Ommetje Eiteweert – Leegkerk

Vlucht Canadese ganzen:

De boom waarin ’s zomers altijd een koekoek zit:

Peizerdiep bij Eiteweert:

Ook bij Eiteweert – een heel rijtje wilgen is opeens forse takken kwijt door wind uit het oosten:

Het rijtje populieren van Leegkerk:

Jubelzwaan, Leegkerk:

Bij de Legeweg – gebiologeerd door een passerende poney:

Kerkstraat Hoogkerk:

Advertenties

Rondje Middag

Zware bewaking bij de Tichelwerkbrug:

Boel kieviten, oud, maar vooral ook jong, op verzamelplek tussen Kleiwerd en Dorkwerd:

Het Aduarderdiep vanaf de Steentil:

Schimmel bij Bolshuizen:

Er werd gevliegerd op de Feerwerdermeeden:

Merkwaardig geval:

Luchtkwallen:

Nee, geef me dan deze maar:

Paadje in Feerwerd waarlangs we altijd naar de brug liepen:

Dorpsgezicht Feerwerd:

Bij de kerk van Den Ham:

De Lindt bij Adaurd:


Groningen als gidsstad bij de inenting tegen de pokken

Dat de inenting tegen de pokken een goede zaak was, sprak in de achttiende eeuw allerminst vanzelf. Binnen de hervormde kerk bestond er nog een vrij sterke orthodox-bevindelijke onderstroom, die dat inenten zonder meer afwees. Vaccinatie gold voor de aanhangers hiervan als een inbreuk op de voorzienigheid Gods. Het was immers een vorm van ziek maken, weliswaar om erger te voorkomen, maar toch: ziek maken. En God was in hun visie de enige die ziek mocht maken. Zo zegt Christus volgens het bijbelboek Mattheus: ” Die gezond zijn, hebben de medicijnmeester niet van node, maar die ziek zijn”. Deze uitspraak werd letterlijk genomen, niet geestelijk.  Vaccinatie of preventief ziek maken was dus uit den boze.

Dit anti-vaccinatie-standpunt werd bijvoorbeeld gehuldigd door Bernardus Gersonius in 1770. Deze oorspronkelijk uit Leek afkomstige chirurgijn van het Oldambtster Midwolda schreef een samenspraak van een ongeleerde en een geleerde, waarin hij de ongeleerde groot gelijk gaf. In de bijbel, aldus Gersonius, stond er niets waaruit af te leiden viel dat inenting toegestaan was, en daarom was het verboden. Door inenting werd God benadeeld in zijn almacht, voorzienigheid en eer. Vaccinatie was daarom een groot kwaad en ongeoorloofd ,“want”, zo schrijft de chirurgijn van Midwolda: “Godt geeft gesontheyt en krankheyt, en tot geneesing der siektens heeft hij de medicijnmeesters gegeven onder zijn almagtige bestiering; hoe het gedraeit wert, heeft niemant vrieheyt om siektens te maaken.” En met nog een ander citaat:

”Het ziek worden en sterven zijn onder de verborgene zaaken en daarom moeten wij daer vanaf blijven, want de verborgene dingen zijn voor den Heere.”

Gersonius schreef dit op een moment dat de variolatie, pokkeninenting met menselijke smetstof, grote opgang maakte in de stad Groningen. In 1759 was daarmee een voorzichtig, maar succesvol begin gemaakt door de arts en hoogleraar geneeskunde Van Doeveren, die zeven kinderen van stadsregenten inentte. In 1765 waren er bij een kleine pokkenepidemie ook weer wat inentingen verricht, maar de twijfel overheerste, ook door de enorme tegenstand uit orthodox-bevindelijke hoek. Pas bij een nieuwe, veel verwoestender epidemie, eind 1769, begin 1770, kwam de grote doorbraak. Vanaf november werden er in een paar maanden tijd maar liefst 450 inentingen gedaan en volgens Van Doeveren betrof het hierbij meest kinderen van aanzienlijken, “dog ook niet weinige van minderen en borgerlijken staat, als ook sommige van de kleine gemeente”. De stadsdokter Matthias van Geuns beaamde dit en schreef dat

”bijna alles wat niet gepokt had, zich bij meenigten ter inentinge aanbood, wel onder den eersten en aanzienlijksten stand, doch ook zeer veelen onder de andere treflijkste burgers, en zelfs sommigen van ’t meest bevooroordeelde gemeen.”

De bestuurlijke elite nam dus duidelijk het voortouw: zo lieten de machtige Van Iddekinges hun kinderen inenten, wat trouwens ook gold voor hun Ommelander evenknieën van de familie Alberda. Volgens Van Doeveren hadden zulke bestuurders hierin veel invloed en vond hun voorbeeld veel navolging. Ook de rol van de kerkelijke voorgangers was volgens hem groot:

“De edelmoedige toestemminge en openlijke verklaaringe van de voornaamsten onzer Godgeleerden en predikanten; hunne voorbiddingen en dankzeggingen van den kanzel, ja het geeven van voorbeelden in hunne eigene kinderen en naastbestaanden hebben hier niet weinig toegebragt om kragt aan ’t werk bij te zetten en veelen te doen overgaan tot het omhelzen van die praktijk.”

Dit voorbeeld van de politieke elite en kerkelijke voorgangers is des te meer van betekenis, als je beseft dat inenting bepaald niet van gevaar ontbloot was. Tegenover de honderden kinderen die voorlopig geen pokken meer konden krijgen, waren er ook een paar die aan de inenting overleden. Inenten was nog echt een gok met kwade kansen.

In elk geval rept Van Doeveren in 1770 van een “ongemeen groot en algemeen succes der inentinge in deze stad“ en stelt vervolgens de stad èn de provincie ten voorbeeld aan geheel Nederland, waar “de inentinge nog bijna overal geweldigen tegenstand ontmoet”.

Pokkeninenting werd dus gangbaar bij de bestuurlijke elite, vond ook wel ingang bij burger- of middenstand en zelfs bij sommige werklui en arbeiders. Hoe lager in de samenleving, hoe minder groot de animo was. Dit veranderde niet in de achttiende eeuw, want pakweg dertig jaar later schrijft de stad-Groninger arts Jacob van Geuns naar aanleiding van een kwaadaardige pokkenepidemie die honderden doden kostte, dat er “weinig plaatsen in de Bataafse republiek” zijn

“alwaar men zo algemeen voor de inenting der pokjes is als hier, bij verre de meesten is dit punt aan geene contestatie meer onderheevig, en dat niet alleen onder de aanzienlijken, maar vooral ook onder middelclasse en zelfs gemeene lieden”.

“Onder de fatsoenlijke en deftige burgerlieden”, aldus Van Geuns, “is meest alles wat pokken moest, ingeënt – en als die nog door de ziekte aangedaan worden, is de dodelijkheid verre zo groot niet”. Bij de “allerlaagste classe” daarentegen, zag hij de meeste slachtoffers vallen. Veel mensen uit die stand dachten dat er niets aan de ziekte te doen viel, of beschouwden haar nog als een oordeel Gods, waartegen menselijke hulpmiddelen niets konden uitrichten.


DGG 2017

Archeologenballet bij de inrichting van de muntschattenexpositie:

Geredde kinderboekjes in de stand van de historische vereniging Bedum/Zuidwolde:

Glimlachmuziek uit het Poparchief:

Stokoude glasplatencamera, waarmee daadwerkelijk foto’s genomen werden:

De wat minder bekende muntschat van Sappemeer, 2006:

De glazen bol van waarzegster Samiera:

Pechvogel van de dag breekt kies op gelukskoekje, maar leest desalniettemin aandachtig de ingesloten spreuk:

Rad van Fortuin:

Het begin van de boekenmarkt:

Stel poseert voor de glasplatencamera en houdt gezichten in de vereiste plooi (de sluitertijd duurt twee seconden):

De band van Ralf maakt lol:

Na de lezingen: druk buiten met een sprank zonlicht.

De ruim tweehonderd jaar oude fanfare De Eendracht uit Ezinge:

Sousafoon in ruste (zonder soesa):

Gezin bekijkt muntschat:

Maquette van huiswierde uit het Museum Wierdenland:


Een beruchte oplichter

RHC Groninger Archieven, Toegang 1605 (stadsbestuur 1594-1816) inv.nr, 316 (ingekomen missives) 1769.

Kwam bij de ingekomen brieven van het Groninger stadsbestuur dit signalement tegen van de beruchte oplichter Maggaris, alias Jan Cato Kamerling. De man die soms voorgaf theoloog te zijn en dan weer arts, wist met zijn vrome praatjes en voorspiegelingen van zijn grote rijkdom op verschillende plaatsen, o.a. Hoogeveen (Drenthe) en Brouwershaven (Zeeland) jongejuffrouwen uit de betere kringen het hoofd op hol te brengen en zelfs tot huwelijken te verleiden. Vaak spon hij een soort van brievenweb, waarmee hij zijn pseudologica fantastica bij hun familie aannemelijk wist te maken. Volgens een van zijn biografieën moet hij ook nog een poosje in Groningen hebben gewoond. In 1769 was hij kennelijk even ontsnapt, maar wist men hem al snel weer in te rekenen.

Meer lezen?

Abraham Maggaris, bijgenaamd Jan Cato Kamerling, dan 72 jaar oud, in 1792. Collectie Rijksmuseum.



Grietjes groene voordeur

Heb de laatste keer dat ik in Eelde was toch maar even een foto van haar voordeur gemaakt. Ook die stickers zeggen immers wat over Margriet Toppen, wijlen de nicht van mijn vader. Toen ik haar executeur-testamentair vroeg of ze veel liefdadige instellingen had moeten afzeggen, lachte die wat, bij wijze van halve bekentenis.

Moest zelf, toen ik hier in Hoogkerk kwam wonen, zo’n veertig, vijftig charitatieve instellingen afzeggen die door de overleden vorige bewoonster van mijn appartement werden ondersteund. Sommige zijn bijzonder hardnekkig. Die sturen ondanks de opzegging nog steeds bedelpost. Het overlijden van een weldoenster is blijkbaar moeilijk te verteren.

De vorige bewoonster van mijn flat steunde vooral christelijke instellingen. Hoewel ze artikel 31 was, zat daar zelfs Moeder Theresa bij, die als blijk van waardering en als attendering dat er een nieuwe gift verwacht wordt nepzilveren kettinkjes met crucifixjes stuurt.

De instellingen van Margriet haar deur vind ik stuk voor stuk ondersteuningswaardig. Maar je kunt niet alles doen. De Vogelbescherming, dat lijkt me wel wat.

 


Neergestorte trampoline

(Bij de Bornstertol/Eemsgolaan.)