Vistuig van ruim een eeuw geleden

Was op zoek naar iets anders, maar in een programma voor een Waterfeest in Paterswolde, 1911, viel mijn oog op deze advertentie van een Sneker handelaar in visgerei. Niet alleen worden daarin vergeten visnetten als treemkes en zegens opgevoerd, ook demonstreert de advertentie met stripachtige plaatjes de werking van een totebel of kruisnet:
1
Op het  plaatje linksonder haalt de visserman louter rotzooi omhoog, hetgeen hem zichtbaar verdriet doet:
2
Op het andere zit de totebel vol met vis, hetgeen meneer bijzonder verheugt:
3
De onuitgesproken suggestie was dat je voor vis in plaats van rotzooi in je net helemaal naar Sneek moest. Een Groninger concurrent kon het daar uiteraard niet mee eens zijn:
4


Sappemeerster Elfringen en Olderwetsche Zeeuwen

dsc08368

Twee maal bleef de Veendammer Albert Gerrits in gebreke. Drie weken na Sint Jacob 1787 zou hij Jan Derks, een koopman van buiten de streek, “50 zakken zoomer zeeuwse aardappelen en 50 zakken elfring aardappelen” leveren. De eerste soort was blijkbaar wat beter dan de andere, want de Zeeuwen deden ruim 16 stuiver de zak, terwijl de Elfrings 2 stuivers minder kostten.

Wat later beloofde Albert Gerrits bovendien Jan Derks voor Slochtermarkt 1000 zakken “elfring aardappelen” te fourneren voor 8 stuivers per zak, met nog 8 dukaten op de koop toe. Omdat Jan beide keren de beloofde piepers niet ontving, sprak hij Albert erop aan voor het Oldambtster gerecht. Het ene zaakje eindigde met een schikking, het andere komt daarna evenmin ter sprake, zodat ook dat zal zijn bijgelegd.

Deze rechtszaakjes zijn interessant om de tijdsaanduidingen en – vooral – de beide aardappelrassen. Slochtermarkt (de eerste woensdag van oktober) was kennelijk een algemeen bekende verwijzing. Over Sint Jacob heb ik het hier wel vaker gehad. De laatste melding die ik zag, was van 1745, maar ook in tweede helft van de achttiende eeuw kende men de heiligendag blijkbaar nog.

Van de beide aardappelrassen had ik nog nooit gehoord en ik dacht even dat het ging om de oudste melding van aardappelrassen überhaupt, maar daarin bleek ik me te vergissen. Bieleman citeert in zijn magnifieke proefschrift namelijk een vooraanstaand Eeldenaar die circa 1773 melding maakte van tien soorten aardappels, waaronder Zeeuwse Rode en Elferingen.

Volgens die Eeldenaar was de aardappel in zijn omgeving inmiddels een “algemene spijs” bij rijk en arm geworden. Bij de gegoeden stond er zelfs aardappeltaart op het menu. De armen aten al helemaal geen andere kost meer dan piepers. Daar in Noord-Drenthe was de opmars van de knol in 25 jaar voltooid, want de allereerste melding van aardappelteelt hier kwam in 1748 uit Zuidlaren. In de naburige veenkoloniën begon men er een jaar of wat eerder mee. Of het daar net als op het zand de grotere boeren waren, die ermee pionierden, is vooralsnog onbekend, maar ligt voor de hand.

Volgens de sociograaf Keuning bestond er voor 1773 al veenkoloniale uitvoer van consumptieaardappelen naar Hamburg. Het ging onder meer om Sappemeerster Elfringen en Olderwetsche Zeeuwen. Blaupot ten Cate noemt dezelfde soorten voor 1800, toen er zo’n 200.000 zakken vanuit de veenkoloniën naar Hamburg werden verscheept.

Dominee Rutgers van Kolham meldt dat de Elfringen daar omstreeks 1790 als beste aardappelras algemeen werden verbouwd. Rond 1850 kwam de variëteit nog steeds “legio” voor in die omgeving.

Zijn ambtgenoot Uilkens van Wehe en Zuurdijk, die zijn tuindershandboek (1855) nog veel meer soorten noemt, schaart de Zeeuwen en Elfringen bij de vroege aardappels en heeft een alternatieve naam voor de laatsten:

“Elfringen, ook Muizen genaamd, groeijen uitmuntend op zand en duingronden. Zij schieten hare wortelen uit de vele putten die deze aardappels hebben, doch door den bovengrond en minder benedenwaarts, waarop men dezelve op grooteren afstand poot dan de kruipers; zij hebben veel loof en eene witte bloem. De knol is langwerpig en fijn van meel, doch het zware of dikke einde van den knol is beter van smaak als het dunne puntige, zijnde deze punt ook meer witachtig, spekkig of glazig, dan het dikke einde, wanneer men den aardappel gekookt heeft.”

Een jaar nadien memoreert T. Borgesius, landeigenaar en burgemeester van Oude Pekela,  dat de fijne consumptie-aardappels van de zandige klei of zavel, ook in Groningerland, geheel verdwenen zijn door de aardappelziekte die vanaf 1845 heerste:

“zoodat het, bij het eventuee ophouden der ziekte, zelfs zeer moeilijk zal vallen, om de muisjes, Zeeuwschen en Elfringen-soorten in voldoende hoeveelheid ter uitplanting te verkrijgen.”

Ook Molema maakt later in zijn Groninger woordenboek melding van de Elfringen, volgens hem elders ook wel ‘Elfen’ genoemd. Bij het lemma terzake voert hij een hele reeks aardappelrassen of -variëteiten van voor 1845 op, waaronder de ‘zomerzijsen’ ‘zömerzeeusen’, ‘zeelanders’ of ‘zeilanders’. Met de Elfringen behoorden deze tot de puikste soorten.

De Elfringen en de Zomerzeeuwsen, beide namen staan ook op de Oranje Lijst van de Oerakker, een stichting voor het behoud en gebruik van oude groentegewassen onder auspiciën van de Wageningse universiteit. Bij beide rassen staat evenwel aangetekend dat ze niet meer in de handel zijn, en dat er zelfs geen genetisch materiaal van bewaard gebleven is. Wat ooit doorging voor een beste aardappelsoort, lijkt nu dus van de aardbodem verdwenen.

Bronnen:

  • RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 59 (civiele processen) notities d.d. 28 augustus, 16 oktober en 20 november 1787.
  • Jan Bieleman, Boeren op het Drentse zand (1987) 536-538 en achterin bij de noten 537-543, noot 97.
  • H. Molema, Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19de eeuw (Groningen 1887) 100, lemma elfringen.
  • S.J. Rutgers, Beschrijving van Kolham (Groningen 1849) 80-81.
  • S. Blaupot ten Cate, Voorlezing over de opkomst van de veenkoloniën Hoogezand en Sappemeer (Hoogezand-Sappemeer 1854) 41.
  • T. F. Uilkens, Groot Warmoeziershandboek deel I (Arnhem 1855) 12.
  • T. Borgesius, ‘Verhandeling over de teelt van aardappelen op veenondergronden of zogenaamde dallanden’, Tijdschrift ter bevordering van Nijverheid 1856, 277.
  • J. Kok, Het landbouwbedrijf in de Veenkoloniën (Deventer 1919) 62-67.
  • H.J. Keuning, De Groninger veenkoloniën; een sociaal-geografische studie (Amsterdam 1933) 122-125.

Gemengde herinneringen aan de Drachtster tram

Tramrails bij Peizermade (2008).

Restanten van de trambrug over  ’t Oude Eelderdiep bij Peizermade (2008).

Voor Jan S. Niehoff (1923-2014) vormde Roden, waar hij rond zijn tiende, elfde ’s zomers bij zijn oom logeerde, een soort van “droomwereld”. Ver van tevoren keek hij al naar die logeerpartijen uit:

“Het bijzondere begon al met de reis per tram (niet: trem!) die, heel anders dan de trein midden door de bewoonde wereld liep, rakelings langs de bomen van de weg, waarover de rook zwierde, de rook, waarvan de zwavelgeur door de openstaande luikjes met geel glas in een verhoging van ’t witte plafond de coupé binnendrong. Een kartonnen bordje “Niet Spuwen” boven de deur, dat heftig ging slingeren als de tram met zangerig wielgeluid een bocht nam.”

Naast zijn oom woonde het gezin van de Roder gemeentesecretaris. Met diens zoon Ids was de jeugdige Niehoff bevriend:

“In hun huis heerste een melancholieke sfeer, die ik later kon duiden, nadat ik vernam, dat ze niet lang voordien hun oudste kind Albert hadden verloren: hangend buiten een balcon van de tram was hij, op reis tussen de school in Groningen en Roden met het hoofd tegen een boom geslagen. Sindsdien hadden voor mij die voorbijschietende bomen iets boosaardigs.”

Een krantenbericht over dat gruwelijke ongeluk kwam ik een hele poos geleden al eens tegen. Het gebeurde op 12 mei 1934 bij Peizerwolde. De jongen, 17, was vrijwel op slag dood. Wat een drama moet dit geweest zijn voor die ouders.

Bron: Brief (in concept of afschrift) van Jan S. Niehoff te Appingedam aan Peter van der Velde te Roderwolde, zomer 1998. In: RHC Groninger Archieven, Toegang 2966 (archief Jan S. Niehoff) inv.nr. 1.


Hoe de Drentse kerk eertijds ‘ontucht en hoererij’ afstrafte

img848

In het oude Drenthe was de bevoorrechte Hervormde Kerk onbarmhartig voor ongehuwde moeders. Als zo’n moeder wilde dat haar kind gedoopt werd, wat noodzakelijk was met het oog op diens eeuwig zieleheil, moest zo’n moeder in eigen persoon haar kind komen aanbieden op het koor van de kerk. Voordat de predikant haar kind dan doopte, las hij een formulier voor, dat de moeder eerst voor het front van de gehele gemeente had te beamen. Dit is dat formulier:

“1.
Vooreerst vraag ik U of gij niet belijd, dat dit kind in ontught en hoererij van U ontfangen en uit U geboren is.

2.
Ten tweden of gij niet bekent, met deze uwe zonde (welke ziel en lichaam verontreinigt, schande en smaad veroorzaakt, de Heijligen Godt vertoornd en daarom in des Heeren Woord bedreigt word met de vreeselijkste straffen, ja met de eeuwige wraakvlammen van Gods Gerechtigheid te zullen gestraft worden) – ik zegge, of gij niet bekent, met deze zonde grote ergernisse gegeven en de Christelijke gemeinte ontstigt te hebben en daarom belijdt van herten leed te zijn?

3.
Ten derden, of gij onder de medewerkende Genade des H. Geestes, in de tegenwoordigheit dezer H. gemeente, niet en beloovt dit uw ergerlijk wangedrag door een Christelijke wandel te verbeteren, God biddende om genadige vergevinge dezer, en aller zonden, ende om Heijligmakinge des H. Geestes ten einde gij voortaan uw vat (= lichaam HP) in heijligheit moogt bezitten tot Godes eere, des naasten stigtinge en uw eeuwig welzijn.

Wat antwoord gij hier op?
Van jaa!

De gemeente de belijdenisse van deze uwe misdaad met blijdschap gehoort hebbende, wenscht dat dezelve opregt te zijn, door een heilige wandel betoont en hiertoe de Geest der Heiligmakinge gegeven worde; inmiddels den Enen en Drie-Enen God biddende, dat een iegelijk door des Heeren voorkomende, medewerkende en bijblijvende Genade voor diergelijke en andere ergerlijke en Gods tergende zonden, moge bewaart worden.”

Dit doopformulier voor ongehuwde moeders werd in de Kerkorde van 1730 voorzien, daarna opgesteld met instemming van Drost & Gedeputeerden (het Drentse Landschapsbestuur), en tot kerkelijk voorschrift verheven in de Drentse synode van 1731. Ds. Cornelis van Schaick, zelf tussen 1838 en 1850 de predikant van Dwingeloo, meldde omstreeks 1870 in De Oude Tijd, dat zijn voorganger Folckers Cranssen (vanaf 1808 te Dwingeloo) dit formulier nog gebruikt had.

Het formulier paste in kerkelijke trend van van de jaren 1720-1740 om ongehuwde moeders steeds strenger aan te pakken. Waarschijnlijk hing deze trend samen met de destijds dominante stroming der Nadere Reformatie.

Overigens kon een ongehuwde moeder bij de Drost van Drenthe om dispensatie van deze exercitie vragen. Ongehuwd moederschap kwam sowieso weinig voor, het formulier zal niet heel erg vaak zijn gebruikt.

Bronnen:
Nadere toegang op de prothocollen van de Provinciale Synode van Drenthe (Assen 1990) 138.
– C. van Schaick, ‘Een oud doopsformulier in Drenthe in gebruik’, De Oude Tijd (band zonder titelblad, waarschijnlijk 1869, 1870 naar analogie van Drenthiana, waarin Van Schaick zijn stuk in 1870 liet verschijnen).


Roofvogels bij het Leekstermeer (1924)

“Zijn we het midden van het meer voorbij, dan ga ik op mijn rug liggen bovenop het roefje om met den kijker op roofvogels te loeren, die vooral in den voorzomer wel eens hoog aan het zeilen zijn. Dit is een prachtig schouwspel. Een enkelen keer krijgt ge een vischarend te zien, maar ik geloof niet dat hij er broedt, daarvoor zijn er te weinig boomen van zijn gading in de buurt. Vaker ziet ge den kiekendief, met name den bruinen of den rietwouw. Op hem let ik vooral, zoodra we uit het meer het kanaal naar Roden invaren. Daar is een zeer moerassig ruig landschap (de Bolmert, HP) met riet en elzen en andere stobben, waar het voor die roovers. een dorado is. Jammer dat er in den verloopen zomer weer een aantal gedood is. Ze hebben wel geen zuiver geweten, maar ze zijn zoo mooi. Men mist ze, als ze in zulk een landschap ontbreken. En ze staan onder bescherming van de wet. Er mogen geen roofvogels geschoten worden dan de sperwer en het smelleken. Wat zou het prachtig zijn, indien die wetsbepaling inderdaad eens werd nageleefd en door alle jachtopzieners. de handhavers van de wet, streng gehandhaafd!”

Uit ‘Een tocht naar Drenthe’, een reportage over enerzijds het Zuidlaardermeer- en anderzijds het Leekstermeergebied, door een kennelijke liefhebber van vogels – Nieuwsblad van het Noorden, 24 maart 1924.


Tabakszak als lapmiddel blijkt enige overblijfsel van florerende zaak

In het archief van het Groninger Sint Anthonygasthuis bevindt zich in een bundeltje brieven en andere stukken een placcaat uit 1685, dat kennelijk zo vaak geraadpleegd is dat het uiteen dreigde te vallen. Daarom is aan de achterkant een steunconstructie geplakt in de vorm van een stuk tabakszak, en wel de voorkant daarvan:
z DSC01793
Het betreft een misdruk met een zwaan als beeldmerk. Verder heeft dat beeldmerk de omlijsting van een uithangbord:
ooo
Heb de beeltenis wat proberen op te peppen, maar qua leesbaarheid hielp dat weinig. Toch viel er wel uit te komen. Onder het zwanenlogo staat zo ongeveer:

“Deze en meer andere soorten van opregte Amerikanische TABAK, als mede beste soorten van K……s, zijn te bekomen bij JAN A. OOSTERHOFF vooraan in de Oosterstraat tot GRONINGEN.”

Oosterhoffs initialen IAO staan boven het beeldmerk. Als ik deze tabakshandelaar natrek, kom ik merkwaardigerwijs eerst dichtbij mijn huis terecht, om precies te zijn op hemelsbreed anderhalve kilometer afstand. Jan Alberts Oosterhoff werd namelijk in 1762 geboren als de op een na jongste zoon van de landbouwer, bakker en herbergier Albert Eytes Oosterhoff te Matsloot, onder de klokslag van Roderwolde. Vanwege de naam van diens vader Eyte lijkt het erop dat het gezin in de herberg met overzet Eiteweert woonde, temeer daar de overgrootvader ook al boer en herbergier op de Matsloot was, maar dat bleek een vergissing. Toen zijn vader overleed, bood zijn moeder, naast nogal wat groenland onder Roderwolde, immers een “geneverstokery” te koop aan, waarmee de lokatie van Jan Alberts Oosterhoffs ouderlijke huis zich laat bepalen als ‘De oude Stokerije’ die volgens een kaart van Huguenin (ca. 1820) enkele honderden meters ten noorden van Eiteweert aan de Roderwolderdijk stond. Tot voor kort bevond zich hier inderdaad nog een boerderij vlakbij de vloeivelden van de suikerfabriek. Inmiddels is deze afgebroken en rest er niets dan een poeltje van de huisplaats. Overigens had Jans grootmoeder hier als weduwe, naast een middelgrote boerderij met herberg, nog een handel in tabak. Wat dat betreft viel de appel niet ver van de boom.

Wanneer Jan Alberts Oosterhoff naar de stad verhuisde is onbekend. Wellicht ging hij er als jongeling heen om een vak te leren. In 1791 trouwde hij met een vijftien jaar oudere koopmansweduwe en kocht even later datzelfde jaar ’t klein burgerrecht, om lid van het koopmans- en kremersgilde te worden. In 1791 vestigde hij zich dus als winkelier.

Dat hij redelijk succes had met zijn tabak, blijkt in 1803. Dan plaatst hij een advertentie tegen concurrenten die tabak verkopen onder zijn naam en merk:

“Ondergetekende JAN OOSTERHOFF, tot myn leetwezen vernomen hebbende dat [in] de valsche Rode Rosynekorf Tabak met myn naam &c. voorzien, word verkogt, en ik hieromtrent niet onverschillig kan verkeeren, zoo wil door deezen een ieder die zie hieraan mogten schuldig kennen, of eenigsints daarin hebben medegewerkt, vriendelyk verzogt en ernstig gewaarschouwd hebben om van deeze hunne handelwyze af te zien, opdat ik niet genoodzaakt worde, langs onaangenamer middelen dat kwaad te keeren.

Groningen den 28 July 1803.    JAN OOSTERHOFF.”

Feitelijk was dit veel geschreeuw en weinig wol, want het merkenrecht stond nog in de kinderschoenen en ik denk niet dat Jan werkelijk een proces zou zijn begonnen. De uitkomst was te ongewis.

Het huwelijk van hem en zijn vrouw bleef kinderloos. Zij stierf in 1819 en hij in 1822. In Huize de Beurs kwam toen eerst de inventaris van de tabakshandel in de Oosterstraat onder de hamer:

“5 Vaten beste Marijlandsche bladen tabak , een partij losse bladen dito, eenige riemen wit tabakspapier; voorts een tabaksinstrument, tabaksmessen en dito -raams, groote ijzeren balans met schaalbladen, dito gewigten en kleinere balansen en gewigten, een koopmanskare en meer andere goederen…”

Later dat jaar volgde Oosterhoffs vastgoed: het huis in de Oosterstraat en nogal wat land in de Paddepoel, Hoogkerk,  Usquert, Uithuizermeeden en Hornhuizen, plus een klein scheepsaandeel, waaruit blijkt dat Jan de winst uit zijn tabakshandel gespreid belegde. Bij de boeldag van de huisraad, ten slotte, werden onder meer tapijten, kabinetten en een “zeer accuraat staand uurwerk” verkocht, eens te meer een bewijs dat Jan Oosterhoff goed geboerd had met zijn nering.

Toch bleef daar enkel het stuk tabakszak van over, waarmee een placcaat in het archief van het Anthoniegasthuis opgelapt werd. We weten natuurlijk niet of dit gebeurde tijdens Jans leven, toen de zak nog courant was. Dat kan ook later gebeurd zijn. In elk geval dateert de gebruikte zak uit de periode 1791-1822 en dat is behoorlijk oud voor bewaard gebleven handelsdrukwerk.


De Anda en de veenkoloniale coastervaart

De Anda is een ouwe coasteren een vaste verschijning op manifestaties van varend erfgoed. In naam kwam het schip uit Gasselternijveen, ooit in grootte de vierde thuishaven van heel Nederland. Anda Vonk, de dochter van de vroegere schipper, vertelt over het leven met dit schip, de veenkoloniale schipperij en de sterke schippersvrouwen van Gasselternijveen:

(Productie van rtv Drenthe.)