Retour Zuidhorn

Groeten uit Leegkerk:

Leegkerk – populierenlaantje met vervallen schuur:

Bij de Nieuwbrug, best roze zo’n neus::

Ook enigszins roze -boerderij bij Den Horn:

Het huisje bij de spoorwegovergang tussen Den Horn en Zuidhorn is nog niet verplaatst:

Iets te laat van wal gestoken, er daalde een enorme mistwolk over de omgeving neer:

Nog een ander gezicht vanaf de Zuiderweg bij Zuidhorn:

Zuiderweg, wat dichterbij Enumatil:

Advertenties

Het Spoorwegspel en de Vaart der Volkeren

Leuk zo’n Spoorwegspel. Het dateert uit 1866, toen Groningen voor het eerst per trein bereikbaar werd. Niet vanaf het zuiden, zoals je wellicht geneigd bent te denken, maar vanaf Leeuwarden. Daar werd het spel ook uitgegeven, en dat is te merken aan de tekeningetjes, die vooral Friese objecten in beeld brengen.

We maken de reis in omgekeerde richting. Station Groningen stelde destijds nog bar weinig voor:

Nee dan Zuidhorn, het station daar had toch al wat meer allure:

Maar of het plaatje in dit geval de situatie weergeeft? De trein denderde voort en kwam voorbij het weinig realistisch weergegeven Stroobos:

En in de verte wilde je daar vanuit het raam ook nog wel eens een trekschuit op het Hoendiep zien dobberen:

In dit Spoorwegspel was het zaak om met je pion van die plek  weg te blijven, want

“eene trekschuit of diligence bereikende, gaat men terug en laat zijne beurt voorbijgaan om de trein te zien passeeren.”


Krantenlegger met desideratum

Het papier was al zo oud, dat het zo goed als geen stem meer had. Daarom wilde het graag dat er etiketten zouden worden gedrukt voor alle krantenleggers van zijn leeftijd in het archief. Die wens kwam er gefluisterd uit, maar de man van de restauratie-afdeling kon uiteindelijk nog redelijk goed verstaan wat het papier wilde. Hij ging er natuurlijk ook al zo lang mee om. “Dan heb je aan een half woord genoeg, weet je.” Hij vond dat het papier hélemaal gelijk had en ook omdat het papier ’t verzoek zo netjes bracht, gaf de restauratieman er meteen gehoor aan. Die stickers kwamen er.


Walburgprent

Walburgkerk Groningen, anonieme tekening, ca. 1718. Collectie Utrechts Archief.

Trof hedenmiddag in de beeldbank van het Utrechts Archief deze charmante tekening van de Groninger Sint Walburgkerk aan. Eerst denk je: “Ha leuk, een uniek ding!”, maar dan kijk je in de Beeldbank Groningen en zie je alras dat er toch meer afbeeldingen van dat gebouw zijn dan gedacht.  Bovendien was de Walburgkerk in 1718 al bijna een eeuw “niet meer in weesen”, zoals het onderschrift zegt,

Waarschijnlijk is de tekening gemaakt naar een ets uit 1711. Dat was dus om te oefenen. Ze staat ook op de achterzijde van een tekening van kasteel Ruwiel, terwijl de verzamelaarsmap waar het gezamenlijk vel papier zich in bevindt, Utrechtse kastelen als thema heeft. Het later gemaakte kasteel was dus belangrijker dan het Walburgprobeersel. Het handschrift onder de tekening doet me overigens denken aan dat op de prenten van Andries Schoemaker, iemand die ook graag monumentale gebouwen naar oudere prenten tekende.

De Walburgkerk op het Groninger Martinikerkhof – in de ronde kern van een karolingisch-ottoons model en kort na 1100 gebouwd – was in de vroege middeleeuwen de kapel van de bisschop van Utrecht in Groningen. De Martinikerk is altijd de parochiekerk geweest.


Schiere stee, dat Aikema

Aikema, Grijpskerk. Collectie RHC Groninger Archieven 818-6564 (opgepept).

Dat moet best een schiere stee geweest zijn, dat Aikema, daar achter Grijpskerk aan de lange bomenlaan door de grazige weiden naar Munnekezijl.

.Zonde dat zoiets weg is en je vraagt je dan af hoe er een eind aan kwam. Het borgenboek van Formsma c.s biedt in zo’n geval uitkomst. Op deze borg woonde de familie Clant van Aikema, om te beginnen Jan Remmert. Toen deze Clant en zijn vrouw in 1655 en 1656 overleden, lieten ze een peuterdochtertje na, dat werd opgevoed door opoe. In 1667, op haar dertiende, zou deze rijke erfgename worden geschaakt door haar neef Lucas, die haar op zijn witte paard meenam naar Oost-Friesland en haar daar trouwde. De jongelui gingen op Aikema wonen, werden weldra vrome lidmaten van de hervormde kerk, en kregen maar liefst achttien kinderen.

Zes daarvan leefden nog in 1706, toen dit vruchtbare stel uit de tijd gekomen was. Eerst kreeg hun oudste zoon de borg. Hij stierf er als vrijgezel, in 1722.  Daarna nam de tweede zoon het spul over, maar die ging vier jaar later al dood, ook als vrijgezel.  En zo kwam Aikema in handen van de derde broer, die – Aikema slaakte een zucht van verlichting – wèl getrouwd was en kinderen had en wiens oudste zoon Lucas in 1736 Aikema erfde.

Deze Lucas Jan Clant kreeg in 1748 een mooie functie als generaliteitsrekenmeester, maar bleef na dat ambtsjaar in het verre Den Haag rondhangen. Daar was weliswaar veel meer te beleven dan in Grijpskerk, maar ging het ook goed mis met hem. Door bepaalde “misvattingen in sijn begrip en oordeel” kon hij niet eens meer voor zichzelf en zijn bezittingen zorgen en bevond hij zich in een “beklaagelijke toestant”, althans volgens de familie, die hem in 1752 onder curatèle liet stellen. Waarschijnlijk om de schulden te delgen, verkochten de bewindvoerders weldra de borg en de landerijen. Lucas Jan ging niet eens naar een ‘Verbeterhuis’, want hij stierf in 1760 te Groningen, aan de Spilsluizen.

De koper van Aikema, die wel meer borgen kocht, probeerde het voorname huis meermalen te verhuren. Veel onderhoud zal er vanaf 1748 niet gepleegd zijn en dus ging dat moeilijk. Daarom viel in 1768 het doek. Aikema werd op afbraak geveild voor 1000 gulden. Het geboomte bracht nog meer op.

Helaas hebben Formsma c.s. het verhaal over Aikema niet overdadig geannoteerd en ik heb zo’n gevoel dat er in Den Haag nog een aardige schandaalhistorie in rechterlijke archieven ligt. Die moet ik dan misschien een andere keer maar eens gaan uitzoeken. Al mag iemand anders het ook doen.

 


Sint Maarten in Nietap

(In een topgeveltje aan de J.P. Santeeweg.)


Langewoldster vermakelijkheden

“Ruwheid, woestheid in de vermaken, wordt algemeen voor een gebrek der inwoners der wouden gehouden: hier van zijn ze ook geenszins vrij te pleiten. (…)

Tot het spel zijn, helaas! velen te zeer genegen, en het is inzonderheid den zondag, waar op men, of in het veld of in gemeene huizen, zijn geluk beproeft. (…)

Overal ten platten lande heerscht het gebruik, om soms eens naar de kermis te reizen, en zig daar regt, gelijk mede onderweg te vermaken. De verkooping van vee, gereedschappen en meubelen op een boereplaats geeft daartoe eene andere gelegenheid. Hier zoeken de jongelieden van de beide kunnen elkanderen niet minder dan op kermissen op.

De zaturdag, doch inzonderheid de zondagavond, is de gezette tijd der uitspanningen: men zoekt elkander dan op, of aan de huizen, of geeft elkanderen elders een rendevous. De dienstboden misbruiken hunne vrijheid te lande zeer: de boer kan het niet beletten, schoon zijne knecht nacht op nacht rinkelrooit, gelijk dikwerf gebeurt. Wanneer zal de politie den euvelmoed der dienstboden ten platten lande beteugelen, en voor de jeugd waken? – Dese gezelschappen houden meestal lang aan en worden door brandewijn levendig gehouden, gewoonlijk tot aan den morgen, onder gezang en vrolijkheid, doorgezet.

Men houdt hier veel van papegaaischieten, de kat uit de ton te smijten, eene gans het hoofd af te trekken, ’s winters op schaatsen op den ring te rijden, een soort van toernooispel. Ook begint men bij het dobbelen het kaartspelen te voegen, ’t geen voor weinige jaren nog onbekend was. Waarom heeft men tegen het kaatsen, ’t geen openlijk geschiedde, uitgevaren en de jeugd in de kroegen gedreven?”

Bron: Nicolaus Westendorp, Eerste Leerrede in de Nieuwe Kerk te Sebaldeburen, benevens een Oudheidkundige Verhandeling (Groningen 1809) 141-143.