Retour Ezinge

Vanmorgen om een uur of half tien: mamelluswolken, als ik het wel heb:

Het was ook heiig en het werd wat benauwd. Later stak er een lekker briesje uit het noordoosten op. Maar dat duurde ook weer niet zo lang, helaas. Gezicht op de Gaaikemadijk:

Steentil:

Bij de ree van Harkema’s kerkje, achter Aduard:

Museum Wierdenland, collectie van de oprichter:

Ik kwam er om foto’s voor Stad & Lande te maken van de tentoonstelling over Het Oude Riet. Oaltoek (of oalgeer of elger) – hiermee ving men paling:

Weefsel op een primitief weefgetouw:

De molen van Feerwerd:

Drie kraaien – waar zijn de dode ridder en de jonkvrouw?

Bij de brug van Garnwerd – de sleepboot Willem uit Zoutkamp, die je kunt huren als bed-and-breakfast:

Onderonsje op de Reitdiepdijk bij Wetsingerzijl:

Het hele dameskransje:

Aandachtig luisterende en begripvolle mevrouw:

Grazige weiden, de kant van Adorp op:

Einstein op Zernike:

Een wijze uil pakt altijd de fiets:


Retour Foxhol

Waterhuizen – tussen die schepen past heel weinig meer:

Waterhuizen, bij Pattje enz. – de laatste hand aan een zeesleper:

Vlakbij Hoogezand – de zon zat nog naar nauwelijks aan de andere kant van de bomenrij, of de koeien besprongen enthousiast het eerste reepje schaduw:

Engelberter honing:

Harkstede – hooimijt met eenzame hooier:

Boer Diekhuus aiweg vigelant bie zien ol stee:

Deze antieke huisaansluiting voor het bovengronds elektrisch net was me hier nooit eerder opgevallen:

Industrieterrein Zuidoost bij de Helsinkihaven:


Retour Huizinge

Aan het Boterdiep in Zuidwolde staat dit huisje met op de muur het jaartal 1774. Geen idee of dat waar is:

Op de schoorsteen deze kap met zeer hartelijke windwijzer:

De nationale driekleur, geteisterd door zon en wind:

Aan de Zuidwoldiger kant van Bedum – hooiland met 12 ooievaars, waarvan er hier 4 zijn te zien:

Bedum, dorpsgezicht:

Sommige mensen hebben last van windmolenlawaai, terwijl ze er 1500 meter vanaf wonen. Deze boer op Ter Laan heeft een grote windmolen op eigen erf:

Bij Westerwijtwerd lijkt er een duivenslagpoort in aanbouw:

De Boerdamsterbrug bij Middelstum werd uit voorzorg nat gehouden:

Kunstwerk bij verzorgingshuis in Middelstum:

De kerk van Huizinge in de verte:

Maaidorsers houden holdert – bij Huizinge::

Bij de kerk van Huizinge:

Gezicht op Middelstum vanaf het Huizinger kerkhof:

Bij de kansel in de kerk van Huizinge:

Vrouwsperoon op die kansel:

Het doel van de reis – Melkema, bewoonde plek sinds 1370, naar ik hoorde:

Er zit een mooie, deels gereconstrueerde schouw uit 1597 in, afkomstig van Maarslag:

Met een renaissance-cartouche rond het jaartal:

De schouw werd gemaakt voor een boerenfamilie, getuige de klavers:

Gedeeld met een huismerk; of is het een wolfsangel?:

Peerdje in het snijraam boven de voordeur:

Melkenstijd bij Westerdijkshorn:

Peerdje op de toren aldaar:

Het opladen van hooibalen  op de Hoge Paddepoel:


Zwanenpicnic

Zag in de vroegte bij het Hegepad een paar koppies vlak boven het gras, en wel van die middelste twee. Fietste eerst nog wat door, maar vond het toch wel een fotootje waard en keerde terug. Toen ik stopte bij de dam. rezen die witte koppen echter omhoog. Mijn hele foto verknoeid!


Rondje Sandebuur – Oostwold – Den Horn

Grasroller met grasrollerverzwaarder in de omgeving van Sandebuur:

Allemaal paarden in de Kleine Oostwolderpolder:

Hooiholdert met doorzontrekker uit de seventies (als ik het wel heb)::

De Gave, ooit de trekvaart naar Dokkum:

Munnekevaart, eigenlijk ook De Gave, maar nog wel breed en diep:

Lagemeeden:

Bij de Zuidwendinger watermolen – compositie met acrobaat, boomstammen en roestige romneyloods:

Den Horn. Tot voor kort stonden die stukjes rails op een grote stapel. Iemand heeft ze nu uitgespreid. Blijkt het smalspoor, terwijl ik altijd heb gedacht dat de stapel bij het echte spoor hoorde::


Paradijselijk palet

In 1769-1770 verfde de Meppeler schilder Hendrik Vos in etappes de verlaatsmeesterswoning bij het Paradijsschut. Zijn rekening heeft een chronologische opzet, waardoor diverse soorten posten door elkaar heen staan, maar je ook goed de opbuw van het schilderwerk ziet. Ik noteer hier de kleurstoffen, zonder me verder te bekommeren om arbeidslonen, de gebruikte olie, de grondverven (loodwit en rode menie) en stopverf. Het gaat me erom hoe dat huis er qua kleuren uitzag.

Steeds heb ik de data en de plekken van het werk genoteerd en vervolgens in vier kolommen de gebruikte hoeveelheden verfstoffen in ponden, de kleurstof in kwestie, de totale prijs (in guldens stuivers en penningen) en de prijs in stuivers per pond van de desbetreffende verfstof.

3 november 1769 – de kozijnen van binnen en buiten:

5,62 pond Wit 1-02-8 4,00 st/pond

5 december 1769 – de vensters en deuren:

4,00 pond Wit, olijf en rood 0-16-8 4,13 st/pond gem.

24 april 1770 – (kamer)beschot gelijmd en geverfd:

6,00 pond Geeloker 0-09-0 1,50 st/pond
1,00 pond Loodwit 0-02-12 2,75 st/pond
Ton Zwart 0-03-0 ?

14-17, 21 en 23 mei 1770 – huis van binnen gelijmd en geverfd – zolder en beschot:

15,90 pond Geeloker 1-03-4 1,46 st/pond
2,50 pond Rood 0-03-2 1,25 st/pond
? Omber 0-02-8 ?
? Mooi blauw (kozijns en ramen) 0-09-0 ?
Ton Zwart 0-03-0 ?

25 en 26 mei 1770 – Kozijnen en ramen in de keuken:

1,56 pond Mooi Blauw 1-02-0 14,10 st/pond
0,06 pond  (2 lood) Mooi rood 0-02-0 33,33 st/pond
3,00 pond Toegemaakt wit 0-12-0 4,00 st/pond

11, 12 en 18 juni – buitenshuis incl. tafels en banken:

? ws. 0,06 pond (z.b.) Mooi rood 0-02-0 (vgl. boven) ?
1,50 pond Toegemaakt wit 0-06-0 4,00 st/pond

Het kleurenpalet bestond dus voornamelijk uit, in afnemende volgorde:

  • Zwart – 2 ton (binnen, vloeren?);
  • Geeloker – 22 pond (binnen, beschotten);
  • Wit – 11,8 pond (incl. toegemaakt – vooral buiten, maar ook wel binnen);
  • Rood – 4,2 pond (incl. mooi rood – accenten kozijnen deuren en vensters);
  • Blauw –  2,0 pond (incl. mooi blauw – kozijnen en ramen binnen).

Kortom, binnen domineerden zwart en geeloker, buiten was dat vooral wit.

Het duurst was mooi rood, mooi blauw volgde en daarna toegemaakt wit. Gewoon rood en geeloker waren het goedkoopst.


Rondje Noordlaren

Langs het paadje naar de vogelkijkwand in de Onlanden: is dit een nieuwe invasieve exoot?

Er even op ingezoomd::

Rijpende bramen. Vrij laag hangend en dus ook straks niet consumabel (omdat er een vos overheen kan hebben gepiest):

Bekoorlijk rietpolletje:

Meestal zie je ze wel in plukjes, maar zoveel bij elkaar dat komt wat minder vaak voor:

Langs het Omgelegde Eelderdiep staat momenteel veel wilde peen, met witte bloemen. Deze roze lijken erop, maar ze zijn er geen variant van:

Holdert bij de Hooiweg, Paterswolde (het was nog voor enen):

Bij een zandweg in Noordlaren: de autodokter kan er zelf wel een gebruiken. Wagen lijkt vanachter trouwens verlegd:

Noordlaren:

Omdat er een trouwerij was geweest, stond de kerk open. Buiten veegde een man witte bloemblaadjes op, binnen was een jong stel mensen de boel aan het opruimen. Ik mocht wel even rondkijken – engel met bazuin bij het orgel:

Fraai armblok voor het storten van collecte-inkomsten. Er zitten drie sloten op – elke diaken kreeg één sleutel, alleen gezamenlijk konden ze het blok openen om de inhoud te tellen:

Noordlaren – het diepje naar het Zuidaardermeer:

Waar ik het de laatste jaren wel eens minder druk heb gezien:

Groepje wit rundvee bij Onnen

Bloemenrand bij korenveld, Glimmen:

Haren, Rijksstraatweg:


Goeiemorgen!

Bij een buurman in de tuin:

Hoe heten die bloemen ook alweer?


Sint Jacob als tijdsaanduiding (2)

Archief marke Havelte, inv.nr. 1.

Medio achttiende eeuw was Sint Jacob (25 juli) nog heel gewoon als tijdsaanduiding in Groningerland, ondanks de calvinistische weerzin tegen heiligen. Zelfs ambtenaren en bestuurders gebruikten deze tijdsaanduiding. Zo gold Sint Jacob als uiterste betalingstermijn in het Gorecht (Hoogezand en Haren).

In de stad Groningen was er tot 1669 nog een Sint Jacobsmarkt op of rond 25 juli, die wel veertien werkdagen kon duren. Omdat de boeren het dan druk hadden met oogsten en ploegen, achtte het stadsbestuur dit een “onbequame tijt” voor een jaarmarkt. De heren vervroegden deze markt daarom op de kalender en wel naar eind april, om haar op dat tijdstip te combineren met de Paasmarkt, die daarmee door de bank genomen wat later op de kalender kwam te staan, en zonder die naam. Na 1700 werd de gecombineerde nieuwe jaarmarkt begin mei gehouden, waarmee de meikermis ontstond.

De afschaffing van de Sint Jacobsmarkt heb ik destijds geplaatst tegen de achtergrond van Groningens ontwikkeling van veeteelt naar akkerbouwprovincie. Nu zie ik dat anders. Een wat later opgepikte opmerking van Harm Tiesing wijst eigenlijk al de weg – de Oost-Drentse boer en publicist noemde Sint Jacob “de dag dat het koren gewoonlijk rijp is”.

Onder koren verstond Tiesing rogge. Onlangs vond ik in de momberprotocollen van Havelte en Vledder en in het rekeningenboek van de marke Havelte nog wat latere meldingen van Sint Jacob als tijdsaanduiding, die stroken met de Groninger meldingen en Tiesings kwalificatie. Ik geef deze Zuidwest-Drentse meldingen hier kort weer en kom dan terug op de afschaffing van de Groninger Sint Jacobsmarkt.

1
Op 2 februari 1765 sluiten de erfgenamen van Albert Harms in Uffelte een akkoord over diens nalatenschap en die van wijlen zijn schoonmoeder. Albert is twee keer getrouwd geweest en liet kinderen ‘uit beide bedden’ na. Enerzijds is dat zoon Harmen Alberts uit zijn eerste huwelijk. Deze krijgt voor de komende zes jaar “de beesten, schapen en voerasi, neffens het boer- en huismansgereedschap” voor hem alleen, en betaalt zijn halfzuster, uit het tweede huwelijk van zijn vader, daarvoor in ruil 125 gulden ineens, omdat zij eigenlijk recht heeft op de helft van alles. Het al uitgezaaide koren (winterrogge) en het nog uit te zaaien koren (zomerrogge etc.) blijven echter mandelig tot telkenjare op “Sunt Jacob” en dat geldt ook voor de roggepachten van het “uitgedane”, dus verpachte land. Harmen kreeg dus voor zes jaar de beschikking over de hele keuterij van zijn vader en grootmoeder en moest voor het aandeel van zijn halfzuster daarin ook nog jaarlijks 7 gulden als huur aan haar voogden betalen, plus “de darde garve” van het eigen gebruikte zaailand en de helft van de pachtgarven (een zesde deel van de totale opbrengst van het verpachte land). Uit het hele stuk valt op te maken, dat de rekening en de verdeling van de oogst steeds plaatsvond op Sint Jacob. Dan was immers pas duidelijk, hoe groot het aantal roggegarven was, dat moest worden verdeeld. Uit een rekening van vier maanden later blijkt dan nog, dat de oogst van “Sunt Jacob 1764” is “ingetrokken” door een Harm Jans, die voor deze dienstverlening 3 gulden betaald krijgt.

2
Uit een andere momberrekening, op 5 januari 1788 opgemaakt in Havelte, maar waarschijnlijk een familie te Nijensleek betreffend, staan de opbrengsten van rogge, boekweit, haver, aardappelen, turf en kippen vermeld. Een week eerder ontving de boekhoudend voogd de “Sintjacobs opslags penningen van de rogge en haver”. De daarmee aangeduide veiling van eind juli bracht het lieve sommetje van ruim 318 gulden op.

3
Ene Berend Jacobs van Zuidveen, een notoire wanbetaler, pacht begin jaren 1780 een flink stuk heideveld van de marke of “boer” van Havelte. Eigenlijk moet hij de marke daarvoor veel meer huur betalen, maar dat kan Bruin niet trekken. Op 10 juni 1782 geeft Berend wel alvast een voorschot van 15 gulden aan schatbeurder Hendrik Eleveld van Havelte. Hij doet er een briefje met een belofte bij :

Sullende bij wel zijn tegens Sundt Japik nog wat geven, soo veel als ik uijtbreken kan, en versoeke vrindlijk dat de boer mij gunstig belieft te behandelen, gelijk ik aan mijn kant altoos gedaan hebbe aan de minder luij.

Kortom
Sint Jacob bleek ook in Zuidwest-Drenthe het moment dat het koren – hier ging het voor driekwart om rogge – oogstrijp was en ingehaald en verkocht kon worden. Er kwam dan veel geld bij de boeren binnen. Het was een periode om schulden te delgen, de teugels even te laten vieren, en aankopen te doen. Het Groninger stadsbestuur leek in 1668 wel gek met haar besluit om de Sint-Jacobsmarkt af te schaffen!

Alleen: afgezien van de typische zandstreken (zoals het Gorecht, delen van het Westerkwartier en Westerwolde, verbouwde men niet zoveel rogge (meer) in Groningerland. De stadjers aten vanouds gewoonlijk roggebrood, maar betrokken hun rogge voor het overgrote deel uit Drenthe. In de Groninger akkerbouwgebieden waren waarschijnlijk andere granen gaan domineren, zoals weite (tarwe), gerst en haver. Daarvan kwam de oogst wat later dan die van rogge, waardoor de klad kwam in de Groninger Sint Jacobsmarkt. Met meer akkerbouw en minder veeteelt, zoals ik eerst dacht, heeft die afschaffing niet te maken. Dat was een ontwikkeling die pas diep in de achttiende eeuw op gang kwam. Nee, de afschaffing van de Jacobsmarkt had veeleer te maken met een specialisering van akkerbouwgebieden en daarmee het uit zicht raken van de roggeteelt op de Groninger klei.

Bronnen
Drents Archief, Assen – Toegang 102 (archieven Schultengerechten) inv.nrs. 180.3, 180.4 en 180.6: momberprotocollen Havelte en Vledder op de aangegeven data. Verder uit hetzelfde archief  Tg. 519 (marke Havelte) inv.nr, 1, het ingespelde briefje bij de ontvangsten van juni 1782 en de opmerking bij de uitgaven op 5 maart 1787.


AH-Erlebnis

Wil bij de AH, waar het tussen half negen en negen uur nog vrij rustig is, maar wel een bejaard echtpaar gezellig samen aan het shoppen is, na mijn race langs de schappen mijn kar terugzetten in het voorportaal. Zie echter net een vrouw (ca. 30) van buiten binnenkomen en denk: “Wacht maar even, Harry”.

Correcte intuïtie! Terwijl veel mensen de handvatten van hun winkelwagentjes desinfecteren, doet deze vrouw dat niet. Ze begint na het wegnemen van haar kar uit de karrenrij ook prompt en met overtuiging te niezen en doet totaal niets om verspreiding van haar niesdruppels in het voorportaal tegen te gaan. Houdt, als ze mijn afkeurende ponem ontwaart, wel schielijk een hand voor haar mond, in plaats van haar snufferd in een elleboog te begraven. Is vast bang dat haar suède jasje anders naar de stomerij moet.

Heb haar maar even voorgedaan hoe dat moet. Ze zag me wel, maar negeerde me natuurlijk. Waarop ik maar even heb gezegd hoe ik over haar dacht. Had haar beter beleefd en civiel kunnen vragen of ze dat nou ook doet waar haar vader en moeder bij zijn, maar zoiets bedenk ik helaas pas achteraf, op de fiets naar huis.

Vernam net via het nieuws dat de helft van het zorgpersoneel er de brui aan wil geven, uit angst voor een tweede golf. Nou die komt er geheid. Wat mij betreft maken we Engelsmanplaat gereed als kamp voor alle zultkoppen die het nu nog niet weten, sorry: die het niet willen weten. Mogen ze elkaar daar verzorgen. Voor de types die wadlopend terugkeren naar het vasteland verzinnen we dan nog wel iets.


Rondje Peize – Roderwolde

Acrobaat in de berm van het Achterstewold, Peize:

Rode blaarkoppen tussen de zuring in de laagte:

Ouwe tractor::

Grasrolverzwaring:

Ooievaar aan de Brusselseweg (in totaal liepen er vijf rond):

Stenhorst, Peizerwold – haverveld met korenbloemen:

Uitgelicht exemplaar:

Onlander slenk richting Stad, vanaf de Hooiweg tussen Roderwolde en Matsloot:


De jacht op otters, vooral in Noord-Drenthe

In het voorjaar van 1769 ving Menne Geerts van de Matsloot een volwassen otter en vertoonde het beest “in zijn g[e]heel” aan de schulte van Roden, die Menne daarvoor beloonde met een rijksdaalder premie:

Menne was niet de enige ottervanger in de omgeving. Driekwart jaar later liet Tjerk Wybes van Roderwolde eveneens een otter aan de schulte zien. Ook hij ontving de premie. En de volgende dag al, kwam Jannes Krijthe uit Roden bij de schulte langs met twee volwassen otters. Hij ontving daarom het dubbele bedrag:

Deze Jannes had misschien de kunst van het otters vangen afgekeken  van zijn familielid Lucas Krijthe, die in 1760 maar liefst vijf otters inleverde, en dat nog eens herhaalde in 1762.

De premies waren uitgeloofd door de Landschap Drenthe (de latere provincie) en ze bestonden vanaf 1704. Voordien kwam de otter nog niet voor in de Drentse jachtreglementen, en ontbrak er kennelijk een reden om de otterjacht te stimuleren, waaruit je zou kunnen afleiden dat otters in Drenthe nog niet als heel schadelijk of zelfs als een plaag werden ervaren.

Of dat in 1704 wel zo was, is een beetje twijfelachtig. Er lijkt kopieerzucht in het spel te zijn geweest. De premieregeling van dat jaar kwam er namelijk op voorbeeld van naburige provincies, “tot beter conservatie” van de visserij. Een Drent die een gevangen oude otter liet zien aan de schulte of de panderschulte in zijn woonplaats, kreeg voortaan een rijksdaalder, een jonge otter bracht hem de helft op. De vangers mochten de pelzen houden, maar moesten de dieren tonen “eer dat de vellen daarvan zijn afgetrokken”. De schulte diende na betaling van de premie de oren van de otter af te snijden om te voorkomen dat hetzelfde dier meermalen getoond werd en premie opbracht. Ook moest de vanger een verklaring tekenen dat hij de otter aan de schulte had laten zien en daarvoor geld had gebeurd. Een ottervanger die dichtbij de ‘frontieren” woonde, moest bovendien onder ede verklaren dat hij de otter niet buiten de Landschapsgrens gevangen had. Ook dit kwam in de verklaring te staan.

Nadat in de jaren 1713, 1714 de klad in de premieregeling raakte – er werd geen otter meer ingeleverd –  blies de Landschap haar in 1716 nieuw leven in.  Opnieuw ging het Ridderschap en Eigenerfden zogezegd om schade aan de visstand, “door dat ongedierte gemeenlijk veroorsaakt wordende”. De premies per otter bleven gelijk. Wel kwam er naast de beperking tot inheemse otters nog een nieuwe randvoorwaarde voor de uitbetaling, namelijk dat de dieren niet “op de sneeuw gejaagt” mochten zijn. Net als in Stad & Lande was sneeuwjacht voortaan helemaal verboden in Drenthe. Dit moet het bejagen van otters wel een stuk moeilijker hebben gemaakt, want juist door ijswakken en sporen in de sneeuw is hun aanwezigheid heel goed kenbaar. Ook werd in 1716 bepaald dat de schulten hun bewijsstukken (otteroren en verklaringen) op de provinciale rekendagen moesten inleveren bij de Ontvanger-Generaal van de Landschap, die ze dan het uitgekeerde geld restitueerde.

Op basis van de  rekeningen die de Ontvanger-Generaal ons naliet, met alle bijlagen daarbij,  zoals bovenstaande kwitanties, heeft Henk Luning zo’n tien jaar geleden al eens uitgezocht in hoeverre deze premieregeling bijdroeg aan de teloorgang van de otter in Drenthe. Hierbij een samenvatting van zijn betoog op de punten waarom er op otters werd gejaagd, wie er op deze dieren joeg, hoe en waar dat gebeurde, en om hoeveel dieren het ging in Drenthe.

Waarom
Zoals gezien, motiveerde het landschapsbestuur de otterjacht met een verwijzing naar de visstand. Ongetwijfeld zal een otter wel eens in de ‘viskenij’ van een huis van stand hebben huisgehouden. Toch eet een otter niet meer dan een kwartkilo vis per dag. Zijn menu is gevarieerder dan dat – hij wil ook wel eens een muis verschalken, of een vogel. Ook eendenkooihouders, waarvan er in Noord-Drenthe redelijk wat waren, hadden een hekel aan otters, omdat die wel eens in een eendenkooi opdoken waardoor de begeerde vogels in paniek raakten en opvlogen. Zoals wel vaker, vormde het lelijke imago van de otter een rechtvaardiging voor de jacht op het dier. Maar er zat ook nog iets aantrekkelijks aan de jacht. Zoals gezegd, hielden de ottervangers de pelzen. Die waren erg in trek: otterbont stoot water af en is heerlijk warm in de winter. Maar ook werd het vlees gegeten, het zal vast naar vis hebben gesmaakt; de otterjacht viel ook eerder onder het hoofdje visserij dan onder dat van de jacht.

Wie
Vanouds was otterjacht in Drenthe veeleer een zaak van broodjagers – vooral als die gespecialiseerd waren in bunzingen – dan van hoge heren. Ongeveer de helft van alle ingeleverde otteroren kwam van ‘toevalsvangers’, mensen die incidenteel een otter vingen.  De andere helft werd ingeleverd door min of meer professionele premiejagers. Maar ook die kwamen zelden uit op een hoger aantal dan drie of vier otters per jaar.  Wat dat betreft was die Lucas Krijthe in 1760 en 1762 uitzonderlijk.

Hoe
Eerst zocht een otterjager naar sporen: ‘latrines’ met uitwerpselen, en poot- en staartafdrukken in de modder. Daar werd dan een speciaal getrainde hond, zoals een Friese wetterhoun (ook wel Friese krulhaar of otterhond genoemd) op ingezet. De bedoeling was om de otter met spiezen en/of drietanden in netten op de wal of bij een wak te drijven. Ook werd er gewerkt  met strikken en klemmen op ottersingels (paadjes).

Waar
Otters, aldus Luning, kwamen in vrijwel elk Drents water voor.  De eerste jaren na de invoering van het premiestelsel werden de hoogste aantallen echter in Peize en omgeving gevangen. Daarnaast onderscheidde de eveneens waterrijke omgeving van Meppel zich. Peize, of wat breder genomen het merengebied van Noord Drenthe (Zuidlaarder-, Paterswoldse- en Leekstermeer) sloot ook aan bij Friesland, waar de aantallen otters sowieso wat hoger lagen dan in Drenthe, terwijl Meppel natuurlijk vlakbij de meren van Noordwest-Overijssel ligt.

Aantallen en conclusie
Dankzij de uitbetaalde premies, weten we in elk geval hoeveel otters er in Drenthe werden gevangen in de periode 1704-1790.  Welnu, de eerste jaren na de invoering van het premiestelsel waren ook de succesvolste voor de ottervangers. De piek van toen – 38 oude en 18 jonge otters in een jaar – is nadien niet meer geëvenaard. Daarna lijkt er door alle pieken en dalen heen trendmatig een lichte achteruitgang over de gehele periode. Het gemiddelde aantal gevangen otters, zo’n 10 à 20 per jaar was echter vrij laag. Deze aantallen voerden Luning tot de conclusie, dat er niet heel veel otters in Drenthe leefden. In de achttiende eeuw bestond er een kleine populatie die zich met ups en downs redelijk wist te handhaven. Het afvangen van dieren bracht destijds de soort niet in gevaar. De jacht erop had geen funeste invloed, zoals andere auteurs het willen doen voorkomen.

Epiloog
Rond 1800 is de officiële Drentse premie op otters afgeschaft. Otters bleven nog wel bejaagd, maar dan louter om hun vel. Jagers moesten een vergunning hebben van de gewestelijke overheid èn grondeigenaars. Zo kregen twee arbeiders uit Paterswolde in 1854 vergunning om in enkele Noord-Drentse gemeenten met hun honden op otters te jagen. Ze waren hierin vooral ’s winters actief. Collega’s van hen kwamen van de Schelfhorst (1) en van Peize (3). Zo kende de Kop van Drenthe toch vrij veel concurrentie op dit gebied.

Vanaf medio negentiende eeuw kwamen er berichten over de achteruitgang van de otterstand, vooral over de riviertjes, maar wat minder over de meren in de lagere randgebieden. Drenthe kreeg een ander aanzien, ook qua water. Het veen verdween met zijn meerstallen, vennen en poelen. De beekjes werden gekanaliseerd. Bovendien raakte hun water ook nog vaak sterk vervuild. Een aangetroffen otter werd nieuws voor de krant.

Begin twintigste eeuw kon je in Drenthe nog otters vinden in de omgeving van Meppel, en aan de noordrand bij het Zuidlaardermeer, het Paterswoldsemeer, en het Leekstermeer, met de watertjes die erop uitkwamen, zoals de Matsloot. Daar ook bestond nog verbinding met de grotere Friese populatie.

Ondanks de gesignaleerde achteruitgang keerde de Groningse Heidemij destijds nog jachtpremies uit: een daalder per gedode otter. Ook in deze tijd kwamen de bekendste Noord-Drentse ottervangers uit Peize – twee Bathoorns – en Eelde. De laatste – een Adolf Arends – ving in 1919 zijn honderdste otter. In Roderwolde had je dan nog een Lubbers en Diertens, die foxterriërs bij de jacht gebruikten, terwijl leden van de familie Riemers in Sandebuur ook wel eens een otter schoten.

In totaal zijn er tussen 1906 en 1938 in het Noord-Drentse grensgebied nog 105 otters gedood, gemiddeld dus 3 per jaar. In 1938, het laatste jaar dat de Heidemij nog premies uitbetaalde, ging het om 7 otters.

De strenge winters erna deden de populatie al bijna de das om. In 1942 kwam er een verbod op de otterjacht, en vanaf 1947 is het dier zelfs wettelijke beschermd. Toch bleek de Drentse populatie te klein om te overleven. In 1986 werden de laatste inheemse otters gespot bij het Zuidlaardermeer en de Piccardthofplas bij het Groninger Stadspark. Verdwijnende biotopen, belabberde waterkwaliteit en toenemend verkeer droegen allemaal bij aan de teloorgang.

Sinds 1985 is er met vallen en opstaan gewerkt aan de herintroductie, eerst met Midden-Europese exemplaren. Een gezonde otterpopulatie ging gelden als signaal voor herstel van het watermilieu. Tegelijkertijd onderging de otter een complete imago make-over: van visrovend ongedierte tot knuffelbeest met menselijke trekjes. Inmiddels zwemmen er weer ettelijke otters in Noord-Drenthe rond, vooral in de oude kerngebieden zoals de Onlanden tussen Peize, Roderwolde, Sandebuur en Matsloot, waar ze ook elk jaar jongen krijgen. Uiteindelijk is het weer goed gekomen, maar met allemachtig veel moeite.

Bronnen
Archivalia:
Drents Archief, Toegang 1, Oude Staten Archieven (OSA):

  • inv.nr. 1775, rekeningen en bijlagen van de aangegeven jaren;
  • inv.nr. 6 deel 8: resoluties R&E 11 maart 1704 art. 37;
  • inv.nr. 6 deel 9, folio 99: resolutie R&E 17 maart 1716;
  • inv.nr. 14 deel 19: resolutie D&G 14 maart 1704.

Literatuur:

H.M. Luning, ‘De Otter. Ambassadeur van het zoetwatermilieu’, Nieuwe Drentse Volksalmanak 2010, pag. 49-72.


Marke Havelte was ondernemende club

Leuk postje in het oudste rekeningenboek van de marke Havelte.

Den 3 maart 1777 – 5 kerkenspraken betaalt: een op Wanperveen, en een op Colderveen, een op Gieteren, een tot Steenwijk, een tot Meppelt. Drie laasten sijn geroepen. Dus 6 stu[iver] daarvan. Dus samen ƒ 1-6-0.

Is van het verkopen van het Meeuwenveen ten Noorden de Pastorij van Havelte.

Vijf kerkenspraken, dat waren er best veel. Met die kerkenspraken werden bedoeld de wereldse aankondigingen in de kerk op zondag, zeg maar de gesponsorde mededelingen, oftewel het toetje van de dienst, voor menigeen dé reden tot kerkgang. Zo hoorde je nog eens wat nieuws.

En dan werd de zaak waar het om ging ook nog eens omgeroepen door de stadsomroeper van Meppel. Dat omroepen kostte 6 stuiver, de kerkenspraken een gulden met elkaar, oftewel 4 stuiver per kerkenspraak. Het zijn bedragen, die je precies zo in momberrekeningen kunt vinden. De ambulante stadsomroeper kreeg meer dan de dominee, maar hij had er ook meer werk van (en wellicht wat meer bereik bij een hogere attentiewaarde).

De zaak waar het om ging was het Havelter deel van het Meeuwenveen. De marke Havelte wilde dat stuk laten vervenen. Daarom zocht men kopers uit plaatsen als Giethoorn, Wanneperveen en Kolderveen. Al langer waren mensen, afkomstig uit die wellicht al wat uitgeveende dorpen op het Lok en het Legeveld actief, twee andere kleine veenkolonies, gesticht vanuit de marke Havelte.

Het Meeuwenveen op een kaart van de marke Uffelte uit 1768. Collectie Utrechts Archief.

Het Meeuwenveen – de aardappelachtige vorm in het midden van het kaartje, – lag ten noorden van de pastorie, zoals het uitgavenpostje in de markerekening al zegt, en ten oosten van de Havelter kerk (linksonder). De gele lijn over de kaart die de aardappel doormidden snijdt, is de scheiding van de marken Havelte en Uffelte, nu de Marktgenotenweg. Uffelte had een iets groter stuk van de aardappel dan Havelte. Ten oosten van het Meeuwenveen lag een grote kei die de markegrens markeerde.  De van zuid naar noord lopende stippellellijn, die haaks op de gele lijn over het Meeuwenveen  heen loopt, is het tracé van de Drentse Hoofdvaart die men nog gaat aanleggen. Uit die lijn blijkt dat er ook nog een stuk Meeuwenveen ten oosten van de Hoofdvaart lag. Hier moest bij de aanleg van de vaart ook wat extra moeite worden gedaan.

Marken hebben misschien een wat oubollig imago, maar het rekeningenboek van de marke Havelte laat zien, dat het boerencollectief een vrij ondernemende club was. De woeste grond in zijn gemeenschappelijke beheer lag daar zeker niet renteloos. De verpachte peerdenweiden, en de verkochte en verpachte venen brachten de gewaardeelden destijds bijna ieder jaar een mooie winst par aandeel op. Kom daar nu nog eens om.


Een vondeling op de Galgenkamp

De Galgenkamp bij Meppel, met rechts de Drentse Hoofdvaart en de Venebrug (nu Galgenkampsbrug), links de Zomerdijk of weg naar Zwartsluis, en boven de weg richting Steenwijk en Assen. Bron: http://www.hisgis.nl

Op maandag 30 juni 1788 om ongeveer 5 uur ’s morgens probeerde de dienstmeid van herberg de Galgenkamp bij Meppel de deur te openen van het schuurtje, dat schuin achter de herberg stond. Het kostte haar meer moeite dan anders: de deur “was wel terdeege toegemaakt”. Eenmaal binnen merkte ze nog iets ongewoons. Op een plank, zo leek het, lag een pak dat ze niet herkende. Het bevatte een baby! Tegen de plank was een andere plank neergezet, zodat het kind er niet af zou rollen. Daarom, zo besefte de dienstmeid, zat die deur ook zo vast: honden of andere dieren konden er op die manier niet bij. De dienstmeid waarschuwde haar baas, herbergier Hendrik Roelofs Benninks, die op zijn beurt meteen de schulte (of schout) liet komen.

Naderhand bleek dat het kind in ettelijke, vrij gewone doeken was gewikkeld, met een kleedje eromheen. Het had wel vijf mutsjes op het hoofdje, zodat

het niet alleen gedekt was tegen de koude; maar zelfs ook weegens het zweeten een weinig moest verschoont worden.

Omdat de Galgenkamp, hoewel dichtbij Meppel, nog onder Kolderveen viel, gaf de schulte de kerkeraad aldaar opdracht om het kind, een jongetje, op te halen, en onder te brengen bij een vrouw,

om ’t zij door de borst of door de leepel daardoor te laaten opbrengen, waarop het terstond provisioneel voor een gulden per week besteed is bij eenen Egbertje Hendriks (Pool), huisvrouw van Jan Alberts (Keyzer), destijds woonachtig voord aan de oostzijde van de pastorije van Colderveen…

Deze opvangouders, buren van de Kolderveense predikant, waren arbeiders, ruim in de dertig, dik twee jaar getrouwd (zij als weduwe) en kinderloos toen ze de vondeling in huis kregen. Of Egbertje het kind de borst kon geven, is dus de vraag. Waarschijnlijk kreeg het kind zijn melk met een lepel ingegoten.

Gesina ter Borch, Wandelaar bij een galg, 1654. Collectie Rijksmuseum.

Om op de Galgenkamp terug te komen – curieus was het zeker, dat uitgerekend daar een kind te vondeling was gelegd. Volgens een overlevering die een halve eeuw eerder in Meppel rondging, was op de Galgenkamp ooit een bisschop opgehangen. Als het perceel, gelegen in de noordelijke hoek tussen de Zomerdijk en de Steenwijker(straat)weg überhaupt ooit een gerichtsplaats was, moet dat grofweg voor 1600 zijn geweest, toen de eigenerfde “buren” van een lokale jurisdictie in Drenthe nog doodvonnissen konden uitspreken, die ze bovendien in hun eigen omgeving konden laten voltrekken. De Galgenkamp, gelegen bij het ‘driekerspelenpunt’, zou dan de gerichtsplaats kunnen zijn geweest van het gecombineerde schultambt Meppel, Nijeveen en Kolderveen. Maar dat was allang verleden tijd, toen er begin achttiende eeuw, ondanks het lugubere odium, op het perceel een herberg verrees die zelf ook “de Galgenkampe” werd genoemd. Hoe graag zou ik het uithangbord hebben gezien! Het bedrijf telde vier kamers en had stallen voor 20 koeien en 30 paarden, naast grote tuinen en twee stukken weiland. Het logement zou nog tot diep in de negentiende eeuw blijven bestaan. Medio jaren 1780 vormde het dé verzamelplaats voor orangistische Meppeler schippersknechten, sjouwers en scheepstimmerlui, die zich er volop moed indronken voordat ze, als een ”hoop gekken”, de lokale patriotten te lijf gingen.

Uiteraard stelde Kniphorst, de schulte van Meppel, Kolder- en Nijeveen, de Etstoel in Assen op de hoogte van de vondeling op de Galgenkamp “onder Colderveen”. Op zaterdagochtend 19 juli rapporteerde de landschrijver (aanklager) aan deze centrale Drentse rechtbank dat hij bij zijn onderzoek nog niet had kunnen ontdekken, “an wien dit kind toebehoort, ofte door wien hetzelve aldaar is gelegt”. De Etstoel loofde daarop een premie van maar liefst 100 ducatons uit om dat aan de weet te komen. Hieraan werd ruchtbaarheid gegeven door het laten ophangen van aanplakbiljetten in Meppel, en het drie maal plaatsen van bekendmakingen in de Haarlemse en Amsterdamse couranten:

Alzo in den nacht, tusschen sondag den 29 en maandag den 30 juny deezes jaars op de Galgenkamp by Meppelt ter vondeling is gelegt een klein KINDJE, zynde een jongetje, en het vermoeden is dat een vrouwspersoon die sondag over Staphorst gekomen en ’s avonds in Meppelt gezien [is], draagende een Vriesche of Groninger Zonnehoed met een breede rand, zulks gedaan heeft; echter den daader, ’t zy dit vrouwspersoon of iemand anders, alsnog niet is ontdekt – zoo beloofd de schulte van Meppelt ingevolge authorisatie van den Loffelyke Etstoel der Landschap Drenthe, één honderd zilvere ducatons aan diegeene, welke den daader van dit fait zal weeten te ontdekken, zodanig, dat dezelve in handen van de Justitie [zal] geraaken.
Meppelt, den 22 july I788.
C. KNIPHORST, Schultz.

Beide Hollandse kranten hadden een landelijk lezerspubliek, maar gezien het signalement met die typische zonnehoed zou publicatie van deze opsporing-verzocht-oproep in de Leeuwarder en Groninger couranten toch geen overbodige luxe zijn geweest. De route die de vrouw volgde, doet namelijk vermoeden dat ze vanuit Holland, Utrecht of Overijssel, waar ze mogelijk een dienst had, op weg was naar huis – langs de Drentse Hoofdvaart zal dat eerder Groningen dan Friesland zijn geweest, al kan ze natuurlijk ook de weg naar Steenwijk hebben genomen.

Van de 100 ducatons (315 gulden) premie kon iemand uit de volksklasse ruim een jaar lang leven. Desalniettemin bleef de gouden tip uit. De vrouw bleef onvindbaar.

tiende eeuw. Collectie Hannemahuis

Friese en Groninger zonnehoedenmode, eind achttiende eeuw (uitsnede). Collectie Hannemahuis, Harlingen.

Intussen stelde de kerkeraad van Kolderveen de doop van het jongetje almaar uit. Het ene kerkeraadslid opperde een “gemoedlijke zwarigheidt”, het andere was “beschroomt” om het in de ogen van de Drentse magistraat fout te doen. Op 6 juli, de eerste in aanmerking komende zondag, besloot de kerkeraad het kind op de 13e in de (meestal matig bezochte) middagdienst te laten dopen, waarbij de kerkeraadsleden dan gezamenlijk als doopgetuigen of peetvaders zouden optreden en de predikant als hun woordvoerder – “voor God en all’ het volk, dat daarbij mocht tegenwoordig zijn” – zou antwoorden op de vragen van het doopformulier. Dit ging echter niet door omdat men eerst wilde weten wie de opvoeding van het jochie zou gaan betalen. Men wilde niet zelf voor de kosten opdraaien, en graag een toelage hiervoor uit de landschapskas. De advocaat H. Vos, al in Assen aanwezig, moest daartoe zo spoedig mogelijk een verzoekschrift indienen bij het landschapsbestuur, maar hij schreef op 18 juli terug dat de heren vonden dat het kind “hoe eer hoe beter” gedoopt moest worden. Anders kon het Kolderveense rekest pas na de zomervakantie, op 19 augustus, ter tafel komen. Een enkele diaken moest de doopvragen maar beantwoorden (zodat de opposanten zich eraan konden onttrekken). Overigens zou de doop niet hoeven betekenen, zo zeiden de heren, dat de Kolderveenster diaconie opdraaide voor de kosten van het kind – de beslissing daarover kwam later wel.

Op zondagochtend 20 juli arriveerde in alle vroegte de brief van Vos in Kolderveen. De kerkeraad las er een toezegging in en besloot de vondeling nog diezelfde middag te laten dopen. Doopheffer was de diaken Jan Grit, die ook de doopvragen beantwoordde. Het jongetje kreeg als naam Pieter Camp. De kerkeraad noemde het jongetje dus naar de Galgenkamp, maar liet de galg wijselijk achterwege.

Zoals te verwachten viel, lieten de bestuurders in Assen niets meer van zich horen, toen de doop eenmaal een voldongen feit was. Ze gaven geen onderstand voor de vondeling uit de Landschapskas. Daarom maakten de diakenen van Kolderveen eind maart 1789 hun opwachting in de Landdag. Ze herinnerden er Ridderschap en Eigenerfden aan, hoe ze ruim een half jaar eerder “provisioneel” (voorlopig) hadden moeten zorgen voor het kind, dat “in de markte van Colderveen bij de Galgenkamp bij Meppel aan de publique heereweg gevonden was”. Het viel niet te “praesumeren” (vermoeden) dat dit kind daar door iemand uit hun kerspel was neergelegd. De vondeling kon derhalve niet als hun “alumnus” (voedsterling, pleegkind) worden beschouwd. Weliswaar had de kerkeraad zich destijds zo snel mogelijk bij het landschapsbestuur vervoegd, “om van dien opvoeding bevrijd te blijven”, maar dat bestuur had ze naar de Landdag verwezen. Helaas voor de verzoekers, kregen ze daar nu een soortgelijke behandeling: Ridderschap en Eigenerfden kaatsten de bal terug naar Drost en Gedeputeerden, die naar hun eigen inzicht mochten beslissen. Op zoek naar zo’n besluit, heb ik de resoluties van het landschapsbestuur nog tot 1792 doorzocht , maar niets gevonden. Het heeft er dus veel van weg dat het landschapsbestuur de Kolderveners gewoon met het kind lieten zitten. Die hadden het laten dopen en zodoende geen poot meer om op te staan.

Helaas zijn de diaconierekeningen van Kolderveen uit deze periode niet bewaard gebleven, zodat via die weg evenmin te achterhalen valt of de Landschap nog geld voor het kind gaf. Een ander nadeel hiervan is, dat je het jongetje niet op zijn levenspad kunt volgen. Want ook de retroacta burgerlijke stand van Kolderveen leveren verder geen spoor op. Het is dus überhaupt onduidelijk, of het kind daar wel is opgegroeid.

Toch lukte het een anonieme, maar vasthoudende genealoog in 1999, om Pieter Camp te traceren in een heel andere hoek van Drenthe, en wel in Dalen. Pieter bleek niet bepaald voor galg en rad te zijn opgegroeid, want was daar goed terechtgekomen als deurwaarder van het vrede- of kantongerecht. In 1825 trouwde hij, de zoon van N.N. en N.N., er de dochter van wijlen de herbergier Kars van Tarel, en met haar kreeg hij weldra een zoon, die later als volwassen boer voor wat meer nageslacht zou zorgen. De familienaam Camp bleef zodoende bewaard. Hoewel? Niet helermaal, want een dag voor kerstmis 1853 overleed de voormalige vondeling in zijn woonplaats Dalen als Peter Kamp.

Bronnen:
Doopboek Kolderveen, 20 juli 1788. De tekst is o.a. gekopieerd in:
J. Koster, ‘Het dopen van een vondeling te Kolderveen (uit het doopboek aldaar)’, Nieuwe Drentsche Volksalmanak 1924, 198-201; en eveneens in: N.N., ‘Op zoek naar de vondeling Pieter Camp’, Threant (contactblad van de NGV afdeling Drenthe) 1999, pag. 38-40.

Wat betreft de Galgenkamp:
J. Bos (red.) Handschrift Schoemaker: een achttiende-eeuwse kijk op de Drentse geschiedenis (Assen 2004) 111; J. Heringa e.a., Geschiedenis van Drenthe (Meppel 1985) 209; Amsterdamsche Courant, 19 december 1771: Te koop de “Herberge genaamd de Galgenkampe”; N.N., ‘Brief van een oud-schipper en burger uit Meppel…’ in: De Politieke Kruyer, deel VI (1785) No. 304, pag. 657 (titel) en 661-672 (geraadpleegd via Google Books). Uiteraard is de veld- en huisnaam ook in diverse varianten nagetrokken in Delpher kranten.

Verder:
Haerlemsche Courant, 7 en 9 augustus 1788; Drents Archief, Toegang 85 (archief Etstoel) inv.nr.14.65, akte zaterdagochtend 19 juli 1788; Toegang 1 (Oude Staten Archieven) inv.nr. 6.18: resolutie Landdag 24 maart 1789.

Wenceslaus Hollar, Landschap met galgen , 1643 (uitsnede). Collectie Rijksmuseum.


De kerk- en dorpsbrand van Diever (1759)

Dorpsgezicht Diever. Foto: Frans Vondeling, ca. 1960.

“Gepasseerde maandag”, zo bericht de Groninger Courant op 31 augustus 1759,

sloeg de blixem tegelyk in een huys en in de tooren te Dieveren, waardoor zulk een schrikkelyke brand veroorzaakt wierd, dat er binnen weynig tyd de kerke en ruym veertig huyzen, die meest met koorn en hooy gevuld waaren, daar in de assche gelegd en derzelver bewoonders in een deplorabele staat gebragt zyn.

Van de kerk, de toren en de belendende pastorie stonden alleen de muren nog overeind – de daken waren weg. Voor de dorpsbewoners kon de brand zo vlak na de oogst niet op een ongelukkiger moment komen. Hun schuren zaten vol met koren en hooi. Sommigen hadden nog vrij veel weten te redden, anderen wat minder,  en dan waren er ook die helemaal niets meer aan wintervoorraad hadden.

Zoals gebruikelijk bij zulke grote dorpsbranden, werd er een grote collecte op touw gezet, waarvoor het landschapsbestuur aanbevelingsbrieven verstrekte, die de collectanten op hun tochten mee konden nemen. Niet alleen in Drenthe werd er geld opgehaald, maar ook in Groningerland, en wellicht gebeurde dat eveneens in Friesland.

Anderhalf jaar later bleek er ruim 8000 gulden te zijn opgehaald. Na aftrek van de sommen die voor de dorpelingen nodig waren, schoot er te weinig over voor de kerk, de toren en de pastorie. Die van Diever konden het geld niet opbrengen en daarom verzochten ze op de Drentse Landdag om een extra bedrag. Ridderschap en Eigenerfden trokken inderdaad een potje open en schonken nog 3000 gulden voor de herbouw van de kerkelijke gebouwen van Diever.

Bronnen:
Groninger Courant, 31 augustus 1759; Drents Archief, Toegang 1 (OSA) inv.nr. 6.13: resoluties Landdag, die van 18 maart 1760.