Op de Groninger speer van Minerva, heden ontmaskerd als bezemsteel

Naar aanleiding van dit nieuwsbericht.

Geboren uit Zeus’ en dat gewapend met haar speer,
Die zeer tot haar eer ging onwetendheid tekeer,
Keek Gruno’s Minerva zonder verveer
Op het academieplein in de diepte neer.

Zo was het goed. Maar er komt altijd rampspoed van,
Zul je zien.

Helaas droeg Minerva tevens een uil.
En dat beest maakte de speer dermate vuil,
Dat deze verrotte en des nachts viel in de kuil
Aan gort en splinters, vlak voor zo’n zuil.

Wat later kwamen er pedellen aan,
Die deze dag erg vroeg waren opgestaan.
Zij namen uit de gangkast een bezem vandaan.
En hebben dit surrogaat Minerva aangedaan.

De pedellen verzonnen dus een list,
Maar niemand die het wist.

Helaas is een bezemsteel geen speer.
Een bezem ruimt weliswaar fysiek gesmeer
Maar gaat de onwetendheid niet tekeer
Integendeel, die vermeerderde zich zeer.

De akkedemie ging dan ook hard op weg naar benee,
Totdat haar museumdirectie de ontdekking dee’
Dat Minerva zeer onder haar bezemsteel lee’.
De speer keert nu terug op zijn rechte stee.

Dit was een goede leer voor een volgende keer
In Gruno kere nu wijsheid en wetenschap weer
Zorg in die gangkast steeds voor een reservespeer
Opdat geen bezemsteel ooit weer Minerva onteer’.

Zo, en nu is dan mijn verhaaltje uit.
Dat komt door die verrekte olifant, met zijn lange snuit.


Burka voor kunst en wetenschap

Deze poster is eergisteren opgehangen onder het Emmaviaduct en blijkt vandaag al door politiek schorum bemaggeld.

Maar eerlijk gezegd snap ik ook niet wat de functie van dit affiche is, behalve dan opvallen om het opvallen. Dames in burka, ook al hebben ze mooie blauwe ogen, behoren gewoonlijk niet tot de fans van kunst en wetenschap. Integendeel, hun kalashnikovmaatjes hebben in Syrië bijvoorbeeld een bekende archeoloog de kop afgehakt en dat zouden ze, als ze hier in Groningen de gelegenheid kregen, ook graag doen met het gros van het RuG-personeel en andere academici en artiesten. Alleen de natuurwetenschappers die gifgassen en biologische wapens kunnen produceren mogen nog even blijven leven, voordat ook zij om zeep worden geholpen als proefpersoon van hun eigen fijne maaksels..

Ik denk dus niet dat kunst en wetenschap hiermee gediend zijn.

Naschrift 21 mei:

Inmiddels is er een hele serie soortgelijke affiches voor hetzelfde doel, maar met steeds andere mensen naast de burka geplakt, als om deze te relativeren..


Botanische correspondentie

Op zoek naar een bepaalde illustratie, belandde ik in een bultje botanische correspondentie uit het Fin de Siècle. Het bevatte vooral offertes van bedrijven die wat wilden verkopen aan het instituut van professor Moll.

De man die zijn rozen graag aan de Rozenstraat zag, zat in het Drentse Hoogeveen, waar je rond 1900 wel meer rozenkwekerijen had:


Detail:

Het bedrijf van de fotocamera’s:

Detail – het waren nog zwaarwegende apparaten, die phototoestellen: degelijke houten kistjes met balgen:

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 1018 (archief Botanisch Laboratorium RuG) inv.nr. 5: correspondentie.


Van Giffen als achterdochtige Drent – een vroege karakterschets

De reistas van Van Giffen. Collectie Groninger Museum.

Gister kwam de brievencollectie van het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden online. Slechts een klein deel van die collectie is voorlopig echt toegankelijk gemaakt, maar de enige treffer die het zoekwoord ‘Groningen’ oplevert, is alvast een mooie verrassing. Het betreft een aanbevelingsbrief uit 1912 van de Groninger hoogleraar biologie Van Bemmelen voor de destijds nog niet gepromoveerde Albert Egges van Giffen:

Groningen, 6 Oct. 12.

Van Giffen heb ik leeren kennen eerst in zijne positie van student in de Biologie, daarna als assistent aan het Zoölogisch Labaratorium. In beide qualiteiten heeft hij blijk gegeven een man van bijzondere gaven en rusteloozen ijver te zijn. Hij bezit een grooten aanleg en ook sterke geneigdheid tot geheel zelfstandig werken, wat aanleiding kan geven dat hij we eens al te zeer zijn eigen weg gaat, maar hij is toch gevoelig voor raad van anderen en bereid tot overleg en tot samenwerking, wanneer men de eigenaardigheden van zijn karakter weet te verstaan en zijne neiging tot achterdocht (die vermoedelijk aan zijn Drentsche afkomst moet geweten worden) weet te overwinnen.
Volgens mijne overtuiging zal Van Giffen bij voldoende aanmoediging en vriendschappelijke leiding, veel en goed origineel werk kunnen verrichten en een groote kracht worden voor het archaeologisch onderzoek. V. Giffen’s begaafdheden voor dat onderzoek en ook reeds zijne verdiensten op dat gebied zijn zoo groot, dat ik het de plicht acht van ieder, die in de gelegenheid is hem te helpen en te steunen, om daarbij enkele minder aangename en gemakkelijke zijden van zijn aard over ’t hoofd te zien, vooral omdat naar mijne meening de grond van zijn karakter eerlijk, oprecht en onbaatzuchtig is.

J.F. van Bemmelen


“Wagenwijd open, die deur!”

Sluitzegel van het Universitair Asyl Fonds, het latere University Assistance Fund (UAF), op een Clercke Cronike van 18 november 1949:

dsc00511

Dat jaar hielp het fonds, dat gelden inzamelde bij studenten en alumni, zo’n 70 studenten, “die om der gewetenswille uit het eigen land zijn  uitgeweken”. Het ging voornamelijk om Tsjechoslowaken die geen toekomst zagen onder het communistische bewind. Voor deze studentvluchtelingen hielden studentmusici ook wel eens een “Weldadigheidsconcert“.


Groninger studentenalfabet

Academiegebouw van 1854

Naast het Grunneger ABC was er een studentenalfabet:

A is de Academie, die houd ik hoog in eer,
B is mijn schrik en mijn afschuw: de beer.
C is ’t college, waar wijsheid geleerd wordt,
D is de drank, die niet minder begeerd wordt.
E is ’t examen dat eerst ging vooraf,
F is de fuif die ik naderhand gaf.
G is het geld, waarvan ik nooit iets bespaarde,
H is de hospes, die het nijver vergaarde.
I is Io Vivat, het schoonste gezang,
J is de jool die mij nooit duurt te lang.
K is de kroeg waar ik heel vaak ga bitt’ren,
L is de lantaarn die ervoor staat te schitt’ren.
M is Minerva die spruit van Jupijn,
N is de nectar bij ’t vrolijk festijn.
O is de oester in Datema’s kelder,
P is professor, zo kort en zo helder.
Q is de quintessens van zijn betoog,
R is de rector die het corps stelt zo hoog.
S is de sjees die door niemand begeerd wordt,
T zijn de theses waar veel bij beweerd wordt.
U is de uil, ’t wetenschappelijk dier,
V is het vaandel en Vindicats sier.
W is de wetenschap, groot in haar werken.
X is Ximenes, ’t zoetste der merken.
Y is het ijs bij de Rabenhauptstraat,
Z is het ziekenhuis, akelig in staat.

Bron: een Vindicat-lustrumalbum van eind negentiende eeuw. Wat ook aan de laatste regel te zien is, want in 1903 kwam er een nieuw Algemeen Provinciaal, Stads en Academisch Ziekenhuis aan de Oostersingel. En dat was state of the art.

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA


Een onverwachte blik op het academieplein

Op een bundel verzen, gemaakt voor de promotie van de jurist en latere topregent Johan Geertsema (1716), vinden we dit plaatje:

003

Een aankomend geleerde overhandigt een rol met zijn theses aan Minerva, godin van onderwijs, kunst en wetenschap. Op de achtergrond links de parafernalia van een studentenbestaan: Japonse rok, wat boeken op een plank, en iets ronds aan een koord, mogelijk het onderscheidingsteken van een studentenclub. Door een portaal rechtsachter krijgen we zicht op een stad. Een stad? Nee, het is warempel de stad Groningen, om precies te zijn het academieplein, de Broerstraat dus, zij het wel iets vervormd:

003 deurzicvht

De laagbouw rechts was het academiegebouw, een voormalig vrouwenklooster. Maar de rooilijn liep evenwijdig aan die van de tegenoverliggende kerk, en dus niet taps toe, zoals op dit stadsgezicht. Die kerk is de middeleeuwse Franciscaner kerk, in 1716 in gebruik als academiekerk, tevens aula. Tussen beide gebouwen door zien we de Oude Kijk in ’t Jatstraat, met achter het academiegebouw nog net het bovenstukje van Het Wapen van Bentheim, dat met zijn renaissancegevel nu nog steeds tegenover de Broerstraat te vinden is.

Een alleraardigst detail vormen de twee studenten op de voorgrond, of het plein. Die ene lijkt zijn degen te trekken. Duels kwamen destijds nog regelmatig voor in heren- en studentenkringen.

In het bundeltje zelf staan, na enkele Latijnse verzen, enkele stukjes doorspekt met Gronings en Westfaals – zeer vroege streektaalspecimina, waarvan de waarde echter wel eens betwijfeld wordt.


Thewis Wits en zijn studententijd

Oud CPN-wethouder Thewis Wits is overleden. Najaar 2006, toen de Groninger Studentenbond (GSb) 35 jaar bestond, interviewde ik hem eens voor de Groninger universiteitskrant UK . Hij was immers mede-oprichter en eerste voorzitter van de studentenvakbond geweest, al werkte hij inmiddels al heel lang als manager bij de Milieudienst, waar zijn kamer gedecoreerd was met actie-affiches van Henri de Wolf.

“Hebben ze dat logo nog steeds? Ha, dat heb ik zelf ooit getekend. En de Nait Soez’n schreven we als bestuur zelf vol.

Ik had mijnbouw in Delft gestudeerd maar ben in ‘69 overgestapt naar psychologie in Groningen. Nee, ik ben niet afgestudeerd. Ik zat meer in het actiewezen dan dat ik studeerde, had na vijf jaar mijn kandidaats en kwam toen tot de conclusie dat ik echt de boeken in moest, wilde ik afstuderen. En ik was niet echt een studiehoofd. In 1975 ben ik daarom voor de CPN gaan werken.

Tja hoe ging dat? Er was een Groninger Studentenraad, de Gronstra, een soort studentenparlement met een heleboel verschillende kleuren. Wij vonden de Gronstra veel te slaperig, en haalden als GSb gelijk de absolute meerderheid bij de verkiezingen. En dat leidde weer tot overname van de Gronstra door de GSb.

We noemden ons een politieke vakbond van studenten. Als zodanig kwamen we op voor de belangen van studenten in samenhang met maatschappelijke ontwikkelingen. We zaten in de universitaire raden, voerden acties tegen de collegegeldverhoging en hielden ons bijvoorbeeld bezig met de staking in de strokartonindustrie die gesaneerd werd.

Hoogtepunten waren voor mij dat we erin slaagden studenten te mobiliseren, en onze samenwerking met het progressieve personeel in de Uraad. De leiding van de universiteit stond er ook open voor onze ideeën, trouwens. We hadden heel wat in melk te brokken.

In het algemeen heb ik absoluut geen spijt van mijn activiteiten in die periode. Wel vond ik de bezetting van het curatorengebouw een foute stap. Vanaf het begin had ik er moeite mee en de energie vloeide tijdens  die actie helemaal uit me weg. Ook hebben we eens een vertegenwoordigster van medicijnen uit onze Uraadsfractie gezet, omdat ze afweek van het fractiestandpunt. Als ik terugkijk, dan ging dat een streep te ver.

Eerst bestond er wel sympathie en samenwerking, maar wilde de GSb geen CPN-leden als leidende figuren. Zo’n relatie onstond pas met de staking in de strokarton. Een andere factor was dat de CPN-uitgeverij Pegasus heel toegankelijke literatuur aanbood over klassentegenstellingen.

Pas in 72, 73 werden veel GSb-leden lid van de CPN. Dat het zo lang duurde kwam ook doordat de CPN wat huiverig voor intellectuelen was. Pas toen de CPN meer openstond voor studenten,  ging de GSb opereren als een verlengstuk van de CPN.

Eind ’75 kwam ik voor de CPN in de gemeenteraad. Al na een week werd  ik wethouder omdat een kameraad, zal ik maar zeggen, het werk niet meer aankon. Ik ben ben naar boven getrokken door Fre Meis, had niet zo heel veel voeling met wat er in de stad gebeurde, dus dat was gelijk in het diepe en zwemmen maar.

Hier bij de Milieudienst heb ik indirect nog steeds met studenten te maken. Denk maar aan de traditionele schoonmaakacties van eerstejaars bij studentenverenigingen. Of aan de zwerffietsen in het stationsgebied. Zwien’n bint? Nee hoor, zo denk ik er absoluut niet over.  Dat is een maar een kleine minderheid. En ik wil vooral mijn  eigen leven niet verloochenen. Ook ik ben wel eens langs de gevels geschoven met een slok teveel op. Dat hoort een beetje bij het studentenbestaan. In het algemeen hebben studenten een heel postitief effect op de stad.”

—-

Eerder in iets andere vorm verschenen in de UK van 6 oktober 2006


RUG in suikerzakjes

img214

img217

img215

img216


Hospita’s belangrijker dan geleerden bij keus voor Groningen als studiestad

 “Ouders uit andere gewesten, zelfs uit de verst afgelegene, zenden hunne kinderen na de Groninger Academie, vooreerst omdat door eene eenvoudiger leevenswyze de studiën en andere zaaken daar minder kostbaar zyn. Ten anderen om dat aan den eenen kant de luxe zo groot niet is als in meer bloeijende gewesten. Die wegens den koophandel en andere belangen in de stad Groningen hunne betrekkingen hebben, vinden menigvuldige gelegenheid hunne kinderen daar goedkoop te besteeden en de zorg voor hun aan vertrouwde bekenden aan te beveelen.”

Aldus de uit de stad Groningen afkomstige representant Scato Trip bij een debat in de Nationale Vergadering over de concentratie van het academisch onderwijs (1797). Voor Groningen koos men derhalve niet zozeer om de aantrekkelijkheid van zijn universitaire opleidingen, als wel om de bijkomende omstandigheden. De hospita’s, met andere woorden, gaven de doorslag, niet de geleerden.

Bron: Vaderlandsche historie vervattende de geschiedenissen der Vereenigde Nederlanden (…) ten vervolge van Wagenaars Vaderlandsche Historie, deel 39 (1807) p. 29-30.


Studenten waren enorme impuls voor vormgeving in de stad

Het Groninger Museum heeft een prachtige, kleurrijke tentoonstelling over 400 jaar studentenleven in Groningen gemaakt. Vanavond ging die open.

Fortuna in een album amicorum uit de begintijd van de Groninger universiteit, toen studenten zich nog op basis van geografische herkomst organiseerden:

1646
Universiteitswapen – detail van het sterk verweerde vaandel uit 1665 van de gewapende studentencompagnie. Studenten die achter dit vaandel aanmarcheerden, tartten zeven jaar later de soldaten van Bommen Berend met allerlei spotliedjes, die ze hen toezongen vanaf de stadswal:
1665
De grootste interne vijanden van studenten waren eeuwenlang de nachtwachten, naar hun waarschuwingsinstrument ook wel ratelwachten genaamd:
1750
In hun sociëteit (vanaf 1815) smoorden de heren corpsstudenten gaarne een Duits Biedermeyer-pijpje met opdruk van zwaard (Handhaaf) en vijl (Beschaaf):
1840
Eveneens uit het Mutua Fides van de negentiende eeuw, dit overdadig zinnebeeldige schilderij waarvan de strekking mij ten ene male ontgaat, behalve dan dat er onderin een forse kater op de loer ligt:
1864
Voor een historische tentoonstelling is er zeldzaam veel grafische vormgeving te zien. Fraaie typografie van het Corpslied, dat geschreven werd door Jan Gouverneur, alias Jan de Rijmer, tevens de auteur van ‘Toen onze mop een mopje was’;
1890
Zo’n honderd jaar lang hielden studenten bij elk universitair lustrum een Maskerade, zeg maar een optocht in historische kostuums.  Affiche uit 1909, toen de intocht van een Fries Nassause stadhouder het thema was:
1909
Fenomenaal affiche voor een Openluchtspel dat in 1924 opgevoerd werd:
1924
Ploeg-kunstenaar Johan Dijkstra gaf bij Vindicat tekenlessen. Dit  detail van een liedvel lijkt van zijn hand:
1938
Het sociëteitsbestuur luistert aandachtig naar het voorlezen van de notulen door de abactis I:
1958
Jenever van een merk dat wijnhandel Jos Beeres voerde, en dat de naam van de laatste aapjeskoetsier Hannes (tevens een stadstype) in herinnering hield:
1960
Het officieel geregistreerde wapen van de gereformeerde studentenvereniging VERA, met gouden helm en zilveren schrift. Op speciaal verzoek van de Hoge Raad van Adel is de vis in een laat stadium van de goedkeuringsprocedure alsnog van rug- en borstvinnen voorzien:
1961
Naar vileine tongen bij VERA beweerden, was het wapen van het vrouwelijke studentencorps Magna Pete ontworpen door enkele mannelijke Vindicaters, die daarbij een bepaald onderdeel van het vrouwelijk lichaam voor ogen zouden hebben gehad. Desondanks werd dit k*t-beeldmerk welgemoed aanvaard door de Magna Petentes, die het ijskoud handhaafden toen zij de malicieuze flamoes-opzet alsnog doorkregen. Evenwel moet dit VERA-verhaal als apocrief worden afgewezen, aangezien er duidelijk een uil tussen beide vermeende schaamdelen schuilt. Of zou het een koalabeertje zijn?:
1963
Nee een uil. Daar wijst een aandoenlijke pottenbakkersmok van Magna Pete, medio jaren zestig, nog op:
1966
Andere koek: een blok met actie-affiches, afgezien van die van het Volkscongres helaas bijna allemaal van na mijn tijd:
1979
Deze zit er ook op, volgens mij door of naar Peter Pontiac:
1980


‘Reise Pas voor een Dorstigen Broeder’

Een pseudo-oorkonde of -bedelpas uit 1766, waarschijnlijk opgesteld door enkele alcoholminnende studenten.

Ik Jeremias Just van Noytnugteren, Generaal Gouverneur van zijne hoog vorstelijke Doorlugtigheid Bachi, Groot Canzelaer van ’t Bredspil, Vrijheer tot Bierau, Directeur van de lange pijpen en Virginij Taback, ter tijd bestelde Aerts Sluijkmeester in Wijnheim, Baron van Werp- en Kaertenbort, Erfheer in Brandewijnhuisen, Raddick Opper-Opsiender te Zoutenborgh &c. &c.

Bekenne en oirkonde hiermede tegens iedereen dat toonder dezes, de dappre Hans Altoosdorstig van geboorte uit Brandewijnhuisen bij Nooitnugteren onder mijne onderhebbende dorstige Broeder Broederschap, als een goede opregte suijpbroeder 15 jaeren in een winter, 20 maenden in een somer, 124 uiren in een dag en 160 minuten in een uur getrouw en vlijtig heeft uitgehouden en in die tijd bij alle swaere kroegen, volle glasen, en opgevulde kannen gedaene dienste seer wel versien., zoodat ik en mijne geheele Broederschap met hem seer wel tevreeden zijn geweest en hem wegens zijnen goeden gedaene diensten graag langer hebben willen houden, maer terwijl hij met een onheelsaeme siekte in de sack en daerbij bevindelijke teering en maagenkoors is overvallen geworden, ook weegens altevroegtijdig afstervende kragte van credit zijne dienste niet meer kan voorstaen, zoodat niets meer bij hem overblijft, en dieshalven al zijn geld en goed heeft verlooren, nademael zulke siekte bij hem tot hier toe niet heeft kunnen worden gecureert, als heeft hij uit dien hoofde zijne demissie om aen vreemde plaatsen een been aentebinden verzogt, ’t welk men hem niet afslaegen maer veel meer verleenen willen.

Zoo gaat an alle hoge en nedrige van wat staat en conditie zij zijn van mij en onsen dorstige Broederschap en consorten van de werelt genoemden Hans Altoosdorstig bij bier en brandewijn alle goede genegentheid te toonen en als hij mogte in de mist of geut zijn gevallen behulpsaeme hand te bieden, ook in alle herbergen en gasthoven, als ook bij goede maaltijden vrij en onverhindert pass- en repasseeren te laaten, ’t welk ik altoos en aen mijn plaats tegens eenen ieder dorstigen Broeder naer standsbehoor te verschulden gehouden ben.

Tot naerder verzeekeringe hebbe ik deesen eigenhandig ondergeschreven en mijn angebooren zeegul daer onder gedruckt. Geschied in onze residentie te Zwijn-Egelsborg den 9 Feb. 1766.

Pond Braedworst
Jeremias Just Nooitnugteren Gen. Gouverneur
Bartelt Suijpuit bestelde secret[aris]

Bron: Archief familie Meekhoff Doornbosch (het inv.nr. dat ik in de jaren ‘80 op mijn fotocopie van dit stuk noteerde, komt niet meer voor in de huidige toegang).


Groninger naturaliënverzamelaars (1825)

“Bijzondere verzamelingen van naturaliën vindt men hier vooreerst bij de volgende hoogleeraren:

  • Bij prof. P. Driessen eene van mineralen en hieronder bijzonder van Groninger steenen, versteeningen en kapellen.
  • Bij prof. G. Bakker eene van voorwerpen der ontleedkunde en vergelijkende ontleedkunde.
  • Bij prof. P. Hendriksz vooral van monsters en zieke beenderen.
  • De heer R.K. Driessen heeft eene verzameling van Groninger versteeningen en insecten.
  • De predikant J. Martinet Kuipers eene van naturaliën uit alle drie rijken der natuur en daarenboven vele zeldzaamheden, oorspronkelijk verzameld door deszelfs oom J.F. Martinet, te Zutphen overleden.
  • De heer J. H. Geertsema eene van inlandsche kapellen.
  • De heer S.P van Idsinga eene van opgezette vogels en conchijliën.
  • De heer A. van Berchuijs eene van opgezette zoogdieren, vogels en conchyliën.
  • De heer S.T. Emmen eene van inlandsche kapellen.
  • De heer Criens, bij den papiermolen, eene van opgezette zoogdieren, vogelen en visschen.

Behalve eenige andere verzamelingen, van eerstbeginnende jonge lieden, welke thans nog van minder belang zijn.”

Aldus de Korte handleiding voor vreemdelingen die het merkwaardigste in de stad Groningen willen zien, een toeristisch gidsje dat Theodorus van Swinderen eind augustus 1825 voor eigen rekening liet drukken.

Van de tien aanbevolen verzamelingen waren er drie van hoogleraren geneeskunde: Petrus Driessen, Gerbrand Bakker en Petrus Hendriksz. Verder zien we op de lijst een jurist, een predikant met een ooit beroemde oom, en vier personen uit notabele Groninger geslachten. Tot slot iemand die in het lompensorteerdersbuurtje bij de papiermolen woonde en die dus juist niet van gegoede komaf was.

Zoals ook wel uit reisbeschrijvingen blijkt, konden fatsoenlijke dames en heren zich bij zo’n verzamelaar aandienen voor een bezichtiging van diens kabinet. Wat er verzameld werd, spreekt meestal vanzelf, alleen gebruiken we termen als conchyliën en kapellen niet meer. Met het eerste werden vooral schelpen bedoeld en met het tweede vlinders.


Een rijmneurose uit 1769

Geplaatst op 13 juli 2011  a Geplaatst op 13 juli 2011  b

Promotievers voor Wicher van Swinderen (Groningen 1769)

 


RUG-bestuur draagt louter proffen voor lintjes voor

Om aan de RUG in aanmerking te komen voor een lintje, moet je wel hoogleraar zijn.

Walgelijk. Net of andere medewerkers niet verdienstelijk zijn.

Dit elitisme is nu al jaren de tendens, maar nog nooit is het zo schaamteloos geëtaleerd.

Verantwoordelijk voor de voordrachten is het RUG-bestuur. Uit de biografietjes die het voorlichtingsapparaat van deze bovenbazen ons aanreikt, blijkt ook in genen dele wat deze hoogleraren buiten hun werkkring aan vrijwilligerswerk doen. Ik dacht toch dat de lintjes bedoeld waren om verdiensten voor de maatschappij in bredere zin te honoreren?! Of is dat nu weer veranderd?