Hoe sterk is


Rondje Paterswoldsemeer

Bij de Langmadijk, Peizermade – op de achtergrond in het westen een mistbank, op de voorgrond helder weer:

De boerderij Eiteweert:

Voorbij het Waal, in de verte, weer die mistbank:

Achterstewold Peize – een van drie Belgen, allemaal in een andere hoek van het weiland:

Isolator op dampaal:

Eelderdiep bij Eelde:

Meerweg:

Hoek Hoornsedijk – blank staand hoekje met landbouwgerei:

Wegzakkende slootschoner:

Berken op het pad naar het padvindershonk:

Paarden bij een blokje hooi:

Stadsmarkering:


Palleraksie enz.

Op een vrij recente veldnamenkaart van Terheijl en omgeving vinden we aan de zuidkant, bij de Scheperij (zie rode pijl), de veldnaam Palleraktie:

Ook Wieringa noteerde deze al, ca. 1970 , zij het als Palleraksie met een s in plaats van de t (bron Hisgis):

Hisgis ‘entte’ Wieringa’s veldnamen op de oudste kadasterkaart, van ca. 1833. De blauwe kleur van het bedoelde perceel staat voor “vijver als bouwgrond”, iets waar ik me maar weinig bij kan voorstellen.

Palleraktie ken ik uit mijn jonge jaren als streektaalwoord, uitsluitend gebruikt door een oudere generatie. Mijn associatie is nu: een rotzooitje,  maar klopt dat ook?

Met die t-spelling levert het weinig op. Maar als palleraksie is het allereerst te vinden in een agronomische woordenlijst van Theodorus van Swinderen uit 1826. Palder staat volgens deze Groninger hoogleraar voor “een laag moerassig stuk grond”. Dat past dan mooi bij die kleur blauw van HisGis – met zulk land  kon als ambitieuze landbouwer weinig uitrichten.

Molema’s Drentse woordenboek uit 1889 meldt onder paldert: “poel, stilstaand water”. Bij dit lemma maakt Molema een uitstapje naar het ’t Oostfries, waarin paller, pallerd en pallert staan voor “moeras, moerassige ofschoon met gras begroeide laagte”. Volgens Molema is het verwant aan het Latijnse palus voor “moeras, broekland”.

Het Drents Woordenboek van Hadderingh en Veenstra (1979), dat palleraktie spelt als  palleraksie en balderaktie, definieert het dan ook als onland, wildernis en rommel, terwijl pallert er staat voor een ’s winters ondergelopen stuk in met name een heideveld..

Zoals al blijkt uit de excursies van Molema is het woord zeker niet exclusief Drents. Diens wat eerder verschenen Groninger Woordenboek (1887) geeft palteraksie, wat staat voor “een hoop goed van weinig waarde, lappen, vodden, versleten kleeren,

Het Nieuw Groninger Woordenboek van Ter Laan (1953) tot slot, situeert palleraksie op het Hoogeland, terwijl de dominante spellingen wat verderop in Groningerland palteraksie en palternaksie lijken. Ter Laan definieert ze als: wildernis, zootje, rommel, morsige boel en mengelmoes.

Zo heel veel zat ik er dus niet naast met mijn rotzooitje. Overigens lijkt de betekenis van palleraksie in de loop der tijd te verschuiven van een natuurlijk naar een cultureel fenomeen.


Rondje Terheijl – Enumatil

Het Vagevuur, een pingoruïne, waarbij in 1626 een veldschansje kwam te liggen waaraan ze haar naam dankt:

Aangetaste boom die met een jaar of wat zo om te drukken is:

Kraaien in boom aan doodlopend pad:

Eindje verder aan hetzelfde pad:

Ook hier zijn de houtwallen niet meer wat ze geweest zijn:

Vroeger liep dit weggetje rond, een van de aanwonenden wilde meer privacy en heeft een hek over de weg gezet:

Bij de Schapenweg, hoek Scheperij hoorde ik het geklepper van ooievaars. Was niet te laat voor een foto, pa ooievaar ging eens takken scoren:

Bij Enumatil betrok de lucht:

(Foto’s van gistermiddag.)


Dropkwark

Dat Limited edition is verleidelijk voor snobs, terwijl ”Durf jij ‘m aan?” de waaghalzen onder ons aanspreekt. Maar kom, laat me het maar eens proberen, straks is het van de markt af en kan het niet meer;

De bus bevat een beetje blauwige, of luchtmachtgrijze drab. Meen laurierdrop te proeven, maar bij de ingrediënten zie ik alleen zoethoutextract staan, naast “natuurlijke armoma’s” (en te veel suikerspul). Oordeel: aardig voor een keer, maar niet voor herhaling vatbaar. Cijfer: 6,5,


Roomstra’s kwamen van Rome

Grappig, de kinderen uit de familie Hendrik Heines die van 1799 tot 1814 de boerderij Rome of Romen bij Ter Heijl bewoonde, namen naderhand, voor zover bekend, allemaal de familienaam Roomstra aan.

Rome(n) moet destijds overigens een vrij kleine boerderij geweest zijn, gezien de huurprijzen, oplopend van 75 tot 105 gulden per jaar. Het ging om losse huren in in termijnen  van drie tot zes jaar. Zulke boeren waren gemakkelijk te lozen door de eigenaar van het buitengoed Terheijl. De zoons Roomstra van Heines en vrouw heten in burgerlijke standsakten dan ook arbeiders, en niet boeren.


Een bezoek aan het buitengoed Terheijl (1797)

J.F. Christ, Huis Terheijl, ca. 1840.

Willem de Lille (1750-1810, zie ook) was een succesvolle advocaat en  stadssecretaris van Steenwijk. Maar omdat hij zich ontpopte als een fanatiek patriot en zelfs optrad als commandant van een gewapend genootschap aldaar, kwam er in 1787 een eind aan zijn politieke carrière. Niettemin wist hij in 1789 een zeer goede partij te trouwen en dat nog wel in gemeenschap van goederen. Het ging om baronesse Johanna Sloet-Van Dedem, weduwe van de drost van Salland. Samen betrokken De Lille en zijn vrouw een jaar later de havezathe Terheijl, die zij van haar eerste man geërfd had. Het lang onbewoonde en dus vervallen huis was intussen onder De Lilles leiding grootscheeps gemoderniseerd. Terwijl het huis in 1786 ruim 50.000 gulden waard was, staken De Lille en zijn vrouw er nog eens ruim 80.000 gulden bij in. Geld dat overigens niet alleen in stenen ging zitten, want er kwam ook een fraaie Engelse landschapstuin om het huis heen, vermoedelijk een van de eerste in Drenthe.

Toen huis en park gereed waren, ging de ondernemende De Lille investeren in de ontginning van de bijbehorende heide- en veengronden, waarbij hij zich ontwikkelde tot een agrarisch deskundige. Hoe hij precies te werk ging, daar is weinig zicht op, maar eind mei 1797 bezocht de Groninger dokter Jacob van Geuns een boer met een maagzwaar op het buitengoed, en maakte er meteen maar een “plaisiertourtje” van. Van Geuns reed er over Leek heen met een fourgon of jachtwagentje. Het was een mooie dag en hij gaf zijn  ogen goed de kost. Dit schreef Van Geuns aan zijn vader in Utrecht over Willem de Lille en diens buitengoed:

Het is een vermaak om deeze plaats te zien, alwaar men zeer ruime gelegenheid heeft om op te merken wat ’s menschen vlijt en arbeid kan uitrigten. De streek en grond is zandig & heide. In 1787 was dit nog een oud vervallen heerenhuis, rondom in heyde gelegen. De Hr. de Lille die het voor een kleine somme gekogt had, liet het huis opmaken, en heeft er nu een zeer goed verblijf van gemaakt. Hij liet zich veel aan de landbouw gelegen liggen, heeft daar veel bosch aangelegt – dat reeds zeer weelig groeit – en reeds, zooals ik meen, 400 morgen goede bouwgrond, waaronder zelfs die garst en koolzaad geeven. 3 Boerderijen heeft hij reeds op zijn goed, welke volgens zijn opgave en raad de landbouw doen op de ontgonnene gronden. Deeze boeren gaat het zeer wel: van jaar tot jaar gaat hij voort met woest land te verbeeteren en zijn voorneemen is van tijd tot tijd hiermeede aan te houden, en zoo spoedig hij weer een goede lap gronds klaar heeft, er weer een boerderij op te zetten. Hij ploegt met zwaare ossen; mest verschaft hij zich verreweg meest door plaggen, planten &c. 1 of 2 jaar te laaten rotten; hij zaait volgens de nieuwe methode, zoo dat de ½ van het land altijd vrij is, dat dan een ander jaar gebruikt word. Zijn vrouw is een Overijsselsche adelijke dame, een zuster van onze ambassadeur Van Dedem – het speet mij dat ik ’s middags voort na den eeten vertrekken moest…

Bronnen, buiten de gelinkte:

  • J. Bos e.a. (red), Huizen van stand (Meppel/Amsterdam 1989) 432-434
  • Utrechts Archief, Tg. 814 (familiearchief Van Geuns) inv.nr. 10: brieven van Jacob van Geuns aan zijn vader Matthias van Geuns, die van 27 mei 1797.

Rondje Kloosterburen

Leegkerk:

Bij de Nieuwbrug:

Bij Warfhuizen in de buurt, meen ik:

Industrieel monument, Wehe:

Broek en het Broekster- of Wierhuistermaar:

Bij Hornhuizen: art déco dampaal:

Bij Hornhuizen, sluitsteentje met koe:

Vreemde structuren in sloten door de snelle dooi:

Kloosterburen, ornament van keramiek, ongetwijfeld van Anno Smith:

Bij Kloosterburen:

Dorpsgezicht Hornhuizen:

Leens:

Jugenstil topgeveltje, oostkant Leens:

Iets ter herdenking van Ede Staal, ook daar:

Buizerd bij Roodehaan:

Fransum:


Baksteen uit De Helle voor Groninger kerken

Kaartje van De Helle (nu Terheijl) en omgeving in de Middeleeuwen, gemaakt door alle latere toevoegingen, zoals Nienoord, de veenkolonie Leek en Nietap, te verwijderen uit een kaartje dat Beckeringh ca 1750-1760 vervaardigde. NB: de oriëntatie is de omgekeerde van de gebruikelijke: zuid is hier boven en noord is onder. Je moet dus als het ware kijken vanuit Nienoord, dat onderaan het kaartfragment stond, maar dat is weggepoetst.

De Helle lag op Drents grondgebied in de hoek tussen enerzijds de landweg Roden-Tolbert/Midwolde en anderzijds het grensriviertje De Lek tussen Drenthe en het het Vredewold. Dat was in the middle of nowhere. De dichtstbijzijnde nederzettingen waren de buurtschap De Zulthe onder her kerspel Roden aan de Drentse kant en Tolbert/Midwolde aan de Vredewoldster kant. Deze uithoek bestond tot ongeveer 1300 voornamelijk uit een onontgonnen wildernis van hoog- en laagveen en heide.

De reden dat het grote klooster Aduard destijds hier een uithof vestigde, was, zoals bekend, dat er aan de oppervlakte potklei gevonden werd, terwijl er ook turf kon worden gewonnen. Met de turf verbakten de bewoners van de uithof in veldovens de potklei tot bakstenen en dakpannen, waarmee bijvoorbeeld de prachtige romanogotische kerken van Groningerland werden gebouwd.

De uithof van De Helle was geheel en al georiënteerd op Aduard in het noorden, zoals je ook kunt zien aan het doodlopen in het veen van een weg naar het zuiden (nu de Scheperij). Via het dichtstbijzijnde bevaarbare punt van de Lek – misschien bij de boerderij Romen, of anders nog wat dichterbij het Zulthermeer (nu Leekstermeer) – en verder het Leekstermeer, de Munnikevaart en de Gave bij Oostwold, de Zuidwending, het Aduarderdiep en de Lindt gingen de producten naar Aduard, waar ze werden gebruikt en verhandeld.

In 1807 is uithof De Helle allang veranderd in een havezate of buitenhuis Terheijl, dat intussen ook aanzienlijk uitgebreid en verfraaid werd, maar een lijstje van de dan door de eigenaar zelf geëxploiteerde percelen (Drents Archief OSA 1513), laat zien hoe het verleden nog in de veldnamen voortleeft. Bij het Huis Ter Heyl en zijn hoven en singels horen dan:

  • De Duivekamp, bos(s)ie en Osseboerskamp
  • De Rutsche camp
  • De Vagevuur kamp
  • De Tichel kamp
  • De Sante(e)’s kampen
  • Leekster veld
  • 4 campen bij de Nietap
  • ’t Zuyderveld en -veen
  • 10¾ waaren (aandeken) in ’t gescheyden veen
  • ’t Baggelveld

De onderstreepte namen, komen ook voor op de veldnamenkaart van Wieringa, ca. 1970 (zie HisGis). Opvallend zijn het Vagevuur (dat als het ware reageert op De Helle, ooit een schansje)  en de Tichelkamp, een plek waar potklei zal zijn gewonnen. Het Leeksterveld, het Zuiderveld, het Baggelveld en de naamloos gescheiden venen hebben te maken met de winning van turf. Toch zullen deze venen niet allemaal al in de Middeleeuwen in exploitatie zijn genomen. Het Zuiderveld ten zuidwesten van De Helle, en het |Leeksterveld even over de provinciegrens kwamen pas veel later aan snee. Het Baggelveld, dichter bij de uithof, heeft dan wat betere papieren, ook omdat baggelen duidt op laagveenderij (vanonder de grondwaterspiegel vandaan), die een turf met een hogere calorische waarde voor de steenbakkerij opleverde. Verder lijken ook de Santeekampen – overgenomen van of gepacht door de ondernemersfamilie Santee – een aanwinst uit een veel jongere periode, ik schat tweede helft achttiende eeuw..

Een Jan Smit bracht in 2012 de hem bekende veldnamen van Terheijl e.o. in kaart (pdf) voor Staatsbosbeheer:

NB: dit kaartfragment heeft wel weer de gewone noordzuidoriëntie. Afgezien van het Zuiderveld, het  Leeksterveld en het Baggelveld, maar inclusief de diverse in 1807 ongenoemd gebleven Hellen, liggen de in 1807 genoemde percelen in een  opstrek tegenover het huis, zeker als we de Santeekampen niet meerekenen. Met de kampen onmiddellijk ten westen en zuiden van het huis die in 1807 evenmin worden genoemd (Olle Tuun, Heerskamp, Klaverkamp) en  met de eveneens ongenoemde Klaaiedobben, de Voorste Ganzenkamp en wellicht het Baggelveld aan de westkant moeten ze behoord hebben tot de middeleeuwse uithof De Helle, waar dus die kloostermoppen vandaan kwamen voor onze prachtige oude Groninger kerken.

 


Winters rondje Terheijl

Groepje jongeren, schaatsend op een slenk in de Onlanden:

Drinkbak bij Roderwolde met een dichtgesneeuwd koeienpaadje erheen::

Roderwolder Schipsloot:

Foxwolde?

Leutingewolde:

Hoek Toutenburgsingel bij de Santeeweg:

Terheijl, bij de Scheperij;

Blok ijs uit drinkbak aan zandweg binnendoor:

Terheijl, bij de Scheperij in het veld:

Binnenkort in dit theater:

Het boerderijtje middenin het veld waar mijn oudtante Gerkje Kroese en haar man Jan Albert Postema van ongeveer 1937 tot zeker haar vroegtijdig overlijden in 1963 hebben gewoond:

Destijds had je nog niet zulke stoppels van mais, ’s zomers zit je er nu nogal ingesloten, lijkt me:

Bij Nienoord:

Het Lettelberterdiep:

Het pontje van de Poffert, ingevroren:

Vanaf Leek kan je over het Leeksterhoofddiep of het Leekstermeer en de Munnikevaart redelijk veilig tot De Poffert komen en dan over het Hoendiep naar Enumatil. Aan de oostkant van de DePoffert zit een grooy vogelwak en bij de suikerfabriek op Vierverlaten is het ijs kapotgevaren of tamelijk dun. Vanaf de stad kan je in elk geval geen Leekstertak gaan halen:


Avercampje Cosun Beet

Even naar het schaatsvertier op de Ruskenveense Plas wezen kijken. Zo heel druk was het er nou ook weer niet, maar morgen en overmorgen zou dat wel eens anders kunnen zijn. Het middendeel met op de achtergrond Bangeweer (zonder koek en zopie):

De kant van de suikerfabriek op:

Bij de Dijkstralaan was wat meer volk:

Stel met buggy:


Wat als God een van ons was?

Had God een naam – hoe zou die zijn dan?
En sprak je hem zo aan?
Als je hem in zijn volle roem zag
En wat breng je uit, als je hem wat vragen mag?

Refrein:
En ja, ja, God is groot
Ja, ja, God is goed
En ja, ja ja ja-ja-ja

Wat als God een van ons was?
Gewoon een vreemde met plastic tas?
In de bus een doorgangsgast, die
anoniem naar huis toe was.

En God zijn gezicht, hoe zou dat zijn dan.
En wou je het zien, als dat betekent
Dat je geloven moet in dingen
als hel en hemel, profeten, heiligen en Jezus?

Zomaar iemand op weg naar huis.
Terug naar de hemel heel alleen
Niemand belt hem op weg erheen
Buiten de paus misschien geeneen


Drenthe heeft Hel en Vagevuur dubbel

Bron: HisGis Drenthe, veldnamenkaart.

In 1723 is er voor de Etstoel, de hoogste rechtbank van Drenthe, een procesje over het onderhoud van de Leck of Leek, een waterlossing door de groen- en hooilanden (maden) van de marke Alting en Klateren ten noordoosten van Beilen. Het venige stroomje op de grens van twee verkavelingsblokken mondt uit in de Beilerstroom. Als veldnamen worden in dit proces genoemd De Hel (voor groenland) en het Vagevuur (voor hooiland).

Uiteraard heb ik ze even gekeken of deze namen te vinden zijn op de Drentse veldnamenkaart onder Hisgis. Deze is gebaseerd op aantekeningen van de veldnamenonderzoeker Wieringa, die allerlei boeren interviewde, maar helaas ook wel actuele namen mengde met historische, zodat je eventuele ontwikkelingen niet meer kunt zien. Inderdaad zijn op de HisGiskaart de veldnamen te vinden.

Opmerkelijk is, dat dezelfde toponiemen voorkomen bij Nietap in Noord-Drenthe. De Leek was daar oorspronkelijk een veenstroompje, parallel aan het later gegraven Leekster Hoofddiep. Ten oosten ervan lag De Helle, vanaf de veertiende eeuw tot ca. 1780 de gangbare naam voor een (voormalige) uithof van het klooster Aduard Na 1780 kreeg De Helle hier de aangenamer klinkende naam Terheijl. Ten oosten daarvan lag en ligt nog steeds Het Vagevuur. Maar Noord-Drenthe heeft nog iets extra’s, want bij De Hel en Het Vagevuur lag (en ligt) er ook nog een boerderij Romen, een naam die bij Beilen nou juist ontbreekt.

In Noord-Drenthe was de Helle duidelijk het oudste toponiem. Het betekende zoals als laag , drassig land. Toen de naamsoorsprong hier niet meer begrepen werd, kwamen er Vagevuur en Rome naast, die beiden refereerden aan  het (voormalige) kloosterbezit. Bij Beilen lijkt zo’n aanleiding helemaal afwezig: Kloosterbezit was niet perse nodig om naast een Hel een Vagevuur te zien.

 


Socialist koopt NSB-krant bij Uffelter klompenmaker

Het Drentse NSB-affiche voor de provinciale statenverkiezingen van 1935. Lijsttrekker was de beruchte Dieters, over wie vorig jaar een biografie verscheen door Sienus Nijborg.

In De Vrije Socialist van 3 april 1935, sinds kort op Delpher te vinden, staat een verslag van een merkwaardige ontmoeting in Uffelte, dat het anarchistische periodiek ontleende aan het sociaaldemocratische dagblad Het Volk.  Omdat de oorspronkelijke publicatie niet op Delpher te vinden is, moeten we het doen met De Vrije Socialist. Volgens dat blad had de ontmoeting zich bijna een jaar eerder, dus in het voorjaar van 1934, voorgedaan, en was het veel recentere verslag erover afkomstig van een H.M. uit Groningen, die met een groep AJC-ers vanuit het Havelter Hunehuis een wandeling naar Uffelte had gemaakt.

In de initialen herkennen we Herman Molendijk, sinds eind jaren 30 leider van de noordelijke AJC (de jeugdbond van de sociaaldemocratische SDAP), tevens bouwheer en bedrijfsleider van ‘t Hunehuis in Havelte, het vaste onderkomen voor vakantiekampen van de noordelijke AJC. Zoals in een recent boek over het Hunehuis te lezen valt, liep Molendijk steevast met groepen bezoekers naar Uffelte, om daar een en ander uit te leggen over de omgeving. In 1934 woonde hij nog met zijn vrouw in het Hunehuis, een jaar later was hij inmiddels wethouder in Groningen.

Goed, nu dat verslag. Op een bospad naar Uffelte, zagen Molendijk en zijn AJC-groep voor “een kleine, wankele hut” een groot bord staan met reclame voor Volk en Vaderland. Ze verbaasden zich erover; hoe belandde dat reclamebord voor de NSB-krant hier in Uffelte? Molendijk besloot het de bewoner, een klompenmaker, zelf te vragen:

Ik stapte het erf op, vroeg een krant te koop en knoopte een gesprek aan. Met nog een paar van zijn mede- gehuchtbewoners was hij met de heeren (van de NSB, HP) in aanraking gekomen. Ze kwamen met een auto uit Utrecht!

Voorzichtig informeerde Molendijk  naar de reden waarom de klompenmaker zich bij de NSB aangesloten had. Daar kon men toch geen heil van verwachten? De Uffelter was het daar niet mee eens, wat leidde tot een curieuze gedachtenwisseling tussen links en rechts, die anno 2021 helaas enige herkenning oproept:

— Och meneer (aldus de Uffelter), zoo kan het ook niet blijven! Het moet allemaal anders worden.

— Ja, dat vinden wij ook! (beaamde Molendijk). Alles moet anders worden, maar het wordt niet anders als de menschen elkaar opsluiten en de hersens inslaan. Voor verandering is geen geweld noodig.

— Dat kan wel, meneer, maar nu hebben we hier de S.D.A.P. in de regeering en wat zijn we er beter van geworden?

—De S.D.A.P. in de regeering? Daar vergist u zich toch zeker in? De S.D.A.P, heeft hier nog nooit in de regeering gezeten.

— (De man tot zijn zoon): Haal dat kraante dan za’k et um veurleze (De vader, lezende uit de krant): Heur dan: hier steet et! Minister Slotemaker de Bruine, minister van Sociale Zaken, antwoordt. Dat is dan toch een sociaal!”

Nu had de SDAP op dat moment nog nooit in de regering gezeten, terwijl minister Slotemaker de Bruïne van de conservatief-christelijke CHU was. Molendijk probeerde de man het onnozele fabeltje van de socialistische regeringsdeelname uit het hoofd te praten, maar tevergeefs, want:

‘”Slotemaker is partijgenoot en moet het blijven.

Dat Molendijk een jaar later nog eens in de krant terugdacht aan de ontmoeting, kwam doordat in maart 1935 de kandidatenlijsten voor de aanstaande statenverkiezingen in de diverse kranten werden gepubliceerd, ook die van de NSB. En daaruit bleek

dat ons klompenmakertje uit Uffelte voorkwam als no. 9 op de Drentsche lijst. Hij is waarschijnlijk een van de mannen, die door hun deskundigheid de openbare lichamen versterken…”.

Om wie het ging, viel gemakkelijk te achterhalen. Het bleek te gaan om een A. Jonkers. Dat was echter niet de oude man die per abuis meende dat de SDAP in de regering zat, maar diens zoon. Die overigens  dezelfde politieke opvatting toegedaan was.

De oude klompenmaker heette Berend Jonkers en was ten tijde van de ontmoeting met Molendijk ruim 75 jaar. Sinds enkele jaren was hij gescheiden van zijn vrouw, met wie hij  bijna een halve eeuw getrouwd was geweest. Hij overleed in 1941.

Zijn zoon op de provinciale NSB-lijst heette Albert Jonkers en staat net als zijn vader te boek als klompenmaker, maar ook als arbeider en boomkweker. Hij was begin 1894 geboren en dus 40 jaar oud ten tijde van de ontmoeting met Molendijk. Deze Jonkers was in 1917 getrouwd met een arbeidersdochter en dienstbode uit Havelte, met wie hij zeker vier kinderen kreeg (een overleed een paar dagen na de geboorte). Als hobby fokte hij stamboekgeiten. In de crisisjaren deed hij nogal eens mee aan lokale geitenkeuringen.

In de oorlogsjaren liet Albert Jonkers zich niet onbetuigd. Hij deed in 1944 en 1945 in de omgeving dienst als ‘hulplandwachter’, in welke functie  hij voor de Duitsers patrouilleerde, bewakingsdiensten verrichtte en aan huiszoekingen meedeed. Ongetwijfeld is hij na de oorlog meteen opgepakt en geïnterneerd. Zijn zaak was te zwaar voor het Tribunaal en vervroegde vrijlating. Eind mei 1949 kwam deze  daarom nog voor het Bijzonder Gerechtshof in Leeuwarden. De eis was dertien jaar gevangenisstraf. In de uitspraak bleef daar negen jaar van over, met aftrek van de vier jaar voorarrest, maar ook met levenslange ontzegging van het actief en passief kiesrecht. Hierbij had het Hof nog rekening gehouden met de algemene gratie bij de troonsopvolging van 1948. Geen kattepis, al met al, zo’n straf.

Albert Jonkers zal in 1953 of 1954 op vrije voeten zijn gesteld en keerde toen terug naar zijn woning aan de Ruiterweg in Uffelte. Daar kwam op 7 juli 1966 een eind aan zijn leven. Na het middageten reed hij zonder uit te kijken met zijn brommer de weg op, en werd geschept door de bestelauto van de lokale Sparwinkel. De huisarts, dokter Bruins, kon slechts de dood constateren. Een paar dagen later werd Jonkers ter aarde besteld op de begraafplaats van Uffelte, een eindje verderop aan de Ruiterweg. Getuige de rouwadvertenties in de Meppeler Courant herdachten zijn nabestaanden hem als een “lieve man” en “beste vriend”.


Oudoom als back in Groninger Elftal

Drachtster Courant 8 april 1938.

Ontdek via de Drachtster Courant op Delpher, dat een jongere broer van mijn grootvader vlak voor de oorlog als back in het Groninger Elftal speelde. Waarschijnlijk was het Hein, omdat Klaas Vondeling al naar Assen was verhuisd, waar hij in Achilles speelde. In het Groninger team zat slechts één GVAV-er; WVV Winschoten (later de club van Klaas Nuninga, Jan Mulder en Arie haan) was de hofleverancier van het team met drie spelers, waarvan er twee in de voorhoede speelden.

Bij de Friezen geen Abe Lenstra en ook geen andere spelers van Heerenveen en Cambuur. Akkrum was hier de enige club die meer dan een enkele speler aan het vertegenwoordigende team leverde.

De Groningers begonnen de match als underdog, maar wonnen volgens het wedstrijdverslag van een paar dagen met 5-3 . De Friezen waren fysiek sterker, maar de Groningers technisch beter. Vondeling wordt niet met name genoemd, maar volgens het verslag waren er geen zwakke plekken in het Groninger Elftal.   Sinds 1909 hadden beide elftallen elkaar 32 maal bestreden waarvan de Groningers 19 ontmoetingen won en de Friezen slechts 8.