Sint Jacob als tijdsaanduiding (2)

Archief marke Havelte, inv.nr. 1.

Medio achttiende eeuw was Sint Jacob (25 juli) nog heel gewoon als tijdsaanduiding in Groningerland, ondanks de calvinistische weerzin tegen heiligen. Zelfs ambtenaren en bestuurders gebruikten deze tijdsaanduiding. Zo gold Sint Jacob als uiterste betalingstermijn in het Gorecht (Hoogezand en Haren).

In de stad Groningen was er tot 1669 nog een Sint Jacobsmarkt op of rond 25 juli, die wel veertien werkdagen kon duren. Omdat de boeren het dan druk hadden met oogsten en ploegen, achtte het stadsbestuur dit een “onbequame tijt” voor een jaarmarkt. De heren vervroegden deze markt daarom op de kalender en wel naar eind april, om haar op dat tijdstip te combineren met de Paasmarkt, die daarmee door de bank genomen wat later op de kalender kwam te staan, en zonder die naam. Na 1700 werd de gecombineerde nieuwe jaarmarkt begin mei gehouden, waarmee de meikermis ontstond.

De afschaffing van de Sint Jacobsmarkt heb ik destijds geplaatst tegen de achtergrond van Groningens ontwikkeling van veeteelt naar akkerbouwprovincie. Nu zie ik dat anders. Een wat later opgepikte opmerking van Harm Tiesing wijst eigenlijk al de weg – de Oost-Drentse boer en publicist noemde Sint Jacob “de dag dat het koren gewoonlijk rijp is”.

Onder koren verstond Tiesing rogge. Onlangs vond ik in de momberprotocollen van Havelte en Vledder en in het rekeningenboek van de marke Havelte nog wat latere meldingen van Sint Jacob als tijdsaanduiding, die stroken met de Groninger meldingen en Tiesings kwalificatie. Ik geef deze Zuidwest-Drentse meldingen hier kort weer en kom dan terug op de afschaffing van de Groninger Sint Jacobsmarkt.

1
Op 2 februari 1765 sluiten de erfgenamen van Albert Harms in Uffelte een akkoord over diens nalatenschap en die van wijlen zijn schoonmoeder. Albert is twee keer getrouwd geweest en liet kinderen ‘uit beide bedden’ na. Enerzijds is dat zoon Harmen Alberts uit zijn eerste huwelijk. Deze krijgt voor de komende zes jaar “de beesten, schapen en voerasi, neffens het boer- en huismansgereedschap” voor hem alleen, en betaalt zijn halfzuster, uit het tweede huwelijk van zijn vader, daarvoor in ruil 125 gulden ineens, omdat zij eigenlijk recht heeft op de helft van alles. Het al uitgezaaide koren (winterrogge) en het nog uit te zaaien koren (zomerrogge etc.) blijven echter mandelig tot telkenjare op “Sunt Jacob” en dat geldt ook voor de roggepachten van het “uitgedane”, dus verpachte land. Harmen kreeg dus voor zes jaar de beschikking over de hele keuterij van zijn vader en grootmoeder en moest voor het aandeel van zijn halfzuster daarin ook nog jaarlijks 7 gulden als huur aan haar voogden betalen, plus “de darde garve” van het eigen gebruikte zaailand en de helft van de pachtgarven (een zesde deel van de totale opbrengst van het verpachte land). Uit het hele stuk valt op te maken, dat de rekening en de verdeling van de oogst steeds plaatsvond op Sint Jacob. Dan was immers pas duidelijk, hoe groot het aantal roggegarven was, dat moest worden verdeeld. Uit een rekening van vier maanden later blijkt dan nog, dat de oogst van “Sunt Jacob 1764” is “ingetrokken” door een Harm Jans, die voor deze dienstverlening 3 gulden betaald krijgt.

2
Uit een andere momberrekening, op 5 januari 1788 opgemaakt in Havelte, maar waarschijnlijk een familie te Nijensleek betreffend, staan de opbrengsten van rogge, boekweit, haver, aardappelen, turf en kippen vermeld. Een week eerder ontving de boekhoudend voogd de “Sintjacobs opslags penningen van de rogge en haver”. De daarmee aangeduide veiling van eind juli bracht het lieve sommetje van ruim 318 gulden op.

3
Ene Berend Jacobs van Zuidveen, een notoire wanbetaler, pacht begin jaren 1780 een flink stuk heideveld van de marke of “boer” van Havelte. Eigenlijk moet hij de marke daarvoor veel meer huur betalen, maar dat kan Bruin niet trekken. Op 10 juni 1782 geeft Berend wel alvast een voorschot van 15 gulden aan schatbeurder Hendrik Eleveld van Havelte. Hij doet er een briefje met een belofte bij :

Sullende bij wel zijn tegens Sundt Japik nog wat geven, soo veel als ik uijtbreken kan, en versoeke vrindlijk dat de boer mij gunstig belieft te behandelen, gelijk ik aan mijn kant altoos gedaan hebbe aan de minder luij.

Kortom
Sint Jacob bleek ook in Zuidwest-Drenthe het moment dat het koren – hier ging het voor driekwart om rogge – oogstrijp was en ingehaald en verkocht kon worden. Er kwam dan veel geld bij de boeren binnen. Het was een periode om schulden te delgen, de teugels even te laten vieren, en aankopen te doen. Het Groninger stadsbestuur leek in 1668 wel gek met haar besluit om de Sint-Jacobsmarkt af te schaffen!

Alleen: afgezien van de typische zandstreken (zoals het Gorecht, delen van het Westerkwartier en Westerwolde, verbouwde men niet zoveel rogge (meer) in Groningerland. De stadjers aten vanouds gewoonlijk roggebrood, maar betrokken hun rogge voor het overgrote deel uit Drenthe. In de Groninger akkerbouwgebieden waren waarschijnlijk andere granen gaan domineren, zoals weite (tarwe), gerst en haver. Daarvan kwam de oogst wat later dan die van rogge, waardoor de klad kwam in de Groninger Sint Jacobsmarkt. Met meer akkerbouw en minder veeteelt, zoals ik eerst dacht, heeft die afschaffing niet te maken. Dat was een ontwikkeling die pas diep in de achttiende eeuw op gang kwam. Nee, de afschaffing van de Jacobsmarkt had veeleer te maken met een specialisering van akkerbouwgebieden en daarmee het uit zicht raken van de roggeteelt op de Groninger klei.

Bronnen
Drents Archief, Assen – Toegang 102 (archieven Schultengerechten) inv.nrs. 180.3, 180.4 en 180.6: momberprotocollen Havelte en Vledder op de aangegeven data. Verder uit hetzelfde archief  Tg. 519 (marke Havelte) inv.nr, 1, het ingespelde briefje bij de ontvangsten van juni 1782 en de opmerking bij de uitgaven op 5 maart 1787.


De jacht op otters, vooral in Noord-Drenthe

In het voorjaar van 1769 ving Menne Geerts van de Matsloot een volwassen otter en vertoonde het beest “in zijn g[e]heel” aan de schulte van Roden, die Menne daarvoor beloonde met een rijksdaalder premie:

Menne was niet de enige ottervanger in de omgeving. Driekwart jaar later liet Tjerk Wybes van Roderwolde eveneens een otter aan de schulte zien. Ook hij ontving de premie. En de volgende dag al, kwam Jannes Krijthe uit Roden bij de schulte langs met twee volwassen otters. Hij ontving daarom het dubbele bedrag:

Deze Jannes had misschien de kunst van het otters vangen afgekeken  van zijn familielid Lucas Krijthe, die in 1760 maar liefst vijf otters inleverde, en dat nog eens herhaalde in 1762.

De premies waren uitgeloofd door de Landschap Drenthe (de latere provincie) en ze bestonden vanaf 1704. Voordien kwam de otter nog niet voor in de Drentse jachtreglementen, en ontbrak er kennelijk een reden om de otterjacht te stimuleren, waaruit je zou kunnen afleiden dat otters in Drenthe nog niet als heel schadelijk of zelfs als een plaag werden ervaren.

Of dat in 1704 wel zo was, is een beetje twijfelachtig. Er lijkt kopieerzucht in het spel te zijn geweest. De premieregeling van dat jaar kwam er namelijk op voorbeeld van naburige provincies, “tot beter conservatie” van de visserij. Een Drent die een gevangen oude otter liet zien aan de schulte of de panderschulte in zijn woonplaats, kreeg voortaan een rijksdaalder, een jonge otter bracht hem de helft op. De vangers mochten de pelzen houden, maar moesten de dieren tonen “eer dat de vellen daarvan zijn afgetrokken”. De schulte diende na betaling van de premie de oren van de otter af te snijden om te voorkomen dat hetzelfde dier meermalen getoond werd en premie opbracht. Ook moest de vanger een verklaring tekenen dat hij de otter aan de schulte had laten zien en daarvoor geld had gebeurd. Een ottervanger die dichtbij de ‘frontieren” woonde, moest bovendien onder ede verklaren dat hij de otter niet buiten de Landschapsgrens gevangen had. Ook dit kwam in de verklaring te staan.

Nadat in de jaren 1713, 1714 de klad in de premieregeling raakte – er werd geen otter meer ingeleverd –  blies de Landschap haar in 1716 nieuw leven in.  Opnieuw ging het Ridderschap en Eigenerfden zogezegd om schade aan de visstand, “door dat ongedierte gemeenlijk veroorsaakt wordende”. De premies per otter bleven gelijk. Wel kwam er naast de beperking tot inheemse otters nog een nieuwe randvoorwaarde voor de uitbetaling, namelijk dat de dieren niet “op de sneeuw gejaagt” mochten zijn. Net als in Stad & Lande was sneeuwjacht voortaan helemaal verboden in Drenthe. Dit moet het bejagen van otters wel een stuk moeilijker hebben gemaakt, want juist door ijswakken en sporen in de sneeuw is hun aanwezigheid heel goed kenbaar. Ook werd in 1716 bepaald dat de schulten hun bewijsstukken (otteroren en verklaringen) op de provinciale rekendagen moesten inleveren bij de Ontvanger-Generaal van de Landschap, die ze dan het uitgekeerde geld restitueerde.

Op basis van de  rekeningen die de Ontvanger-Generaal ons naliet, met alle bijlagen daarbij,  zoals bovenstaande kwitanties, heeft Henk Luning zo’n tien jaar geleden al eens uitgezocht in hoeverre deze premieregeling bijdroeg aan de teloorgang van de otter in Drenthe. Hierbij een samenvatting van zijn betoog op de punten waarom er op otters werd gejaagd, wie er op deze dieren joeg, hoe en waar dat gebeurde, en om hoeveel dieren het ging in Drenthe.

Waarom
Zoals gezien, motiveerde het landschapsbestuur de otterjacht met een verwijzing naar de visstand. Ongetwijfeld zal een otter wel eens in de ‘viskenij’ van een huis van stand hebben huisgehouden. Toch eet een otter niet meer dan een kwartkilo vis per dag. Zijn menu is gevarieerder dan dat – hij wil ook wel eens een muis verschalken, of een vogel. Ook eendenkooihouders, waarvan er in Noord-Drenthe redelijk wat waren, hadden een hekel aan otters, omdat die wel eens in een eendenkooi opdoken waardoor de begeerde vogels in paniek raakten en opvlogen. Zoals wel vaker, vormde het lelijke imago van de otter een rechtvaardiging voor de jacht op het dier. Maar er zat ook nog iets aantrekkelijks aan de jacht. Zoals gezegd, hielden de ottervangers de pelzen. Die waren erg in trek: otterbont stoot water af en is heerlijk warm in de winter. Maar ook werd het vlees gegeten, het zal vast naar vis hebben gesmaakt; de otterjacht viel ook eerder onder het hoofdje visserij dan onder dat van de jacht.

Wie
Vanouds was otterjacht in Drenthe veeleer een zaak van broodjagers – vooral als die gespecialiseerd waren in bunzingen – dan van hoge heren. Ongeveer de helft van alle ingeleverde otteroren kwam van ‘toevalsvangers’, mensen die incidenteel een otter vingen.  De andere helft werd ingeleverd door min of meer professionele premiejagers. Maar ook die kwamen zelden uit op een hoger aantal dan drie of vier otters per jaar.  Wat dat betreft was die Lucas Krijthe in 1760 en 1762 uitzonderlijk.

Hoe
Eerst zocht een otterjager naar sporen: ‘latrines’ met uitwerpselen, en poot- en staartafdrukken in de modder. Daar werd dan een speciaal getrainde hond, zoals een Friese wetterhoun (ook wel Friese krulhaar of otterhond genoemd) op ingezet. De bedoeling was om de otter met spiezen en/of drietanden in netten op de wal of bij een wak te drijven. Ook werd er gewerkt  met strikken en klemmen op ottersingels (paadjes).

Waar
Otters, aldus Luning, kwamen in vrijwel elk Drents water voor.  De eerste jaren na de invoering van het premiestelsel werden de hoogste aantallen echter in Peize en omgeving gevangen. Daarnaast onderscheidde de eveneens waterrijke omgeving van Meppel zich. Peize, of wat breder genomen het merengebied van Noord Drenthe (Zuidlaarder-, Paterswoldse- en Leekstermeer) sloot ook aan bij Friesland, waar de aantallen otters sowieso wat hoger lagen dan in Drenthe, terwijl Meppel natuurlijk vlakbij de meren van Noordwest-Overijssel ligt.

Aantallen en conclusie
Dankzij de uitbetaalde premies, weten we in elk geval hoeveel otters er in Drenthe werden gevangen in de periode 1704-1790.  Welnu, de eerste jaren na de invoering van het premiestelsel waren ook de succesvolste voor de ottervangers. De piek van toen – 38 oude en 18 jonge otters in een jaar – is nadien niet meer geëvenaard. Daarna lijkt er door alle pieken en dalen heen trendmatig een lichte achteruitgang over de gehele periode. Het gemiddelde aantal gevangen otters, zo’n 10 à 20 per jaar was echter vrij laag. Deze aantallen voerden Luning tot de conclusie, dat er niet heel veel otters in Drenthe leefden. In de achttiende eeuw bestond er een kleine populatie die zich met ups en downs redelijk wist te handhaven. Het afvangen van dieren bracht destijds de soort niet in gevaar. De jacht erop had geen funeste invloed, zoals andere auteurs het willen doen voorkomen.

Epiloog
Rond 1800 is de officiële Drentse premie op otters afgeschaft. Otters bleven nog wel bejaagd, maar dan louter om hun vel. Jagers moesten een vergunning hebben van de gewestelijke overheid èn grondeigenaars. Zo kregen twee arbeiders uit Paterswolde in 1854 vergunning om in enkele Noord-Drentse gemeenten met hun honden op otters te jagen. Ze waren hierin vooral ’s winters actief. Collega’s van hen kwamen van de Schelfhorst (1) en van Peize (3). Zo kende de Kop van Drenthe toch vrij veel concurrentie op dit gebied.

Vanaf medio negentiende eeuw kwamen er berichten over de achteruitgang van de otterstand, vooral over de riviertjes, maar wat minder over de meren in de lagere randgebieden. Drenthe kreeg een ander aanzien, ook qua water. Het veen verdween met zijn meerstallen, vennen en poelen. De beekjes werden gekanaliseerd. Bovendien raakte hun water ook nog vaak sterk vervuild. Een aangetroffen otter werd nieuws voor de krant.

Begin twintigste eeuw kon je in Drenthe nog otters vinden in de omgeving van Meppel, en aan de noordrand bij het Zuidlaardermeer, het Paterswoldsemeer, en het Leekstermeer, met de watertjes die erop uitkwamen, zoals de Matsloot. Daar ook bestond nog verbinding met de grotere Friese populatie.

Ondanks de gesignaleerde achteruitgang keerde de Groningse Heidemij destijds nog jachtpremies uit: een daalder per gedode otter. Ook in deze tijd kwamen de bekendste Noord-Drentse ottervangers uit Peize – twee Bathoorns – en Eelde. De laatste – een Adolf Arends – ving in 1919 zijn honderdste otter. In Roderwolde had je dan nog een Lubbers en Diertens, die foxterriërs bij de jacht gebruikten, terwijl leden van de familie Riemers in Sandebuur ook wel eens een otter schoten.

In totaal zijn er tussen 1906 en 1938 in het Noord-Drentse grensgebied nog 105 otters gedood, gemiddeld dus 3 per jaar. In 1938, het laatste jaar dat de Heidemij nog premies uitbetaalde, ging het om 7 otters.

De strenge winters erna deden de populatie al bijna de das om. In 1942 kwam er een verbod op de otterjacht, en vanaf 1947 is het dier zelfs wettelijke beschermd. Toch bleek de Drentse populatie te klein om te overleven. In 1986 werden de laatste inheemse otters gespot bij het Zuidlaardermeer en de Piccardthofplas bij het Groninger Stadspark. Verdwijnende biotopen, belabberde waterkwaliteit en toenemend verkeer droegen allemaal bij aan de teloorgang.

Sinds 1985 is er met vallen en opstaan gewerkt aan de herintroductie, eerst met Midden-Europese exemplaren. Een gezonde otterpopulatie ging gelden als signaal voor herstel van het watermilieu. Tegelijkertijd onderging de otter een complete imago make-over: van visrovend ongedierte tot knuffelbeest met menselijke trekjes. Inmiddels zwemmen er weer ettelijke otters in Noord-Drenthe rond, vooral in de oude kerngebieden zoals de Onlanden tussen Peize, Roderwolde, Sandebuur en Matsloot, waar ze ook elk jaar jongen krijgen. Uiteindelijk is het weer goed gekomen, maar met allemachtig veel moeite.

Bronnen
Archivalia:
Drents Archief, Toegang 1, Oude Staten Archieven (OSA):

  • inv.nr. 1775, rekeningen en bijlagen van de aangegeven jaren;
  • inv.nr. 6 deel 8: resoluties R&E 11 maart 1704 art. 37;
  • inv.nr. 6 deel 9, folio 99: resolutie R&E 17 maart 1716;
  • inv.nr. 14 deel 19: resolutie D&G 14 maart 1704.

Literatuur:

H.M. Luning, ‘De Otter. Ambassadeur van het zoetwatermilieu’, Nieuwe Drentse Volksalmanak 2010, pag. 49-72.


Marke Havelte was ondernemende club

Leuk postje in het oudste rekeningenboek van de marke Havelte.

Den 3 maart 1777 – 5 kerkenspraken betaalt: een op Wanperveen, en een op Colderveen, een op Gieteren, een tot Steenwijk, een tot Meppelt. Drie laasten sijn geroepen. Dus 6 stu[iver] daarvan. Dus samen ƒ 1-6-0.

Is van het verkopen van het Meeuwenveen ten Noorden de Pastorij van Havelte.

Vijf kerkenspraken, dat waren er best veel. Met die kerkenspraken werden bedoeld de wereldse aankondigingen in de kerk op zondag, zeg maar de gesponsorde mededelingen, oftewel het toetje van de dienst, voor menigeen dé reden tot kerkgang. Zo hoorde je nog eens wat nieuws.

En dan werd de zaak waar het om ging ook nog eens omgeroepen door de stadsomroeper van Meppel. Dat omroepen kostte 6 stuiver, de kerkenspraken een gulden met elkaar, oftewel 4 stuiver per kerkenspraak. Het zijn bedragen, die je precies zo in momberrekeningen kunt vinden. De ambulante stadsomroeper kreeg meer dan de dominee, maar hij had er ook meer werk van (en wellicht wat meer bereik bij een hogere attentiewaarde).

De zaak waar het om ging was het Havelter deel van het Meeuwenveen. De marke Havelte wilde dat stuk laten vervenen. Daarom zocht men kopers uit plaatsen als Giethoorn, Wanneperveen en Kolderveen. Al langer waren mensen, afkomstig uit die wellicht al wat uitgeveende dorpen op het Lok en het Legeveld actief, twee andere kleine veenkolonies, gesticht vanuit de marke Havelte.

Het Meeuwenveen op een kaart van de marke Uffelte uit 1768. Collectie Utrechts Archief.

Het Meeuwenveen – de aardappelachtige vorm in het midden van het kaartje, – lag ten noorden van de pastorie, zoals het uitgavenpostje in de markerekening al zegt, en ten oosten van de Havelter kerk (linksonder). De gele lijn over de kaart die de aardappel doormidden snijdt, is de scheiding van de marken Havelte en Uffelte, nu de Marktgenotenweg. Uffelte had een iets groter stuk van de aardappel dan Havelte. Ten oosten van het Meeuwenveen lag een grote kei die de markegrens markeerde.  De van zuid naar noord lopende stippellellijn, die haaks op de gele lijn over het Meeuwenveen  heen loopt, is het tracé van de Drentse Hoofdvaart die men nog gaat aanleggen. Uit die lijn blijkt dat er ook nog een stuk Meeuwenveen ten oosten van de Hoofdvaart lag. Hier moest bij de aanleg van de vaart ook wat extra moeite worden gedaan.

Marken hebben misschien een wat oubollig imago, maar het rekeningenboek van de marke Havelte laat zien, dat het boerencollectief een vrij ondernemende club was. De woeste grond in zijn gemeenschappelijke beheer lag daar zeker niet renteloos. De verpachte peerdenweiden, en de verkochte en verpachte venen brachten de gewaardeelden destijds bijna ieder jaar een mooie winst par aandeel op. Kom daar nu nog eens om.


De kerk- en dorpsbrand van Diever (1759)

Dorpsgezicht Diever. Foto: Frans Vondeling, ca. 1960.

“Gepasseerde maandag”, zo bericht de Groninger Courant op 31 augustus 1759,

sloeg de blixem tegelyk in een huys en in de tooren te Dieveren, waardoor zulk een schrikkelyke brand veroorzaakt wierd, dat er binnen weynig tyd de kerke en ruym veertig huyzen, die meest met koorn en hooy gevuld waaren, daar in de assche gelegd en derzelver bewoonders in een deplorabele staat gebragt zyn.

Van de kerk, de toren en de belendende pastorie stonden alleen de muren nog overeind – de daken waren weg. Voor de dorpsbewoners kon de brand zo vlak na de oogst niet op een ongelukkiger moment komen. Hun schuren zaten vol met koren en hooi. Sommigen hadden nog vrij veel weten te redden, anderen wat minder,  en dan waren er ook die helemaal niets meer aan wintervoorraad hadden.

Zoals gebruikelijk bij zulke grote dorpsbranden, werd er een grote collecte op touw gezet, waarvoor het landschapsbestuur aanbevelingsbrieven verstrekte, die de collectanten op hun tochten mee konden nemen. Niet alleen in Drenthe werd er geld opgehaald, maar ook in Groningerland, en wellicht gebeurde dat eveneens in Friesland.

Anderhalf jaar later bleek er ruim 8000 gulden te zijn opgehaald. Na aftrek van de sommen die voor de dorpelingen nodig waren, schoot er te weinig over voor de kerk, de toren en de pastorie. Die van Diever konden het geld niet opbrengen en daarom verzochten ze op de Drentse Landdag om een extra bedrag. Ridderschap en Eigenerfden trokken inderdaad een potje open en schonken nog 3000 gulden voor de herbouw van de kerkelijke gebouwen van Diever.

Bronnen:
Groninger Courant, 31 augustus 1759; Drents Archief, Toegang 1 (OSA) inv.nr. 6.13: resoluties Landdag, die van 18 maart 1760.


Scharenslijper vraagt octrooi

Op den requeste van Claas Cool  van Meppel, vertonende dat de vreemde schareslijpers hem het meeste werk onttrokken, en hij als een Lantschap ingeseten preferentie behoorde te genieten boven die lantlopers, versogte daarom met een octroij van messen en scheren in de Beiler en Diever dingspillen alleen met uitsluiting van andere te slijpen, begunstigt te mogen worden.

Hebben Heeren Ridderschap en Eigenerfden in dit verzoek gedifficulteert.

Claas Cool (Meppel ca. 1730-1810) vroeg in 1784 dus om een alleenrecht op het slijpen van scharen en messen in het grootste deel van Zuidwest-Drenthe, wat de Drentse heren kortweg van de hand wezen. Zoals gebruikelijk leverden ze er geen motivering bij, zodat je geneigd bent te denken dat ze de vrije scharenslijpersmarkt wilden beschermen, maar wellicht kenden ze Claas zijn situatie ook wat beter. Want wie mocht denken dat Claas door de concurrenten van elders bijna aan de latten hing, heeft het mis. De Meppeler was best in goede doen, getuige de boedelinventaris die opgemaakt werd bij zijn hertrouwen in augustus 1792.

Hij bleek toen een kleine 5000 gulden te hebben geërfd van zijn eigen familie, al stond daar weer 6000 gulden aan schulden tegenover. In elk geval bewoonde hij een eigen huis met hof en bezat hij ook nog een schuur met een hof en zelfs nog een graf in de kerk van Meppel. Echte armoedzaaiers kregen een laatste rustplaats op het kerkhof buiten, en zeker niet binnen een kerk. Niet iedereen sliep ook in een ledikant met behangsel, of beschikte over een porseleinkast – onder andere met chocoladekoppen – en een boekenkast met delen in kwarto, octavo en duodecimo. In zijn huis bevond zich bovendien een winkel met kisten, terwijl hij verder een “kraam na de sluijs” had, waarin onder andere een “keekjes pan” te vinden was. Mogelijk hadden ook de kwartelkooi en de eierzak met zijn nering te maken. In zijn schuur treffen we de “slijperij met sijn toebehoor” aan en verder een overdekte en een boerenwagen, met het bijbehorende wagen- en sjeesgerei. Kortom, de Meppeler had het heel wat beter voor elkaar dan zijn ambulante vakgenoten. De ene scharenslijper was de andere niet en de heren vonden dat ze de rijkere niet hoefden beschermen ten koste van de consument.

Bronnen: Drents Archief, Toegang 1 (OSA) inv.nr, 6.16: resoluties Landdag (Staten) van Drenthe, die van 23 maart 1784 (folio 130); en Toegang 102 (Schultengerechten) inv.nr. 151.17: momberprotocol Meppel, folio 252-377.


Een korenmolen op de Matsloot?

Het huis van Albert Eitens de Weerd/Oosterhof op een schetsje van Theodorus Beckering, ca. 1770. Collectie Groninger Museum. NB, zie windroos: het zuiden boven en het noorden onder.

In 1788 diende Albert Eitens de Weerd uit het kerspel Roderwolde zich aan op de Drentse Landdag. Hij was bakker en vertelde de verzamelde heren en eigenerfden daar, dat het hem veel moeite kostte om aan meel  voor zijn brood te komen. De meest nabije korenmolen lag namelijk op anderhalf uur gaans van zijn huis. Als bakker had hij daar “veel nadeel” van en om die reden  vroeg hij vergunning voor de bouw van een eigen “koornwindmolen”.

Ridderschap en Eigenerfden maakten, voordat ze een besluit op dit verzoek wilden nemen, dit eerst door “publicatie”, dat wil zeggen zondaagse kerkespraak, bekend in de omliggende kerkdorpen. Alle  bezwaarden konden hun belangen inbrengen op de eerstvolgende Landdag.

Albert Eitens de Weerd (1724-1800) was inderdaad bakker, maar ook herbergier, tweepaards boer en koopman (in onder andere jenever en wijn), Een allround ondernemer, zeg maar. Met zijn vrouw en een paar volwassen, ongehuwde zoons en wat knechten woonde hij in het, vanuit Roderwolde gezien, eerste huis aan de Roderwolderdijk. Het hoorde nog net bij het streekje Matsloot in de scalp van Drenthe. Waarschijnlijk omdat hun huis het meest oostelijke van heel het kerspel Roderwolde was, ging Alberts familie zich vanaf medio jaren 1770 Oosterhof(f) noemen. Misschien heette hun huis/herberg ook wel zo. Het is nu de hoeve Eiteweert, waar – en dat is wel een beetje ironisch – tegenwoordig bakmeel wordt verkocht.

Terug naar toen. Destijds, eind achttiende eeuw, had Roderwolde geen korenmolen. Voor hun meel moesten de bewoners hetzij naar Roden, hetzij naar Peize, Voor Albert Eitens de Weerd was de dichtstbijzijnde koren- of roggemolen die van Peize en dààr kwam dan ook het enige bezwaar vandaan, dat een jaar later in de Drentse Landdag werd behandeld.

Dat bezwaar was afkomstig van mevrouw de douairière De Koning van Peize, bewoonster van het adellijk huis, dat aldaar in het dorp stond. Als Albert Eitens de Weerd toestemming kreeg om een korenwindmolen neer te zetten , zo vreesde de adellijke weduwe, dan zou dat een grote concurrent zijn voor de molen van Peize. De Peizer molen behoorde tot de boedel waarvan zij het vruchtgebruik had. Het verlies aan inkomsten zou “ten uitersten hard” voor haar zijn. De Peizer molen had er “ondenkelijke jaaren” gestaan, moest zij het nu werkelijk meemaken dat een andere molen “het grootste gedeelte van ’t gemaal daarvan zoude wegnemen”? Ze verzocht de Landdag om Albert Eitens geen vergunning te geven.

Die vergunning kreeg Albert wel, na enig debat in de Drentse Landdag. Maar kwam zijn molen er ook? Het lijkt erop van niet. Op kaarten uit de periode 1790-1820 valt hij niet te zien. Ook wordt hij niet gevonden in de Database Verdwenen Molens: niet bij Matsloot of Eiteweert en evenmin te Roderwolde zelf.

Terwijl er nog steeds een molen van Peize is  – die heeft zelfs het Huis te Peize allang overleefd. Misschien is er nog proces gevoerd, en dat daarom de korenmolen op de Matsloot niet doorging. Maar een begin van dat proces heb ik de eerste tijd na de Landdag niet aangetroffen. De overheid hield het aantal korenmolens liever ook beperkt, in verband met de belasting op het gemaal. Maar misschien koos Albert Eitens de Weerd ook wel zelf eieren voor zijn geld. Vanuit het dorp Roderwolde gingen de mensen waarschijnlijk liever naar de molen in Peize (of Roden), dan om die lange, vaak zompige en dus extra vermoeiende Roderwolderdijk af te moeten gaan. De Matsloot alleen, zo is voorlopig mijn conclusie, was te klein voor een eigen korenmolen.

Bronnen:

Drents Archief, Toegang 1 (OSA) inv.nr. 618: resoluties Ridderschap & Eigenerfden van Drenthe 1788-1791, die van 11 maart 1788 en 24 maart 1789. Verder onder andere de heerdstedenregisters van Roderwolde (OSA 868 en 869), de retroacta Burgerlijke Stand en een registratie voor de Burgerwapening uit 1797/1798 (OSA 1383) naast enkele advertenties in de Groninger Courant.

 

Naschrift 5 augustus:

Kreeg via mail bericht dat de molen van Peize destijds niet in het dorp Peize, maar bij de Molenbrug aan het Peizerdiep stond, aan de overkant van het Tichelwerk in Foxwolde.  Dat maakt het des te begrijpelijker dat een molen op de Matsloot onbegonnen werk was.


De pokken op Smilde (1775)

Als schulte Hendrik Hummel van Hoogersmilde in februari 1775 verslag uitbrengt van de toestand der Smildiger vaart, deelt hij zijn superieur tot besluit van zijn epistel ook nog wat meer persoonlijks mee. Als de weersomstandigheden het toelaten, vertelt hij, gaan hij en zijn vrouw de volgende dag naar hun dochter in Diever. Dan wordt namelijk haar oudste zoon – dus zijn kleinzoon – begraven. De jongen is aan de pokken gestorven. Gelukkig heeft Hummels dochter nog een jongen en een meisje die nauwelijks symptomen vertonen. Hummels andere dochter, die bij hem op de Smilde verblijft, is weer van de ziekte hersteld, “maar heeft ook gehad’. Hummel laat zijn relaas vervolgens naadloos overgaan op een schets van de plaatselijke toestand meer in het algemeen:

Daer zijn op de Smilde al dood 11 à 12 en ongeveer wel hondert over” (patiënten die de ziekte overleefden, HP). “Onze schoolmeester heeft in de school gehat, in de tagtig en is geweest dat maer 7 à 8 het [niet hadden]. Daer is bij naest geen huis vri…

Gelukkig was Hummel niet heel erg zakelijk in zijn schrijven, anders hadden we dit epidemiologische rapportje uit het Drenthe van de achttiende eeuw gemist.

Bron: brief van H. Hummel, Smilde 9 februari 1775 in ‘r Drents Archief te Assen, Toegang 1 (OSA) inv.nr. 1273: schouwrapporten, bepaaldelijk dat van 16 mei 1775.


Drentse herenjacht had Groninger stadsjacht als model

Na de aanleg (1769-1771) van de Smildinger- of Landschapsvaart, zoals destijds de Drentse Hoofdvaart nog vaak genoemd werd, wilden de Drentse Landschapsbestuurders voor de periodieke schouw van hun kanaal een eigen herenjacht, en wel naar het model van het Groninger stadsjacht:

Zo zou het er ongeveer uit moeten zien:

Van het Groninger voorbeeld is er maar één afbeelding, en inderdaad vertoont dat enige gelijkenis:

Het Groninger Stadsjacht op een kaart van de Eemsdijken door Henricus Teysinga, 1738. Collectie Groniner Archieven 0817-1112.

Alleen is het schip hier onder zeil op zee, terwijl het in Groningen, zowel als in Drenthe hoofdzakelijk voor de vaart op kanalen bedoeld was. Zo’n binnenjacht mocht dan wel beschikken over zeilen, bij de heersende windrichting (zuidwest) begon je daar met name in de Groninger veenkoloniën maar weinig mee.  Dan hadden ze in Drenthe wat meer geluk met die wind: van Assen naar Meppel moest je er weliswaar tegenin, maar van Meppel naar Assen kon je vaak wel zeilen. Echter, mede vanwege de vele bruggen en sluizen zal ook in Drenthe zo’n jacht vaak ‘gejaagd’ zijn door een scheepsjager met zijn paard. Het casco van zo’n binnenjacht leek dan ook vooral op dat van een snikke of trekschuit.

In Drenthe waren de heren nautisch misschien wat minder onderlegd, en ze informeerden eerst maar eens via diverse stromannen wat erbij de bouw kwam kijken:

Opmerkelijk genoeg deden ze dat niet in Groningen, waar ze hun voorbeeld vandaan haalden, of in Friesland (Leeuwarden en Dokkum), waar de stad Groningen zijn stadsjachten betrok. Nee, in weerwil van alle goede naber- en vrundschap, waar zo vaak mooie woorden aan werden gewijd, deden ze dat vooral in Holland. Er kwamen twee bestekken van scheepsbouwers binnen, waarvan er een, dat van Cornelis van der Bijl uit Warmond bij Leiden, ook voorzien was van een kostenplaatje of begroting:.

Deze ‘offerte’ voor het casco namen de Drentse heren graag aan. Met alle opgoed (mast, zeilen, tuigage, vlaggen, meubilair en huisraad) zou hun statenjacht uiteindelijk iets meer dan 800 gulden kosten. Toen hun archivaris later de stukken in een lias bundelde en opborg, vermeldde hij op de rug met enige trots dat het Groninger stadsjacht wel 5000 gulden had gekost:

Met andere woorden: lekker puh, wij Drenten doen het veel goedkoper. Dat was echter niet helemaal de waarheid, zoals Meindert Schroor ons leert. Voor de casco’s van hun nieuwe stadsjachten betaalden Burgemeesteren & Raad van Groningen respectievelijk in 1705 de somma van 400 gulden, in 1725 bijna 1600 gulden en in 1761 een bedrag van 2500 gulden. Gemiddeld dus 1500 gulden. De Drenten waren dus absoluut zuiniger, okee, wel drie keer, maar toch lang niet zoveel als ze lieten voorspiegelen. Kennelijk waren ze bevangen door een Veendammer wind vanuit het noordoosten.

(Wordt vervolgd.)

Bronnen (behalve de gelinkte):

  • Drents Archief, Toegang 1 (Oude Staten Archieven) inv.nr. 1286: “Jagt voor de landschap op de Smildingervaart”, stukken m.b.t. de aankoop door Drenthe van een casco voor een herenjacht, 1772/1773.
  • Meindert Schroor, ‘Groninger Stadsjachten werden in Friesland gebouwd’, Fryslan 2009-4, pag. 6-10.

Arbeiders bij voorbaat gewaarschuwd


Zo berucht waren dijkwerkers, polderjongens en kanaalgravers om hun vernielingen en stakingen, dat de heren van Drentse in het voorjaar van 1769 een speciaal artikel aan wijdden in hun bestek voor de Smildiger-, Landschaps- of ook wel Drentse Hoofdvaart. Baldadigheden, ongeregeldheden en ordeverstoringen, de heren moesten er niets van hebben en dreigden bij voorbaat met de strengste straffen.

Zulke bestekken zullen vrij veel bewaard zijn gebleven in archieven van provincies, steden, waterschappen en polderbesturen. Vraag me nu af of dit een standaard-artikel was, of dat de Drentse heren wat banger waren aangelegd dan die van elders.

 


Drenthe krijgt zijn eerste wegwijzers

Op de Drentse Landdag van 21 maart 1780 doet Drost Van Heiden het voorstel om ter bevordering van het vreemdelingenverkeer wegwijzers neer te zetten  op strategische plekken in de Landschap. Blijkbaar waren die er nog niet, of veel te beperkt aanwezig::

De Heer Drost S.P.A. van Heiden heeft ter vergadering voorgedraegen dat de passage door dese Landschap voor de onkundige uitlanders merkelijk zoude worden gefaciliteert, bijaldien op de vereischte plaetsen an de publique Heeren wegen behoorlijke hand- of wegwijsers wierden geplaa[t]st en onderhouden.

Waarop gedelibereert sijnde, hebben Ridderschap en Eygenerfden den Heer Drost verzogt en geauthoriseert om de nodige ordres te expediëren dat zodanige wegwijsers conform dese propositie ten koste van de Landschap mogen worden gesteld.

Veel toerisme was er nog niet, slechts enkele vreemdelingen waagden zich voor hun genoegen in Drenthe. Omgekeerd gingen Drenten er ook niet veel op uit. Misschien bezocht iemand eens een grote stad als Groningen. Zwolle of Kampen; bij gelegenheid gingen beter gesitueerde Drenten ook wel eens naar Amsterdam, Bentheim, of Kleefsland, maar daar heb je het wel mee gehad.  De wegwijzers van Van Heiden Reinestein legden al vroeg de basis voor een veel grootschaliger vreemdelingenverkeer in Drenthe. Dat het regionale ‘parlement’ er meteen het nut van inzag, blijkt uit het feit dat de Landschap de kosten zou betalen.

Aanvulling:

Op de Landdag van maart 1783 bleek dit overigens niet van lange duur. Drost en Gedeputeerden deden daar het voorstel

dat de palen en wegwijsers, onlangs gesteld, inkomstig ten laste van de Carspelen in dien staat, waarin dezelve tegenswoordig zijn, zullen worden onderhouden en de schouwe subject zijn.

Het onderhoud werd dus afgewenteld naar het lokale bestuursniveau. Ridderschap en Eigenerfden, samen de Landdag vormend, stemden weliswaar hiermee in, maar of dit een positief effect op de onderhoudstoestand heeft gehad?

Bron: Drents Archief Assen, Toegang 1 (Oude Staten Archieven)  inv.nr. 6.15 en 6.16 resoluties Ridderschap & Eigenerfden 21 maart 1780 en 25 maart 1783.


De eerste verlaatsmeesters van de Drentse Hoofdvaart

Ben vrijdagochtend naar het Drents Archief in Assen geweest voor de archivalische nalatenschap van de Administrateur der Vaart en Venen. Ik trof er een buitengemeen rijke administratie aan, met onder andere de kwitanties voor daglonen, uitgekeerd aan bijvoorbeeld de turfgravers en zandschieters die voor de Landschap Drenthe werkten. Ook  de verlaatsmeesters die de sluizen in de nieuwe Hoofdvaart bedienden en er woonden in de daarbij gebouwde huisjes – vaak tevens winkels en tapperijen – dienden voor buitengewone of extra werkzaamheden rekeningen in, waarvan er vier hieronder zijn gereproduceerd.

Adam Mennes kwam van de Kiel-Windeweer, waar hij en zijn vrouw Grietje tussen 1750 en 1764 een heel rijtje kinderen kregen. Kiel-Windeweer ligt vlakbij Spijkerboor, waar de landmeter Lambertus Grevelink, de ontwerper van de Drentse Hoofdvaart, destijds nog woonde. Waarschijnlijk heeft die Adam Mennes aangenomen om in 1770 de verlaatsmeester te worden van het benedenste verlaat, naderhand de Paradijsschut geheten. Deze lag vlakbij Meppel, maar nog op Havelter grondgebied. Mennes zal omstreeks 1785 overleden zijn, waarna zijn schoonzoon hem opvolgde.

De nota’s van Mennes in het archief van de Administrateur der Vaart en Venen verschillen steeds qua handschrift. Kennelijk stelde iemand anders steeds de rekeningen op, die Mennes dan vrij onbeholpen ondertekende. Schrijven kon hij dus wel, maar daar is ook alles mee gezegd.

In 1774 werkte Mennes, afgezien van de bediening van het verlaat, nog 22 dagen los voor de Landschap Drenthe. Zijn loon bleek 13 stuivers per dag, waarmee hij vrij hoog in de boom zat, vergeleken bij de agrarische daglonen die ik uit het Havelter momberprotocol optekende.

Berend Doggen kwam van Nijeveen, waar hij in 1742 geboren werd. Hij was de verlaatsmeester van de Boskampschut (iets ten zuiden van de huidige Boskampbrug in Havelte) die ook wel eens het Overcingeverlaat heette, hetzij omdat de Boskamp nog bij Overcinge hoorde, hetzij omdat je het huis van stand nog in de verte kon zien liggen, iets wat nu onmogelijk is door al het aangeplante bos. Ergens in de Franse tijd werd het Boskampschut opgeheven en verwijderd, zodat deze sluis niet meer op de kadasterkaart van 1830 te vinden is.

In 1787 werkte Doggen aan verschillende bruggen en schutten elders langs de Hoofdvaart. Anders dan bij zijn collega Adam Mennes van het benedenste verlaat, was Doggens handschrift van rekening op rekening wel uniform. Zijn dagloon was nog hoger dan dat van Adam Mennes, namelijk 16 stuivers.

Jochem Ysebrants, ook wel Jochem Bakker. De huidige Haveltersluis had in de jaren 1770 twee namen: de Pastoorssluis en de Bakkerssluis. Die eerste naam dankte ze aan de vergraven Pastoriegrond of Papenweide op deze locatie. De tweede naam kwam in de wereld dankzij verlaatsmeester Jochem Ysebrants, naar zijn andere beroep ook wel Jochem Bakker geheten. Hij kwam van De Blesse en was ook wat betreft zijn bakkerij een eerste in een lange reeks: op de locatie van het verlaatshuis heeft ruim 200 jaar (tevens) een bakkerij gezeten, wijlen mijn klasgenoot Geert Bergman was de laatste uit de lange reeks uitbaters.

In 1777 declareerde Jochem Isebrants drie dagen werk voor een totaalbedrag van een rijksdaalder, wat neerkomt op bijna 17 stuivers per dag. Dat was iets meer dan zijn collegae van de twee lager gelegen sluizen.

Lucas Schenkel was de eerste verlaatsmeester van de nog steeds bestaande Uffeltersluis. Hij kwam van Hoogezand, waar hij 1737 geboren werd en in 1767 trouwde. Vermoedelijk  kwam ook hij in het kielzorg van landmeter en kanaalontwerper Lambertus Grevelink. Schenkels vrouw kwam uit Nieuwolda, waar Grevelink ook weer connecties had.

Overigens had je in mijn tijd (jaren 60 en begin jaren 70) twee café’s Schenkel in Uffelte. Het ene, aan de Rijksweg (westkant vaart), had een groot bord bij de weg staan: “Het vanouds bekende café Schenkel!” Meen dat dit wel enigszins bezijden de waarheid was. Het allereerste café Schenkel zal namelijk gehuisvest zijn geweest in de verlaatsmeesterswoning die weliswaar eveneens aan de westkant van het kanaal stond, maar veel dichterbij de tweede Uffelterbrug. Het zogenaamd vanouds bekende café is nu ter ziele,  al hangt er nog wel een bierspiegel op een aanbouw. Het nog steeds bestaande brugcafé was voor de coronatijd al gesloten, volgens welingelichte kringen definitief.

Lukas Schenkel werkte in 1774 achttien dagen los voor de Landschap, en declareerde daarvoor 9 gulden, maakt 10 stuivers per dag, veel minder dan zijn drie collegae stroomafwaarts naar Meppel.


Jan Geugies en zijn tabaksconsumptie

Op 8 oktober 1783 noteert de hoofdmomber van een Havelter wees in zijn voogdijrekening:

Een tabaksdoos gekogt voor Jan Geugies en ¼ pond tabak met 2 pijpen ƒ 0-13-4

Jan Geugies (Eppinge) is dan 14 jaar oud, waarvan de laatste 6 jaar ouderloos. Blijkbaar is hij even voor die notitie aan het roken geraakt. Voor het oog blijft het vrij bescheiden: in de voogdijrekening verschijnt dat jaar nog slechts één post wegens een half pond tabak voor 3 stuivers.

Daarna staan er regelmatiger postjes wegens een half pond tabak op de rekening, welke standaard-hoeveelheid steeds 3,5 stuivers kost. Dat bedrag lijkt weinig, maar vertegenwoordigde voor velen destijds een half dagloon. In 1784 gaat het om 7 halve ponden, in 1785 om 5, in 1786 om 23 en in 1787 om 31. Het lijkt er dus sterk op dat Jan Geugies steeds meer ging roken. Een enkele keer, zoals op 10 maart 1785, zitten er ook pijpen bij de post in. Deze kostten toen een halve stuiver – niet veel vergeleken bij de tabak en de allereerste pijpen van Jan. Weggooigoed uit Gouda?

Toch geven al die postjes waarschijnlijk nog niet de gehele tabaksconsumptie van Jan Geugies weer. In 1786 en 1787 staan ze steeds met een zeer regelmatige interval van een week voor drie van de vier weken in een maand genoteerd. Er valt dus steeds een week tussenuit. Naast de tabak ontvangt Jan ook nog gewoon zakgeld, zo te zien koopt hij daarvan eveneens tabak. In dat geval verrookte hij een half pond tabak per week.

In de loop der jaren wordt zijn zakgeld steeds hoger, maar in april 1788 houden de tabaksposten definitief op. De mombers zullen Jan hebben gezegd dat hij voortaan zijn tabak zelf maar moest kopen. Misschien kwamen ze het ook wel overeen. Een jaar later neemt Jan voor het eerst zijn eigen verdiende loon in ontvangst, en doen de mombers dat niet meer voor hem. De jongeman, dan 20 jaar oud, wordt steeds zelfstandiger.

Bron:
Drents Archief Assen, Schultengerechten (Havelte/Vledder) inv.nr. 580.7, scans 599-611. (De stukken zijn helaas niet rechtstreeks te linken.)


Landelijke contrasten in voogdijrekeningen

Ben bezig met de momberprotocollen van Havelte/Vledder. Daar staan allerlei voogdijstukkken in uit de lange achttiende eeuw, zoals boedelinventarissen en rekeningen van ontvangsten en uitgaven voor (half)wezen. Zulke rekeningen zijn in Groningerland nauwelijks bewaard, terwijl ze in Drenthe juist systematisch werden afgeschreven door het lokaal gezag. Boedelinventarissen zijn er voor beide gebieden. Wat betreft het Oldambt heb ik daar vrij veel van gezien en onderhand vallen me twee verschillen op tussen Zuidwest-Drenthe met zijn vele kleine boeren en vrij platte sociale structuur, en het Oldambt met zijn grote boeren en grote ongelijkheid.

Eerst een belangrijke overeenkomst: in beide streken prevaleert de akkerbouw in de achttiende eeuw. De ontvangsten voor de Drentse (half)wezen bestaan voor driekwart uit opbrengsten van rogge, verder van wat boekweit, een beetje haver en een luttel vlas. In het Oldambt ligt het accent meer op tarwe en gerst, kool- en ander oliehoudend zaad.

Nu de verschillen die me opvielen dankzij die voogdijstukken: in Zuidwest Drenthe hebben de boeren nauwelijks sjezen, in het Oldambt is er bijna geen boer zonder zo’n min of meer persoonlijk vervoermiddel. Wie het breed had, liet het breed hangen. In het Oldambt heeft de doorsnee-boer ook veel meer paarden.

Het andere verschil, dat in het oog loopt: in Zuidwest-Drenthe hadden de boeren nauwelijks en in het Oldambt bijna allemaal een vuurwapen in huis. Wie het breed heeft laat het breed hangen, maar is ook het meest beducht voor verlies van have en goed.


Een Deugniet op de es

In de voogdijrekening over 1778 voor de kinderen van de Drentse landschrijver Jan Kymmell, die opgroeiden in het voorname Havelter huis Overcinge, staat deze ontvangstpost:

Per eundem” (op dezelfde datum) “huire van de Deugeniet A(nno) ’78  ƒ 8-11-0” (acht gulden en elf stuivers).”

Omdat de post tussen andere pachtsommetjes wegens onroerend goed staat, zal het gaan om vastgoed. Maar waar lag dat? De kaart van HisGis, gemaakt op basis van toponiemen die Jan Wierenga in de jaren 60/70 verzamelde, brengt uitkomst:

Het stuk bouwland (linksboven) lag nabij Overcinge (onder) op het zuidoostelijke stuk van de Westerhesselter of Wallinger es aan de esweg tussen Overcinge en Darp (het vroegere Westerhesselen). Waarschijnlijk was de es ter plaatse wat minder vruchtbaar, zodat de rogge-opbrengst er tegenviel.

Een veldnaam, die twee eeuwen lang bleef bestaan. Er waren toponiemen die het minder lang volhielden.


De eeuwige pechvogel

Havelte 22 mei. Voor ongeveer 14 dagen verbrandde vrij zeker ten gevolge van boos opzet, huis en inboedel van den arbeider J. van der Zweerde Hzn. te Darp. Alleen het huis was verzekerd. Van der Z. was dus door dezen ramp zwaar getroffen, waarom hij van den burgemeester vergunning kreeg, gelden ter aanschaffing van nieuw meubilair bij de ingezetenen in te zamelen. Met dat doel liep hij gisteren weer bij zijn dorpsgenooten rond. ƒ 190,- reeds vorige dagen door hem ontvangen, had hij onbeheerd in zijn tijdelijke woning achtergelaten. Tijdens zijn afwezigheid is in bedoelde woning ingebroken en werd hem de ƒ 190,- weer ontstolen.

Bron:: Nieuwsblad van het Noorden, 22 mei 1919 .

Waarschijnlijk ging het om de arbeider Jan van der Zweerde (1879-1926) die een zoon was van Harm van der Zweerde en Jantje Soer.