Koe in de Tjam

kobell-ca-1800-vee-bij-bruggetje-bredius

Uit de regels kan je bijna nog opmaken hoe de stoom Luitje Alberts uit de oren kwam. Hij had een koe in de weide gehad bij Hindrik Cornellis in Finsterwolde en dat voor 8 stuivers weidegeld in de week. Maar het was niet goed gegaan met het beest. Het raakte te water:

“… gem[elde] koe in de zoogenoemde Tjam geraakt zijnde, dezelve daaruit door Hindrik Cornelis tegens een steile en hooge wal is opgetrokken; dat de koe hierdoor ten uitersten afgemartelt, Hindrik Cornelis dezelve zonder eenig hulpmiddels aan te wenden in het land heeft doen verblijven, door welke negligente behandeling de koe daarna gestorven is…”

Luitje was bij Hindrik langsgeweest om schadevergoeding te vragen. Maar Hindrik hield zich stil en antwoordde niet. Daarom wendde Luitje zich tot de Oldambtster drost met het verzoek om een hoorzitting uit te schrijven, zodat met beide partijen de hoogte van die schadevergoeding kon worden vastgesteld.

Op 8 september 1778 willigde de drost het verzoek in om ze te horen “en zoo doenlijk te reguleren”. Een vervolg heb ik niet kunnen vinden, niet in hetzelfde rekestboek, niet bij de uitspraken en evenmin in het civielrechtelijke prothocol. Ik vraag me zo af, of het zaakje wel eens een vervolg kreeg. Maar wie weet, kom ik dat nog wel eens tegen.


Grondkraak bij het Hoetmansmeer

Het Hoetmansmeer en omgeving volgens Theodorus Beckeringh, in de jaren 1770. Van zeker drie kanten naderde de vervening het meer: vanaf Wildervank in het noordwesten, vanaf de Ommelanderwijk in het noorden en vanaf Nieuwe Pekela in het oosten. Bij het nieuwe en nog niet zo lange Stadskanaal in het zuiden tekende Beckeringh nog geen verveningsactiviteiten, maar ook aan de drie zijden waar hij die wel weergaf, lag het meer nog in woest hoogveen. Collectie RHC Groninger Archieven 1536-6317.

Het Hoetmansmeer en omgeving volgens Theodorus Beckeringh, in de jaren 1770. Van zeker drie kanten naderde de vervening het meer: vanaf Wildervank in het noordwesten, vanaf de Ommelanderwijk in het noorden en vanaf Nieuwe Pekela in het oosten. Bij het nieuwe en nog niet zo lange Stadskanaal in het zuiden tekende Beckeringh nog geen verveningsactiviteiten, maar ook aan de drie zijden waar hij dat wel deed, lag het meer nog in woest hoogveen. Collectie RHC Groninger Archieven 1536-6317.

Als je afgaat op de verschillende Groninger encyclopedieën en andere naslagwerken, werd het Hoetmansmeer, een meerstal in het hoogveengebied tussen Wildervank en Nieuwe Pekela, pas in 1804 drooggelegd en in boerenplaatsen opgedeeld. Dat mag zo zijn, maar die droogmaking kende een vrij lange aanloop, waaraan meestal voorbij wordt gegaan. In 1769 vroeg juffer H.H. Werumeus, de eigenares van het meeste veen aan de kant van de Ommelanderwijk, de stad namelijk al om droogmaking van het meer, waarop de stad in de zomer van 1770 besloot om samen met haar die drooglegging werkstelling te maken. Dat gebeurde in eerste instantie door een ringsloot aan de noordkant, waarin het meerwater kon afzakken. Terwijl de stad die sloot steeds verder zou verdiepen, zou juffer Werumeus de afwatering van de sloot naar haar wijk betalen en die wijk steeds dieper houden dan de ringsloot. Voor de vervuiling van haar watergangen met meerstalwater zou de stad haar een vergoeding geven. Maar waarschijnlijk doordat de juffer weldra stierf, lag het werk in 1776 stil. Met haar opvolger C.H. Gockinga, die dat jaar aan de bel trok, werd weliswaar in 1778 een nieuwe overeenkomst gesloten, zodat in 1785 de perceelsgrenzen door het meer konden worden “opgetrokken”, maar erg veel schot zat er dus ook toen nog niet in de zaak, wat deels wellicht zijn oorzaak vond in enkele diepere kolken in het meer.

In elk geval bestond er in de jaren 1770 al een “commissie tot het aftappen van het Hoetmansmeer”. Ook lag een deel van het meerland destijds al droog. Want toen voornoemde commissie in de zomer van 1776 de oevers naging en onderzocht, zag een van haar leden, dr. Forsten,

“een aanmerkelijke antal banken boekweitenlandt, gelegen op het droog gewordene landt bij en omtrent Hoetmans Meer”.

En dit boekweit (een brandcultuur) groeide nota bene op zijn grond, in de opstrek van de veenplaats nr. 35 aan het Oosterdiep in de Wildervank. Bij nader onderzoek bleek Forsten ook, dat het veen hier was “gebrand, bearbeijdt, besaaijt en beheerdt” door zijn pachter op die plaats, te weten Stoffer Hindriks Smit. Alleen gebeurde dit zonder Forstens voorkennis en toestemming, ja, Forsten kreeg er zelfs helemaal geen pacht voor! En dat terwijl sommige van de bewerkte akkers al “eenige jaren schenen geboekweijdt te wesen” – bij andere percelen ging het om “geheel nieuw landt, nieuws toegemaakt”.

Eigenlijk was hier dus sprake van een grondkraak… Uiteraard wilde Forsten van zijn meier weten hoe dit zat en Stoffer Hindriks Smit gaf daarbij grif toe

“gemelde boekweijtenlandt gebrandt, bearbeijdt en besaaijt te hebben, voorgevende dat landt van Rem[onstran]ts overleden veenbaas gekogt te hebben, die nu al in de drie jaren overleden is geweest, daar een gedeelte landt onlangs is toegemaakt, ook in de jaarlijkse rekeninge in praesentie van de veenbaas met meergemelde meijer geen de minste mentie off verantwoordinge van dat landt geschiedt is.“

Met andere woorden: Smit beweerde de grond te hebben gekocht van Forstens veenbaas, maar omdat die goeie man al drie jaar dood was, kon dat onmogelijk opgaan voor het deel van de grond dat nog maar sinds kort bewerkt werd. Bovendien ontbrak elk schriftelijk bewijs voor zo’n transactie en Smit lulde zich zo compleet vast. In elk geval vond Forsten reden om naar de Oldambtster drost te stappen. Hij achtte het

“ten hoogsten noodig dese geweldadigen handelwijse tegen te gaan en voldoeninge te erlangen van het gepasseerde”

en vroeg op 29 juli 1776 de drost om Smit ter verantwoording te roepen en hem te verbieden dat land nog langer te gebruiken. Via de wedman van Wildervank werd dit “exploot” bij Smit bezorgd.

Voor ik verder ga met de civiele zaak eerst iets over de achtergrond van beide partijen. De ene zou je een Goliath kunnen noemen en de ander een David.

De Goliath was dan de gepromoveerde jurist Hindrik Forsten (1711-1796). Waarschijnlijk betrof het een zoon of kleinzoon van de rond 1700 in Wildervank prominente verlaatsmeester, wedman en veengenoot Jan Harms Forsten. De familie Forsten ging het bijzonder naar den vleze, haar wapen prijkt op een herenbank in de Wildervankster kerk. Hindrik stond met zijn ene been in de geleerde wereld, want toen hij stierf liet hij volgens de kranten-advertenties een “fraaye verzameling” van Latijnse, Franse en Nederlandse boeken na over rechtsgeleerde, godgeleerde en historische onderwerpen. Deze bibliotheek kwam in de stad, waar Forsten ’s winters woonde, onder de hamer van de academische auctionaris Bolt. Even tevoren was Forstens vastgoed al geveild: een “menigte porcelen landerijen, veen en dallen”, meest gelegen te Wildervank, naast wat grondpachten aldaar, twee huizen met tuinen en last but not least een veenplaats op het Gasselternijveen.

Kortom, Hindrik Forsten was een jurist, academicus en grootgrondbezitter. Wie de David was, blijkt uit de boedelinventaris van Forstens  pachter Stoffer Hindriks Smit (1775). Smit bezat toen een huis en tuin (Oosterdiep Wildervank nr. 35) met ongeveer 8 deimt land, wat neerkomt op 3,6 hectare. Dat land was gedeeltelijk weiland, want aan levende have had Smit twee koeien, een enter (éénjarige) vaars en een “hokkeling bolle” (stierkalf dat gemest werd), twee koekalveren en een schaap. Voor het melken van de koeien beschikte hij over melkgereedschap, voor het verwerken van de melk tot boter had hij een karn. Maar hij was niet louter veehouder, want hij bezat tevens een boekweitzeef, een zaaistok, een boekweitschoffel en vier dorsvlegels voor zijn graan. Afgaande op deze eigendommen was Smit een keuterboer met een gemengd bedrijf. Een keuterboer die het juist niet zo voor de wind ging. Van het aankoopbedrag van zijn veenplaats resteerde immers nog 1000 gulden schuld aan Forsten, en dat met het lopende jaar rente, te weten 40 gulden. Bovendien had de “heer en meester” Forsten nog een jaar grondpacht van Smit tegoed: 25 gulden. Forsten was daarmee veruit de belangrijkste schuldeiser van de keuterboer, die volledig aan Forsten was overgeleverd. Nogal stom dus, om zonder Forstens toestemming diens drooggevallen grond bij het Hoetmansmeer in gebruik te nemen, temeer daar Smit zijn rente- en pachtschulden bij Forsten nog verder liet oplopen dan in 1775 al het geval was.

Op 13 augustus 1776 kwam de zaak van Forsten contra Smit voor het eerst voor het Oldambtster gerecht. Forsten eiste een vergoeding voor de schade, te begroten door de drost, en ook moest Smit voortaan afblijven van het boekweitenland bij het Hoetmansmeer. Smit gaf in een volgende zitting toe dat hij dit land had gebrand, ingezaaid en bewerkt zonder daarvoor toestemming van de grondeigenaar te hebben, of die er pacht voor te betalen. Op 10 september erkende Smit in een andere procedure, dat hij Forsten inmiddels twee jaar rente en pacht voor zijn eigenlijke veenplaats schuldig was. Dat Forsten Smit echter ook nog wat moest voldoen, mogelijk arbeidsloon voor turfgraverij, bleek uit hun schikking de dato 24 september, die een week later in het civiele prothocol van de Oldambtster drost geboekt werd. Bij die “conventie” kwamen beide partijen overeen:

  • Dat Smit met onmiddellijke ingang zijn tuin en akkerland in eigendom zou afstaan aan Forsten. Wat er nog te oogsten viel, mocht hij houden, evenals zijn bult mest. Dat inhalen van de oogst moest echter wel zo snel mogelijk gebeuren.
  • De rest van zijn 8 deimt grond, het groenland, mocht Smit nog tot november gebruiken voor zijn vee.
  • Het huis op de grond mocht hij nog tot mei 1777 blijven bewonen. Hij mocht het huis, dat hij mogelijk zelf liet bouwen, dan afbreken voor het bouwmateriaal, maar als hij dat niet voor 1 mei deed, dan werd ook dit huis ’t eigendom van Forsten.
  • Op deze manier werden alle schulden van Smit aan Forsten betaald en ook de rekeningen over en weer. Wel waren de rechtskosten alleen voor Smit, met uitzondering van de daggelden, die hem werden kwijtgescholden.
  • Uiterst opmerkelijk was, dat Smit het gekraakte en gewraakte boekweitenland nog vier jaar mocht blijven gebruiken. Waarschijnlijk deed Forsten deze concessie omdat Smit nogal geïnvesteerd had in het voor de boekweitteelt geschikt maken van dit land.

Hiermee verloor Smit op termijn al zijn vastgoed. Dankzij zijn grondkraak trad de keuterboer toe tot het leger van bezitslozen. Alleen in mooie verhalen wint een David van een Goliath.

Bronnen (afgezien van de gelinkte)
Alles in RHC Groninger Archieven –

  • Toegang 1468 (Veenkantoor) inv.nrs. 218, 221, 250;
  • Toegang 2041 (Register Feith, afschriften) inv.nr. 1069;
  • Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 6126 (rekest Forsten);
  •  Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 47 (civiel proces).

Bultje krodde bracht daalder op

krodde-1786

Volgens een lijstje van “kooren gewas” op zijn boedelinventaris, verkocht de doopsgezinde koopman en boer Luitje Reinders uit Sappemeer in 1786 vooral haver (ruim 97 mud), boekweit (55 mud), rogge (36 mud) en “Turkse rogge” (bijna 8 mud). Dat laatste graan kwam waarschijnlijk van zaaigoed uit Turkije.

Verbazingwekkend is vooral de laatste post. Reinders wist zelfs nog een bultje krodde te verkopen. Het onkruid bracht een daalder op. Misschien werd er wel olie van gemaakt.


Van een scharensliep die met de noorderzon verdween

David Teniers - De Scharensliep (Louvre?)

David Teniers – De Scharensliep.

Diaconieën, de lokale fondsen voor armenzorg, hadden nogal eens iets te verhapstukken bij de Oldambtster drost. Vaak maakten ze onderling ruzie over de vraag wie er verantwoordelijk was voor de bedeling in een bepaald geval. Ook was er nogal eens mot over de nalatenschap van bedeelden. En een enkele keer verkochten ze vastgoed aan iemand die duidelijk niet solvabel was.

Dat laatste was het geval in 1762 te Veendam. Daar verkocht de diaconie toen

“een kamertje met een tuin staande en gelegen bij Scholtehuisen in Veendam”

aan Siwert Arents Scheerenslijper en vrouw. Dat dit eenkamerwoninkje geen riant onderkomen was, moge blijken uit de prijs, zegge en schrijve 42 en een halve gulden, een bijzonder laag bedrag als je weet dat een arbeiderswoninkje aan de onderkant van de woningmarkt destijds, althans in de stad Groningen,150 à 200 gulden deed. Bij de stulp van de Veendammer scharensliep zat ook nog een klein lapje grond, een tuin die jaarlijks een gulden en zeven en een halve stuiver aan grondpacht kostte. Wat ook echt niet veel was.

Siwert Arends was waarchijnlijk familie van de Arend Sywerds die in 1762 buiten de Oosterpoort van de stad Groningen woonde, en wiens vrouw Gesien Naarsingh met liedvellen ventte. Maar Siwert groeide op in Veendam, zoals in 1759 bleek bij zijn huwelijk aldaar met een Aaltje Margaretha Andries uit Norden. In 1766 en 1768 kreeg het stel in hun woninkje bij Veendammer Scholtehuizen een zoon Jan en een dochter Trijntje, mogelijk waren er eerder en later nog kinderen voor de doop gestorven. In elk geval boerde Siwert als scharensliep nog relatief goed, want van de 100 % hypotheek op zijn huisje, loste hij 10 gulden af, bijna een kwart van het aankoopbedrag.

Er resteerde dus nog een schuld van 32 en een halve gulden aan de Veendammer diaconie, niet alleen de instantie waarvan Siwert en vrouw hun huisje kochten, maar ook hun geldschieter. Die 10 gulden was het enige dat ze betaalden, voor de rest trokken ze zich niets aan van de betalingsvoorwaarden in het koopcontract. Sterker nog, ze betaalden ook de grondeigenaar “ïn geene jaaren” grondpacht.

Kennelijk zagen ze in 1773 geen andere uitweg meer, dan met stille trom te vertrekken,

“sonder dat men met seekerheid weet, werwaarts na toe, of waar ter plaatse sig thans ophouden, hebbende sij sig sedert hun vertrek niet het minste aan ’t kamertje bekreunt…”

Dit bleek ook uit een verklaring van de naaste buren, die de Veendammer diaconie eind 1777 voorlegde aan de Oldambtster drost. Het kamertje van de scharensliep werd intussen door een Pieter Jans en vrouw bewoond, “die ook onderstand van de diaconie in Veendam genieten”.

Doordat Sywert Arends Scheerenslijper en zijn vrouw met de noorderzon waren vertrokken, kon de Veendammer diaconie ze niet op de gewone manier voor het gerecht dagen. Natuurlijk zou de diaconie het verdwenen stel kunnen indagen via een ‘edictum ad valvas’, met aanplakbiljetten op allerlei plaatsen, “dog geconsidereert het kamertje en tuin van soo geringe valeur is”, begon de diaconie daar liever niet aan. Bovendien zouden de scharensliep en zijn vrouw zich er waarschijnlijk niets van aantrekken. En toch moest de zaak “in order gebragt” worden.

Daarom verzocht de diaconie de drost om het vastgoed buiten zulke procedures om weer aan de diaconie toe te wijzen, uit hoofde van de resthypotheek en vanwege de wanbetaling. Als de diaconie weer “meester en eijgenaar” was, wilde ze het kamertje met de tuin opnieuw verkopen. Ook daarvoor vroeg ze toestemming aan de drost. Uit de opbrengst zou ze dan eerst de achterstallige grondpacht aan de grondeigenaar betalen. Vervolgens zouden de restschuld en onkosten van het bedrsg af gaan, en “so onvermoedelijk deze verkoop so veel mogt rendeeren” dat er nog wat overbleef, dan zou dit restant ofwel voor Arends zelf, ofwel diens schuldeisers zijn.

Op 3 januari 1778 stemde de drost in met dit voorstel, want van de scharensliep en zijn vrouw was nog steeds niets vernomen. In zijn beschikking week de magistraat op een enkel puntje echter af van wat de diaconie voor ogen stond. Zij had het eventuele overschot aan het gerecht willen overdragen, maar de drost vond dat ze dat voorlopig zelf wel kon bewaren voor de scharensliep of zijn schuldeisers.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 6127 (samengevatte rekesten met kantbeschikkingen).


Rondje Norg

Zilverreiger in de plas achter de Onlanderij:
dsc04319
Norlingerweg, Peize:
dsc04323
Toch nog zwaluwen – windwijzer bij de Pol in Peize:
dsc04326
Eindje verder, nieuwsgierige Peizer geiten:
dsc04328
Voorzichtig begin van de herfst:
dsc04331
Biologisch maisveld tussen Peize en Norg levert kolfje naar mijn hand:
dsc04338
Bij het Oostervoortse diepje:
dsc04340
Libelle met groenig rugschildje en vier vlekken op de vleugels, het lijf lijkt zwart:
dsc04350
Onder het brugje een zwerm schrijvertjes:
dsc04359
Norg, marionettenspel in etalage antiekzaak:
dsc04363
Duivenhok in andere etalage:
dsc04364
Veldje met meest uitgebloeide kleine zonnebloemen bij Langelo:
dsc04365
Een exemplaar dat het nog volhoudt:
dsc04368
Geïmproviseerd hek bij Langelo:
dsc04370
Het centrum van Roden bleek wegens een dorpsfeest afgesloten voor alle verkeer en zeer druk. Ging daarom langs een weggetje naar de achterkant van Mensinge en ontdekte dat daar op het veld naast het huis tientallen antieke tractoren stonden:
dsc04376
Meteen bij de opgang deze fraaie, maar curieus gekleurde Lanz Bulldog:
dsc04377
Hij leek wel in de olie gezet:
dsc04379
Midden op het terrein waren de dorsers er net mee opgehouden:
dsc04385
Maar bij het duivenhok was iemand nog bezig met een mij onduidelijke bewerking:
dsc04391
Huize Mensinge was al dicht. Eigenlijk had er achter het grote raam een freule moeten staan die met zichtbaar misprijzen op heur gelaat het plebs aanschouwde dat zich in heur tuin vermeide bij al die affreuze apparaten.
dsc04396


Van Zuidbroek naar Delfzijl

Westeind Zuidbroek, waar een stukje van het Oude Winschoterdiep doodloopt:
dsc04187
Op de plek van die dwarsweg lag ooit Tamminga’s Klap:
dsc04188-was-3
Bij de Akkers een ware pompoenentrein van de kweker Dallinga:
dsc04192
“Jongens niet dringen hoor, jullie komen allemaal aan de beurt”:
dsc04195
Leuk hoekje van Zuidbroek:
dsc04197
De Galgeweg, Zuidbroek, loopt tegenwoordig dood. Zo hoort het. Ik kwam er deze buizerd tegen:
dsc04207
Dame met rijke oogst in topgevel van Oldambtster boerderij, Uiterburen:
dsc04213
Bij de Drostenlaan:
dsc04215
Op de Drostenlaan een Volvo-truck uit 1968:
dsc04219
Nieuweweg – bloeiend mosterdaad, zoet ruikend, naast een stoppelakker:
dsc04221
Hier ergens moet in de achttiende eeuw de Oldambtster drostenborg hebben gestaan:
dsc04222
Cartouche met landbouwgereedschap in topgevel van Oldambtster boerderij:
dsc04226
Nog net in Uiterburen – een rijke pompoenenoogst:
dsc04227
Torentje met carillon op voormalige doopsgezinde kerk van Noordbroek. Die wijzers gaan binnenkort van de wijzerplaat vallen::
dsc04236
Driesprong iets ten noorden van Noordbroek, het laatste stukje Noorderstraat in de richting van Veendijk. Denk dat hier een herberg heeft gestaan. Vanaf de veranda kon je op je gemakkie naar de passanten koekeloeren. Is tegenwoordig niks meer aan – ze gassen je hier  voorbij:
dsc04237
De voormalige herberg (met doorrit) heeft aan de overkant nog een overtuin.  Hier zijn knuffels (te weten beren) terechtgesteld die aan de wurgpaal en hoogste boom zullen blijven rotten tot hun laatste vezel is vergaan. Dit als straf voor het stelen van honing en tuinvruchten, en zulks ter lering en exempel van velen :
dsc04240
Als penitentie voor zijn eigenrichting heeft de snode herbergier een andijvieperkje in de vorm van een kerk aangelegd:
dsc04242
De Eideweg afrijdend richting Siddeburen, zag ik een paar honderd meter verder op de N33 een kolonne van misschien wel twintig brandweerwagens uit het noorden komen. Er zaten zelfs Duitse exemplaren bij. Denk dat er ergens een treffen was:
dsc04248
Misschien wel in Siddeburen, want daar was een dorpsfeest. Daar hoort bij dat elke straat bij alle woningen een uniform opsierding heeft. De Eideweg koos voor een rode stoomlocomotief met een waarschuwingskruis voor spoorwegovergangen:
dsc04250
Andere kant Siddeburen, bij de Geerlandweg – te koop staande ploeg:
dsc04254
Tegenover de Geerlandweg, op de langwerpige plas langs de Damsterweg, waren lui aan het racen op waterscooters:
dsc04263
Ik neem maar aan dat dat hier mag? Deze plas was nota bene drukker met watersporters dan het hele Schildmeer:
dsc04266
Atelier Avalon, een broedplaats, naar het schijnt, voor van alles:
dsc04269
Lapjeskat blijft doodgemoedereerd op landweg liggen:
dsc04275
Terwijl er achter me een hels geblaf uitbreekt:
dsc04278
Hier woonde duidelijk een peerdekerel
dsc04286
De Aquarius uit Port Vila meert af in het Eemskanaal bij Delfzijll:
dsc04292
Delfzijl, eindpunt van de reis:
dsc04297


Oude Mei – dé ingangsdatum voor arbeidscontracten

paulus-laman-aanleiding

Vandaag bleek me dat dat de Anleiding tot de eerste beginselen der Groninger Regtskennis van Paulus Laman sr. op Google Books staat. Het betreft een eenvoudige compilatie uit 1738 van rechtsregels uit de verschillende delen van Groningerland, welke rechtsregels in de juridische praktijk van de verschillende rechtsgebieden ook werkelijk naast elkaar werden gebruikt: als het eigen Landrecht op een punt tekortschoot, speelde men gemakkelijk leentjebuur.

De Landrechten vulden elkaar zodoende aan, wat het werk van Laman inhoudelijk van universele waarde voor de gehele provincie Stad & Lande maakte. Qua taal had het dan nog voor een beperkt, academisch publiek bedoeld kunnen zijn, maar Laman schreef zijn boek in ’t Nederlands en niet in ’t Latijn. Zoals de titelpagina zegt, gaf hij het uit “ten dienst van ‘t gemeen” – relatieve leken moesten er wat uit op kunnen steken. Vanwege dat didactische doel hield Laman het bij de alleszins bevattelijke vraag-antwoordvorm die we ook kennen van de destijds populaire catechismussen en tractaatjes. Zijn Anleiding werd daarmee een gewild boek, dat later nog meermalen is herdrukt en geactualiseerd, met name door zijn zoon, mogelijk ook de eerste die de tekst überhaupt onder ogen kreeg.

Na mijn ontdekking van het boek, dat ik nog nooit had ingezien, ben ik vanuit de inhoudsopgave meteen naar het hoofdstuk over de dienstboden gegaan, niet alleen omdat talloze voorouders van me die nederige functie hebben bekleed, maar ook omdat ik in de rekesten van het Oldambt nogal wat arbeidsrechtelijke zaken rond dienstboden tegenkom (vooral ontslagkwesties). Dat hoofdstuk van Lamans boek begint met een droge definitie van wat onder een dienstbode moet worden verstaan, maar met het antwoord op de volgende vraag raken we al op spannender terrein. Die vraag 2 gaat erover, op welk tijdstip in het jaar de dienstboden van Stad & Lande in dienst moeten treden:

“Als geen aparte tydt bedongen is, drie dagen na de eerste Sondach in May of November (…) by verbeurte van het loon. By Placcaat van den 4 november 1723 is gestelt drie dagen na de sondach na den 12 May of na den 12 November invallende.”

Hier is dus sprake van een provinciale regel, die in 1723 werd herzien. Voordien was de eerste zondag na 1 mei of 1 november de richtdatum voor indiensttreding, nadien werd het de eerste zondag na 12 mei of 12 november. Die verschuiving hangt samen met een kalenderwisseling van 1700 op 1701. Op oudejaarsdag 1700 verdween de oude kalenderstijl, op 12 januari 1701 verscheen de nieuwe stijl en de tussenliggende dagen werden dat jaar geschraptt, waarmee het eerste kalenderjaar wel twaalf dagen was ingekort, maar natuurlijk niet de looptijd van allerlei jaarcontracten die nu doorliepen tot 12 mei, zijnde ‘de oude mei’ in nieuwe gedaante. De rechtsregel van 1723 kan je dan zien als een aanpassing aan deze almaar voortgezette praktijk. In alle Noord- en Oost-Nederlandse provincies werd in 1700-1701 de kalender aangepast en in al die gewesten gold de ‘oude mei’ sindsdien als een belangrijke ingangsdatum voor contracten. Zo stond 12 mei in Friesland bekend als de “âlde Maaie”.

Sinds 1701 markeerde de oude mei dan vaste trouw- en verhuisdata, het ingaan van arbeids- en huishuurcontracten, en, daarmee samenhangend, dienstbodenvakanties. Met Sint Maarten had je ook zo’n periode, maar die was minder in zwang, naar mijn stellige indruk.

Ben wel eens in discussie geweest met een collega-historicus, die studie maakte van een tamelijk beperkte regio in Groningerland en stellig meende dat het fenomeen ‘oude mei’ daar nu juist niet bestond. Volgens haar ging het om een “totaal ander gebied”. Inderdaad staat het placcaat van 1723 het bedingen van een “aparte tydt” toe, maar of een hele streek daarmee kon afwijken van de door de provincie voorgeschreven data? Ik betwijfel het. Natuurlijk waren er wel individuele uitzonderingen zoals Aaltjen Klasens, die zich volgens haar rekest bij de Oldambtster drost , “van St. Niklaas 1776 tot St. Niklaas 1777 als dienstmaagt (…) hadde besteedt”. Maar dergelijke uitzonderingen tref ik bar weinig in de bronnen aan en ze bevestigen daarmee volgens mij de algemene regel.