De zilverschat uit het Boekweitenveen

In het voorjaar van 1775 vond de vierpaards- en daarmee ‘dikke’ boer Jacob Lantinge een aardewerken kan met “oud silverwark” in het Boekweitenveen bij Zwinderen, een buurtschap in Zuidoost-Drenthe. Met wat moeite wisten hij en wat omstanders enige namen te ontcijferen, die op het zilver “gesneden” waren: enerzijds ging het om die van een Grietje Everts, anderzijds om die van een Willemtje, Aaltje en Roelofje Deningen. Er liepen in de omgeving allang geruchten over een verborgen zilverschat. Meermalen was ernaar gezocht, maar tevergeefs. Een van de omstanders wist ook al meteen te vertellen, wie precies recht op de schat had.

Deze aangewezen rechthebbende, net als de vinder wonend in Zwinderen, was de tweepaardsboer Jan Nienhuis, ook wel Nijenhuis genoemd. Een half jaar later diende hij bij de Etstoel, de overkoepelende Drentse rechtbank, de klacht in dat Lanting hem de zilverschat onthield. Nienhuis wilde dat de Etstoel Lantinge zou veroordelen tot het aan hem afgeven van het zilverwerk “onder genietinge van een eerlijke recognitie voor het bergen en moeijte”.

Tot “erholding” van die eis voerde  Nienhuis aan, dat op het zilver de namen stonden van enige van zijn voorouders: Grietje Everts en Willemtje, Aaltje en Roelofje Deningen. Om dit te staven, had hij zich verdiept in zijn genealogie en leverde hij een retrograde afstammingslijst, die sterk doet denken aan de lijst zoals Ayaan Hirsi Ali die in mei 2006 opvoerde om haar precieze Somalische identiteit te bewijzen. Alleen ging Nienhuis wat minder ver terug – zijn lijst omvatte geen tien generaties zoals bij Hirsi Ali, maar slechts vijf, waar weer tegenover stond dat er bij de Drent naast voorvaders ook sprake was van voormoeders:

 Ouders Jan Nienhuis:Willem Nienhuis en Jantje Eeverts
1665-1674, BisschopstijdGrootouders:Geert Nienhuis en Grietje Everts
 Overgrootouders:Willemtje Nienhuis en Willem Jacobs Huising
1629 getrouwd:Betovergrootouders:Geert Nienhuis en Griete Everts
(Even na 1600)Betbetovergrootouders:Olde Jan Nienhuis en Willemtje Deninge

De op het zilver aangetroffen namen heb ik in dit lijstje vet gezet. We moeten ervoor terug tot de eerste helft van de zeventiende eeuw. Volgens Nienhuis, die blijkbaar al op leeftijd was, hadden zijn grootouders de steengoed kan met het (in elkaar gedrukte) familiezilver “in de zogenaamde bisschopstijd” begraven. Dat was een tijdsaanduiding die je ook in Groninger bronnen uit het begin van de achttiende eeuw tegenkomt, voor de periode dat de Münsterse bisschop Bernhard von Galen , alias Bommen Berend, twee maal Noordoost-Nederland aanviel en deels bezetttte: 1665-1666 en 1672-1674, oftewel 1665-1674. Nienhuis wist erbij te vertellen dat de man die de schat destijds had begraven, “ongelukkig omgekomen” was, zodat de plek onbekend was gebleven,  

ofschoon na dien tijd meermalen door de Boer van Gees en Zwinderen in het veen na dit silver was gesogt, ‘tgeen aan veele lieden door het verhaal hunner ouderen bekent soude zijn

Ook hadden Nienhuis’ ouders het er vaak over gehad en hun kinderen aangemoedigd om ernaar te zoeken. Toen Lanting het zilverwerk dan eindelijk aantrof, was er ook ogenblikkelijk een Hendrik Roelofs bijgekomen, die op het lezen van de naam Griete Everts direct oordeelde dat het zilverwerk aan Nienhuis toebehoorde, “welk oordeel insgelijks door anderen daarover was gevelt geworden”. Vinder Lanting had zich daarop nog bereid getoond het zilver “tegen een eerlijke recognitie”  aan Nienhuis te geven. Dat beloofde hij zelfs met zoveel woorden, maar hij had daarna geweigerd zijn woord te houden.

In de zitting van de Etstoel liet zich ook een Albert Dening van de Diphoorn (een gehucht bij Emmen) vinden. Dit verre familielid van Nienhuis liet noteren dat hij geen partij wilde zijn in dit proces. Zodoende hoefde hij niet mee te betalen, maar zag hij ook af van een aandeel in het zilver. Ongetwijfeld was dit in het voordeel van Nienhuis.

Uiteraard was de vinder van de schat, Jacob Lantinge dus, het niet eens met eis van Nienhuis, anders had het niet eens tot een proces hoeven komen. Hij vond Nienhuis’ aanspraken op de schat zwak gefundeerd. Proces voeren op basis van zo’n afstammings- en rechtsopvolgingslijstje vanaf de betbetovergrootmoeder achtte hij  “tegen alle ordre en geregelde regtsplegen”. Dat de naam van Griete Everts op het zilverwerk stond, wilde nog niet zeggen dat de Griete ten tijde van het begraven ook eigenaar van die stukken was. Deze konden intussen best wel aan een ander zijn gegeven of verkocht. Ook was volgens de schatvinder niet gebleken dat  Aaltje en Roelofje Deninge voorouders of familie van Nienhuis waren geweest. Het zilver met hun namen was “van een veel later fatsoen” dan dat van Willemtje Deninge, dus van een latere mode of stijlperiode. Het zou best eens zo kunnen zijn geweest, aldus Lantinge, dat meerdere families gezamenlijk hun zilver in die aardewerken kan hadden gedaan, “om hetselve voor de vijanden te verbergen”.

Lanting (en/of zijn advocaat) was er dus vooral op uit om twijfel te zaaien. Ook hij had genealogisch onderzoek gedaan, waaruit naar voren was gekomen dat Nienhuis’ betovergrootmoeder Griete Everts vijf kinderen had. Nienhuis zou dus “in allen gevalle” moeten aantonen dat hij nog haar enig overgebleven nazaat was, die dan ook als enige recht kon laten gelden op de stukken waarop haar naam en die van Willemtien Deninge stonden. Dan nog kon Nienhuis geen aanspraak maken op het zilver met andere, of helemaal zonder namen, ook omdat het zilver niet in zijn eigen,

maar in gemene boeregrond gevonden was, en dat deze grondeijgenaren ook sustineren dat haar dit zilverwerk, althans een gedeelte daarvan niet kan worden geweijgert, overmits het neer dan 30 jaren in haar grond hadde gezeten, en dus als een accessoir van deselve moeste gehouden worden”.

Op de achtergrond was er dus ook een claim op het zilver door de boermarke van Zwinderen, het boerencollectief dat een groot deel van de woeste gronden in het dorpsgebied bezat en beheerde. het Boekweitenveen incluis. Als grote boer had Lanting daar zonder meer een flink aandeel in, al zou hij de buit dan moeten delen. Tot slot zette Lanting een historisch-kritisch vraagteken bij de verhalen die Nienhuis te berde bracht:

dat een overlevering die veeltijds fabuleus word bevonden, zo min als losse gissingen de plaats van valable preuven vervangen of tot een rigtsnoer van decisie verstrekken kan

Als eisende partij zette Nienhuis hier eerst een formeel argument tegenover. Hij vond dat Lantinge zijn bezwaren al had moeten inbrengen op de goorspraak, de periodieke bijeenkomst voor het aankaarten van allerlei juridische kwesties op dorpsniveau. Nienhuis had zijn zaakjes goed voor elkaar en kon aan de hand van  afkoopbrieven en andere notariële akten bewijzen dat hij “de eenigste erfgenaam” van Griete Everts en Willemtje Dening was. Aan de waarheid van ”het algemeen erfgerugte” kon volgens hem bovendien niet worden getwijfeld. Lang voor het terugvinden hadden Nienhuis’ ouders en grootouders meermalen verteld over de vermiste schat en daarbij zelfs de vorm van de kan beschreven waarin het zilver verstopt zat, “ ‘tgeen alle twijfeling behoorde weg te nemen”.

Zoals gebruikelijk in moeilijke zaken benoemde de Etstoel eerst een commissie om beide partijen te horen en zo mogelijk het geschil bij te leggen. Deze commissie bestond uit twee etten van het dingspil Zuiderveld en de beroemde ontvanger en geleerde Van Lier. Zij bracht al na een dag rapport uit in de plenaire Etstoel. “Bij manquement van minlijk vergelijk” wees de Etstoel daarop vonnis in de zaak. Lantinge moest als vinder Nienhuis het zilver geven, maar Nienhuis diende de helft van de waarde daarvan aan Lanting uit te betalen. Ook moest hij Lanting vrijwaren voor eventuele aanspraken op het zilver door derden (zoals de boermarke als grondeigenaar). Beide partijen samen betaalden de kosten van het geding.

Bronnen:

Drents Archief, Tg. 0085 (archief Etstoel) inv.nr. 14. deel 60. folio 87-89 (scans 173-177 ) lotting 28 november 1775, zitting 20 december 1775; folio 91 (scan 181) tussenvonnis 21 december 1775; folio 92 (scan 183) de uitspraak van 21 december 1775.


De barre grond van Roden

Notitie uit 1745 van de beëdigde landmeter W. Atlas uit Roden, dat het bouwland in Roden, Leutingewolde en Steenbergen niet altijd als volwaardig te beschouwen viel, omdat veel akkers maar een jaar of drie bebouwing verdroegen. Na die drie jaren moesten ze een jaar of vijf braak liggen en kon er hooguit wat vee worden geweid. Na afloop van deze cyclus was het land soms na twee jaar alweer met heide begroeid. Daarom diende er volgens hem ook een kortingsregeling te komen bij de heffing van de grondschatting.

De notitie zegt alles over het mesttekort, destijds, toen er nog geen kunstmest was, laat staan een stikstofprobleem.

Bron: Drents Archief, Toegang 1, inv.nr. 858.23 folio (en scan) 50.


De Toutenborg, herberg van Terheijl

Jammer dat sommige huisnamen alleen op kaarten en in archivalia te zien zijn en niet op of bij het pand zelf. Dit vrij onopvallende pand op de grens van Nietap en Roden heet bijvoorbeeld Toutenborg.

Het staat in het verlengde van de Toutenburgsingel, maar het is daar niet naar genoemd. Net als de singel ontleende het huis zijn naam aan de Toutenburg in Vollenhove, de woonplaats van de heer en mevrouw De Lille-Van Dedem voordat zij het in 1789 het geheel opgeknapte Huis Terheijl betrokken. Zij lieten de Toutenburgsingel aanleggen en moeten de Toutenborg hier destijds ook hebben neergezet. Het pand kreeg de functie van herberg.

In het Terheijlster Staatboek van 1806 wordt het zo beschreven:

Een herberg genaamd Toutenborg, gelegen tusschen de Nietap en Roden, bestaande in een behuizinge, schuur en stallingen voor eenige paarden, benevens de grond achter hetselve en aan de noordzijde is gelegen, midsgaders de bouwacker in de bos ten oosten en de weijderij in ’t Zulterveld, verhuurd in losse huure aan Hind[rik] Caspers jaarlijks voor ƒ 70,-…

Hindrik Caspers was nog tot mei 1814 de uitbater, steeds voor dezelfde huur. Dat bedrag vormde een bescheiden pachtsom, in aanmerking genomen dat herbergen in de stad Groningen meestal 100 à 200 gulden aan huur per jaar deden. Waarschijnlijk was de Toutenborg, zoals gebruikelijk op het platteland, ook meer een boerderij dan een herberg. Aan de noordkant werd er tot aan de Turfweg rogge en haver verbouwd op de zogenaamde Dobber-es en -kampen, verder had Hindrik nog de beschikking over bouwland dat ingeklemd lag tussen percelen van het Noordholt. Op een strook groenland tussen zijn huis en het Noordholt zullen wat melkkoeien hebben gelopen. Aan de andere kant van de weg lag de Zulterheide waarop zijn schapen graasden.

In 1806 waren dat zelfs merinoschapen, die bij opbod verkocht werden aan “liefhebbers van de schapeteelt en de wolverfijning”. Maar veel belangrijker waren de houtveilingen in herberg de Toutenborg, met name in 1810 en 1811.  In het eerste jaar ging het in november om “eene aanzienlijke kwantiteit eiken stamboomen, waaronder geschikt voor molenmakers, wagenmakers en scheepstimmerlieden”. Daarnaast betrof het percelen schilhout in de bossen en op de boerenplaatsen van Terheijl. In het voorjaar van 1811 kwam bovendien dennen-, elzen- en berkenhout onder de hamer, dat reeds gekapt klaarlag op de “cingels en plantagiën” van Huize Terheijl. Ook later dat jaar werden weer enorme partijen hout verkocht, het moet er een aanzienlijke kaalslag zijn geweest.  En steeds was kastelein Hindrik Caspers van de Toutenborg de man die je alles kon aanwijzen, als je gading op wat hout maakte.


“Ongeluckige schoott” eist leven bij klootschieterij te Roderwolde

Zet om naar conceptVoorbeeld(opent in een nieuwe tab)BijwerkenTitel toevoegen

Bij een opgraving of een zoektocht met een metaaldetector komt er nog wel eens eentje uit de bodem tevoorschijn: het skelet van een klootschietbal, dat wil zeggen een meervoudig kruisvormig stuk lood, dat ooit via gaten ingegoten was in een verder mooie ronde, maar spoorloos verdwenen houten bal die men bij het klootschieten gebruikte.

Slechts één keer komt dat spel ter sprake in de lottingsregisters van de Etstoel, maar dat ene geval maakt wel duidelijk hoe gevaarlijk zo’n bal kon zijn.

Gabbe Jacobs, een jonge boer “wonend op het Zandebuijr”, zou die Petridag (22 februari) 1676 van zijn levensdagen  niet vergeten. Op zo’n St-Petri ad Cathedram liepen nogal wat huurcontracten voor los land af en ging er ook meer geld om dan anders. In het kerspel Roderwolde, waaronder Sandebuur viel, was Jan Ottens, de knecht van kapitein Van Echten op bezoek om wat paarden te verkopen. Zowel Gabbe als Jan deden mee aan een pot klootschieten. Tijdens die partij schoot Gabbe uit met de bal zodat Jan door hem

ongeluckig an hett hooft is geraeckt en naerdatt deselve noch een geruijme tijdt mede hadde gespeelt, sijn Heeren peerden an koopluijden gepresenteert, flaeuw wordende, waer komen te overlijden sonder datt hij remonstrant (= Gabbe) oijt de minste quaestie mett de overledene hadde gehadt, off miening om hem te quetsen, veel weijniger te dooden, gelijck alles en sijnen vullencomen onnoselheijt uijtt de informatiën door ordre van den heer Drost genomen, genoegsaem soude consteren, alsmede uijtt de verklaringe van den D[octo]r[e]n en Chirurgijns, die hett doode lichaem hebben gevisiteert, dat de voorschr[even] Jan Ottens niet soo seer an dese ongeluckige schoott, als well van voorige onpasselijckheden sij overleden…

Gabbe was dus onhandig geweest, erg onhandig. Hij had Jan helemaal niet willen raken, laat staan doden. Maar Jan deed daarna nog een hele poos mee aan het spel en bood zelfs zijn paarden te koop aan bij handelaars. Daarna zakte hij weg en stierf. Uit de verklaringen die de drost naderhand ter plaatse liet opnemen, bleek ook wel dat er geen opzet in het spel was, terwijl de lijkschouwing uitwees dat Jan al langer niet zo gezond was geweest.

Gabbe vroeg daarom of het gerecht hem vrij wilde laten met kwijtschelding van de gerechtelijke- en andere onkosten. Inderdaad willigde de Etstoel dat verzoek in – deze Drentse rechtbank sprak Gabbe zonder criminele strafoplegging vrij van alle aantijgingen. Wel moest Gabbe de kosten van zijn verzoekschrift betalen en de kosten van zijn detentie na de eerste drie dagen. Blijkbaar vond de Etstoel dat Gabbe zijn onvoorzichtigheid nog wel in zijn beurs mocht voelen. Het kerspel Roderwolde zou de eerste drie dagen moeten betalen, terwijl de Etstoel verder besloot dat de lijkschouwing en alles wat in deze zaak op last van de drost was geschied, “tott lastt van hett landt” zou komen.

Bron: Archief Etstoel, inv.nr. 14, deel 22, folio 407, 6 juni 1676.


Tel de knopen! Of: een dure broek te Wapserveen

De weesjongen Jan Hessels uit Wittelte en de mulder Jan Jacobs van Wapserveen troffen elkaar in het najaar van 1692 op een begrafenis in de laatste plaats. En zoals wel vaker bij een uitvaart – ze maakten daar plezier met zijn beiden. De mulder bewonderde quasi de broek van de weesjongen, die het zelf bij nader inzien ook wel een mooi exemplaar vond. De mulder vroeg of Jan die broek van ‘m niet wilde verkopen. Eerst zei de weesjongen van nee, maar toen de mulder er bij voortduring op aan bleef dringen, noemde de jongen toch een prijs. Die liep per knoop op: voor de eerste knoop aan zijn broek vroeg hij slechts een duit, maar voor elke knoop meer wilde hij het dubbele beuren van het bedrag voor de vorige knoop. Lachend sloot de mulder de koop en drukte de hand van de weesjongen, die hem geluk wenste met zijn aanwinst.

Maar toen Jan Hessels zijn broek naar de molenaar op Wapserveen kwam brengen, weigerde die het kledingstuk in ontvangst te nemen en de bedongen prijs te betalen.

Waarschijnlijk zou de jongen het zelf wel uit zijn hoofd hebben gelaten, maar zijn voogd, Lucas Jansens Snoeck uit Wittelte, die wellicht nog een appeltje met de molenaar te schillen had, drong er bij hem op aan om door te zetten. Het was ook oom Snoeck die naar de Etstoel stapte, en zijn neef ruim een jaar later voor deze rechtbank vertegenwoordigde in de zaak over de broek.

Hier bleek dat de verkooppijs van het kledingstuk door de systematische verdubbeling van het bedrag bij iedere knoop aardig opgelopen was. De broek telde namelijk 17 knopen. De daarmee exponentieel toegenomen vraagprijs bedroeg uiteindelijk ruim 409 gulden, een bedrag waarvoor je destijds een kleine middenstandswoning kon kopen.

Oom Snoeck wilde dat de Etstoel de mulder van Wapserveen zou veroordelen tot betaling van dit bedrag. De broek was nou eenmaal voor dat bedrag verkocht en ook aangeboden bij mulder Jacobs. Die had Snoecks verweesde neef voor de gek willen houden, maar was “door sijn raillerie ten rechte bedrogen” en “na rechte hijrin condemnabel”. De mulder, kortom, had het geheel en al aan zichzelf te wijten dat hij erin gestonken was.

Uiteraard was de molenaar het niet eens met deze voor hem netelige voorstelling van zaken. Hij voerde bij de Etstoel aan

dat dyergelijcke saecken niet behoorden voor den richter te komen als sijnde niet als gecker[n]iën geweest”.

De zaak moest dus volgens hem ‘hors de la cour’, buiten het gerecht verwezen worden, zoals dat ook wel eens bij scheldzaakjes gebeurde. De molenaar noemde de koop onbewezen, in elk geval was die niet serieus bedoeld, maar slechts het resultaat van “raillerie”, scherts geweest. Een broek van 3 of hooguit 4 gulden was toch zeker geen 400 waard?

De Etstoel benoemde een commissie om beide partijen te horen, zo doenlijk tot elkaar te brengen, of anders een uitspraak te doen. Het werd een uitspraak. Van de commissie hoefde de molenaar niet het volle pond te betalen, maar wel 100 gulden. Daar kon je geen woning meer van kopen en toch was het nog steeds een leuk bedrag voor een wees.

Voor de molenaar was het nog steeds veel te veel, en de voogd van de jongen vond het juist te weinig. Beide partijen gingen daarom in hoger beroep. Ook in de appèlzaak hield de Etstoel echter vast aan de sententie. De mulder van Wapserveen moest dus dokken. Hij zal vast flink de smoor in hebben gehad.

Bron: Drents Archief, Etstoel inv.nr. 14, deel 30, folio 114, 13 november 1693; en idem folio 216, 4 juni 1694.


Men noemt een goede waard geen poffertbakker

In de index op de handelingen van de Etstoel, het Drentse gerechtshof, viel mijn oog op een lasterzaakje uit 1698, waarbij het slachtoffer zich beledigd achtte door de term “pofferbacker of poffereter”. Poffer of poffert kwam al wel enkele decennia in kookboeken voor, maar was verder ook weer niet zo bekend. In het kookboek van  de Menkemaborg (1717-1750) heet het baksel nog “boffert”. Over poffertbakkers weten we al helemaal niets. Dat dit nobele beroep als een scheldnaam figureerde, verbaasde me zeer. Vandaar dat ik me maar eens op dit zaakje wierp.

Bij nader inzien hoorde het bij een cluster van vier soortgelijke zaakjes, waarbij één naam centraal stond, die van Hindrik Lenting (ook wel Lentinge of Lentinck). Hij was telg van een vooraanstaande eigenerfde boerenfamilie die schulten (het equivalent van de latere burgemeesters en notarissen) aan de kerspelen Zuidlaren, Borger en Zweelo leverde en was (een dikke) vierpaardsboer op De Groeve, vlakbij de Drents-Groningse grens, en bovendien herbergier en solliciteur.

Met die laatste functie werd hij meestal aangeduid. Deze hield in dat Lenting namens de overheid optrad als bank, payroll of geldschieter voor een compagnie soldaten. Hij schoot uit eigen zak de soldij voor en ontving van de overheid aflossingen met een bovengemiddelde rente terug. De overheid was blij, want dit vormde de oplossing voor een voortdurend krappe kas, vooral in tijden van oorlog; de soldaten waren eveneens blij, want ze kregen hun soldij op tijd zodat ze niet hoefden muiten en plunderen. Een mooie winwin-situatie dus, waaraan je als solliciteur ook redelijk goed kon verdienen. De functie stond, zo is mijn indruk, vrij hoog in aanzien.

De herberg van Lenting op De Groeve moet ook een goede reputatie hebben gehad. Het was niet zomaar een tapperijtje. In 1695 vergaderde “de gemene bour” van Zuidlaren er, waarbij deze ingezetenen van Zuid- en Midlaren gezamenlijk maar liefst 235 gulden verteerden, een bedrag waar sommigen echter niet aan mee wilden betalen., Waarschijnlijk ging de vergadering over de grens tussen Midlaren en Zuidlaarderveen  en daarmee over het visrecht op het Zuidlaardermeer, een kwestie die al sinds 1636 speelde en waarover ook nu weer de partijschap was opgelaaid. Omdat Lentings vordering op zich niet werd bestreden, wees de Etstoel die toe. De “bour” of boermarke van  Zuidlaren moest dus collectief de somma betalen, waarbij ze het geld maar terug moest zien te halen bij de leden die aan de vergadering(en) hadden deelgenomen.

Goed, twee jaar later, in 1697, werden er vier klachten wegens ‘verbale injurie’ of belediging ingediend. Dat gebeurde op een goorspraak – een periodiek gehouden samenkomst waar mensen verplicht alle delicten moesten melden waarvan ze weet hadden. Twee van de klachten kwamen van een gebelgde Hindrik Lenting. Maar hij en zijn schoonzoon Jan Tabing waren op de goorspraak ook zelf van belediging beticht.

Voorlopig bleven de beledigingen zelf nogal schimmig. Ze moeten wel in het verslag van de goorspraak hebben gestaan, maar dat stuk ontbreekt nu. Bij de Etstoel betichtte Lenting ten eerste Egbert Sissing, een keuterboer op Zuidlaarderveen. Lenting wilde dat Sissing zijn gewraakte uitlatingen openlijk voor de Etstoel herriep, maar daar had Sissing geen zin in. Volgens hem bestond er geen enkel bewijs voor dat hij Lenting beledigd had. Hij had Lenting niet genoemd, laat staan bedoeld. Zijn woorden hielden geen belediging in, en hij had bij Lenting – in wiens herberg zich een en ander kennelijk had afgespeeld – ook geen “animus injuriandi” gehad toen hij de woorden uitsprak.

Meteen na Sissing sprak Lenting een Laurens Levinge aan, van een ander gezeten boerengeslacht. Hij was zoon van een Jan Levinge en daar kon je in Zuidlaren meerdere kanten mee op: in 1672 woonde er nog een oud-schullte met die naam in het dorp, en in de jaren 90 een tweepaardsboer, naast een driepaardsboer die ook herberg hield. Dat was dus een concurrent van Lenting en ik kan het helaas niet hard maken, maar vermoed dat Laurens een zoon van deze laatste was. In elk geval verliep de behandeling van Lentings klacht in zijn geval eerst precies zo als bij Sissing. Hij had Lenting niet beledigd, vond Levinge, en zijn woorden hielden geen belediging in.

Zoals gezegd, werd Lenting zelf ook van schelden beticht. Dat gebeurde door Hermen Hermens, de knecht van Gedeputeerde van Selbach die op de havezathe Laarwoud woonde. Lenting ontkende het hem ten laste gelegde, noemde alle tegen hem  ingebrachte getuigeverklaringen partijdig en kon “in goeden gemoede” verklaren dat hij niets ten nadele van de dienstknecht  had gezegd. Net als Sissing en Levinge voor hem, wilde ook Lenting zijn woorden niet openlijk herroepen of intrekken. Zouden deze drie zaakjes dus nog een vervolg krijgen, anders was het gesteld met het vierde, op basis van een klacht die de Zuidlaarder molenaar Willem Hendriks had ingediend tegen Jan Tabing, de schoonzoon van solliciteur Lenting die op Zuidlaarderveen woonde. Mede op basis van het formele argument dat deze veenkolonie qua volmachten, grondschatting en goorspraak zelfstandig was, werd deze zaak niet verder behandeld – de Etstoel achtte Tabing  ook niet schuldig aan belediging.

Drie zaken liepen dus nog door en in alle drie deze zaken benoemde de Etstoel een vrij zware commissie die bestond uit de drost, baron Van Pallandt, de landschrijver en de vier etten van het dingspil Oostermoer. Dit gezelschap moest de klagers en beklaagden nogmaals horen om ze dan zo doenlijk de zaak “in der minne” bij te laten leggen, of, als dat niet lukte, ze bij uitspraak te “ontscheiden”.

Dat gebeurde nog in november 1697. In alle drie deze restante zaakjes legde de commissie de schelders (Lenting, Sissing en Levinge) op te verklaren, dat ze niets van de beledigde partij wisten “als alle eer en goet”. In het geval van Lenting gold dit Hermens als individu: Lenting moest verklaren dat hij de gedeputeerdenknecht mogelijk “in grote toorn en haestigheijt” had beledigd, “wenschende dat het niet waer voorgevallen”. In de verklaring was ook vastgelegd dat deze niet zou strekken “tot de minste krenkinge van de ere en reputatie, goede naem en faem” van Lenting zelf. Lenting moest Hermens bovendien een deel van diens proceskosten betalen: 10 zilveren ducatons (ruim 30 gulden).

In de zaken van Lenting contra Sissing en Leving kwam de Etstoelcommissie tot een gelijk oordeel, met dien verstande dat beide gedaagden moesten verklaren dat ze solliciteur Lenting èn diens  familie niet hadden willen beledigen. Het ging dus om meer dan de eer van de solliciteur alleen. Voor de tegemoetkoming in de proceskosten maakte dat niets uit, die bestond uit hetzelfde bedrag.

Lenting, Sissing en Levinge gingen alle drie in hoger beroep en Sissing  zou zelfs revies aanvragen, maar dat baatte allemaal niets: de Etstoel bleef in 1698 en 1699 bij de commissoriale uitspraken van eind november 1697. Alleen in het geval van Laurens Levinge kwam nog aan het licht, waardoor Lenting zich nou zo in zijn eer aangetast voelde. Levinge verklaarde dat de motieven van Sissing  niet voor hem golden – hij was dus maar een meeloper. Hij kon daarom “hoog en duir” en bij “sin hoogste waerheijt” verklaren

dat hij de woorden van pofferbackers of poffer eters niet hadde gesproken

Blijkbaar waren dar dan de woorden van zijn kompaan Sissing geweest. Ook verklaarde Levinge dat een andere uitlating die hem aangewreven werd, niet de bedoeling had die solliciteur Lenting erin had bespeurd. Toen een gespreksgenoot van Sissing en Helinge opmerkte, “dat hij de poffen liever at met corinthen”, zou Levinge hebben gerantwoord: “Ick eetse liever met botter”. Echter, daarmee had hij  solliciteur Lenting, diens schoonzoon Tabing, of hun familie niet willen beledigen.

Het was Lentings eer te na om een poffertbakker te heten, of ermee vergeleken te worden. Wellicht was hij wat overgevoelig qua eer, maar dat gold voor vele tijdgenoten.  Het hier besproken cluster rechtszaakjes uit de jaren 1697-1699 toont dat eens te meer aan en ook maakt het duidelijk dat je poffertbakkers niet zomaar met goed-gereputeerde herbergiers mocht vergelijken. Een aardige bijkomstigheid is nog dat blijkt, hoe poffert destijds werd gegeten: met krenten of met boter. In elk geval was het betere kost, dan die je in een herbergje op het Zuidlaarderveen kon eten – de eigenaar daarvan stond in het Zuidlaarder heerdstedenregister van 1694 te boek als “Jannes in de Brijpot”.

Bronnen:

Drents Archief, Etstoel 14,

  • deel 31, folio 119, 120 e.v.: 19 november 1695;
  • deel 32, folio 348-351: 16 november 1697;
  • deel 33, folio 46-51: 19 juni 1698;
  • deel 33, folio 273-276: juni 1699.

Spokerij op Dalerveen

Drost en Vierentwintigh Etten der Landschap Drenthe
Also sedert eenigen tijd voor een gerugte in deze Landschap is gespargeert alsof het op Dalerveen spookte, en wij geïnformeert sijn geworden dat de vilder wonende op De Haar met namen Pieter Hindriks dit gewaande spook heeft gemaakt of angerigt –
Hebben wij goedgevonden mits desen te gelasten de capitain geweldiger C. van Elferen om sig ten spoedigsten in alle secretesse te begeven na De Haar, de voorschr[even] Pieter Hindriks in apprehensie te neemen en vervolgens denselven secuur na Assen ter gevankenisse over te brengen, gelastende mits desen  de scholts van Sleen L.L. Huisinge en desselfs pander om den Capt Geweldiger tot verrigtinge van dit exploict in allen delen behulpsaam te sijn.
Actum Assen den 4 julij 1752.
Ter ordonnantie van de Heeren voorschreven
/get./ J. Kymmel
1752

Nauwelijks twee weken later velt de Etstoel het vonnis:

Also de gedetineerde Pieter Hindriks van De Haar in de markte van Ermen alhier ter gevankenisse is gebragt op sware praesumptie dat hij sedert eenigen tijd spokerij op Dalerveen hadde aangerigt, en daartoe van anderen sou wesen angeset, waarover de gedetineerde gehoord, alhier ter vergaderinge heeft geconfesseert dat hij op den 4 febr. 1752 des avonds in donkeren met sijn snaphane in het veld was geweest en eenige malen het kruid van de panne hadde laten branden, dog dat sulks met geen quaad opset gedaan hadde, ook sonder inductie of aanradinge van een ander, verders versoekende genade en dat het hem mogte werden vergeven.
Waarover gedelibereert sijnde.
Hebben Drost en Vierentwintigh Etten verstaan dat de gedetineerde Pieter Hindriks voor dese reijs uit de gevankenisse sal worden gerelaxeert, en dat hem in serieuse termen sal worden aangesegt om sig inkomstig te onthouden om des avonds of ’s nagts bij sijn huis of in het veld eenig vuur of ligt te maken met een snaphane of op een ander wijse, bij poene, dat so hij daarvan overtuigt mogte worden, alsdan swaarder sal worden gestraft.
Dese sententie is de gevangen Pieter Hindriks in collegio voorgelesen op den 17 julij 1752 en ten gevolge voorschreven sententie aan hem een ernstige waarschouwinge gegeven. Quod attestor.
/get./ J. Kymmel
1752

Bronnen: Etstoel 14 deel 50 folio 139, 4 juli 1752 [scans 275 en 276] + zelfde deel folio 183vso en 184 [scana 264-265].

Toelichting: de bedoeling van de vilder (beestenhuidenaftrelkker) was kennelijk om met het vuur op de pan van zijn snaphaan (geweer) een lichtverschijnsel in het leven te roepen, dat men associeerde met een glènde (gloeiende) kerel, d.w.z. een kerel die vanwege zijn zonden na de dood geen rust kon vinden en daarom zwervend over het heideveld passanten verontrustte. De heren stuurden er hun oppercipier op af, die de vilder met hulp en een schulte en pander arresteerde en naar Assen overbracht. Daar heeft de vilder een mooi poosje in het hondengat of de gevangenis mogen vertoeven. Hij kwam er met een berisping vanaf. Helaas zijn de procesdossiers van de Etstoel nog niet online, anders was er wellicht nog wat meer informatie te vinden.


Welke jaarmarkten bezochten de Drenten het meest?

Heb gisteravond flink zitten grasduinen in de Index op de lottingen van de Etstoel, 1609-1790. Zo was ik benieuwd naar de jaarmarkten die ter sprake komen op de civielrechtelijke en boetstraffelijke zittingen van deze Drentse rechtbank in die periode. Hier is het lijstje:

Jaarmarkten binnen Drenthe Aantal meldingen
Zuidlaren 11
Diever 7
Norg 6
Meppel 4
Dwingeloo 3
Ruinen 3
Odoorn 3
Zweelo 2
Hoogeveen 2
Anloo 1
Roswinkel 1
Jaarmarkten buiten Drenthe  
Groningen 1
Wanneperveen 1
Deventer 1

Dat Zuidlaren de kroon spant, is bepaald geen verrassing. Noord-Drenthe (Zuidlaren, Norg, Anloo) is überhaupt goed vertegenwoordigd.  Wel valt op dat de Rodermarkt in dit staatje schittert door afwezigheid, terwijl die drukke markt in gerechtelijke stukken van het Westerkwartier nogal eens genoemd wordt. Qua aantallen meldingen doen de gezamenlijke markten van Zuidwest-Drenthe (Diever, Dwingeloo, Ruinen, Meppel en Hoogeveen) niet voor die van Noord-Drenthe onder. Oost-Drenthe (Roswinkel, Odoorn, Zweelo) valt qua aantal meldingen nogal tegen: in dit meest geïsoleerde deel van Drenthe  zat minder handel. Buiten Drenthe hadden de Drenten zo te zien vrij weinig te zoeken.


Kwestie om de ree- en kerkweg van Ter Heijl

Drents Archief 181-39.2 Uitsnede kaart van Groningen, 1784.

Op 24 juni 1788 stonden de Drentse drost S.P.A. van Heiden en de kerspellieden van Roden tegenover elkaar bij de Etstoel, het hoogste gerecht van Drenthe. Volgens de drost was bij een schouw in oktober 1787 de “rhee- en kerkweg” die in zuidoostelijke richting van Huize ter Heijl, via het Zultherveld en het gehucht de Zulthe naar het kerkdorp Roden liep, “geheel impassabel en onbruikbaar” bevonden. Op een gerechtelijke vraag hadden de Rodenaren niet willen zeggen wie er precies verantwoordelijk waren voor het hoogst noodzakelijke herstel en onderhoud. Daarom eiste de drost deze werkzaamheden van het kerspel Roden, waarbij de Rodenaren onderling maar moesten uitmaken wie het werk zou doen. Ook moesten ze de kosten van het geding betalen, vond hij.

De eerste verdedigingslinie van de Rodenaren kwam erop neer dat de drost zich voor het karretje had laten spannen van de douairière Sloet-Van Dedem, sinds enkele jaren de eigenaresse van Huize ter Heijl. Met deze nieuwkoomster waren de Rodenaren al een tijd in conflict over een nieuwe weg die zij op haar eigen kosten had laten “afbaken” en die in de toekomst, na de oplevering, de rol van ree- en kerkweg zou moeten overnemen. Waarschijnlijk betrof het de huidige Toutenburgsingel, die iets ten noorden van de Zulthe uitkwam op de hoofdweg tussen Roden en Leek en die daarbij een heideveld passeerde, dat nog het collectief eigendom was van de markegenoten van Roden. Deze ”veldgerechtigden” bliefden die particuliere weg echter niet op hun grond en hadden de bouw stil laten leggen. De Rodenaren vonden dat de drost eerst deze kwestie had moeten afhandelen, voordat hij aan de onderhoudszaak van de zuidoostelijke route had mogen beginnen.

Volgens de Rodenaren had de drost de wegschouw op die zuidoostelijke route laten uitvoeren op aanvraag van mevrouw Sloet en op aanwijzing van haar bedienden en meiers. Ze vonden dat de drost ook mevrouw voor de Etstoel had moeten dagen. Bovendien hadden Lieveren en Steenbergen niets te maken met wegonderhoud ten noorden van Roden, dus met het indagen van het algehele kerspel Roden richtte de drost zich aan het verkeerde adres.

De drost daarentegen, vond dat hij destijds wel op het verzoek  van mevrouw Sloet moest ingaan – hij had de schouw volgens de gewone regels laten uitvoeren door de schulte en twee eigenerfden van Peize. De kerspellieden van Roden had hij ook in de gelegenheid gesteld hun belangen in te brengen. Het was absoluut niet zijn bedoeling geweest om ze met de schouw onder druk te zetten zodat ze toestemming zouden geven voor de aanleg van de nieuwe, wat noordelijker gelegen weg. De Rodenaren bleven echter de mening toegedaan dat Van Heiden zijn oren had laten hangen naar mevrouw Sloet. En dat nota bene zonder hen, “oude landzaten”, de mond te gunnen.

Belangrijker dan dit afgeleide gekibbel, was een principiële, inhoudelijke discussie over de aard van de zo slecht onderhouden weg bij de Zulthe. De Rodenaren meenden dat alleen “publiek bekende herenwegen, rhee- en kerkewegen” onderhevig waren aan schouw en daartoe behoorde deze weg in hun ogen beslist niet. Ze kenden geen andere reeweg (voor het vervoer van doden naar het aangewezen kerkhof) vanaf Ter Heijl dan de Heijlsterweg (eerder Helsterweg, nu Vagevuurselaan/Natuurschoonweg) naar de Nietap en voorts vandaar naar Roden, wat natuurlijk een geweldige, Ommelander omweg was, al vertelden ze dat er wijselijk niet bij.

Daarentegen hield de drost vast aan de zuidoostelijke, geheel vervallen route over het Zultherveld en langs een steeg in De Zulthe. Volgens hem was dit de “gewone” en “aloude” route voor het wegbrengen van doden. Hij bracht naar voren dat hierlangs “van tijd tot tijd” (af en toe) overleden pachtboeren van Huize ter Heijl naar hun laatste rustplaats in Roden waren gegaan. Hoe vaak dat gebeurde, vertelde de drost er op zijn beurt niet bij, maar zelfs rond 1800 gebeurde dat hooguit één keer per jaar. De Heijlsterweg naar Nietap was volgens hem alleen maar als dodenweg gebruikt voor begrafenissen te Midwolde of elders in Groningerland. Dat deze noordelijke route geen ree- en kerkweg naar Roden kon zijn, bleek naar zijn mening uit de geschiedenis. De kloosteruithof in Ter Heijl viel vanouds, vanaf de late Midddeleeuwen, onder de parochiekerk te Roden, terwijl Nietap pas veel later (eind zeventiende eeuw) was gesticht. Bovendien stond de slecht onderhouden reeweg over het Zultherveld ende Zulthe volgens hem ook op de landkaarten.

Inderdaad staat die route op één enkele kaart, zij het van Groningerland (zie pijltje op kaartuitsnede boven): het betreft een zijweg vanaf de Scheperij over de heide naar De Zulthe. Destijds nog actuelere kaarten van Drenthe laten dit wormvormig aanhangseltje echter helemaal niet zien; sterker nog, ze tonen vaak niet eens de Heijlsterweg van Ter Heijl naar Nietap. Volkomen begrijpelijk dus, dat de  kerspellieden van Roden dit argument resoluut van de hand wezen. In hun historische visie was er nooit een ree- of kerkweg naar Roden geweest. Op de middeleeuwse uithof van de abdij Aduard in Ter Heijl stond een kapel, waar volgens hen de lokale doden werden begraven. Een ree- en kerkweg naar Roden was dus niet nodig geweest en ook niet in het Zultherveld te vinden. Van een markescheiding was zo’n weg ook niet bekend, en sinds mensenheugenis was er evenmin zo’n weg geschouwd.

Toegegeven, er waren heus wel eens overleden pachters van Ter Heijl door het Zultherveld en de Zulthe naar Roden gebracht, zonder dat dat ooit was belet, maar uit die praktijk volgde nog niet dat men recht op dit gebruik had, laat staan dat die weg als reeweg onderhevig was aan schouw. Nee, de ware reeweg, zo stelden de Rodenaren, liep van het huis Ter Heijl noordwaarts over Nietap,  zoals ook te zien was aan de familie Van Ewsum (die van 1626 tot 1771 Huize Ter Heijl in eigendom had). De Van Ewsums zetten hun doden bij in familiegraven (meervoud) in de kerk van Midwolde, terwijl ook andere doden van Ter Heijl meest via de Heijlsterweg en Nietap naar de provincie Groningen gingen, om daar te worden begraven.

Hoewel de Rodenaren mijns inziens historisch de sterkste argumenten hadden, dolven ze toch het onderspit. Drost van Heiden had het laatste woord, Naar zijn mening volgde uit het niet schouwen van een weg nog niet, dat die weg niet schouwbaar was. Zonder twijfel was de zuidoostelijke route over het Zultherveld en De Zulthe schouwbaar. Hij had er wel zeven getuigen voor dat deze route altijd voor een ree- en kerkweg naar Roden was gehouden en dat ze sinds mensheugenis ook zo was gebruikt.

Aan het eind van zijn pleidooi maakte de drost alle historische argumentatie zelfs overbodig. Als er bij en in De Zulthe nooit zo’n reeweg was geweest, zoals de Rodenaren meenden, dan was hij als drost nog steeds bevoegd om daar omwille van het belang der huidige Ter Heijlsters aan te dringen op de instelling ervan. Zelfs al hadden de Van Ewsums hun doden “willekeurig” in Midwolde begraven, dan nog viel Ter Heijl “onder de klokkenslag van het carspel Roden”. De bewoners van de buurtschap moesten daarom beschikken over een (korte)  ree- en kerkweg naar Roden.

Met dit machtswoord over de politieke wenselijkheid trok de drost aan het langste eind: de Etstoel stelde hem in het gelijk. De kerspellieden van Roden mochten de kosten geding betalen en zullen naderhand ook braaf de reparatie en het toekomstig onderhoud van de weg in kwestie hebben geregeld.

Bron: Drents Archief Assen, Toegang 0085 (archief Etstoel) inv.nr. 14, deel 65, folio 38vso e.v., zitting 24 juni 1788.


Hanen kraaiden in Lutkewolde


In het staatboek van Huis Terheijl, opgemaakt ca. 1806-1810, staan tussen de gewone posten wegens pacht van boerderijen en turfmakerijen ook enkele met huren deels in natura, die daarmee een beetje middeleeuws aandoen. Het gaat om deze acht:

Huur per jaar: Huurder: Omschr. vastgoed:
ƒ 85 + 4 jonge hanen Cornelis Ottens en vr. Boerderij i/d Dobben
ƒ 64 + 6 jonge hanen Hindrik Peters en vr. Boerderij Lutkewolde
ƒ 56 + 6 jonge hanen Ype G. Haijema Boerderij Lutkewolde
ƒ 140 + 6 jonge hanen Jacob Abels Boerderij Lutkewolde
ƒ 70 + 6 jonge hanen Teye Abels Boerderij Lutkewolde
ƒ 46 + 4 jonge hanen Carst Jacobs en vr. Boerderij Roden
ƒ 75 + 4 jonge hanen Willem Hendriks en vr. Boerderij Roden
ƒ 48 + 6 jonge hanen Ebbe Abels en vr. Boerderij Lieveren

In alle gevallen betreft het boerderijen, meestal gelegen in Lutke- of Leutingewolde, maar soms ook in Roden en Lieveren. Met elkaar leverden ze jaarlijks 42 jonge hanen aan Huis Terheijl. Als die voor eigen consumptie waren, stond er bij de heer en mevrouw De Lille-Van Dedem dus bijna wekelijks een jonge haan op tafel.

Met name in Leutingewolde was er iedere ochtend vrij veel hanengekraai te horen, zeker als ook op boerderijen van andere eigenaren hanen werden gehouden voor betaling van huur in natura.


Roomstra’s kwamen van Rome

Grappig, de kinderen uit de familie Hendrik Heines die van 1799 tot 1814 de boerderij Rome of Romen bij Ter Heijl bewoonde, namen naderhand, voor zover bekend, allemaal de familienaam Roomstra aan.

Rome(n) moet destijds overigens een vrij kleine boerderij geweest zijn, gezien de huurprijzen, oplopend van 75 tot 105 gulden per jaar. Het ging om losse huren in in termijnen  van drie tot zes jaar. Zulke boeren waren gemakkelijk te lozen door de eigenaar van het buitengoed Terheijl. De zoons Roomstra van Heines en vrouw heten in burgerlijke standsakten dan ook arbeiders, en niet boeren.


Een bezoek aan het buitengoed Terheijl (1797)

J.F. Christ, Huis Terheijl, ca. 1840.

Willem de Lille (1750-1810, zie ook) was een succesvolle advocaat en  stadssecretaris van Steenwijk. Maar omdat hij zich ontpopte als een fanatiek patriot en zelfs optrad als commandant van een gewapend genootschap aldaar, kwam er in 1787 een eind aan zijn politieke carrière. Niettemin wist hij in 1789 een zeer goede partij te trouwen en dat nog wel in gemeenschap van goederen. Het ging om baronesse Johanna Sloet-Van Dedem, weduwe van de drost van Salland. Samen betrokken De Lille en zijn vrouw een jaar later de havezathe Terheijl, die zij van haar eerste man geërfd had. Het lang onbewoonde en dus vervallen huis was intussen onder De Lilles leiding grootscheeps gemoderniseerd. Terwijl het huis in 1786 ruim 50.000 gulden waard was, staken De Lille en zijn vrouw er nog eens ruim 80.000 gulden bij in. Geld dat overigens niet alleen in stenen ging zitten, want er kwam ook een fraaie Engelse landschapstuin om het huis heen, vermoedelijk een van de eerste in Drenthe.

Toen huis en park gereed waren, ging de ondernemende De Lille investeren in de ontginning van de bijbehorende heide- en veengronden, waarbij hij zich ontwikkelde tot een agrarisch deskundige. Hoe hij precies te werk ging, daar is weinig zicht op, maar eind mei 1797 bezocht de Groninger dokter Jacob van Geuns een boer met een maagzwaar op het buitengoed, en maakte er meteen maar een “plaisiertourtje” van. Van Geuns reed er over Leek heen met een fourgon of jachtwagentje. Het was een mooie dag en hij gaf zijn  ogen goed de kost. Dit schreef Van Geuns aan zijn vader in Utrecht over Willem de Lille en diens buitengoed:

Het is een vermaak om deeze plaats te zien, alwaar men zeer ruime gelegenheid heeft om op te merken wat ’s menschen vlijt en arbeid kan uitrigten. De streek en grond is zandig & heide. In 1787 was dit nog een oud vervallen heerenhuis, rondom in heyde gelegen. De Hr. de Lille die het voor een kleine somme gekogt had, liet het huis opmaken, en heeft er nu een zeer goed verblijf van gemaakt. Hij liet zich veel aan de landbouw gelegen liggen, heeft daar veel bosch aangelegt – dat reeds zeer weelig groeit – en reeds, zooals ik meen, 400 morgen goede bouwgrond, waaronder zelfs die garst en koolzaad geeven. 3 Boerderijen heeft hij reeds op zijn goed, welke volgens zijn opgave en raad de landbouw doen op de ontgonnene gronden. Deeze boeren gaat het zeer wel: van jaar tot jaar gaat hij voort met woest land te verbeeteren en zijn voorneemen is van tijd tot tijd hiermeede aan te houden, en zoo spoedig hij weer een goede lap gronds klaar heeft, er weer een boerderij op te zetten. Hij ploegt met zwaare ossen; mest verschaft hij zich verreweg meest door plaggen, planten &c. 1 of 2 jaar te laaten rotten; hij zaait volgens de nieuwe methode, zoo dat de ½ van het land altijd vrij is, dat dan een ander jaar gebruikt word. Zijn vrouw is een Overijsselsche adelijke dame, een zuster van onze ambassadeur Van Dedem – het speet mij dat ik ’s middags voort na den eeten vertrekken moest…

Bronnen, buiten de gelinkte:

  • J. Bos e.a. (red), Huizen van stand (Meppel/Amsterdam 1989) 432-434
  • Utrechts Archief, Tg. 814 (familiearchief Van Geuns) inv.nr. 10: brieven van Jacob van Geuns aan zijn vader Matthias van Geuns, die van 27 mei 1797.

Baksteen uit De Helle voor Groninger kerken

Kaartje van De Helle (nu Terheijl) en omgeving in de Middeleeuwen, gemaakt door alle latere toevoegingen, zoals Nienoord, de veenkolonie Leek en Nietap, te verwijderen uit een kaartje dat Beckeringh ca 1750-1760 vervaardigde. NB: de oriëntatie is de omgekeerde van de gebruikelijke: zuid is hier boven en noord is onder. Je moet dus als het ware kijken vanuit Nienoord, dat onderaan het kaartfragment stond, maar dat is weggepoetst.

De Helle lag op Drents grondgebied in de hoek tussen enerzijds de landweg Roden-Tolbert/Midwolde en anderzijds het grensriviertje De Lek tussen Drenthe en het het Vredewold. Dat was in the middle of nowhere. De dichtstbijzijnde nederzettingen waren de buurtschap De Zulthe onder her kerspel Roden aan de Drentse kant en Tolbert/Midwolde aan de Vredewoldster kant. Deze uithoek bestond tot ongeveer 1300 voornamelijk uit een onontgonnen wildernis van hoog- en laagveen en heide.

De reden dat het grote klooster Aduard destijds hier een uithof vestigde, was, zoals bekend, dat er aan de oppervlakte potklei gevonden werd, terwijl er ook turf kon worden gewonnen. Met de turf verbakten de bewoners van de uithof in veldovens de potklei tot bakstenen en dakpannen, waarmee bijvoorbeeld de prachtige romanogotische kerken van Groningerland werden gebouwd.

De uithof van De Helle was geheel en al georiënteerd op Aduard in het noorden, zoals je ook kunt zien aan het doodlopen in het veen van een weg naar het zuiden (nu de Scheperij). Via het dichtstbijzijnde bevaarbare punt van de Lek – misschien bij de boerderij Romen, of anders nog wat dichterbij het Zulthermeer (nu Leekstermeer) – en verder het Leekstermeer, de Munnikevaart en de Gave bij Oostwold, de Zuidwending, het Aduarderdiep en de Lindt gingen de producten naar Aduard, waar ze werden gebruikt en verhandeld.

In 1807 is uithof De Helle allang veranderd in een havezate of buitenhuis Terheijl, dat intussen ook aanzienlijk uitgebreid en verfraaid werd, maar een lijstje van de dan door de eigenaar zelf geëxploiteerde percelen (Drents Archief OSA 1513), laat zien hoe het verleden nog in de veldnamen voortleeft. Bij het Huis Ter Heyl en zijn hoven en singels horen dan:

  • De Duivekamp, bos(s)ie en Osseboerskamp
  • De Rutsche camp
  • De Vagevuur kamp
  • De Tichel kamp
  • De Sante(e)’s kampen
  • Leekster veld
  • 4 campen bij de Nietap
  • ’t Zuyderveld en -veen
  • 10¾ waaren (aandeken) in ’t gescheyden veen
  • ’t Baggelveld

De onderstreepte namen, komen ook voor op de veldnamenkaart van Wieringa, ca. 1970 (zie HisGis). Opvallend zijn het Vagevuur (dat als het ware reageert op De Helle, ooit een schansje)  en de Tichelkamp, een plek waar potklei zal zijn gewonnen. Het Leeksterveld, het Zuiderveld, het Baggelveld en de naamloos gescheiden venen hebben te maken met de winning van turf. Toch zullen deze venen niet allemaal al in de Middeleeuwen in exploitatie zijn genomen. Het Zuiderveld ten zuidwesten van De Helle, en het |Leeksterveld even over de provinciegrens kwamen pas veel later aan snee. Het Baggelveld, dichter bij de uithof, heeft dan wat betere papieren, ook omdat baggelen duidt op laagveenderij (vanonder de grondwaterspiegel vandaan), die een turf met een hogere calorische waarde voor de steenbakkerij opleverde. Verder lijken ook de Santeekampen – overgenomen van of gepacht door de ondernemersfamilie Santee – een aanwinst uit een veel jongere periode, ik schat tweede helft achttiende eeuw..

Een Jan Smit bracht in 2012 de hem bekende veldnamen van Terheijl e.o. in kaart (pdf) voor Staatsbosbeheer:

NB: dit kaartfragment heeft wel weer de gewone noordzuidoriëntie. Afgezien van het Zuiderveld, het  Leeksterveld en het Baggelveld, maar inclusief de diverse in 1807 ongenoemd gebleven Hellen, liggen de in 1807 genoemde percelen in een  opstrek tegenover het huis, zeker als we de Santeekampen niet meerekenen. Met de kampen onmiddellijk ten westen en zuiden van het huis die in 1807 evenmin worden genoemd (Olle Tuun, Heerskamp, Klaverkamp) en  met de eveneens ongenoemde Klaaiedobben, de Voorste Ganzenkamp en wellicht het Baggelveld aan de westkant moeten ze behoord hebben tot de middeleeuwse uithof De Helle, waar dus die kloostermoppen vandaan kwamen voor onze prachtige oude Groninger kerken.

 


Socialist koopt NSB-krant bij Uffelter klompenmaker

Het Drentse NSB-affiche voor de provinciale statenverkiezingen van 1935. Lijsttrekker was de beruchte Dieters, over wie vorig jaar een biografie verscheen door Sienus Nijborg.

In De Vrije Socialist van 3 april 1935, sinds kort op Delpher te vinden, staat een verslag van een merkwaardige ontmoeting in Uffelte, dat het anarchistische periodiek ontleende aan het sociaaldemocratische dagblad Het Volk.  Omdat de oorspronkelijke publicatie niet op Delpher te vinden is, moeten we het doen met De Vrije Socialist. Volgens dat blad had de ontmoeting zich bijna een jaar eerder, dus in het voorjaar van 1934, voorgedaan, en was het veel recentere verslag erover afkomstig van een H.M. uit Groningen, die met een groep AJC-ers vanuit het Havelter Hunehuis een wandeling naar Uffelte had gemaakt.

In de initialen herkennen we Herman Molendijk, sinds eind jaren 30 leider van de noordelijke AJC (de jeugdbond van de sociaaldemocratische SDAP), tevens bouwheer en bedrijfsleider van ‘t Hunehuis in Havelte, het vaste onderkomen voor vakantiekampen van de noordelijke AJC. Zoals in een recent boek over het Hunehuis te lezen valt, liep Molendijk steevast met groepen bezoekers naar Uffelte, om daar een en ander uit te leggen over de omgeving. In 1934 woonde hij nog met zijn vrouw in het Hunehuis, een jaar later was hij inmiddels wethouder in Groningen.

Goed, nu dat verslag. Op een bospad naar Uffelte, zagen Molendijk en zijn AJC-groep voor “een kleine, wankele hut” een groot bord staan met reclame voor Volk en Vaderland. Ze verbaasden zich erover; hoe belandde dat reclamebord voor de NSB-krant hier in Uffelte? Molendijk besloot het de bewoner, een klompenmaker, zelf te vragen:

Ik stapte het erf op, vroeg een krant te koop en knoopte een gesprek aan. Met nog een paar van zijn mede- gehuchtbewoners was hij met de heeren (van de NSB, HP) in aanraking gekomen. Ze kwamen met een auto uit Utrecht!

Voorzichtig informeerde Molendijk  naar de reden waarom de klompenmaker zich bij de NSB aangesloten had. Daar kon men toch geen heil van verwachten? De Uffelter was het daar niet mee eens, wat leidde tot een curieuze gedachtenwisseling tussen links en rechts, die anno 2021 helaas enige herkenning oproept:

— Och meneer (aldus de Uffelter), zoo kan het ook niet blijven! Het moet allemaal anders worden.

— Ja, dat vinden wij ook! (beaamde Molendijk). Alles moet anders worden, maar het wordt niet anders als de menschen elkaar opsluiten en de hersens inslaan. Voor verandering is geen geweld noodig.

— Dat kan wel, meneer, maar nu hebben we hier de S.D.A.P. in de regeering en wat zijn we er beter van geworden?

—De S.D.A.P. in de regeering? Daar vergist u zich toch zeker in? De S.D.A.P, heeft hier nog nooit in de regeering gezeten.

— (De man tot zijn zoon): Haal dat kraante dan za’k et um veurleze (De vader, lezende uit de krant): Heur dan: hier steet et! Minister Slotemaker de Bruine, minister van Sociale Zaken, antwoordt. Dat is dan toch een sociaal!”

Nu had de SDAP op dat moment nog nooit in de regering gezeten, terwijl minister Slotemaker de Bruïne van de conservatief-christelijke CHU was. Molendijk probeerde de man het onnozele fabeltje van de socialistische regeringsdeelname uit het hoofd te praten, maar tevergeefs, want:

‘”Slotemaker is partijgenoot en moet het blijven.

Dat Molendijk een jaar later nog eens in de krant terugdacht aan de ontmoeting, kwam doordat in maart 1935 de kandidatenlijsten voor de aanstaande statenverkiezingen in de diverse kranten werden gepubliceerd, ook die van de NSB. En daaruit bleek

dat ons klompenmakertje uit Uffelte voorkwam als no. 9 op de Drentsche lijst. Hij is waarschijnlijk een van de mannen, die door hun deskundigheid de openbare lichamen versterken…”.

Om wie het ging, viel gemakkelijk te achterhalen. Het bleek te gaan om een A. Jonkers. Dat was echter niet de oude man die per abuis meende dat de SDAP in de regering zat, maar diens zoon. Die overigens  dezelfde politieke opvatting toegedaan was.

De oude klompenmaker heette Berend Jonkers en was ten tijde van de ontmoeting met Molendijk ruim 75 jaar. Sinds enkele jaren was hij gescheiden van zijn vrouw, met wie hij  bijna een halve eeuw getrouwd was geweest. Hij overleed in 1941.

Zijn zoon op de provinciale NSB-lijst heette Albert Jonkers en staat net als zijn vader te boek als klompenmaker, maar ook als arbeider en boomkweker. Hij was begin 1894 geboren en dus 40 jaar oud ten tijde van de ontmoeting met Molendijk. Deze Jonkers was in 1917 getrouwd met een arbeidersdochter en dienstbode uit Havelte, met wie hij zeker vier kinderen kreeg (een overleed een paar dagen na de geboorte). Als hobby fokte hij stamboekgeiten. In de crisisjaren deed hij nogal eens mee aan lokale geitenkeuringen.

In de oorlogsjaren liet Albert Jonkers zich niet onbetuigd. Hij deed in 1944 en 1945 in de omgeving dienst als ‘hulplandwachter’, in welke functie  hij voor de Duitsers patrouilleerde, bewakingsdiensten verrichtte en aan huiszoekingen meedeed. Ongetwijfeld is hij na de oorlog meteen opgepakt en geïnterneerd. Zijn zaak was te zwaar voor het Tribunaal en vervroegde vrijlating. Eind mei 1949 kwam deze  daarom nog voor het Bijzonder Gerechtshof in Leeuwarden. De eis was dertien jaar gevangenisstraf. In de uitspraak bleef daar negen jaar van over, met aftrek van de vier jaar voorarrest, maar ook met levenslange ontzegging van het actief en passief kiesrecht. Hierbij had het Hof nog rekening gehouden met de algemene gratie bij de troonsopvolging van 1948. Geen kattepis, al met al, zo’n straf.

Albert Jonkers zal in 1953 of 1954 op vrije voeten zijn gesteld en keerde toen terug naar zijn woning aan de Ruiterweg in Uffelte. Daar kwam op 7 juli 1966 een eind aan zijn leven. Na het middageten reed hij zonder uit te kijken met zijn brommer de weg op, en werd geschept door de bestelauto van de lokale Sparwinkel. De huisarts, dokter Bruins, kon slechts de dood constateren. Een paar dagen later werd Jonkers ter aarde besteld op de begraafplaats van Uffelte, een eindje verderop aan de Ruiterweg. Getuige de rouwadvertenties in de Meppeler Courant herdachten zijn nabestaanden hem als een “lieve man” en “beste vriend”.


‘Hier kan men zien wat goede wil vermag’

Johan Melse – Sneeuwlandschap. De Wandelaar, 1936.

[Uffelte] Vanmorgen was het in ons dorp een en al bedrijvigheid. Men zag oud en jong druk aan het sneeuwscheppen, wat met de dikke duinen, die hier en daar te hoop gestoven waren, ook wel noodig was. Vanmorgen reed de zandstrooier door ons dorp, zoodat nu alle straten weer begaanbaar zijn. Hier kan men zien wat goede wil vermag.

Aldus een bericht in de Meppeler Courant van dinsdag 6 februari 1940. Het was uiteraard alleszins lofwaardig dat de Uffelters  hun straten weer vrij schepten, maar het gemeentebestuur in het naburige Havelte wilde wel even gezegd hebben, dat het niet helemaal vanzelf gegaan was en dat het de stoot had gegeven tot deze sneeuwruimerij. In de volgende editie van de Meppeler, die van 9 februari, kwam daarom dit berichtje te staan van de Havelter correspondent:

HAVELTE. Door het gemeentebestuur werd krachtens art. 69 van de algemeene politieverordening (betreffende persoonlijke diensten) de geheele bevolking dezer gemeente tegen maandagmorgen opgeroepen om behulpzaam te zijn bij het sneeuwvrij maken van de doorgaande verkeerswegen, welke door de sneeuwverstuivingen geheel of nagenoeg geheel waren gestremd. Aan deze oproep hadden tal van goedwillende ingezetenen gehoor gegeven, in alle buurtschappen was men met man en macht bezig om de groote sneeuwmassa’s te verwijderen. Het is gebleken dat door eendrachtig samenwerken veel te bereiken is. De gemeenschapszin van de ingezetenen onzer gemeente had tot resultaat, dat de communicatie met de omliggende dorpen weer volledig hersteld werd.
Gebeurtenissen als deze hebben stellig tot gevolg dat de strenge winter van 1939-1940 nog lang in de herinnering zal blijven voortleven.

Niet alleen in Uffelte, maar overal in de gemeente Havelte waren mensen collectief in touw geweest. Kennelijk stond er een bepaling in de APV dat volwassenen daartoe ook verplicht waren. Ik denk dat dat artikel al heel lang geschrapt is en dat je nu een oproer zou krijgen als je de lui ertoe zou verplichten. Zelfs in de vrij sociale Oosterpoortbuurt was ik meestal de enige van mijn straat die de stoep voor zijn huis sneeuwvrij maakte.

Overigens is die strenge winter van vlak voor de oorlog allang vergeten. Als wij het over strenge winters hebben, dan gaat het over die van ’63 en ’79.