Ruud Bartlema – Avondmaalsgroep

Gezien in de kerk van Vries vanmiddag, deze ‘Avondmaalsgroep’ van de beeldend kunstenaar (en theoloog) Ruud Bartlema:

Op het eerste gezicht dacht ik dat het monniken waren, door hun uniforme pijen. Het zullen discipelen zijn, in afwachting van:

De middelste van de groep lijkt het eten en drinken te zegenen:

In de groep spelen zich onderonsjes af, soms op gang gebracht met een subtiel gebaar:

Het luisteren, terwijl er misschien niet eens zoveel gezegd wordt:

Een roddeltje achter de rug om:

“Neem en eet.”


Garmerwolde v.v.

‘Ontvellende berk’ bij het noordelijke fietspad in het Stadspark:

Bak met montagemateriaal van de spoorwegen, bij het fietspad langs de Peizerweg:

Kunstwerk Garmerwolde (detail): hond, hok, bal:

In de kerk van Garmerwolde Johan van der Dong met zijn performance Klei-Monologen:

In de kerk exposeerden Johan en zijn vrienden, waaronder Luc Veenstra met stemmige foto’s van kleilandschappen:

Drogende, scheurende klei, ook van Veenstra:

Op de grafsteen van de stokoude dominee Hermannus Sebastiani uit 1672 een wapen met een wassenaar en drie sterren, dat lijkt op het stadswapen van Dokkum:

Terug langs de Oosterhaven in Stad:


Museum Appingedam andermaal bezocht

Na zeven jaar werd het ook wel weer eens tijd om het Museum Stad Appingedam opnieuw te bekijken. Ik kreeg er een rondleiding van vrijwilliger Henk Bolt. En zag andere dingen dan de vorige keer.

Schippersklokje uit de zeventiende eeuw (met een enkele wijzer):

Krukje met gereedschap in de koperslagerswerkplaats, onder in de kelder:

Kanonnetje dat tevoorschijn kwam bij een opgraving op het terrein van de voormalige borg (Oost-)Snelgersma; de wielen zijn er naderhand bij gemaakt:

Bord met de namen van de Damster beurtvaarders op Amsterdam, 1696. Als iemand onderweg was, kwam er een stop in zo’n gaatje rechts:

Jan Gewald (1840-1921?), de blinde stadsomroeper van Appingedam, met zijn vrouw die hem altijd begeleidde en waarschijnlijk ook souffleerde, want bij het memoriseren van de om te roepen boodschappen ging er natuurlijk wel een iets mis:

Raampje met gebrandschilderd glas dat me sterk deed denken aan soortgelijk werk uit 1718 op het koor van de kerk in Noordwolde:

Tegeltableau met schaap (volgens mij zeldzaam, gewoonlijk zie je koeien en paarden, maar geen schapen):

Vrouwenfiguur op een vroegmoderne schouw:

Op zolder het uithangbord van een lokale schoenenwinkel:

In een van de kamers hangt en staat werk van Jan S. Niehoff, dat me deels bekend voorkwam. Zo niet dit aardige wintertafereeltje:

Karel Arkema (1901-1964), De pastorie van Solwerd:

Sip Hofstede (1948-2019), Wijkstraat Appingedam:


Badkat met guppy

.

Als je weinig in de Stad komt, mis je veel moois. Bijvoorbeeld deze ‘Badkat met guppy’ die sinds ruim anderhalve maand in het Verbindingskanaal bij het Groninger Museum drijft. Het ding is gemaakt na workshops met kinderen uit de Korrewegwijk, waar het de afgelopen zomer in de Floresvijver dreef. Realisatie lag in handen van Studio Maky uut Rotterdam. Zie ook


Rondje Oldehove

Witte koe op het Viooltjesland (tussen de Roderwolderdijk en het Koningsdiep), Hoogkerk:

De vlakbij grazende stier:

De Zuidwending tussen Nieuwbrug en De Poffert:

Oeps, daar is Boris:

Zonnebadende aalscholver op de hoek van de Zuidwending en het Aduarderdiep:

Bij het Washuisheem:

Molen de Jonge Held tegen de achtergrond van Vinkhuizen:

Aduarderdiep met de Gaaikemadijk verderop:

Het fietspaadje achter Piloersema, Den Ham:

Bij de Jensemaweg in de buurt:

In Oldehove op atelierbezoek bij Johan van der Dong – veenlandschap:

Terug over Noord- en Zuidhorn – hoekje langs de weg tussen Oldehove en Noordhorn:


Monumentendagrondje

Hoewel er een groot Monumentendag-spandoek voor de westelijke gevel hing, bleek de kerk van Hoogkerk, ook in weerwil van diverse aankondigingen, gesloten, Tenminste, om twintig voor twaalf ’s ochtends was dat zo. Daarom de buitenkant maar wat beter bekeken. Dit is het koor, oorspronkelijk uit de dertiende eeuw:

Via de nieuwe brug van Aduard, het pad langs Fransum en de Ezinger Zuiderweg binnendoor naar Ezinge gefietst. Achter het transportbedrijf bij de Medenerweg (daar waar het pad naar Fransum afsplitst), lagen deze schapen in een afgeperkt stukje berm. Na gedane arbeid is het goed rusten:

De kerk van Ezinge. Net als die van Hoogkerk uit de dertiende eeuw. Bij de beroemde opgraving van de dorpswierde wilde Van Giffen hem laten slopen:

Kansel uit 1721 met de vier evangelisten – Lukas:

Angelsaksisch? potje in een vensternis:

Grafsteen van Abeltien (ook wel Abelia) Millema (of Mellema) uit 1679. Van de 12 biografische regels zijn er 3 aan haar gewijd en 9 aan haar man. Samen schonken ze de kerk divers avondmaalsgerei (meerdere schotels en een beker):

De regels van Psalm 27 vers 4, zoals ze eind zestiende, begin zeventiende eeuw op de koormuur zijn geschilderd:

Gesneden leeuw op herenbank, begin achttiende eeuw:

De betrekkelijk lage toren bij de kerk met de vroegere kosterij en school:

Via grazige weiden over de Oldijk terug naar Den Ham:

In de kerk daar – springend paard op grafsteen:

Rococo kerkbanken:

‘Penwerk’, maar dan van een steenhouwer, op de grafsteen van Trijntien Jans Nienhuis, de vrouw van een Ommelander bestuurder, uit 1783:

Snijwerk op de meest bewerkte bank: een mand met bloemen en vruchten:

Wapen op het graf van een Hamster Schepper (waterschapsbestuurder), 1724. Dat dubbel doorschoten hart komt ons weer bekend voor:

Nog een blik achterom – behalve misschien de ondermuren is het kerkje nauwelijks drie eeuwen oud, en daarmee een jonkie onder de Ommelander kerken:


Kleurrijk rondje Westerbroek

Een Westlander van ruim een eeuw oud bij de Van Hallbrug op het Hoornsediep. Het schip diende vroeger voor het vervoer van groente:

Een welkom voor de nieuwe studenten in Groningen – tegenover het station bij het Groninger Museum:

Nieuwe muurschildering met fictief, samengeraapt stadssilhouet op de hoek van de Mauritsdwarsstraat en de Mauritsstraat in de Oosterpoort. Van links naar rechts de Apenrots van de Gasunie, de Dronkemanstoren met de Jozefkerk, het Academiegebouw, de Martinitoren, het Groninger Forum, het Groninger Museum, iets wat ik niet thuisbrengen kan en de Tasmantoren:

Gemeentelijke schaftkeet bij het Oude Winschoterdiep:

De andere zijde, met een evocatie van de Grote Markt zuidzijde (of Botermarkt), waarbij het Blok de gele kleur kreeg van de Museumtoren:

Ook het Oude Winschoterdiep ligt vol kroos:

Gebouw van autobedrijf aan de Wismarweg (Eemspoort) steekt gunstig af bij de omringende schoenendozen:

Trekkersporen in het natte gras onderaan het viaduct over de A7 voorbij Engelbert:

Pastorielaan, Westerbroek:

Stainkoelen, Rodehaan:

Logo van een bedrijf dat zich ‘Phoenix M-M werf’ noemt, maar dat blijkbaar geen website heeft:

Gideonweg – verkoopkantoor van een bedrijf dat in tweedehands Franse automobielen doet:

Een eindje verder zit een concurrent met een kanariegele Trabant op een platform. Het brikje is voorzien van de ideale snelheid:

Het industriële landschap er tegenover:

Die zwarte gebouwen met oranje balkons links van de oranje Hete Kolen op het Europapark zijn nieuw voor me. De kolenmuur van de verdwenen elektriciteitscentrale is erin verwerkt met graffiti en al:

Op de kolenmuur balanceert een speels oranje hondje als ornament:


Graffiti assorti

Rode kat bij de Oude Stationsstraat:

Blije stadsfietsers, Hoekstraat of Muurstraat:

Katachtige met drie ogen en een, op de sabeltanden na, ontbrekend ondergebit. Omgeving Stadsstrand/Singeweg:

Koffiedrinkster – ook daar:


Brokaatpapier

Apart omslagje, om de rekeningen van de kerkvoogdij Nieuwolda uit de jaren 1787-1789. Had ze nodig voor een paar arbeiders, en wat krijg ik: blingbling.


Het plakkertje

N. stuurde me wat foto’s op van een prent met de vraag of ik de maker van die prent thuis kon brengen. Haar grootvader had de prent ooit gekocht in Groningen. Helaas zei de signatuur mij niets, bij het natrekken bleek dat er niet iemand met die naam in Groningen had gewoond, laat staan er als kunstenaar had gewerkt.

De prent, zei N., zat nog in de originele lijst achter het originele glas. Achterop het steunkarton had de kunsthandel die de prent verkocht, “Eduard AA”, een plakkertje gehecht in de vorm van een schilderspalet. Dergelijke stickertjes bevestigden boekhandels vroeger op de binnenkant van boekomslagen. Maar die plakkers waren gewoonlijk vierkant of rechthoekig, terwijl er hier een artistieke vorm aan was gegeven.

De naam van de kunsthandel deed me wat gemaakt en schimmig aan met die dubbele hoofdletter AA. Waren het voorletters? Maar waarom stonden ze dan achteraan de naam? En dat Eduard kon natuurlijk net zo goed een voornaam zijn en geen familienaam, zoals je eerst misschien denkt. Ook deze naam kwam niet voor in AlleGroningers. Dat AA met dubbele hoofdletters deed me denken aan een oudoom van me die zijn autoglasbedrijf in Flynt , Michigan, AA Carglass had genoemd om vooraan het rijtje concurrenten in een adresboek of telefoongids te komen. Maar in een analoog geval zou Eduard toch achter de A’s moeten komen?

Kunsthandel Eduard AA bevond zich volgens het plakkertje op de hoek van de Herestraat en het Zuiderdiep, de meeste Groningers nu nog wel bekend van sigarenzaak Homan. Dit was een A-locatie in de Stad – alle treinreizigers kwamen er nog langs op weg naar de winkelstraten en café’s in de binnenstad of de bushaltes even verderop aan Zuiderdiep en Damsterdiep.  Op zo’n plek moest je flink omzet draaien om de huur op te kunnen brengen, ook vroeger al.

Getuige advertenties, vooral in het Nieuwsblad van het Noorden, had  kunsthandel Eduard Aa op die lokatie slechts bestaan van mei 1925 tot eind april 1928. Gaandeweg verbreedde de eigenaar, Eduard Aa, in die drie jaar zijn assortiment met lijsten, aardewerk en porselein. Met zijn core business, de verkoop van kunst, leek het dus niet al te best te gaan. Typerend is dat Aa in zijn advertenties mikte op trouwende stelletjes die een uitzet bij elkaar moesten kopen. Vaak had de winkel ook aanbiedingen en uitverkopen. Een en ander doet wat goedkoop aan – als kunsthandelaar bediende Aa waarschijnlijk het laagste marktsegment. In april 1928 vertrokken hij en zijn vrouw naar elders, waarbij zowel Amsterdam als het buitenland als bestemming werden genoemd.

Op zoek naar de echte naam van de kunsthandelaar, bekijk ik het dossiertje van het Handelsregister dat Kunsthandel Eduard Aa ons naliet en dat over dezelfde periode loopt als de advertenties. Hij bleek eigenlijk Eliazer Aa te heten, “zich noemende Eduard”. Kennelijk ging het om een seculiere, geassimileerde jood. Hij had de Nederlandse nationaliteit, was op 11 februari 1898 geboren in Amsterdam en getrouwd buiten gemeenschap van goederen. Met zijn vrouw woonde hij in Groningen op het winkeladres, dus Herestraat 80. Op 23 april 1928 schreef hij zijn zaak uit bij de Kamer van Koophandel, wegens de verplaatsing ervan naar het Gevers Deynootplein in Scheveningen, vlakbij de pier.

Het artistieke plakkertje dateert dus uit de periode 1925-1928. Gewapend met de echte naam, leveren WieWasWie en wat bijkomende websites vervolgens een beeld op van de eerdere en verdere lotgevallen van Eliazer/Eduard Aa en de zijnen. Eliazer bleek de zoon van Abraham Aa, een slager en rabbinale toezichthouder bij het ritueel slachten. In 1918, bij de loting voor de militaire dienstplicht, woonde Eliazer nog steeds in Amsterdam. Hij trouwde er eind sept 1924 – dus vlak voor de verhuizing naar Groningen – met de diamantbewerkersdochter Emma Breslau. De huwelijksakte geeft zijn beroep nog op als lijstenmaker. Pas na hun vertrek uit Groningen kreeg het paar twee (levenvatbare) kinderen, namelijk een dochter Elisabeth (1929) en een zoon Marcel (1931). Beide voornamen wijzen weer op een geseculariseerd en geassimileerd joods milieu.

Eliazer of Eduard stond later, nadat hij en zijn gezin vanuit Den Haag weer waren verhuisd naar Amsterdam, te boek als handelsreiziger en kruidenier. Het laatst bekende woonadres van het gezin Aa was Transvaalstraat 57 te Amsterdam. In 1943 is het hele gezin weggevoerd naar Sobibor, waar het op 9 juli meteen na aankomst is vergast.

Toen eind januari dit jaar in Westerbork de namen van alle 102.000 uit Nederland weggevoerde en vermoorde joden en zigeuners in alfabetische volgorde werden voorgelezen, behoorden die van Eliazer Aa en enkele van zijn familieleden tot de allereerste.


Stadspromotie uit het Interbellum

Bij mijn zoektocht van de week naar een affiche van Schlette kwam ik ook langs diverse VVV-affiches uit het Interbellum.

De Martinitoren vormde kennelijk een onontkoombaar icoon. Vooroorlogs stadsgezicht met aan de voet van de toren onder andere de Toelast en de Hoofdwacht. De drukker was N. Hindriks & Zoon, een bedrijf dat van  1909 rot 1937 bestond, maar vooral in de jaren 1910-1915 aan de weg timmerde met wandplaten, stadsplattegronden enz.:

Een enorm evenement was in 1930 de historische verkeersoptocht, georganiseerd door een andere VVV, namelijk de Vereeniging voor Volksvermaken:

Een handvol jaren later was er een beurs in de Harmonie aan de Oude Kijk in ’t Jatstraat. Het bedrijfsleven zette Groningen in zonnegloed, maar of iedereen zo’n architectonisch ensemble in het echt kon waarderen?:

Wie Groningen niet kent, kent Nederland niet‘ was een VVV-campagne die maar liefst twintig jaar heeft gelopen, vanaf 1931. Veel geholpen heeft het niet, maar dit experimentele, scheve affiche zal vast wel spraakmakend geweest zijn:


Bioscoopaffiche, gedrukt door H.N. Werkman

Op zoek naar een bekend affiche van de graficus en valsemunter Schlette, over wie het komende Historisch Jaarboek Groningen een mooi artikel van Alina en Margriet Dijk bevat, kwam ik langs dit bioscoopaffiche, met een programma dat liep van 23 tot 26 september. Maar van welk jaar, is dan natuurlijk de vraag.

Het bleek 1910. Het Bioscope Theater aan de Guldenstraat bestond van 1908 tot 1912. E. Wulff was er tussen september 1910 en mei 1911 de directeur van. en exact hetzelfde programma stond op 24 september 1910 als advertentie in het Nieuwsblad van het Noorden:

Vertoond werden een actueel beeldverslag, wat korte speelfilms, zowaar een vroege kleurenfilm van Italiaanse makelij (De Tyran van Jeruzalem) en een doumentaire over de destijds inderdaad indrukwekkende Italiaanse artillerie. Zo’n programma duurde misschien een uur en revolveerde ettelijke keren per dag: je kon er op elk gewenst moment binnenstappen. Zo werkte de Luxor aan de Herestraat midden jaren 60 nog steeds, tenminste overdag, zo herinner ik me van mijn allereerste bibliotheekbezoek (nog onder begeleiding).

Om op dat affiche terug te komen, het werd gedrukt door Hendrik Nicolaas Werkman, die indertijd zijn drukkerij nog had op het adres Peperstraat 5.

Werkman kennen we nu door zijn kunst, maar daarmee begon hij toen hij een poos weinig of geen opdrachten voor handelsdrukwerk had en noodgedwongen duimen zat te draaien.

Aansprekend aan het bioscoopaffiche is vooral de figuur van de soldaat achter de schutting. Die staat wel heel ver weg van Werkmans latere beeldtaal. Maar waarschijnlijk heeft Werkman juist dit kleurige deel van het affiche niet gedrukt, en betreft het een passepartout,  waarvan de bioscoop afgepaste stapels aanleverde, en waaraan Werkman slechts het actuele programma hoefde toe te voegen:


Dikke dogge

Aasje oet station van Hazzen kommen, stait doar een haile dikke hond op wacht. Ain richtige helhond! Nont zwoait nait vrundlik mit steert zoas ome Loeks zien peerd veur ’t station van Grunnen dat döt. Hai het ook aignlieks niks op mit Grunnegers, ken’k joe vertellen:

Mie luit e doodmakkelk pazzeren omdat ik mit mien paspoort ’n jeugd op Drenthe antonen kon. Moar wees woarschaauwd: gewoonlieks luit e gain enkelde Grunneger deur. Zölfs gain lutje potje of beudel! Votdoalik as e doar de lucht van ien neuze krigt, springt e der bovenop en den is ’t hap, sloek, vot, inains deur zien monsterachtige moele. Den binje haailendaal verzwonnen veurdat je ’t waiten! En gainaine dei wait woar je bleven bin’n. Aldertreurigst ist, ook veur de femilie!

‘k Zol der moar baange veur wezen, hè?! Ik heb joe woarschaauwd en woarschaauwd mins telt veur tweie. Laiver Blojan den Dojan. Pas op hur, woart joe veur dei hond!


Ploeg Hotspot

Eerste Drift bij de Spilsluizen

DSC04233 (2)

Naschrift:
Werd er op gewezen dat Johan Dijkstra op Eerste Drift 3A woonde en niet Jan Wiegers. Opgezocht in Adresboek van 1961 en dat bleek te kloppen.


Zwamkunst

Was al een paar keer langs het paadje in het Stadspark gekomen en merkte opeens iets nieuws en vreemds op: fraaie zwammen op een dode boom:

Ze waren me iets te mooi verspreid over de bast, ze leken gearrangeerd. De zwammen op zich waren me ook wat al te mooi, er was niets dat ze op natuurlijke wijze degradeerde, hetgeen de gedachte deed postvatten dat het om kunst ging, menselijke moedwil.

Bij een nieuwe passage maar even de proef op de som genomen. Hoewel er vrij veel doornachtig struweel voor de boom lag, viel de boom via een omtrekkende beweging nog wel te benaderen. Ik zette mijn duimnagel op zo’n zwam en drukte – de zwam bleek onnatuurlijk hard. Ik keek onder de zwammen, waar iemand ze bleek te hebben voorzien van houten zooltjes. Deze leken bevestigd met kleine spijkertjes.

Het was dus kunst.

Zwamkunst!

(Maar de reacties stellen mij in het ongelijk.)