de nummers 199, 202, 203, 204 en 208 in bezit van getuigen bij het huwelijk van mijn overgrootouders. Nog een ander had bovendien een vader met een boerderij (205) in de Reiderwolderpolder A.


Hoe de kommiezenvriend verdween

Onder de overkoepelende titel ‘Aan de boorden van de Tjam’ bevat de Winschoter Courant van de jaargangen 1889/1890 een serie sfeerstukken, deels spelend in het Finsterwolde van medio negentiende eeuw. De schrijver noemde zich Henry, en presenteerde zich als een in Finsterwolde opgegroeide en weer naar dat dorp teruggekeerde zeeman. Deel VI, in de editie van 24 mei 1889, gaat over de Dollard en besluit met dit smokkelverhaal:


De beste wensen van Sieno Perton voor 1933

De Bellingwolder tak die zich rond 1820 van de Oldamtster familie Perton afsplitste, was niet alleen wat commerciëler, maar ook wat cultureler, zo blijkt uit de Winschoter Courant. Exponent was Sieno Perton, die er net niet in slaagde om in drie eeuwen te hebben geleefd. Hij had een manufacturenzaak in de buurtschap van de Rhederbrug, waar hij voor de oorlog een grote rol in het lokale verenigingsleven speelde. Na de oorlog is hij nog jarenlang PvdA-wethouder van Bellingwolde geweest. Deze advertentie van hem stond in de Winschoter Courant van 31 december 1932.


2022


Westerhaven in de winter

Sinds Bibi Putting dit topstuk op Twitter plaatste, heb ik hem als bureaubladachtergrond. Het betreft een ‘Wintergezicht op de Westerhaven’ uit 1947 van de Ploegschilder Jan van der Zee (1898-1991).

Op het kwart linksboven zie je in de verte een stukje Praediniussingel en wat dichterbij het gedeelte van de A tussen de oude Museumbrug en de Zuiderhaven. Rechts langs de A ligt de Sluiskade. Een paar panden voorbij het hoekpand heeft mijn oudtante Siene nog een poos gewoond, eind jaren 50.

Recht vooruit in de verte de oude Steenhouwerskade, met daarachter de buurt die ‘het Eiland’ werd genoemd. Hier groeide de schrijver Ab Visser op, die er in 1953 zijn autobiografische roman De buurt over schreef. Tegenwoordig staat hier afschuwelijke nieuwbouw uit de jaren 70.

Het op de Sluiskade doodlopende stuk water op de voorgrond is het uiteind van de L-vormige Westerhaven, die werd gedempt nadat de gemeenteraad daartoe in november 1960 slechts met één stem meerderheid besloot.

Uit de jaren 50 dateert deze vergelijkbare foto, die genomen is vanaf een of twee bovenwoningen verderop aan de Westerkade:

Op de ligplaats van de schepen bevond zich later, in de jaren 60 en 70, de Groninger groentemarkt, tot die weer terugverhuisde naar de Vismarkt.

De schilder Jan van der Zee zat waarschijnlijk op de bovenverdieping van het hoekpand Westerkade 24/Westerhavenstraat (nu Pims fietsen vlakbij de oude Museumbrug. Van der Zee’s positie en blikveld heb ik op het volgende kaartfragment weergegeven met een gele cirkel en dito lijnen:

Tegenwoordig liggen op de plek van de schepen een parkje en een schuin dak waarop ’s zomers heide groeit:

Nachrift 5 januari 2022:

Jaap Rijkeboer meldde in een reactie dat hij een prent heeft uit 1952, ook door Van der Zee en gemaakt vanaf ongeveer hetzelfde standpunt:


De prijzen voor een liedvel

Kwam deze tegen in het Nieuwsblad van het Noorden de dato 18 april 1909

Het lied lijkt nergens bewaard, maar ik weet ook niet of we er veel wijzer van zouden worden: de titel komt wat vreemd over met dat Holland’s in combinatie met koningin, maar waarschijnlijk betrof het een nationalistische lofzang op koningin Wilhelmina, die twaalf dagen later van prinses Juliana zou bevallen. Een troonopvolgster – ons koningshuis was dus gered.

Ook ga ik even voorbij aan de verkopers, mogelijke tevens de tekstdichter en componist, en beiden woonachtig in de Groninger Noorderplantsoenbuurt. De tweede, Bertus Almanak, ook wel Reclame Bertus of Maal Bertus geheten, was destijds een wijd en zijd bekende stadsfiguur en is momenteel mijn onderwerp van studie

Nee, wat ik voor nu even interessant vind aan deze advertentie, zijn de prijzen van het aangeboden liedvel. De stuksprijs voor individuele consument bedroeg 2 cent, maar als liedzanger op kermissen, venter of wederverkoper kon je er 100 kopen voor een gulden. Dergelijke grotere afnemers hadden bij het aan de man en vrouw brengen van het lied dus een marge van 100 %.


Verboden met almanakken te venten

Universiteitsbibliotheek Groningen

Begin dit jaar stuitte R, een van de vrijwilligers die bij de Groninger Archieven de stadsresoluties transcriberen, op een raadselachtig besluit. Het betrof een verbod, dat het Groninger stadsbestuur eind 1671 oplegde aan alle stadstamboers. Zij mochten geen almanakken meer bij “heeren, borgeren ofte inwoonderen” aan de deur komen brengen, op straffe van ontslag. “Waarom werd dat eigenlijk verboden?”, vroeg R. zich af. “Zou het met de inhoud van die almanakken te maken hebben?”

Eerst dit. Almanakken bestonden er sinds eind 15e eeuw. Ze waren er in allerlei soorten en maten, maar bevatten primair zakelijke informatie zoals maanstanden, jaarmarkten en vertrektijden van postwagens, beurtschepen en trekschuiten. Drukkers distribueerden ze bij iedere jaarwisseling, en dan vooral in december, via venters, vaak arme sloebers.  

Zoals we zullen zien, had het verbod daarmee te maken. Het was zeker niet nieuw. Eind 1649 verboden Gedeputeerde Staten al aan de beroepssoldaten van het Groninger garnizoen “het ommelopen ende praesenteren van almanachen”, samen met andere nieuwjaarsgebruiken zoals het afvuren van geweren en het aanbieden van nieuwjaarsgedichten. Ook toen al stond er ontslag op als straf.

Eind 1650 herhaalde het stadsbestuur het almanakkenventverbod, maar maakte het algemeen. “Niemandt van wat staet ofte conditiehy zy”, mocht nog almanakken langsbrengen bij “heeren off officieren huysen”. Toch wordt ook duidelijk wie zich vooral hieraan schuldig maakten:  “dat oock geen tamburijns off pijpers met geraes van trommen, pijpen, almanack  brengen off anders nye jaeren sullen moogen eysschen”. Dat eisen (verzoeken) slaat uiteraard op de tegenprestatie, in drank of in geld. Naast ontslag kwam er nu een boete van een pond groot (ƒ 6,-) op te staan,  en dreigde het stadsbestuur met inbeslagname van de trommels en pijpen.

Eind 1667 werd de boete op het rondbrengen van almanakken bij “d’heeren, borgers ofte inwoonderen deuren” nog verviervoudigd tot 25 gulden. Er is dan geen sprake van specifieke zondaars, en ook dit stadsverbod lijkt dus algemeen. Voor het eerst krijgen de schulte (schout) en zijn dienaars expliciet opdracht om het verbod te handhaven. De bepaling van 1671, zoals R. die aantrof, versmalde het mikpunt weer tot de stadstamboers.

Die wending blijkt een definitieve, het algemene publiek laat men voortaan ongemoeid, alleen kleine, ambtenaren die men gemakkelijk kon koeioneren, kregen nog met sancties te maken als ze met almanakken ventten. Ook motiveerde het stadsbestuur nu pas zijn verbod. Eind 1694 gaf het de lampbezorgers, lantaarnopstekers, ratelaars (nachtwachten) en stadstamboers te verstaan, dat zij niet mochten “bedelen” aan de deuren, en er ook geen almanakken mochten komen langsbrengen, op straffe van ontslag. Bovendien werd het geven van aalmoezen of fooien aan almanakbrengers verboden.

Dit verbod  werd eind 1695 en eind 1713 nog eens herhaald, omdat de kleine ambtenaren zich er niet aan hielden. Het laatste verbod noemt het rondbrengen van almanakken onomwonden als een van de “bedelariën op nieuwjaersdagen”. Naast ontslag kwam er opnieuw een boete van ƒ 6,- op te staan.

Kortom, het rondbrengen van almanakken werd  beschouwd als (verkapte) bedelarij. Een algemeen verbod, medio zeventiende eeuw, bleek echter niet te handhaven, zodat de heren het later hebben toegespitst op hun laagste ‘officianten’. De heren wilden niet dat deze als bedelaars werden gezien, wat natuurlijk ook te denken zou geven over de schrale salariëring.

Met de inhoud van de almanakken had dit weinig te maken. De Groninger synode stoorde zich vanaf  1685 weliswaar bijzonder aan almanakken met “scandaleuse bijvoegselen” – vooral als die het kerkelijke huwelijksformulier satirisch op de hak namen – maar met het verbieden van zulke bijvoegsels mikten  het stadsbestuur en de staten in 1688 en 1713 op de boekdrukkers en -binders en niet op kleine stadsambtenaren.


De drukste vaarroute?

Drukte bij de Groninger suikerfabriek, Het Noorden in Woord en Beeld, 6 november 1925

‘Honderd jaar geleden was het Hoendiep de drukste vaarroute van Nederland’, lees ik hier.

O ja, is dat zo, vraag ik me dan af. Klopt dat?

Voor een antwoord op die vraag ben ik te rade gegaan bij het verslag over 1921 van de gemeente Groningen, het ontegenzeggelijke begin- en eindpunt van alle Groninger scheepvaartkanalen van enig belang. Als het Hoendiep hier al niet de drukste vaarroute was, dan kan het dat evenmin zijn geweest in heel Nederland.

De tabel op pagina 175 van dat gemeenteverslag splitst de schepen die dat jaar de Groninger kanalen  hebben bevaren op in drie categorieën: zeeschepen, binnenschepen en houtvlotten. De aantallen zeeschepen waren zeer laag: op het Eemskanaal waren het er 4, op het Reitdiep slechts 3. Meestal zal het gegaan zijn om coasters die van of naar een werf gingen. Het Hoendiep werd bevaren door geen enkel zeeschip.

Ook bij de houtvlotten ging het om kleine getallen: het havenkantoor aan de Noorderhaven registreerde er dat jaar 16 op het Reitdiep, 12 op het Eemskanaal en 6 in het kluster Verbindingskaaal-Hoornsediep-Eendrachtkanaal-Hoendiep. Noch qua zeeschepen, noch qua houtvlotten stak het Hoendiep er dus bovenuit.

Resteert de veruit belangrijkste categorie, die van de binnenvaartschepen. De stad-Groninger kanalen in  volgorde van druk naar minder druk:

Kanaal / klusterAantal binnenschepenTotale inhoud in kubInhoud gem. schip
Reitdiep2564272.860106,4
(Oude)Winschoterdiep2404161.42567,2
VBK, Hoornse- + Hoendiep2184182.81483,7
Eemskanaal1156150.989130,6
Boterdiep17412.44171,5
Damsterdiep17310.87162,8

Op het Reitdiep en het Winschoterdiep voeren dus de meeste binnenvaartschepen, daarna kwam pas het kluster waarvan het Hoendiep deel uitmaakte. Voor het Hoendiep alleen zal het cijfer nog beduidend lager uitgevallen zijn. Anderzijds viel het opgegeven getal voor het Winschoterdiep juist te laag uit, omdat hierbij niet werden meegerekend de 581 schepen die bij de gemeentelijke verzamelplaats van faecaliën, kortweg de Drekstoep, hun lading kwamen ophalen. Die Drekstoep zat bij het oostelijke uiteind van het Helperdiepje dat hier op het Winschoterdiep uitkwam. Doorgaans was de frisse lading die hier werd ingenomen bestemd voor Oost-Groninger dalgronden en ging de reis dus ook weer via het stad-Groninger deel  van het Winschoterdiep, dat al met al bevaren werd door 2965 schepen en daarmee helemaal ver voor het Hoendiep kwam, althans qua drukte in de stad.

De bewering dat het Hoendiep het drukst bevaren kanaal van het land  was, honderd jaar geleden, kan je dus met een korrel zout nemen. Misschien was dat periodiek even zo, in het najaar, tijdens de suikerbieten en strokartoncampagnes (die ook veel scheepvaartverkeer in de stad genereerden), maar dat gold zeker niet voor de rest van het jaar. Qua totale inhoud kwam het Hoendiep wat minder ver achter, en was het een goede tweede achter het Reitdiep. Overigens droeg ook het formaat van de schepen bij aan deze klassering: de schepen waren op het Hoendiep gemiddeld het grootst na die op Eemskanaal en Reitdiep.

Een slimmerik zou nu kunnen tegenwerpen dat Hoogkerk met zijn strokarton- en  zijn suikerfabriek ook nog schepen buiten de stad om kreeg, namelijk via het Hoendiep vanuit het westen en via het Aduarderdiep vanuit het noorden. Helaas hield de gemeente Hoogkerk in haar jaarverslagen geen cijfers hiervan bij, zodat het effect niet valt te begroten.

Voorlopig is mijn conclusie dat het Winschoterdiep honderd jaar geleden de drukste vaarroute van Groningen was, al waren die binnenvaarders hier aan de kleine kant, en zal het Hoendiep in het najaar tijdens de suikercampagne heel misschien wat drukker geweest zijn. Buiten die najaarspiek om en over het hele gehele jaar genomen bleef het Hoendiep echter achter. De stelling dat het generiek de drukste vaarroute was, houdt geen stand.

Binnenkort nog maar eens kijken of de provincie ook scheepvaartcijfers in haar verslagen heeft staan.


‘Smolensko’ stak tot twee maal toe de Berezina over

In Winschoten woonde in de eerste helft van de negentiende eeuw een bijzondere kerel, een echte stadsfiguur. Hij komt ter sprake in een nostalgisch getint stukje over de middenstand in het centrum van het toenmalige Winschoten, en was de vader van bakker Funt die daar in deTorenstraat pal onder de toren woonde. De ouwe Funt was zo bijzonder, omdat hij in 1812 de tocht van Napoleon naar Moskou had meegemaakt – èn overleefde. Als een van de weinigen kon hij dat navertellen:

Twee maal was hij de Beresina over geweest en nadat men in geen vijf jaren iets van hem had gehoord en niet anders dacht, dan dat hij inde sneeuwvelden van Rusland zijn graf had gevonden, Was hij in 1817 plotseling weer boven water gekomen. De Winschoters noemden hem bij voorkeur „Smolensko” en men zag hem ondanks zijn hoge leeftijd veel op straat, met een echte Poolmuts.

Bron: ‘Winschoten voor omstreeks 75 jaar’, Winschoter Courant, 19 maart 1938.


Buit van Guinea verbrast in haven van Delfzijl

Plattegrond van de vesting Delfzijl, circa 1640. Collectie Groninger Archieven 817-2389.1.

Zeer bekend is lokaal en regionaal het verhaal over de toevlucht, die admiraal Michiel de Ruyter in augustus 1665 zocht te Delfzijl. Dat deed hij met een flottielje van twaalf oorlogsschepen, omdat de Engelsen  afgezien van de Eems zo’n beetje alle Nederlandse zeegaten afsloten, nadat ze de zeeslag bij Lowestoft hadden gewonnen. Het Groninger haven- en vestingstadje kende wegens de oorlogsomstandigheden destijds een buitengewoon grote bezetting van zo’n 1500 soldaten. Daar kwamen nu minstens even zovele matrozen bij.

In de schaduw van de zeeheld krijgen al die mannen weinig aandacht van de geschiedschrijvers, maar de Delfzijlster middenstand beleefde een gouden tijd door hun komst. De Haerlemsche Courant bericht na het vertrek van de zeeheld:

Delfzijl den 14 augusti. Desen middagh is den Heer de Ruyter van hier na Groeningen vertrocken. Het is hier op het Hooft als Kermis, daer het vol Kramen staet: de Schepen leggen hier voorde Fortresse Op het afgaen van den Heer de Ruyter zijn eenige canonschoten gedaen. De ingekomen Boots gesellen beginnen te vertoonen, dat sy op de Kuste van Guinea seer schoonen Buyt hebben gemaeckt.

Bron: Oprechte Haerlemsche Courant, 18 augustus 1665.


De balen van katoen (2)

Vaak zie je dezelfde berichtjes in allerlei kranten in gelijkluidende bewoordingen terugkomen, maar hoe dichterbij het nieuws, des te uitgebreider het kan zijn. Dat blijkt ook uit het bericht over de tragische dood van H. Perton, die op 20 juni 1913 in de fabriek van Van Heek te Enschede bedolven raakte onder een baal katoen. Terwijl de Amersfoortsche dat ultrakort hield, gaf de Zwolsche Courant die avond wat meer bijzonderheden prijs:

Volgens de Zwolsche ging het allereerst niet om een fabrieksarbeider, maar om een metselaar die bezig was een riool te repareren. Anders dan andere kranten noemt de Zwolsche de naam van de fabriek. Dat mijn verre familielid onder de baal in een rioolput belandde, vind je elders niet, zoals andere kranten ook het gewicht van de baal en de reddingspogingen onvermeld lieten.

Door een reactie op mijn vorige van mijn achterachterachterneef René Perton, wist ik al dat het ging om een Hindrik Perton, zoon van een Heiko Perton, die al jong met zijn vrouw Free van Zomeren vanuit zijn geboorteplaats Bellingwolde naar Lonneker verhuisde. Daar in Twente kregen ze zes kinderen, die allemaal jong overleden. Overigens geeft de overlijdensakte van Hendrik bij WieWasWie wel fabrieksarbeider als zijn beroep op.