Rondje Winde – Roden

Onlanden:

Hooglanders in de Onlanden bij Peize:

Geïmproviseerd hek in Winde:

Spinnewebben? bij de Heideweg tussen Winde en Roden:

Nog niet heel erg herfstachtig:

Oude of Peizerdiep bij de Weehorst:

Foxwolde – hoe hoger, hoe gekleurder:

Haflingers bij de Langmadijk, Peizermade:


De jacht op otters, vooral in Noord-Drenthe

In het voorjaar van 1769 ving Menne Geerts van de Matsloot een volwassen otter en vertoonde het beest “in zijn g[e]heel” aan de schulte van Roden, die Menne daarvoor beloonde met een rijksdaalder premie:

Menne was niet de enige ottervanger in de omgeving. Driekwart jaar later liet Tjerk Wybes van Roderwolde eveneens een otter aan de schulte zien. Ook hij ontving de premie. En de volgende dag al, kwam Jannes Krijthe uit Roden bij de schulte langs met twee volwassen otters. Hij ontving daarom het dubbele bedrag:

Deze Jannes had misschien de kunst van het otters vangen afgekeken  van zijn familielid Lucas Krijthe, die in 1760 maar liefst vijf otters inleverde, en dat nog eens herhaalde in 1762.

De premies waren uitgeloofd door de Landschap Drenthe (de latere provincie) en ze bestonden vanaf 1704. Voordien kwam de otter nog niet voor in de Drentse jachtreglementen, en ontbrak er kennelijk een reden om de otterjacht te stimuleren, waaruit je zou kunnen afleiden dat otters in Drenthe nog niet als heel schadelijk of zelfs als een plaag werden ervaren.

Of dat in 1704 wel zo was, is een beetje twijfelachtig. Er lijkt kopieerzucht in het spel te zijn geweest. De premieregeling van dat jaar kwam er namelijk op voorbeeld van naburige provincies, “tot beter conservatie” van de visserij. Een Drent die een gevangen oude otter liet zien aan de schulte of de panderschulte in zijn woonplaats, kreeg voortaan een rijksdaalder, een jonge otter bracht hem de helft op. De vangers mochten de pelzen houden, maar moesten de dieren tonen “eer dat de vellen daarvan zijn afgetrokken”. De schulte diende na betaling van de premie de oren van de otter af te snijden om te voorkomen dat hetzelfde dier meermalen getoond werd en premie opbracht. Ook moest de vanger een verklaring tekenen dat hij de otter aan de schulte had laten zien en daarvoor geld had gebeurd. Een ottervanger die dichtbij de ‘frontieren” woonde, moest bovendien onder ede verklaren dat hij de otter niet buiten de Landschapsgrens gevangen had. Ook dit kwam in de verklaring te staan.

Nadat in de jaren 1713, 1714 de klad in de premieregeling raakte – er werd geen otter meer ingeleverd en de regeling werd zelfs ingetrokken –  blies de Landschap haar in 1716 nieuw leven in.  Opnieuw ging het Ridderschap en Eigenerfden zogezegd om schade aan de visstand, “door dat ongedierte gemeenlijk veroorsaakt wordende”. De premies per otter bleven gelijk. Wel kwam er naast de beperking tot inheemse otters nog een nieuwe randvoorwaarde voor de uitbetaling, namelijk dat de dieren niet “op de sneeuw gejaagt” mochten zijn. Net als in Stad & Lande was sneeuwjacht voortaan helemaal verboden in Drenthe. Dit moet het bejagen van otters wel een stuk moeilijker hebben gemaakt, want juist door ijswakken en sporen in de sneeuw is hun aanwezigheid heel goed kenbaar. Ook werd in 1716 bepaald dat de schulten hun bewijsstukken (otteroren en verklaringen) op de provinciale rekendagen moesten inleveren bij de Ontvanger-Generaal van de Landschap, die ze dan het uitgekeerde geld restitueerde.

Op basis van de  rekeningen die de Ontvanger-Generaal ons naliet, met alle bijlagen daarbij,  zoals bovenstaande kwitanties, heeft Henk Luning zo’n tien jaar geleden al eens uitgezocht in hoeverre deze premieregeling bijdroeg aan de teloorgang van de otter in Drenthe. Hierbij een samenvatting van zijn betoog op de punten waarom er op otters werd gejaagd, wie er op deze dieren joeg, hoe en waar dat gebeurde, en om hoeveel dieren het ging in Drenthe.

Waarom
Zoals gezien, motiveerde het landschapsbestuur de otterjacht met een verwijzing naar de visstand. Ongetwijfeld zal een otter wel eens in de ‘viskenij’ van een huis van stand hebben huisgehouden. Toch eet een otter niet meer dan een kwartkilo vis per dag. Zijn menu is gevarieerder dan dat – hij wil ook wel eens een muis verschalken, of een vogel. Ook eendenkooihouders, waarvan er in Noord-Drenthe redelijk wat waren, hadden een hekel aan otters, omdat die wel eens in een eendenkooi opdoken waardoor de begeerde vogels in paniek raakten en opvlogen. Zoals wel vaker, vormde het lelijke imago van de otter een rechtvaardiging voor de jacht op het dier. Maar er zat ook nog iets aantrekkelijks aan de jacht. Zoals gezegd, hielden de ottervangers de pelzen. Die waren erg in trek: otterbont stoot water af en is heerlijk warm in de winter. Maar ook werd het vlees gegeten, het zal vast naar vis hebben gesmaakt; de otterjacht viel ook eerder onder het hoofdje visserij dan onder dat van de jacht.

Wie
Vanouds was otterjacht in Drenthe veeleer een zaak van broodjagers – vooral als die gespecialiseerd waren in bunzingen – dan van hoge heren. Ongeveer de helft van alle ingeleverde otteroren kwam van ‘toevalsvangers’, mensen die incidenteel een otter vingen.  De andere helft werd ingeleverd door min of meer professionele premiejagers. Maar ook die kwamen zelden uit op een hoger aantal dan drie of vier otters per jaar.  Wat dat betreft was die Lucas Krijthe in 1760 en 1762 uitzonderlijk.

Hoe
Eerst zocht een otterjager naar sporen: ‘latrines’ met uitwerpselen, en poot- en staartafdrukken in de modder. Daar werd dan een speciaal getrainde hond, zoals een Friese wetterhoun (ook wel Friese krulhaar of otterhond genoemd) op ingezet. De bedoeling was om de otter met spiezen en/of drietanden in netten op de wal of bij een wak te drijven. Ook werd er gewerkt  met strikken en klemmen op ottersingels (paadjes).

Waar
Otters, aldus Luning, kwamen in vrijwel elk Drents water voor.  De eerste jaren na de invoering van het premiestelsel werden de hoogste aantallen echter in Peize en omgeving gevangen. Daarnaast onderscheidde de eveneens waterrijke omgeving van Meppel zich. Peize, of wat breder genomen het merengebied van Noord Drenthe (Zuidlaarder-, Paterswoldse- en Leekstermeer) sloot ook aan bij Friesland, waar de aantallen otters sowieso wat hoger lagen dan in Drenthe, terwijl Meppel natuurlijk vlakbij de meren van Noordwest-Overijssel ligt.

Aantallen en conclusie
Dankzij de uitbetaalde premies, weten we in elk geval hoeveel otters er in Drenthe werden gevangen in de periode 1704-1790.  Welnu, de eerste jaren na de invoering van het premiestelsel waren ook de succesvolste voor de ottervangers. De piek van toen – 38 oude en 18 jonge otters in een jaar – is nadien niet meer geëvenaard. Daarna lijkt er door alle pieken en dalen heen trendmatig een lichte achteruitgang over de gehele periode. Het gemiddelde aantal gevangen otters, zo’n 10 à 20 per jaar was echter vrij laag. Deze aantallen voerden Luning tot de conclusie, dat er niet heel veel otters in Drenthe leefden. In de achttiende eeuw bestond er een kleine populatie die zich met ups en downs redelijk wist te handhaven. Het afvangen van dieren bracht destijds de soort niet in gevaar. De jacht erop had geen funeste invloed, zoals andere auteurs het willen doen voorkomen.

Epiloog
Rond 1800 is de officiële Drentse premie op otters afgeschaft. Otters bleven nog wel bejaagd, maar dan louter om hun vel. Jagers moesten een vergunning hebben van de gewestelijke overheid èn grondeigenaars. Zo kregen twee arbeiders uit Paterswolde in 1854 vergunning om in enkele Noord-Drentse gemeenten met hun honden op otters te jagen. Ze waren hierin vooral ’s winters actief. Collega’s van hen kwamen van de Schelfhorst (1) en van Peize (3). Zo kende de Kop van Drenthe toch vrij veel concurrentie op dit gebied.

Vanaf medio negentiende eeuw kwamen er berichten over de achteruitgang van de otterstand, vooral over de riviertjes, maar wat minder over de meren in de lagere randgebieden. Drenthe kreeg een ander aanzien, ook qua water. Het veen verdween met zijn meerstallen, vennen en poelen. De beekjes werden gekanaliseerd. Bovendien raakte hun water ook nog vaak sterk vervuild. Een aangetroffen otter werd nieuws voor de krant.

Begin twintigste eeuw kon je in Drenthe nog otters vinden in de omgeving van Meppel, en aan de noordrand bij het Zuidlaardermeer, het Paterswoldsemeer, en het Leekstermeer, met de watertjes die erop uitkwamen, zoals de Matsloot. Daar ook bestond nog verbinding met de grotere Friese populatie.

Ondanks de gesignaleerde achteruitgang keerde de Groningse Heidemij destijds nog jachtpremies uit: een daalder per gedode otter. Ook in deze tijd kwamen de bekendste Noord-Drentse ottervangers uit Peize – twee Bathoorns – en Eelde. De laatste – een Adolf Arends – ving in 1919 zijn honderdste otter. In Roderwolde had je dan nog een Lubbers en Diertens, die foxterriërs bij de jacht gebruikten, terwijl leden van de familie Riemers in Sandebuur ook wel eens een otter schoten.

In totaal zijn er tussen 1906 en 1938 in het Noord-Drentse grensgebied nog 105 otters gedood, gemiddeld dus 3 per jaar. In 1938, het laatste jaar dat de Heidemij nog premies uitbetaalde, ging het om 7 otters.

De strenge winters erna deden de populatie al bijna de das om. In 1942 kwam er een verbod op de otterjacht, en vanaf 1947 is het dier zelfs wettelijke beschermd. Toch bleek de Drentse populatie te klein om te overleven. In 1986 werden de laatste inheemse otters gespot bij het Zuidlaardermeer en de Piccardthofplas bij het Groninger Stadspark. Verdwijnende biotopen, belabberde waterkwaliteit en toenemend verkeer droegen allemaal bij aan de teloorgang.

Sinds 1985 is er met vallen en opstaan gewerkt aan de herintroductie, eerst met Midden-Europese exemplaren. Een gezonde otterpopulatie ging gelden als signaal voor herstel van het watermilieu. Tegelijkertijd onderging de otter een complete imago make-over: van visrovend ongedierte tot knuffelbeest met menselijke trekjes. Inmiddels zwemmen er weer ettelijke otters in Noord-Drenthe rond, vooral in de oude kerngebieden zoals de Onlanden tussen Peize, Roderwolde, Sandebuur en Matsloot, waar ze ook elk jaar jongen krijgen. Uiteindelijk is het weer goed gekomen, maar met allemachtig veel moeite.

Bronnen
Archivalia:
Drents Archief, Toegang 1, Oude Staten Archieven (OSA):

  • inv.nr. 1775, rekeningen en bijlagen van de aangegeven jaren;
  • inv.nr. 6 deel 8: resoluties R&E 11 maart 1704 art. 37;
  • inv.nr. 6 deel 9, folio 122 en 99: resoluties R&E 20 maart 1714 en 17 maart 1716;
  • inv.nr. 14 deel 19: resolutie D&G 14 maart 1704.

Literatuur:

H.M. Luning, ‘De Otter. Ambassadeur van het zoetwatermilieu’, Nieuwe Drentse Volksalmanak 2010, pag. 49-72.


Onlander ommetje

Roderwolderdijk Hoogkerk:
DSC03960
Matsloot bij de Hogema, de A7 als een gele streep en erachter de huisjes van Oostwold::
DSC03966
Bij het gemaaltje staan de bomen er nog steeds:
DSC03968
“Donkere wolken pakken zich samen”, heet dat dan. Het leek erg dreigend, maar er viel slechts anderhalve drup en een spetje uit:
DSC03997
Nieuw object bij het Stobbevenmonument, een houten otter:
DSC03998
Het rode dak bleef nog even uitgelicht:
DSC04015
Langmadijk – “Let maar niet op hem”.
DSC04021
Blauwe bloemetjes in de uitloper van het Stadspark:
DSC04030


Rondje Zandhoogte

Opslag van een natuurorganisatie bij de Onlanden onder Roderwolde, met vers gekapt hout, waarbij ik me afvraag of dat nou niet in februari had gekund:
DSC03378
Het fietspad vanaf dezelfde plek;
DSC03381
Koetje bij Roderwolde:
DSC03384
Even verderop:
DSC03386
Arcadisch tafereel bij Nietap:
DSC03397
De Zandhoogte 1:
DSC03399
De Zandhoogte 2:
DSC03402
De Zandhoogte 3:
DSC03403


Rondje Roderwolde

Hier en daar staan er honderden van deze langs het fietspad naar Roderwolde:
DSC03044
Hooiweg, Roderwolde – bijna alle bomen dragen gele stippen:
DSC03050
Het roggeland werd bemest:
DSC03052
De blaffende, maar kwispelende waakhond van de Waalborg:
DSC03054
De Waalborg zelf, nog onbelommerd:
DSC03056
Ollerwetse koeienmestbult – het ruikt er heerlijk, straks zien we hier weer zwaluwen:
DSC03058
Het wegje naar het noorden:
DSC03060
Matsloot – ook (de) bomen bij het gemaaltje moeten eraan geloven:
DSC03067


Rondje Roderwolde – Lagemeeden

Uitloper Stadspark naar Peizermade:

Distelrozet langs de Onlanderdijk:

Slenk bij de Onlanderdijk:

Hooiweg, Roderwolde – het goede voorbeeld?

Lijnenspel bij de Zuidwending:

Kerkstraat Hoogkerk – eerbied voor de rijpere mens is er niet meer bij, tegenwoordig:


Rondje Peize – Eelde – Haren

Slenk in de Onlanden, gezien vanaf de brug in de Groningerweg naar Peize:

Huppelpaaltjes, Achterstewold:

Rustend blaarkopkalf:

Hooglanders in het laagland:

Bij het Eelderdiep tussen Peize en Eelde:

Een foeragerende zilverreiger tussen de koeien:

Bij Winde, pony met vlechtjes en in zebrapak:

Winde, open stal:

Insect met lange antennes op stuw in het Eelderdiep:

Hoornsedijk – het huisje staat er nog:

Paterswoldsemeer:

Stadspark – ballonopstijging:


Onlander rondje

Langmadijk Peizermade (1):

Langmadijk Peizermade (2):

Dood hout in de Gouwe:

Onlanderdijk:

Zweefvlieg op gele bloem:

Slenk:

Weiland bij Roderwolde:

Monument voor het Stobbenven:

Buitjes boven Roderwolde:

Het weggetje naar Sandebuur:

Trekkers weer doelmatig gebruikt:

De lucht achter De Poffert:


Vos in de Onlanden

Ik kwam terug van een fietstochtje door het Westerlkwartier, het weer betrok, zonder dat dit tot regen leidde. Voorbij de op een na laatste Omlander brug, in de verte, zag ik een groepje mensen gebiologeerd naar iets kijken. Het was een vos die in de berm langs het fietspad scharrelde. Hij bleek totaal niet schuw en trok zich nergens wat van aan. Hoewel hij er een stuk gezonder uitziet, zou het wel eens de vos kunnen zijn die dit voorjaar naar de enkel van een fietster hapte. Het ging in elk geval om dezelfde omgeving. Kreeg het idee dat iemand hem zit te voeren::


Het Waal rond

Met die windkracht 4 tegen en  mijn voortdurend overslaande trappers was ik het fietsen weldra beu. Ik zat al vlakbij Roderwolde en besloot de dijk tussen de Roderwolder- en de Onlanderdijk af te lopen. Daar mag je niet fietsen, maar ik heb er al vaak mensen zien wandelen. Bovendien voert die dijk langs Het Waal, een intrigerend moerasbos bij Roderwolde.

Nog op de Roderwolderdijk, voorbij de tweede brug:

Het zuidelijke puntje van het Waal, met bomen waar regelmatig roofvogels in zitten:

Ik had een nat broekbos verwacht, maar alles leek droog. Er was zelfs een paadje zichtbaar (niet dat me in het bos begeven heb). Verder waren de stammen, anders dan ik verwachtte, vrij dik:

De noordelijke zoom van het Waal met in de verte de Stad:

In het westen de Hooiweg en het groenland dat de Stobbenvenne heette en waar jaren geleden de resten van een verbrand oerbos tevoorschijn kwamen

De pas gemaaide dijk maakt een paar slingers:

Dit is het onbegaanbare stukje voorbij de Onlanderdijk, roestrood van de uitgebloeide zuring:

Detail: de tinten van de opslag (uitgebloeide gewone raket (met dank aan Hendrika) tegen de achtergrond van die zuring):


Onlander ommetje

Paardenweide Matsloot:

Gewone oeverlibel op vissteigertje Peizerdiep:

Distel met hommel of zandbij:

Door de regen zijn distelpluizen gaan klitten:

Namus kwijtius = vlasbekjes (met dank aan Hendrika):

Onlandsedijk:

Sterk geurende hooibult bij het Stobbenven-monument:

Zwientje, Achterstewold Peize:

Vanaf de Woudrustlaan – buien in het westen:

Hele stukken zijn bezet door kattestaarten, mede door de lage waterstand:

Het inladen van los hooi bij de Weringsedijk:

Geen druppel gevoeld: de buien passeerden aan de zuidkant:


Onlander rondje Peize – Roderwolde

Margrieten op oever zijkanaaltje van het Omgelegde Eelderdiep onder Eelderwolde:

Kattenstaart en rolklaver:

Berm Omgelegde Eelderdiep:

Eind verder, voorbij de afslag naar de Schelfhorst:

Het diep daar bevat over driekwart van de breedte krabbenscheer:

Weissenbruchje:

Achterstewold, Peize – rustend blaarkopkalfje:

De rogge bij de Bommelier was deels terneergeslagen:

Pony met blinddoek, Roderwolde:

Onlandsedijk:

Wederik en vogelwikke:

Bij Eiteweert: zweefvlieg op distel:


Eind van de lente

Op het bankje bij de eerste Onlander brug vanaf het gehucht Peizermade – wat voor vogel zingt daar?


Onlander rondje

Ook aan de Bruilweering is er iemand voor het eindexamen geslaagd. In plaats van de vlag hangt er een pop – teken dat zij/hij volwassen geworden is?

Selfie vanaf de brug over de Matsloot:

In het water ontstonden zonder spugen of regen allerlei ‘spontane’ kringetjes:

Zwientjessiësta, Roderwolde:

In de berm van de Hooiweg veel havikskruid:

Kamille-explosie, Roderwolderdijk:

Opeens op verschillende plekken vingerhoedkruid, zowel de lila variant –

Als de witte:


Kleine karekiet

Bij het bruggetje over het Eelderdiep, Onlanden: