Fennie

Fennie midden tussen haar moeder (uiterst rechts) en tantes. Mijn moeder tweede van links. Circa 1953.

Vanochtend was er een item in OVT over ongehuwde moeders die hun kinderen ter adoptie moesten afstaan. Het ging over de jaren 50 tot 80, maar eerder gebeurde dat ook wel. Niet dat dat afstaan wettelijk verplicht was, maar de druk van de familie op ongehuwde moeders kon enorm zijn. Normaal trouwde een zwanger geraakt meisje met de vader van haar kind, maar dat gebeurde ook wel eens niet en dan werd er schande van gesproken. Vooral de ouders van de ongehuwde moeder wilden nogal eens graag van de tastbare kant van die schande af. Ze drongen dan sterk aan op het afstaan van het kind.

Door dat OVT-item moest ik denken aan een verhaal in mijn eigen familie, het verhaal van mijn nicht Fennie.

Fennies moeder was mijn tante Antje, de oudere zuster van mijn vader. Zoals ik het verhaal van mijn moeder hoorde, had tante Antje in haar jeugd wel eens een scharrel, maar was mijn grootvader zo kritisch op al deze vrijers – “Gieniene was goed genog” – dat de een na de ander met de staart tussen de benen afdroop. Tot Antje zwanger raakte van een collega op het verzekeringskantoor waar ze werkte, een getrouwde man. Volgens mijn moeder was dit stellig te wijten opa’s kritische houding. “Zoiets is vraogen om moeilijkheden”, oordeelde ze.

Enfin, een huwelijk was uitgesloten. Maar mijn grootouders deden destijds in 1948 geheel iets anders dan in zulke gevallen kennelijk gebruikelijk was. Ze lieten hun dochter niet het kind afstaan, nee, ze gingen dat kind zèlf opvoeden, waarbij ze deden alsof het hun eigen kind was. Fennie wist ook niet beter, dan dat opa en oma haar ouders waren – ze sprak deze zelfs als zodanig aan. Haar echte moeder was intussen meer een soort van tante die bij ze in huis woonde.

Natuurlijk was in de omgeving wel bekend hoe de vork in de steel zat. Met haar krullebol leek Fennie ook sterk op haar biologische vader. Maar voor zover ik weet werd er normaal omgegaan met mijn tante, en speelden de buurtkinderen ook gewoon met Fennie. Havelte was kerkelijk een vrijzinnig dorp, dat maakte wellicht nogal wat verschil qua behandeling.

In 1955 reageerde tante Antje op een contactadvertentie van een West-Friese boerenzoon, naderhand mijn oom Jan. Zoals hier al uit blijkt kwam er een huwelijk uit voort en in de akte heeft oom Jan zijn vrouws voordochter Fennie voor zijn eigen kind erkend. Geëcht zoals dat heet, hoewel hij dus niet haar biologische vader was. Voor Fennie, toen een jaar of zeven, acht, betekende dat huwelijk niet alleen een andere achternaam en een verhuizing naar Noord-Holland, maar ook een afscheid van degenen die ze tot dan toe als haar ouders had beschouwd. Van oom Jan kreeg ze een nieuwe fiets, een geste die zeer gewaardeerd werd door mijn moeder: “Fietsen waren hiel duur in die tied.”

Fennie ging later als tiener wel eens met ons mee met ons op vakantie. In 1962 of 1963 met de Friesland naar Terschelling, waar een huisje op een camping in Midsland gehuurd was, Het regende constant, er stonden grote plassen op het campingterrein, binnen droop de condens voortdurend van de ramen af en mijn ouders maakten ruzie.

De laatste keer dat ik Fennie zag, was bij de begrafenis van mijn moeder, ruim anderhalf jaar geleden. Fennie bleek een sympathieke en opgeruimde vrouw, hoewel het leven haar qua gezondheid behoorlijk te grazen had genomen. Ze bevestigde de verhalen van mijn moeder.

Ik zou nog eens bij Fennie langsgaan om bij te praten, vooral over familie, natuurlijk. Het kwam er niet van, wegens 1001 urgentere zaken. Maar door die uitzending vanochtend, nam ik me voor er haast achter te zetten en er nog dit voorjaar werk van te maken.

Het hoefde al niet meer, zo bleek vanavond. Ik kwam net van een fietstocht thuis en mijn broer belde: Fennie is overleden, nog maar 68 jaar oud.


De marteldood der Groninger katten

Hendrick van Beaumont, Jongen met kat, 1696. Collectie Rijksmuseum.

“Dokter Braun, die in 1670 professor te Groningen was, beschrijft ons de volgende ceremonie die in 1635, op St. Jans dag, op de markt te Groningen plaats had. Een aantal katten, zwarte en witte, waren sinds dagen heinde en verre opgevangen. Op St. Jansdag hing aan een wip boven een groot vuur een houten kooi vol katten. De kooi werd in en uit het vuur gewipt, zoolang tot al de katten den marteldood ondergaan hadden. Dan dansten de schooljongens onder het aanheffen van geestelijke liederen om en door het vuur. De regeering en vooral de geestelijkheid, woonden dit zuiveringsproces voor heksen en tooverkollen in devotie bij.”

Bron: H. Zeeman, ‘De kat in hare natuurlijke ontwikkleing, zedelijk leven en geschiedenis’, in Androcles, maandschrift aan de belangen der dieren gewijd XIV (1882) pag. 17-28, bepaaldelijk 22.

Commentaar: Sint Jansdag (24 juni), ook wel Midzomer, werd gevierd met grote vuren. Of dat ook in Groningen gebeurde is onzeker, maar in de Martinikerk, de parochiekerk, bewaarde men als relikwie ooit een arm van Johannes de Doper – reden waarom de flankerende straat ook Sint Jansstraat heet – en je zou dus zeggen dat dit feest hier ook bekend geweest moet zijn, tenminste voordat de Reformatie hier in 1594 haar beslag kreeg, maar mogelijk ook nog in de decennia erna.

Maar werden er op Sint Jansdag 1635 ook werkelijk katten op de Grote Markt in Groningen verbrand? Er is maar één getuigenis, namelijk het bovenstaande, en dat moeten we vooralsnog met een korrel zout nemen. Ten eerste vestigde Johannes Braun (1631-1708), ook wel Braunius geheten, zich pas in 1679 (en niet in 1670) als hoogleraar te Groningen. Hoe dan ook zit er 44 jaar tussen het tweedehands getuigenis en de (vermeende) marteldood der katten.

Braunius was bovendien niet onomstreden. Als cartesiaan (aanhanger van Descartes) kwam hij op voor meer religieuze verdraagzaamheid en verschillende malen hebben orthodoxe tegenstanders geprobeerd hem pootje te lichten. Uiteindelijk leidde dat ertoe dat de curatoren van de Groninger academie (regenten van Stad en Lande) een orthodoxe tegenstander boven hem plaatsten. Braunius had dus een appeltje te schillen met politieke bestuurders en vooral de geestelijkheid, en kan dit oude verhaal uit wrok hebben opgedist. Overigens is helaas onbekend in welk geschrift Braunius dat deed. Hij heeft er nogal wat op zijn naam staan, dus het vergt vrij wat zoekwerk met ongewisse uitkomst, om dat te achterhalen.


Avondvierdaagse

Stukje uit de stoet op de Roderwolderdijk. Van de ongeveer 20 volwassen begeleiders op deze foto zitten er 6 of 7 al wandelend naar het schermpje van hun telefoon te staren. Deze mensen nemen hoogstens iets van de omgeving mee, als er virtueel wat van getoond wordt. Ze kunnen de kinderen er vast veel over vertellen.

Even eerder, voordat ik de stoet begon in te halen – de staart ervan in tegenlicht:


Microsoft: ’s werelds grootste parasiet

Voor het eerst een paar dagen gewerkt met de redigeerfuncties van Word 2016, dat is de Wordversie in het Officepakket dat vorig jaar uitkwam. Fijn joh! Microsoft heeft allerlei knopjes op heel andere plekjes neergezet, zodat je er mooi een hele poos naar mag zoeken, voordat je verder kunt met je eigenlijke werk. En als het nou na een poosje handiger en vlugger gaat, dan zou ik ze dat graag vergeven, maar nee, het zijn bij Microsoft alleen maar veranderingen om de veranderingen: wijzigingen dus, waar je geen ene moer mee opschiet.

Er is inhoudelijk geen waarde aan het programma toegevoegd, integendeel. De zogenaamde ontwikkelaars hebben hun neiging om zaken almaar omslachtiger te maken weer eens duchtig mogen botvieren, ook al gaat dat ten koste van 99 % der gebruikers. Toen ik een nieuw aangemaakt Wordbestand met bijschriften wilde opslaan onder een eigenstandige titel (en niet de eerste zin uit de tekst), bleek dat ze er een totaal overbodig scherm tussen hebben gezet, dat tot overmaat van ramp vast ging zitten. Met taakbeheer het programma dus maar weer uit en bij gebrek aan reservebestand maar weer helemaal opnieuw beginnen aan diezelfde bijschriften. Op zoiets zitten we echt te wachten.

Microsoft verkoopt dus gebakken lucht voor waarachtige innovatie, maar iedereen stinkt erin, want “wat doe je eraan, we moeten wel meedoen”. Particulieren raken hier teveel van hun goeie geld aan kwijt, bedrijven en overheden nog veel meer van hun goeie geld, en Microsoft wordt slapende rijk, als het ons op wakkere momenten niet keihard uitlacht.

Eerlijk gezegd, heel eerlijk gezegd, vind ik het als nieuw verkopen van ouwe waar oplichterij, vooral ook als het nieuwe product minder blijkt dan het oude. Het afromen van ons goeie geld voor zoiets is parasitisme. Het compliceren van zaken die gedijen bij eenvoud gaat bovendien ten koste van talloze humeuren en het werkplezier op onnoemelijk veel werkplekken.

Hoe eerder we Microsoft de wereld uit helpen, hoe beter het is.


Rondje Roderwolde

Rooie blaarkop op de vlakte:

Onlanden, raapzaapomzoomd fietspad:

Raapzaad:

Grondwatermeter bij Roderwolde:

Waar gras werd ingehaald:

Vogelrijk hoekje:

Torenvalk op jacht:

Hoendiep bij Vierverlaten:

Deze foto’s zijn van afgelopen donderdag, toen ik ze niet zo vond passen bij die van de oliemolen en daarom liet liggen.


Stad – Farmsum – Termunten – Zuidbroek

Achterop Kardinge – dit moet de bedrijfsauto van Henk de Haan zijn, kan niet missen:

Ze hebben een fietssnelweg aangelegd langs de oude Stadsweg tussen Noorddijk en Ten Boer. De plak beton had wat mij betreft een derde minder breed gekund:

Damsterdiep bij Winneweer:

Bij Appingedam was dit pandje helemaal gesloopt en het is nu weer helemaal opgebouwd. De schoorsteen krijgt ook nog een opknapbeurt, begrijp ik van een bouwbord:

Vlak voor dit zwanenest staat een enorm geel bord dat waarschuwt tegen de agressiviteit van de vogel. Een vader en zijn zoontje stonden ernaar te kijken, het beest was zo rustig als wat. Het enige waardoor het opviel was door zijn prachtige nest, ik geloof niet dat ooit zo’n mooi zwanenest heb gezien:

Zeesluis even voorbij Farmsum:

’t Kerkje van Heveskes:

Kon net voordat de eerste bui losging het nieuwe, nog niet helemaal complete Visserijmuseum van Termunterzijl binnenstappen. Daar staat deze maquette van de verdwenen kerk van Oterdum:

Aandoenlijk garnalenvissersschuitje:

Na de bui – de Boog van Ziel met viskraam:

Witte lijntjes:

Gemaal Rozema:

Voor de eerste keer in de kerk van Termunten, waar menige voorouder van me gedoopt is:

Tochtig rozet:

Kist waar de kerkvoogdij haar archief in bewaarde. De lokale schilder was een all-round vakman::

Je kunt de kerktoren beklimmen en hebt dan een aardig uitzicht over de Eems:

Daar vaart net de veerboot van de Dollard Route voorbij:

Volgende station wegens de volgende bui – de Reidehoeve:

Ook die heeft een uitkijkpost, met onder andere zicht op deze oude dijk:

Dijken, regen, koolzaad:

Wilde eigenlijk door de Dollardpolders naar Nieuweschans, maar boven die polders hing zo’n dreigende lucht, dat ik maar koers heb gezet op Zuidbroek. Bij Baamsum deze imkers aan het werk:

Overweldigende geur (net als de bloeiende meidoorn op veel plekken onderweg):

Koolzaadveld met dreiglucht:

Nog een poos geschuild on Nieuwolda Oost. Verder naar Noordbroek redelijk droog. In Zuidbroek kwam de trein net op tijd voor een nieuwe bui:


Ommetje Leegkerk

Dode mees op inrit van bedrijfsterrein aan de Aduarderdiepsterweg:

Doorkijkje naar Hoogkerk:

De Leegkerkster kerk:

De rij populieren raakt in blad: