Lijsttrekker demonstreert eigen onbenulligheid

“Groningen moet wat ons betreft een eigen parlement krijgen en de controle over het gebied overnemen van Den Haag. Wij willen terug naar de situatie zoals die was voor 1848. Toen werd Nederland zoals we het nu kennen gesticht.”

Aldus Nette Kruzenga, de lijsttrekker van ‘Groningen Centraal’, een van de vele splinters die straks gaan zorgen voor een onbestuurbaar Groningen.

Duidelijk is, dat Kruzenga of geen geschiedenis heeft gehad, of niet heeft opgelet tijdens de geschiedenisles. Want voor een ‘bestuurlijk zelfstandig Groningen’, zoals zij voorstaat, moeten we wel even wat verder terug in de tijd, dan ze zo stellig meent. In 1798 werd Nederland een eenheidsstaat en niet in 1848.

Een echte democraat zou overigens weinig ingenomen zijn met een dergelijke teruggang in de tijd, want voor 1798 werden we vrijwel uitsluitend geregeerd door een in omvang uiterst beperkte regentenkliek.

Ongeïnformeerde uitspraken als die van Kruzenga bewijzen, dat het niet allemaal grote lichten zijn, die  voor een zetel in ons provinciale parlement in aanmerking hopen te komen.

Eigenlijk zou je aan het passieve kiesrecht een examen moeten verbinden: beetje geschiedenis, beetje staatsinrichting, beetje maatschappijleer, beetje financieel benul. Maar ja, dat zal niet gaan, want mensen die zonder enigerlei kennis wat gaan roeptoeteren zijn er nogal wat in de samenleving van nu en die horen dus ook een kans te krijgen in onze representatieve democratie.


Museale concurrentie bij Google

Boerhaave Teylers

Eerder deze week geconstateerd: Teylers Museum te Haarlem adverteert op Google met een link naar een sub-pagina op zijn website over Herman Boerhaave. Daardoor zet het de homepage van Museum Boerhaave in Leiden, dat niet op Google adverteert, als het ware in de schaduw. Ik kan me haast niet voorstellen dat dit niet bewust gebeurd is en vind het een beetje kinderachtig.


Pest en naberplichten in de stad Groningen

“Het ís een onmenschelijke en yselijke gewoonte die ín de Stadt Groeningen in zwang gaet, dat namelyk een gansche buurt, daerin dikwils twintigh, dertigh en meer huisgezinnen woonen, zich na het lijk, dat eerst van de Pest gestorven is, begeeft, alwaer geen ontschulding moet plaets grijpen, alwaerze, schoon dat zommige noch zoo schreumachtigh, of uit eenige eigenschap der natuure tot het verrichten dezer diensten onbequamer, en al zouden ze ook alleen maer ydele toezienders zijn, alle nochtans gedwongen worden te verschijnen, en dat met deze dreigementen, dat by aldien ze mee met de Pest bezocht worden, van alle gebuuren zullen verlaten worden indien ze zulx niet doen. Dit is een treffelijke Godtvruchtigheit aen de dooden bewezen, die de levendigen zonder alle liefde en barmhertigheit in ziekten en ter doot sleept.“

Alle buren moesten dus verplicht aanwezig zijn bij het afleggen en kisten van een overleden pestlijder. Kwam iemand niet opdagen, dan bleef zo iemand verstoken van naberhulp in de vorm van verpleeg- en begraafhulp als hij of zij zelf getroffen werd door de pest. De auteur, een medisch hoogleraar in Groningen, brak hier de staf over en was een warm voorstander van het zich kunnen laten vervangen door betaalde krachten bij ziekte en dood.

Bron: Antonius Duizing, Twee diepzinnige en heilzame onderzoekingen nopende de pest… (Amsterdam, bij Abr. Witteling, 1664; vertaling van een traktaat dat in 1658 eerst in het Latijn verscheen), pag. 49-50.


Het wapen van Hunsingo, vier interpretaties

Eigenlijk zou ik dit logje op Valentijnsdag hebben moeten schrijven, want het is toch een mirakels romantisch gezicht, dat wapen van het middeleeuwse landschap Hunsingo. Hier staat het op een negentiende-eeuwse tabakspuut uit de stad Groningen:

Collectie Amsterdam Pipe Museum.

Collectie Amsterdam Pipe Museum.

De ridder op het wat dartele witte paard heeft nog geen vaandel aan zijn speer, draagt een baret, kijkt vooruit, maar houdt zijn arm achterwaarts om haar schouder. Deze geste voorkomt dat zij van de knollekont afkukelt. Zelf doet zij daar weinig moeite voor, behoudens een heel voorzichtig aanraken van de ridder zijn heup. Heur haar draagt zij decent gedekt.

Dan de stembus van het waterschap Hunsingo, zoals die tot vandaag in de hal van de Groninger Archieven te zien viel. Dit object dateren wij ruwweg op de twintigste eeuw. De ridder zit nu in een sportieve pullover met V-hals en witte pantalon zo’n beetje gearmd met de jonkvrouw en beide kijken de toeschouwer zelfbewust aan. Zij draagt een snoezig, enigszins folkloristisch aandoend ensemble. Het paard stapt bedaard en enigszins parmantig voort:

Collectie Noorderzijlvest.

Collectie Noorderzijlvest.

Het wapen van Winsum, zoals hieronder op het oude gemeentehuis van Winsum, is van het wapen van Hunsingo afgeleid, of hangt er op een andere manier mee samen. De ridder kreeg hier met dat malle hoedje van hem het voorkomen van een verdwaalde Zwitserse Alpenjager, terwijl de hoogbejaarde jonkvrouw naast hem – eertijds nog blond – een zakje patat in haar linkerhand lijkt te dragen. Ze zijn samen naar de snackbar geweest. Ook hier overigens de wederzijdse omhelzing met de blik naar de aanschouwer:

Oude gemeentehuis aan de hoofdstraat in Winsum.

Oude gemeentehuis aan de hoofdstraat in Winsum.

Tot slot een moderne interpretatie, en wel die op het uithangbord van de restaurantmolen in Onderdendam. Het paard is nu zwart en de berijders kijken zoals weleer weer recht vooruit. Hoewel er ook nu geen vaart in het paard zit, wapperen het vaantje en de losse haren van de jonkvrouw lustig naar rechts. Het zal de wind van Hunsingo zijn. Nieuw in deze interpretatie is tevens, dat de enkele ster zich wonderbaarlijk heeft vermenigvuldigd tot vier stuks, hetgeen mogelijk samenhangt met culinaire aspiraties:

Uithangbord Onderdendam.

Uithangbord Onderdendam.


Barokke bozzem

Ergens in Hoogkerk: de onderdelen van naar het zich laat aanzien een barokke zandstenen schoorsteenmantel, met een enkele kariatide, wier neus deerlijk geschonden is:

013

014

018

021


Moedertaal, dat ligt soms gecompliceerder

UNESCO_Tag_der_Muttersprache_2010

Naar aanleiding van de ‘Dag van de moedertaal‘.

Het zal inderdaad zo zijn dat velen hun eerste verbale taal hebben opgedaan van hun moeder. Vader was destijds altijd aan het werk of sowieso niet zo spraakzaam, de eerste woorden moesten van moeders komen.

Die moeder van mij spreekt Zuidwest-Drents, maar niet van huis uit. Ze is geboren en tot haar negende woonachtig geweest in Zuidhorn. Je bent dan geneigd te denken dat ze in haar eerste levensjaren de Westerkwartierster variant van het Gronings sprak. En dat was misschien ook wel zo in haar schooltijd, maar haar moeder was op haar beurt Fries en pas op haar twaalfde naar de Dijkstreek in het Westerkwartier verhuisd, zodat je in beginsel een flinke Friese influx niet mag uitsluiten.

Mijn grootmoeder praatte ook later nog Fries met haar zusters. Ik heb er mijn moeder wel eens naar gevraagd, maar het enige woord dat ze zich wist te herinneren was tuutsje voor kus. Die oma overleed toen ik zeven was, maar ze lag erg goed bij mij en van geliefde mensen neem je meer aan dan van mensen die je niet mag. In elk geval vind ik de zangerigheid van het Fries, of de onderliggende melodie zoals die klinkt als Friezen Nederlands spreken, nog steeds erg mooi.

Toen ik een jaar of veertien was, liet de leraar Nederlands ons eens een dialectproef doen. Hij vond mijn Drents nergens op lijken. Terwijl we thuis en op de lagere school toch Drents spraken, meende ik. Ik was dan ook behoorlijk in mijn wiek geschoten van zijn diskwalificatie. Maar er achteraf op terugkijkend, vermoed ik dat de man toch wel een beetje gelijk had. Het concept moedertaal is in  mijn geval gewoon een wat meer gecompliceerde aangelegenheid.


Richter gebelgd om mystificatie

Liedzangers op een nieuwjaarsprent uit 1812. Collectie RHC Groninger Archieven, Toegang 535 (archief familie Hora Siccama) inv.nr. 762.

Liedzangers met smartlap op een briefformulier uit 1812. Collectie RHC Groninger Archieven, 535-762.

Eind november, begin december 1762 loopt een vrouw de zaak binnen van boekdrukker Benedictus Greydanus aan de Oude Kijk in het Jatstraat in Groningen. De drukker kent haar van gezicht, want ze is dat jaar al vaker in zijn winkel geweest. Wel een keer of twee, drie en altijd met liedjes.

Dit maal heeft ze weer een ‘gezongen nieuwsbericht‘ bij zich, een met moraal doorspekt verslag op rijm, dat gaat over een schapendiefstal die op 13 november in Onderdendam gepleegd zou zijn door ene Dirk. Deze Dirk was vlak na zijn bekentenis gevlucht. Nota bene onder de handen van de wedman èn de richter vandaan.

Ook Dirks’ echtgenote wist zo te ontkomen. De klant van Greydanus wil dat hij een riem, 480 of 500 vel folio, van de ballade drukt, naar het model van een ander liedblad dat ze bij zich heeft. Op de achterkant moet een tweede, minder actueel vers komen te staan, waarvan ze eveneens de tekst aanlevert.

Greydanus bekijkt haar kopij eens en zegt dat hij het handschrift niet te kan lezen. Maar hij weet wel iemand die de verzen voor haar over wil schrijven, Jantien Bosch in de Boteringestraat.

Ook Jantien heeft even later moeite met het ontcijferen. Niet zozeer vanwege het pootje, als wel omdat de kopij op nogal voddige blaadjes papier staat. Ook aan elkaar gelegd leveren die niet geheel en al sluitende zinnen op. Daarom moet de vrouw Jantien af en toe voorzeggen wat er op haar velletjes geschreven is.

Terug bij Greydanus levert de vrouw Jantiens afschriften van haar oorspronkelijke kopij in. Drukproeven blieft ze niet, maar tijdens het drukken worden de teksten nog wel door de knechten van Greydanus gecorrigeerd. De drukker laat zijn knechten ook nog wat exemplaren van het liedblad overdrukken voor zijn eigen winkel. Vlak voor de kerstdagen haalt de vrouw haar bestelling af.

Disrespect

Het is onmiddellijk na de kerstdagen, dat dr. D.J. Nauta, richter van Menkeweer – de Ommelander jurisdictie waar Onderdendam onder valt – zich laat aandienen bij president-Burgemeester Wiardus Siccama van de stad Groningen. De gebelgde richter toont Siccama een exemplaar van het liedblad dat Greydanus in zijn winkel te koop heeft. Met een lied dat van hem, richter Nauta, durft te beweren dat hij zomaar een schapendief heeft laten ontsnappen en een medeplichtige vrouw op de koop toe!

Burgemeester Siccama stelt de richter een raadsdienaar met een schriftelijke lastgeving ter beschikking om ‘het origineel’ van het liedblad bij Greydanus op te vragen. De drukker moet maar eens even vertellen van wie hij de tekst ontvangen heeft.

Tegen de richter en de raadsdienaar zegt Greydanus dat het ging om

“een vrouw, na sijn gedagten een vriesse vrouw dog [de naam] bij hem onbekent”.

Het ‘origineel’ van dat lied nam ze met de gedrukte exemplaren mee. De vrouw vertelde hem dat ze met de vellen naar Friesland reisde om ze daar te verkopen. In zijn winkel had hij geen exemplaren meer liggen van dat liedblad. En, dat was nou ook toevallig, die overdrukken had hij juist die ochtend van de hand gedaan

“an een scheereslijpers vrouw buiten oosterpoort en an een oude vrouw die almanacken te koop hadde”.

Als de richter en de raadsdienaar weer zijn winkeldeur uit zijn, vertelt Greydanus zijn knechten in de drukkerij wat hem overkomen is. Die knechten doen hem beseffen dat hij zich heeft vergist. Met het ‘origineel’ bedoelden de richter en de raadsdienaar niet de proefdruk, maar de handgeschreven kopij. En die is er nog wel. Ze zoeken de stukken haastig bijeen en hun baas brengt ze de richter alsnog na.

Maar ondanks die gedienstigheid blijkt Nauta Greydanus allerminst te vertrouwen. De richter denkt dat de drukker hem op een dwaalspoor brengen wil. Op Oudejaarsdag maakt Nauta andermaal zijn opwachting in het Raadhuis aan de Grote Markt, nu bij een vergadering van Burgemeesteren en Raad. Die beamen dat het een lied is, “tenderende seer tot disrespect van den Rigter”. Ze geven hun advocaat-fiscaal (officier van justitie) opdracht, om Greydanus nog maar eens aan de tand te voelen over dat liedje. Wie heeft het gemaakt en waar bleef de rest van de oplage?

Tegen de raadsdienaar die hem de invitatie voor het verhoor voorleest – het is inmiddels vrijdag 7 januari 1763 – verklaart Greydanus opnieuw dat hij geen enkel exemplaar van de liedjes meer in voorraad heeft. Een dag later herhaalt hij tegen de fiscaal dat de kopij hem gebracht werd door een Friese vrouw, die hij niet bij naam kent. Ook weet hij niet wie de tekst geschreven heeft. Maar de velletjes papier die de fiscaal hem voorhoudt zijn inderdaad de ‘originelen’. Nee, de drukker wist niet dat dat nou een origineel werd genoemd. Daarom heeft hij ook aan de richter verklaard geen originelen meer te bezitten. Deze originelen zijn trouwens niet van de Friezin in kwestie, maar van Jantien Bosch in de Boteringestraat, die de liedjes afschreef.

Zomerspruyt

Tot zover het verhaal zoals het zich aan de hand van een kleine procesbundel in het Stad-Groninger gerechtelijk archief laat reconstrueren. Met de derde verklaring van Greydanus, bevestigd door Jantien Bosch, liep het spoor kennelijk dood voor de autoriteiten, want verder is er hoegenaamd niets over het geval te vinden.

In het procesdossiertje zitten ook Jantiens afschriften voor het liedblad. Van dat blad zijn er minimaal 500 gedrukte exemplaren meegegaan met een Friezin, een scharenslijpersvrouw en een almanakkenverkoopster. Scharenslijpers waren nog heel lang erkende verspreiders van nieuwberichten op het platteland. En ook in de mars van almanakkenverkopers zaten vaak liedbladen. Trekkend langs dorpen, gehuchten en boerderijen brachten zij die voorzingend aan de man. In de stad kwamen dergelijke semi-professionele straatzangers trouwens ook, op de Groninger kermis verkochten ze bijvoorbeeld handenvol liedbladen, tenminste, als de toeluisterende meiden maar ‘oakelik’ genoeg van zo’n moord en brandlied werden en een reukwatertje moesten opsnuiven “om weer op streek te koom’m”.

Waarschijnlijk zijn die meer dan 500 liedvellen over die Onderdendamster schapendief dus niet alleen in Friesland, maar ook op het platteland in een wijde omtrek van Groningen verspreid. Of er één van die drukwerkjes bewaard bleef, is echter zeer twijfelachtig.

Aan de hand van Jantien Bosch’ afschriften heb ik het liedblad gereconstrueerd. Het vers, dat tien coupletten telt, werd gezongen op de melodie van, voluit: ‘Al van een boer buiten de stad woonachtig, van geld en goed zeer rijk en machtig’. Een regelrechte schlager die weer te vinden is in de liedbundel ‘De Mey-blom of de Zomerspruyt; (…) zijnde de nieuwste en aangenaamste liederen die hedendaags gezongen worden…’ De oudst bekende versie van die bundel dateert van 1743, maar er verscheen een Amsterdamse herdruk in 1762, hetzelfde jaar dat Greydanus het lied over de Onderdendamster schapendief drukte.

Wat betreft de inhoud van het Groninger lied gaat het om een tamelijk veel voorkomende, maar zelden opgeloste misdaad. Kennelijk beperkten gezongen nieuwsberichten zich niet tot ijselijke moordverhalen, en kon ook een ordinaire schapendiefstal de aanleiding vormen. Moord, zeker moord met voorbedachte rade, was ook een zeldzaam fenomeen in Stad en Lande en kan dus niet zo vreselijk vaak aanleiding tot nieuwsliederen hebben gegeven. Kennelijk moesten de schrijvers zich wel eens behelpen met een minder spraakmakende stof. Al dienen we de actieradius van diefstalberichten niet te onderschatten, op den duur trad er toch sleet op ten gunste van memorabeler criminaliteit. Terwijl men de leideren die minder uitzonderlijke materie behandelden, gauw vergat en niet bewaarde en niet bundelde, kwam door dit natuurlijke selectieproces later de nadruk te liggen op liederen vol moord en doodslag.

Nog even doorgaand op de inhoud van het lied zou men verwachten dat de hoofdpersoon van de ballade, de Onderdendamster schapendief, na zijn vlucht, mede vanwege zijn bekentenis en die van zijn vrouw, door rechter Nauta veroordeeld zou zijn, al was het maar bij verstek. Helaas laat het rechterlijke archief van Menkeweer zeer te wensen over. Maar gelukkig is er een andere bron, want de Hoge Justitie Kamer van Stad en Lande (HJK) registreerde vanaf 1749 alle vonnissen van plaatselijke rechters. Maar ook in de HJK-registers vindt men geen veroordeling van een Dirk uit Onderdendam. De hoogste rechtbank van de provincie Stad en Lande registreerde wel een sententie door richter Nauta van Menkeweer, maar in dat geval gaat het om heling, een ander delict, waaraan een heel andere naam dan Dirk is verbonden.

Zoals gezegd, is het moeilijk voor te stellen dat er geen (verstek-)vonnis geveld zou zijn wegens zo’n toegegeven schapendiefstal. Alle stad-Groninger en Oldambster sententies van rond 1762 die ik ooit eens onder ogen heb gehad trof ik in de HJK-registers aan. Uiteindelijk ben ik zo gaan twijfelen of de schapendiefstal zich anno 1762 wel voordeed in Onderdendam. Misschien bracht de Friese vrouw wel een veel ouder en gepostdateerd vers bij Greydanus – haar voddige blaadjes papier doen daar aan denken – of sloeg het lied op een elders gepleegde schapendiefstal. De plaatsnaam in de titel en voorrede of aanhef kan immers best wel verbasterd zijn dankzij de interventies van de afschrijfster en de letterzetters van Greydanus.

Vanwege de tussenpersonen kan men ook alleen maar speculeren over de auteur van het lied. Dat was waarschijnlijk niet de Friezin, want het lied bevat maar een enkel Friesisme (namelijk: “redjer”). In het eerste en laatste couplet duiden enkele woordjes als “met” en “wort” juist op een Nedersaksische, mogelijk Groninger herkomst. Die Groninger had dan wel een redelijk vaardige hand van schrijven, want metrisch en qua rijm zit het lied goed in elkaar. Mogelijk verwerkte hij een loos gerucht tot een lied. Opzettelijke kwaadsprekerij ten koste van richter Nauta is uit te sluiten, dunkt me, omdat het lied afgezien van de moralistische passages een feitelijke toedracht van zaken weergeeft, en dat doet zonder satirische of verontwaardigde ondertonen. Dirk is ook de hoofdpersoon, en niet het justitie-apparaat.

Aan de ten onrechte zwart gemaakte èn toch op zijn teentjes getrapte richter Nauta danken we dan een kleine uitbreiding van ons volkslied-archief. En dat niet alleen, want deze geschiedenis laat ook weer eens zien hoe drukkers te werk gingen. Bovendien toont ze ons wie zoal die liedbladen uitventten. Omzwervende lieden die scharen slepen of almanakken verkochten hadden er een bijverdienste aan, die opliep naarmate hun gezongen vertolkingen het publiek meer onthutsten en dus bevredigden.

Harry Perton

Eerder in een iets andere, geannoteerde versie verschenen in Stad en Lande; cultuurhistorisch tijdschrift voor Groningen, Jrg. 9, nr. 4 (2000).


Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 632 andere volgers