Kledingbranche in Groninger binnenstad dankt omzetdaling deels aan zichzelf

Was vanmorgen om 9.00 uur in de binnenstad om een nieuw jasje te kopen. Ben in totaal vier winkels afgegaan, groot en klein, in de Herestraat en in de Ebbingestraat, zaken waar ik anders ook wel kwam. Ik was er zo vroeg, omdat ik geen zin had om tussen de coronaverspreiders en onverschillige zultkoppen door te moeten laveren. Vooral nu niet, nu we sprintend naar een tweede golf gaan.

Helaas: geen enkele winkel bleek open. Ze maakten allemaal pas om 10.00 uur de deuren los. Kennelijk mogen alle klanten van de Groninger kledingwinkels Russische roulette spelen.

De laatste tijd hoor je die branche, vooral ook hier in Groningen, steen en been klagen. Gedwongen thuisblijvers voelen nu eenmaal minder de drang om netjes voor de dag te komen, ze stellen hun aankopen uit tot betere tijden of melden zich bij de een of andere webwinkel. Dat is iets waar ik me tot nu toe verre van heb gehouden, maar waar ik nu toch aan ga denken. De kledingwinkels in Groningen zijn mij in ieder geval kwijt als klant.


Rondje Leutingewolde, de Zandhoogte, Enumatil

Leutingewolde:


Op de es daar:

De Zandhoogte:

Traansterwijk:

Kraampje op de Pasop:

Aan de Osseweidekant van de Pasop:

De hond van tante Til te Enumatil heeft een fraai hok met meerdere etages en kijkt desondanks een beetje droevig uit de ogen:

Misschien kwam het door de lucht van de asfalteringswerkzaamheden even verderop bij de brug:


Zondagmiddagrondje Eiteweert – Gaaikemadijk

Stier op de Peizerdiepdijk bij Eiteweert met op de achtergrond het afgeschafte benzinegemaal van de Hamersweg:

Rode blaarkoppen op de dijk van het Aduarderdiep bij de Tichelwerkbrug:

Gaaikemadijk met populierenlaan:

Peloton passeert Steentilbrug. De grote groepen wielrenners zijn weer helemaal terug. Straks is het janken als blijkt dat besmetting in de buitenlucht wel degelijk mogelijk is:

Landschap Gaaiemadijk:

Roeiers van middelbare leeftijd wachtend voor de Dorkwerdersluis:

Terwijl ik fietsend naderde, bleef een reiger ijskoud midden op de Paddepoelsterweg staan. Net toen de camera klaar was, vloog hij op:

Bij de Eendrachtskade:


Rondje Gasselternijveen

Gezicht op de Stad vanaf Peizermade:

Kom zelden zo vroeg in de Onlanden:

De zilverreigers zijn er weer. Gister zag ik er ook al een paar bij de Oostwolmerdraai:

De eerste keer dat ik de schuur van Winde in de volle ochtendzon zie; ’s middags zit de zon achter het bouwwerk, dat oogt dan op foto’s vaak wat minder:

Het zou eigenlijk een Monumentendagrondje worden, langs een handvol Noord-Drentse kerken. Meteen de eerste kerk, die van Vries, bleek gesloten, hoewel die om 10 uur open zou zijn. Eerst dus maar een rondje om de kerk gemaakt. Het schip, van tufsteen, is typisch romaans:

Op het kerkhof staat een klok, fabricaat A.H. Van Bergen, Heiligerlee:

Het café aan de overkant nog even bekeken – verleidelijke veranda:

Doorkijkje langs het café:

Na twintig minuten wachten was ik het beu en ben ik maar weer op de fiets gestapt. Via Tynaarlo naar Zeegse, waar ze iets artistieks-feestelijks hadden verzonnen onder het motto: ‘Zeegse ziet ’t zitten’:

Dorpsgezicht Anloo:

De Magnuskerk aldaar, waar de monumentendagvlag, in tegenstelling tot Vries, wel uithing:

De nog niet zo lang geleden gerestaureerde grafkelder:

Op het terras van van de Koningsherberg was een wespenmassacre gaande. Terwijl er aan de oppervlakte nog gestreden werd tegen het noodlot, lieten de ondersten de kopjes hangen:

Tolhuis aan de Annerweg:

Eext – café Homan. Rechts zal de oorspronkelijke boerenherberg uit ca. 1870-1880, links is de zaaltoegang van 1920-1930. Eigenlijk jammer ft het woord Hotel weggewit is, dat trekt de boel typografisch uit zijn voegen, al is het natuurlijk wel begrijpelijk dat een latere eigenaar dit deed:

Bijenstalletje met flinke voorraad. Angst voor diefstal? Sowieso hebben veel minder mensen nog contant geld bij zich en bij deze uitbater zal je vast niet kunnen pinnen:

In de buurt van Gieten of Gasselte:

De gepavoiseerde molen van Gasselternijveen bij de Oostermoersche Vaart (of gekanaliseerde Hunze):

Windwijzer met elegant paard, ook in Gasselternijveen, meen ik:

Naar het noordwesten is een wegberm over honderden meters beplant met steenperenbomen:

Gieter- of Bonnerveen – fraaie, maar helaas aftakelende veenboerderij:

Via Wildervank naar Kielwindeweer. De vorige keer was dit enorme dak nog niet volledig belegd, nu zijn er twee hupse eenhoorns zichtbaar:

Dorpsgezicht ter hoogte van het fietspad naar Nieuwe Compagnie:

Alerte Hooglander in de Kropswolderbuitenpolder:

Al met al ruim 101 kilometer gereden. Dat is een poos geleden dat ik dat voor het laatst deed.


Rondje Leutingewolde – Den Horn

Jonge stier bij de Langmadijk, Peizermade:

De laatste voorbereidingen voor Open Monumentendag bij de molen van Roderwolde:

Haarveen, beginnende herfst:

De Rodervaart met plakken waternavel:

Weggetje in Leutingewolde:

Bruiloft op Nienoord:

Tussen Oostwolmerdraai en Den Horn – kwekken over het hek:

Ooievaars in de rui bij Den Horn – deze gaan niet meer naar het zuiden:


Drentse elite deed niets tegen omvolking

In 1753 dienden zich drie mannen aan in de Drentse Landdag. Ze betoogden er

dat jaarlijks op het uitterste van dese en geene bourmarkten in dese Landschap wierden geset veele uitlandsche korven met bijen

Volgens hen zou dit ook juist gebeuren in de grenszones van boermarken (dorpsgebieden) waar “weinig of geen gewin voor de bijen was te bekomen”, zodat die vreemde bijen in aangrenzende marken “haar gewin uit de bloeij van heijde en boekweijte quamen te halen”, wat weer zeer nadelig was voor de bijenhouders in die marken,

temeer omdat bekent was de inlandsche bijen niet konden aarden bij de uitheemschen, maar door deselve verdreven zouden worden.

Ter bescherming van de eigen bijen vroegen de drie mannen het landschapsbestuur dus om de instelling van een verbod op het plaatsen van vreemde bijenkorven vlakbij markegrenzen, Dat zou bijvoorbeeld kunnen in een zone van 100 roe (ruim 400 meter, HP) of zoveel meer of minder als de Landdag maar goedvond.

De Landdag zag niets in het voorstel en wees het kortweg van de hand.

De drie mannen zullen vast teleurgesteld zijn geweest. Twee jaar later probeerden drie anderen het opnieuw met het verhaal

dat dikwijls in deze Landschap door uitheemschen veele korven met bijen wierden geset op het uitterste van dese en geene markten, welke markten na proportie dat er bijen geset wierden niet groot waren en dus de ingesetenen van de naburige markten daardoor veel nadeel toegevoegd zouden worden…

Zoiets gaf natuurlijk ruzie, en om dat te voorkomen, vroegen ook deze mannen om een van vreemde bijen vrije zone langs de markegrenzen. Een breedte gaven ze nu wijselijk niet meer op, maar de maatregel was in hun ogen beslist nodig,

opdat een ieder de voordelen in zijn markte vallende mogte genieten.

Helaas voor de rekestranten, ook dit keer zagen Ridderschap en Eigenerfden er niets in. De Drentse bestuurders bleven even afwijzend als bij het eerste verzoek.

In beide gevallen ging het bij de rekestranten waarschijnlijk om bijenhouders of imkers die een veel grotere groep vakgenoten uit hun streek vertegenwoordigden. Bij het eerste rekest betrof het Meindert Lankhorst van Odoorn, Hendrik Mantinge van Westdorp en Hendrik Meijeringe van Tynaarlo, en bij het tweede Arent Garminge uit Westdorp, Wigbolt Lamberts en G. van der Veen, welke beide laatsten “eigenerfden in de Landschap” werden genoemd – waarschijnlijk waren zij afkomstig uit Beilen en Rolde/Assen. Daarmee vertegenwoordigden beide groepjes samen vijf van de zes Drentse dingspillen, alleen uit de zuidwesthoek van Drenthe, het Dieverderdingspil, kwam niemand op voor deze zaak.

Alle genoemde dorpen  lagen overigens in een zee van heide; boekweit moet er ook meer dan genoeg voorhanden zijn geweest. Inderdaad komt het voor dat allochtone, sterkere bijenvolken minder sterke inheemse volken afmaken, maar voor de rest doet de argumentatie van de Drentse imkers vrij gezocht aan. Beide rekesten waren eigenlijk bedoeld om concurrentie te weren, op plekken waar er genoeg voor iedereen was.

Dat zal de reden voor de beide afwijzingen zijn geweest, maar de voorgestelde maatregel viel ook nauwelijks te handhaven. Want hoe haalde je in het buitengebied de korven uit elkaar zonder een tijdvretend controlesysteem op te tuigen? Waarschijnlijk moesten de grondbazen aangifte doen wie er van hen plek voor bijenkorven huurde, maar wat als die grondeigenaren dat weigerden? Om nog maar te zwijgen over alle bijkomende kwesties die zich konden voordoen. Nee, daar zagen Ridderschap & Eigenerfden geen heil in. De imkers moesten maar met die concurrentie leren leven.

Bron:

Drents Archief. Toegang 1 (Oude Staten Archieven) inv.nr. 6.12 (besluiten Landdag oftewel Ridderschap en Eigenerfden), fol. 105 vso-106 vso en 184-184 vso, s.s. 20 maart 1753 art. 36 en 18 maart 1755 art 52.


Rondje Peize

Bij Roderwolde:

Haarveen/Foxwolde:

Koeienpad op de Weehorst bij het Lieverensediepje:

Springbalsemien:

Vrolijk paard – gefiguurzaagd ornament in het buitengebied van Peize:

Uitzicht vanaf het Achterstewold:

Biggen op de hoek van het Achterstewold – die ene moet een ontgrondingsvergunning:

Hun moeder, ook goed bezig:


Stadspromotie uit het Interbellum

Bij mijn zoektocht van de week naar een affiche van Schlette kwam ik ook langs diverse VVV-affiches uit het Interbellum.

De Martinitoren vormde kennelijk een onontkoombaar icoon. Vooroorlogs stadsgezicht met aan de voet van de toren onder andere de Toelast en de Hoofdwacht. De drukker was N. Hindriks & Zoon, een bedrijf dat van  1909 rot 1937 bestond, maar vooral in de jaren 1910-1915 aan de weg timmerde met wandplaten, stadsplattegronden enz.:

Een enorm evenement was in 1930 de historische verkeersoptocht, georganiseerd door een andere VVV, namelijk de Vereeniging voor Volksvermaken:

Een handvol jaren later was er een beurs in de Harmonie aan de Oude Kijk in ’t Jatstraat. Het bedrijfsleven zette Groningen in zonnegloed, maar of iedereen zo’n architectonisch ensemble in het echt kon waarderen?:

Wie Groningen niet kent, kent Nederland niet‘ was een VVV-campagne die maar liefst twintig jaar heeft gelopen, vanaf 1933. Veel geholpen heeft het niet, maar dit experimentele, scheve affiche zal vast wel spraakmakend geweest zijn:


Spinnewebbenseizoen

En hierbij verklaren wij het spinnewebbenseizoen officieel voor geopend. Was er helaas net iets te laat bij.


Bioscoopaffiche, gedrukt door H.N. Werkman

Op zoek naar een bekend affiche van de graficus en valsemunter Schlette, over wie het komende Historisch Jaarboek Groningen een mooi artikel van Alina en Margriet Dijk bevat, kwam ik langs dit bioscoopaffiche, met een programma dat liep van 23 tot 26 september. Maar van welk jaar, is dan natuurlijk de vraag.

Het bleek 1910. Het Bioscope Theater aan de Guldenstraat bestond van 1908 tot 1912. E. Wulff was er tussen september 1910 en mei 1911 de directeur van. en exact hetzelfde programma stond op 24 september 1910 als advertentie in het Nieuwsblad van het Noorden:

Vertoond werden een actueel beeldverslag, wat korte speelfilms, zowaar een vroege kleurenfilm van Italiaanse makelij (De Tyran van Jeruzalem) en een doumentaire over de destijds inderdaad indrukwekkende Italiaanse artillerie. Zo’n programma duurde misschien een uur en revolveerde ettelijke keren per dag: je kon er op elk gewenst moment binnenstappen. Zo werkte de Luxor aan de Herestraat midden jaren 60 nog steeds, tenminste overdag, zo herinner ik me van mijn allereerste bibliotheekbezoek (nog onder begeleiding).

Om op dat affiche terug te komen, het werd gedrukt door Hendrik Nicolaas Werkman, die indertijd zijn drukkerij nog had op het adres Peperstraat 5.

Werkman kennen we nu door zijn kunst, maar daarmee begon hij toen hij een poos weinig of geen opdrachten voor handelsdrukwerk had en noodgedwongen duimen zat te draaien.

Aansprekend aan het bioscoopaffiche is vooral de figuur van de soldaat achter de schutting. Die staat wel heel ver weg van Werkmans latere beeldtaal. Maar waarschijnlijk heeft Werkman juist dit kleurige deel van het affiche niet gedrukt, en betreft het een passepartout,  waarvan de bioscoop afgepaste stapels aanleverde, en waaraan Werkman slechts het actuele programma hoefde toe te voegen:


Mupi


(Hoornsediep nabij de IJsselstraat.)


Fairport Convention – Sailor’s Alphabet

De beste shanty ooit, jarenlang een stukje afwasmuziek van me:


Groningen als drankzuchtigste provincie

In 1881 hoorde Groningen al tot de top 3 van Nederlandse provincies qua alcoholgebruik. Alleen in Noord- en Zuid-Holland was het de hoeveelheid genuttigde drank per hoofd van de bevolking groter. In 1891 en 1899 echter, nam Groningen de toppositie over. En dat ondanks de veldwinnende geheelonthouding. Het drankgebruik verminderde hier wel, maar in Friesland en Noord-Holland liep het bijna dubbel zo hard achteruit.

Het tabelletje trof ik aan in een brochure Drenthe.en de jenever (1914).

 


Prinsenvreugde vergt vuurwerkslachtoffer

Dat niet iedereen altijd even gelukkig was met stadhouderlijke festiviteiten, heb ik hier wel eens verteld: in 1773 daverden de kanonnen op de Groninger stadswallen zodanig, dat de woning van een bejaard echtpaar buiten de Apoort forse schade opliep.

Van zo’n geval hoor je zelden in de vreugdegalmen en andere pamfletten, die zulke festiviteiten immer in juichtonen beschrijven. Zo raakte ik ook alleen via een Drentse omweg op de hoogte van een soortgelijk geval dat zich op 15 september 1729 in de stad Groningen voordeed.

Die dag was er een om nooit te vergeten voor Jacob Brandts (ook wel Brants of Brans), de koetsier van de heer De Hertoghe van Feringa. De Hertoghe was een aanzienlijk en machtig potentaat in Groningerland, en diens karos was dan ook de derde in een optocht van karossen, die zijn opwachting kwam maken bij het inhalen van prins Willem IV. De prins zou op die dag meerderjarig worden verklaard en werd daarmee tevens ingehuldigd als stadhouder van Groningen en Drenthe. De Hertoghes koets stond als derde van voren in de rij! En als koetsier deelde Jacob Brants in die eer van zijn baas. Hij zat dicht op het vuur!

Te dicht, zoals bleek. Want die avond, toen Jacob met duizenden andere mensen toekeek hoe een groots magnifiek vuurwerk “ter eeren van zijn Doorlugtige Hoogheijt” werd aangestoken, gebeurde er iets verschrikkelijks. Door onvoorzichtigheid van wat helpers bij het vuurwerk raakte er een kist met vuurpijlen en soortgelijk spul in brand. En Jacob trof het ongeluk

van door een pijl in zijn linker been zodanig gewondt te worden, dat zijn beide scheenbotten van de knie af tot middelweegs het been aan gruis waren geslagen en vermorzelt, zodat als doodt ter aarden was gevallen…

Wel een jaar lang had hij “onder doctoren en meesters handen” op bed gelegen. Maar de artsen en chirurgijns hadden weinig voor hem kunnen doen. Op dat been van hem zou hij nooit meer kunnen gaan of staan, en zijn broodheer had hem daarom zijn congé gegeven. En dat terwijl Jacob, afgezien van zijn koetsiersloontje, totaal geen andere middelen van bestaan had.

De gewezen koetsier kreeg op zijn verzoek wel wat geld los bij de Staten van Stad & Lande, maar dat was te veel om van te sterven en te weinig om van te leven. Er was echter nog een lichtpuntje voor Jacov: de inhuldiging van de prins als stadhouder gold immers ook voor de Landschap Drenthe en daardoor kwam Jacob op het idee om ook bij Ridderschap en Eigenerfden te verzoeken om een jaarlijkse of wekelijkse toelage.

Wonder boven wonder gaven de Drentse heren hem ook wat: 100 gulden maar liefst. Maar, zo waarschuwden ze, dat was “eens voor al”. Jacob moest, met andere woorden, niet nog eens in Assen om geld komen vragen.

Dat deed Jacob Brants toch. In 1732 deed hij zijn verhaal nog eens op de Drentse Landdag, met het verzoek om “een klein jaarlijks penzioentjen”. Hij ving bot, Ridderschap en Eigenerfden ‘difficulteerden’ in zijn verzoek.

Intussen hebben de Drentse resoluties me wel op het spoor gezet van Groningse besluiten. Had er vandaag even geen tijd voor, maar zal binnenkort eens kijken hoe dit geval in de resoluties van de Groninger Staten terechtkwam.

Bronnen: Drents Archief, Tg. 1 (OSA) inv.nr. 6.10: resoluties Ridderschap en Eigenerfden d.d. 20 maart 1731 – art.16. en 18 maart 1732 – art. 12.


‘Beewerk’ bij verhuizingen

In zijn bundel Een goede buur (1935), behandelt de predikant-antropoloog P.W.J. van den Berg uit Nijeveen onder andere het ‘beewerk’, een vorm van naberhulp waar expliciet om moest worden gevraagd.

Het ging onder meer om burenhulp bij verhuizingen, volgens Van den Berg in 1935 nog algemeen gangbaar in Drenthe en Overijssel. Mijn grootouders zullen twaalf jaar eerder dus op die manier van Tubbergen naar Uffelte verhuisd zijn.

Als iemand een huis betrok in een nieuwe omgeving, ging hij of zij een paar weken voordat hij er zijn intrek nam, eens bij de toekomstige buren langs om kennis te maken en om ze hulp te vragen bij de aanstaande verhuizing, zo tegen mei. Buurmannen trokken dan met paard en wagen of vrachtauto naar het oude adres van de nieuwkomer om diens huisraad op te halen. Intussen maakten de buurvrouwen en dochters het nieuwe huis schoon.

Als de nieuwe buren eenmaal geïnstalleerd waren, hoorden zij alle nabers die hierbij geholpen hadden, uit te nodigen voor een visite met koffie en koek en een borrel toe. Zo’n visite (en nadere kennismaking) bezegelde als het ware de opname in de naoberschap.

Mensen die hier niet aan meededen, werden erop aangekeken. Ze werden genegeerd, niet gegroet en nergens mee geholpen.

In boerenmilieus lieten verhuizers vaak percelen met winterrogge achter in hun oude omgeving en anno 1935 mocht het dan inmiddels  gewoon zij om die rogge “op de wortel” te verkopen, eerder werd dit koren vaak voor de nieuwe buren ingehaald door vooral de jongere nabers:

Met Sint Jacob is de winterrogge die de nieuwe meier op zijn vroegere land heeft achter gelaten rijp, en nu trekken de jongelui vooral er heen en maken op één dag het maaien gedaan, om na eenige dagen den heelen oogst naar huis te halen.

Ook hier stond weer een onthaal tegenover, nu met wat meer bier of jenever dan koffie, reden dat het ook wel eens uit de hand liep.

Beewerk kon diverse gedaanten aannemen en Van den Berg had er rond 1920 nog allerlei voorbeelden van gezien in Havelte en omgeving.

Het gebeurde ook juist vaak op zondag, wat uiteraard niet strookte met het christelijke zondagsgebod, maar daar was volgens van den Berg een scholastieke mouw aan gepast, in die zin dat beewerk niet voor aards gewin, in welke zin dan ook, mocht gebeuren, en dat het dus alleen toegestaan was als men het gratis en om niet deed. Ook maaltijden, ‘bedebieren’ en dergelijke waren eigenlijk uit den boze, het mocht alleen uit reine naastenliefde en natuurlijk niet tijdens de godsdienstoefeningen in de kerk.

Bron