Weer twee paardjes voor de collectie

Een al wat langer sudderend plan gerealiseerd en twee wat achteraf gelegen boerderijen bezocht, die in hun achtergevels paardjes hebben:

Leegkerk – een herzien exemplaar, oorspronkelijk uit 1832:

De huidige eigenaar van de boerderij vertelde er nog een mooi verhaal bij, over een kampioensharddraver die hier opgefokt was. Het vele prijzen winnende paard werd op een gegeven moment tegen een fenomenaal bedrag naar Italië verkocht. Maar daar ging het weldra van de heimwee dood! De Italiaanse kopers, mogelijk nogal maffiose types – die had je veel daar in de paardensport – wilden naar verluidt verhaal komen halen in Leegkerk.

Uiteraard heb ik dit verhaal inmiddels gecheckt, en het bleek in werkelijkheid toch iets anders gegaan dan de huidige eigenaar dacht. Ik werk het nog wel eens uit, maar er is nogal wat research voor nodig, dus even geduld a.u.b.

Ook aan de boerderij van de andere gevelsteen, De Balk aan de Friesestraatweg:

zitten verhalen vast, maar dan meer triest. Die laat ik maar rusten.

Advertenties

Hoe de gemeente Groningen een middeleeuws maar naar de knoppen hielp

Hoorde gisteravond bij mijn lezing over veld-, water-, weg- en huisnamen van Hoog- en Leegkerk, dat de naam Moar na de oorlog nog steeds bekend was in Hoogkerk. De lokale jeugd schaatste ’s winters op dit kanaaltje, want er lag altijd mooi ijs.

Dat Moar is de Groningse naam voor het Oude Maar of de Brundekemaar, dat vanaf de bocht in het Hoendier nabij kartonfabriek De Halm eerst met wat verspringingen en vervolgens in een lange rechte lijn naar het noorden liep, vervolgens bij boerderij De Balk aan de Friesestraatweg naar het westen zwenkte, en voorbij Slaperstil, watermolen de Jonge Held en de beide Washuizen op het Aduarderdiep uitkwam. Ziehier het tracé volgens het kadaster van 1830 in de Hisgis-versie:

Wat die scheuvelende jeugd niet besefte, was dit dat Oude Maar bijna zeven eeuwen oud was, want het werd aangelegd op het eind van de dertiende eeuw. Het nam de functie over van het Eelderdiep, toen dat ten zuiden van Hoogkerk, bij het huidige transferium Hoogkerk, omgelegd werd naar het Peizerdiep. Het Maar maakte kleine scheepvaart met bijvoorbeeld hooipramen mogelijk, maar diende toch vooral voor de afvoer van overtollig water uit het oostelijk deel van Lieuwerderwolde, zoals Hoogkerk in de Middeleeuwen nog heette. Naderhand kwamen er vanaf het oosten de Hoensloot (de voorganger van het Hoendiep), de Woldsloot (parallel aan de Legeweg) en het Vinkemaar (vanaf het Vinkeland bij Vinkhuizen) op uit.

Dat Oude Maar bestaat voor twee gedeelten nog steeds, delen die we dus mogen beschouwen als middeleeuws waterstaatkundig erfgoed. Alleen heeft de gemeente Groningen zo’n vijftien, twintig jaar geleden de nieuwbouwwijk Gravenburg over een centraal gelegen stuk laten aanleggen.

Er staan dus nu huizen en bijbehorende opstallen op grond, gestort in een diep van ruim zeven eeuwen oud. Ik weet niet hoe die huizen gefundeerd zijn, maar geheid dat die grond nog verder gaat werken en inklinken en dat de eigenaren van dat vastgoed, als dat funderen niet op een vaste laag in de ondergrond is gebeurd, gaan klagen over scheuren in hun panden. Mogelijk zullen ze bij de NAM gaan aankloppen voor aardbevingsschade. Maar feitelijk zijn ze dan aan het verkeerde adres, want het was de gemeente Groningen die hier – ook afgezien van dat funderingsaspect – een kolossale stommiteit heeft uitgehaald.

Wat foto’s van het Oude Maar, zoals het er gisterochtend bij lag:

Het Oude Maar gezien vanaf de Hoogkerker rondweg naar het noorden.

Het Oude Maar gezien vanaf De Groenhof naar het zuiden. Midden-rechts aan de horizon de schoorsteenpijp van De Halm.

Het Oude Maar vanaf de Legeweg naar het zuiden. Rechtsachter de nieuwbouw aan De Groenhof.

Het doodlopende eindje Oude Maar gezien vanaf de Legeweg naar het noorden. Zonder enige terughoudendheid is er nieuwbouw op het middeleeuwse tracé gezet.

Het Oude Maar gezien vanaf de noordzijde van Gravenburg naar het noorden. In de verte boerderij De Balk.


Naar juffer Odilia in Wittewierum

Euvelgunnerweg – het witte tolhuisje in de verte staat te koop, maar niet via een makelaar. Je moet de eigenaar mailen als je gading maakt:

Lageland, brug over het Slochterdiep:

Je ziet steeds meer van dit soort frèle molentjes bij boerderijen; ben benieuwd wat voor rendement die opleveren:

In weerwil van de vrij sombere weersverwachting de hele middag geen drup op de kop gehad. Luddeweer of daaromtrent –  links van de weg  een steeds donkerder bewolking, terwijl rechts van de weg de zon scheen:

Hier en daar toch nog best veel appels aan de boom :

Een voorbeeldig geparkeerde auto bij Wittewierum:

Doel van de reis was een expositie in het kerkje aldaar. Centraal stond juffer Odilia Amelia Rengers (1779-1805), van wie een portret uit familiebezit getoond werd:

Over freule Odilia viel eigenlijk niet veel meer te vertellen dan dat ze geboren werd, een mooie partij trouwde, en drie kinderen baarde die later de naam Rengers Hora Siccama voerden. Verbreding van de expositie was vooral gezocht in dat nageslacht, waarvan er eentje door een al te uitbundige levensstijl bankroet ging en in armoe stierf.

Maar goed dat Odilia’s flegmatieke papa daar geen weet van had – ziehier het portret van deze Duco Gerrold Rengers (1750-1810):

De Rengersen liggen hier in het koor begraven en het is een wat vreemde sensatie over hun grafstenen te lopen, terwijl je naar hun portretten en -spullen kijkt. In tegenstelling tot de rouwborden speelden die grafstenen verder geen rol in de expositie (dacht ik):


Potloodschets van een familiebezoek:

Met alle aandacht voor de rijkdom op diverse exposities in de provincie, wil de armoe nog wel eens uit zicht verdwijnen. Zo was de diaconiekist van Wittewierum naar een wat minder prominent plekje gedirigeerd:

Een van de boerderijen bij de kerk:

Hut, nog steeds Wittewierum:

Stedum in de verte, over een veld met geel mosterdzaad, een groenbemester (met dank aan Maico):

Peerdje te Hemert, een oud exemplaar:

Tuin met wilgen en drogende bonen tussen Garrelsweer en Wirdum:


Vermaning was hooguit een bijgoochem

Diefstal, verboden wapenbezit, een oud-nazi, en een opzet om de zaak te flessen. Op het Biologisch Archeologisch Instituut (BAI) leek er wel een krimi aan de gang, midden jaren zestig. Oud-directeur Waterbolk schreef er in zijn memoires over.

Januari 1965. Uit Brabant krijgt het Biologisch Archeologisch Instituut (BAI) van de RUG de tip, dat een technisch assistent van het BAI er archeologica verkoopt, die van het BAI afkomstig moeten zijn. Inderdaad blijken er in de studiecollecties van het BAI nogal wat voorwerpen te missen. Weldra bekent de man. Hij had geld nodig voor drank en een bijvrouw.

Maar er is meer aan de hand. Een wetenschapper, Assien Bohmers, biecht tegen de BAI-directeur op dat hij een revolver van de man kocht. De directeur stelt de politie op de hoogte, en die vindt de revolver in Bohmers’ bureau op het BAI. In Bohmers’ boot, liggend voor diens huis te Bedum, treft de politie zelfs diverse automatische vuurwapens aan. Bohmers wordt geschorst en krijgt uiteindelijk, na een veroordeling wegens verboden wapenbezit, op eigen verzoek eervol ontslag.

Deze opmerkelijke episode komt voor in de vrijdag verschenen memoires van Harm Tjalling Waterbolk, emeritus-hoogleraar archeologie en toentertijd directeur van het BAI. Memoires die in het teken staan van een nog veel ingrijpender affaire in Waterbolks’ leven, namelijk die van de amateur-archeoloog Tjerk Vermaning. Volgens Waterbolk stonden beide affaires los van elkaar, al veronderstelt hij wel dat Bohmers en Vermaning iets met elkaar te maken hadden.

De nu bijna vergeten Tjerk Vermaning was een grasmachineslijper van zeer eenvoudige komaf, die medio jaren zestig met zijn woonscheepje te Smilde lag. Hoewel hij slechts een paar jaar lager onderwijs genoot, ontwikkelde hij een passie voor archeologie, vooral die van de oudste steentijd. Zijn droom was, om te bewijzen dat er voor de laatste ijstijd Neanderthalers in Noord-Nederland hadden rondgelopen. Begin 1965 leek die droom uit te komen, toen hij ‘middenpaleolitische artefacten’ op een diepgeploegde akker te Hoogersmilde vond.

Het Drents Museum kocht de schat voor 10.000 gulden. Vermaning kreeg de Culturele Prijs van de provincie Drenthe, en een jaargeld van 12.000 gulden, dat via het BAI voor een derde uit het Groninger Universiteitsfonds kwam. Ook mocht Vermaning een eigen museumschip inrichten. Een en ander leek zich uit te betalen ook, want in 1967 en 1973 vond hij in Hijken en Eemster opnieuw ‘middenpaleolithen’.

Vermaning gold als de underdog, die de geleerde wereld voor schut zette. Als zodanig was hij de lieveling van de pers, die in de geest van de tijd sowieso weinig met autoriteiten ophad. Bij Vermaning wekte alle aandacht bravoure op, en steeds was hij goed voor sappige quotes. Feitelijk kon je hem alles laten zeggen. Dat hij een eredoctoraat verdiende bijvoorbeeld. Of dat hij “de messias op het gebied van de oudheidkunde” was. Of dat hij ze allemaal dood zou schieten, die wetenschappers.

De eerste vondst van Vermaning viel toevallig samen met de ontdekking van vuurwapens bij Assien Bohmers, de enige oude steentijdonderzoeker in de universitaire wereld. Na Bohmers’ ontslag schreef BAI-directeur Waterbolk weliswaar een artikel met voorlopig positieve bevindingen over Vermanings vondst, maar hij achtte zichzelf toch niet de bij uitstek deskundige. Hij probeerde een student op Vermanings materiaal te zetten. Pas in 1970 lukte dat. Als promovendus kreeg deze Dick Stapert vervolgens twijfels. Vermanings vuurstenen waren raar afgerond, beslist dikker dan eerder gevonden artefacten, en het glanspatina was niet door de natuur aangebracht. Sterker nog, de werktuigen vertoonden recente slijpsporen.

In 1975 meldden Stapert en Waterbolk dit aan de provincie Drenthe, die aangifte wegens oplichting deed. Bij het proces in Assen riep Vermanings verdediging een erkend specialist, professor Bosinski uit Keulen, als getuige-deskundige op. Tot haar verbijstering verklaarde hij de artefacten voor vals. Onderzoek van het Gerechtelijk Labaratorium wees uit, dat er inderdaad een kunstmatige glans op zat. In 1977 veroordeelde de rechter Vermaning tot een voorwaardelijke gevangenisstraf omdat hij zèlf de werktuigen gefabriceerd zou hebben. Maar precies dàt achtte het Leeuwarder Hof in hoger beroep niet bewezen. En over de echtheid van de artefacten wilde dat niet oordelen. Daarom sprak het Vermaning vrij.

Na deze uitspraak brak de hel pas goed los voor het BAI. De media namen nauwelijks kennis van de toch vrij duidelijke technische rapporten, en zoomden in op de miskende amateur, die bijna beentje gelicht was door afgunstige academici. Anonieme schotschriften betichtten Stapert en Waterbolk van list en bedrog. Ze kregen aanklachten wegens meineed en laster in het vooruitzicht gesteld. Om over de doodsbedreigingen maar te zwijgen.

De emoties konden hoog oplopen als het over Vermaning ging. Intussen is na diens dood, in 1987, het tij gekeerd en groeit er langzamerhand een consensus dat zijn vondsten wel degelijk vals waren. Maar Waterbolk heeft er moeite mee, om wijlen Vermaning zelf als dè vervalser te zien. En daar kan ik inkomen, want de man was vooral naief, zoals me eens bleek bij een ziekenbezoek op zijn schip (1973).

Vermaning, zo betoogt Waterbolk waarschijnlijk terecht, beschikte niet over de kennis voor het vinden en verwerken van de juiste ruwe vuursteenknollen. Ook had hij niet de juiste slijpapparatuur. Mogelijk vervalste hij vindplaatsen en stak hij bij een opgraving stukken in ongeroerde grond. Maar dat maakt hem hoogstens een uitvoerder.

Een bijgoochem dus, maar wat voor elementen zaten er dan achter? Bij wijze van “werkhypothese” komt Waterbolk met een plausibel complot. Inderdaad zijn er sterke aanwijzingen dat het handwerk van wijlen Ad Wouters kwam, een Brabantse amateur-archeoloog. Maar naar Waterbolk vermoedt fungeerde wijlen Assien Bohmers als kwade genius en verbindingsman achter de schermen, althans in het begin. Tijdens de Hoogersmilde-vondst was Bohmers nog in dienst van het BAI, en hij was de aangewezen man om Vermanings materiaal op langdurige studiereizen te vergelijken met materiaal in buitenlandse collecties. Al ging dat feest niet door, vanwege die onverwachte wapenvondst.

Bohmers en Vermaning kenden elkaar wellicht van de Friese boerenhoutsnijdersvereniging ‘de Ikelbeam’. Als zelfbenoemd Fries was de “kluge, zielstrebige und ehrgeizige” Bohmers in 1937 bij de SS-wetenschapsorganisatie ‘Das Ahnenerbe’ in dienst getreden. Tussen 1939 en 1943 deed hij opgravingen in bezet Tsjechië, en tegelijkertijd droomde hij ervan leider te worden van de Friese gouw in het Groot-Germaanse rijk. In 1941 parachuteerden de Duitsers hem op het BAI. Na de oorlog zat hij wel vast, maar omdat de bewijzen voor zijn vergaande collaboratie ontbraken, liet men hem gaan. Vanwege zijn uitstekende wetenschappelijke reputatie kreeg Bohmers in 1952 weer een vaste baan bij het BAI.

Een verdere carrière was natuurlijk uitgesloten. Collega’s bejegenden hem argwanend en afstandelijk. Publiceren deed hij zo min mogelijk, wellicht uit angst om alsnog tegen de lamp te lopen. Het liefst wilde hij het land uit, met zijn boot, als hij genoeg geld bij elkaar had gesprokkeld met zijn handeltjes. En na zijn ontslag gedroeg hij zich uiterst rancuneus. Binnenskamers koesterde hij reserves tegen de vondsten van Vermaning, maar in ingezonden brieven viel hij het BAI publiekelijk af.

Ik las Waterbolks boek in één ruk uit, en naar ik vernam was ik de enige niet. Aan zijn terugblik ontbreekt een apologetische toon, slechts één keer liet hij zich even gaan. Waterbolk maakt aannemelijk dat hij niet anders gehandeld kon hebben, gegeven de omstandigheden. Dat hij na zoveel jaar eindelijk zijn stilzwijgen verbreekt, valt te prijzen, ook al gebeurt dat pas na de dood van zijn ergste vijanden.

H.T. Waterbolk, Scherpe stenen op mijn pad (Heveskes Uitgevers, Groningen, 264 pagina’s, 19,95 euro).

Deze recensie verscheen nagenoeg in deze vorm in de UK (Groninger Universiteitskrant) van 3? december 2003.


Mariska Veres in de Badstratenbuurt

(Kleine Badstraat.)


Wolkenrondje Vierverlaten

Kon nog net een uurtje fietsen. Op de Roderwolderdijk een interessante wolkenformatie, die niet op de Buienradar te zien viel:

Vanaf het viaduct over de A7:

De formatie dreef richting stad en regende maar liefst drie druppels op mijn hoofd:

Suikerfabriek Vierverlaten:


Een arbeidersbudget in Beerta (anno 1893) – II : de uitgaven

Losse boerenarbeiders of dagloners waren er in Beerta veel meer dan vaste. Maar los of vast, ze stonden per jaar ongeveer voor dezelfde uitgaven met hun gezinnen. Voor een huishouden van zes personen bedroegen die uitgaven op jaarbasis:

Aard uitgaven Subgroep Categorie Opmerkingen
       
Huishuur ƒ 30,00
Bedstro ƒ 1,50
Huisvesting ƒ 31,50 ca. 10 % van de gezinsinkomsten
 
Turf ƒ 30,00
Petroleum ƒ 4,00
Energie ƒ 34,00 Ruim 10 % van de gezinsinkomsten.
Kleding ƒ 50,00 Zie b.
Huur 25 are tuingrond ƒ 40,00 Zie a.
Zwart brood (12 kilo per week à 6,5 cent) ƒ 40,00 Roggebrood.
Vet (1 kilo per week à 50 cent) ƒ 26,00
Boter ƒ 5,00 Zie c.
Melk (0,5 liter per dag) ƒ 9,00
Meel ƒ 7,00
Zout ƒ 3.50
Koffie (2 ons per week.) en cichorei ƒ 20,00
Tabak ƒ 4,00
Voedings- en genotmiddelen ƒ 154,50 Ruim de helft van de gezinsinkomsten
Zeep ƒ 2,00
Medicinale hulp ƒ 5,00
Ziekenfonds ƒ 3,00 Zie d.
Zorg ƒ 10,00 3,3 % van de gezinsinkomsten.
Courant ƒ 1,00 Zie e.
Leesvoer ƒ 1,00
TOTAAL ƒ 281,00

Degene die het lijstje opstelde rekende niets voor suiker, witbrood, jenever etc., omdat de uitgaven daaraan in zijn ogen “onbetekenend” waren. Wat er betaald werd aan het herstel van meubels en gereedschap, bezems en borstelgoed, garen en band, enz. vormde voor hem een groot vraagteken. Ook voor vlees en eieren stelde hij geen bedrag (zie onder, a). Bovendien gaf het arbeidersgezin volgens hem niets uit aan ontspanning.

Opmerkingen:

а.
De tuin leverde de groente: aardappela, bonen, knollen en kool. Van het tuinafval en de kliekjes uit het huishouden werd voor gezamenlijke rekening met een ander huishouden een varken vetgemest, dat na de slacht in november ongeveer 100 kilo spek voor elk van beide huishoudens opleverde. Dat varken was in het voorjaar als big gekocht voor ongeveer ƒ 7,- per huishouden, terwijl er in een jaar voor ƒ 8.75 aan meel in ging. Dat waren dan extra kosten die bovenop de andere gezinsuitgaven kwamen. Van de 100 kilo spek moesten de hammen afgerekend worden, want die werden bij voorkeur verkocht, waarbij de opbrengst minstens ƒ 13,- bedroeg. Wat dat betreft kon zo’n zwijn dus best uit.

b.
Het bedrag voor kleding was laag gehouden. Kinderen droegen vaak kleren van rijkere of oudere kinderen af. Aan ondergoed werd waarschijnlijk ook niet veel uitgegeven. Sommige gezinnen konden qua kleding in een jaar nog wel met minder dan 50 gulden rond.

c.
Boter gold als luxe. Het werd ook maar in een gedeelte van het jaar gebruikt.

d.
Het ziekenfonds was deels een liefdadige instelling. Het vergoedde de leden geen zorgkosten, maar alleen de loonderving in een periode van ziekte. Vandaar ook het aparte bedrag voor medische behandeling, los van de ziekenfondscontributie.

e.
Erg leuk is de opmerking over de krant, die me aan Harm Boukje doet denken:

“Eenige huisgezinnen lezen voor gezamenlijke rekening een plaatselijk blad. Dat en een “Hazelhoff’s almanak”, ziedaar de geestelijke spijs van de meerderheid der arbeiders. In den laatsten tijd komen daarbij “de Arbeider” (de courant van Luitjes) en socialistische brochures.”

Alcohol kreeg dus geen plek op dit uitgavenlijstje, maar het zal duidelijk zijn dat een drankverslaving vrijwel onmiddellijk tot intering op eventueel vermogen of verarming leidde. Immers, de vaste boerenarbeider en de dagloner die niet elders in het veen of de hooibouw ging werken, verdiende met zijn gezinsleden iets meer dan 300 gulden in het jaar, waarvan bij bovenstaand uitgavenpatroon zo’n 20 gulden overschoot. Zo’n reserve smolt razendsnel weg bij drankzucht, zodat er dan op andere uitgaven moest worden beknibbeld.

Zonder de 2,5 maand werkverschaffing zouden de gezinsinkomsten ook maar ongeveer 270 gulden geweest zijn, te weinig voor bovengenoemde, toch noodzakelijke geachte levensbehoeften:

“Is het te verwonderen dat de arbeiders, zoodra ze zonder werk zijn, bij de gemeente aankloppen en wanneer hun dan geen werk gegeven wordt, ontevreden worden? Ze zeggen: “Wij kunnen eenvoudig niet van onze renten leven””

Bron: De nieuwe tijd; onafhankelijk sociaal-democratisch weekblad, 18 maart 1893.