Luizebos

Cornelis A. Hellemans, Figuren met een luizenkam (17e eeuw). Collectie Rijksmuseum Amsterdam.

In een verslag, uit 1923, van een vastgoedveiling te Deurze (een gehucht tussen Assen en Rolde) is sprake van een hele serie veldnamen, onder meer:

  • Bolmaat
  • Veldland
  • Jannenkamp
  • Luizeboschslag
  • Luizeboschtip

Op de Bolmaat zal een stier (bol) hebben gelopen. Veldland was ooit recent op de natuur gewonnen bouwland (vgl. Felland tussen Haren en Onnen), de Jannenkamp sloeg niet zozeer op een heropvoedingsinrichting voor rechtse types als wel op een stuk land dat oorspronkelijk buiten de es lag en op de natuur gewonnen was, en de Luizebosvariaties duidden op minderwaardige grond, waarbij de slag voor iets venigs zal hebben gestaan en de tip voor een overhoek.

Dat dan gezegd zijnde – toch aardig dat er een echte Luizebos bestond.


In de oliemolen van Roderwolde

Lijnzaad, waaruit de lijnolie geslagen wordt die je in de molenwinkel kunt kopen:

Reclame van een vroegere concurrent, Roelfsema in Hoogkerk:

Links de kollergang: een stel verticale molenstenen dat over een gebilde, liggende steen rolt:

Houten mechanica:

Even op de stelling geweest – zjoevvv – zjoevvvv – zjoevvv:

Uitzicht op de Roderwolder Schipsloot – in de verte het Peizerdiep:

Molensteen met o.a. vijf bilhamers (voor het bijwerken van de groeven in de steen):

Voorraadje meel:

Uitzicht van de bovenste zolder:

Er is ook een klein museumpje aan deze molen verbonden met spullen die herinneren aan o.a. het oude bakkersambacht – speculaasplank met molen:

Verpakking van Deventer koek:

Buiten staan de tulpen nog te pronken:

Website van de molen

Filmpje uit 1959


‘Het gevaarlijke liften’

Ben vanavond aan het sneupen geweest in het digitale archief van de Meppeler Courant. Ze proberen daar het wiel opnieuw uit te vinden – apart van Delpher en andere krantenbanken – en in eerste instantie verliep het gezoek nogal moeizaam. Maar na verloop van tijd kwamen er toch ook heel aardige dingen tevoorschijn, zoals het onderstaande verhaal, dat ik nooit eerder gehoord had. De commies waarvan sprake is, was mijn grootvader, wiens ambtenarenwoning aan de Havelter Dorpsstraat blijkbaar wel vaker als een soort van eerste opvangadres voor benarden fungeerde:

Meppeler Courant 7 september 1949.

Meppeler Courant 7 september 1949.


Vistuig van ruim een eeuw geleden

Was op zoek naar iets anders, maar in een programma voor een Waterfeest in Paterswolde, 1911, viel mijn oog op deze advertentie van een Sneker handelaar in visgerei. Niet alleen worden daarin vergeten visnetten als treemkes en zegens opgevoerd, ook demonstreert de advertentie met stripachtige plaatjes de werking van een totebel of kruisnet:
1
Op het  plaatje linksonder haalt de visserman louter rotzooi omhoog, hetgeen hem zichtbaar verdriet doet:
2
Op het andere zit de totebel vol met vis, hetgeen meneer bijzonder verheugt:
3
De onuitgesproken suggestie was dat je voor vis in plaats van rotzooi in je net helemaal naar Sneek moest. Een Groninger concurrent kon het daar uiteraard niet mee eens zijn:
4


Sappemeerster Elfringen en Olderwetsche Zeeuwen

dsc08368

Twee maal bleef de Veendammer Albert Gerrits in gebreke. Drie weken na Sint Jacob 1787 zou hij Jan Derks, een koopman van buiten de streek, “50 zakken zoomer zeeuwse aardappelen en 50 zakken elfring aardappelen” leveren. De eerste soort was blijkbaar wat beter dan de andere, want de Zeeuwen deden ruim 16 stuiver de zak, terwijl de Elfrings 2 stuivers minder kostten.

Wat later beloofde Albert Gerrits bovendien Jan Derks voor Slochtermarkt 1000 zakken “elfring aardappelen” te fourneren voor 8 stuivers per zak, met nog 8 dukaten op de koop toe. Omdat Jan beide keren de beloofde piepers niet ontving, sprak hij Albert erop aan voor het Oldambtster gerecht. Het ene zaakje eindigde met een schikking, het andere komt daarna evenmin ter sprake, zodat ook dat zal zijn bijgelegd.

Deze rechtszaakjes zijn interessant om de tijdsaanduidingen en – vooral – de beide aardappelrassen. Slochtermarkt (de eerste woensdag van oktober) was kennelijk een algemeen bekende verwijzing. Over Sint Jacob heb ik het hier wel vaker gehad. De laatste melding die ik zag, was van 1745, maar ook in tweede helft van de achttiende eeuw kende men de heiligendag blijkbaar nog.

Van de beide aardappelrassen had ik nog nooit gehoord en ik dacht even dat het ging om de oudste melding van aardappelrassen überhaupt, maar daarin bleek ik me te vergissen. Bieleman citeert in zijn magnifieke proefschrift namelijk een vooraanstaand Eeldenaar die circa 1773 melding maakte van tien soorten aardappels, waaronder Zeeuwse Rode en Elferingen.

Volgens die Eeldenaar was de aardappel in zijn omgeving inmiddels een “algemene spijs” bij rijk en arm geworden. Bij de gegoeden stond er zelfs aardappeltaart op het menu. De armen aten al helemaal geen andere kost meer dan piepers. Daar in Noord-Drenthe was de opmars van de knol in 25 jaar voltooid, want de allereerste melding van aardappelteelt hier kwam in 1748 uit Zuidlaren. In de naburige veenkoloniën begon men er een jaar of wat eerder mee. Of het daar net als op het zand de grotere boeren waren, die ermee pionierden, is vooralsnog onbekend, maar ligt voor de hand.

Volgens de sociograaf Keuning bestond er voor 1773 al veenkoloniale uitvoer van consumptieaardappelen naar Hamburg. Het ging onder meer om Sappemeerster Elfringen en Olderwetsche Zeeuwen. Blaupot ten Cate noemt dezelfde soorten voor 1800, toen er zo’n 200.000 zakken vanuit de veenkoloniën naar Hamburg werden verscheept.

Dominee Rutgers van Kolham meldt dat de Elfringen daar omstreeks 1790 als beste aardappelras algemeen werden verbouwd. Rond 1850 kwam de variëteit nog steeds “legio” voor in die omgeving.

Zijn ambtgenoot Uilkens van Wehe en Zuurdijk, die zijn tuindershandboek (1855) nog veel meer soorten noemt, schaart de Zeeuwen en Elfringen bij de vroege aardappels en heeft een alternatieve naam voor de laatsten:

“Elfringen, ook Muizen genaamd, groeijen uitmuntend op zand en duingronden. Zij schieten hare wortelen uit de vele putten die deze aardappels hebben, doch door den bovengrond en minder benedenwaarts, waarop men dezelve op grooteren afstand poot dan de kruipers; zij hebben veel loof en eene witte bloem. De knol is langwerpig en fijn van meel, doch het zware of dikke einde van den knol is beter van smaak als het dunne puntige, zijnde deze punt ook meer witachtig, spekkig of glazig, dan het dikke einde, wanneer men den aardappel gekookt heeft.”

Een jaar nadien memoreert T. Borgesius, landeigenaar en burgemeester van Oude Pekela,  dat de fijne consumptie-aardappels van de zandige klei of zavel, ook in Groningerland, geheel verdwenen zijn door de aardappelziekte die vanaf 1845 heerste:

“zoodat het, bij het eventuee ophouden der ziekte, zelfs zeer moeilijk zal vallen, om de muisjes, Zeeuwschen en Elfringen-soorten in voldoende hoeveelheid ter uitplanting te verkrijgen.”

Ook Molema maakt later in zijn Groninger woordenboek melding van de Elfringen, volgens hem elders ook wel ‘Elfen’ genoemd. Bij het lemma terzake voert hij een hele reeks aardappelrassen of -variëteiten van voor 1845 op, waaronder de ‘zomerzijsen’ ‘zömerzeeusen’, ‘zeelanders’ of ‘zeilanders’. Met de Elfringen behoorden deze tot de puikste soorten.

De Elfringen en de Zomerzeeuwsen, beide namen staan ook op de Oranje Lijst van de Oerakker, een stichting voor het behoud en gebruik van oude groentegewassen onder auspiciën van de Wageningse universiteit. Bij beide rassen staat evenwel aangetekend dat ze niet meer in de handel zijn, en dat er zelfs geen genetisch materiaal van bewaard gebleven is. Wat ooit doorging voor een beste aardappelsoort, lijkt nu dus van de aardbodem verdwenen.

Bronnen:

  • RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 59 (civiele processen) notities d.d. 28 augustus, 16 oktober en 20 november 1787.
  • Jan Bieleman, Boeren op het Drentse zand (1987) 536-538 en achterin bij de noten 537-543, noot 97.
  • H. Molema, Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19de eeuw (Groningen 1887) 100, lemma elfringen.
  • S.J. Rutgers, Beschrijving van Kolham (Groningen 1849) 80-81.
  • S. Blaupot ten Cate, Voorlezing over de opkomst van de veenkoloniën Hoogezand en Sappemeer (Hoogezand-Sappemeer 1854) 41.
  • T. F. Uilkens, Groot Warmoeziershandboek deel I (Arnhem 1855) 12.
  • T. Borgesius, ‘Verhandeling over de teelt van aardappelen op veenondergronden of zogenaamde dallanden’, Tijdschrift ter bevordering van Nijverheid 1856, 277.
  • J. Kok, Het landbouwbedrijf in de Veenkoloniën (Deventer 1919) 62-67.
  • H.J. Keuning, De Groninger veenkoloniën; een sociaal-geografische studie (Amsterdam 1933) 122-125.

Gemengde herinneringen aan de Drachtster tram

Tramrails bij Peizermade (2008).

Restanten van de trambrug over  ’t Oude Eelderdiep bij Peizermade (2008).

Voor Jan S. Niehoff (1923-2014) vormde Roden, waar hij rond zijn tiende, elfde ’s zomers bij zijn oom logeerde, een soort van “droomwereld”. Ver van tevoren keek hij al naar die logeerpartijen uit:

“Het bijzondere begon al met de reis per tram (niet: trem!) die, heel anders dan de trein midden door de bewoonde wereld liep, rakelings langs de bomen van de weg, waarover de rook zwierde, de rook, waarvan de zwavelgeur door de openstaande luikjes met geel glas in een verhoging van ’t witte plafond de coupé binnendrong. Een kartonnen bordje “Niet Spuwen” boven de deur, dat heftig ging slingeren als de tram met zangerig wielgeluid een bocht nam.”

Naast zijn oom woonde het gezin van de Roder gemeentesecretaris. Met diens zoon Ids was de jeugdige Niehoff bevriend:

“In hun huis heerste een melancholieke sfeer, die ik later kon duiden, nadat ik vernam, dat ze niet lang voordien hun oudste kind Albert hadden verloren: hangend buiten een balcon van de tram was hij, op reis tussen de school in Groningen en Roden met het hoofd tegen een boom geslagen. Sindsdien hadden voor mij die voorbijschietende bomen iets boosaardigs.”

Een krantenbericht over dat gruwelijke ongeluk kwam ik een hele poos geleden al eens tegen. Het gebeurde op 12 mei 1934 bij Peizerwolde. De jongen, 17, was vrijwel op slag dood. Wat een drama moet dit geweest zijn voor die ouders.

Bron: Brief (in concept of afschrift) van Jan S. Niehoff te Appingedam aan Peter van der Velde te Roderwolde, zomer 1998. In: RHC Groninger Archieven, Toegang 2966 (archief Jan S. Niehoff) inv.nr. 1.


Hoe de Drentse kerk eertijds ‘ontucht en hoererij’ afstrafte

img848

In het oude Drenthe was de bevoorrechte Hervormde Kerk onbarmhartig voor ongehuwde moeders. Als zo’n moeder wilde dat haar kind gedoopt werd, wat noodzakelijk was met het oog op diens eeuwig zieleheil, moest zo’n moeder in eigen persoon haar kind komen aanbieden op het koor van de kerk. Voordat de predikant haar kind dan doopte, las hij een formulier voor, dat de moeder eerst voor het front van de gehele gemeente had te beamen. Dit is dat formulier:

“1.
Vooreerst vraag ik U of gij niet belijd, dat dit kind in ontught en hoererij van U ontfangen en uit U geboren is.

2.
Ten tweden of gij niet bekent, met deze uwe zonde (welke ziel en lichaam verontreinigt, schande en smaad veroorzaakt, de Heijligen Godt vertoornd en daarom in des Heeren Woord bedreigt word met de vreeselijkste straffen, ja met de eeuwige wraakvlammen van Gods Gerechtigheid te zullen gestraft worden) – ik zegge, of gij niet bekent, met deze zonde grote ergernisse gegeven en de Christelijke gemeinte ontstigt te hebben en daarom belijdt van herten leed te zijn?

3.
Ten derden, of gij onder de medewerkende Genade des H. Geestes, in de tegenwoordigheit dezer H. gemeente, niet en beloovt dit uw ergerlijk wangedrag door een Christelijke wandel te verbeteren, God biddende om genadige vergevinge dezer, en aller zonden, ende om Heijligmakinge des H. Geestes ten einde gij voortaan uw vat (= lichaam HP) in heijligheit moogt bezitten tot Godes eere, des naasten stigtinge en uw eeuwig welzijn.

Wat antwoord gij hier op?
Van jaa!

De gemeente de belijdenisse van deze uwe misdaad met blijdschap gehoort hebbende, wenscht dat dezelve opregt te zijn, door een heilige wandel betoont en hiertoe de Geest der Heiligmakinge gegeven worde; inmiddels den Enen en Drie-Enen God biddende, dat een iegelijk door des Heeren voorkomende, medewerkende en bijblijvende Genade voor diergelijke en andere ergerlijke en Gods tergende zonden, moge bewaart worden.”

Dit doopformulier voor ongehuwde moeders werd in de Kerkorde van 1730 voorzien, daarna opgesteld met instemming van Drost & Gedeputeerden (het Drentse Landschapsbestuur), en tot kerkelijk voorschrift verheven in de Drentse synode van 1731. Ds. Cornelis van Schaick, zelf tussen 1838 en 1850 de predikant van Dwingeloo, meldde omstreeks 1870 in De Oude Tijd, dat zijn voorganger Folckers Cranssen (vanaf 1808 te Dwingeloo) dit formulier nog gebruikt had.

Het formulier paste in kerkelijke trend van van de jaren 1720-1740 om ongehuwde moeders steeds strenger aan te pakken. Waarschijnlijk hing deze trend samen met de destijds dominante stroming der Nadere Reformatie.

Overigens kon een ongehuwde moeder bij de Drost van Drenthe om dispensatie van deze exercitie vragen. Ongehuwd moederschap kwam sowieso weinig voor, het formulier zal niet heel erg vaak zijn gebruikt.

Bronnen:
Nadere toegang op de prothocollen van de Provinciale Synode van Drenthe (Assen 1990) 138.
– C. van Schaick, ‘Een oud doopsformulier in Drenthe in gebruik’, De Oude Tijd (band zonder titelblad, waarschijnlijk 1869, 1870 naar analogie van Drenthiana, waarin Van Schaick zijn stuk in 1870 liet verschijnen).