Raam met gebrandschilderd glas, ooit geplaatst uit naam van weduwe smid uit Bedum

Waar dit raam met gebrandschilderde ruitjes zich tegenwoordig bevindt, is onbekend. Het zat ooit in de collectie van een tandarts De Maar te Den Haag, welke verzameling in 1996 (deels) onder de hamer kwam.

Een stel correspondenten en ik zouden graag wat meer willen weten over het raam. Allereerst is er een probleem met de transcriptie van de tekst. Deze is zo te lezen:

“Remcke Gerrits die Weduwe van Salighe Jan Nannincks In Sijn Leven Smit tot bedum Anno 1648”

Maar dan blijft er twijfel knagen over de achternaam van de smid. Het zou dus ook Hanninck of Hamminck kunnen zijn. Alle drie de namen komen voor in het Groningerland van de zeventiende eeuw, al moet je de c soms wegdenken (dat de uitgang -in[c]k ook wel ing werd, spreekt vanzelf).

Indien het Hamminck is, zou het kunnen gaan om de Jan [van] Hamminck, die volgens zijn inventaris uit 1648 een huis genaamd Het Wapen van Amsterdam in Groningen bewoonde. Dat huis moet een zekere standing gehad hebben, want er zat nog een “zaal” in, een hoog vertrek met een representatieve functie. In die zaal bevond zich een eiken ingelegde tafel, ook bepaald geen meubelstuk dat iedereen bezat.

Dan de oorspronkelijke lokatie van het raam. Dergelijke gebrandschilderde glazen kwamen zeker voor in particuliere huizen, maar ze werden ook nogal eens geschonken aan kerken of liefdadige instellingen. De vraag is dan in wat voor bouwwerk dit stuk kan hebben gezeten.

Allereerst zal de glazenmaker die het maakte vermoedelijk niet in Bedum hebben gewoond, maar in de stad Groningen. Wie deze maker was, zal wel voor altijd onbekend blijven, maar van dergelijke drieslag-bovenlichten heeft het Groninger Museum enkele latere voorbeelden in zijn collectie.

Qua plaatsing van het raam denk ik aan een gasthuis. Het lijkt op een bovenlicht van een deur. Heeft de smidsweduwe misschien een verbouwinkje in een gasthuis bekostigd, of een nieuw portaal?

Als dat gasthuis zich in de stad Groningen bevond, dan zou je dat moeten kunnen nagaan in de rekeningen van de gasthuizen, zowel aanwezig in de archieven van die instellingen zelf als dat van het stadsbestuur. Voor de onderzoeker is het dan vervelend dat er nogal wat van die gasthuizen zijn geweest, maar de zoekprocedure is te verkorten door eerst achterin de gasthuisrekeningen van 1647-1649 bij de bewonerslijsten te kijken. In die rekeningen kom je in elk geval dezelfde soort calligrafie tegen als op het raam.

Met dank aan Sneuper Dokkum.

Bijkomende bronnen:

  • Johan de Haan, Hier ziet men uit Paleizen (diss. Nijmegen 2005) 142 en noot 482 op p. 526.
  • RHC Groninger Archieven, rechterlijke archieven III (stad) oude orde J deel 2, folio 225.

Van aardappelmeel tot zwelstijfsel

Aardappelplanten, omhoog rijzend uit een aardappelhoop, met de namen van de producten op rode wapenschildjes: aardappelmeel natuurlijk, maar ook dextrine, kleefstoffen, spiritus en zwelstijfsel:

Linksonder een evocatie van het fabrieksgebouw, rechtsonder een artist impression van Groningen, met de Martinitoren. Op de uitgebotte piepers het logo van Scholten, dat jodensterachtig aandoet. Vraag me nu af dat nog veel langer bestond, c.q. wanneer het afgeschaft is.

Onderaan de gelegenheid waarvoor dit glas in loodraam tot stand kwam, Het gezamenlijke personeel van Scholten bood het aan in 1939, toen er een nieuw kantoorgebouw in Hoogezand tot stand kwam, waar tevens het eeuwfeest van ’t bedrijf werd gevierd.

Volgens het krantenverslag van die gebeurtenis stelt het stuk “de bekende productiestamboom” voor. Het was geplaatst in het trappenhuis van het nieuwe gebouw. De Groninger glazenier Jan Wijkmans maakte het.

Zou het er nog zijn?

Bron: RHC Groninger Archieven Toegang 2139 (collectie fotoalbums) inv.nr. 251: Herinneringsalbum met foto’s en toespraken van de viering van het 100-jarig bestaan van W.A. Scholten’s Aardappelmeelfabrieken, 1939.


Jan S. Niehoff – Kustvaarders Kladjournaal

kustvaarder-op-zomerpostzegel

eentonig, op ‘n gestolen melodie

Uren slingeren in ballast:
uitschuimende baan
over rollende bergen
op loodskotter aan.
Overwerkt, ongeschoren,
scherven in de kombuis
… zwiepen tros om een bolder,
klein in havengedruis.

Neongeschitter
hangt lokkend en sterk
om Antwerpens kroegen
na water en zwerk.
Ze laten diner voor
madammekes staan
ze laten er schepen
en gage voor gaan.

Hun scheepjes zijn speeltuig –
de zeegang is echt,
hoe goed hun bedoeling,
’t verleden vrij slecht.
Als de dag komt te sterven
keert hun hart in berouw
tot de grootmoed der sterren
en een brief van de vrouw.

Nacht spreidt zijn mantel
– de motor zwoegt voort –
om schoorsteen en masten,
om dekhuis en boord.
Zie de boeggolven vuren
met driftig blauw licht
tegen naderend stormtij
avondeinder trekt dicht.

In ’t gelige schijfje
dat plakt op de roos
verschijnen de streken
en dralen een poos.
Matroos duwt wat spaken:
ze schommelen weer heen.
Hij ’t schip aan een touwtje –
God de zee er omheen.

De Norfolkse stadjes
komen op langs de kust
als kleine gesternten
en gaan weer in rust.
Zo te varen – o, vreugde!
de wacht bijna vol
vier uurtjes voor stuurman,
wij onder de wol.

Men heeft ons in Gävle
van goudgekleurd hout
met wammelende winches
een deklast gebouwd.
Die ligt in zijn sjorrings
over ’t gangboord gestouwd,
die ligt in ons handen
zo vast, zo vertrouwd.

Ruïne van Borgholm
beheerst het gezicht.
Haar vensters en torens
in wisselend licht
van wolken en zonne
staren troosteloos uit
naar Waldemars ridders,
naar steekspel en luit.

De geest van een regnum
in Baltische trant
huist machtig rond Kalmar
en ’t donkere land,
legt zelfs om ons vaartuig
zijn zwijgende ban –
maar stuur leest de log af
en weet er niet van…

Weg, meiskes van Skåne,
boei drie ligt vér voor
zijn gaspit komt dansend
aan stuurboordzij door.
Een verhaal van de meester
dat geen sterveling gelooft
en het vuur van Sandhammren
wiekt boven ons hoofd.

Tere eilanden drijven
rond grasgroene Sont
of wreedheid noch onlust
dit eden ooit schond.
Deense houtjammers deinen
kuis zich bergend in zeil,
waar hun archipel afbreekt,
dramatisch en steil.

Old Englands loodsen:
koel, zoals ’t hoort,
Niels Svensson met strepen
en smetteloos boord.
Cuxhaven: een ringbaard,
wat rauw op de tong:
“Röt zummer hè Capt’n?
Beetje bakboord mien jong…”

Zo, gerwapend met wrijfhout,
paralellineaal,
getijboek en stroomkaart
en ’t Gronings als taal
zijn ze onbewust zoekers
naar een grootheilig land
doch ’t leeft onder hun voeten
als een sluimerend pand…

SAMUEL
stuurmansleerling

Begin jaren 50 voer Jan Samuel Niehoff geruime tijd mee op een Groninger coaster. Op basis van zijn ervaringen als matroos en stuurmansleerling schreef hij dit lange gedicht, dat verscheen in Der Clercke Cronike van 28 september 1951. Het geeft heel mooi de sfeer op zo’n schip weer en behoort volgens mij tot zijn allerbeste werk. Des te vreemder is het dat Niehoff juist dit stuk nooit recyclede, terwijl hij dat wèl deed met allerlei andere, mindere gedichten van hem. Vandaar dat ik zo brutaal ben, het hier te plaatsen. Misschien kan iemand het eens in ‘t Gronings vertalen, want daarvoor leent het zich volgens mij ook uitstekend.


Beelden van Jan S. Niehoff

Naast schoolarts, publicist, actievoerder en dichter was Jan S. Niehoff nog beeldend kunstenaar. Sinds hij enkele jaren als lichtmatroos en stuurmansleerling gevaren had, rond 1950, bleef hij gefascineerd door schepen en dat is aan veel van dat werk te merken  Bijvoorbeeld aan dit silhouet, gesneden of gezaagd uit een dunne houten plaat:
dsc01010
Stijlvast was hij niet, van medicijndoosjes maakte hij architecturale vormen:
dsc01011-was-0995
Nog een zeilschip, van hout, zinken? plaat en aluminium strips:
dsc01014
Mensen die elkaar vasthouden, geabstraheerd, uit hout; een beeld dat me vaag deed denken aan Bro Bro Brille:
dsc01015-was-0981
Deze beelden zijn waarschijnlijk nooit eerder geëxposeerd. Dit en ander werk van Niehoff is vanaf vandaag te zien in de ontvangsthal van RHC Groninger Archieven, Cascadeplein 4.

 


Vistuig van ruim een eeuw geleden

Was op zoek naar iets anders, maar in een programma voor een Waterfeest in Paterswolde, 1911, viel mijn oog op deze advertentie van een Sneker handelaar in visgerei. Niet alleen worden daarin vergeten visnetten als treemkes en zegens opgevoerd, ook demonstreert de advertentie met stripachtige plaatjes de werking van een totebel of kruisnet:
1
Op het  plaatje linksonder haalt de visserman louter rotzooi omhoog, hetgeen hem zichtbaar verdriet doet:
2
Op het andere zit de totebel vol met vis, hetgeen meneer bijzonder verheugt:
3
De onuitgesproken suggestie was dat je voor vis in plaats van rotzooi in je net helemaal naar Sneek moest. Een Groninger concurrent kon het daar uiteraard niet mee eens zijn:
4


Veel meer foto’s dan verwacht op de Tonnis Post Fotodag in museum Bellingwolde

Met collega M. vanmiddag naar de Tonnis Post Fotodag in Museum Oude Wolden in Bellingwolde. Dirk Kome en Eddie Marsman, bezig met een boek en een tentoonstelling over de fotograaf Tonnis Post, bekeken er foto’s, aangedragen door particulieren uit de wijde omgeving. Toen we aankwamen stond de parkeerplaats van het museum al vol, en binnen bleek het aanbod veel groter dan verwacht. De heren hadden het er zowaar druk mee:
a-dsc00849
Uiteraard kwamen er vooral familiefoto’s voorbij:
b-dsc00850
Maar er zat toch ook wel wat topografie tussen – werkers aan een sluis van het Boelo Tijdenskanaal?
c-dsc00890
Een grote afdruk van de tableau de la troupe van de gymnastiekvereniging Allebé uit Winschoten, met in haar midden een vaandel:
d-dsc00891-was-6
De scanafdeling:
e-dsc00892
Geanimeerde gesprekken over het binnengebrachte beeldmateriaal:
f-dsc00901-a
Wat dichterbij:
g-dsc00901-b
In het museum was ‘Duizend dingen‘, de tentoonstelling van dierbare gebruiksonderwerpen, nog aan de gang, met onder meer dit setje houten opscheplepels:
h-dsc00874
Bij een uitstalling van oud kinderspeelgoed dit spelletje waarbij steeds drie kaartjes aan elkaar gelegd moesten worden – het door elkaar schudden gaf dan lachwekkende combinaties.  Maar deze soldaat en liereman liggen goed:
i-dsc00878
Het complete betaald voetbal in poppetjes van aardewerk (?), ca. 1956:
j-dsc00883
Uit de eigen collectie van het museum deze prachtige Johan Dijkstra – arbeiderswoning te Rhederbrug met moestuin:
k-dsc00856-2
En deze gloedvolle Els Amman:
l-dsc00860-was-81
Rond 1980 had ik geruime tijd een werk van haar te leen uit de Groninger artotheek. Destijds viel me die invloed van Chagall niet zo op.

Ik denk dat ik maar eens laifhebber wordt van dat museum in Bellingwolde.


De hertog en de hofnar

dodendans-met-nar-peacay

Door iemand aan het schrikken te brengen, kon je hem van de koorts genezen. Dat wist ook de hofnar van de hertog van Florence, die heel erg met zijn baas begaan was. Toen de hertog zich even wat beter voelde en ze zich met zijn beiden wat langs de Arno vertraden, duwde de hofnar de hertog onverhoeds in de rivier, om hem zo van die vervelende kwaal af te helpen.

De hertog, weer op het droge gehesen, deed net of hij buiten zichzelf van woede was en liet de hofnar subiet ter dood veroordelen, tenminste: zogenaamd. Want op het moment dat de geblinddoekte hofnar klaar lag voor zijn onthoofding, wenkte de hertog de beul naar zich toe en fluisterde hem stilletjes vanachter de hand in zijn oor, dat hij de hofnar alleen maar heel zachtjes met een twijgje in de nek mocht kietelen.

Helaas maakte dat niets uit. Zodra de hofnar dat twijgje voelde, schrok hij zo verschrikkelijk hevig, dat hij van het hakblok zijwaarts ter aarde tuimelde. Dood, hartstikke dood. Hij was gestorven aan het geneesmiddel dat hij de hertog had toegedacht.

Naar