Zeven zwanen op een kluitje

Vanochtend zien fourageren vlakbij het Hegepad: de familie zwaan die daar dit voorjaar ontstaan is. Pa en moe en de koters blijven dicht bij elkaar, in de winter. Ze trekken zich nauwelijks iets aan van passanten:

Advertenties

Gedeputeerden verwijderen ooievaarsnest

Niet alleen de school in Hoogkerk en de kerk van Niehove droegen ooit een ooievaarsnest op het dak, dat deed ook het Groninger provinciehuis in de zeventiende eeuw. Alleen waren de ooievaars in dit geval niet zo populair:

DE OOIEVAAR OP HET PROVINCIEHUIS.

“Is de commies Taco Bauckens gelastet om het Provinciehuis te laten witten, ende het eijbersnust bovenop de schoorsteen of te smijten, ende het ijser op de schoorsteen voor de eijbers te doen setten.”

(Resolutie Gedeputeerde Staten van Groningen 15 april 1630.)

Bron: Bladvulling in de Groninger Volksalmanak van 1932, pag. 96.

Commentaar: Blijkbaar ondervonden de provinciebestuurders overlast van de ooievaars, in dit broedseizoen. Het zal er niet zo netjes hebben uitgezien in hun ogen en mogelijk maakten de vogels ook teveel lawaai. Daarom werd het nest van de schoorsteen gegooid, terwijl een constellatie van ijzer moest voorkomen dat de ooievaars er nog weer gingen nestelen. Vermoedelijk bestond die constellatie uit pinnen, maar dat laat zich uit de tekst niet aflezen.


“De hondekoning, zo heette ik”

Uit de memoires van de Jordanese koopman Paultje Rollman:

“Over die hondehandel, ja. Dat was direct na de oorlog. Ik kende een beetje Engels, was tolk bij de Canadezen. We lagen in Havelte. Komt daar een boer met z’n hondje. Verkocht ‘ie. Die Canadezen waren daar gek op. Hij kreeg er een pakje sigaretten voor, en één sigaret was een piek in die tijd. Ik dacht: dat gaat fijn. Toen heb ik ook een nest jonge honden gehaald. Grif verkocht. Een hele handel. Ik kocht ze op de veemarkt in Leeuwarden, en dan terug naar Amsterdam.

„Je had toen geen honden meer in Amsterdam. Die waren allemaal opgevreten. ledereen wilde een hond, van de „hondekoning”, zo heette ik.”

Bron: Parool 20 november 1970.


Boer acht gemeentearchief zijn eigendom

Daar keek ik toch wel even van op: dat het Havelter gemeentearchief van voor 1850 ruim een eeuw later bij de vooraanstaande boer op zolder lag.

Ooit bevond dat archief zich in een kabinet in het oude schultehuis aan de Dorpsstraat, waar vier generaties Kymmels achtereenvolgens woonden als schulte van Havelte (notaris en burgemeester ineen). Van de laatste Kymmel moeten de stukken uit 1798 zijn geweest, die het Paroolbericht noemt. Ergens in de negentiende eeuw erfde een nazaat van de Kymmels, een mevrouw Meeuwes, het kabinet met het oude gemeentearchief. De vrouw van boer Dorenbos was daar weer aan vermaogschapt en zo kwam dat archief dus terecht in de boerderij van Dorenbos bij de Havelterbrug, waar de pampieren in de Tweede Wereldoorlog voor de veiligheid onder de grond gingen. Overigens betrof het niet alleen gemeentebescheiden, maar ook nog markeboeken en kerkelijke archivalia.

Mooi voorbeeld hoe overheids- en ander niet-particulier archief van algemeen belang kan afdwalen, met het risico dat het als particulier bezit eindigt. Want ook boer Dorenbos beschouwde de stukken anno 1952 als de zijne. Burgemeester Kuil van Havelte mocht ze hooguit van hem komen lenen. Niet dat de burgemeester iets tegen Dorenbos persoonlijk had – die zou in zijn ogen een goed archief-ambtenaar zijn – maar Kuil wilde toch wel even wijzen op de grote risico’s van de bewaarplek bij Dorenbos, zoals muizenvraat, vocht en brand.

Uit het bericht laat zich opmaken dat de burgemeester zich machteloos voelde. Hij was er ook de man niet naar om de oude stukken botweg op te eisen. Tegenwoordig doen zich zulke situaties nog wel eens voor, en wat mij betreft komt er een wet die particulieren oplegt hun eigendomsrecht op zulk afgedwaald overheidsarchief te bewijzen. Is dat onmogelijk, dan gaat het hup naar de kennelijk rechtmatige eigenaar. Voor historisch onderzoek is dat bronnenmateriaal immers het best op zijn plaats in een goed geoutilleerde archiefbewaarplaats met een dito studiezaal.

Als ik mij niet vergis, heeft Dorenbos de stukken later trouwens aan de gemeente en het Drents Rijksarchief overgedragen. In dit geval ging het dan nog goed.


Twee keer Perton in Amsterdams Dagboek

Opdat we ons in de kerstvakantie niet gaan vervelen, heeft Delpher vandaag de edities van het Parool, Trouw en de Volkskrant uit de periode 1945-1995 online gezet, Voor het zoekwoord Perton leverde dit 99 resultaten op. Veel van dat spul was me al wel bekend uit regionale kranten, zo figureert de tafeltenniskampioene met mijn achternaam weer menigmaal in de sportkolommen, en blijkt Frits Perton de makelaar te adverteren voor een verplaatsbare boerenschuur uit de omgeving van Winschoten.  Maar de leukste resultaten zijn toch de paar keer dat een (ver) familielid figureerde in de Paroolrubriek ‘Amsterdams Dagboek’ van ‘Dagboekanier’ Henri Knap, later een bekende TV-persoonlijkheid.

De eerste keer betreft het de verschijning, in 1949, van een Bertus Perton in de afdeling ‘Goed zo!’ van Knaps rubriek, welke afdeling ook wel de “Parade der Braven” heette:

Oudezijds Achterburgwal 140 zal het hotel van de piccolo geweest zijn. Tegenwoordig ziet het er zo uit.

Mijn oudtante Siene, die net weer in Amsterdam woonde in een flatje in de Stadionbuurt, raakte in 1953 zèlf iets kwijt en schakelde blijkbaar Knap in om het verlorene weer terug te krijgen. Haar oproep belandde in de ‘Verdrietige afdeling’ van diens rubriek:

Siene werd wel aanbeden door een belastingcollega, waar ze echter weinig van moest hebben, terwijl ze verder levenslang vrijgezel is geweest. Reden voor mij om te denken dat dit ovalen horloge van haar moeder was geweest. Toch  jammer, dat het op zo’n manier weg is geraakt, maar wel aardig dat er nog een beschrijving van is.


Emmaviaduct

Het Emmaviaduct is vooral fotogeniek met slecht weer, zoals vanmiddag om half vier:


Veenkoloniale levenstrap


Midwintergedachte bie ’t Hoogholtje (Veenkoloniën)

Laive lu, blief even kieken,
Veür elkain weer wieder gait
Noar zien loan en weg en wieken,
Woar zien waark te wachten stait.

Wil ie even noar mie luustern
Nou de zun nog éven lacht ?
Veür de kortste doagen duustern,
Snei en hoagel om ons jagt?…

Stap veur stap klim’ wie noar boven
Op de köֲrte levensboan;
Stap veur stap wordt ’t oetzicht roemen,
Tot wie hóóg op ’t holtje stoan!

Dan ’n zetje… noar beneden !
Gauw en gauwer gait dat dan;
Doar ben al de leste treden…
’t Leven is net ’n hoogholtje, man!

Bron: ’t Noorden in Woord en Beeld 24 december 1926.