De avond valt met tinten


De Groninger maliebaan

Op zaterdag 21 maart 1646 namen Burgemeesteren en Raad van Groningen het besluit  om een “maille baene” of maliebaan aan te laten leggen naar een ontwerp dat ze al klaar hadden liggen. De baan zou moeten lopen aan de binnenkant van de oostelijke stadswal vanaf de Jacobijnerdwinger (uiteind Bloemstraat) tot aan de Steentildwinger (waarschijnlijk uiteind Nieuweweg bij het Damsterdiep, omdat ze anders het Damsterdiep had moeten passeren). De maliebaan werd daarmee zo’n 800 meter lang. Verder zou ze 2 roeden, dus 8,2 meter breed moeten worden, maar er zou ook nog een parallelweg aan de stadskant langs moeten  komen van 1 roe of 4.1 meter breed, en een sloot ter breedte van 8 voeten, dus bijna 2,4 meter. Al met al zou het project daarmee een strook van  zo’n 800 bij 15,7 meter grond gaan innemen. Ook werd besloten dat er een touwslagerij voor moest wijken.

Tegenwoordig ligt de Oostersingel zo’n beetje op het tracé. Die had dus ook Maliebaan kunnen heten, ware het niet dat we verder niets meer vernemen van het hele project. Bijgevolg ging ook de ontwerptekening helaas verloren. En dat terwijl het plan toch vrij ambitieus begon, met een vrij zware commissie onder leiding van burgemeester Julsingh, waarvan niet alleen vier raadsheren, maar ook een rentmeester en de stadsbouwmeester deel uitmaakten. Mogelijk had men de kosten toch wat onderschat: er moesten bijvoorbeeld niet één, maar twee lijnbanen wijken (zowel bij de Jacobijnerdwinger als de Steentilpoort). Wilde men een geheel rechte baan, zoals elders gebruikelijk, dan had de Stad ook heel wat lapjes tuingrond moeten kopen in de oostelijke stadsuitleg.

Waar de voorgenomen maliebaan ongeveer moest komen, met rood afgetekend op de kaart van Haubois (ca. 1640). Collectie Groninger Archieven 1536-1743.

Het maliën of maliespel (pag. 330-332) was ten tijde van het Groninger plan zéér in de mode. Het kwam zoals we meer zaken, uit Frankrijk overwaaien, waar hovelingen zich er in de zestiende eeuw al mee vermaakten. Hier in Nederland verdrong het maliën vooral het kaatsen, waar de deftige lui hun neus voor optrokken. Qua spelregels hield het ’t midden tussen croquet en golf. Met een hamer op een lange steel moest de bal in zo min mogelijk slagen van het ene naar het andere uiteinde van de baan worden geslagen. Bij de finish stond een paal die de deelnemers moesten zien te raken. Later schijnt er een poort te zijn bijgekomen, waar de bal onderdoor moest. Het spel vereiste net als golf dus kracht èn finesse, al moest de bal wel laag worden gehouden. Bij de baan stond vaak dan vaak nog een wijnhuis of herberg, waar de deelnemers hun dorst konden lessen. De waard had tevens het materiaal in bewaring.

Maliebaan op een Italiaanse prent. Collectie Rijksmuseum.

In Nederland waren er maliebanen op ’t Loo bij Apeldoorn, in Arcen (L.), Groenlo (Gld) en naar het schijnt ook in Jorwerd (Fr.), maar de bekendste banen lagen toch in of bij de steden Den Haag, Utrecht, Leiden en Amsterdam. Die van Den Haag, naast het Malieveld, schijnt relatief lang geweest te zijn. Die van Utrecht, in 1637 door de stad aangelegd tot “cieraat deeser Stad”, was uitdrukkelijk bestemd

tot eerlyk vermaak en exercitie van de burgers ende inwoonders van dien, ende der geener, die de Academie alhier frequenteeren

De Utrechtse baan was ruim 800 meter lang, dus ongeveer van de lengte die de Groninger baan ook had moeten krijgen. Er lagen “verscheyden allées ofte wandelpaden” langs met hoge lindebomen die de baan ruim van schaduw voorzagen. De baan zelf was afgeperkt met lage schuttingen, waarop getallen de afstanden aangaven. Aan beide uiteinden stonden palen met het Utrechtse stadswapen De Utrechtse baan gold als dermate fraai, dat toen de Fransen in 1672 Utrecht veroverden, de Zonnekoning haar graag als oorlogsbuit mee wilde nemen naar Versailles, iets wat tot zijn grote spijt onmogelijk bleek.

Was de Utrechtse baan een initiatief van het stadsbestuur aldaar, de Leidse werd ongeveer tegelijkertijd aangelegd door het universiteitsbestuur. De Amsterdamse maliebaan, gelegen in de Diemermeer, was mogelijk particulier. Deze was bijna 700 meter lang – dus wat korter dan de Haagse, Utrechtse en voorgenomen Groningse – en ze had aan weerzijden, net als de Utrechtse, geschoren lindebomen.

De Amsterdamse baan oefende tot medio achttiende eeuw grote aantrekkingskracht uit op de Amsterdamse jeugd. Daarna kwam er de klad in – zoals het spel in heel Holland in vergetelheid raakte – en al voor het revolutiejaar 1795 was deze baan verdwenen. In Utrecht werd het spel toen nog wel wat gedaan, maar het stadsbestuur liet hier in 1811 de schotten en palen weghalen.  Als Groningen überhaupt een maliebaan gekregen had, zou die niet veel langer hebben bestaan.

Adriaen van de Venne, Prins Frederik Hendrik en de Winterkoning op een maliebaan. Collectie British Museum.


Omzet uit dierlijke producten op een Oldambtster boerderij

Er bestond enige behoefte aan informatie over boerenboekhoudingen, dus haalde ik mijn notities dienaangaande uit de jaren tachtig tevoorschijn en trof een bult cijfertjes aan die ik nooit gebruikt heb. Die van een boerderij op Het Waar onder Nieuwolda bijvoorbeeld, waarop een familie De Groot had gezeten.

De meeste boerenboekhoudingen uit het Oldambt die ik zag, bevatten alleen het “gemaak”, dat wil zeggen de omzet van granen (gerst, tarwe, haver), zaden (kool-, raap-, aweel- en mosterdzaad) en peulvruchten (erwten en bonen). De omzet uit dierlijke producten, boter maar ook ossen bijvoorbeeld en opgefokte paarden, was vergeleken daarbij vaak niet noemenswaard. Jacob Jans en Jan Jacobs de Groot daarentegen, noteerden in de periode 1790-1859 zulke inkomsten wel  en ik bleek ooit eens te hebben uitgerekend welk percentage die van de gehele bedrijfsomzet uitmaakten. Die percentages staan in bovenstaande grafiek per jaar in blauw, met in rood de voortschrijdende zevenjarige gemiddelden om door de al te grote fluctuaties de ontwikkelingen op termijn beter te kunnen zien.

Tot zo 1805 zorgden de dierlijke producten voor ruim een vijfde van de omzet.  Dat halveerde gaandeweg naar 10 % tussen 1805 en 1820. In die periode waren de graanprijzen bijzonder hoog: mogelijk is daarom grasland gescheurd voor bouwland, wat ook kon door de toepassing van watermolens die het land droger hielden. Rond 1820 kelderden de graanprijzen echter door goedkope import uit Rusland die een agrarische crisis teweegbracht, waar met name boeren aan onderdoor gingen die net flink hadden geïnvesteerd in een nieuwe, peperdure boerderij. Op Het Waar steeg het aandeel veeteelt in de omzet nu weer trendmatig, zij het met ups en downs, tot in de jaren 1850, zonder dat ooit het niveau aan het begin van de eeuw werd  geëvenaard:. In de jaren vijftig of eerste ‘champagnejaren’ gingen de graanprijzen opnieuw omhoog, en nam het aandeel van dierlijke producten in de omzet weer af.


Johann Willebrand in Groningen (1757)

Deze reiziger kwam bij Nieuweschans ons land binnen en zag daar voor het eerst van zijn leven en tot zijn “aangename verwondering” jaag- of trekschuiten. Hij stuurde zijn koets terug en besloot meteen met  zo’n schuit verder te gaan. Over het stuk tussen Nieuweschans en Groningen had hij weinig te vertellen, maar de volgende etappe van zijn reis, die hem van Winschoten naar Groningen bracht, waardeerde hij des te meer:

De vaart van Winschoten tot aan Groningen is, wegens de menigvuldige prachtige tuinen, dorpen en landwegen, betooverend. Men passeert er door meer dan dertig Chinesche ophaalbruggen.

Wat voor hem Chinese bruggen waren, zullen voor ons de gewone bruggen geweest zijn. Eenmaal in Groningen bezocht hij de gebruikelijke bezienswaardigheden: de Martinikerk – “met een der beste torens en klokkenspelen van Holland”, het Prinsenhof, het Provinciehuis, het Academiegebouw, de Hortus, het Kruithuis en de “veelbeduidende” Helperlinie. Alles beviel hem even goed in deze “groote en heerlijke stad” die de “de schoonste pleinen en wandelplaatsen” herbergde. Hij gaf bij elke bezienswaardigheid “naar eene vastgestelde orde” twee dubbeltjes fooi aan zijn gids of rondleider.  ’s Avonds zag hij op de Grote Markt een compagnie van de burgerwacht optrekken, en voor de Hoofdwacht een drievoudig geweersalvo geven. Navolgenswaardig vond hij het gebed om wijsheid, dat hij gedrukt en op een bord geplakt aantrof in de raadszaal van het stadhuis. Hij kreeg te horen dat een stadssecretaris het aan het begin van iedere vergadering hardop voorlas.

Hij maakte hier in Groningen ook de 28ste augustus mee:

Ik heb het jaarlijksche feest (van het opbreken der belegering door den gemelden Bisschop) bijgewoond, en vind niets kluchtiger; en, daar er hier anders eene goede politie is, begrijp ik niet, hoe men het werpen van voetzoekers onverschillig kan aanzien. De teugelloosheid van het gepeupel bleek intusschen daaruit, dat men de op het St. Maartens Kerkhof aan den toren paraderende bezetting, ik geloof met warm water, besproeide. Dit is toch de hoogste trap van vrijheid en vermetelheid!

Jurist uit Altona
Nee, daar moest deze reiziger niets van hebben. Voluit heette hij Johann Peter Willebrandt, hij stamde uit een Rostockse koopmansfamilie, studeerde rechten in Halle en was (in Deense dienst) nog lid van het Hof van Beroep te Altona, toen hij deze reis in 1757 maakte. Datzelfde jaar werd hij hoofd van de politie in Altona, tot een conflict hem tien jaar later dwong tot een vrijwillig ontslag en verhuizing naar het nabije Hamburg, waar hij zich helemaal aan zijn schrijverij kon wijden. Naast reisbeschrijvingen publiceerde hij onder meer een kroniek over de Hanze en een tractaat over stadsplanning. De in het Nederlands vertaalde passages uit zijn reisbeschrijving van 1758 werden later opgenomen in het Letterkundig magazijn van wetenschap, kunst en smaak voor het jaar 1817 (deel VIII, afleveringen 6 en 7, pagina’s 260-275 en 311-328), Deze zijn inmiddels te vinden in Google Books, waar ik ze aantrof met de zoektermen ‘snikken’ en ‘roeven’. Overigens zette de Nederlandse redacteur er in het Magazijn vraagtekens bij Willebrands betrouwbaarheid:

De schrijver betoonde zich in alles een man van kunde en was zelfs op kleinigheden zeer oplettend, maar evenwel ver van eene in alles juiste en waarachtige opgave van zaken. Hoeveel er ook, sinds hij ons land doortrok, in hetzelve veranderd is, men bemerkt evenwel nog heden ten dage ligtelijk, dat hij geenszins alles zoo beschreef, als het eigenlijk en inderdaad gesteld was, toen hij het bezigtigde.

Of deze kritiek ook voor de Groningse passages geldt, zou ik echter niet durven zeggen. In het algemeen komt de informatie als juist op mij over.

Van Groningen reisde Willebrand naar Friesland, waar hij onder meer Dokkum, Leeuwarden en Franeker bezocht. Vanaf Harlingen stak hij de Zuiderzee over naar Enkhuizen, om alle grote steden in Holland aan te doen en zijn reis te vervolgen via de Zuidelijke Nederlanden, Frankrijk en Engeland. Terug uit Engeland kwam hij opnieuw langs Amsterdam, en via Utrecht en Nijmegen ging hij naar Duitsland terug.

Trekschuiten of snikken
In Nederland reisde Willebrand bij voorkeur met de trekschuit, waarvoor hij zelfs meermalen het Groninger woord ‘snik’ in de mond neemt. De antipathie die later in het stoomtijdperk gangbaar was, staat nog ver van hem – hij vond de trekschuit een “alleraangenaamste” vorm van vervoer:

Men vaart in eene kamer zeer gemakkelijk langs de kanalen, waar men aan weerskanten niets dan akkers, weilanden boschjes, geboomte, tuinen, dorpen, vlekken en steden ziet; en de vracht(prijs) is inmiddels ongemeen gering. Ik wensch U gedurende uw gansche leven zulk eene tevredenheid, als ik op deze reis genoten heb.

Toch kon hij er niet omheen dat de trekschuit ook “veel ongemakkelijks” had. Dat gold vooral de medereizigers in dit openbaar vervoer.

…zij bevat toch doorgaans een vrij groot aantal Janhageldat op menigerlei wijze, althans uit de tabakspijpen, dampt. Naast zich heeft men dan eens een Jood en een oud wijf, dan eens eene vrouw met kleine kinderen welke zij zonder verlof te vragen zuivert. Men loopt zelfs meermalen gevaar van een dronkenen boer zijn ingewand voor zich te zien uitstorten; hetwelk alsdan het aangename genot der landstreek, door welke men henen vaart, reeds zeer matigt. Vooral, bijaldien men zich, om daarvan gezigt te hebben (hetwelk doorgaans het geval is) voor togtwinden moet blootstellen, of als de schuit zoo vol loopt, dat men er bijkans stikt.

Natuurlijk kon een heer als Willebrand het zich best veroorloven om een trekschuit voor zichzelf af te huren (of charteren). Maar dat was hetzelfde

als alleen in een onbewoond huis te zitten, en zou het regte middel zijn om zwaarmoedig te worden.

Daarom was het maar ‘t beste, een plekje in de roef van de gewone trekschuit te nemen en niet in het ruim, al kon dat weer niet in Friesland, want daar hadden de snikken geen roeven. Maar ook in de roef, waar men toch gauwer met standgenoten te maken had, moest men liever niet al te familiair omgaan met reisgenoten. Men diende er een vriend te zijn voor iedereen, maar met niemand al te vertrouwelijk.

Vanaf Groningen per wagen en dus over land naar de Lemmer te rijden, ried Willebrand sowieso af:

Men rijdt alsdan bijkans over louter zand en heide, en moet de reis zoo inrigten, dat men den nacht te Donkerbroek kunne doorbrengen. Daar men intusschen met de snikken over Stroobos , Dokkum en Leeuwarden, naar Sneek en van hier gevoegelijk verder naar de Lemmer varen kan, raad ik niemand die landreis aan.”

Reiskosten
Aardig is dat Willebrand ook de reiskosten bij de verschillende vervoersvormen noemt. Voor het traject Nieuweschans-Groningen-Dokkum kwamen die per snikke neer op:

Snikke als publiek vervoer: Snikke als charter:
Nieuweschans- Winschoten 6 stuivers 65 stuivers
Winschoten – Groningen 14 stuivers 110 stuivers
Groningen – Stroobos 9 stuivers
Stroobos – Dokkum 11 stuivers

Met de snik van Nieuweschans naar Stroobos, dus helemaal van oost naar west in Stad en Lande, kostte al met al 29 stuivers, oftewel ruim een goudgulden, zo’n drie daglonen voor een doorsnee-arbeider. Daarbij kwamen van plaats tot plaats dan nog twee duiten (een kwart stuiver) voor de “voorrijder of het Jagertje”, dat wil zeggen de snikjongen of scheepsjager die met zijn paard de schuit door het kanaal trok. Huurde men voor zichzelf of het eigen reisgezelschap een snik af, dan was dat acht tot tien maal zo duur. Helemaal prijzig was het reizen over land: van Groningen via Donkerbroek naar Lemmer kostte dat 18 gulden (of 360 stuivers). Met een beurtschip van Groningen naar Amsterdam was zelfs nog iets duurder: 22 gulden. Wat dat betreft waarschuwde Willebrand echter voor de loopplanken: die waren in zijn ogen louter begaanbaar voor koorddansers.


Tochtjes in de buurt

Dat grijze weer levert in het algemeen geen aantrekkelijke foto’s op. Maat omdat men in twijfel trekt of ik nog wel buiten kom, voel ik me verplicht er toch een paar te plaatsen.

De bocht van de Gouwe en het Peizerdiep bij Eiteweert, met op de achtergrond het zo goed als afgedankte  dieselgemaal: aan het uiteind van de de Hamersweg:

Dat was er een van vrijdag – de volgende is dat ook – een nieuw insectenhotel bij De Erfgooier, een boerderij bij Den Horn:

Vanmiddag een uur of wat richting Roderwolde en Peize geweest. Waaks in Roderwolde:

Herfstig rommelhoekje:


Rondje Jonkersvaart – Marum – Lucaswolde

Foxwolde 1:

Foxwolde 2:

Tijdelijke voorgevel van dakpannen, Leeksterhoofddiep Leek:

Schuur, Jonkersvaart:

Willemstad bij Marum:

Bruggetje over de Pierswijk in het Malijksepad, Marum:

Dorpsgezicht, Marum:

Vogelkijkhut in de tip tussen het Dwarsdiep en de Lietsweg, Lucaswolde:


Rondje stadsrand

Roderwolderdijk, Hoogkerk::

Kerkweg tussen Oostwolmerdraai en Den Horn – die paaltjes staan er nog niet zo lang, maar een flink aantal staat scheef of is al beschadigd:

Blad in de sloot:

De Westerdijk bij Den Horn:

Boerderij Langweersterweg, Den Horn:

Het seinhuisje verderop staat er nog steeds:

Kop-hals-romp bij de Zuidertocht:

Buizerd in het land:

De brug bij Aduard – mensen hielden keurig anderhalve meter afstand:

Vanaf de weg tussen Wierumerschouw en Adorp:

Boerderij op de Hoge Paddepoel:

Virulystraat, Stad:

Zweedse Haven bij de Bornholmstraat:

Oude Winschoterdiep bij de Gideonweg:

Het populierenbosje bij de Gideonbrug was goeddeels gerooid:

Langmadijk, Peizermade:


Blaarkoppen bij de Langmadijk


Rondje Peizermade – Matsloot – Leegkerk

Het was me even ontgaan, maar gistermiddag zag ik dat er vlakbij, op de parkeerplaats bij het toekanhotel, een coronatestlocatie van het Huisartslab is ingericht:

De uitloper van het Stadspark naar de Groningerweg:

Kudde blaarkoppen bij de Langmadijk:

Altijd weer vreemd, die frisse groene kleur van nieuw riet in het najaar, hier op een slootwal bij Eiteweert:

Meer modder dan hooi, Matsloot:

De kwartiermakers van steeds grotere aantallen grauwe ganzen:

Tichelwerkpad, Leegkerk:

De doodsklok klepte er aan het eind van een uitvaartdienst. Mensen op het kerkhof, kijkend naar de Legeweg:

Waar zich een rouwstoet formeerde – kennelijk ging niet iedereen mee naar graf of crematorium:


Visgezelschap poseert bij café Otter, Enumatil

Nog een vondst in De Melangeur, het personeelsblad van Tammes’ chocoladefabriek aan de Peperstraat in Groningen: een los ingeplakte foto in het nummer van juli 1941 van de personeelsleden die deelnamen aan een onderlinge viswedstrijd in Enumatil. Winnaars waren de heren H.J. Buurlage en B. Hermse. Waarschijnlijk zijn zij het, die je glunderend midden vooraan ziet hurken.

Volgens het bijbehorende verslagje deden 15 mensen mee aan de wedstrijd. Er staan echter 16 op de foto. Die ene persoon extra, dat zou wel eens de uitbater van het café op de achtergrond kunnen zijn, en zo ja, dan is dat waarschijnlijk de enige man met een pet op. Als enige heeft hij ook een gebruind hoofd. Mogelijk had hij ook wat vee en kwam daarom vaker buiten dan de arbeiders en kantoorfrikken van de chocoladefabriek.

In het bovenlicht rechtsachter staat de naam van de café-eigenaar: H. Otter. Die naam was van 1920 tot 1986 aan dit Enumatilster café verbonden. Maar al is dat niet meer in bedrijf, het staat er nog steeds bij de Enumatilster brug, met zelfs de gelagkamer uit die tijd.

Het interieur is hier te zien op een aantal foto’s van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed. De van boven ronde kast met flessen drank en glazen, de lage toog met tap, we kennen ze ook van andere oude cafés zoals die in Thesinge en Westerwijtwerd. Vorig jaar was het café in Enumatil eenmalig open met Monumentendag. Helaas heb ik die gelegenheid gemist, maar wie weet doet zich ooit nog eens de kans voor.


‘Uw veiligheid is in ons aller belang! Wees voorzichtig!’

Zo groot kan die chocolade- en suikerwerkfabriek van Tammes aan de Peperstraat te Groningen nooit geweest zijn, denk je dan, maar toch had het bedrijf in de eerste oorlogsjaren  een eigen personeelsorgaan: De Melangeur. Op de achterkant van dit tweemaandelijkse periodiek stond altijd praktische informatie over werktijden, ziekmelding en een rookverbod, met erboven steevast een veiligheidswenk.

Met die wenken was iets bijzonders aan de hand. Het ging om handmatig ingeplakte zegels die door hun vierkleurendruk fors contrasteerden met het zwart-witte, wat grauwige stencilwerk van De Melangeur zelf. Door hun kleuren en het contrast, zuigen die zegels als het ware de aandacht naar zich toe. Ze waren uitgegeven door het Veiligheidsmuseum, een initiatief van vakbonden dat de bedrijfsveiligheid wilde bevorderen, bijvoorbeeld door allerlei risico’s aanschouwelijk te maken. Gezien de vele kleine krantenberichten over bedrijfsongevallen was dat bepaald geen overbodige luxe. Inderdaad zijn de zegels verkleinde weergaven van affiches die men in bedrijven ophing. Hoe dan ook charmeert deze kleine grafiek.

Onder verwijzing naar zo’n krantenberichtje over een bedrijfsongeval, waarschuwt deze bijvoorbeeld voor draaiende assen. Als die lang haar grepen, kon scalpering het gevolg zijn:

Een tikje op de schouder en de arm in het ongerede:

Goed schoeisel kon een struikelpartij op een gladde werkvloer voorkomen:

Ook aan hygiëne werd aandacht besteed. Vaak aten arbeiders hun boterhammen uit papier en vonden dat wel schoon genoeg:

Zelfoverschatting op ladders – neem dan liever het zekere voor het onzekere:

De verpleegkundige van de eerste hulp wijst het slachtoffer van een bedrijfsongeval er nog maar eens op nadat ze zijn wijs- en middelvinger heeft verbonden – zijn opa paste goed op en werd 70 zonder verminking:

En nog maar eens die draaiende onderdelen, nu bij een draaibank, waaroverheen een arbeider naar zijn thermosfles grijpt::

Destijds werkten jongens (en meisjes) vanaf een jaar of dertien, veertien mee in fabrieken, ook bij Tammes. En zulke kinderen willen nog wel eens stoeien. Levensgevaarlijk, aldus het Veiligheidsmuseum:


Rondje westkant Stad

Wel in Roderwolde en ook langs de Peizer/Groningerweg, maar tot nu toe had ik nog géén weggegooid mondkapje in de Onlanden zelf gezien. Vanmiddag was het zover en hing deze aan een brug in de Roderwolderdijk;

De grote waternavel heeft zo te zien vrij spel aan de oostkant van het Leekstermeer. Op de slenken raken de oevers met plakken bezet, en hier rijst de exoot een sloot langs de Hooiweg uit:

Ook vandaag weer verscheidene roofvogels gezien: kiekendieven, valken en deze waakzame buizerd op de Poffert:

Onder en naast de Tichelwerkbrug (Leegkerk) zitten een paar hangplekken, vooral met mooi weer gebruikt door jongeren. Mogelijk kwam er politie langs, wat niet zo fijn werd gevonden. Om al die letters met een stift zwart te maken zodat de afko ACAB ontstaat, moet men nogal een poosje bezig zijn geweest:


Hoe de zon er toch nog doorkwam

De Buienradar toonde vanmiddag om één uur een grote bal mist rond de stad Groningen. Maar in het westen leek de zon op te rukken. Ruim een half uur later was dit nog het beeld vanaf de Legeweg bij Leegkerk, richting suikerfabriek:


Tien minuten later. De Jonge Held vanaf andere kant Aduarderdiep:

De afslag naar Adorp en Oostum, volop in de zon, ook vanaf de westkant van het Aduarderdiep:

Het kerkje van Fransum:


Rondje Van Starkenborghkanaal

Gaaikemadijk – “Let op, er kan nog een koe aankomen”:

De Dorkwerderbrug krijgt een lik verf:

De boerderij van ’t Gronings Landschap op de Paddepoel:

Gedenken wij de Paddepoelsterbrug:

In de berm bij Noorderhoogebrug:

Kangeroes bij Binnenpret Indoorstrand, Ulgersmaweg:

Er tegenover speelt een uitdragerij in op Halloween:

Laagzwevende para, verweesd na de verhuizing van Heiko Ates’ oorlogsmuseum naar Grijpskerk:


Het zwaar beschadigde Scholtenmonument

Kwam vanmiddag voor het eerst in anderhalve maand weer eens langs de hoofdlaan van het Stadspark. Intussen is er eind september een auto tegen het Scholtenmonument opgereden en in brand gevlogen, met de dood van de chauffeur als gevolg.

Qua monument is vooral de sportieve mannelijke figuur beschadigd. Hij lijkt weggelopen van een oorlogsmonument. Eigenlijk vind ik het wel wat hebben:

De vrouwelijke figuur heeft het ongeluk beter doorstaan, maar zal toch ook moeten worden vervangen:

Ook het brons – de kop van Scholten en de twee plaquettes – is er vrij goed vanaf gekomen, maar het perkje met het fonteintje is een ravage:

Ben benieuwd of de gemeente al actie ondernam voor het herstel.

 

De oude toestand.