Paartje visdiefjes op Onlander brug

Kwam in de Onlanden dit paar visdiefjes tegen, waarschijnlijk hetzelfde stelletje dat Natuur in de Onlanden op een andere brug zag. Inderdaad was het verwonderlijk benaderbaar:

Advertenties

Onlander ommetje

Langmadijk, Peizermade:

Het geelomzoomde fietspad naar Roderwolde:

Onlanderdijk:

In het westen, achter het Leekstermeer, stapelt zich vochtigheid op:

In het zuiden ontwikkelt zich een bui:

Geroofd ganzenei op het steenslagpad:

Terug weer langs de Haflingers:

In de bermen van de Stadspark-uitloper staan meer wilde hyacinten dan ooit (met dank aan Hendrika voor de naam, meende zelf eerst dat het om grasklokjes ging):


Ommetje Eiteweert

Bij de Matsloot:

Er zat aardig stroom in bij de Peizerdiepstuw:

Anders doet-ie nooit zo:

Klein Schaffhausen:

Op naar Electra:

Nog veel ganzen op het drassige land bij De Gouwe:

Eelderdiep bij de uitloper van het Stadspark:

De sloot langs die uitloper:


Onlander luchtje scheppen

Hoek Langmadijk-Hamersweg, Peizermade:v

Blaarkop-osjes – volgens een man de er bij kwam staan is het geen winterhard veeras:

Bij de Onlandsedijk, even voor zonsondergang:

Terug, bij de Gouwe:


Een uitstervingsproces in de krant

Korhoen, man en vrouw. Collectie British Museum.

In 1856 maakten geregistreerde jagers nog 70 korhoenders buit in Groningerland. Bekend zijn ook de streken waar deze vogels enkele decennia eerder, in 1828, voornamelijk rondscharrelden: Westerwolde, het Gorecht en Zuidelijk Westerkwartier, kortom gebieden met nog redelijk veel hoogveen en heide. Waren dit nou ook de regio’s die later nog als korhoenderbiotoop in krantenberichten voorkomen en hoe verliep dan hier het uitstervingsproces?

De laatste meldingen door in Groningen verschijnende kranten van een gelijktijdige aanwezigheid van korhoenders in Groningerland zijn de volgende:

Maand en jaar Lokatie Hoeveelheid
Oktober 1891 Bellingwolde 3 (geschoten).
September 1897 Onstwedde 1 (geschoten);
September 1901 Westerwolde “Menigvuldiger dan ooit” (voorbeschouwing jacht).
September 1907 Onstwedde 1 (geschoten).
Augustus 1912 Westerwolde “Korhoenders treft men ook genoeg aan. Koppels van 5 tot 10 zijn geene zeldzaamheid” (voorbeschouwing jacht).

De vogels kwamen in Groningen dus het laatst voor in Westerwolde en dan vooral het zuiden van die streek. Opmerkelijk is dat hun aanwezigheid daar als ruim werd voorgesteld, ook nog nadat het laatste bericht over een geschoten exemplaar in de krant had gestaan. Mogelijk was dit wishfull thinking of propaganda om jagers naar de regio te lokken. Tegelijkertijd werd immers een jachtmotief verschaft met de bewering dat korhoenders schadelijk wild vormden, wat met name gebeurde door de Nederlandsche Heidemaatschappij, uit zorg voor haar jonge dennenaanplant.

De jachtdruk, of hoe noem je zoiets, kan in Groningerland ook wel eens hoger geweest zijn dan in Drenthe en Friesland, waar nog decennialang berichtjes vandaan bleven komen over geschoten korhoenders. Daar werden ook veel langer nog grotere aantallen gesignaleerd en geschoten, terwijl het korhoen bovendien vaak wordt genoemd in advertenties voor de verpachting van Drentse jachtvelden. Hoewel er in 1895 en 1897 al berichten over een voortdurende afname van het aantal exemplaren uit Drenthe kwamen, valt op dat ze even later, in 1898 nij de Gouwe in de Pezermade, vlak over de zuidgrens van Groningen nog “in troepen” te vinden zijn. In 1908 schoot een jager uit Helpman er in elk geval nog 10 bij Peize. Maar in 1923 bleken ze definitief verdwenen ten zuiden van de Onlandschedijk, achter het Stadspark op het grondgebied van Eelderwolde.

De grootste killer was echter niet de jacht, hoewel er meteen bij gezegd moet worden dat die zeker tot het uitsterven van het korhoen heeft bijgedragen. De belangrijkste oorzaak van die uitsterving was de ontginning van hoogveen en heide tot landbouwgrond, die vooral mogelijk werd gemaakt door de komst van de kunstmest. Na de Eerste Wereldoorlog intensiveerde het ontginningsproces, mede door de inzet van werkverschaffing. Zo herinnerde de voorzitter van de landbouwvereniging Marum in 1925 zich de omgeving van Trimunt vroeger als “het dorado der korhoenders”, welke streek in een kwart eeuw tijd met zuinigheid en vlijt was omgezet in productief cultuurland.

De biotoop van het dier verdween dus, in Groningerland voorop. Slechts een incidentele natuurliefhebber betreurde de gang van zaken. In de lekkerbek vond hij een medestander:

Bij de poeliers zijn bijna geen patrijzen te krijgen en er worden exorbitante prijzen betaald. Daarmede gaat de patrijs denzelfden weg op van het korhoen, dat in de meeste provincies door voortgaande ontginning en cultiveering bijna niet meer te vinden is. Dit stuk oerwild met zijn merkwaardige levenswijze, is slechts weinigen meer bekend en begint tot de zeldzaamheden der Nederlandsche jachtvelden te behooren (1927),

Dat ondanks het snel veldwinnende besef van zeldzaamheid en schaarste de jacht gewoon doorging, mede dankzij gastronomie en geldzucht, dat is pas het echte schandaal.


Rondje Onlanden – Lagemeeden

Na de middag lag er nog rijp in de schaduw:

De ronde poel In de hoek van de Eelder Madijk en de Bruilweering:

Blaarkopstiertje, hoek Langmadijk-Hamersweg, Peizermade:

Zijn kornuiten:

Zilverreiger op de Matsloot, op de achtergrond nog een paar:

Ganzen op de Zuidwending:

Lagemeeden – pompoen die over de uiterste houdbaarheidsdatum heen is:

Ze hadden zitten afstromen, zodat er op de sloten aan de randen veel bomijs lag:


Rondje Roderwolde – Peize

Lange Madijk, Peizermade:

Onlanderdijk:

Uitgebloeid, maar nog bekoorlijk:

Het maaien of klepelen van een slootwal:

Paard met zebrapak, Roderwolde:

Bij de Waalborg, Roderwolde:
Werk aan de molen, Roderwolde:

Compositie met touw, hout en ijzer, Achterstewold, Peize:

Belgisch paard bij drinkbak, Achterstewold:

Dezelfde wei – veulen met op de achtergrond rooie blaarkoppen:

Linke soep, als je het mij vraagt:

Morgen en overmorgen nog dit mooie weer, daarna is het afgelopen: