Hunebed met schrijver dezes

Nu het vanwege de massaliteit en het vandalisme zwaar verboden begint te raken om nog langer hunebedden te beklimmen, moest ik toch maar eens op zoek naar de foto van mij op de poort van het grote Havelter hunebed. Helaas is mijn scanner kaduuk en dus moet u het doen met een foto van de foto die destijds door mijn jongere broer gemaakt is:

Hij dateert van april 1970. In die dagen kon je nog helemaal alleen op een hunebed zitten om over de grote stille heiden te koekeloeren door je brilletje.

Overigens was dat hunebed in de oorlog door de Duitsers onder de grond gewerkt vanwege hun vliegveld. Na de oorlog kwam het weer tevoorschijn, natuurlijk niet uit zichzelf, want zo’n hunebed is moeilijk in beweging te krijgen. Op dat moment maakte Havelte zijn al bestaande bijnaam waar: het “Drents Pompeï”.

Advertenties

Zuidbroek – Schildwolde – Slochteren – Woudbloem enz.

Was gisteravond even te druk bezig met een onderzoekje, zodat het niet kwam van foto’s posten. Had ’s middags in Zuidbroek een afspraak, vandaar ben ik tegen de wind in terug naar de stad gefietst via Slochteren en Woudbloem.

Dit billboard met pictogrammen voor zaken als molen, tompoes, koe, waterijsje, hipsterbakfiets, windturbine en joint, hing op een veenkoloniaal station, hetzij Hoogezand, hetzij Sappemeer-Oost. Kennelijk gaat het eerder om kunst dan reclame – iemand die weet wie de maker is?


Loerend gevaar op het kerkhof van Zuidbroek:

Grafzerk met muzikale engelen, van Yke Oomkes, wed. Waldrick Eppes (1666):

Nog meer muziek, maar dan op een recente grafsteen:

De toren van Zuidbroek blijkt aan de buitenkant opgeknapt – nu maar hopen dat ze de binnenkant hebben gelaten zoals die was:

Halfweg Noordbroek en Siddeburen – een rechtgeaarde Groninger vlag mist altijd een reep, want het waait hier altied ja:

Ridder te paard met lans, als windwijzer op een villa die Schattersum heet, naar een voormalige borg in Schildwolde:

In Slochteren eerst wezen kijken bij de expositie van kinderportretten in de Fraeylemaborg. Zonder meer een aanrader! Een hoogtepunt vond ik dit portret van de eenjarige, zeer levendige Edzard Lewe van Middelstum, dat in 1784 gemaakt werd door de stad-Groninger schilder Hindrik Lofvers. ’t jochie is ook gehuld in stad-Groninger kleuren – in zijn ene hand heeft hij een rinkelbel:

Een aandoenlijke tegenhanger is dit portret van een overleden kind door Jan Jans de Stomme uit 1654. Het meisje (?) draagt een takje rozemarijn in d’r gevouwen handjes. Op het doodskleed het anagram van Christus en mogelijk haar eigen initialen:

Ook nog even in de borg zelf gekeken. De hazewindhond als schildhouder boven het front blijkt duidelijk een reu:

Nieuw voor me – deze rariteitenkast met opgezette vogels, zoals een wielewaal, een vlaamse gaai, ijsvogel en hop. Onderin zit nog een wezel:

Blokkendoos met klassieke zuilen:

Het bureau van meneer:

De keuken:

Met de nog redelijk goed gevulde waterkelder – bij droogte kreeg de elite niet zo gauw last van dorst:

Balsemienen met hommels bij de Scharmer Ae:

Woudbloem – achterzijde schuur voormalige scheepswerf:

De meest mefistolische geitebok van heel Groningerland vindt men zonder meer in Woudbloem:

Op een slootwal bij Harkstede:

Waarschuwingsbord langs de hoofdweg in Engelbert:


‘Woedende Wodan’

Ik zag bij de klushaven te koop staan dit charmante opduwertje met de vreeswekkende naam “Woedende Wodan”:

Googelend op de naam, blijkt dat er ook een advertentie op internet staat. De verkoper, ene Roy, benoemt het type als een “steilsteven” – wat je zo kan zien – met een “dubbel geveegde kont” – hiervoor mis ik de expertise (al zal het vast niet slaan op zindelijkheid). De vraagprijs voor deze “opknapper” met “goedlopende motor” is 3250 euro.

Ik voel een zekere verleiding, een ligplaats heb ik al in gedachten, maar weet ook: “Koop een boot en werk je dood”.


Onlander rondje

Omgelegde Eelderdiep bij het Transferium Hoogkerk:

Hamersweg:

Elzenblaadjes als delicatesse voor Haflingers (bij de Gouwe):

De fraaie koe met pantervel was er ook weer:

Jagende zwaluwen:

Zwaluw met narcistische trekjes? Nee hoor, zwaluwen plukken ook insecten zoals schrijvertjes van het wateroppervlak af:

Rood vee bij de Bommelier met de molen van Roderwolde op de achtergrond:

Afstervend coulis bij de Drentse dijk:

Zuidelijk stuk van de Gouwe:

Zwaluwjong, wachtend op voer van pa of moe:

Gele plomp:

Boerderette Nieuw Eelderwolde:


“We moeten toe naar grote weidevogelreservaten”

Ooievaar bij Leegkerk, 10 augustus 2018.

Egbert Boekema, auteur van Vogels in Groningen (2016), sprak vorig jaar oktober op de Dag van de Groninger Geschiedenis over zijn passie – het waarnemen van vogels – en de historische aspecten daaraan. Vooraf had ik een interview met hem, dat verscheen in het DGG-magazine. Met wat kleine retouches neem ik het hier over.

“Geluk is als je relaxed buiten kunt zijn om vogels te zien, dat is voor mij geluk”, zegt Egbert Boekema. “Bij sport ken je allerlei opwinding – bij verliezen is het waardeloos en bij winnen ben je euforisch, maar hierbij heb je dat dus niet zo.”

Toch gaat het er niet altijd even kalm aan toe bij dat vogelen. Het liefst gaat hij met stormweer naar de waddenkust: “Dan zie je er allerlei trekvogels langskomen. Al weet je op voorhand niet wat je te zien krijgt, dat weet je pas als je er zit.” Zijn favoriete plek is dan het Lauwersmeergebied, al gaat de hele kuststrook tot de Eemshaven ermee door. “Het maakt dan niet uit waar je bent, maar bij de Dollard, voldoet eigenlijk alleen de Breebaartpolder. Verderop zijn de kwelders zo breed, dat je daar gewoon niets ziet; je zit daar veel te ver weg van het wad om waarnemingen te kunnen doen. Bij de Breebaartpolder kan je vogels op maar 20 meter afstand zien.”

Een passie begint vaak vroeg, zo ook bij hem. Hij weet nog hoe hij als kind een ooievaar hoorde klepperen op het postkantoor van Zuidhorn. “Ik was toen een jaar of vijf, denk ik.” Naast die eerste vogelwaarneming herinnert hij zich zijn eerste goede kijker, een Zeiss, begin jaren 70 in Duitsland gekocht van zijn eerst verdiende geld: “Dat ding kostte 680 D-Mark, destijds een behoorlijk bedrag. In Groningen was ik de tweede met zoeen, iemand als Loterijman, de eerste voorzitter van Avifauna, deed het nog met een veel eenvoudiger kijker.”

Het rare is dat Boekema destijds geen biologie ging studeren, maar biochemie. “Ik heb jaren getwijfeld en vroeg na de propedeuse of ik nog bij biologie kon instromen. Maar dan zou ik van alles over moeten doen en zo ben ik nooit echt bioloog geworden. Wel ben ik nu voor mijn beroep veel bezig met planten.”

Hij is hoogleraar elektronenmicroscopie en daarnaast voorzitter van de vogelaarsclub Avifauna. In zijn imposante naslagwerk Vogels in Groningen, staat voorin een foto van zijn metersbrede rij dagboeken met vogelwaarnemingen, bijgehouden sinds 1971. Nog steeds noteert hij iedere ochtend op weg naar zijn werk de vogels die hij hoort. Hij toont een turflijstje met de dagoogst: zwartkop 3, houtduif 2, merel 2, winterkoning 1, tjiftjaf 1. Niet gek voor eind juli.

Gevraagd naar zijn favoriete vogel, noemt hij de lepelaar. “Lepelaars, dat zijn geweldige beesten, hele mooie, sierlijke vogels. Als ze foerageren, zijn ze heel actief.” Qua zang is vooral de merel favoriet: “Heel bijzonder is dat merels op elkaar reageren, dat geeft een bepaalde sfeer op een mooie voorjaarsavond.” Van die merel verbaast het overigens, dat hij pas sinds 1735-1740 in de stad Groningen broedt, terwijl daar nu zo’n 5000 stuks leven. “Ja”, lacht Boekema, “iemand heeft ooit die eerste waarneming genoteerd en die is vervolgens steeds weer overgeschreven. Oorspronkelijk zou de merel een schuwe bosvogel zijn geweest, die zich met de vergroening van de bebouwde kommen heeft aangepast.”

Ook de lepelaar is een succesvolle soort. “Eind jaren 60 was het aantal heel erg teruggelopen, er was toen bijna niets meer. En nu broeden ze op Schier, zitten er soms honderden in het Lauwersmeer en kan je ze ook in het binnenland zien.” Hetzelfde geldt voor de ooievaar. Terwijl er vroeger ooievaarsnesten zaten op het stadhuis van Groningen, kerken te Niehove en Onnen en de school van Hoogkerk, was deze vogel rond 1970 in onze provincie uitgestorven. Dankzij herintroductie maakte de ooievaar een comeback. “Bekend is natuurlijk de Lokkerij bij De Wijk”, zegt Boekema, “maar ook bij Nienoord in Leek is er in de jaren 80 en 90 een buitenstation geweest”.

Naast vooruitgang is er helaas achteruitgang. “De weidevogels”, zo constateert hij, “daar is bijna niets van over. ” Volgens hem ligt het niet alleen aan de intensivering van de landbouw. “Vermoedelijk heeft de grutto het ook in Afrika moeilijk, maar inderdaad hebben de jongen een gevarieerd insecten- en kruidenrijk grasland nodig. De onderzoeksgroep van Theunis Piersma aan de RUG heeft het helemaal uitgezocht.” Hier in Groningen speelt predatie mede een rol. “Onder andere kraaien zijn de boosdoeners. Dat komt ook doordat er veel meer geboomte is, nu. Vroeger was het landschap veel kaler en had je veel minder kraaienesten. Rond 1960 kon je bijvoorbeeld vanaf zwembad De Papiermolen helemaal naar Paterswolde kijken.”

De goedbedoelde pogingen om weidevogels te redden, stranden op versnippering en kleinschaligheid, vindt hij. “Er zijn wel boeren die er wat aan proberen te doen, maar land waar een of twee grutto’s broeden, dat heeft nauwelijks zin. Je moet eigenlijk toe naar grote weidevogelreservaten, niet van 100 maar van 1000 hectare. Daar kan je honderden grutto’s op hebben.”


Haflingers bij de Gouwe

(Foto’s van maandagavond, toen het nog zo warm was en ik nauwelijks fietsfut had.)


Een zinnebeeld voor Twitter?

Bron: Verzameling van aardige en het verstand opscherpende anekdoten (Rotterdam 1814) nr. 186.

Naschrift: Ghurabalbayn wees mij op dit iets latere gedicht van Staring: