Hoe je een hoefijzer ophangt

Naar aanleiding van de bekende schuur te Leutingewolde merkte Harmien laatst op:

“Vroeger werd ons verteld dat een hoefijzer boven een deur brengt geluk , maar dat de open kant naar boven behoort. Opdat het geluk er niet uit zou vallen….In tegenstelling tot de ‘bekende schuur’.”

Ten bewijze dat dit bijgeloof vrij universeel is, hoef ik enkel te verwijzen naar de Wikipedia, waar het lemma ‘hoefijzer’ het voorschrift aldus verwoordt:

“Een hoefijzer boven de deur hangen zou geluk brengen. Het is echter wel van belang hoe dat gebeurt. De juiste wijze is met het open gedeelte naar boven, in een U-vorm. Zo vangt men het geluk, dat van boven komt, op. Andersom zal het ijzer dat niet doen, sterker nog: er wordt gezegd dat dan het geluk eruit loopt.”

Sinds die opmerking van Harmien let ik wat scherper op opgehangen hoefijzers en dan kom he ze inderdaad ook meer tegen. De praktijk van het hoefijzers ophangen blijkt dan weerbarstiger dan het voorschrift. Zo zag ik in de het rijtuigdeel van Museum Nienoord, met name de stal, onlangs deze plank met verschillende soorten hoefijzers:

En in de Zuidhorner smederij Poort, die ik gisteren aandeed, was dit ooit het hoefijzerassortiment:

In beide gevallen hangen alle hoefijzers dus zo, dat het geluk eruit loopt. Met andere woorden: noch in het rijtuigmuseum, noch in de oude smederij hechtten de verantwoordelijken geloof aan het ongeluk brengende aspect van omgekeerde hoefijzers.

Nee, zuinigheid was sterker dan het bijgeloof. Een hoefijzer met het open eind naar beneden kan je immers met één spijker ophangen, terwijl een hoefijzer met het open eind naar boven er twee vergt, wil het niet heel gauw scheef gaan hangen. Qua materiaal en arbeidsloon scheelt de eerste methode dus de helft.

Zoiets moet ook overwogen zijn bij de hoefijzerophanging te Leutingewolde.

Hoefijzers in de Volksverhalenbank

Advertenties

De Twee Provinciën, toen het nog niet zo lang bestond

Ik merk dat het clubhuis van watersportvereniging De Twee Provinciën i  Paterswolde honderd jaar bestaat. RTV Drenthe besteedde er vandaag aandacht aan.

De Twee Provinciën is een zeer toepasselijke naam, aangezien het clubhuis zich pal op de grens van Groningen en Drenthe bevindt. Oorspronkelijk was het de naam van een uitspanning, waarvan ik me nu afvraag of die zich op precies dezelfde locatie bevond:

Het clubhuis van 1917, zoals dat er nu nog staat, op een foto van vlak na de bouw:

Van het eerste lustrum bleef het programma bewaard:

Ook later kon je er nog wel dansen:

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 1774 (documentatie bedrijven en instellingen) inv.nr. 4218/1 (Paterswolde).


Luizebos

Cornelis A. Hellemans, Figuren met een luizenkam (17e eeuw). Collectie Rijksmuseum Amsterdam.

In een verslag, uit 1923, van een vastgoedveiling te Deurze (een gehucht tussen Assen en Rolde) is sprake van een hele serie veldnamen, onder meer:

  • Bolmaat
  • Veldland
  • Jannenkamp
  • Luizeboschslag
  • Luizeboschtip

Op de Bolmaat zal een stier (bol) hebben gelopen. Veldland was ooit recent op de natuur gewonnen bouwland (vgl. Felland tussen Haren en Onnen), de Jannenkamp sloeg niet zozeer op een heropvoedingsinrichting voor rechtse types als wel op een stuk land dat oorspronkelijk buiten de es lag en op de natuur gewonnen was, en de Luizebosvariaties duidden op minderwaardige grond, waarbij de slag voor iets venigs zal hebben gestaan en de tip voor een overhoek.

Dat dan gezegd zijnde – toch aardig dat er een echte Luizebos bestond.


In de oliemolen van Roderwolde

Lijnzaad, waaruit de lijnolie geslagen wordt die je in de molenwinkel kunt kopen:

Reclame van een vroegere concurrent, Roelfsema in Hoogkerk:

Links de kollergang: een stel verticale molenstenen dat over een gebilde, liggende steen rolt:

Houten mechanica:

Even op de stelling geweest – zjoevvv – zjoevvvv – zjoevvv:

Uitzicht op de Roderwolder Schipsloot – in de verte het Peizerdiep:

Molensteen met o.a. vijf bilhamers (voor het bijwerken van de groeven in de steen):

Voorraadje meel:

Uitzicht van de bovenste zolder:

Er is ook een klein museumpje aan deze molen verbonden met spullen die herinneren aan o.a. het oude bakkersambacht – speculaasplank met molen:

Verpakking van Deventer koek:

Buiten staan de tulpen nog te pronken:

Website van de molen

Filmpje uit 1959


‘Het gevaarlijke liften’

Ben vanavond aan het sneupen geweest in het digitale archief van de Meppeler Courant. Ze proberen daar het wiel opnieuw uit te vinden – apart van Delpher en andere krantenbanken – en in eerste instantie verliep het gezoek nogal moeizaam. Maar na verloop van tijd kwamen er toch ook heel aardige dingen tevoorschijn, zoals het onderstaande verhaal, dat ik nooit eerder gehoord had. De commies waarvan sprake is, was mijn grootvader, wiens ambtenarenwoning aan de Havelter Dorpsstraat blijkbaar wel vaker als een soort van eerste opvangadres voor benarden fungeerde:

Meppeler Courant 7 september 1949.

Meppeler Courant 7 september 1949.


Vistuig van ruim een eeuw geleden

Was op zoek naar iets anders, maar in een programma voor een Waterfeest in Paterswolde, 1911, viel mijn oog op deze advertentie van een Sneker handelaar in visgerei. Niet alleen worden daarin vergeten visnetten als treemkes en zegens opgevoerd, ook demonstreert de advertentie met stripachtige plaatjes de werking van een totebel of kruisnet:
1
Op het  plaatje linksonder haalt de visserman louter rotzooi omhoog, hetgeen hem zichtbaar verdriet doet:
2
Op het andere zit de totebel vol met vis, hetgeen meneer bijzonder verheugt:
3
De onuitgesproken suggestie was dat je voor vis in plaats van rotzooi in je net helemaal naar Sneek moest. Een Groninger concurrent kon het daar uiteraard niet mee eens zijn:
4


Sappemeerster Elfringen en Olderwetsche Zeeuwen

dsc08368

Twee maal bleef de Veendammer Albert Gerrits in gebreke. Drie weken na Sint Jacob 1787 zou hij Jan Derks, een koopman van buiten de streek, “50 zakken zoomer zeeuwse aardappelen en 50 zakken elfring aardappelen” leveren. De eerste soort was blijkbaar wat beter dan de andere, want de Zeeuwen deden ruim 16 stuiver de zak, terwijl de Elfrings 2 stuivers minder kostten.

Wat later beloofde Albert Gerrits bovendien Jan Derks voor Slochtermarkt 1000 zakken “elfring aardappelen” te fourneren voor 8 stuivers per zak, met nog 8 dukaten op de koop toe. Omdat Jan beide keren de beloofde piepers niet ontving, sprak hij Albert erop aan voor het Oldambtster gerecht. Het ene zaakje eindigde met een schikking, het andere komt daarna evenmin ter sprake, zodat ook dat zal zijn bijgelegd.

Deze rechtszaakjes zijn interessant om de tijdsaanduidingen en – vooral – de beide aardappelrassen. Slochtermarkt (de eerste woensdag van oktober) was kennelijk een algemeen bekende verwijzing. Over Sint Jacob heb ik het hier wel vaker gehad. De laatste melding die ik zag, was van 1745, maar ook in tweede helft van de achttiende eeuw kende men de heiligendag blijkbaar nog.

Van de beide aardappelrassen had ik nog nooit gehoord en ik dacht even dat het ging om de oudste melding van aardappelrassen überhaupt, maar daarin bleek ik me te vergissen. Bieleman citeert in zijn magnifieke proefschrift namelijk een vooraanstaand Eeldenaar die circa 1773 melding maakte van tien soorten aardappels, waaronder Zeeuwse Rode en Elferingen.

Volgens die Eeldenaar was de aardappel in zijn omgeving inmiddels een “algemene spijs” bij rijk en arm geworden. Bij de gegoeden stond er zelfs aardappeltaart op het menu. De armen aten al helemaal geen andere kost meer dan piepers. Daar in Noord-Drenthe was de opmars van de knol in 25 jaar voltooid, want de allereerste melding van aardappelteelt hier kwam in 1748 uit Zuidlaren. In de naburige veenkoloniën begon men er een jaar of wat eerder mee. Of het daar net als op het zand de grotere boeren waren, die ermee pionierden, is vooralsnog onbekend, maar ligt voor de hand.

Volgens de sociograaf Keuning bestond er voor 1773 al veenkoloniale uitvoer van consumptieaardappelen naar Hamburg. Het ging onder meer om Sappemeerster Elfringen en Olderwetsche Zeeuwen. Blaupot ten Cate noemt dezelfde soorten voor 1800, toen er zo’n 200.000 zakken vanuit de veenkoloniën naar Hamburg werden verscheept.

Dominee Rutgers van Kolham meldt dat de Elfringen daar omstreeks 1790 als beste aardappelras algemeen werden verbouwd. Rond 1850 kwam de variëteit nog steeds “legio” voor in die omgeving.

Zijn ambtgenoot Uilkens van Wehe en Zuurdijk, die zijn tuindershandboek (1855) nog veel meer soorten noemt, schaart de Zeeuwen en Elfringen bij de vroege aardappels en heeft een alternatieve naam voor de laatsten:

“Elfringen, ook Muizen genaamd, groeijen uitmuntend op zand en duingronden. Zij schieten hare wortelen uit de vele putten die deze aardappels hebben, doch door den bovengrond en minder benedenwaarts, waarop men dezelve op grooteren afstand poot dan de kruipers; zij hebben veel loof en eene witte bloem. De knol is langwerpig en fijn van meel, doch het zware of dikke einde van den knol is beter van smaak als het dunne puntige, zijnde deze punt ook meer witachtig, spekkig of glazig, dan het dikke einde, wanneer men den aardappel gekookt heeft.”

Een jaar nadien memoreert T. Borgesius, landeigenaar en burgemeester van Oude Pekela,  dat de fijne consumptie-aardappels van de zandige klei of zavel, ook in Groningerland, geheel verdwenen zijn door de aardappelziekte die vanaf 1845 heerste:

“zoodat het, bij het eventuee ophouden der ziekte, zelfs zeer moeilijk zal vallen, om de muisjes, Zeeuwschen en Elfringen-soorten in voldoende hoeveelheid ter uitplanting te verkrijgen.”

Ook Molema maakt later in zijn Groninger woordenboek melding van de Elfringen, volgens hem elders ook wel ‘Elfen’ genoemd. Bij het lemma terzake voert hij een hele reeks aardappelrassen of -variëteiten van voor 1845 op, waaronder de ‘zomerzijsen’ ‘zömerzeeusen’, ‘zeelanders’ of ‘zeilanders’. Met de Elfringen behoorden deze tot de puikste soorten.

De Elfringen en de Zomerzeeuwsen, beide namen staan ook op de Oranje Lijst van de Oerakker, een stichting voor het behoud en gebruik van oude groentegewassen onder auspiciën van de Wageningse universiteit. Bij beide rassen staat evenwel aangetekend dat ze niet meer in de handel zijn, en dat er zelfs geen genetisch materiaal van bewaard gebleven is. Wat ooit doorging voor een beste aardappelsoort, lijkt nu dus van de aardbodem verdwenen.

Bronnen:

  • RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 59 (civiele processen) notities d.d. 28 augustus, 16 oktober en 20 november 1787.
  • Jan Bieleman, Boeren op het Drentse zand (1987) 536-538 en achterin bij de noten 537-543, noot 97.
  • H. Molema, Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19de eeuw (Groningen 1887) 100, lemma elfringen.
  • S.J. Rutgers, Beschrijving van Kolham (Groningen 1849) 80-81.
  • S. Blaupot ten Cate, Voorlezing over de opkomst van de veenkoloniën Hoogezand en Sappemeer (Hoogezand-Sappemeer 1854) 41.
  • T. F. Uilkens, Groot Warmoeziershandboek deel I (Arnhem 1855) 12.
  • T. Borgesius, ‘Verhandeling over de teelt van aardappelen op veenondergronden of zogenaamde dallanden’, Tijdschrift ter bevordering van Nijverheid 1856, 277.
  • J. Kok, Het landbouwbedrijf in de Veenkoloniën (Deventer 1919) 62-67.
  • H.J. Keuning, De Groninger veenkoloniën; een sociaal-geografische studie (Amsterdam 1933) 122-125.