Hoe Pieter Koerts en zijn vrouw naar Amerika emigreerden

De bekende Delfzijlster emigrant Pieter Albert Koerts was een aangetrouwde oom van mijn grootvader Albert Vondeling. Pieters vrouw Trijntje Vondeling en mijn overgrootvader Hindrik Vondeling waren zus en broer.

Pieter was van jongs af aan schilder. In 1903, toen hij 23 was, begon hij voor zichzelf in Delfzijl en trouwde Trijntje Vondeling, de dochter van een dagloner en een vroedvrouw uit Termunten. Trijntje was een jaar jonger dan hij.

Elk jaar kwam er een kind, maar zakelijk ging het slecht. Najaar 1906 raakte Pieter Koerts failliet en besloten hij en zijn vrouw definitief om naar Amerika te emigreren. Trijntjes oudere zus zat al een hele tijd met haar gezin in Kalamazoo, Michigan, waar wel meer Groningers terechtkwamen. Dat werd ook het reisdoel van de familie Koerts.

Pieter vertrok zelf als eerste. Op 7 november 1906 kwam hij in New York aan. Trijntje bleef eerst met haar beide kinderen achter voor de afwikkeling van het faillissement: de boeldag van de huisraad en de veiling van hun woonhuis, eind dat jaar. Na aftrek van de schulden resteerden van de opbrengst nog een stel beddegoed, een stel vrouwen- en wat kinderkleren, een mandje aardappels, een beetje zuurkool en wat weckflessen snijbonen.

Trijntje had nog een wandklok in haar handbagage. Zij en de kinderen arriveerden medio januari 1907 in New York, waar Pieter en zij plannen maakten voor de doorreis, maar verschil van mening kregen.

Pieter wilde eigenlijk door naar de westkust. In april 1906 was San Francisco getroffen door een zware aardbeving, en hij dacht dat er flink te verdienen viel voor schilders en glaszetters. Trijntje echter, verzette zich hevig tegen dat plan. Ze wilde niet wonen op een plaats waar elk moment een volgende aardbeving kon toeslaan. En zo bleef het gezin Koerts hangen in Kalamazoo.

Waar Pieter nu wel een succes van zijn schildersbedrijf maakte. De selfmade zakenman ging er als oerconservatieve republikein de politiek in, en bekleedde tot 1951 meerdere gemeentelijke functies. Een paar jaar later voor het eerst weer op bezoek in Nederland, stierf hij onverwacht in een Amsterdams hotel, nog voor hij Delfzijl had kunnen weerzien. Ter nagedachtenis aan hem, besloot zijn zoon Delfzijl een schip te schenken, dat als jeugdherberg dienen zou.

Bron: Rinze Mast, ‘De bark ‘P.A. Koerts’ in Delfzijl’, Stad & Lande: cultuurhistorisch tijdschrift voor Groningen, jrg. 13 (2004) nr. 3, pag. 7-13.


Reclame langs de weg in Hoogkerk

Neon van Bolt visbakkerij. Reconstructie: Hanneke Perton.

Heb ooit eens alle reclamevergunningen van de gemeente Hoogkerk van 1957 tot en met 1968 doorgenomen. In totaal ging het om 54 stuks. Tot 1962, het jaar van de loongolf, ging het om gemiddeld 2 per jaar, daarna om 6 per jaar. Dat de mensen meer te besteden hadden, vertaalde zich dus op lokaal niveau in een verdrievoudiging van de reclame (borden, neons, fietsenrekken, automaten) die er langs de weg te zien was.

De ruimtelijke spreiding:

Hoendiep 17
Zuiderweg 15
Middenweg 4
Julianaweg 4
Reddingiusweg 3
Kerkstraat 2
Verbindingstraat 2
Nijverheidsplein 1
Fabriekslaan 1
Peizerweg 1
Adres onbekend 4

Er viel dus nog wat meer reclame te zien aan het Hoendiep, dan aan de Zuiderweg. Maar op de Zuiderweg zat die veel dichter bij elkaar. Buiten deze verkeersaders stelde het allemaal weinig voor.

Voor tabaksreclame werd het vaakst een vergunning aangevraagd (8x), daarna kwamen de kruideniers en supermarkten (6x). Ook voor alcohol (5x), verf (5x), spaarbanken (5x) en auto’s en autobanden (4 x) vroeg men wat vaker reclamevergunningen aan, dan voor andere zaken.

Aan de hand van de ontwerpjes in de dossiers zou je een stukje van het straatbeeld kunnen reconstrueren. Vaak zijn die ontwerpjes nog zwartwit, waarbij de kleuren wel worden aangegeven. Bovenstaande lichtbak was van de visbedrijf Bolt, dat volgens het Handelsregister van 1965 tot 1975 heeft bestaan.

Bron: Groninger Archieven, Toegang 1248 (archief gemeente Hoogkerk) inv.nrs. 1703 en 1704.


Schoenmakerij was geen vetpot

Volgens een algemeen Nederlands adresboek voor beroepen en bedrijven uit 1918, waren er dat jaar tien schoenmakers actief in Finsterwolde (inclusdief de buurtschappen, Ekamp, Ganzedijk, Hongerige Wolf en Finsterwolderhamrik). Mijn overgrootvader Geert Perton had dus nogal wat concurrenten.

In 1914 telde Finsterwolde 2918 inwoners, terwijl het er in 1919 bijna tweehonderd meer waren: 3103. Het inwonertal voor 1918 is dan veilig te schatten op ruim 3000. Tien schoenmakers op die bevolking maakt dat er 1 per 300 inwoners was. Laat het gemiddelde huishouden 4 of 5 personen hebben geteld, dan ‘verzorgde’ de gemiddelde schoenmaker 60 à 75 huishoudens. Dat kan nooit een vetpot geweest zijn. Voordat het algemene stemrecht er was, betaalde mijn overgrootvader ook zo weinig belasting, dat hij niet mocht stemmen.

 


Rondje Peize – Roden

De Stad in de verte vanaf de Weringsedijk:

Achterstewold, Peize:

De Weehorst, Roden:

Onlanden, vanaf de Roderwolderdijk:


Hoogkerk is een stadswijk

Sinds de verbouwing, een maand of wat geleden, heeft de AH te Hoogkerk dit hybride ‘dorps- en stadsgezicht’ op een wat duurzamere en duurdere boodschappentas staan, waarvan de voorstelling tevens in het groot te aanschouwen is bij zijn koffiehoek.

Centraal staat de AH zelf, met de nieuwe ingang en wat vrolijk lachend groente en fruit. Links de brug van Hoogkerk, maar dat is het dan ook, qua couleur locale.

Links is het peerd van ome Loeks bij het stad-Groninger Hoofdstation weggeplukt,  terwijl rechtsachter de eveneens stedelijke Martinitoren staat met, als ik me niet vergis, de Burger Hoofdwacht die sinds de bevrijding al weg is. Ook de DAF, het blauwe autootje rechts, ziet men thans niet meer zo vaak.

Het gekke is: ik heb nog geen ouwe Hoogkerker horen protesteren tegen dit amalgaam. Het afgedwongen samengaan van Hoogkerk met Stad (1969) wilde anders nog wel eens pijnpunt zijn waar je niet op moest drukken. De brede acceptatie van het tafereel op de boodschappentas van de Hoogkerker AH toont aan, dat de rouwperiode eindelijk voorbij is. Hoogkerk heeft zich met de situatie verzoend. Hoogkerk is een volwassen stadswijk geworden.


Ommetje Lagemeeden

Leegkerk:

Schip met zure appels bij Den Horn:

Lagemeeden:

Westpoort:


‘t Kortstondige huwelijk van Klaas Hovinga en Berendina Kluithuis

Op 6 wintermaand 1809 deed Klaas Sybolts, woonachtig te Oostwolderhamrik, zijn beklag bij rechter A.J. de Sitter van het Oldambt. Tot zijn “grievende leedwezen”, zo vertelde Klaas, had zijn vrouw, Berendina Derks, veertien dagen eerder hun woning verlaten, onder medeneming van “alle zijne goederen”. Ze was ingetrokken bij haar moeder in Nieuwolda.

Berendina liep weg terwijl hij er niet was. Hij had ook niets gemerkt van haar plan om de benen te nemen. Hij kon dus absoluut niet weten wat het motief voor haar “kwaadwillige verlating” was en kreeg die reden tot dan toe ook niet van haar te horen, terwijl ze zich evenmin liet bepraten “om weer bij hem als vrou te gaan leven”.

Hij wilde zijn uiterste best doen om haar weer terug te krijgen. Vandaar dat hij zich wendde tot het gerecht met het verzoek om hem en zijn vrouw te horen, waarbij hij hoopte dat De Sitter ze kon bewegen tot inschikkelijkheid.

Een week later, op 12 december, stond de verzochte hoorzitting op de rol. Berendina liet zich niet zien. De rechter verordonneerde haar de volgende keer wel te komen, anders dreigde hij met een strafmaatregel.

Op de 19e was ze er inderdaad. Ze verklaarde dat ze

indien zij wel behandeld [werd], zeer genegen [zou] zijn met haar man weder te cohabiteren” (samenwonen).

Terwijl haar man verklaarde

van geen onaangenaamheden van zijn kant te weten en met zijn vrouw in der minne te willen leven”.

Rechter De Sitter vermaande het paar nog even extra om dat te doen. Ook deden Klaas en Berendina er in zijn ogen goed aan om “verder verwijdering voor te komen”.

Het liep anders. Maar eerst iets meer over man en vrouw en beider achtergronden.

Klaas Sijbolts (Hovinga) van Oostwold en Berendina Derks (Kluithuis) van Nieuwolda waren nog maar een half jaar getrouwd, toen zij er vandoor ging. Bij het huwelijk, op 4 mei 1809 te Nieuwolda, was hij 30 en zij 37. Zij was dus de oudste van het stel. Daarnaast was er een verschil in stand. Klaas Hovinga behoorde tot de Oldambtster boerenelite. Zijn ene broer was maire (burgemeester) van Noordbroek en zijn andere broer adjunct-maire van Midwolda. De laatste woonde net als Klaas en een derde broer in de Oostwolderpolder, terwijl hun twee zusters waren getrouwd met landbouwers uit Midwolda.

Daarentegen kwam Berendina Kluithuis uit een middelstandsmilieu. Haar vader, gestorven in 1802, was winkelier geweest. Na zijn dood had Berendina haar moeder geholpen. Veel hadden ze niet geërfd, maar 1900 gulden. Berendina had dus financieel veel minder in te brengen bij hun huwelijk, dan Klaas. Ze trouwden dan ook op huwelijkse voorwaarden, zodat zij niet aan het geld van de Hovinga’s komen kon, als Klaas doodging.

Er kwamen geen kinderen. Wel hommeles, die, zoals we hebben gezien, eerst bijgelegd werd.

Twee maanden na die lieve vrede, op 6 sprokkelmaand (februari) 1810, was het echter opnieuw raak. Dit keer was het de beurt aan Berendina om haar beklag te doen bij het gerecht. Ze bevond zich “in de hoogste onaangename omst[and]igheden”, zei ze. Al “zedert het ingaan van haar huwelijk” had haar man haar voortdurend “zeer onheusch” en “met vergaande kleinachting” behandeld,

in zoo verre zelfs dat hij haar belet heeft eenige schikking in de huishouding hetzij over het bereiden der spijzen, hetzij over andere zaken te hebben”.

Dit, gevoegd bij “de ijslijkste dreiging van dadelijke mishandeling” waren op 21 november de redenen geweest voor haar “wanhopig besluit” om naar haar moeder te vluchten. De rest van die historie kende de rechter, door diens tussenkomst was ze ertoe overgehaald,

in hoop van betere bejegening zich weer ter inwoning bij haren man te begeven…

Helaas zag ze zich in die hoop “grotelijks” bedrogen. Sinds hij haar weer terug had in huis, kwam Klaas er openlijk voor uit

dat hij alle de beschikking in de huishouding, meer aan den meid dan aan zijn vrouw wil toevertrouwd hebben, daar hij wijders dagelijks in zeer honende bewoordingen dreigde de rem[onstran]te te slaan en eindelijk zich in zoo verre heeft vergeten dat hij op zekeren avond toen de rem[onstran]te reeds te bed lag, met een ijslijk getier in de kamer is gekomen en haar niet alleen uit het bed, maar ook uit de kamer heeft gejaagd, zoodat de rem[onstran]te genoodzaakt geworden is, om andermaal zich met de vlucht te redden en een schuilplaats bij hare buren te zoeken, vanwaar zij, na den nacht gepasseerd te hebben, wederom, om verdere ruïneuse handelingen te ontwijken, naar haren moeder is gegaan…

De bron van de onenigheid was dus haar rol in huis. Klaas wilde dat Berendina het huishoudelijk werk en dan vooral het koken aan de grootmeid zou overlaten, terwijl Berendina van huis uit gewend was om de handen uit de mouwen te steken. Ze wilde iets te doen hebben en niet een soort van ornament in zijn leven zijn. Tegen haar argumenten kon hij niet op, en het vasthouden aan zijn eigen gelijk ontaardde in geweld.

Voor Berendina hoefde het niet meer. Zoals haar ervaringen bewezen, had haar man geen genegenheid meer voor haar. Ze had geen hoop meer op herstel van de “goede harmonie”. Er bleef haar nog maar één stap over: een verzoek om een scheiding van tafel, bed en inwoning. Bovendien verzocht ze rechter De Sitter om de scheiding van hun beider goederen te regelen.

De Sitter deed, zoals te doen gebruikelijk in dit soort gevallen, toch nog enige “tentamina concordia”. Maar tevergeefs. Hij zag er het nutteloze gauw van in, stond de gevraagde scheiding toe, en startte de procedure om te komen tot de “separatio bonorum”.

Al met al waren Klaas Hovinga en Berendina Kluithuis nog geen jaar getrouwd geweest. Op 30 november 1810 vond eindelijk de opdeling van hun goederen plaats. Klaas kreeg de gehele boedel met alle lusten en lasten die daarbij hoorden, en Berendina ontving 1300 gulden. Daar kon ze naar haar stand misschien drie of vier jaar van leven. Waarschijnlijk is ze weer gaan inwonen bij haar moeder in Nieuwolda.

Klaas Sibolts Hovinga overleefde de scheiding vier jaar. Hij overleed begin september 1814 te Nieuwolda, waar hij kennelijk heen verhuisd was. Berendina Derks Kluithuis zou nog ruim drie decennia leven. Opmerkelijk is, dat ze in 1846 stierf als “renteniersche”. Haar successiememorie noemt als baten een paar huizen en diverse waardepapieren. In totaal bedroegen die baten ƒ 10.296, terwijl daar aan lasten slechts ƒ 736 tegenover stond. Getuige het surplus van ƒ 9560,- had ze goed geboerd sinds haar scheiding. Of zou ze dan toch nog wat hebben geërfd van de Hovinga’s?

Voornaamste bron, buiten Alle Groningers en het huwelijkscontract: Groninger Archieven Tg. 731 (rechterlijke archieven beide Oldambten) inv.nr. 6978 op de aangegeven data.

Naschrift: Aike van der Ploeg wees er op Twitter op, dat Berendina bij de opgang van de kerk in Nieuwolda woonde. Ook ten tijde van het eerster kadaster, ca. 1830, was ze al rententier