Rondje Winde


Rondje Eiberburen

Oud krat op Westpoort (er liggen diverse lege frisdrankflesjes in):

De dotters kwam ook weer tevoorschijn:

Klink van het kerkhofhek, Jellemaweg Zuidhorn:

Dorpsgezicht Noordhorn:

Niezijl – wat zou een man zonder zijn heupflacon zijn?:

Lageweg tussen Niezijl en Grijpskerk:

Westerhornseweg tussen Grijpskerk en Eiberburen – het speenkruidrecord van de dag:

Van Starkenborchkanaal vanaf het viaduct bij Eiberburen – in de verte Gaarkeuken:

Hervormde kerk, Lutjegast:

De klok oogt niet meer zo jofel:

Opgeknapte dampaal, Lutjegast:

Ook opgeknapt, een boerderijtje aan de Fanerweg bij de Dijkstreek. De rietdekker is er nog bezig:


Rondje Tolbert

Weinig fietsers – er stond ook een redelijk straffe oostenwind. Bij het gemaaltje van Sandebuur hoorde ik een vreemd borrelend geluid onder een rooster. Bij de uitlaat bleek het water gemarmerd:

Fouragerende ooievaar:

Dorpsgezicht Leutingewolde:

Kerk Tolbert:

Onderaan de muur daar:

Voor insecten omgebouwd nestkastje (?) aan het koor:

Vrij zeldzaam, een grafsteen uit 1812:

Langs het Hoendiep – Dreckschnabel is op stap en heeft dorst:


Hondenslager, puistentreder en kerkschoner

Dit postje staat in de kerkvoogdijrekening van Nieuwolda over 1787. We kunnen er allereerst uit opmaken dat de boekhouder der kerkvoogdij een mondje Gronings sprak.

De Tobias Hindriks waarvan hier sprake is, heette, om hem van Lange of Grote Tobias Uuntjes te kunnen onderscheiden, ook wel “Luttie” of Kleine Tobias. Bij de diaconie noemden ze Tobias Hindriks bovendien wel “hontslager” – hij moest ervoor zorgen dat al te heilbegerige honden de kerkdeur niet binnen konden lopen tijdens een plechtige godsdienstoefening.

Een tweede rol van Tobias Hindriks was die van “puistentreeder” – Tobias bediende de blaasbalg van het pas verworven, fraaie orgel in de kerk van Nieuwolda. En ten derde verkreeg hij nog arbeidsloon uit “kerk schoonen”, zoals postjes elders in de kerkerekening bewijzen..

Met deze werkzaamheden verdiende Kleine Tobias ruim tweederde van een arbeidersjaarinkomen. Ongetwijfeld zal hij ook buiten de kerk nog zijn klusjes hebben gehad.

Rest nog de vraag hoe Tobias het puistentrederschap met de hondenslagerij combineerde. Op de orgelbeun kon hij toch nooit goed “deur oppassen”, zou je denken. Als er een hond de kerk inliep, trippelde die vast al bij de kansel op het koor voordat Tobias de beun af was.

Naschrift:

In 1797 wordt het ambt van Tobias verbaal opgewaardeerd. Hij verdient dan 25 gulden van de kerk “weegens polijsijamt en balkenist”.


Brokaatpapier

Apart omslagje, om de rekeningen van de kerkvoogdij Nieuwolda uit de jaren 1787-1789. Had ze nodig voor een paar arbeiders, en wat krijg ik: blingbling.


Oudste en jongste in het graf

Op 31 juli 1767 zijn er twee begrafenissen op het kerkhof van Nieuwolda, iets wat er vrij zelden voorkomt. Enerzijds gaat het om het zoontje Edzo van de schatbeurder Harm Edzes. Edzo was slechts veertien dagen oud geworden. Na afloop van de uitvaart ligt er ruim 5 gulden in het begraafbekken dat de de diaconie op het kerkhof opstelde.

Bij de teraardebestelling van Sijbrig Stoffers is de opbrengst voor de armen van Nieuwolda ongeveer de helft van dat bedrag. Dat ligt niet aan haar leeftijd, want ze is 93 jaar mogen worden. De boekhoudende diaken schrijft:

Dese twie overledenen waren op dese tijd de jongste en de oudste in onse Dorp…


Cycloop, Koeriersterweg

Hoe schrijft met ‘Lede ogen’ enkelvoud, wordt dat leed oog? Te zien onder het viaduct van de ringweg-west:

Om precies te zijn onder het viaduct bij de busbaan ter hoogte van de meubelboulevard, maar dat is zo’n mond vol.


Hindrik Latijn

En daar duikt opeens een Hindrik Latijn op in de diaconierekening van Nieuwolda. Zijn doopgift op 10 oktober 1784 van een sestehalf (=5,5 stuiver), destijds traditioneel voor kleine middenstanders, steekt nogal mager af bij de omringende: allereerst natuurlijk bij de daalder van “doctor” Van der Molen, die een paar jaar later pardoes zijn dienstmeid door het hoofd zou schieten, maar des te meer nog bij de ducaat (5 gulden en 5 stuivers) die afkomstig was van ‘dikke’ boeren als Harm Smeedes, F. Fockens en Pieter Jans.

Met die achternaam Latijn heeft Hindrik Alle Groningers niet gehaald. Bij de inschrijving op die datum van zijn dochter Engeltje in het doopboek staat de naam Hindrick Hansen. Als achternaam staat Latijn slechts één keer in Alle Groningers, namelijk bij de ondertrouw, in 1682, van een Denijs Latijn met een Catharina Hindricx. Deze Denijs Latijn kwam van Rouen, en zijn eigenlijke naam zal wel op z’n Frans Denis Latin zijn geweest. Diens verloofde was oorspronkelijk afkomstig uit Gulikerland. Eerder was weduwe van een Isaack van Sameur (Saumur). Mogelijk ging het bij dit stel dus om Hugenoten, al moest de grote vluchtelingstroom van gereformeerden uit Frankrijk toen nog op gang komen.

Tussen de stad-Groninger ondertrouw van Denijs Latijn en de melding van Hindrik Latijn te Nieuwolda zit ruim een eeuw waarin de achternaam Latijn niet in Groninger doop-, trouw-, en begraafboeken staat. Kwam Hindrik dan van elders? Best mogelijk, bij WieWasWie blijkt immers dat er in de tweede helft van de achttiende eeuw voornamelijk in Leiden een familie Latijn leefde.

Maar het lijkt ook wat onwaarschijnlijk dat zo’n Leidse Latijn, of all places, opeens in het Groningse Nieuwolda verzeild raakt. Ik denk daarom dat de achternaam Latijn bij de doopgift van 1784 een bijnaam is. Hindrik zal af en toe een mondje boven zijn stand hebben gepraat en met de bijnaam Latijn beloonden zijn dorpsgenoten Hindriks al te geleerde aspiraties.


Een schoolmeester pleegt zelfmoord

Op donderdag 8 juni 1775, even na de middag, verleent de Etstoel in Assen gehoor aan drie eigenerfde boeren uit de omgeving: Willem Remmels Haange van Grollo, naast Johannes Homan en Albert Eijsinge, beide van Rolde. Ze zijn in shock en in rouw als zwagers en schoonvader van Tonnis Gerrits, de koster-schoolmeester van Rolde. Die blijkt zeer recent overleden, want zijn aangetrouwde familieleden geven aan

dat zij gem[elde] Tonnijs Gerrits gisterenavond seer laat in den avond dood gevonden hebben in de school tot Rolde en wel sodanig, dat hij in een swaarmoedigen geest op een tijd dat zijn verstand niet magtig is geweest zijn doot heeft veroorsaakt.”

De schoonvader en de zwagers van Gerrits zeggen het wat voorzichtig, maar de schoolmeester had zichzelf in de school opgehangen. Impliciet blijkt dat ze hem daar nog niet hebben weggehaald. Sterker nog, hij hangt er nog steeds. De mannelijke verwanten vragen de Etstoel immers om toestemming voor “de losmakingen, verkledinge en begravinge van hun doot gevonden swager en schoonzoon”. Dat spreekt allemaal niet vanzelf – in de achttiende eeuw wordt ook in Drenthe iemand die zelfmoord heeft gepleegd – zo dat ruchtbaar wordt – meestal onder de galg begraven.  Dit keer echter, strijkt de Etstoel met de hand over het hart: de familie mag de schoolmeester gewoon op het kerkhof van Rolde laten begraven.

Tonnis Gerrits was al 43, toen hij met Pinksteren 1773 Egbertien Eissinge trouwde. Op Tweede Kerstdag 1774  werd hun dochtertje Hendrike gedoopt. Waarschijnlijk stierf de moeder in het kraambed, want Tonnis was weduwnaar toen op late juni-avond levenloos in de school werd gevonden. Mogelijk droeg de dood van zijn vrouw bij aan een ernstige depressie?

De aangetrouwde verwanten van de schoolmeester maken enkele dagen na hun lugubere vondst als voogden over Tonnis’ dochtertje een eerste boedelinventaris op van Tonnis en zijn vrouws bezittingen. Die lijst is vrij uitgebreid – voor een schoolmeester bleek Tonnis redelijk welvarend. Zo had hij aardig wat vastgoed: een klein aandeel in de boermarke, wat bouwland op de Rolder es, enkele percelen hooiland en meerdere “goorden” of tuinen. Met de 291 gulden aan contanten in zijn kabinet kon Tonnis nog minstens een jaar vooruit, ook gezien de voorraden rogge (drie zakken) en boekweit. Hij bezat twee koeien voor de melk, een vaars en ongeveer 25 schapen. Ook hield hij bijen getuige de lege “ymenkorven”, de  “olde ijmendoeken”, het imkersgereedschap en de honing in zijn achterhuis.

Vrijwel elke dorpsschoolmeester was er destijds nog boer bij, meestal alleen op kosterijland, maar Tonnis boerde bovendien nog op zijn eigen grond. Hij was echter van nòg een markt thuis en trad ook op als landmeter, getuige zijn landmetersketting, astrolabium (voor het meten van hoeken) en verrekijker. Hij bezat zelfs “een kaart wegens de plantagie &c van Alkmaar”, die enkele decennia eerder in Suriname gesticht was door een collega-landmeter.

Hoewel de achttiende eeuw vaak wel als ‘Pruikentijd’ werd neergezet, is dat zeer onterecht: lang niet iedere man droeg een pruik, dat waren vooral de welgestelden. Tonnis Gerrits had er wel een. Met zijn schoolmeesterschap hadden te maken de inktkoker, wat schrijfboeken, twee schrijfborden en een aantekeningenboekje waarin hij zijn “schoolverdienst” noteerde: niet alle kinderen betaalden immers elke week hun stuiver schoolgeld, dat moest je goed bijhouden.

Met de kerkelijke kant van zijn functie – het koster- en voorzangerschap – hadden Tonnis’ beide (kerk)bijbels met zilveren haken van doen, evenals het Nieuwe Testament met daaraan toegevoegd de psalmen in de nieuwe berijming die nog maar een half jaar eerder, eind 1774, in Drenthe was ingevoerd. Dat testament zat in een los omslag “waaraan enig zilver” zat. Sowieso bevond zich vrij wat zilver in Tonnis’ boedel. Curieus is de “baartmannegies schelling” die getuige de tweede kleinere boedelinventaris voor het dochtertje bewaard bleef..

Tonnis bezat verder een kastje met helaas ongespecificeerde boeken. Getuige de tweede inventaris – die na een of meerdere boeldagen in maart 1776 van de resterende goederen opgemaakt werd – waren dit kleinere formaten “over de godgeleerdheid”, naast een landrecht van Drenthe. De schoolmeester van Rolde was dus vooral geïnteresseerd in theologie. Welke richting die belangstelling precies uitging is ook bekend. Van twee stichtelijke werken worden de auteurs en titels genoemd, mogelijk omdat het om wat grotere formaten ging, die wat luxer waren ingebonden. Het betreft:

Beide werken staan in de traditie van de Nadere Reformatie, waren razend populair in bevindelijk-gereformeerde kringen en zijn zelfs nu nog courant in de Nederlandse Bible-belt. Dat van Van der Kemp, meer voluit getiteld De Christen geheel en al het eygendom van Christus in leven en in sterven, vertoont in 53 predikatiën over de Heidelbergsche Catechismus, verscheen voor het eerst in 1717, maar kreeg in 1773 nog een achttiende druk.  Het besteedde extra veel aandacht aan God als oorzaak van het goede en de mens als oorzaak van het kwaad en stond uitgebreid stil bij de strafwaardigheid van de zonde.

De menselijke onmacht tot het goede – een calvinistisch dogma dat haaks staat op het optimistische vooruitgangsgeloof van de Verlichting – is nog sterker uitgebouwd door de Oldambtster predikant Wilhelmus Schortinghuis in diens minstens even populaire bestseller  ‘t Innige Christendom, die in 1740 voor het eerst verscheen en eveneens tientallen malen herdrukt is. Van Schortinghuis zijn de bekende ‘vijf nieten’: ik wil niet, ik kan niet, ik weet niet, ik heb niet en ik deug niet’. Op de spits gedreven leidt zo’n adagium tot volslagen passiviteit, of lijdelijkheid zoals men dat noemde.

Op mensen die toch al geneigd zijn tot depressiviteit kan een dergelijk pessimistisch geloof leiden tot versterking van het ziektebeeld. Naast het overlijden van zijn vrouw, heeft mogelijk ook een inktzwarte geloofsovertuiging bijgedragen tot de gemoedsgesteldheid van de schoolmeester te Rolde. Tonnis Gerrits moet hebben gemeend dat er geen redding meer voor hem mogelijk was. Overigens was de predikant van Rolde, ds. Grootholtman, eenzelfde geloof toegedaan. Met zulke kerkelijke ambtsdragers, gekozen door de eigenerfde boeren, behoorde Rolde tot de  bevindelijk-gereformeerde zône, die destijds nog door heel Nederland liep, van Zeeland tot Oost-Groningen.

Bronnen, behalve de gelinkte:

Drents Archief, Assen:

  • Tg 85 (Etstoel) inv.nr. 14, deel 60, folio 3v, 8 juni 1775;
  • Tg 102 (Schultengerechten) inv.nr. 220 deel 4 (Rolde, voogdij) 11 juni 1775 en 6 maart 1776 (scans 338-350).

De zilverschat uit het Boekweitenveen

In het voorjaar van 1775 vond de vierpaards- en daarmee ‘dikke’ boer Jacob Lantinge een aardewerken kan met “oud silverwark” in het Boekweitenveen bij Zwinderen, een buurtschap in Zuidoost-Drenthe. Met wat moeite wisten hij en wat omstanders enige namen te ontcijferen, die op het zilver “gesneden” waren: enerzijds ging het om die van een Grietje Everts, anderzijds om die van een Willemtje, Aaltje en Roelofje Deningen. Er liepen in de omgeving allang geruchten over een verborgen zilverschat. Meermalen was ernaar gezocht, maar tevergeefs. Een van de omstanders wist ook al meteen te vertellen, wie precies recht op de schat had.

Deze aangewezen rechthebbende, net als de vinder wonend in Zwinderen, was de tweepaardsboer Jan Nienhuis, ook wel Nijenhuis genoemd. Een half jaar later diende hij bij de Etstoel, de overkoepelende Drentse rechtbank, de klacht in dat Lanting hem de zilverschat onthield. Nienhuis wilde dat de Etstoel Lantinge zou veroordelen tot het aan hem afgeven van het zilverwerk “onder genietinge van een eerlijke recognitie voor het bergen en moeijte”.

Tot “erholding” van die eis voerde  Nienhuis aan, dat op het zilver de namen stonden van enige van zijn voorouders: Grietje Everts en Willemtje, Aaltje en Roelofje Deningen. Om dit te staven, had hij zich verdiept in zijn genealogie en leverde hij een retrograde afstammingslijst, die sterk doet denken aan de lijst zoals Ayaan Hirsi Ali die in mei 2006 opvoerde om haar precieze Somalische identiteit te bewijzen. Alleen ging Nienhuis wat minder ver terug – zijn lijst omvatte geen tien generaties zoals bij Hirsi Ali, maar slechts vijf, waar weer tegenover stond dat er bij de Drent naast voorvaders ook sprake was van voormoeders:

 Ouders Jan Nienhuis:Willem Nienhuis en Jantje Eeverts
1665-1674, BisschopstijdGrootouders:Geert Nienhuis en Grietje Everts
 Overgrootouders:Willemtje Nienhuis en Willem Jacobs Huising
1629 getrouwd:Betovergrootouders:Geert Nienhuis en Griete Everts
(Even na 1600)Betbetovergrootouders:Olde Jan Nienhuis en Willemtje Deninge

De op het zilver aangetroffen namen heb ik in dit lijstje vet gezet. We moeten ervoor terug tot de eerste helft van de zeventiende eeuw. Volgens Nienhuis, die blijkbaar al op leeftijd was, hadden zijn grootouders de steengoed kan met het (in elkaar gedrukte) familiezilver “in de zogenaamde bisschopstijd” begraven. Dat was een tijdsaanduiding die je ook in Groninger bronnen uit het begin van de achttiende eeuw tegenkomt, voor de periode dat de Münsterse bisschop Bernhard von Galen , alias Bommen Berend, twee maal Noordoost-Nederland aanviel en deels bezetttte: 1665-1666 en 1672-1674, oftewel 1665-1674. Nienhuis wist erbij te vertellen dat de man die de schat destijds had begraven, “ongelukkig omgekomen” was, zodat de plek onbekend was gebleven,  

ofschoon na dien tijd meermalen door de Boer van Gees en Zwinderen in het veen na dit silver was gesogt, ‘tgeen aan veele lieden door het verhaal hunner ouderen bekent soude zijn

Ook hadden Nienhuis’ ouders het er vaak over gehad en hun kinderen aangemoedigd om ernaar te zoeken. Toen Lanting het zilverwerk dan eindelijk aantrof, was er ook ogenblikkelijk een Hendrik Roelofs bijgekomen, die op het lezen van de naam Griete Everts direct oordeelde dat het zilverwerk aan Nienhuis toebehoorde, “welk oordeel insgelijks door anderen daarover was gevelt geworden”. Vinder Lanting had zich daarop nog bereid getoond het zilver “tegen een eerlijke recognitie”  aan Nienhuis te geven. Dat beloofde hij zelfs met zoveel woorden, maar hij had daarna geweigerd zijn woord te houden.

In de zitting van de Etstoel liet zich ook een Albert Dening van de Diphoorn (een gehucht bij Emmen) vinden. Dit verre familielid van Nienhuis liet noteren dat hij geen partij wilde zijn in dit proces. Zodoende hoefde hij niet mee te betalen, maar zag hij ook af van een aandeel in het zilver. Ongetwijfeld was dit in het voordeel van Nienhuis.

Uiteraard was de vinder van de schat, Jacob Lantinge dus, het niet eens met eis van Nienhuis, anders had het niet eens tot een proces hoeven komen. Hij vond Nienhuis’ aanspraken op de schat zwak gefundeerd. Proces voeren op basis van zo’n afstammings- en rechtsopvolgingslijstje vanaf de betbetovergrootmoeder achtte hij  “tegen alle ordre en geregelde regtsplegen”. Dat de naam van Griete Everts op het zilverwerk stond, wilde nog niet zeggen dat de Griete ten tijde van het begraven ook eigenaar van die stukken was. Deze konden intussen best wel aan een ander zijn gegeven of verkocht. Ook was volgens de schatvinder niet gebleken dat  Aaltje en Roelofje Deninge voorouders of familie van Nienhuis waren geweest. Het zilver met hun namen was “van een veel later fatsoen” dan dat van Willemtje Deninge, dus van een latere mode of stijlperiode. Het zou best eens zo kunnen zijn geweest, aldus Lantinge, dat meerdere families gezamenlijk hun zilver in die aardewerken kan hadden gedaan, “om hetselve voor de vijanden te verbergen”.

Lanting (en/of zijn advocaat) was er dus vooral op uit om twijfel te zaaien. Ook hij had genealogisch onderzoek gedaan, waaruit naar voren was gekomen dat Nienhuis’ betovergrootmoeder Griete Everts vijf kinderen had. Nienhuis zou dus “in allen gevalle” moeten aantonen dat hij nog haar enig overgebleven nazaat was, die dan ook als enige recht kon laten gelden op de stukken waarop haar naam en die van Willemtien Deninge stonden. Dan nog kon Nienhuis geen aanspraak maken op het zilver met andere, of helemaal zonder namen, ook omdat het zilver niet in zijn eigen,

maar in gemene boeregrond gevonden was, en dat deze grondeijgenaren ook sustineren dat haar dit zilverwerk, althans een gedeelte daarvan niet kan worden geweijgert, overmits het neer dan 30 jaren in haar grond hadde gezeten, en dus als een accessoir van deselve moeste gehouden worden”.

Op de achtergrond was er dus ook een claim op het zilver door de boermarke van Zwinderen, het boerencollectief dat een groot deel van de woeste gronden in het dorpsgebied bezat en beheerde. het Boekweitenveen incluis. Als grote boer had Lanting daar zonder meer een flink aandeel in, al zou hij de buit dan moeten delen. Tot slot zette Lanting een historisch-kritisch vraagteken bij de verhalen die Nienhuis te berde bracht:

dat een overlevering die veeltijds fabuleus word bevonden, zo min als losse gissingen de plaats van valable preuven vervangen of tot een rigtsnoer van decisie verstrekken kan

Als eisende partij zette Nienhuis hier eerst een formeel argument tegenover. Hij vond dat Lantinge zijn bezwaren al had moeten inbrengen op de goorspraak, de periodieke bijeenkomst voor het aankaarten van allerlei juridische kwesties op dorpsniveau. Nienhuis had zijn zaakjes goed voor elkaar en kon aan de hand van  afkoopbrieven en andere notariële akten bewijzen dat hij “de eenigste erfgenaam” van Griete Everts en Willemtje Dening was. Aan de waarheid van ”het algemeen erfgerugte” kon volgens hem bovendien niet worden getwijfeld. Lang voor het terugvinden hadden Nienhuis’ ouders en grootouders meermalen verteld over de vermiste schat en daarbij zelfs de vorm van de kan beschreven waarin het zilver verstopt zat, “ ‘tgeen alle twijfeling behoorde weg te nemen”.

Zoals gebruikelijk in moeilijke zaken benoemde de Etstoel eerst een commissie om beide partijen te horen en zo mogelijk het geschil bij te leggen. Deze commissie bestond uit twee etten van het dingspil Zuiderveld en de beroemde ontvanger en geleerde Van Lier. Zij bracht al na een dag rapport uit in de plenaire Etstoel. “Bij manquement van minlijk vergelijk” wees de Etstoel daarop vonnis in de zaak. Lantinge moest als vinder Nienhuis het zilver geven, maar Nienhuis diende de helft van de waarde daarvan aan Lanting uit te betalen. Ook moest hij Lanting vrijwaren voor eventuele aanspraken op het zilver door derden (zoals de boermarke als grondeigenaar). Beide partijen samen betaalden de kosten van het geding.

Bronnen:

Drents Archief, Tg. 0085 (archief Etstoel) inv.nr. 14. deel 60. folio 87-89 (scans 173-177 ) lotting 28 november 1775, zitting 20 december 1775; folio 91 (scan 181) tussenvonnis 21 december 1775; folio 92 (scan 183) de uitspraak van 21 december 1775.


Rondje Ter Heijl

Narcissen op slootwal, Hoogkerk:

Schuur in Foxwolde:

Die ree blijkt openbare weg:

Opeens twee ooievaarsnesten in Ter Heijl – de pas toegevoegde is nog onbewoond:

Bij het Baggelveld, Ter Heijl:

Twee scholeksters in zo’n vijvertje dat als kunstwerk moet herinneren aan het Leekster Hoofddiep in Leek:

Een verdween al snel uit beeld, de ander bleef lekker poseren::

Boerenerf bij de A7:


Rondje Peize – Roderwolde

De Onlander Cascade werkt weer:

Oostkant Peize:

Bosanemonen galore:

De drie Gezusters, Achterstewold Peize:

Er zit altijd een wat meer ondernemend type bij:

Verkrottende boerderij, westkant Sandebuur:

Verzameling kabelspoelen, Westpoort:


Rondje Eenrum – Menkeweer


Brouwerijvoorraden leveren kluinrecept op

Als op 10 oktober 1722 de Groninger brouwer, olderman der brouwers en hopman van de Groninger burgerwacht Gerlof van Suirenhuisen overlijdt, laat hij onder meer zijn brouwerij met ketels en kuipen in de Brugstraat zuidzijde na. Eerst wordt dit bedrijf voortgezet door zijn tweede vrouw, de uit Utrecht afkomstige Agnes Gaillard (of Galjaard). De weduwe krijgt het er nog druk mee, want getuige de aandelen in huizen en panden en diverse schuldbrieven leverde de brouwerij kluinbier aan herbergen en tapperijen in onder meer Vierverlaten, Enumatil, Leek, Tolbert en Marum, dus in het gehele Vredewold, maar ook in de stad en in Baflo. Mogelijk dat een kortingsregeling in de vorm van “geschenken” of “vereeringen” de afzet van de brouwerij vergrootte. Zo’n regeling wordt namelijk een paar keer genoemd in de zeer uitgebreide boedelinventaris, die er van Gerlofs van Suirenhuisens nalatenschap opgemaakt is.

Onder meer bevat deze boedelinventaris twee voorraadstaatjes van kluin in de kelder en ingrediënten op zolder. Het oudste staatje, dat evenwel later in het stuk verschijnt, dateert waarschijnlijk van 28 januari 1723:

Terwijl het jongste staatje op 30 maart 1724 is opgemaakt:

In het ene geval lagen er 15 tonnen kluin (à 155) liter in de kelder aan de Brugstraat, terwijl het ruim een jaar later 19 tonnen waren. Van lichter stuiversbier is geen sprake. Ook zijn de mout- en hopvoorraden in tweede instantie veel groter. Het zijn maar momentopnamen, natuurlijk – hooguit zou je met een slag om de arm kunnen zeggen dat de zaak er onder het bestier van de weduwe Van Suirenhuisen-Gaillard niet op achteruit ging. Ook uit de gezolderde ingrediënten kan je eigenlijk geen ontwikkeling opmaken. Het gaat me dan ook niet om de verschillen tussen beide staatjes, maar om een overeenkomst:

JaarHopGerstemoltHavermoltMolt beidePerc. haver
17231,5 mud414,5 mud26,5 mud441 mud6,0 %
172416 mud630 mud61 mud691 mud8,8 %

Zoals we weten, ging er een flinke dot haver in de kluin, dat roemruchte want uiterst lekkere Groninger bier, maar is onbekend hoeveel haver dat was in verhouding tot de gerst. Bij beide voorraadopnames in de brouwerij aan de Brugstraat was de hoeveelheid havermolt echter minder dan 10 % van alle mout samen (zie laatste kolom), veel minder dan de 40 % die wel eens genoemd wordt. Op basis van deze cijfers zou je zeggen dat je als kluinbrouwer met één deel havermolt op negen of tien delen gerstemolt al aan de ruime kant zit. Vanaf die verhouding zou je de hoeveelheid haver in je kluin wellicht nog wat omlaag kunnen brengen voor de juiste historische smaaksensatie.

Uiteraard gaat het maar om één enkele brouwerij, maar met de voorraadstaatjes van andere brouwers uit het archief van de Weeskamer is de receptuur wellicht nog wat te verfijnen.

Bron: Groninger Archieven, Tg. 1462 (archief Weeskamer) inv.nr. 14 (boedelinventarissen) 1724-22a (scans 527 e.v., met name 561 (1724) en 585 (1723).


De barre grond van Roden

Notitie uit 1745 van de beëdigde landmeter W. Atlas uit Roden, dat het bouwland in Roden, Leutingewolde en Steenbergen niet altijd als volwaardig te beschouwen viel, omdat veel akkers maar een jaar of drie bebouwing verdroegen. Na die drie jaren moesten ze een jaar of vijf braak liggen en kon er hooguit wat vee worden geweid. Na afloop van deze cyclus was het land soms na twee jaar alweer met heide begroeid. Daarom diende er volgens hem ook een kortingsregeling te komen bij de heffing van de grondschatting.

De notitie zegt alles over het mesttekort, destijds, toen er nog geen kunstmest was, laat staan een stikstofprobleem.

Bron: Drents Archief, Toegang 1, inv.nr. 858.23 folio (en scan) 50.