Een enigszins vreemde lucht

DSC05612

DSC05613

DSC05614

DSC05617


Een onwaarachtige overval in het Kloosterholt

Als je van Eexta (lionksboven) naar Winschoten (rechtsonder) langs het Winschoterdiep ging, kwam je langs het Kloosterholt, een vrij groot bos.

Als je van Eexta (linksboven) naar Winschoten (rechtsonder) langs het Winschoterdiep ging, kwam je langs het Kloosterholt, een vrij groot bos.

Dit zaakje diende op 10 december 1753 in een civiele zitting van de Oldambtster drost in de rechtstoel Midwolda. Landschrijver Gockinga eiste er uit hoofde van zijn aanklagersambt dat Albert Geerts Timmerman, wonend in de Eexta, “arbitraire soude worden gecorrigeert” omdat hij anderhalve maand eerder een valse aangifte had gedaan bij het Oldambtster gerecht,

“zeggende dat hij in ’t Kloosterholt door twee personen zoude zijn aangetast en met de pistool op de borst gedwongen zijn gelt over te geven, daar nogthans alles verdigt en onwaaragtig was bevonden.”

De landschrijver had het allemaal terdege onderzocht en de gedaagde gaf het feit grif toe, zodat vlug tot een schikking kon worden overgegaan. Helaas is onbekend hoe hoog de boete was, we krijgen alleen te horen dat de landschrijver het bedrag gerechtelijk mocht invorderen.

Je zou veel meer willen weten, met name over het motief van Timmerman om die overval te verzinnen. Waarschijnlijk wilde hij ermee verdoezelen dat hij door eigen schuld geld kwijt was geraakt. Door goklust? Ook dat is een gok.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (drost Oldambt) inv.nr. 9: civiele rechtdagen rechtstoel Midwolda.


Opschrift in de molen Joeswerd, Feerwerd

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

“Drie dingen die verwond’ren elk
Een zwarte koe geeft witte melk
De zoute zee geeft versche visch
En dat een zoete meid zout water pist.”

Bron: Zelfzwichter nr. 6, nov. 1976.

Overigens is dit staaltje volkspoëzie ook in molen De Liefde te Uithuizen te vinden.


Milieudienst is onnodig en gevaarlijk parkeren onder Stadsbalkon nog niet afgeleerd

DSC05424

Sinds ik in 2011 naar de westkant van de gemeente Groningen verhuisd ben, fiets ik ‘s morgens bijna nooit meer onder het Stadsbalkon door. Vanochtend kwam het er weer een keer van, want ik moest pinnen aan de andere kant van het station. Het was om een uur of half negen en de gemeentelijke Milieudienst bleek het inladen van fietsen tijdens de ochtendspits nog niet te zijn afgeleerd. Heen zat er niemand in die wagen, terug evenmin. Kennelijk waren ze ook nu weer rustig aan het koffieleuten, terwijl ze hun kar daar gevaarlijk op het fietspad lieten staan.


Boerenmeid in zak gestopt, belandt in het diep

Naderhand kon Habbo Sybolts (Hovinga) zich wel voor de kop slaan. Eind 1751 had deze boer uit Nieuwolda bij hem thuis een weddenschap met zijn twee inwonende knechten afgesloten. Volgens hem paste Aaltjen Pieters, zijn dienstmeid, “niet in de sak”. Zijn beide knechten dachten van wel. Ze pakten Aaltjen bij haar lurven, en stopten haar in de bedoelde zak, die ze dichtbonden. Kennelijk was de lol er toen nog niet af, en wilden ze haar nog meer schrik aanjagen. Ze legden haar in een looike, een dichte slee, die de ene knecht de deur uit en de andere knecht naar het diep toe mende. Een looike is een vrij robuuste bak, op vlak terrein slaat die heus niet zo snel om. Maar in dit geval werd de slee op de schuine diepswal gebracht. Daar kapseisde hij, zodat de nog steeds in de zak zittende Aaltjen in het diep raakte, waar ze met “groot gevaar” uit werd gered.

Het verhaal kwam landschrijver Gockinga ter ore, die de zaak onderzocht, voor het gerecht bracht en “arbitraire correctie” tegen Habbo Sybolts eiste. Ten eerste had Habbo met het aangaan van de weddenschap aanleiding gegeven tot het hele gebeuren. Bovendien verzaakte hij zijn zorgplicht als werkgever jegens Aaltjen, doordat hij niet had gemaakt dat ze meteen weer uit die zak vrijkwam. Had hij een appeltje met haar te schillen, misschien? Aaltjen was in elk geval niet meer bij hem werkzaam.

In de zitting van het Oldambtster gerecht, op 21 februari 1752, gaf Habbo de feiten toe. Hij vroeg de drost om de boete in een gezamenlijke commissie vast te stellen. Wel wilde hij graag dat het gerecht hem niet verantwoordelijk zou houden voor datgene wat er buiten zijn medeweten en buiten zijn huis was voorgevallen.

Een paar dagen later al, vond de commissie plaats. De drost stelde de boete vast op tien daalder (ƒ 15,-). Viel dat nog mee, daarnaast moest de boer de gerechtskosten betalen. Maar ook daarbij zou de drost niet het volle pond gaan rekenen.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (archief drost Oldambt) inv.nr. 78 (uitspraken in commissie).


Kwestie om een grafpaal

Consternatie in de Beerta, anno 1752. Jan Andries had een paal laten zetten op een legerstede (grafplaats) die zich bevond op het plaatselijke kerkhof. Twee andere boeren, Melchert Berents en Hindrik Hindericus, hadden dit grafmonument weer verwijderd. Jan mocht dan wel denken dat die legerstede van hem was, zij meenden dat ze toebehoorde aan hun kant van de familieclan. En omdat ze er samen niet uitkwamen, stapte Jan naar de Oldambtster drost.

Jan baseerde zich op een akte uit 1740, toen hij Wypke Cornelis de weduwe van Jacob Jans trouwde. In ruil voor een afkoopsom aan hun kinderen, nam hij toen de hele boedel van Wypke en haar overleden man over. Die eerste man van Wypke, Jacob Jans dus, was in 1729 ook in die legerstede begraven, evenzo Wypke en bovendien enige kinderen van Wypke en hemzelf, zonder dat iemand daar bezwaar tegen maakte. Daarom meende Jan ook “te regte een pale geset te hebben”.

Melchert Berents en Hindrik Hindericus voerden daartegen aan dat Jans afkoopbrief van 1740 niets zei over de legerstede. In die akte mocht dan wel het goed overgedragen zijn van Wypke Cornelis en haar eerste man, maar Wypke was de tweede vrouw van Jacob Jans, en de afkoop raakte niet de nalatenschap van diens eerste vrouw Bouwina Huninga, waarvan Melchert en zijn kompaan Hindrik de schoonzonen waren. Van Bouwina kwam die legerstede. Bouwina had haar nooit van de hand gedaan, integendeel, twee jaar nadat haar goederen op hun vrouwen waren vererfd, hadden zij hun stiefvader Jacob Jans nog het geld teruggegeven, dat hij voor de verhoging van die legerstede betaald had.

Melchert en Hindrik wilden wel bekennen dat Jan “door toelatinge” gebruik van de legerstede had gemaakt, maar dat gaf hem nog geen recht van eigendom. Melchert had twee jaar geleden zijn kind ook in deze legerstede laten begraven. Hij en Hindrik konden wel “gedogen” dat Jan en zijn kinderen daar “des verzogts” begraven mochten worden, maar dat moest dan wel gebeuren op aanwijzing van hen.

Partijen hadden duidelijk geen zin om de kwestie nog hoger op te laten lopen en ze verzochten de drost om tot een uitspraak te komen. De drost bestudeerde de stukken en kwam op 30 januari 1753 met zijn conclusie. Hij wees de legerstede toe aan Melchert Berents en Hindrik Hindericus. Jan Andries had er volgens hem geen recht op.

Nu hoorde  bij elke heerd een legerstede en Jan was bang dat de kerkvoogden hem (bijv. bij verhoging van het kerkhof) nog (financieel) zouden kunnen aanspreken op deze kwestieuze legerstede. Daarom stelde de drost ook nog even vast, dat hiervan in het vervolg geen sprake kon zijn.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (drost Oldambt) inv.nr. 78 (prothocol van uitspraken).


De Winschoter nachtwacht

Op 6 november 1770 geven de gezamenlijke kluftmeesters van Winschoten bij de Oldambtster drost te kennen, hoe zij,

“overwegende de dieverijen welke aldaar van tijd tot tijd, voornamentlijk in de winter gepleegt zijn en vrezende dat de hoge prijs van allerleij eetwaren welke onvermijdelijk een nijpende armoede met zig sleept, de genoemde wanhopige middelen zullen vermeerderen, nodig geoordeelt hebben om een nagtwagt aan te stellen.”

Dit besluit was genomen na een overleg met de afgevaardigden van de verschillende gilden (buurten). In dit overleg waren ook financiering en andere zaken geregeld. Maar omdat de nieuwe nachtwachten zonder rugdekking van de drost geen verdachte personen konden aanhouden en ondervragen, of andere “maatregels” konden nemen “om an het heilsame oogmerk te kunnen voldoen”, vroegen de kluftmeesters de drost om de aanstelling van deze “ratelwagt” goed te keuren en om de wachters bovendien de genoemde bevoegdheden toe te kennen.

Een week later was de drost er wel uit. De kluftmeesters kregen toestemming voor een “provisionele” (tijdelijke) aanstelling van wachters, op voorwaarde dat ze ervoor zouden zorgen “dat door die wagters gene excessen werden begaan”. Mochten de wachters iemand in verzekerde bewaring stellen, dan moesten ze dat ook meteen doorgeven aan de plaatselijke wedman.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (drost Oldambt) inv.nr. 6122 (rekesten met apostilles).


Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 814 andere volgers