Zwarte Piet en de Kijkcijfertjes (2)

Herhaling van onderzoekje, dat ik in 2015 al eens verrichtte. Betreft bezoekstats over de laatste vier jaar van dit Zwarte Pietblogje. Het statistische beeld is niet wezenlijk anders.

April lijkt me dan de beste maand voor het voeren van de Zwarte Pietdiscussie. ūüôā

Advertenties

Geschut schaap blijkt dure kostganger in Grootegast

Simon Andreas Krausz (1770-1825), Liggend schaap. Collectie Rijksmuseum.

Hindrik Alberts woonde, waarschijnlijk als herbergier, in het voormalige rechthuis van Grootegast. Maar ook al zetelde daar al jaren niet meer het gerecht met al zijn lucratieve aanloop, er zat nog wel steeds een schutstal bij, waar mensen loslopend vee konden heenbrengen, dat de eigenaar er dan kon ophalen tegen betaling van het voergeld en wellicht een kleine boete. Doorgaans zullen die eigenaren zich snel genoeg hebben aangediend voor hun vermiste levende have, maar begin 1808 had Hindrik Alberts een probleem, en wel met met een schaap. Hij begaf zich op weg naar de drost in Zuidhorn, en vertelde deze hoogste gezagsdrager van het Westerkwartier dat

zedert een geruime tijd door Wolter Sipkes, mede te Grotegast woonachtig, bij hem een schaap in schutting is gebragt, zonder dat tot hiertoe de eigenaar is bekend, of dienaangaande eenige order is gesteld…

Aan de tijd van kost- en inwoning zat kennelijk geen limiet:

daar nu het verschuldigde voergeld reeds verre de waarde van opgemeld schaap overtreft.

Bij eventuele verkoop van het schaap kreeg Hindrik dus een deel van zijn geld niet terug, en aangezien het niet van hem gevergd kon worden

het nadeel hieruit resulteerende te moeten dragen, zo is deszelvs submis verzoek dat gem[elde] Wolter Sipkes mag worden gelast het verschuldigde voergeld aan rem[on]s[tran]t te voldoen en teffens dezelve dienaangaande voor het vervolg securiteit te geeven.

De waard wilde dus eindelijk boter bij de vis en alleen nog dat schaap in zijn schutstal houden als Wolter (zich) borg zou stellen voor de kosten in de toekomst.

De drost krabde zich eens achter de oren en belegde een hoorzitting voor een week later. Bij die gelegenheid erkende Wolter Sipkes,

dat hij het schaap op order der boerrigters aldaar in de schutstal heeft gebragt.

Mocht Wolter menen dat hij zich zo vrij kon pleiten van de kosten, dan bedroog hij zichzelf. De drost beslechtte het geschil in dier voege dat Wolter inderdaad het voergeld van het schaap aan Hindrik moest voldoen. Hij zou dan de beschikking krijgen over het schaap en moest daar verder maar de boerrichters van Grootegast over aanspreken.

Ik denk dat Wolter tegen de boerrichters gezegd heeft dat ze zulke schapen in het vervolg zelf maar naar de schutstal moesten brengen.

Bronnen: RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (gerechten Westerkwartier) inv.nr. 727: rekesten, die van 20 en 28 januari 1808; idem inv.nr. 415: commissieboek, 28 januari 1808.


Bushalte Hoogkerk

Bushalte tegenover Woonzorgcentrum de Gabri√ęl en de dokterspost Ruskenborg, Zuiderweg Hoogkerk, hedenochtend. “Laat die bejaarden en pati√ęnten maar lekker inde gure oostenwind staan”, moet de vervelio hebben gedacht, die dit aanrichtte.


‚ÄúPoincten van order voor de secretarie dezer Jurisdictie‚ÄĚ

Johannes Tavenraat,, Secretaris van Westerlo, 1841. Potloodtekening. Collectie Rijksmuseum.

Op 10 Hooimaand 1810 stuurde de Landdrost van het Departement Stad en Lande van Groningen het nieuwe huishoudelijk reglement voor de secretarie van het Westerkwartier op naar Zuidhorn, de hoofdplaats van deze jurisdictie. Daar liet de rechter het op 1 Oogstmaand door en voor de klerken afschrijven. Ook kwam het nieuwe reglement in de secretarie te hangen, misschien wel in een mooi lijstje. Hier volgen de artikelen van dat dat reglement:

Art. 1
De secretarie moet alle dagen behalven op zon- en feestdagen, des voordemiddags van 9 tot 12 uuren, en ‚Äės nademiddags van twee tot vier uuren open zijn en gehouden worden, gedurende welke tijd de klerk of klerken aldaar moeten praesent blijven, zowel tot verrigtingen van het secretariewerk, als om de ingezetenen, welke acces mogten begeren tot de publieke prothocollen of andere zaken hun betreffende, aldaar hebben te verrigten, behoorlijk te gerijven. Welke secretarie tijd egter verlengt wordt indien bij extra-ordinaire bezigheden zulks door den regter of secretaris nodig mogt worden geoordeelt.

Art. 2
Alle het secretariewerk moet so veel mogelijk op de hierboven bepaalde tijd en uuren op het locaal van de secretarie zelven worden verrigt, kunnende ter expeditie daarvan buiten de gesworen klerk of klerken geen ander persoon worden gebruikt zonder expres consent van den regter.

Art. 3
De klerken ter secretarie bemoeyen zich gedurende de secretarietijd met geen ander hoegenaamde zaken, dan alleen met het secretariewerk, daar niet onder begrepen het werk betreklijk de introductie der nieuwe belastingen, hetwelk afzonderlijk en buiten de secretarietijd moet worden ge√ęxpedieert.

Art. 4
Als de secretaris niet in de hoofdplaats praesent is, zullen de klerken zig niet buiten de hoofdplaats mogen absenteren zonder expresse permissie van den regter.

Art. 5
Tot de bedieninge ter secretarie word gebruikt een der gerigtsbedienden op de hoofdplaats, welke de secretarie ieder morgen te halv negen, en ‚Äės nademiddags te halv twee uuren zal ontsluiten, en gedurende de winter zorgt, dat des smorgens te negen uuren aldaar het vuur brand, en voorts de boodschappen ter secretarie in de hoofdplaats vallende, waerneemt.

Art. 6
Alle originele concepten voor het Gerigte beleden, en waarvan de belij√Įngen door den regter zijn vertekent, moeten in een behoorlijk order, en voorzien van een nauwkeurig register op de secretarie der jurisdictie worden bewaart, opdat men ingevalle er in het afschrijven, of registratie der alzo beledene instrumenten enig abuis mogte zijn begaan, daartoe in allen gevallen kan recurreren.

Art. 7
Alle kopijen en verdere ter secretarie in train gebragte belij√Įngen, sentent√ęn en andere instrumenten worden eer en bevorens dezelve ter vertekeninge aan het Geregte worden voorgelegt ter secretarie nauwkeurig nagesien en gecollationeert, blijvende den nalatigheid hierin ter verantwoordinge van de secretarie.

Bron: RHC Groninger Archieven Toegang 735 (archief gerechten Westerkwartier) inv.nr. 729: publicaties, notificaties etc..


Vrouw komt uit tuchthuis, man wil scheiding

Hij noemde zichzelf Knels Jans en ‚Äúhuisman‚ÄĚ, oftewel boer, te Grootegast. Maar als Cornelis Jans de Vries staat hij later ook wel te boek als arbeider.¬†Alleen al¬†die familienaam laat zien¬†dat hij van Friese komaf was, net als zijn vrouw, maar¬†in het Westerkwartier¬†was (en is) dat natuurlijk niet¬†zo opmerkelijk. Wel bijzonder was dat die vrouw, Janke Alberts,

door haar slegte daden bij het E.E. Gerichte van Friesland publiek is gegeesseld en in het Tuchthuis is geconfineert en gebannen…

Jankes gevangenisstraf zat er de 25ste februari 1807 op en Knellis maakte daarom ruim op tijd, op 14 januari, zijn opwachting bij de drost van het Westerkwartier. Hij voorvoelde en had ook gehoord dat zijn vrouw weer bij hem in Grootegast wilde komen wonen, maar dat zag hij helemaal niet zitten vanwege haar¬†delicten “en meer andere, blijkens attestatie van nabuuren‚ÄĚ. Hij kon niet meer ‚Äúmet haar als man verkeeren‚ÄĚ, zo had hij besloten. Daarom verzocht hij de drost om een scheiding van tafel en bed, met overleg over de bijkomende regelingen.

Op 20 januari motiveerde Knellis zijn verzoek nogmaals. Het werd hem ingegeven doordat hij

vreesde dat zijne vrouw, die zeer boosaardig was, weder tot hem sou komen, en [hij] niet gaarne wenschte met zulk een weder te cohabiteren.

De drost stelde zijn beschikking op het rekest echter uit tot de vrouw werkelijk uit Leeuwarden terug zou zijn gekomen, zodat ook zij haar zegje kon doen. Op 26 maart bleek dat¬†Janke niet aan de oproep gehoor had gegeven. Vandaar dat de drost Knellis de verzochte ‚Äúseparatie ad thorum et mensam‚ÄĚ toestond. Voorlopig stelde¬†het gerecht¬†de boer ook in het bezit van de gezamenlijke boedel van hem en zijn vrouw, op voorwaarde dat deze zou gaan zorgen voor hun kind. Als Janke het netjes vroeg, moest Knellis haar wel meteen haar ‚Äúlijves toebehooren‚Ä̬†meegeven.

Bronnen: RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (jurisdictie Westerkwartier) inv.nr. 726: rekestboek, 14 januari en 26 maart 1807; idem inv.nr. 766: commissieboek, 20 januari 1807.


Friezen willen oude Groninger dijk afslichten

Medio juli 1806 leverden enkele Friese boeren uit de streek voorbij grensrivier de Lauwers een rekest in bij de drost van het Westerkwartier:

Geven met verschuldigde eerbied te kennen de ondergetekende landgebruikeren woonende onder den dorpe Buirum in Buirummerland,
hoe dat de Oude Dijk als tot eenen weg verstrekkende, loopende van de oostzijde van Visvliet naar Pieterzijl, van daar na de Hooge Dam en Leegte, weegens de smalte derzelver bij sommige tijden volstrekt niet bruikbaar [is] om met een rijtuig te passeeren en vooral in tijde wanneer de slooden bijlangs dezelve gegraaven of opgehaakt zijn, met de eene zijde de rijdtuigen meenigmaalen over en door de hoekselpollen moeten passeeren, en alzo in het uiterste gevaar om alle ogenblikken een ongeluk te zullen krijgen.
En daar nu deeze dijk of weg op eene zeer gemakkelijke wijze zoude kunnen worden verbeeterd, in dier voegen, dat dezelve zoverre wierde afgesligt dat de rijdtuigen malkanderen kunnen passeeren ‚Äď gelijk reeds door het wijs besluit van Uw[el]E[del]gest[renge] met die van Nyzijl na Commerzijl deezen jaare is geschied ‚Ästzoude deeze verbeetering niet voor ons alleen, maar zelfs in ‚Äôt algemeen voort alle die dezelve moeten passeeren van de grootste nuttigheid zijn ‚Äď

De Oude Dijk tussen Visvliet en Pieterzijl waar het hier om gaat, heet tegenwoordig Pieterzijlsterweg, alleen is het tracé daarvan (deels) rechtgetrokken. Het vervolg voorbij Pieterzijl is de Brugstraat. De Leegte, op de grens met Friesland, bevindt zich halverwege Pieterzijl en Warfstermolen, terwijl de Hoge Dam daar de Lauwers afsloot.

Deze Oude Dijk was waarschijnlijk nog van een model, dat voor 1717 gangbaar was: vrij steil oplopend en relatief smal van onder en van boven. Vooral als de sloten aan weerszijden werden schoongemaakt en er uitgehaalde pollen waterplanten en slijk op het ongeplaveide karrespoor lagen,¬†zorgde dat voor gevaarlijke hobbels op de weg. Vandaar dat de Friezen voor een bredere, beter begaanbare en minder gevaarlijke weg een stuk van de kruin van de dijk wilden afhalen. Of beter gezegd: laten afhalen, want Groningers moesten het werk doen! Hun verzoek kwam er namelijk op neer dat de eigenaars of gebruikers van de Oude Dijk ‚Ästte weten¬†Bote Teekes, Itte Jans,en Romke Klaassens, alle wonend onder Pieterzijl ‚Äď

mogen worden gelast om de voornoemde dijk in dier voegen te verbeeteren dat dezelve op een behoorlijke wijze met rijdtuigen kan worden gebruikt ofwel in dier voegen als Uwe Wijsheid het zal goedvinden om te behooren.

Van de in totaal 13 ondertekenaren kwamen de eerste 3 uit Burummerland, waar het verzoekschrift ook geconcipieerd was, terwijl het zich laat aanzien dat de andere 10 uit Munnekezijl afkomstig waren.

De drost liet eerst de situatie onderzoeken, waarna hij een hoorzitting zou uitschrijven. Een verslag daarvan heb ik echter (nog) niet kunnen vinden. Misschien¬†is de procedure bij de drost ook niet vervolgd, omdat de Oude Dijk¬†niet direct onder diens competentie viel. De bewuste dijk stond¬†immers onder toezicht van het Dijk- en Buurrecht van Visvliet en Pieterzijl. Of de bestuurders daarvan oren naar het plan hadden, is¬†onzeker. Inderdaad was de al even steile dijk tussen Niezijl en Kommerzijl in 1806 afgetopt om de¬†bovenkant breder en beter begaanbaar te maken voor rijtuigen, en dat na een soortgelijk verzoekschrift aan de drost van het Westerkwartier, maar daar kunnen weer andere omstandigheden hebben bestaan dan in Pieterzijl. Het is dus niet gezegd dat het voorbeeld werd gevolgd. Overigens waren volgens het kadaster van ca. 1830 (waarop ‚Äėt bovenstaand kaartje is gebaseerd) hele repen op de flanken van deze dijk in gebruik als tuin, maar ook dat zegt nog niets, lijkt me, over een eventuele¬†afslichting vanwege het rekest in 1806.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (jurisdictie Westerkwartier) inv.nr. 726: rekestboek, 17 juli 1806.


Hoe Trijntje Soldaats haar zoon verloor

Tot halverwege de negentiende eeuw werden mensen op het Groninger platteland nog bij voorkeur aangeduid met patroniemen, achternamen afgeleid van hun vaders voornamen. Voor ons hebben die namen het nadeel dat ze niet zo onderscheidend zijn: ze lijken allemaal op elkaar. Vandaar ook, dat het even duurde voordat ik de naam van Trijntje Alberts herkende. Maar ze kwam uit Ezinge en kort geleden had ik daar in de Torenstraat nog een plaquette gefotografeerd, die haar herdenkt. Daardoor viel, denk ik, het kwartje alsnog: het rekest dat ik ’s middags zonder herkenning gezien had, bleek ’s avonds van Trijntje Soldaats, de bekende sprookjesvertelster. En uit haar biografie werd ook duidelijk, dat dit verzoekschrift nog nooit eerder opgemerkt was.

Voor wie Trijntje Soldaats niet kent: als huisnaaister en oppaster vertelde ze tussen 1800 en 1804 sprookjes aan een paar buurtkinderen, waarvan er een die verhalen uitschreef in een schriftje dat zijn nazaten zo bijzonder vonden, dat ze het van generatie op generatie bewaarden. In 1928 gaf de folkloriste mevrouw Huizenga-Onnekes de sprookjes uit in een fraai verzorgd boek, met houtsneden van Johan Dijkstra en gedrukt door H.N. Werkman.

Trijntje Soldaats (1749-1814), die zo ruim een eeuw na na haar dood alsnog bekendheid verwierf, was geboren en getogen in Ezinge als dochter van een kuiper. Haar moeder kwam van een boerderij in het naburige Feerwerd. Volgens Jurjen van der Kooi, die haar sprookjes onderzocht, moet ze die hier in de omgeving hebben opgedaan. Hij noemde ze ‚Äúechte Groninger sprookjes‚ÄĚ. Ze kwamen dus niet uit Hessen, zoals ook wel eens is beweerd.

Uit Hessen was de man afkomstig met wie Trijntje in 1787 in de stad Groningen trouwde: de tien jaar jongere Andreas/Andries Cramer, ook wel Kremer, Greulingen, Kreuling en Krieling geheten. Vanwege deze soldaat ‚Äď hij was in ‚Äôs Lands dienst – kreeg Trijntje haar bijnaam. Vlak na de doop van hun oudste dochter, begin 1788, verhuisde het paar naar Hessen, waar het weldra nog twee kinderen¬†kreeg: een meisje en een jongen. De laatste, Gerhard, geboren circa 1790, staat hierna centraal.

In 1793 overleed Trijntjes man en keerde zij met de kinderen terug naar haar geboorteplaats Ezinge. Ze zou er in 1798 nog eens trouwen, nu met een twintig jaar jongere boerenzoon uit Fransum, Wybe Wybrands. Bij het opmaken van hun huwelijkscontract traden twee diakenen van de hervormde gemeente Ezinge op als getuigen, vrijwel zeker een teken dat Trijntje door hen bedeeld werd en dat zij deze mannen dus ook om toestemming voor haar huwelijk had moeten vragen.

Dan nu Trijntjes rekest. Op 1 februari 1806 werd Trijntjes ongeveer vijftien jaar oude zoon Gerhard Andries Krieling ter aarde besteld op het kerkhof van Ezinge. Vier dagen later maakte Trijntje met een advocaat, mr. Nauta Muntingh, haar opwachting bij de drost van het Westerkwartier met dit verzoekschrift, dat ze met een kruisje tekende, omdat ze het schrijven blijkbaar niet machtig was:

Geevt eerbiedig te kennen Trijntje Alberts, hoe dezelve met wijlen haar eheman Andries Krielinge twee nog minderjarige kinderen heeft verwekt, waarvan het eene, genaamd Gerardus, bij Jan Jans op Den Ham als knegt diende, en het zelve haar op donderdag den 23 jan[ua]ry l.l. in een aller ongelukkigste omstandigheid is te huis gebragt. Bij welke geleegenheid men haar verhaalde dat Gerardus stroo op de balk draagende, was komen te vallen, en dat Jan Jans zijn zoon had bevoolen, nadat het reeds drie daagen geleeden was, om hem op een paard na zijn ouders huis te brengen. Dan de zoon van Jan Jans zoude (in plaats van hem bij zijne ouders te brengen), hem bij Suttum van het paard hebben afgezet, waarop hij door menschen digt bij Suttum woonende is in huis geborgen, die daarvan aan mij kennis gaaven, en waarop (zonder eenige tijding van de boer Jan Jans nog iemand zijnentweegen te hebben ontvangen) Duurt Alberts te Suttum mij hem met een waagen te huis heeft gebragt, hebbende dat alles ten gevolge gehad, dat hij op de daaraanvolgende maandag is overleeden.

Met andere woorden, Trijntjes zoon diende als knecht bij een boer Jan Jans in Den Ham, zo‚Äôn 6 kilometer ten zuiden van Ezinge. Gewoonlijk verdiende zo‚Äôn jonge boerenknecht kost en inwoning met een paar gulden en wat kleding of schoeisel toe; dat zal ook hier het geval zijn geweest. Die paar gulden zullen dan, zoals te doen gebruikelijk, naar zijn moeder zijn gegaan. Gerhard droeg, waarschijnlijk via een ladder, stro naar een¬†berging of zolder¬†op de balken in Jan Jans zijn schuur. Bij dit karwei was hij naar beneden gestort. In zulke gevallen namen mensen niet vaak een dokter in de arm en dat deed ook nu de boer niet. Na het drie dagen te hebben aangezien, gaf hij zijn zoon opdracht om de pati√ęnt op een paard naar in Ezinge te brengen,¬†Gerhards moeder¬†moest hem dan maar verder verzorgen. Het kan zijn dat de boerenzoon de tocht te lang vond duren, maar misschien leed Trijntjes zoon ook wel teveel pijn, zo rijdend op dat paard. In elk geval werd hij er bij Suttum, een gehucht halverwege Den Ham en Ezinge, al afgezet door de boerenzoon. Daar¬†werd hij opgevangen door mensen die Trijntje bericht gaven. Je kunt je voorstellen dat Trijntje, die van de boer nog helemaal niets over het geval had gehoord, zich wezenloos schrok. Ze zal meteen naar Suttum zijn gegaan, waar ze een Duurt Alberts ‚Äď geen familie ‚Äď vroeg haar zoon op een wagen naar haar huis te brengen,¬†en daar overleed¬†de jongen na enkele dagen.

Maar wat beoogde Trijntje met dit verzoekschrift? Ze bracht het geval ter kennis van het gerecht, zei ze, omdat ze graag wilde dat de drost het zou laten onderzoeken:

De rem[on]s[tran]te vermeende zulks aan het E.E. Gerichte bekend te moete maaken, en verzoekt zeer submis, dat het E.E. Gerichte hierop (gratis) na behooren informati√ęn gelieve in te winnen of anders in deezen te doen, zoals zal vermeenen te behooren.

Zat er een luchtje aan de valpartij? Was haar zoon van de ladder of de balk afgeduwd? Hoe dan ook, uit de kantbeschikking blijkt dat de drost er meer van wilde weten. Hij ontbood voor de volgende ochtend, om precies te zijn donderdag 6 februari om 11 uur, de Ezinger heelmeester Melle Sikkes Rijtema, die kennelijk de jongen nog voor diens dood had onderzocht, wat dus in het huisje van Trijntje gebeurd moet zijn.

Op Rijtema’s verslag belegde de drost bovendien nog een zitting voor donderdag 13 februari, om zowel Trijntje te horen als Duurt Alberts, de boer uit Suttum die haar zoon naar huis had gebracht. Beiden vertelden daar nog eens hetzelfde verhaal, met wat meer bijzonderheden :

verklaarden dat des rem[onstran]tes overledene zoon op donderdag 23 januarii l.l. door den zoon van Jan Jans met het paard was gebragt tot Suttum en aldaar neergezet bij het schut van een vrouw Geeske genaamd. Dat dezelve met vele moeite in het huisje van laatstgenoemde gekomen zijnde, deze vrouw daarvan had kennis gegeven aan de rem[onstran]te, die terstond den 2den comparant Duurt Alberts had verzogt om haar zoon met de ley te huis te brengen, gelijk denzelve zulks dan ook gedaan had. Dat zij voorts geen gejammer van haar zoon gehoord hadde, maar dat dezelve niet bij zijn verstand had geschenen te zijn. Verzoekende voorts het verdiende loon en klederen van het huis van Jan Jans te mogen afhalen,…

De jongen was dus niet naar Trijntjes huis gebracht met een wagen, maar met een ‚Äúleij‚ÄĚ of lai (ook wel loijke of bodde geheten), een soort van paardenslee met een bak erop die destijds heel vaak op kleiwegen werd gebruikt. Thuis gekomen, gaf Gerardus geen kik. Hij leek alleen niet goed bij zijn hoofd en had mogelijk een zware schedelbasisfractuur, waaraan het ruwe vervoer¬†beslist geen goed¬†zal hebben¬†gedaan. Van verdachte omstandigheden was nu geen sprake meer. Het enige wat Trijntje nog wilde, waren de kleren en het loon van haar jongen. Blijkbaar durfde ze zonder rugdekking van de drost niet naar de boer op Den Ham, om die op te halen.

Hoewel de drost nogmaals een zitting agendeerde, waar hij Jan Jans en diens zoon mede zou horen, heeft die zitting nooit plaatsgevonden. Waarschijnlijk kreeg Trijntje inderdaad de kleren en het loon van haar zoon, waarbij de Hamster boer mogelijk wat meer over de toedracht zal hebben verteld. Voor Trijntje hoefde daarna die nieuwe zitting niet meer zo. Ze had al geld genoeg uitgegeven aan advocaat en gerecht en haar zoon kreeg ze er niet mee terug.

Bronnen:

  • RHC Groninger Archieven Tg. 735 (Gerechten Westerkwartier) inv.nr. 725: rekestboek, notities van woensdag 5 en donderdag 6 februari 1806; en idem inv.nr. 766: commissieboek, notitie van donderdag 13 februari 1806.
  • Wija Friso & Jurjen van der Kooi, Trijntje Soldaats en de Torenstraat (Bedum¬†2001) met name p. 61-80 en 97.