Vroege voorbeelden van gemengde sport

Op zoek naar een bepaald plaatje kwam ik de fraaie sluitzegels van Kahrel’s Thee weer tegen. Het betreft een ongeveer honderd jaar oude serie van sporten. Dat zijn niet louter competitieve – er zitten ook sporten tussen die paarsgewijs door man en vrouw worden beoefend zonder vooropgezet doel om de beste of de snelste te willen zijn.

Wielrijden:
027 - fietsen
Scheuvelen:
027 - schaatsen
Teunissen, zoals mijn overgrootvader het noemde:
027 - tennis
En visken. Kerel kijkt niet naar dobber en vangt niets. Hoewel?:
027 - vissen


Geen recht voor bezwangerde meid

In haar rekest vertelde Stijntie Haijkes hoe ze het afgelopen jaar als dienstmeid had gediend bij de wed. Cornelis Berends in Midwolmerhamrik. Daar was ook een Jan Jacobs, de zoon van Jacob Takens, als knecht aan het werk. En die had haar “tegens haar sin en wil gedwongen tot de vleeselijke conversatie”. Zodoende was ze zwanger geraakt. Zoals destijds wel vaker, zou verkrachting de basis van een huwelijk moeten zijn. Eerst beloofde Jan haar trouw, maar nu puntje bij paaltje kwam weigerde hij “haar te eeren”.

Daarom wilde Stijntie een proces tegen hem beginnen. Maar ze was slechts een dienstmeid zonder bezit en kon dat dus niet betalen. Nou bestond er een regeling in dit soort gevallen, waar Stijntie graag gebruik van wilde maken. Ze verzocht om het “jus gratiae”, oftewel het armenrecht: de toewijzing van een gratis advocaat om haar zaak te bepleiten. Haar verzoek tekende ze met een kruisje – ze kon dus niet eens schrijven.

Op 21 maart 1774 besloot de Oldambtster drost eerst maar eens om beide partijen te horen. Dat gebeurde een week of drie later. Bij die gelegenheid bleek dat Stijntie “niets tot stavinge van haar regt“ kon inbrengen. Ze had, met andere woorden, geen enkel bewijs voor Jans trouwbelofte,
zelfs niet een kostbare munt of penning zoals een jongeman anders wel ‘op trouw’ aan zijn beminde ten geschenke gaf. Daarom wees de drost Stijnties verzoek om het armenrecht af: aan zo’n bij voorbaat verloren zaak ging hij geen geld spenderen. Wel schold hij haar, misschien uit medelijden, de kosten van de verzoekschriftprocedure kwijt.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 6124.


Klam rondje Westpoort

Had er vandaag moeite mee iemand duidelijk te maken hoe vochtig het gisteren ten westen van Hoogkerk was. Daarom alsnog deze foto’s, hoewel ik er wat twijfels over had.

Hier zie je al iets van het enorme blauwzweem bij de Poffert, op de achtergrond van de brug naar het bedrijventerrein Westpoort:
DSC02331
Het zweem bleek nog erger in noordwestelijke richting, bij de Zuidwendinger watermolen:
DSC02332
Ik besloot niet verder langs het Hoendiep te fietsen, want er ontstond een bui, die op de buienradar nog niet te zien was. Ik probeerde haar op Westpoort in zuidelijke richting te ontfietsen, maar daar achterhaalde ze me toch en ik heb daarom nog even geschuild bij een bedrijfsgebouw. Het bleef eerst behoorlijk benauwd, veel verder fietsen daar had ik geen zin meer in. Over het viaduct ben ik naar de overkant van de A7 gegaan, naar de Matsloot, waar dit het beeld was:
DSC02349
Onderaan het talud lagen wat hooibalen in de berm, zich volzuigend met plas- en hemelwater:
DSC02353
Bij Eiteweert nog even gekeken bij het poeltje. Er waren – als ik het wel heb – vrij zeldzame tengere grasjuffers aan het paren. Hij had rooie oogjes en zij groene:
DSC02385
Bij de Gouwe stonden rooie en zwarte blaarkoppen in een wat rare formatie wezenloos voor zich uit te staren, alsof ze bij moesten komen van verpletterend nieuws:
DSC02402
Intussen stak een verfrissende wind op:
DSC02409
Terug via het uiteind Stadspark bij Peizermade. Er bleek daar ineens een nieuwe dam aangelegd naar weilanden langs het Eelderdiep. Er liepen geiten rond op het meest nabije stuk en het hek was gezekerd met een dubbele schrikdraad. De nieuwe dam verschaft een nieuw standpunt van waar af je het bruggetje over het Eelderdiepje kunt fotograferen. Nog steeds zit er veel kroos in het Eelderdiep:
DSC02411


Wat is dat nou weer voor spul?

Op de parkeerplaats voor vrachtwagens aan de Zuiderweg stond er eentje uit Muntendam met een opmerkelijke lading. In eerste instantie was de associatie monsters uit een science fictionfilm, maar toen ik erover nadacht wat het dan wèl kon zijn, kwam ik er niet uit: afgedankte militaria, fabrieksmechanica, trein- of vrachtwagenonderstellen? Wie het weet mag het zeggen.

DSC02319

DSC02320

DSC02321

DSC02322

DSC02324

DSC02325

DSC02328

DSC02329


Tourtje langs de grens

Bietenland bij Vriescheloo is vergeven van de gele bloemen:
DSC02190
Geitensiësta, Vriescheloo:
DSC02191
Iemand vond laatst dat ik àlles fotografeerde. Dat bestreed ik, maar ik fotografeer wel alle mestkarren die ik tegenkom. Hier een exemplaar te Vriescheloo. Getuige de ijzerdraden die het aan de muur vastbinden, willen de eigenaars hem niet kwijt:
DSC02195
Niemans Meuln, Veelerveen:
DSC02203
Patroon in het water van de nabije sluis:
DSC02204
Langs het Boelo Tijdenskanaal naar het Noorden. Zijkanaaltje in de richting van Bellingwolde:
DSC02217
Het is hier bij uitstek een grensgebied. Je hebt zelfs meerdere grenzen. En allemaal hebben ze hun eigen weg:
DSC02221
Windmolens bij Wymeer:
DSC02227
De vele bomen langs het Boelo Tijdenskanaal geven een zeer aangename schaduw op dagen als deze:
DSC02229
Oost-Groningen is heus niet alleen maar kaal:
DSC02231
Nog een buitenlands uitstapje gemaakt. Heb nog even gewacht of het licht voor mijn repatriëring op groen zou springen, maar dat bleek verspilde moeite:
DSC02241
Mooi hoekje bij de Wymeersterbrug – het brugwachtershuis staat er te koop:
DSC02242
Bij de Wymeersterweg, in de buurt van het Bellingwoldes noordelijke uiteind, waren ze aan het aardappelrooien met een nieuwe machine. Die liep blijkbaar nog niet echt jofel:
DSC02246
Lutje Ham heet het daar ook wel. Mooie ouwe woning:
DSC02251
De molen van Bellingwolde:
DSC02257
Detail:
DSC02260
Teruggekeerd en de aardappelrooimachine van de andere kant bekeken:
DSC02268
Wilde bloemenstrook langs de weg naar Oudeschans:
DSC02270
Over Ulsda naar Beerta en het onderweg heel warm gekregen dankzij de boomloosheid. Vlakbij Beerta dit functieloze hek, dat dan wel een kunstwerk zal zijn:
DSC02277
Nabij Beerta een strook zonnebloemen bij een maisveld:
DSC02279
Paadje bij kringloopwinkel ‘de Snuffelstal’, Beerta:
DSC02289
Daar even binnen gekeken:
DSC02290
Ze hebben er ook boeken:
DSC02291
Op het uiteinde van Beerta, vlakbij Winschoter Oostereind, dit voormalige tolhuis:
DSC02293


Roofvogels bij het Leekstermeer (1924)

“Zijn we het midden van het meer voorbij, dan ga ik op mijn rug liggen bovenop het roefje om met den kijker op roofvogels te loeren, die vooral in den voorzomer wel eens hoog aan het zeilen zijn. Dit is een prachtig schouwspel. Een enkelen keer krijgt ge een vischarend te zien, maar ik geloof niet dat hij er broedt, daarvoor zijn er te weinig boomen van zijn gading in de buurt. Vaker ziet ge den kiekendief, met name den bruinen of den rietwouw. Op hem let ik vooral, zoodra we uit het meer het kanaal naar Roden invaren. Daar is een zeer moerassig ruig landschap (de Bolmert, HP) met riet en elzen en andere stobben, waar het voor die roovers. een dorado is. Jammer dat er in den verloopen zomer weer een aantal gedood is. Ze hebben wel geen zuiver geweten, maar ze zijn zoo mooi. Men mist ze, als ze in zulk een landschap ontbreken. En ze staan onder bescherming van de wet. Er mogen geen roofvogels geschoten worden dan de sperwer en het smelleken. Wat zou het prachtig zijn, indien die wetsbepaling inderdaad eens werd nageleefd en door alle jachtopzieners. de handhavers van de wet, streng gehandhaafd!”

Uit ‘Een tocht naar Drenthe’, een reportage over enerzijds het Zuidlaardermeer- en anderzijds het Leekstermeergebied, door een kennelijke liefhebber van vogels – Nieuwsblad van het Noorden, 24 maart 1924.


Tabakszak als lapmiddel blijkt enige overblijfsel van florerende zaak

In het archief van het Groninger Sint Anthonygasthuis bevindt zich in een bundeltje brieven en andere stukken een placcaat uit 1685, dat kennelijk zo vaak geraadpleegd is dat het uiteen dreigde te vallen. Daarom is aan de achterkant een steunconstructie geplakt in de vorm van een stuk tabakszak, en wel de voorkant daarvan:
z DSC01793
Het betreft een misdruk met een zwaan als beeldmerk. Verder heeft dat beeldmerk de omlijsting van een uithangbord:
ooo
Heb de beeltenis wat proberen op te peppen, maar qua leesbaarheid hielp dat weinig. Toch viel er wel uit te komen. Onder het zwanenlogo staat zo ongeveer:

“Deze en meer andere soorten van opregte Amerikanische TABAK, als mede beste soorten van K……s, zijn te bekomen bij JAN A. OOSTERHOFF vooraan in de Oosterstraat tot GRONINGEN.”

Oosterhoffs initialen IAO staan boven het beeldmerk. Als ik deze tabakshandelaar natrek, kom ik merkwaardigerwijs eerst dichtbij mijn huis terecht, om precies te zijn op hemelsbreed anderhalve kilometer afstand. Jan Alberts Oosterhoff werd namelijk in 1762 geboren als de op een na jongste zoon van de landbouwer, bakker en herbergier Albert Eytes Oosterhoff te Matsloot, onder de klokslag van Roderwolde. Vanwege de naam van diens vader Eyte lijkt het erop dat het gezin in de herberg met overzet Eiteweert woonde, temeer daar de overgrootvader ook al boer en herbergier op de Matsloot was, maar dat bleek een vergissing. Toen zijn vader overleed, bood zijn moeder, naast nogal wat groenland onder Roderwolde, immers een “geneverstokery” te koop aan, waarmee de lokatie van Jan Alberts Oosterhoffs ouderlijke huis zich laat bepalen als ‘De oude Stokerije’ die volgens een kaart van Huguenin (ca. 1820) enkele honderden meters ten noorden van Eiteweert aan de Roderwolderdijk stond. Tot voor kort bevond zich hier inderdaad nog een boerderij vlakbij de vloeivelden van de suikerfabriek. Inmiddels is deze afgebroken en rest er niets dan een poeltje van de huisplaats. Overigens had Jans grootmoeder hier als weduwe, naast een middelgrote boerderij met herberg, nog een handel in tabak. Wat dat betreft viel de appel niet ver van de boom.

Wanneer Jan Alberts Oosterhoff naar de stad verhuisde is onbekend. Wellicht ging hij er als jongeling heen om een vak te leren. In 1791 trouwde hij met een vijftien jaar oudere koopmansweduwe en kocht even later datzelfde jaar ‘t klein burgerrecht, om lid van het koopmans- en kremersgilde te worden. In 1791 vestigde hij zich dus als winkelier.

Dat hij redelijk succes had met zijn tabak, blijkt in 1803. Dan plaatst hij een advertentie tegen concurrenten die tabak verkopen onder zijn naam en merk:

“Ondergetekende JAN OOSTERHOFF, tot myn leetwezen vernomen hebbende dat [in] de valsche Rode Rosynekorf Tabak met myn naam &c. voorzien, word verkogt, en ik hieromtrent niet onverschillig kan verkeeren, zoo wil door deezen een ieder die zie hieraan mogten schuldig kennen, of eenigsints daarin hebben medegewerkt, vriendelyk verzogt en ernstig gewaarschouwd hebben om van deeze hunne handelwyze af te zien, opdat ik niet genoodzaakt worde, langs onaangenamer middelen dat kwaad te keeren.

Groningen den 28 July 1803.    JAN OOSTERHOFF.”

Feitelijk was dit veel geschreeuw en weinig wol, want het merkenrecht stond nog in de kinderschoenen en ik denk niet dat Jan werkelijk een proces zou zijn begonnen. De uitkomst was te ongewis.

Het huwelijk van hem en zijn vrouw bleef kinderloos. Zij stierf in 1819 en hij in 1822. In Huize de Beurs kwam toen eerst de inventaris van de tabakshandel in de Oosterstraat onder de hamer:

“5 Vaten beste Marijlandsche bladen tabak , een partij losse bladen dito, eenige riemen wit tabakspapier; voorts een tabaksinstrument, tabaksmessen en dito -raams, groote ijzeren balans met schaalbladen, dito gewigten en kleinere balansen en gewigten, een koopmanskare en meer andere goederen…”

Later dat jaar volgde Oosterhoffs vastgoed: het huis in de Oosterstraat en nogal wat land in de Paddepoel, Hoogkerk,  Usquert, Uithuizermeeden en Hornhuizen, plus een klein scheepsaandeel, waaruit blijkt dat Jan de winst uit zijn tabakshandel gespreid belegde. Bij de boeldag van de huisraad, ten slotte, werden onder meer tapijten, kabinetten en een “zeer accuraat staand uurwerk” verkocht, eens te meer een bewijs dat Jan Oosterhoff goed geboerd had met zijn nering.

Toch bleef daar enkel het stuk tabakszak van over, waarmee een placcaat in het archief van het Anthoniegasthuis opgelapt werd. We weten natuurlijk niet of dit gebeurde tijdens Jans leven, toen de zak nog courant was. Dat kan ook later gebeurd zijn. In elk geval dateert de gebruikte zak uit de periode 1791-1822 en dat is behoorlijk oud voor bewaard gebleven handelsdrukwerk.


Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 845 andere volgers