Rondje Peize – Leutingewolde – De Poffert

Bij de Onlander cascade liet Natuurmonumenten een kast met een mast en een molentje oprichten:

Ten behoeve van de graafmachine werd het beekje tijdelijk even overbrugd:

Een kortstondig duel bij de Drentse Dijk:

Ooievaarsnest, hartje Peize:

Rode boerderij, Foxwolde:

Af te breken schuur, Leutingewolde.  Mij werd verteld dat de nieuwe eigenaren een ruimer uitzicht willen:

Dorpsgezicht, Leutingewolde, naar de andere kant:

Boerderij bij Lettelbert:

Een kievit, waarlijk iets zeldzaams:

Obsoleet hek, Lettelbert:

De nogal prijzige huisplaats aan het Hoendiep zz tussen Enumatil en de Oostwolderbrug wordt eindelijk bebouwd met een nieuw huis:

Mooi salonbootje bij de werf op De Poffert:


Ommetje Sandebuur

Onlanden, langs de Onlandse Dijk:

Lammeren bij Sandebuur:

Bij het Leekstermeer:

Sandebuur, sloot en voetpad bij het Leekstermeer:

Sandebuur, slootwal bij een stuwtje:

Sandebuur, nog een mooi voorraadje kachelhout:

Sandebuur, boerderij te koop, zaterdag open dag:

Roderwolde, fouragerende ooievaar aan de rand van de Zuidermaden:

Nogal tamme fazant bij de Zanddijk, Peizerwolde:

Hebbes in de verte:

Wulp bij de Zanddijk, vrij dicht bij de weg:

Het beekje met de cascade bij de Weringsedijk werkt weer goed:

Deze foto’s zijn afgelopen zaterdagmiddag gemaakt, maar bleven liggen omdat ik er na het schrijven van het stukje over de ecoloog en zijn hond even tabak van had.


Bever in de stad

Dacht alle gevelstenen en aanverwante ornamenten van de stad wel zo’n beetje te kennen, maar Edward Houting wees me in zijn lezing bij de Groninger Archieven, vorige week, toch nog op enkele die ik deerlijk gemist had, zoals de Bever:

Prachtig stuk, waarvan ik me nu afvraag hoe ik het ooit ‘over het hoofd’ kan hebben gezien. In de Sint Jansstraat, waar je vanaf de Grote Markt fietsend met een lekker vaartje de stoplichten nadert, kijk ik blijkbaar niet zo gauw omhoog en zeker niet bij de nieuwbouw van het provinciehuis. Want daarin bevindt de sculptuur  zich, boven de fietsenstalling van de ambtenaren:

Het beeld is in 1964 gemaakt door Joop Roosenburg, een Hagenees die nota bene in het uiterste zuiden van Nederland, in Eijsden onder Maastricht, woonde en werkte. Het stond oorspronkelijk voor de Dienst der Provinciale Waterstaat, die vroeger op deze locatie gevestigd was. Zoals wij allen in de Fabeltjeskrant hebben kunnen lezen zijn bevers bijzonder nijvere beesten, die dag en nacht met behulp van hun onafscheidelijke waterpomp-, nijp- of combinatietang in de weer zijn om waterstanden te reguleren. Een ambtenaar van de provinciale waterstaat had daar veel van weg.  Vandaar.


Ommetje Ezinge

Op de buienradar in de satellietmodus viel een grote wolk te zien boven Groningen. Maar in het westen kwam de zon erdoor, zag ik. Dus daar  maar heen. Alleen ging de wolk daar even snel heen en bleef het grijs, de hele rest van de middag.

Het baanwachtershuisje bij de spoorwegovergang tussen Den Horn en Aduard, dat voor de spoorverdubbeling zou moeten wijken en voor welks behoud de gemeente Zuidhorn zich nu inspant:


Hetzelfde huisje, nu van de andere kant. Het zou in elk geval niet meer bewoond mogen worden. Tja, ik zou daar zelf best willen wonen, aan dat regelmatige spoorlawaai wen je snel genoeg:

Twee tortelduiven op de tuinschutting van mijn achterneef in Ezinge, vlak na de daad, die in een mum van tijd voorbij was:

Op de terugweg – zwanenveld bij Garnwerd:

Nog een bekend huisje waarmee iets aan de hand is: de Dageraad tussen Steentil en Oostum. Het voorhuis, met het wapen van Veendam-Wildervank, staat er nog, maar achter lijkt er iets verdwenen:

Op de deur een omineus plakkaat van een Engelse firma:

Wat nu de achtermuur is, wordt gestut:

Aardbevingsschadë? Er lijkt te worden geklust, maar er staat geen bouwbord. Een tijd geleden stond het pand te koop. Iemand die weet wat er aan de hand is?

Bij het picknickplaatsje langs de Zijlvesterweg ruimde een vrouw rotzooi op. Dat deed ze op alle bermen tussen de Jumbo bij de Friesestraatweg, Slaperstil en Gravenburg, vertelde ze. Bij die Jumbo kopen scholieren uit Zuidhorn en omgeving ’s middags nogal eens snoep en blikjes fris, waarvan ze de emballage dan in de bermen mikken. De diftar in Zuidhorn zorgt bovendien voor dumping net over de grens van die gemeente, op stad-Groninger grondgebied. De vrouw en haar man hebben weilanden langs de route liggen, ze zijn bang dat de rotzooi dat land inwaait met gevolgen voor hun dieren. Daarom ruimt ze de boel preventief op:


“Ecoloog” vindt dat hij zijn hond best mag loslaten in de Onlanden


“Het weer wordt beter en dus neemt helaas ook in De Onlanden de verstoring door loslopende honden en foutografen weer toe”, aldus een tweet van Natuur in de Onlanden op 12 maart. En in een follow-up, dezelfde dag: “Ziet u verstoring van de Natuur in De Onlanden? Spreek de persoon aan of geef het door aan de beheerder. Tip: maak foto’s ter identificatie.”

Ik had al wat twijfels bij deze oproep, maar als je mensen maar beleefd aanspreekt, dacht ik, dan zijn ze vast wel vatbaar voor rede. Broedseizoen immers, een redelijk mens wil dan geen vogels verstoren. Trouwens ook geen andere dieren, zoals otters.

Inderdaad bleken twee van de drie loslopende hondenbezitters die ik vanmiddag in de Onlanden aansprak van goede wil. Ze riepen hun hond bij zich en lijnden deze aan. Wat mij dan tevreden gestemd verder doet fietsen, hoewel ik best weet dat de lijn soms weer losgaat zodra de bemoeial uit zicht is.

De derde hondenbezitter was van een ander gehalte. Ik kwam om een uur of zes over de Zanddijk uit de richting Peizerwold en was van plan de Weringsedijk richting Hoogkerk te nemen. Op de hoek zag ik een soort van lichtbruine wetterhoun of airedale in het riet rondstruinen, nog redelijk dichtbij de weg, maar toch: onaangelijnd. Uit de tegenoverliggende richting kwam een vrouw aangelopen, maar die liep de hond voorbij zonder dat ze naar hem omkeek, of dat de hond haar volgde. Dus vroeg ik de man en de vrouw die bij het richtingenbordje stonden te praten, of de hond misschien van hen was.

“Ja” zei de man. “Wat dan?”

“Och”, zeg ik, “zou u die hond astublieft willen aanlijnen?”

“Waarom dan?”

“Nou, het is broedseizoen, een hond die in het riet struint verstoort de vogels”, zeg ik.

Hij weer: “Mijn hond gaat niet achter vogels aan”.

Ik zeg: “Dat heb ik wel meer gehoord, maar toch”.

“Nou”, zegt hij, “Ik ben ecoloog meneer”. Hij wees achter zich om die bewering geloofwaardig te maken: “Daarginds zitten kemphanen en ik hoorde ook drie roerdompen en die hebben absoluut geen last van mijn hond.”

“Jaja,” zeg ik, ik heb ook een roerdomp gehoord, maar toch is het beter dat u uw hond aanlijnt. Mag ik een foto van u maken?”

“Ja” zegt hij. Terwijl ik de foto neem: “En wie bent u, als ik vragen mag?”

“Ik ben Harry Perton”, zeg ik. “En wat is uw naam?”

“Ik ben [naam geschrapt], zegt hij. Hij wees in de richting van de Groningerweg, Peizermade. “Als daarginds nu een bordje had gestaan, dan had ik mijn hond aangelijnd, maar er stond geen bordje.”

Dat nu, vond ik een vreemd argument voor iemand die zich ecoloog noemt. Of je weet alles van de natuur en kunt tevens extreem goed met waterhonden omgaan, of je beroept je op de afwezigheid van een extern verbod. Hoewel ik dus alweer op de fiets was gestapt, maakte ik nog even rechtsomkeert.

“Ik vind het vreemd dat u zich op de afwezigheid van een bordje beroept, terwijl u als ecoloog zou moeten weten wat het effect van een rondstruinende hond op vogels is”, zeg ik, als ik weer vlak bij ze sta. “Trouwens, de afwezigheid van zo’n bordje ontslaat u als nog niet van uw morele plicht.”

“Er zijn mooimakers en er zijn moemakers”, zegt hij, “en u bent een moemaker”. En met een veeggebaar met zijn hand van zich af: “En nu wegwezen”.

“Nou”, zeg ik, ik sta hier op de openbare weg en laat me niet door iemand van jouw soort wegsturen.”

“Mijn soort?”, vraagt hij.

“Ja”, zeg ik, “Jij bent van het soort klootzakken dat zich beroept op de afwezigheid van bordjes, bordjes die het eerst zèlf heeft weggehaald.”

Dit had ik natuurlijk niet moeten zeggen; dit loste niets op, maar goed, ik was toch al betiteld als een moemaker.

“Dus u begint te schelden?, zegt hij.

Hij begon natuurlijk zelf met schelden, maar enfin. Ik zeg: “Mensen die hun honden los laten lopen in natuurgebieden zijn in mijn ogen klootzakken”.

En daarmee was onze conversatie wel uitgeput. Ik ben weer op de fiets gestapt en heb mijn hand nog even ten afscheid opgestoken met het vaste voornemen om dit verhaal hier op te schrijven.

Eenmaal thuis, blijkt dat hij géén valse naam opgaf. De titel ecoloog is wellicht wat hoog gegrepen, gezien het “Ing.” voor zijn naam, maar meneer [naam geschrapt] werkt wel degelijk bij een ecologisch onderzoeks- en adviesbureau.

Rest nog de vraag: als een “ecoloog” zijn hond in de natuur mag laten struinen, waarom zouden anderen dit voorbeeld dan niet mogen volgen?

Ben nu inderdaad finaal genezen van het aanspreken van mensen. Dat kost me veel te veel gemoedsrust. Heb geen zin in een hartaanval of beroerte. Laat er maar gewoon toezicht komen, die voelbare bekeuringen verstrekt, graag te verdriedubbelen voor zogenaamde ecologen.

Naschrift 27 maart 18.30 uur:

Hoewel meneer zichzelf kenbaar maakte als ecoloog en als zodanig ook allerlei overheidsrapporten blijkt te schrijven, zodat er een publiek belang bij het noemen van zijn naam en bedrijf gemoeid is, heb ik besloten die gegevens toch maar te schrappen. Het punt is wel gemaakt, de man is bereikt en dit hoeft hem niet eeuwig nagedragen te worden.

 


Rondje Peize

Narcissus de scholekster:

Dood riet, Omgelegde Eelderdiepje:

Fouragerende zilverreiger, Onlanden:

In de Onlanden achter Peize heb je een intrigerende verhoging in het landschap met wat andere bomen dan de gewone elzen en wilgen:

Eenden op hun paasbest:

Buizerd boven mijn hoofd:

Een waardig kampioen:

Stoppelveld bij het Achterstewold, Peize:

Qua schrikdraad weinig effectieve afrastering:

Achterstewold – kat en muis op rand van erf:

Anemonen op slootwal, Bommelier:

Onlanden bij Roderwolde – wulp:


IJsco bij der A

Om precies te zijn bij de Eelderbrug: