Naar Steenwijk

Voor een zaterdag vroeg op. In de Folkingestraat poetst een duif zijn veren:

Bij de ingang van de voormalige V&D in de Ebbingestraat staat een bord voor een nieuw bier. Aan het behoud van het gebouw op dat bord heb ik indertijd, medio jaren 90, het mijne mogen bijdragen. Grappig dat er nu een biersoort naar genoemd is:

Bij de Beren:

We gingen naar Steenwijk, naar de presentatie van een boek en de opening van een gelijknamige tentoonstelling: ‘Raggers rond de Baarg’. Zowel in het boek als op die tentoonstelling staan de gebroeders Kuiper centraal, beide geboren op de Steenwijker kant van de Bisschopsberg, op de grens van Drenthe.

Dit is het zelfportret van Henk:

Van de twee was hij de betere schilder, zoals in dit dorpsgezicht:

Of in dit korenveld:

Het werk van zijn broer Geert, is juist sterker in het grafische, zoals in ‘Heidebrand’, dat de angst voor het naderende vuur bijkans voelbaar maakt:

Of in deze ‘Herinnering aan de herhalingsoefening’ uit 1931:

Beiden waren het verdienstelijke amateurs, ander werk is zwakker. Toch, als zulke kerels eens een kunstopleiding hadden kunnen volgen, wat zou er dan wel niet van geworden zijn?

Na de bijeenkomst via Kallenkote naar Wapserveen, waar we uitstapten bij De Olde Fabriek, dat wil zeggen de voormalige zuivelfabriek waarin nu een restaurant met aanschuiftafel zit, al kan je er ook gewoon koffiedrinken of lunchen. Er stond een stapel kaasplanken buiten. Henk zag meteen handel::

Voor betreding van dit restaurant moeten de telefoons uit, een heel verstandige maatregel die de conversatie bevordert::

Binnen waren er verscheidene elementen die aan de oorspronkelijke functie van het pand herinnerden, zoals een kastje met kaasmakersmedailles, zowel van  Nederlandse Zuivelbond:

Als van de Drentse variant voor coöperatieve zuivelfabrieken:

Advertenties

Hunebed met schrijver dezes

Nu het vanwege de massaliteit en het vandalisme zwaar verboden begint te raken om nog langer hunebedden te beklimmen, moest ik toch maar eens op zoek naar de foto van mij op de poort van het grote Havelter hunebed. Helaas is mijn scanner kaduuk en dus moet u het doen met een foto van de foto die destijds door mijn jongere broer gemaakt is:

Hij dateert van april 1970. In die dagen kon je nog helemaal alleen op een hunebed zitten om over de grote stille heiden te koekeloeren door je brilletje.

Overigens was dat hunebed in de oorlog door de Duitsers onder de grond gewerkt vanwege hun vliegveld. Na de oorlog kwam het weer tevoorschijn, natuurlijk niet uit zichzelf, want zo’n hunebed is moeilijk in beweging te krijgen. Op dat moment maakte Havelte zijn al bestaande bijnaam waar: het “Drents Pompeï”.


“De ondergang der bijenteelt zou eene onherstelbare ramp voor ooft- en landbouw zijn”

In 1896 diende de Friesche Maatschappij van Landbouw een subsidieverzoek in bij de minister van landbouw. Van het gevraagde geld wilde ze graag een “bekwaam imker” aanstellen, die op winteravonden in Zuidoost Friesland bijspijkercursussen bijenteelt moest geven. De bijenhouders waren qua vakkennis namelijk niet helemaal up to date. Minder vriendelijk geformuleerd: ze liepen decennia achter. Omdat de minister het Friese verzoek kon billijken, zette hij 150 gulden op zijn begroting voor de nieuwe vorm van kennisoverdracht.

Interessant is wat het vrijzinnige kamerlid Houwing, een Stellingwerver die als modern predikant naar het Drentse Havelte gekomen was en daar nog steeds woonde, bij de begrotingsbehandeling opmerkte. Allereerst constateerde hij dat het aantal bijenvolken in Nederland in de dertig jaar tussen 1864 en 1893 meer dan gehalveerd was:

“Dit vak van landbouwbedrijf, dat vroeger in betrekkelijk bloeienden toestand verkeerde, toen het nog een honiggewin opleverde, waarvan de jaarlijksche opbrengst op circa 1½ millioen guldens kon worden geschat, is in de laatste 30 jaren hard achteruitgegaan en dreigt geheel te gronde te gaan. Terwijl in 1864, volgens het Landbouwverslag, 216.000 bijenkorven door de gezamenlijke imkers gehouden werden, bleek dat getal in 1893 gedaald te zijn tot ruim 92.000. In de provincie Friesland was de verhouding tusschen toen en thans nog ongunstiger, en daalde het cijfer van ruim 17.000 tot ruim 6000 korven.”

Deze halvering tot tertiëring van het aantal bijenvolken komt overeen met de ontwikkeling in het aantal beroepsimkers in de akten burgerlijke stand, die ik voor Groningen constateerde. Ook daarin zit er een zeer forse dip in de tweede helft van de negentiende eeuw.

Houwing beaamde wat de minister schreef over het gebrek aan vakkennis. Terwijl de modulaire bijenkasten met bijenramen al in opkomst waren, zaten de Nederlandse imkers nog te klooien met korven waarin ze wat latjes hingen als verbindingsmateriaal voor zeer ongelijkvormige honingraten.

Houwing zag bovendien het bredere belang van de bijenteelt voor land- en tuinbouw:

“… het geldt hier niet in eerste plaats en vooral de bijenteelt als middel van bestaan, en het belang der imkers. Er is meer mede gemoeid dan eenig loonend honiggewin. De ondergang der bijenteelt zou eene onherstelbare ramp voor ooft- en landbouw zijn wegens de belangrijke rol, die de bijen vervullen in het huishouden der natuur. Het is meermalen gebleken dat het geheel of ten deele mislukken van den ooftbouw, en van het verbouw van sommige landbouwgewassen als klaver, boekweit, koolzaad en boonen is veroorzaakt door de ontstentenis van bijen, die het stuifmeel van de eene bloem op de andere overdragende, voor de bevruchting zorgen.”

In iets andere bewoordingen en met wellicht wat andere gewassen zou het vandaag de dag nog precies zo kunnen worden gesteld.

Bron: Begrotingsbehandeling in Tweede Kamerverslag van de zitting op 9 december 1896 (via Staten Generaal Digitaal).


Schoonlo, Drents paradijs voor Groninger bijen

Schoonlo was in 1929 nog steeds een eiland in een zee van heide. Kaartfragment ontleend aan Topotijdreis.nl .

Bericht uit Schoonlo, 23 juli 1897:

Wanneer de maand Juli in ’t land is, begint het hier, in het anders zoo stille plaatsje, levendig te worden. Dan toch komen hier de ymkers uit ‘t ‘Groningerland’ om hier hun nijver volktje van de heidebloempjes te laten profiteeren. Veel bijen worden hier dit jaar gebracht, te zamen ongeveer 1500 korven, wat voor menigeen nog een mooi voordeeltje geeft, daar van iederen korf 9 cent ‘steêgeld’ moet worden betaald. Ja, juist 9 cent en geen dubbeltje, want van de 10 korven wordt één gerekend ‘moederloos’ te zijn, d.i. waarin geen koningin is. Zoo’n kolonie is weinig waard, het bestuur is er uit… (…) Van zoo’n ‘moederlooze’ korf hoeft geen ‘steêgeld te worden betaald.”

“Het gewin is op de dopheide en zandboekweit hier tegenwoordig uitstekend, De ymker kan een goed jaar verwachten, daar ook de ‘riegheide’ die straks begint te bloeien, zeer weelderig is.”

Bron: Nieuwsblad van het Noorden, 25 juli 1897.


Van Giffen als achterdochtige Drent – een vroege karakterschets

De reistas van Van Giffen. Collectie Groninger Museum.

Gister kwam de brievencollectie van het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden online. Slechts een klein deel van die collectie is voorlopig echt toegankelijk gemaakt, maar de enige treffer die het zoekwoord ‘Groningen’ oplevert, is alvast een mooie verrassing. Het betreft een aanbevelingsbrief uit 1912 van de Groninger hoogleraar biologie Van Bemmelen voor de destijds nog niet gepromoveerde Albert Egges van Giffen:

Groningen, 6 Oct. 12.

Van Giffen heb ik leeren kennen eerst in zijne positie van student in de Biologie, daarna als assistent aan het Zoölogisch Labaratorium. In beide qualiteiten heeft hij blijk gegeven een man van bijzondere gaven en rusteloozen ijver te zijn. Hij bezit een grooten aanleg en ook sterke geneigdheid tot geheel zelfstandig werken, wat aanleiding kan geven dat hij we eens al te zeer zijn eigen weg gaat, maar hij is toch gevoelig voor raad van anderen en bereid tot overleg en tot samenwerking, wanneer men de eigenaardigheden van zijn karakter weet te verstaan en zijne neiging tot achterdocht (die vermoedelijk aan zijn Drentsche afkomst moet geweten worden) weet te overwinnen.
Volgens mijne overtuiging zal Van Giffen bij voldoende aanmoediging en vriendschappelijke leiding, veel en goed origineel werk kunnen verrichten en een groote kracht worden voor het archaeologisch onderzoek. V. Giffen’s begaafdheden voor dat onderzoek en ook reeds zijne verdiensten op dat gebied zijn zoo groot, dat ik het de plicht acht van ieder, die in de gelegenheid is hem te helpen en te steunen, om daarbij enkele minder aangename en gemakkelijke zijden van zijn aard over ’t hoofd te zien, vooral omdat naar mijne meening de grond van zijn karakter eerlijk, oprecht en onbaatzuchtig is.

J.F. van Bemmelen


Kievitenstroper

Theo van Hoytema, Kievit. Proefdruk van een litho. Rijksmuseum.

LEEK, 19 Maart. Nauwelijks bevolken de eerste lenteboden, de kieviten, de madelanden, of de vogelvangers zijn weder bezig ze te verschalken. Honderden van deze nuttige vogels worden tot groote schade van den landbouwer gevangen en naar de poeliers in de steden verzonden; wel behooren de kieviten tot do nuttige vogels en mogen niet gevangen worden, maar onze vogelvangers, wetende dat de wet moeilijk is uit te voeren, gaan ongestoord hunnen gang. Zelden mag het der politie gelukken iemand op heeterdaad te betrappen.

 Toch gelukte het de vorige week aan de rijksveldwachters Velthuis alhier en Wieringa te Roden, J. de H., wonende bij de Matsloot onder Roderwolde, bij zijn strooperij te verrassen. Een 5-tal kieviten werden in beslag genomen. Eere aan de activiteit dezer handhavers der wet, die meermalen nachten aaneen in dit barre jaargetijde op het Leekstermeer rondzwalken om de wet te handhaven.

 Zou een scherper toezicht op de poeliers in de steden niet veel kunnen bijdragen om dezen vogelmoord te voorkomen?

Aldus het Nieuwsblad van het Noorden op 21 maart 1901. J. de H., dat waren de initialen van Juke de Haan, een arbeider die in het drassige gebied rond de Matsloot wel meer dingen deed die niet mochten. Dezelfde rijksveldwachters hadden hem nog geen jaar eerder bekeurd wegens het laten weiden van schapen in andermans weiland. Dat gebeurde in Foxwolde, nota bene in een nacht van zaterdag op zondag. Je zou denken dat de agenten dan wel wat anders te doen hadden, maar blijkbaar loerden ze op Juke. Ook had Juke in de gesloten tijd zitten vissen met een fuik en een schakel. Dat vistuig werd in beslag genomen en Juke kreeg ook hiervoor een proces verbaal aan zijn broek.

Ik denk niet dat hij de politie zo heel goed gezind was. De berichtgever mocht hij denkelijk ook niet zo, want een paar dagen later vond het Nieuwsblad het nodig te melden, dat het Oostwoldiger bericht over Juke van een héél andere correspondent kwam, dan van de gewone.


Hoe ds. Picardt de slavernij rechtvaardigde (1660)

In 1660 publiceerde de Coevorder predikant Johan Picardt een werkje, dat als allereerste geschiedschrijving van het oude Drenthe geldt. Daarin verwijlde dominee ook even bij de gezegende welvaart der witte christenen, die hij contrasteerde met het lot van de ongelovige Afrikanen:

“Letten wy op Cham en zijne nakomelingen, al zijnse machtige natiën gheworden, hoe seer heeft evenwel de slavernije op haer geheerscht! Zijn niet de meeste Africanen doorgaens geweest slaven hunner koningen? Een groot gedeelte der selviger, zijnse niet noch heden slaven der Turcken? De inwoonderen van Congo, Angola, Guinea, Monomotapa, Bagamidri &c, zijn het niet der slaven nesten, waer uyt soo veel herwaerts en derwaeryts gesleept, verkocht en tot alle slaef-achtige wercken gebruyckt werden?

Deze menschen zijn alzoo genaturaliseert, soo wanneer zy in vrijheydt ghestelt, of lieftalligh gekoestert werden, soo en willen zy niet deugen, en weten haer selfs niet te gouverneeren. Maer by aldien men geduerigh met rottingen in hare lenden woont, en dat men de selvige t’elckens sonder genade bastoneert, soo heeft men goede diensten van de selve te verwachten, alsoo haare welvaart bestaat in slavernije.”

Bron: Johannes Picardt, Korte Beschryvinge van eenige Vergetene en Verborgene ANTIQUITETEN Der Provintien en Landen gelegen tusschen de Noord-Zee, de Yssel, Emse en Lippe… (Amsterdam 1660) pag. 9.