Weerzien met Nijeveen

Het andere reisdoel was de boerderij “op Nijevene” waar ik begin jaren zeventig vakantiewerk deed. Vanaf de Paradijsschut wist ik niet goed welke route de kortste was. Linksom, langs Meppel, of rechtsom, langs een ruilverkavelingsweg. Ik gokte op rechtsom, en maakte een enorme omweg.

Eerst langs de Noksloot en de Nijeveense Stouwe:

Op de Hoofdvaart dobberde een binnenvaarder met een zorgvlag, ‘de Pronckert‘ uit Leeuwarden:

In de Noksloot viel me dit boeketje op:

Zelfportret met wielrenwichie, mais- en bietenveld:

Dorpsgezicht langs mais:

Möppelt in de verte:

Boven me cirkelden twee buizerds en riepen “kieuw, kieuw” naar elkaar:

Toch jammer dat lijsterbessen lang niet zo goed smaken als ze eruitzien:

Dorpsgezicht Nijeveen:

Eindje verderop:

Ik trof de bewoner  thuis. Een poosje geleden erfde hij de boerderij van zijn broer, die vroeger bij mijn vader op kantoor werkte. ’s Middags had die broer een antiekhandel en daar hielp ik hem bij zomerdag wat bij. Tegeltjes uit Staphorst versjouwen en zo. Deze barokke vaas is overigens puur nep en komt bij  de Tuinland vandaan:

Schuur achter het huis. Destijds lag hier nog gras en deed ik er nog pogingen om pony’s te beleren, wat een fantastische rodeo opleverde, waar ik nu graag een filmpje van had gehad:

Het Drentse veldkeienstraatje, dat ik aan het eind van iedere werkweek aanveegde:

De schuren die ik in de carbolineum zette, terwijl de laatste ooievaars van Nederland een eindje verder op dit erf klepperden en radio Tour de France uit de transistorradio klonk:

Dit sluitwerk werkt niet:

En vot maor weer:


Naar de Paradijssluis

Donald Duck op het  fietsstuur van een medepassagier:

Nam zelf mijn fiets niet mee, omdat ik in Meppel bij het station wel een fiets kon huren, dacht ik. Was niet zo, de zaak bleek dicht op zondag en dus ging ik maar lopen. Langs de Wilhelminastraat bijvoorbeeld:

Openlucht-artiest voor schouwburg Ogterop:

Uithangbord in de Hoofdstraat met het wapen van Meppel en een schilderspalet:

Christo’s laatste, onvoltooid gebleven project:
Engeltje, zo te zien van eind zeventiende, begin achttiende eeuw, hoog op een trapgevel in de Hoofdstraat:

Jugendstil-ornament, nog steeds in de Hoofdstraat, die om 10 uur vanochtend ontstellend rustig was:

Kruisstraat met Chinese lampions:

Vanaf het Noordeinde – agro-industrieel complex met Amerikaanse allure:

Op de wal van de Hoofdvaart dit paardensportwagentje, dat langzamerhand overwoekerd raakt:

Voorheen scheepswerf Worst:

Nu met doorzonloods:

Het eerste doel van de reis – de Paradijsschut, waarover ik een verhaal schrijf:

Vlak erbij ligt de Kikkerij, in de achttiende eeuw een herberg, inmiddels een camping aan het water:

De Paradijssluis – volgens de sluiswachter vandaag met een verval van 2 meter:

Dan wil ’t wel broezen:


Drentse herenjacht had Groninger stadsjacht als model

Na de aanleg (1769-1771) van de Smildinger- of Landschapsvaart, zoals destijds de Drentse Hoofdvaart nog vaak genoemd werd, wilden de Drentse Landschapsbestuurders voor de periodieke schouw van hun kanaal een eigen herenjacht, en wel naar het model van het Groninger stadsjacht:

Zo zou het er ongeveer uit moeten zien:

Van het Groninger voorbeeld is er maar één afbeelding, en inderdaad vertoont dat enige gelijkenis:

Het Groninger Stadsjacht op een kaart van de Eemsdijken door Henricus Teysinga, 1738. Collectie Groniner Archieven 0817-1112.

Alleen is het schip hier onder zeil op zee, terwijl het in Groningen, zowel als in Drenthe hoofdzakelijk voor de vaart op kanalen bedoeld was. Zo’n binnenjacht mocht dan wel beschikken over zeilen, bij de heersende windrichting (zuidwest) begon je daar met name in de Groninger veenkoloniën maar weinig mee.  Dan hadden ze in Drenthe wat meer geluk met die wind: van Assen naar Meppel moest je er weliswaar tegenin, maar van Meppel naar Assen kon je vaak wel zeilen. Echter, mede vanwege de vele bruggen en sluizen zal ook in Drenthe zo’n jacht vaak ‘gejaagd’ zijn door een scheepsjager met zijn paard. Het casco van zo’n binnenjacht leek dan ook vooral op dat van een snikke of trekschuit.

In Drenthe waren de heren nautisch misschien wat minder onderlegd, en ze informeerden eerst maar eens via diverse stromannen wat erbij de bouw kwam kijken:

Opmerkelijk genoeg deden ze dat niet in Groningen, waar ze hun voorbeeld vandaan haalden, of in Friesland (Leeuwarden en Dokkum), waar de stad Groningen zijn stadsjachten betrok. Nee, in weerwil van alle goede naber- en vrundschap, waar zo vaak mooie woorden aan werden gewijd, deden ze dat vooral in Holland. Er kwamen twee bestekken van scheepsbouwers binnen, waarvan er een, dat van Cornelis van der Bijl uit Warmond bij Leiden, ook voorzien was van een kostenplaatje of begroting:.

Deze ‘offerte’ voor het casco namen de Drentse heren graag aan. Met alle opgoed (mast, zeilen, tuigage, vlaggen, meubilair en huisraad) zou hun statenjacht uiteindelijk iets meer dan 800 gulden kosten. Toen hun archivaris later de stukken in een lias bundelde en opborg, vermeldde hij op de rug met enige trots dat het Groninger stadsjacht wel 5000 gulden had gekost:

Met andere woorden: lekker puh, wij Drenten doen het veel goedkoper. Dat was echter niet helemaal de waarheid, zoals Meindert Schroor ons leert. Voor de casco’s van hun nieuwe stadsjachten betaalden Burgemeesteren & Raad van Groningen respectievelijk in 1705 de somma van 400 gulden, in 1725 bijna 1600 gulden en in 1761 een bedrag van 2500 gulden. Gemiddeld dus 1500 gulden. De Drenten waren dus absoluut zuiniger, okee, wel drie keer, maar toch lang niet zoveel als ze lieten voorspiegelen. Kennelijk waren ze bevangen door een Veendammer wind vanuit het noordoosten.

(Wordt vervolgd.)

Bronnen (behalve de gelinkte):

  • Drents Archief, Toegang 1 (Oude Staten Archieven) inv.nr. 1286: “Jagt voor de landschap op de Smildingervaart”, stukken m.b.t. de aankoop door Drenthe van een casco voor een herenjacht, 1772/1773.
  • Meindert Schroor, ‘Groninger Stadsjachten werden in Friesland gebouwd’, Fryslan 2009-4, pag. 6-10.

Arbeiders bij voorbaat gewaarschuwd


Zo berucht waren dijkwerkers, polderjongens en kanaalgravers om hun vernielingen en stakingen, dat de heren van Drentse in het voorjaar van 1769 een speciaal artikel aan wijdden in hun bestek voor de Smildiger-, Landschaps- of ook wel Drentse Hoofdvaart. Baldadigheden, ongeregeldheden en ordeverstoringen, de heren moesten er niets van hebben en dreigden bij voorbaat met de strengste straffen.

Zulke bestekken zullen vrij veel bewaard zijn gebleven in archieven van provincies, steden, waterschappen en polderbesturen. Vraag me nu af of dit een standaard-artikel was, of dat de Drentse heren wat banger waren aangelegd dan die van elders.

 


Drenthe krijgt zijn eerste wegwijzers

Op de Drentse Landdag van 21 maart 1780 doet Drost Van Heiden het voorstel om ter bevordering van het vreemdelingenverkeer wegwijzers neer te zetten  op strategische plekken in de Landschap. Blijkbaar waren die er nog niet, of veel te beperkt aanwezig::

De Heer Drost S.P.A. van Heiden heeft ter vergadering voorgedraegen dat de passage door dese Landschap voor de onkundige uitlanders merkelijk zoude worden gefaciliteert, bijaldien op de vereischte plaetsen an de publique Heeren wegen behoorlijke hand- of wegwijsers wierden geplaa[t]st en onderhouden.

Waarop gedelibereert sijnde, hebben Ridderschap en Eygenerfden den Heer Drost verzogt en geauthoriseert om de nodige ordres te expediëren dat zodanige wegwijsers conform dese propositie ten koste van de Landschap mogen worden gesteld.

Veel toerisme was er nog niet, slechts enkele vreemdelingen waagden zich voor hun genoegen in Drenthe. Omgekeerd gingen Drenten er ook niet veel op uit. Misschien bezocht iemand eens een grote stad als Groningen. Zwolle of Kampen; bij gelegenheid gingen beter gesitueerde Drenten ook wel eens naar Amsterdam, Bentheim, of Kleefsland, maar daar heb je het wel mee gehad.  De wegwijzers van Van Heiden Reinestein legden al vroeg de basis voor een veel grootschaliger vreemdelingenverkeer in Drenthe. Dat het regionale ‘parlement’ er meteen het nut van inzag, blijkt uit het feit dat de Landschap de kosten zou betalen.

Aanvulling:

Op de Landdag van maart 1783 bleek dit overigens niet van lange duur. Drost en Gedeputeerden deden daar het voorstel

dat de palen en wegwijsers, onlangs gesteld, inkomstig ten laste van de Carspelen in dien staat, waarin dezelve tegenswoordig zijn, zullen worden onderhouden en de schouwe subject zijn.

Het onderhoud werd dus afgewenteld naar het lokale bestuursniveau. Ridderschap en Eigenerfden, samen de Landdag vormend, stemden weliswaar hiermee in, maar of dit een positief effect op de onderhoudstoestand heeft gehad?

Bron: Drents Archief Assen, Toegang 1 (Oude Staten Archieven)  inv.nr. 6.15 en 6.16 resoluties Ridderschap & Eigenerfden 21 maart 1780 en 25 maart 1783.


Narcissus, de duif


Rondje Ezinge

Leegkerk – de nieuwsgierigste van het stel blaarkopjes:

Grazige weiden iets ten noorden van Aduard:

Bij Fransumer Voorwerk in de buurt, deze blackfaced sheeple:

Mooie beesten, toch:

In Ezinge kreeg de voormalige gereformeerde kerk een nieuw dak:

Mijn beide achterneven, toen ze nog leefden en in Feerwerd woonden:

Landschap tussen Ezinge en Allersma:

Tarweveld bij Aduarderzijl:

Antumerweg – ieder zijn meug, de een vreet topgras, de ander vreet riet:

Bij Garnwerd, op het nieuwe fietspad richting Winsum aan de binnenkant van de Reitdiepdijk. Ik verbaas me dus over de populariteit in deze periode van ’t skaten, dat veel meer ruimte inneemt dan fietsen, zodat je er op zulke paden heel gemakkelijk mee in andermans cirkel komt:

Wat die bloem hier in haar uppie moet aan de binnenkant van de dijk? Is ze natuurlijk of gaat het om een restante tuinplant?

Landschap bij Hekkum:

Het haventje van Sauwerd, dat ik nog nooit had gezien:

Boerderijdak, Sauwerd:

Melkenstijd bij de Walfridusbrug:

Graffiti op de Walfridusbrug – de molen in de verte, de Wilhelmina van Noorderhogebrug, heeft geen optimale molenbiotoop:


Na de demo tegen onze gezondheid

Kwam om een uur of half zes langs het Stadspark, waar die demonstratie tegen de anti-coronamaatregelen was geweest. Op de Paterswoldseweg zag ik al een laatste gast. Hij had zichzelf in een Zuid-Afrikaanse vlag gewikkeld. Het werd ook al wat frisser. Op het hek bij de ijscoboer prijkte een karton dat een lied van Pisuisse aanhaalde:

Als je je niet door moordenaars op termijn wil verzuipen in de etter, dan ben je iemand die niet durft te leven. Lekker dan.

Dat durven leven komt trouwens vaak neer op ongebreideld zuipen. Niet voor niets zong Ramses Shaffy dat lied zo graag. Een eindje voorbij de plek waar de demonstratie had plaatsgevonden, trof ik dit tafereel aan. Op de prullenbak staat nota bene een sticker: If it doesn’t fit, neem dien aigen boudel mit. Een boodschap die duidelijk niet werd begrepen:


In het papavermeer

Deze diashow vereist JavaScript.

Toen ik vorig weekend de klaprozenvelden bij Huis ter Heide passeerde, moest ik meteen denken aan een boek van Slauerhoff. Het ging om passages tegen het eind van dat boek, wist ik nog. En dat het boek op de lijst stond voor mijn eindexamen. Via een oeuvre-overzicht vond ik de titel. Het bleek te gaan om Het leven op aarde. Dit zijn de citaten die passen bij de situatie daar in Drenthe:

De papavers deinden in de wind, welig warm en rood. Daartussen groeiden alle andere bloemen. De geuren kon ik nog niet onderscheiden, gewend als ik was aan alleen de lucht die over het water en tussen de muren hangt(…)

Ik waadde door de papavers. Eén ging mij tegemoet; in het midden, waar het meer het diepste was, ontmoetten wij elkaar. De hele verdere dag bleven wij gevlijd op de met rode blaadjes bedekte, van zon doorstoofde en zacht naar zaad geurende bodem.

Bij haar liggend op de zachte matten, omgeven door papavers dichtbij in vazen als rode vlokken, in de verte als één meeroppervlak (…)

Een gevoel van berouw en verlatenheid beving mij, dat niet dadelijk weer week toen ik zag waar ik was: in een papavermeer, wijd en diep, onbewoond.

Toch knap dat een schrijver kan zorgen voor teksten die zo lang in iemands memorie beklijven – mijn eindexamen is op enkele jaartjes na een halve eeuw geleden. Ik had toen ik het boek las geen enkele ervaring met drugs, laat staan met opium. Dat aspect van Slauerhoffs tekst herkende ik simpelweg niet, nu wel: het is een gesublimeerde beschrijving van een roes die als metafoor fungeert.

Toen ik lang na de lezing van Slauerhoffs boek zelf eens opium kreeg aangeboden, en het ook uitprobeerde, vond ik het maar een vervelend goedje. Je werd er zo slaperig van. Het is bij die eenmalige ervaring gebleven.


De eerste verlaatsmeesters van de Drentse Hoofdvaart

Ben vrijdagochtend naar het Drents Archief in Assen geweest voor de archivalische nalatenschap van de Administrateur der Vaart en Venen. Ik trof er een buitengemeen rijke administratie aan, met onder andere de kwitanties voor daglonen, uitgekeerd aan bijvoorbeeld de turfgravers en zandschieters die voor de Landschap Drenthe werkten. Ook  de verlaatsmeesters die de sluizen in de nieuwe Hoofdvaart bedienden en er woonden in de daarbij gebouwde huisjes – vaak tevens winkels en tapperijen – dienden voor buitengewone of extra werkzaamheden rekeningen in, waarvan er vier hieronder zijn gereproduceerd.

Adam Mennes kwam van de Kiel-Windeweer, waar hij en zijn vrouw Grietje tussen 1750 en 1764 een heel rijtje kinderen kregen. Kiel-Windeweer ligt vlakbij Spijkerboor, waar de landmeter Lambertus Grevelink, de ontwerper van de Drentse Hoofdvaart, destijds nog woonde. Waarschijnlijk heeft die Adam Mennes aangenomen om in 1770 de verlaatsmeester te worden van het benedenste verlaat, naderhand de Paradijsschut geheten. Deze lag vlakbij Meppel, maar nog op Havelter grondgebied. Mennes zal omstreeks 1785 overleden zijn, waarna zijn schoonzoon hem opvolgde.

De nota’s van Mennes in het archief van de Administrateur der Vaart en Venen verschillen steeds qua handschrift. Kennelijk stelde iemand anders steeds de rekeningen op, die Mennes dan vrij onbeholpen ondertekende. Schrijven kon hij dus wel, maar daar is ook alles mee gezegd.

In 1774 werkte Mennes, afgezien van de bediening van het verlaat, nog 22 dagen los voor de Landschap Drenthe. Zijn loon bleek 13 stuivers per dag, waarmee hij vrij hoog in de boom zat, vergeleken bij de agrarische daglonen die ik uit het Havelter momberprotocol optekende.

Berend Doggen kwam van Nijeveen, waar hij in 1742 geboren werd. Hij was de verlaatsmeester van de Boskampschut (iets ten zuiden van de huidige Boskampbrug in Havelte) die ook wel eens het Overcingeverlaat heette, hetzij omdat de Boskamp nog bij Overcinge hoorde, hetzij omdat je het huis van stand nog in de verte kon zien liggen, iets wat nu onmogelijk is door al het aangeplante bos. Ergens in de Franse tijd werd het Boskampschut opgeheven en verwijderd, zodat deze sluis niet meer op de kadasterkaart van 1830 te vinden is.

In 1787 werkte Doggen aan verschillende bruggen en schutten elders langs de Hoofdvaart. Anders dan bij zijn collega Adam Mennes van het benedenste verlaat, was Doggens handschrift van rekening op rekening wel uniform. Zijn dagloon was nog hoger dan dat van Adam Mennes, namelijk 16 stuivers.

Jochem Ysebrants, ook wel Jochem Bakker. De huidige Haveltersluis had in de jaren 1770 twee namen: de Pastoorssluis en de Bakkerssluis. Die eerste naam dankte ze aan de vergraven Pastoriegrond of Papenweide op deze locatie. De tweede naam kwam in de wereld dankzij verlaatsmeester Jochem Ysebrants, naar zijn andere beroep ook wel Jochem Bakker geheten. Hij kwam van De Blesse en was ook wat betreft zijn bakkerij een eerste in een lange reeks: op de locatie van het verlaatshuis heeft ruim 200 jaar (tevens) een bakkerij gezeten, wijlen mijn klasgenoot Geert Bergman was de laatste uit de lange reeks uitbaters.

In 1777 declareerde Jochem Isebrants drie dagen werk voor een totaalbedrag van een rijksdaalder, wat neerkomt op bijna 17 stuivers per dag. Dat was iets meer dan zijn collegae van de twee lager gelegen sluizen.

Lucas Schenkel was de eerste verlaatsmeester van de nog steeds bestaande Uffeltersluis. Hij kwam van Hoogezand, waar hij 1737 geboren werd en in 1767 trouwde. Vermoedelijk  kwam ook hij in het kielzorg van landmeter en kanaalontwerper Lambertus Grevelink. Schenkels vrouw kwam uit Nieuwolda, waar Grevelink ook weer connecties had.

Overigens had je in mijn tijd (jaren 60 en begin jaren 70) twee café’s Schenkel in Uffelte. Het ene, aan de Rijksweg (westkant vaart), had een groot bord bij de weg staan: “Het vanouds bekende café Schenkel!” Meen dat dit wel enigszins bezijden de waarheid was. Het allereerste café Schenkel zal namelijk gehuisvest zijn geweest in de verlaatsmeesterswoning die weliswaar eveneens aan de westkant van het kanaal stond, maar veel dichterbij de tweede Uffelterbrug. Het zogenaamd vanouds bekende café is nu ter ziele,  al hangt er nog wel een bierspiegel op een aanbouw. Het nog steeds bestaande brugcafé was voor de coronatijd al gesloten, volgens welingelichte kringen definitief.

Lukas Schenkel werkte in 1774 achttien dagen los voor de Landschap, en declareerde daarvoor 9 gulden, maakt 10 stuivers per dag, veel minder dan zijn drie collegae stroomafwaarts naar Meppel.


Dikke dogge

Aasje oet station van Hazzen kommen, stait doar een haile dikke hond op wacht. Ain richtige helhond! Nont zwoait nait vrundlik mit steert zoas ome Loeks zien peerd veur ’t station van Grunnen dat döt. Hai het ook aignlieks niks op mit Grunnegers, ken’k joe vertellen:

Mie luit e doodmakkelk pazzeren omdat ik mit mien paspoort ’n jeugd op Drenthe antonen kon. Moar wees woarschaauwd: gewoonlieks luit e gain enkelde Grunneger deur. Zölfs gain lutje potje of beudel! Votdoalik as e doar de lucht van ien neuze krigt, springt e der bovenop en den is ’t hap, sloek, vot, inains deur zien monsterachtige moele. Den binje haailendaal verzwonnen veurdat je ’t waiten! En gainaine dei wait woar je bleven bin’n. Aldertreurigst ist, ook veur de femilie!

‘k Zol der moar baange veur wezen, hè?! Ik heb joe woarschaauwd en woarschaauwd mins telt veur tweie. Laiver Blojan den Dojan. Pas op hur, woart joe veur dei hond!


Corona in Assen

Deze diashow vereist JavaScript.


Ja, ik kom op Google Streetview!

Hij kwam van het station, net als ik, en haalde me bij het Cascadecomplex in, om bij de Emmasingel linksaf, en over de Eelderbrug nog eens linksaf te slaan:

Moet toch duidelijk in beeld zijn geweest. Ben benieuwd of ze de foto tonen en of die dan geblurred is (wat voor mij niet zo hoeft. Straks regelmatig kijken naar dit stukje rijweg. 🙂


Sluizen van de Drentse Hoofdvaart

De Drentse Hoofdvaart is zo’n 250 jaar oud, maar in al die tijd meermalen verbreed en verdiept. Vandaar dat de sluizen fysiek wat jonger zijn. Hier achtereenvolgens plaatjes van de exemplaren bij Geeuwenbrug (2x), Havelte en Uffelte. Qua scheepvaart was het er niet bepaald druk:

Deze diashow vereist JavaScript.


Havelter rijksmonument zwaar in verval

Niet alles was even leuk in Havelte. Van deze boerderij uit 1743 op het adres Dorpsstraat 14 schoten me de tranen in de ogen.

De voorgevel is nog relatief goed. Maar de deur, de raamkozijnen en vensterbanken hebben in decennia geen verfkwast gezien. Het rieten dak oogt bovendien draadversleten. Een rietdekker kwam hier zelden of nooit. En een voeger mag er ook wel even naar kijken:


Opzij blijken er al gaten in het dak te vallen:

Het voorhuis:

U ziet het goed, er hangt een blauwwit monumentenbordje naast de deur. Het betreft een rijksmonument sinds midden jaren 60, toen een lokale actiegroep het pand van de ondergang gered had en het met flink wat subsidie werd opgeknapt. Tegenwoordig is er geen subsidie meer, maar belastingaftrek voor het onderhoud van monumenten. Maar dan moeten een eigenaar wel willen opknappen en of dàt hier het geval was?

Het middengedeelte – nog even wachten en dan groeit de berenklauw ook binnen:

Het achterhuis met de zijbaander, waar lappen golfplaat al te zware lekkages moeten voorkomen:

In het dak van de bijschuur of schaapskooi vallen ook al gaten. Er mist een raam:

En dan nog de ellendige toestand aan de straatkant:

Het pand stond tot voor kort  te koop (klik als je ook binnen wil kijken) na jaren onverwarmd leeg te hebben gestaan. Maar ook voor de dood van de eigenaar was het al jaren in verval. Geen wonder dat de vraagprijs van maar liefst een half miljoen euro niet werd gehaald.

Naar iemand uit de buurt me vertelde, is het pand gekocht door de eigenaar van het belendende hotel-restaurant. Hopelijk herstelt die het weer in goede staat, zonder het authentieke, historische karakter geweld aan te doen. En komt er géén parkeerplaats voor met allemaal blik dat het zicht op het pand bederft.