Op de Groninger speer van Minerva, heden ontmaskerd als bezemsteel

Naar aanleiding van dit nieuwsbericht.

Geboren uit Zeus’ en dat gewapend met haar speer,
Die zeer tot haar eer ging onwetendheid tekeer,
Keek Gruno’s Minerva zonder verveer
Op het academieplein in de diepte neer.

Zo was het goed. Maar er komt altijd rampspoed van,
Zul je zien.

Helaas droeg Minerva tevens een uil.
En dat beest maakte de speer dermate vuil,
Dat deze verrotte en des nachts viel in de kuil
Aan gort en splinters, vlak voor zo’n zuil.

Wat later kwamen er pedellen aan,
Die deze dag erg vroeg waren opgestaan.
Zij namen uit de gangkast een bezem vandaan.
En hebben dit surrogaat Minerva aangedaan.

De pedellen verzonnen dus een list,
Maar niemand die het wist.

Helaas is een bezemsteel geen speer.
Een bezem ruimt weliswaar fysiek gesmeer
Maar gaat de onwetendheid niet tekeer
Integendeel, die vermeerderde zich zeer.

De akkedemie ging dan ook hard op weg naar benee,
Totdat haar museumdirectie de ontdekking dee’
Dat Minerva zeer onder haar bezemsteel lee’.
De speer keert nu terug op zijn rechte stee.

Dit was een goede leer voor een volgende keer
In Gruno kere nu wijsheid en wetenschap weer
Zorg in die gangkast steeds voor een reservespeer
Opdat geen bezemsteel ooit weer Minerva onteer’.

Zo, en nu is dan mijn verhaaltje uit.
Dat komt door die verrekte olifant, met zijn lange snuit.

Advertenties

Burka voor kunst en wetenschap

Deze poster is eergisteren opgehangen onder het Emmaviaduct en blijkt vandaag al door politiek schorum bemaggeld.

Maar eerlijk gezegd snap ik ook niet wat de functie van dit affiche is, behalve dan opvallen om het opvallen. Dames in burka, ook al hebben ze mooie blauwe ogen, behoren gewoonlijk niet tot de fans van kunst en wetenschap. Integendeel, hun kalashnikovmaatjes hebben in Syrië bijvoorbeeld een bekende archeoloog de kop afgehakt en dat zouden ze, als ze hier in Groningen de gelegenheid kregen, ook graag doen met het gros van het RuG-personeel en andere academici en artiesten. Alleen de natuurwetenschappers die gifgassen en biologische wapens kunnen produceren mogen nog even blijven leven, voordat ook zij om zeep worden geholpen als proefpersoon van hun eigen fijne maaksels..

Ik denk dus niet dat kunst en wetenschap hiermee gediend zijn.

Naschrift 21 mei:

Inmiddels is er een hele serie soortgelijke affiches voor hetzelfde doel, maar met steeds andere mensen naast de burka geplakt, als om deze te relativeren..


Botanische correspondentie

Op zoek naar een bepaalde illustratie, belandde ik in een bultje botanische correspondentie uit het Fin de Siècle. Het bevatte vooral offertes van bedrijven die wat wilden verkopen aan het instituut van professor Moll.

De man die zijn rozen graag aan de Rozenstraat zag, zat in het Drentse Hoogeveen, waar je rond 1900 wel meer rozenkwekerijen had:


Detail:

Het bedrijf van de fotocamera’s:

Detail – het waren nog zwaarwegende apparaten, die phototoestellen: degelijke houten kistjes met balgen:

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 1018 (archief Botanisch Laboratorium RuG) inv.nr. 5: correspondentie.


Van Giffen als achterdochtige Drent – een vroege karakterschets

De reistas van Van Giffen. Collectie Groninger Museum.

Gister kwam de brievencollectie van het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden online. Slechts een klein deel van die collectie is voorlopig echt toegankelijk gemaakt, maar de enige treffer die het zoekwoord ‘Groningen’ oplevert, is alvast een mooie verrassing. Het betreft een aanbevelingsbrief uit 1912 van de Groninger hoogleraar biologie Van Bemmelen voor de destijds nog niet gepromoveerde Albert Egges van Giffen:

Groningen, 6 Oct. 12.

Van Giffen heb ik leeren kennen eerst in zijne positie van student in de Biologie, daarna als assistent aan het Zoölogisch Labaratorium. In beide qualiteiten heeft hij blijk gegeven een man van bijzondere gaven en rusteloozen ijver te zijn. Hij bezit een grooten aanleg en ook sterke geneigdheid tot geheel zelfstandig werken, wat aanleiding kan geven dat hij we eens al te zeer zijn eigen weg gaat, maar hij is toch gevoelig voor raad van anderen en bereid tot overleg en tot samenwerking, wanneer men de eigenaardigheden van zijn karakter weet te verstaan en zijne neiging tot achterdocht (die vermoedelijk aan zijn Drentsche afkomst moet geweten worden) weet te overwinnen.
Volgens mijne overtuiging zal Van Giffen bij voldoende aanmoediging en vriendschappelijke leiding, veel en goed origineel werk kunnen verrichten en een groote kracht worden voor het archaeologisch onderzoek. V. Giffen’s begaafdheden voor dat onderzoek en ook reeds zijne verdiensten op dat gebied zijn zoo groot, dat ik het de plicht acht van ieder, die in de gelegenheid is hem te helpen en te steunen, om daarbij enkele minder aangename en gemakkelijke zijden van zijn aard over ’t hoofd te zien, vooral omdat naar mijne meening de grond van zijn karakter eerlijk, oprecht en onbaatzuchtig is.

J.F. van Bemmelen


“Wagenwijd open, die deur!”

Sluitzegel van het Universitair Asyl Fonds, het latere University Assistance Fund (UAF), op een Clercke Cronike van 18 november 1949:

dsc00511

Dat jaar hielp het fonds, dat gelden inzamelde bij studenten en alumni, zo’n 70 studenten, “die om der gewetenswille uit het eigen land zijn  uitgeweken”. Het ging voornamelijk om Tsjechoslowaken die geen toekomst zagen onder het communistische bewind. Voor deze studentvluchtelingen hielden studentmusici ook wel eens een “Weldadigheidsconcert“.


Groninger studentenalfabet

Academiegebouw van 1854

Naast het Grunneger ABC was er een studentenalfabet:

A is de Academie, die houd ik hoog in eer,
B is mijn schrik en mijn afschuw: de beer.
C is ’t college, waar wijsheid geleerd wordt,
D is de drank, die niet minder begeerd wordt.
E is ’t examen dat eerst ging vooraf,
F is de fuif die ik naderhand gaf.
G is het geld, waarvan ik nooit iets bespaarde,
H is de hospes, die het nijver vergaarde.
I is Io Vivat, het schoonste gezang,
J is de jool die mij nooit duurt te lang.
K is de kroeg waar ik heel vaak ga bitt’ren,
L is de lantaarn die ervoor staat te schitt’ren.
M is Minerva die spruit van Jupijn,
N is de nectar bij ’t vrolijk festijn.
O is de oester in Datema’s kelder,
P is professor, zo kort en zo helder.
Q is de quintessens van zijn betoog,
R is de rector die het corps stelt zo hoog.
S is de sjees die door niemand begeerd wordt,
T zijn de theses waar veel bij beweerd wordt.
U is de uil, ’t wetenschappelijk dier,
V is het vaandel en Vindicats sier.
W is de wetenschap, groot in haar werken.
X is Ximenes, ’t zoetste der merken.
Y is het ijs bij de Rabenhauptstraat,
Z is het ziekenhuis, akelig in staat.

Bron: een Vindicat-lustrumalbum van eind negentiende eeuw. Wat ook aan de laatste regel te zien is, want in 1903 kwam er een nieuw Algemeen Provinciaal, Stads en Academisch Ziekenhuis aan de Oostersingel. En dat was state of the art.

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA


Een onverwachte blik op het academieplein

Op een bundel verzen, gemaakt voor de promotie van de jurist en latere topregent Johan Geertsema (1716), vinden we dit plaatje:

003

Een aankomend geleerde overhandigt een rol met zijn theses aan Minerva, godin van onderwijs, kunst en wetenschap. Op de achtergrond links de parafernalia van een studentenbestaan: Japonse rok, wat boeken op een plank, en iets ronds aan een koord, mogelijk het onderscheidingsteken van een studentenclub. Door een portaal rechtsachter krijgen we zicht op een stad. Een stad? Nee, het is warempel de stad Groningen, om precies te zijn het academieplein, de Broerstraat dus, zij het wel iets vervormd:

003 deurzicvht

De laagbouw rechts was het academiegebouw, een voormalig vrouwenklooster. Maar de rooilijn liep evenwijdig aan die van de tegenoverliggende kerk, en dus niet taps toe, zoals op dit stadsgezicht. Die kerk is de middeleeuwse Franciscaner kerk, in 1716 in gebruik als academiekerk, tevens aula. Tussen beide gebouwen door zien we de Oude Kijk in ’t Jatstraat, met achter het academiegebouw nog net het bovenstukje van Het Wapen van Bentheim, dat met zijn renaissancegevel nu nog steeds tegenover de Broerstraat te vinden is.

Een alleraardigst detail vormen de twee studenten op de voorgrond, of het plein. Die ene lijkt zijn degen te trekken. Duels kwamen destijds nog regelmatig voor in heren- en studentenkringen.

In het bundeltje zelf staan, na enkele Latijnse verzen, enkele stukjes doorspekt met Gronings en Westfaals – zeer vroege streektaalspecimina, waarvan de waarde echter wel eens betwijfeld wordt.