Gemeentehuis Scheemda zat in Hotel Panman

Algemeen Handelsblad 27 maart 1886.

Op het Loket voor Lief & Leed heb ik wel een wat verteld over de Groninger gemeentehuizen, die in de negentiende eeuw doorgaans in herbergen waren gevestigd. Vooral bij aangiften burgerlijke stand kon dat nog wel eens minder wenselijke gevolgen hebben, bijvoorbeeld doordat een nieuwbakken vader besloot een borrel of wat op zijn geluk te nemen.

Hoe de zaken nu precies waren geregeld tussen de herbergier en de bij hem inwonende gemeente, blijft veelal in nevelen gehuld. Bij het doornemen van de repertoria van notaris Koning uit Finsterwolde (die een soort van streeknotaris was voor alle Oldambtster dorpen) had ik echter een mooie bijvangst, die licht werpt op de regeling zoals die in de gemeente Scheemda bestond. Op 3 augustus 1886 sloot het gemeentebestuur hier, zoals vertegenwoordigd door burgemeester De Beer en wethouder Crol, een huurcontract  voor 25 jaar af met Eildert Panman, de eigenaar en uitbater van een zeer bekend logement in Scheemda.

Het gemeentebestuur huurde niet dat gehele logement, maar slechts vier vertrekken op de bovenverdieping, te weten

“Eene raadzaal, ene secretarie met brandvrij archief, eene burgemeesterskamer en eene wachtkamer voor het publiek, met eigen toegang van de openbare straat over den grond van verhuurder.”

Panman moest voor 1 november daaraan volgende deze vertrekken met hun toegangen en de tussenliggende corridor hebben ingericht conform de plannen die daarvoor waren gemaakt, en die inmiddels waren goedgekeurd door de gemeenteraad. Hij had dus nog bijna drie maanden de tijd om de ruimten te laten aftimmeren en verven.

Vanaf de oplevering kwam al het onderhoud van ‘t binnenwerk in die vertrekken en ook alle stukadoor-, schilder- en glaswerk, voor rekening van de gemeente. Het onderhoud van het meeste buitenwerk – dak, dakgoten, bovenste zolder, zolderkozijnen, drempels en buitenmuren – was echter voor Panman, die moest zorgen

“dat het gemeente archief noch het ameublement door lekken of vochtigheid eenige schade zal kunnen lijden”.

Panman diende zijn hele logement bij een solide brandverzekering onder te brengen. Wederopbouw bij een brand of een andere ramp kwam ook voor zijn rekening. Als het gemeentebestuur zou besluiten het binnenonderhoud aan Panman uit te besteden, dan betaalde het hem daarvoor een vast bedrag van 50 gulden per jaar.

Blijkbaar zat de gemeente Scheemda ruim bij kas, want ze voldeed de 4000 gulden huur voor de algehele huurtermijn van 1 november 1886 tot en met 31 oktober 1911 in één keer aan Panman op de opleveringsdatum 1 november 1886. In de begrotingen en gemeenterekeningen van de opvolgende jaren zal men zodoende geen posten voor huisvesting vinden. Men was er in één keer vanaf.

Taande naarmate de termijn verstreek het vertrouwen tussen huurder en verhuurder? Het huurcontract werd immers niet helemaal uitgediend. Na het overlijden van burgemeester De Beer (1902) duurde het niet lang, of de gemeente Scheemda betrok een eigen onderkomen (1906), overigens wel vlakbij Hotel Panman aan de Winschoterweg (nu Esborgstraat).

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 110 (notarissen van de standplaats Finsterwolde) inv.nr. 67 (akten van 1886), akte nummer 179, opgemaakt door notaris A.H. Koning te Finsterwolde op 3 augustus 1886.

Hotel Panman te Scheemda, 1904. Collectie RHC Groninger Archieven 1986-15306.

Advertenties

Rondje Eiteweert

Bij het gehucht Peizermade – opgesierd hek met op de achtergrond de Hamersweg:

Haflingers bij de Hamersweg:

Juffrouw ooievaar bij de Langmadijk:

Paardenintimiteit:

Berm bij Eiteweert – opkomende wederik:

Zelfde berm – bont zandoogje:

Heel rustig onderweg en ook geen visserlui. Dus even op zo’n visvlondertje langs het Peizerdiep gezeten, met dit als uitzicht:

Er snorden nogal wat libellen en juffers langs. Deze platbuik kwam even gezellig naast me zitten:


Verkwikt en geschoren in Café De Vriendschap

Deze advertentie uit het Nieuwsblad van het Noorden van 15 februari 1930 kwam vanavond voorbij in een causerie van Sieb Eldering voor de Historische Vereniging Hoogkerk:

Dat het café diende als wachtkamer voor de bus, komt wellicht vreemd voor, evenals de melding dat het bedrijf voorzien is van elektrisch licht (wat toen kennelijk nog bijzonder was). Maar dat het tevens fungeerde als barbierszaak, is helemaal curieus. Hoewel? De VVD wil nu een dergelijke combinatie van neringen weer toestaan. Eigenlijk grijpt de ondernemerspartij daarbij dus terug op een heel oud concept. Niets nieuws onder de zon!

Of het verstandig is dat concept weer uit de motteballen te halen? Van menige caféhouder heet het, dat hij zijn beste klant is, maar tussen een dergelijke taakopvatting en de nevenfunctie lijkt wel enige spanning te bestaan. De vraag dringt zich dan ook op of de bar-bier zijn klanten altijd wel met een even vaste hand schoor.


Elzo Perton koopt een lap grond en bouwt er een huis

Het anno 1880 in bouwpercelen verdeelde stuk weiland (E 543) van boer Wester, links bij de Klinkerweg, en zijn ligging ten opzichte van Finsterwolde. Bron: HisGis.

Jan Jans Wester, een boer op de westkant van Finsterwolde, bezat daar vrij veel grond. Onder meer een kamp weiland aan de westkant van de nog onbewoonde Klinkerweg, die nagenoeg 1 hectare groot was en kadastraal bekend stond als E 543 (zie kaartje, links). Eind 1879, begin 1880 besloot Wester de kleinste helft van dat perceel van de hand te doen. Hij liet langs de Klinkerweg vijf bouwpercelen afbakenen, “huisplaatsen” van elk 9 are en 60 centiare groot, en deed deze uit in beklemming (erfpacht met vaste, onveranderlijke huur). Elk perceel moest voortaan 12 gulden beklemhuur per jaar gaan doen. Op 9 januari 1880 vond in een herberg de veiling van deze beklemmingen plaats.

Van noord naar zuid waren dit de hoogste biedingen, met erachter de namen van de mannen die het hoogst voor de beklemmingen boden:

Koopsom: Koper:
ƒ 150,- Elze Perton, arbeider te Finsterwolde
ƒ 150,- Freerk van Dijk, dienstknecht te Oostwold
ƒ 140,- Elze Principaal, dienstknecht te Finsterwolde
ƒ 140,- Harm Bakker, arbeider te Finsterwolde
ƒ 100,- Jan van Dijk, arbeider te Finsterwolde

Hoe zuidelijker het perceel lag, hoe minder er werd geboden. Mogelijk hing dat samen met hoogte of de afwatering, misschien speelde de afstand tot Finsterwolde ook wel een rol. Alle bieders behoorden tot de arbeidersstand, we zien hier de eerste fase van de Klinkerweg als roemruchte arbeidersstraat. Mijn betovergrootvader Elzo Perton ging aan de haal met het perceel dat het dichtst bij Finsterwolde lag.

Omdat boer Wester nogal wat stukken (akker)land om de nieuwe huisplaatsen heen had liggen (zo’n dertien percelen) verbood hij zijn nieuwe meiers op hun grond “pluimgedierte” te houden, op straffe van 10 gulden boete. In de veilingakte liet hij dit verbod en de sanctie vastleggen als erfdienstbaarheid op de huisplaatsen. Geen arbeiderskip zou hem het graan wegpikken!

Specifiek voor Elzo Perton gold nog de bepaling dat de laan langs de noordgrens van zijn perceel het eigendom van boer Wester bleef. Elzo mocht er dus niet zomaar gebruik van gaan maken. Langs de laan moest er een sloot komen van een meter breed, waarvoor Wester de helft van de grond leverde, terwijl Elzo de andere helft voor zijn rekening moest nemen. Elzo draaide echter in zijn eentje op voor het onderhoud – hij moest zorgen dat de sloot haar breedte bleef houden. Bovendien mocht hij binnen twee meter vanaf de laan geen “houtgewas”, dus bomen en heesters planten.

Net als de andere kopers moest Elzo op 1 mei 1880 zijn beklemming betalen. Bleef hij of een van zijn nieuwe buren in gebreke, dan gold een rente van 5 % over de schuld, Zolang er niet afbetaald was, hield Wester een recht van hypotheek., en mocht een beklemde meier zijn vastgoed niet van de hand doen.

Naderhand, op 21 mei 1880, leende Elzo Perton 650 gulden van Jan, Eildert en Albertje Schuitema. Het ging om twee broers en een zus te Beerta, waar de ene broer (Jan) blauwverver en de andere (Eildert) bakker was. Elzo groeide op in Beerta, waarschijnlijk ging het om oude kennissen die hem vertrouwden. Van het geld zal 150 gulden voor de betaling van Westers beklemming bestemd zijn geweest, en 500 gulden voor de bouwkosten van de dubbele woning die er kwam. In Beerta tekenden partijen ook de hypotheekakte, en wel bij kastelein Jan Hindrik Puister, die tevens optrad als getuige. Elzo zou jaarlijks 5 % rente over zijn schuld aan de Schuitema’s betalen, en zij verkregen als geldschieters de gebruikelijke hypothecaire rechten over Elzo’s behuizing en de beklemming van de bijbehorende grond, kadastraal nog steeds aangemerkt als E 543 (zij het gedeeltelijk). Elzo moest zich verplicht tegen brand verzekeren en dat was maar goed ook, gezien de ervaring in 1892, toen door de wind vlammen van de overkant van de Klinkerweg oversloegen en zijn huis tot de grond toe afbrandde.

Bronnen: RHC Groninger Archieven, Toegang 110 (archief notaris A.H. Koning te Finsterwolde) inv.nr. 48, akte 1880 nr. 6 (veilingakte d.d. 9 januari 1880); en inv.nr. 50, akte 1880-146 (hypotheekakte d.d. 21 mei 1880).

De handtekeningen onder de koopakte van 1880. Links van de rode streep de onbeholpen pootjes van de kopers, allen arbeiders; rechts van de rode streep de veel geroutineerdere signaturen van de verkoper, diens getuige, een notarisklerk en de notaris zelf.


Waar Freerk Perton als emigrant terechtkwam

In een hypotheekakte uit 1880 van mijn betovergrootvader Elzo Perton ligt dit briefje dat, hoe simpel ook, me lichtelijk euforisch maakte:

Het is het adres van zijn zoon Freerk Perton, een kleermaker die in 1893 met zijn gezin naar Amerika emigreerde. Freerk woonde daar als Frederick Perton in Kalamazoo Michigan, en wel op het adres 15-15 North Park Street.

Waarom dat adres na minstens dertien jaar in de akte terechtkwam is een raadsel. Mogelijk moest Freerk eventueel instaan voor zijn vader, als diens hypotheek niet geheel afgelost kon worden. Geheel ondenkbeeldig was dat niet, want zijn pa was nogal accident-prone. Zo brak er in 1892 brand uit bij Elzo en kreeg hij vijf jaar later een trap van een paard tegen zijn dijbeen. In elk geval is het handschrift op het cedeltje dat van Freerks broer Geert Perton, mijn overgrootvader.

Het precieze adres van Freerk was mij tot vandaag onbekend. Wel beschik ik allang over een foto, vermoedelijk uit het eerste decennium van de twintigste eeuw, van zijn huis in Kalamazoo. Zijn vrouw en dochter Geesina/Geeske/Gé poseren er voor the porch, de smalle veranda:

Mogelijk was het gedeelte rechts een zelfstandige woning, waar andere mensen woonden. Als ik namelijk google op het gevonden adres, komt deze recente opname van Streetview tevoorschijn:

Het rechter gedeelte blijkt verdwenen en ook verder is er uiteraard het een en ander veranderd. Zo zijn de veranda en de ruimte onder de vloer dichtgemaakt en de ramen aanzienlijk vergroot. Toch oogt het pandje onmiskenbaar nog als het huisje (of het linker gedeelte van het complex in den brede) op de foto van 1900-1910. Mogelijk berust de gelijkenis op een vergissing (zie reactie Harmien), bijvoorbeeld omdat de nummers veranderd zijn in de tussentijd. De huizen in deze buurt zijn echter vrij gelijkvormig, zodat we in ieder geval meer in het algemeen een actueel beeld krijgen.

Freerk of Frederick Perton, geboren in 1861, overleed in 1944. Hij had een zoon Harry (!), die zijn zoon weer Frederick noemde. Deze kleinzoon was als soldaat een onzer bevrijders, toen zijn grootvader overleed. Volgens zijn bio had Frederick jr. dertig jaar lang een kruidenierswinkeltje in Kalamazoo, tot hij het in 1963 opgaf en in dienst kwam van een grootwinkelbedrijf in levensmiddelen.


Groenblauwe wezen sieren de Hilghestede

Hoorde een poos geleden dat er in het portaal van de Hilgehestede twee beelden van het Groene Weeshuis ingemetseld zitten. Die Hilghestede is tegenwoordig een soort van bedrijfsverzamelgebouw en ik wilde er al eens heen bellen om netjes toestemming te vragen voor het fotograferen van die beelden, maar een lichte schroom hield mij tegen. Zondagmiddag evenwel, toen ik er vanaf Haren voorbijkwam, zwenkte opeens mijn stuur naar rechts en even later stond ik voor de ingang. Dit zijn die beelden:

Het meisje heeft een groen lijfje en een blauwe rok, de jongen een groen jak en een blauw(ige) broek en kousen. In 1660 kwam het Groene Weeshuis inwonen bij het Blauwe, terwijl ze in 1673 helemaal fuseerden. In 1826 keerde de eenduidigheid weer terug in de naam: het Groene Weeshuis. De groenblauwe kleuren van de uitgebeelde kleding zijn dus gebruikt in de periode 1673-1826. Het ging sowieso om de armere wezen van de Stad, die helemaal geen erfenis te verwachten hadden – die in het Rode Weeshuis, de burgerwezen, schijnen het iets beter te hebben gehad, in elk geval qua perspectief.

Op zich is de Hilghestede wel een goede plek voor deze beelden, omdat er jaarlijks met Hemelvaart of Pinksteren eerst een bedevaaart en later een dauwtrapperij heenging, een traditie die zo ongeveer van de vijftiende tot diep in de negentiende eeuw heeft bestaan.


Kladschilder takelt Stadswapen toe

Het monumentale portaal van voorheen Catz Zuidvruchten aan de Eendrachtskade nz. is recentelijk opgeknapt. Nou ja opgeknapt? De ‘schilder’ kon weliswaar goed overweg met de witkwast, maar had blijkbaar wat moeite aan het werken boven zijn macht, want dit maakte hij van het Groninger stadswapen:

Het goud is nog goed getroffen. De dubbelkoppige adelaar ziet er vrij lomp uit en heeft op gevorderde leeftijd last van klompvoeten gekregen, hoewel dat gewoonlijk een aangeboren afwijking is. Maar bovenal priemt ons het blauw van dat dwarsbalkje in het oog: dat moest groen zijn, maar opdrachtgever noch schilder was daar blijkbaar van op de hoogte.