Hoogtepunten uit een collectie foto’s van bovenlichten of snijramen

Ik vertelde zaterdag al dat ik een verzameling foto’s van bovenlichten door mocht kijken. Deze zwaan sprak me het meest aan, niet alleen omdat het een fraaie uitwerking van een bekend symbool (voor Luther) en beeldmerk van talrijke ondernemingen was, maar ook omdat hij me meer in het bijzonder doet denken aan een Groninger uithangbord, dat zich reconstrueren liet aan de hand van een misdruk tabakszak:
Er stond geen notitie achterop deze foto, maar volgens de website over bovenlichten- en snijramen van Ben Veldstra, bevindt de uitgebeelde zwaan zich nog steeds in Vianen. (doorscrollen naar onderaan de pagina).

Deze is er ook nog steeds, aan de Groenmarkt 13 in Middelburg:
De twee zeemeerminnen houden het wapen van de stad, zeg maar een steenhuis, overeind. Meestal gebeurt dat door een eenkoppige arend. De vormgeving is overigens niet oud, gezien de zeemeerminnenlijven. Ik vermoed dat het een remake is van een veel ouder, ontoonbaar geworden snijraam.

Ook niet oud, want uit 1957, was het volgende snijraam, helaas achter glas toen het gefotografeerd werd. Hoewel het lijkt te reageren op de vorige, markeerde het een adres in een heel andere stad, namelijk Waldeck Pyrmontkade 34 in Den Haag. Op dat adres zit nu een APK-keuringsstation. Het komische snijwerk met het dansende paar rond de toren blijkt daar verdwenen, het ontbreekt ook in de verzameling van Veldstra:

Tot slot nog iets wat meer lijkt op een draadplastiek dan op een snijraam. We zijn terug in Middelburg, en wel op de Korte Brug 1. Daar hangt nog steeds Goede Reede:


Een zwaluw bij de Museumbrug

Dat is geen olijftak, daar in d’r snavel. Die ziet er anders uit en gaat vaak gepaard met duif. Een zwaluw met een olijftak is een zeldzaamheid.


Bever in de stad

Dacht alle gevelstenen en aanverwante ornamenten van de stad wel zo’n beetje te kennen, maar Edward Houting wees me in zijn lezing bij de Groninger Archieven, vorige week, toch nog op enkele die ik deerlijk gemist had, zoals de Bever:

Prachtig stuk, waarvan ik me nu afvraag hoe ik het ooit ‘over het hoofd’ kan hebben gezien. In de Sint Jansstraat, waar je vanaf de Grote Markt fietsend met een lekker vaartje de stoplichten nadert, kijk ik blijkbaar niet zo gauw omhoog en zeker niet bij de nieuwbouw van het provinciehuis. Want daarin bevindt de sculptuur  zich, boven de fietsenstalling van de ambtenaren:

Het beeld is in 1964 gemaakt door Joop Roosenburg, een Hagenees die nota bene in het uiterste zuiden van Nederland, in Eijsden onder Maastricht, woonde en werkte. Het stond oorspronkelijk voor de Dienst der Provinciale Waterstaat, die vroeger op deze locatie gevestigd was. Zoals wij allen in de Fabeltjeskrant hebben kunnen lezen zijn bevers bijzonder nijvere beesten, die dag en nacht met behulp van hun onafscheidelijke waterpomp-, nijp- of combinatietang in de weer zijn om waterstanden te reguleren. Een ambtenaar van de provinciale waterstaat had daar veel van weg.  Vandaar.


Raam met gebrandschilderd glas, ooit geplaatst uit naam van weduwe smid uit Bedum

Waar dit raam met gebrandschilderde ruitjes zich tegenwoordig bevindt, is onbekend. Het zat ooit in de collectie van een tandarts De Maar te Den Haag, welke verzameling in 1996 (deels) onder de hamer kwam.

Een stel correspondenten en ik zouden graag wat meer willen weten over het raam. Allereerst is er een probleem met de transcriptie van de tekst. Deze is zo te lezen:

“Remcke Gerrits die Weduwe van Salighe Jan Nannincks In Sijn Leven Smit tot bedum Anno 1648”

Maar dan blijft er twijfel knagen over de achternaam van de smid. Het zou dus ook Hanninck of Hamminck kunnen zijn. Alle drie de namen komen voor in het Groningerland van de zeventiende eeuw, al moet je de c soms wegdenken (dat de uitgang -in[c]k ook wel ing werd, spreekt vanzelf).

Indien het Hamminck is, zou het kunnen gaan om de Jan [van] Hamminck, die volgens zijn inventaris uit 1648 een huis genaamd Het Wapen van Amsterdam in Groningen bewoonde. Dat huis moet een zekere standing gehad hebben, want er zat nog een “zaal” in, een hoog vertrek met een representatieve functie. In die zaal bevond zich een eiken ingelegde tafel, ook bepaald geen meubelstuk dat iedereen bezat.

Dan de oorspronkelijke lokatie van het raam. Dergelijke gebrandschilderde glazen kwamen zeker voor in particuliere huizen, maar ze werden ook nogal eens geschonken aan kerken of liefdadige instellingen. De vraag is dan in wat voor bouwwerk dit stuk kan hebben gezeten.

Allereerst zal de glazenmaker die het maakte vermoedelijk niet in Bedum hebben gewoond, maar in de stad Groningen. Wie deze maker was, zal wel voor altijd onbekend blijven, maar van dergelijke drieslag-bovenlichten heeft het Groninger Museum enkele latere voorbeelden in zijn collectie.

Qua plaatsing van het raam denk ik aan een gasthuis. Het lijkt op een bovenlicht van een deur. Heeft de smidsweduwe misschien een verbouwinkje in een gasthuis bekostigd, of een nieuw portaal?

Als dat gasthuis zich in de stad Groningen bevond, dan zou je dat moeten kunnen nagaan in de rekeningen van de gasthuizen, zowel aanwezig in de archieven van die instellingen zelf als dat van het stadsbestuur. Voor de onderzoeker is het dan vervelend dat er nogal wat van die gasthuizen zijn geweest, maar de zoekprocedure is te verkorten door eerst achterin de gasthuisrekeningen van 1647-1649 bij de bewonerslijsten te kijken. In die rekeningen kom je in elk geval dezelfde soort calligrafie tegen als op het raam.

Met dank aan Sneuper Dokkum.

Bijkomende bronnen:

  • Johan de Haan, Hier ziet men uit Paleizen (diss. Nijmegen 2005) 142 en noot 482 op p. 526.
  • RHC Groninger Archieven, rechterlijke archieven III (stad) oude orde J deel 2, folio 225.

Van aardappelmeel tot zwelstijfsel

Aardappelplanten, omhoog rijzend uit een aardappelhoop, met de namen van de producten op rode wapenschildjes: aardappelmeel natuurlijk, maar ook dextrine, kleefstoffen, spiritus en zwelstijfsel:

Linksonder een evocatie van het fabrieksgebouw, rechtsonder een artist impression van Groningen, met de Martinitoren. Op de uitgebotte piepers het logo van Scholten, dat jodensterachtig aandoet. Vraag me nu af dat nog veel langer bestond, c.q. wanneer het afgeschaft is.

Onderaan de gelegenheid waarvoor dit glas in loodraam tot stand kwam, Het gezamenlijke personeel van Scholten bood het aan in 1939, toen er een nieuw kantoorgebouw in Hoogezand tot stand kwam, waar tevens het eeuwfeest van ’t bedrijf werd gevierd.

Volgens het krantenverslag van die gebeurtenis stelt het stuk “de bekende productiestamboom” voor. Het was geplaatst in het trappenhuis van het nieuwe gebouw. De Groninger glazenier Jan Wijkmans maakte het.

Zou het er nog zijn?

Bron: RHC Groninger Archieven Toegang 2139 (collectie fotoalbums) inv.nr. 251: Herinneringsalbum met foto’s en toespraken van de viering van het 100-jarig bestaan van W.A. Scholten’s Aardappelmeelfabrieken, 1939.


Jan S. Niehoff – Kustvaarders Kladjournaal

kustvaarder-op-zomerpostzegel

eentonig, op ‘n gestolen melodie

Uren slingeren in ballast:
uitschuimende baan
over rollende bergen
op loodskotter aan.
Overwerkt, ongeschoren,
scherven in de kombuis
… zwiepen tros om een bolder,
klein in havengedruis.

Neongeschitter
hangt lokkend en sterk
om Antwerpens kroegen
na water en zwerk.
Ze laten diner voor
madammekes staan
ze laten er schepen
en gage voor gaan.

Hun scheepjes zijn speeltuig –
de zeegang is echt,
hoe goed hun bedoeling,
’t verleden vrij slecht.
Als de dag komt te sterven
keert hun hart in berouw
tot de grootmoed der sterren
en een brief van de vrouw.

Nacht spreidt zijn mantel
– de motor zwoegt voort –
om schoorsteen en masten,
om dekhuis en boord.
Zie de boeggolven vuren
met driftig blauw licht
tegen naderend stormtij
avondeinder trekt dicht.

In ’t gelige schijfje
dat plakt op de roos
verschijnen de streken
en dralen een poos.
Matroos duwt wat spaken:
ze schommelen weer heen.
Hij ’t schip aan een touwtje –
God de zee er omheen.

De Norfolkse stadjes
komen op langs de kust
als kleine gesternten
en gaan weer in rust.
Zo te varen – o, vreugde!
de wacht bijna vol
vier uurtjes voor stuurman,
wij onder de wol.

Men heeft ons in Gävle
van goudgekleurd hout
met wammelende winches
een deklast gebouwd.
Die ligt in zijn sjorrings
over ’t gangboord gestouwd,
die ligt in ons handen
zo vast, zo vertrouwd.

Ruïne van Borgholm
beheerst het gezicht.
Haar vensters en torens
in wisselend licht
van wolken en zonne
staren troosteloos uit
naar Waldemars ridders,
naar steekspel en luit.

De geest van een regnum
in Baltische trant
huist machtig rond Kalmar
en ’t donkere land,
legt zelfs om ons vaartuig
zijn zwijgende ban –
maar stuur leest de log af
en weet er niet van…

Weg, meiskes van Skåne,
boei drie ligt vér voor
zijn gaspit komt dansend
aan stuurboordzij door.
Een verhaal van de meester
dat geen sterveling gelooft
en het vuur van Sandhammren
wiekt boven ons hoofd.

Tere eilanden drijven
rond grasgroene Sont
of wreedheid noch onlust
dit eden ooit schond.
Deense houtjammers deinen
kuis zich bergend in zeil,
waar hun archipel afbreekt,
dramatisch en steil.

Old Englands loodsen:
koel, zoals ’t hoort,
Niels Svensson met strepen
en smetteloos boord.
Cuxhaven: een ringbaard,
wat rauw op de tong:
“Röt zummer hè Capt’n?
Beetje bakboord mien jong…”

Zo, gerwapend met wrijfhout,
paralellineaal,
getijboek en stroomkaart
en ’t Gronings als taal
zijn ze onbewust zoekers
naar een grootheilig land
doch ’t leeft onder hun voeten
als een sluimerend pand…

SAMUEL
stuurmansleerling

Begin jaren 50 voer Jan Samuel Niehoff geruime tijd mee op een Groninger coaster. Op basis van zijn ervaringen als matroos en stuurmansleerling schreef hij dit lange gedicht, dat verscheen in Der Clercke Cronike van 28 september 1951. Het geeft heel mooi de sfeer op zo’n schip weer en behoort volgens mij tot zijn allerbeste werk. Des te vreemder is het dat Niehoff juist dit stuk nooit recyclede, terwijl hij dat wèl deed met allerlei andere, mindere gedichten van hem. Vandaar dat ik zo brutaal ben, het hier te plaatsen. Misschien kan iemand het eens in ‘t Gronings vertalen, want daarvoor leent het zich volgens mij ook uitstekend.


Beelden van Jan S. Niehoff

Naast schoolarts, publicist, actievoerder en dichter was Jan S. Niehoff nog beeldend kunstenaar. Sinds hij enkele jaren als lichtmatroos en stuurmansleerling gevaren had, rond 1950, bleef hij gefascineerd door schepen en dat is aan veel van dat werk te merken  Bijvoorbeeld aan dit silhouet, gesneden of gezaagd uit een dunne houten plaat:
dsc01010
Stijlvast was hij niet, van medicijndoosjes maakte hij architecturale vormen:
dsc01011-was-0995
Nog een zeilschip, van hout, zinken? plaat en aluminium strips:
dsc01014
Mensen die elkaar vasthouden, geabstraheerd, uit hout; een beeld dat me vaag deed denken aan Bro Bro Brille:
dsc01015-was-0981
Deze beelden zijn waarschijnlijk nooit eerder geëxposeerd. Dit en ander werk van Niehoff is vanaf vandaag te zien in de ontvangsthal van RHC Groninger Archieven, Cascadeplein 4.