Individualistische waterbeheersing

“De laage landen onder Groningen staan doorgaans van het begin van november, of somtyds nog vroeger, tot aan april, ook wel laater, onder. Dat veel afhangt van de menigte van den gevallen regen; doch voornamentlyk van de westewinden, die den afloop van het water beletten; en de oostewinden, die het spoediger ontlasten. Terwyl men op zeer veele plaatsen de opdrooging als aan het geval (= toeval HP) overlaat. Want op weinige plaatsen heeft men tot de ontlasting gemeenschappen en goede molens; maalende doorgaans ieder landman voor zich zelven met slegt gereedschap maar tot 2 voeten. Men heeft molens tot 3 en een half, hetgeen men meent het uiterste te zyn.“

Met andere woorden: bij Groningen liet men in de achttiende eeuw de lage landen gewoonlijk van november tot april onderlopen. Soms begon dat al in oktober, soms eindigde het zelfs pas in mei, wat vooral afhing van de windrichting en de mogelijkheid om via de zijlen naar zee te spuien. Slechts hier en daar waren er collectieve molenpolders, met grote molens. De meeste boeren maalden slechts voor zichzelf met kleine molentjes.

Bron van het citaat: Iman Jacob van den Bosch, ‘Natuur- en geneeskundige verhandeling van de oorzaaken, voorbehoeding en geneezing der ziekten uit de natuurlyke gesteldheid van het Vaderland voortvloeijende’, in: Verhandelingen uitgegeeven door de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen te Haarlem, Deel 18 (Haarlem 1778) pag. 316.

 

 


De tarieven van de beul (1729)

beulszwaard Gmünd Hessink 27 januari 2007

Wurgen en verbranden

Ƒ 145

Ophangen

Ƒ 126

Radbraken

Ƒ 125

Levend verbranden

Ƒ 119

Geselen en brandmerken met strop om de hals

Ƒ 104

Onthoofden

Ƒ  92

Geselen

Ƒ  46

 

(Enkele bedragen met halve guldens zijn afgerond naar boven.)

Wat me verbaast aan dit tarievenlijstje voor de Ommelander scherprichter uit 1729, is dat onthoofden zo goedkoop was en ophangen zo duur. Onthoofden was een straf die niet onteerde en maar zelden werd toegepast, en dan uitsluitend op mensen uit de hogere standen. Schorriemorrie uit de heffe des volks liet men gewoonlijk bungelen aan een touw. Dat was routine, als je de frequentie vergelijkt met die van onthoofding.

Op zich maakte de eigenlijke handeling qua kosten niets uit, zo leren de specificaties achter deze bedragen. Zowel het decapiteren als het ophangen bracht de scherprichter op zich 12 gulden op. Hier kwamen veel kosten bij, voor een groot deel ook weer standaard, zoals de reis- en verblijfkosten van de beul en twee knechten gedurende drie dagen, het bouwen en weer afbreken van het schavot enz. De bedragen gingen uiteenlopen door specifiek bijkomende materialen en handelingen, zoals bij een ophanging het touw, het richten van een ladder en het in kettingen hangen van een lijk, of bij het radbraken de bijl en de knuppel en het zetten van het hoofd op een paal.

Naast dit stukloon, dat hij in voorkomende gevallen verdiende bij Ommelander rechtstoelen, genoot de scherprechter nog een vast traktement van 200 gulden ’s jaars. Hij was tevens scherprechter in de stad en bij de provincie, waar hij soortgelijke bedragen zal hebben verdiend. Al met al moet hij heel aardig hebben geboerd. Tegelijkertijd echter, oefende hij een infaam beroep uit en zou hij buiten de samenleving staan.


Brandslachtoffers krijgen overheidssteun

“Op het ingediende request van Geert Beerends en Grietje Cars ehel[ieden], woonagtig onder Dorquert, hoe suppl[ian]ten den zwaren ramp hebben getroffen van op gepasseerde maandag den 24 april jongst, door den blixem hunne boerebehuizing en schuur, met alle boerebeslag, mobiliën, lijfstoebehoren, benevens negen beesten en drie varkens in puin en asch te zien verteeren, waardoor supplten met hun gezin in den diepsten armoede zijnde gedompeld, een waarheid welke UedelMog[ende] alleszins uit nevensgaande getuigschrift door den kerkeraad daar ter plaatse gepasseert zal kunnen consteren. De supplten in deeze hunne behoeftige omstandigheden hoe eerder zo beter een ander behuizinge en schuire nodig hebben, tot welke opbouw ten eenemaal onmagtig zijn, dan wijl de supplten door sommige medelijdende menschen, alle mogelijke redding en ondersteuning zal tragten te bekomen, waarom ook de supplten de vrijheid neemen Uwer Edele Mogende grootmoedig mededogen te imploreren en onderdanig te verzoeken teneinde UedMog de supplten gunstiglijk met eenig oud provincie post of paalwerkhout zullen gelieven te beneficiëren.”

Anno 1786 was er in onze omgeving alleen een brandverzekering voor molens. Andere mensen dan molenbezitters zaten in zak en as na een brand en waren aangewezen op de liefdadigheid van familie, vrienden en buren. Dat was ook het geval met Geert Berends en zijn vrouw, wier boerderij te Dorkwerd na een blikseminslag compleet met alle inboedel, koeien en andere levende have verbrandde. Ze vroegen de heren van GS om wat oud waterstaatshout voor de bouw van een nieuw huis en schuur. Daarna wilden ze nog steun proberen te krijgen van particulieren.

Op 1 mei 1786, een week na de brand, machtigde het college van GS zijn kamerbewaarder Gout om tien zilveren dukatons aan Berends en vrouw uit te tellen. Dat was ruim 30 gulden, blijkbaar vond GS dat beter dan een gift in tweedehands hout. Overigens moest Gout het echtpaar om een “behoorlijke quitancie” vragen, opdat er geen misverstand in de rekenkamer zou ontstaan.

Bron: Groninger Archieven, Toegang 1 (archief Staten van Stad & Lande) inv.nr. 449: rekestboek GS.


Horeca van de havenstad Delfzijl

horeca Delfzijl blogje

Alleen het Kacheltje staat er niet op, een hoerekitje achter het Commandeurshuis. Verder bevat dit kaartfragmentje alle negen herbergen en logementen van Delfzijl in de Franse Tijd (ruim tweehonderd jaar geleden). In totaal waren er tien horecagelegenheden op een bevolking van 811 zielen. Het zal duidelijk zijn dat de herbergen vooral mikten op de passanten die de haven met zich meebracht.

Ze bevonden zich allemaal langs de doorgaande route Marktstraat – Oude Schans. Als je een kroegentocht wilde houden in het Delfzijl van 1800, werd je in elk geval niet moe van het lopen.

Een kluster van tweederde der kroegen bevond zich bij de Waterpoort, waarachter je de haven had en de Turfbrug. Hier legden de beurtschepen van en naar Emden aan. Het dichtste bij die poort zaten dan ook Het Raadhuis van Emden en Hotel Emden, met uithangborden die de reizigers van over de Eems de voordelen van kalme herkenning en voorzichtige acclimatisering beloofden. Hier zal gegolden hebben wat voor Groningers in Amsterdam gold.

Helemaal aan het andere uiteind van het loopje, dat onnoemelijk veel keren door de pakkedragers van Delfzijl gemaakt moet zijn, had je bij de Farmsumerpoort en het Damsterdiep het Wapen van Stad & Lande.  Die naam was ook niet voor niets: de provinciale trekschuiten naar de stad staken er van wal bij de snikketrap, als het klokje op die poort had geluid.

Bron van het kaartfragmernt is de kaart die als bijlage gevoegd is bij Jaap Bottema, Delfzijl in de Franse Tijd (Bedum 2004). Bottema gaat voorbij aan deze samenhang in de Delfzijlster horeca van destijds.

 

 


Delfzijl – de bekendheid van en de waardering voor zijn vesting en zijn haven

Uiteraard komen we Delfzijl ook tegen in geografische compendia en reisbeschrijvingen uit de achttiende eeuw, zoals die op Google Books te vinden zijn. In totaal vond ik 25 verschillende  meldingen. Wat zeggen die over Delfzijl?

Eerst maar even een kleine bloemlezing, die bestaat uit vier voorbeelden.

In de jaren 1720 kwamen meerdere edities uit van het Reisboek door Jan Claesz en later zijn zoon Timotheus van Hoorn. Over Delfzijl zegt het:

“Delfzyl leit aan de rivier de Eems een groot uur boven Damme; ze heeft een voortreffelyke Haven en zwaare schutsluizen en [is] derhalven van groot belang, èn als een bolwerk voor Oostvriesland, Groningen en Ommelanden, waarom de Prinsen en Heeren altyd gepoogd hebben dezelve tot een verzekering der gemelde landen te versterken en wel te bewaren ”

Noemen de Van Hoorns zowel de vesting als de haven, de Duitse geleerde Uffenbach beperkte zich in 1753 in zijn Merckwürdige Reise tot de vesting. Daarbij kraakt hij een kritische noot:

“Delfzijl is een middelgroot, maar verder eenvoudig dorp, met zes bolwerken, de wallen zijn laag en zeer smal, zodat nauwelijks twee mensen er naast elkaar overheen kunnen gaan. We logeerden tamelijk sober in de Kroon.”

Een zeer bekend werk is nog steeds de Tegenwoordige Staat van Stad & Lande uit 1794 van de toen ambteloze bestuurder Albert Joan de Sitter, de patriotse oud-drost van het Oldambt. Enerzijds prijst hij de nautische voorzieningen van Delfzijl. Deze plaats, zo zegt hij, beschikt over de “beste haven en reede van alle de Nedcrlanden, naar ’t oordeel van velen”. Anderzijds memoreert hij dat de haven minder diep is dan in de zeventiende eeuw. Ze is verland. Over de vesting weet hij te vertellen dat ze rond 1700 “aanmerkelyk versterkt en vergroot” is door Van Coehoorn.

En dan hebben we nog de Duitse predikant en letterkundige Hoche, die Delfzijl in 1798 bezoekt. Hij schrijft naderhand:

“De haven lag vol schepen. We moesten ons er bijna doorheen wurmen. Vooreerst trokken een oorlogsschip en een groenlandsvaarder (…) mijn opmerkzaamheid. De haven is veilig en qua diepte van de vaargeul gemakkelijker te bereiken dan die van Emden.”

Delfzijl zelf noemt hij:

“…een klein en rein oord, nederig gebouwd in Hollandse smaak. De straten zijn breed, wèl geplaveid en goed verlicht. De haven is de inkomstenbron voor het grootste deel der inwoners. Zij zit nu echter bijna geheel verstopt, sinds de Nederlandse handel zozeer terneer ligt. “

Dominee Hoche noemt weer niet de vesting. Om eens te kijken hoe de vesting en de haven er in het algemeen afkomen in de al met al 25 aardrijkskundeboekjes en reisbeschrijvingen uit die tijd die Delfzijl noemen, heb ik twee kruistabelletjes gemaakt. Eerst maar even de vesting:

De vesting:

  Totaal aantal: Genoemd: Percentage: Positief : Percentage:
Voor 1725

4

3 75 % 1

33 %

1725-1749

4

4 100 % 2

50 %

1750-1774

4

4 100 % 1

25 %

1775-1799

13

12 92 % 2

17 %

Totaal

25

23 92 % 6

26 %

In  23 van de in totaal 25 geschriften  wordt bij Delfzijl de vesting genoemd (92 %). Slechts in 6 van die 23 gevallen gaat dat gepaard met een positieve waardering (26 % van de meldingen).  De bekendheid van de vesting is bij de schrijvers van geografische vademecums en reisboekjes dus hoog, wat niet zo is voor de waardering. Die lijkt na 1725 zelfs af te nemen

De haven:

  Totaal aantal: Genoemd: Percentage: Positief: Percentage:
Voor 1725

4

1 25 % 1

100 %

1725-1749

4

4 100 % 4

100 %

1750-1774

4

2 50 % 1

50 %

1775-1799

13

8 61 % 4

50 %

Totaal

25

15 60 % 10

67 %

De haven van Delfzijl blijkt wat minder bekend dan de vesting – ze wordt slechts in 15 van de 25 gevallen genoemd (60 %). In 10 van die 15 gevallen is de waardering echter positief (67 %). De waardering voor de haven is dus hoger dan die voor de vesting. Wel blijkt de waardering voor de haven in de tweede helft van der achttiende eeuw een stuk lager dan voorheen. Er is dus sprake van een achteruitgang in waardering.

Conclusies:

  • Delfzijl is als vesting in de achttiende eeuw bekender dan als haven.
  • De waardering voor de haven overtreft echter die voor de vesting
  • Het aantal positieve uitspraken over de vesting en de haven neemt in de loop van de achttiende eeuw af. Vooral bij de haven valt die achteruitgang in de waardering op.

 

 


De Paap en zijn Hond

Paaphond 1806 v

De Paap is een zandbank ten noorden van Delfzijl, waarvan ik zo’n idee heb dat hij met de Hond aan het wandelen is. Ooit lag de Hond een heul end van de Paap af, maar in 1807 althans, leken ze onafscheidelijk.

Ik zag dat de naam ook al op een kaart van 1736 voorkomt. Je vraagt je af wanneer de Paap voor ‘t eerst zo genoemd werd. Moet haast wel uit de tijd zijn dat het in Emden krioelde van de Nederlandse geuzen. Paap, zegt het WNT, is

“sedert de Hervorming dikwijls als schimpwoord opgevat en daarom bij de Roomschen in onbruik geraakt.”

De schippers die de Eems bevoeren, hadden zo hun reden om de zandbank zo te noemen. Als je op de Paap stuitte, was je gesjochten. Neem Roelf Jans in 1782. Zijn thuishaven was Delfzijl en je zou toch zeggen dat hij dan wel uit de buurt van de Paap zou blijven. Maar nee, hij verging er met man en muis:

“Delfzyl, den 18 Maart. Tusschen den 12 en 13 dezer is op de Paap verongelukt het schip van Roelf Jans van Delfzyl, die zyn ballast aldaar had ingenoomen. op welke 9 perzoonen geweest zyn, van welke men tot nog toe geene ontdekt heeft, dus allen zyn omgekomen. Het schip is ten eenemaal geheel verbryzeld, men kan het wrak by leeg water hier daaglyks zien….”

Dit gebeurde tijdens een zware zuidwesterstorm die omsloeg in een even zware noordwesterstorm. Het eerst zakkende water kwam in een half etmaal drie meter opzetten.  Wat de sterkste stijging van water in de hele achttiende eeuw was, althans in Amsterdam bij het IJ. In de Eems zal het niet anders geweest zijn.

Ook elders vergingen die nacht schepen:

“By Schevening is gisternagt een kist met plunje komen aandryyen; uit een daarin gevonden boekje sustineerd men dat dezelve yan een Zweedsch of Deensch vaartuig is…”


Bedreigde verlaatsmeester medeschuldig

“Op het ingediende request van Klaas Andries, verlaatsmeester bij het eerste verlaat te Hoogkerk, hoe Rem[on]s[tran]t de trekschuiten van Groningen na Strobos komende, bij het toestaan van het verlaat onder het schutten tot zijn leedweesen diverse maalen heeft ondervonden, dat sommige trekschippers gedurende het verrigten van zijn werk hem kwalijk met veele woorden bejegenen en somwijlen getragt hebben in het doorvaren van het verlaat met de leggende lijnen in het water te ligten. Remst. bedugt zijnde dat in de reeds begonnen en nog voorhanden zijnde donkeravonds hem diergelijke gevaaren zoude konnen overkomen, de vrijheid neemende zig tot UEd. Mog. te wenden met eerbiedig verzoek, teneinde Ued. Mog. remonstr. eene instructie gelieven te geven waarna zig gedragen, of te beveiligen van Remonst. zodanig ordres te stellen als UEd. Mog. na derzelver Hoge Wijsheid zullen vermeenen te behooren.

(onderstond)
Claas Andries

(was geapostill[eerd])

Na gehoord rapport der Heeren Gecomm[iteerden] hebben de Heeren Gedep[uteer]den verstaan dat gelijk de lijn niet zal mogen worden aangeslagen als nadat de schuit door de verlaaten zal zijn gepasseert, de trekschippers zowel als de suppl[ian]t zig in allen deelen tegens elkander naar behooren zullen gedragen, en van weerskanten met onderlinge geschiktheid en dienstvalligheid bejegenen, zonder eenig desordres of reden van klagten te geven, ofte dat bij faute van zulks tegens de overtreders strenger zal worden geprocedeert.

Act[um] Gron[ingen] in Coll[egio] den 30 jan[ua]rii 1786

/was geteek[end]:/
FF B[aron]Van In en Kniphuizen”

Met andere woorden: Klaas Andries, sluismeester van de eerste sluis bij Hoogkerk (nu op een plek even voorbij de suikerfabriek) had ruzie met sommige van de passerende trekschippers. Meermalen was hij uitgescholden, en ze hadden ook al eens geprobeerd om hem met een lijn beentje te lichten en zo in de plomp te werken. Vooral bij duister dreigde gevaar, daarom wilde hij graag een instructie hoe te handelen, of adequate maatregelen voor zijn veiligheid.

Waarschijnlijk ging de ruzie over het al in de sluis aanhaken, door de schippers, van een jaaglijn. Dat mocht pas als ze sluis uit waren, vond Gedeputeerde Staten – de schippers moesten de sluis dus bomend verlaten. Maar volgens GS was Klaas Andries zelf medeschuldig aan de gerezen problemen. Anders zou het college niet beide partijen hebben voorgehouden dat ze zich netjes tegen elkaar moesten gedragen.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 1 (archief Staten van Stad & Lande) inv.nr. 549 (rekestboek GS).


Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 546 andere volgers