Een karakteristiek van Uffelte uit 1932

 

Meppeler Courant, 17 november 1933.

Uffelte is een echt boerendorpje. Een burgerij ontbreekt er bijna geheel. Als zoodanig zou men hoogstens den directeur van de boterfabriek, den kommies, den brugwachter en het personeel der school kunnen beschouwen. Het gemeentehuis, dokter, dominee enz. vindt men in Havelte. Dit heeft één voordeel: het bestuur over de vrij talrijke dorpsvereenigingen is in handen van de boeren gebleven.

De commies waarvan hier sprake is, was mijn grootvader. Hij en zijn gezin woonden van 1923 tot 1934 in Uffelte, waar ook mijn vader geboren is. In het laatstgenoemde jaar verhuisden ze ze naar Havelte. Dat het bestuur over de dorpsverenigingen in Uffelte puur in handen bleef van boeren, is onjuist. Mijn grootvader zat in het bestuur van de ijsvereniging, de zwemclub en de kippenfokvereniging en ik neem aan dat de andere schaarse ‘burgers’ van Uffelte – en dan met name de onderwijzers – ook zo hun steentje bijdroegen.

Bron: De Nederlander van 22 december 1932, tijdschriftenrubriek met een bespreking van het laatste nummer van het sociologische tijdschrift Mensch en Maatschappij, waarin K. van der Kleij, destijds woonachtig in Uffelte en later de drijvende kracht achter de Volkshogeschool in Havelte, een veel langer artikel over Uffelte had staan. Dat moet ik dan nog maar eens opzoeken.


Eigen bijen eerst

In 1753 dienden zich drie mannen aan in de Drentse Landdag. Ze betoogden er

dat jaarlijks op het uitterste van dese en geene bourmarkten in dese Landschap wierden geset veele uitlandsche korven met bijen

Volgens hen zou dit ook juist gebeuren in de grenszones van boermarken (dorpsgebieden) waar “weinig of geen gewin voor de bijen was te bekomen”, zodat die vreemde bijen in aangrenzende marken “haar gewin uit de bloeij van heijde en boekweijte quamen te halen”, wat weer zeer nadelig was voor de bijenhouders in die marken,

temeer omdat bekent was de inlandsche bijen niet konden aarden bij de uitheemschen, maar door deselve verdreven zouden worden.

Ter bescherming van de eigen bijen vroegen de drie mannen het landschapsbestuur dus om de instelling van een verbod op het plaatsen van vreemde bijenkorven vlakbij markegrenzen, Dat zou bijvoorbeeld kunnen in een zone van 100 roe (ruim 400 meter, HP) of zoveel meer of minder als de Landdag maar goedvond.

De Landdag zag niets in het voorstel en wees het kortweg van de hand.

De drie mannen zullen vast teleurgesteld zijn geweest. Twee jaar later probeerden drie anderen het opnieuw met het verhaal

dat dikwijls in deze Landschap door uitheemschen veele korven met bijen wierden geset op het uitterste van dese en geene markten, welke markten na proportie dat er bijen geset wierden niet groot waren en dus de ingesetenen van de naburige markten daardoor veel nadeel toegevoegd zouden worden…

Zoiets gaf natuurlijk ruzie, en om dat te voorkomen, vroegen ook deze mannen om een van vreemde bijen vrije zone langs de markegrenzen. Een breedte gaven ze nu wijselijk niet meer op, maar de maatregel was in hun ogen beslist nodig,

opdat een ieder de voordelen in zijn markte vallende mogte genieten.

Helaas voor de rekestranten, ook dit keer zagen Ridderschap en Eigenerfden er niets in. De Drentse bestuurders bleven even afwijzend als bij het eerste verzoek.

In beide gevallen ging het bij de rekestranten waarschijnlijk om bijenhouders of imkers die een veel grotere groep vakgenoten uit hun streek vertegenwoordigden. Bij het eerste rekest betrof het Meindert Lankhorst van Odoorn, Hendrik Mantinge van Westdorp en Hendrik Meijeringe van Tynaarlo, en bij het tweede Arent Garminge uit Westdorp, Wigbolt Lamberts en G. van der Veen, welke beide laatsten “eigenerfden in de Landschap” werden genoemd – waarschijnlijk waren zij afkomstig uit Beilen en Rolde/Assen. Daarmee vertegenwoordigden beide groepjes samen vijf van de zes Drentse dingspillen, alleen uit de zuidwesthoek van Drenthe, het Dieverderdingspil, kwam niemand op voor deze zaak.

Alle genoemde dorpen  lagen overigens in een zee van heide; boekweit moet er ook meer dan genoeg voorhanden zijn geweest. Inderdaad komt het voor dat allochtone, sterkere bijenvolken minder sterke inheemse volken afmaken, maar voor de rest doet de argumentatie van de Drentse imkers vrij gezocht aan. Beide rekesten waren eigenlijk bedoeld om concurrentie te weren, op plekken waar er genoeg voor iedereen was.

Dat zal de reden voor de beide afwijzingen zijn geweest, maar de voorgestelde maatregel viel ook nauwelijks te handhaven. Want hoe haalde je in het buitengebied de korven uit elkaar zonder een tijdvretend controlesysteem op te tuigen? Waarschijnlijk moesten de grondbazen aangifte doen wie er van hen plek voor bijenkorven huurde, maar wat als die grondeigenaren dat weigerden? Om nog maar te zwijgen over alle bijkomende kwesties die zich konden voordoen. Nee, daar zagen Ridderschap & Eigenerfden geen heil in. De imkers moesten maar met die concurrentie leren leven.

Bron:

Drents Archief. Toegang 1 (Oude Staten Archieven) inv.nr. 6.12 (besluiten Landdag oftewel Ridderschap en Eigenerfden), fol. 105 vso-106 vso en 184-184 vso, s.s. 20 maart 1753 art. 36 en 18 maart 1755 art 52.


Prinsenvreugde vergt vuurwerkslachtoffer

Dat niet iedereen altijd even gelukkig was met stadhouderlijke festiviteiten, heb ik hier wel eens verteld: in 1773 daverden de kanonnen op de Groninger stadswallen zodanig, dat de woning van een bejaard echtpaar buiten de Apoort forse schade opliep.

Van zo’n geval hoor je zelden in de vreugdegalmen en andere pamfletten, die zulke festiviteiten immer in juichtonen beschrijven. Zo raakte ik ook alleen via een Drentse omweg op de hoogte van een soortgelijk geval dat zich op 15 september 1729 in de stad Groningen voordeed.

Die dag was er een om nooit te vergeten voor Jacob Brandts (ook wel Brants of Brans), de koetsier van de heer De Hertoghe van Feringa. De Hertoghe was een aanzienlijk en machtig potentaat in Groningerland, en diens karos was dan ook de derde in een optocht van karossen, die zijn opwachting kwam maken bij het inhalen van prins Willem IV. De prins zou op die dag meerderjarig worden verklaard en werd daarmee tevens ingehuldigd als stadhouder van Groningen en Drenthe. De Hertoghes koets stond als derde van voren in de rij! En als koetsier deelde Jacob Brants in die eer van zijn baas. Hij zat dicht op het vuur!

Te dicht, zoals bleek. Want die avond, toen Jacob met duizenden andere mensen toekeek hoe een groots magnifiek vuurwerk “ter eeren van zijn Doorlugtige Hoogheijt” werd aangestoken, gebeurde er iets verschrikkelijks. Door onvoorzichtigheid van wat helpers bij het vuurwerk raakte er een kist met vuurpijlen en soortgelijk spul in brand. En Jacob trof het ongeluk

van door een pijl in zijn linker been zodanig gewondt te worden, dat zijn beide scheenbotten van de knie af tot middelweegs het been aan gruis waren geslagen en vermorzelt, zodat als doodt ter aarden was gevallen…

Wel een jaar lang had hij “onder doctoren en meesters handen” op bed gelegen. Maar de artsen en chirurgijns hadden weinig voor hem kunnen doen. Op dat been van hem zou hij nooit meer kunnen gaan of staan, en zijn broodheer had hem daarom zijn congé gegeven. En dat terwijl Jacob, afgezien van zijn koetsiersloontje, totaal geen andere middelen van bestaan had.

De gewezen koetsier kreeg op zijn verzoek wel wat geld los bij de Staten van Stad & Lande, maar dat was te veel om van te sterven en te weinig om van te leven. Er was echter nog een lichtpuntje voor Jacov: de inhuldiging van de prins als stadhouder gold immers ook voor de Landschap Drenthe en daardoor kwam Jacob op het idee om ook bij Ridderschap en Eigenerfden te verzoeken om een jaarlijkse of wekelijkse toelage.

Wonder boven wonder gaven de Drentse heren hem ook wat: 100 gulden maar liefst. Maar, zo waarschuwden ze, dat was “eens voor al”. Jacob moest, met andere woorden, niet nog eens in Assen om geld komen vragen.

Dat deed Jacob Brants toch. In 1732 deed hij zijn verhaal nog eens op de Drentse Landdag, met het verzoek om “een klein jaarlijks penzioentjen”. Hij ving bot, Ridderschap en Eigenerfden ‘difficulteerden’ in zijn verzoek.

Intussen hebben de Drentse resoluties me wel op het spoor gezet van Groningse besluiten. Had er vandaag even geen tijd voor, maar zal binnenkort eens kijken hoe dit geval in de resoluties van de Groninger Staten terechtkwam.

Bronnen: Drents Archief, Tg. 1 (OSA) inv.nr. 6.10: resoluties Ridderschap en Eigenerfden d.d. 20 maart 1731 – art.16. en 18 maart 1732 – art. 12.


Heideplukkers

Ze waren gebelgd, de markegenoten van Pesse. In hun gemeenschappelijke buitengebied hadden ze “gehele troupen heijdeplukkers uit ’t Hogeveen” aangetroffen. En pogingen om die lui daar weg te krijgen, werden beantwoord “met gewelt”. Maar gelukkig voor de Pessenaren waren de lijntjes kort in deze regio. De hoogste uitvoerende macht van Drenthe, “den Heere Drost van Echten tot Echten”, resideerde immers op het Huis te Echten. Op de klacht van de Pessenaren, dat ze “in het vrije gebruick van haar eigen heijdevelt werden geturbeert”, gaf deze baas enkele bevelschriften af die er vast niet om logen. Toch hielpen ze niet: de Hoogeveense heideplukkers  bleven gewoon hun gang gaan in het Pesser veld. En dus verzochten de Pessenaren in maart 1710 de Landdag, de hoogste wetgevende macht van Drenthe om, ter handhaving van hun recht, afdoende maatregelen te treffen tegen de heideplukkers. Ridderschap en Eigenerfden spraken bij die gelegenheid ook uit,

dat die gene welke in andere velden, daar niet geregtigt zijn, heijde komen te plukken, gelijk ook de sodanige welke willens en wetens sulke heijde ankopen, na merites sullen worden gecorrigeert”.

Of er inderdaad Hoogeveense heideplukkers en hun ‘helers’ tegen de lamp liepen, moet ik nog eens nakijken in de protocollen van de Etstoel, de hoogste rechterlijke macht van Drenthe. Feit is, dat de klacht in politieke zin verstomde – de eerste tien jaar erna werd er in de Landdag niets meer over vernomen.

Wie op de beroepsaanduiding ‘heideplukker’ gaat zoeken, vindt niet echt veel, maar voornamelijk Drentse verwijzingen. Bijvoorbeeld dit bericht uit Ooststellingwerf, februari 1871:

Op de heidevelden in deze gemeente zijn dagelijks een groot getal manspersonen bezig, om heide te plukken. Het is inderdaad een lust om te zien, hoe vlug velen een bos heide weten te plakken en samen te binden. Deze bossen verkoopen zij aan personen, die in heide handel drijven. Vooral te Smilde wordt veel heide opgekocht, die in het voorjaar naar de steden wordt verzonden, om daarvan bezems, handschrobbers enz. te vervaardigen. Een heideplukker kan, als er geen sneeuw ligt, daags met dat werk p.m. 40 à 50 cts. verdienen.

Uit de verbazing over de handvaardigheid laat zich aflezen, dat het ‘ambacht’ heideplukker even over de Friese grens vanouds wat minder bekend was. De handelaren die de geplukte heide inkochten woonden ook niet in Ooststellingwerf, maar in Smilde. Met de vervening zal de heide daar verdwenen zijn, zodat men zijn toevlucht over de grens ging zoeken.

Het loon  voor een dag heideplukken – 8 à10 stuivers – lijkt voor die tijd niet zo heel hoog, maar het ging kennelijk om winterwerk, terwijl ’s winters gewoonlijk weinig werk voorhanden was – de lonen lagen dan ook lager. Voor mensen in de marge van de samenleving ging het sowieso om aantrekkelijke verdiensten.

Bronnen:

  • Drents Archief, Toegang 1 (Oude Staten Archieven) inv.nr. 6.9, handelingen Landdag maart 1710 art. 40.
  • Leeuwarder Courant 24 februari 1871.

Sint Jacob als tijdsaanduiding (2)

Archief marke Havelte, inv.nr. 1.

Medio achttiende eeuw was Sint Jacob (25 juli) nog heel gewoon als tijdsaanduiding in Groningerland, ondanks de calvinistische weerzin tegen heiligen. Zelfs ambtenaren en bestuurders gebruikten deze tijdsaanduiding. Zo gold Sint Jacob als uiterste betalingstermijn in het Gorecht (Hoogezand en Haren).

In de stad Groningen was er tot 1669 nog een Sint Jacobsmarkt op of rond 25 juli, die wel veertien werkdagen kon duren. Omdat de boeren het dan druk hadden met oogsten en ploegen, achtte het stadsbestuur dit een “onbequame tijt” voor een jaarmarkt. De heren vervroegden deze markt daarom op de kalender en wel naar eind april, om haar op dat tijdstip te combineren met de Paasmarkt, die daarmee door de bank genomen wat later op de kalender kwam te staan, en zonder die naam. Na 1700 werd de gecombineerde nieuwe jaarmarkt begin mei gehouden, waarmee de meikermis ontstond.

De afschaffing van de Sint Jacobsmarkt heb ik destijds geplaatst tegen de achtergrond van Groningens ontwikkeling van veeteelt naar akkerbouwprovincie. Nu zie ik dat anders. Een wat later opgepikte opmerking van Harm Tiesing wijst eigenlijk al de weg – de Oost-Drentse boer en publicist noemde Sint Jacob “de dag dat het koren gewoonlijk rijp is”.

Onder koren verstond Tiesing rogge. Onlangs vond ik in de momberprotocollen van Havelte en Vledder en in het rekeningenboek van de marke Havelte nog wat latere meldingen van Sint Jacob als tijdsaanduiding, die stroken met de Groninger meldingen en Tiesings kwalificatie. Ik geef deze Zuidwest-Drentse meldingen hier kort weer en kom dan terug op de afschaffing van de Groninger Sint Jacobsmarkt.

1
Op 2 februari 1765 sluiten de erfgenamen van Albert Harms in Uffelte een akkoord over diens nalatenschap en die van wijlen zijn schoonmoeder. Albert is twee keer getrouwd geweest en liet kinderen ‘uit beide bedden’ na. Enerzijds is dat zoon Harmen Alberts uit zijn eerste huwelijk. Deze krijgt voor de komende zes jaar “de beesten, schapen en voerasi, neffens het boer- en huismansgereedschap” voor hem alleen, en betaalt zijn halfzuster, uit het tweede huwelijk van zijn vader, daarvoor in ruil 125 gulden ineens, omdat zij eigenlijk recht heeft op de helft van alles. Het al uitgezaaide koren (winterrogge) en het nog uit te zaaien koren (zomerrogge etc.) blijven echter mandelig tot telkenjare op “Sunt Jacob” en dat geldt ook voor de roggepachten van het “uitgedane”, dus verpachte land. Harmen kreeg dus voor zes jaar de beschikking over de hele keuterij van zijn vader en grootmoeder en moest voor het aandeel van zijn halfzuster daarin ook nog jaarlijks 7 gulden als huur aan haar voogden betalen, plus “de darde garve” van het eigen gebruikte zaailand en de helft van de pachtgarven (een zesde deel van de totale opbrengst van het verpachte land). Uit het hele stuk valt op te maken, dat de rekening en de verdeling van de oogst steeds plaatsvond op Sint Jacob. Dan was immers pas duidelijk, hoe groot het aantal roggegarven was, dat moest worden verdeeld. Uit een rekening van vier maanden later blijkt dan nog, dat de oogst van “Sunt Jacob 1764” is “ingetrokken” door een Harm Jans, die voor deze dienstverlening 3 gulden betaald krijgt.

2
Uit een andere momberrekening, op 5 januari 1788 opgemaakt in Havelte, maar waarschijnlijk een familie te Nijensleek betreffend, staan de opbrengsten van rogge, boekweit, haver, aardappelen, turf en kippen vermeld. Een week eerder ontving de boekhoudend voogd de “Sintjacobs opslags penningen van de rogge en haver”. De daarmee aangeduide veiling van eind juli bracht het lieve sommetje van ruim 318 gulden op.

3
Ene Berend Jacobs van Zuidveen, een notoire wanbetaler, pacht begin jaren 1780 een flink stuk heideveld van de marke of “boer” van Havelte. Eigenlijk moet hij de marke daarvoor veel meer huur betalen, maar dat kan Bruin niet trekken. Op 10 juni 1782 geeft Berend wel alvast een voorschot van 15 gulden aan schatbeurder Hendrik Eleveld van Havelte. Hij doet er een briefje met een belofte bij :

Sullende bij wel zijn tegens Sundt Japik nog wat geven, soo veel als ik uijtbreken kan, en versoeke vrindlijk dat de boer mij gunstig belieft te behandelen, gelijk ik aan mijn kant altoos gedaan hebbe aan de minder luij.

Kortom
Sint Jacob bleek ook in Zuidwest-Drenthe het moment dat het koren – hier ging het voor driekwart om rogge – oogstrijp was en ingehaald en verkocht kon worden. Er kwam dan veel geld bij de boeren binnen. Het was een periode om schulden te delgen, de teugels even te laten vieren, en aankopen te doen. Het Groninger stadsbestuur leek in 1668 wel gek met haar besluit om de Sint-Jacobsmarkt af te schaffen!

Alleen: afgezien van de typische zandstreken (zoals het Gorecht, delen van het Westerkwartier en Westerwolde, verbouwde men niet zoveel rogge (meer) in Groningerland. De stadjers aten vanouds gewoonlijk roggebrood, maar betrokken hun rogge voor het overgrote deel uit Drenthe. In de Groninger akkerbouwgebieden waren waarschijnlijk andere granen gaan domineren, zoals weite (tarwe), gerst en haver. Daarvan kwam de oogst wat later dan die van rogge, waardoor de klad kwam in de Groninger Sint Jacobsmarkt. Met meer akkerbouw en minder veeteelt, zoals ik eerst dacht, heeft die afschaffing niet te maken. Dat was een ontwikkeling die pas diep in de achttiende eeuw op gang kwam. Nee, de afschaffing van de Jacobsmarkt had veeleer te maken met een specialisering van akkerbouwgebieden en daarmee het uit zicht raken van de roggeteelt op de Groninger klei.

Bronnen
Drents Archief, Assen – Toegang 102 (archieven Schultengerechten) inv.nrs. 180.3, 180.4 en 180.6: momberprotocollen Havelte en Vledder op de aangegeven data. Verder uit hetzelfde archief  Tg. 519 (marke Havelte) inv.nr, 1, het ingespelde briefje bij de ontvangsten van juni 1782 en de opmerking bij de uitgaven op 5 maart 1787.


De jacht op otters, vooral in Noord-Drenthe

In het voorjaar van 1769 ving Menne Geerts van de Matsloot een volwassen otter en vertoonde het beest “in zijn g[e]heel” aan de schulte van Roden, die Menne daarvoor beloonde met een rijksdaalder premie:

Menne was niet de enige ottervanger in de omgeving. Driekwart jaar later liet Tjerk Wybes van Roderwolde eveneens een otter aan de schulte zien. Ook hij ontving de premie. En de volgende dag al, kwam Jannes Krijthe uit Roden bij de schulte langs met twee volwassen otters. Hij ontving daarom het dubbele bedrag:

Deze Jannes had misschien de kunst van het otters vangen afgekeken  van zijn familielid Lucas Krijthe, die in 1760 maar liefst vijf otters inleverde, en dat nog eens herhaalde in 1762.

De premies waren uitgeloofd door de Landschap Drenthe (de latere provincie) en ze bestonden vanaf 1704. Voordien kwam de otter nog niet voor in de Drentse jachtreglementen, en ontbrak er kennelijk een reden om de otterjacht te stimuleren, waaruit je zou kunnen afleiden dat otters in Drenthe nog niet als heel schadelijk of zelfs als een plaag werden ervaren.

Of dat in 1704 wel zo was, is een beetje twijfelachtig. Er lijkt kopieerzucht in het spel te zijn geweest. De premieregeling van dat jaar kwam er namelijk op voorbeeld van naburige provincies, “tot beter conservatie” van de visserij. Een Drent die een gevangen oude otter liet zien aan de schulte of de panderschulte in zijn woonplaats, kreeg voortaan een rijksdaalder, een jonge otter bracht hem de helft op. De vangers mochten de pelzen houden, maar moesten de dieren tonen “eer dat de vellen daarvan zijn afgetrokken”. De schulte diende na betaling van de premie de oren van de otter af te snijden om te voorkomen dat hetzelfde dier meermalen getoond werd en premie opbracht. Ook moest de vanger een verklaring tekenen dat hij de otter aan de schulte had laten zien en daarvoor geld had gebeurd. Een ottervanger die dichtbij de ‘frontieren” woonde, moest bovendien onder ede verklaren dat hij de otter niet buiten de Landschapsgrens gevangen had. Ook dit kwam in de verklaring te staan.

Nadat in de jaren 1713, 1714 de klad in de premieregeling raakte – er werd geen otter meer ingeleverd en de regeling werd zelfs ingetrokken –  blies de Landschap haar in 1716 nieuw leven in.  Opnieuw ging het Ridderschap en Eigenerfden zogezegd om schade aan de visstand, “door dat ongedierte gemeenlijk veroorsaakt wordende”. De premies per otter bleven gelijk. Wel kwam er naast de beperking tot inheemse otters nog een nieuwe randvoorwaarde voor de uitbetaling, namelijk dat de dieren niet “op de sneeuw gejaagt” mochten zijn. Net als in Stad & Lande was sneeuwjacht voortaan helemaal verboden in Drenthe. Dit moet het bejagen van otters wel een stuk moeilijker hebben gemaakt, want juist door ijswakken en sporen in de sneeuw is hun aanwezigheid heel goed kenbaar. Ook werd in 1716 bepaald dat de schulten hun bewijsstukken (otteroren en verklaringen) op de provinciale rekendagen moesten inleveren bij de Ontvanger-Generaal van de Landschap, die ze dan het uitgekeerde geld restitueerde.

Op basis van de  rekeningen die de Ontvanger-Generaal ons naliet, met alle bijlagen daarbij,  zoals bovenstaande kwitanties, heeft Henk Luning zo’n tien jaar geleden al eens uitgezocht in hoeverre deze premieregeling bijdroeg aan de teloorgang van de otter in Drenthe. Hierbij een samenvatting van zijn betoog op de punten waarom er op otters werd gejaagd, wie er op deze dieren joeg, hoe en waar dat gebeurde, en om hoeveel dieren het ging in Drenthe.

Waarom
Zoals gezien, motiveerde het landschapsbestuur de otterjacht met een verwijzing naar de visstand. Ongetwijfeld zal een otter wel eens in de ‘viskenij’ van een huis van stand hebben huisgehouden. Toch eet een otter niet meer dan een kwartkilo vis per dag. Zijn menu is gevarieerder dan dat – hij wil ook wel eens een muis verschalken, of een vogel. Ook eendenkooihouders, waarvan er in Noord-Drenthe redelijk wat waren, hadden een hekel aan otters, omdat die wel eens in een eendenkooi opdoken waardoor de begeerde vogels in paniek raakten en opvlogen. Zoals wel vaker, vormde het lelijke imago van de otter een rechtvaardiging voor de jacht op het dier. Maar er zat ook nog iets aantrekkelijks aan de jacht. Zoals gezegd, hielden de ottervangers de pelzen. Die waren erg in trek: otterbont stoot water af en is heerlijk warm in de winter. Maar ook werd het vlees gegeten, het zal vast naar vis hebben gesmaakt; de otterjacht viel ook eerder onder het hoofdje visserij dan onder dat van de jacht.

Wie
Vanouds was otterjacht in Drenthe veeleer een zaak van broodjagers – vooral als die gespecialiseerd waren in bunzingen – dan van hoge heren. Ongeveer de helft van alle ingeleverde otteroren kwam van ‘toevalsvangers’, mensen die incidenteel een otter vingen.  De andere helft werd ingeleverd door min of meer professionele premiejagers. Maar ook die kwamen zelden uit op een hoger aantal dan drie of vier otters per jaar.  Wat dat betreft was die Lucas Krijthe in 1760 en 1762 uitzonderlijk.

Hoe
Eerst zocht een otterjager naar sporen: ‘latrines’ met uitwerpselen, en poot- en staartafdrukken in de modder. Daar werd dan een speciaal getrainde hond, zoals een Friese wetterhoun (ook wel Friese krulhaar of otterhond genoemd) op ingezet. De bedoeling was om de otter met spiezen en/of drietanden in netten op de wal of bij een wak te drijven. Ook werd er gewerkt  met strikken en klemmen op ottersingels (paadjes).

Waar
Otters, aldus Luning, kwamen in vrijwel elk Drents water voor.  De eerste jaren na de invoering van het premiestelsel werden de hoogste aantallen echter in Peize en omgeving gevangen. Daarnaast onderscheidde de eveneens waterrijke omgeving van Meppel zich. Peize, of wat breder genomen het merengebied van Noord Drenthe (Zuidlaarder-, Paterswoldse- en Leekstermeer) sloot ook aan bij Friesland, waar de aantallen otters sowieso wat hoger lagen dan in Drenthe, terwijl Meppel natuurlijk vlakbij de meren van Noordwest-Overijssel ligt.

Aantallen en conclusie
Dankzij de uitbetaalde premies, weten we in elk geval hoeveel otters er in Drenthe werden gevangen in de periode 1704-1790.  Welnu, de eerste jaren na de invoering van het premiestelsel waren ook de succesvolste voor de ottervangers. De piek van toen – 38 oude en 18 jonge otters in een jaar – is nadien niet meer geëvenaard. Daarna lijkt er door alle pieken en dalen heen trendmatig een lichte achteruitgang over de gehele periode. Het gemiddelde aantal gevangen otters, zo’n 10 à 20 per jaar was echter vrij laag. Deze aantallen voerden Luning tot de conclusie, dat er niet heel veel otters in Drenthe leefden. In de achttiende eeuw bestond er een kleine populatie die zich met ups en downs redelijk wist te handhaven. Het afvangen van dieren bracht destijds de soort niet in gevaar. De jacht erop had geen funeste invloed, zoals andere auteurs het willen doen voorkomen.

Epiloog
Rond 1800 is de officiële Drentse premie op otters afgeschaft. Otters bleven nog wel bejaagd, maar dan louter om hun vel. Jagers moesten een vergunning hebben van de gewestelijke overheid èn grondeigenaars. Zo kregen twee arbeiders uit Paterswolde in 1854 vergunning om in enkele Noord-Drentse gemeenten met hun honden op otters te jagen. Ze waren hierin vooral ’s winters actief. Collega’s van hen kwamen van de Schelfhorst (1) en van Peize (3). Zo kende de Kop van Drenthe toch vrij veel concurrentie op dit gebied.

Vanaf medio negentiende eeuw kwamen er berichten over de achteruitgang van de otterstand, vooral over de riviertjes, maar wat minder over de meren in de lagere randgebieden. Drenthe kreeg een ander aanzien, ook qua water. Het veen verdween met zijn meerstallen, vennen en poelen. De beekjes werden gekanaliseerd. Bovendien raakte hun water ook nog vaak sterk vervuild. Een aangetroffen otter werd nieuws voor de krant.

Begin twintigste eeuw kon je in Drenthe nog otters vinden in de omgeving van Meppel, en aan de noordrand bij het Zuidlaardermeer, het Paterswoldsemeer, en het Leekstermeer, met de watertjes die erop uitkwamen, zoals de Matsloot. Daar ook bestond nog verbinding met de grotere Friese populatie.

Ondanks de gesignaleerde achteruitgang keerde de Groningse Heidemij destijds nog jachtpremies uit: een daalder per gedode otter. Ook in deze tijd kwamen de bekendste Noord-Drentse ottervangers uit Peize – twee Bathoorns – en Eelde. De laatste – een Adolf Arends – ving in 1919 zijn honderdste otter. In Roderwolde had je dan nog een Lubbers en Diertens, die foxterriërs bij de jacht gebruikten, terwijl leden van de familie Riemers in Sandebuur ook wel eens een otter schoten.

In totaal zijn er tussen 1906 en 1938 in het Noord-Drentse grensgebied nog 105 otters gedood, gemiddeld dus 3 per jaar. In 1938, het laatste jaar dat de Heidemij nog premies uitbetaalde, ging het om 7 otters.

De strenge winters erna deden de populatie al bijna de das om. In 1942 kwam er een verbod op de otterjacht, en vanaf 1947 is het dier zelfs wettelijke beschermd. Toch bleek de Drentse populatie te klein om te overleven. In 1986 werden de laatste inheemse otters gespot bij het Zuidlaardermeer en de Piccardthofplas bij het Groninger Stadspark. Verdwijnende biotopen, belabberde waterkwaliteit en toenemend verkeer droegen allemaal bij aan de teloorgang.

Sinds 1985 is er met vallen en opstaan gewerkt aan de herintroductie, eerst met Midden-Europese exemplaren. Een gezonde otterpopulatie ging gelden als signaal voor herstel van het watermilieu. Tegelijkertijd onderging de otter een complete imago make-over: van visrovend ongedierte tot knuffelbeest met menselijke trekjes. Inmiddels zwemmen er weer ettelijke otters in Noord-Drenthe rond, vooral in de oude kerngebieden zoals de Onlanden tussen Peize, Roderwolde, Sandebuur en Matsloot, waar ze ook elk jaar jongen krijgen. Uiteindelijk is het weer goed gekomen, maar met allemachtig veel moeite.

Bronnen
Archivalia:
Drents Archief, Toegang 1, Oude Staten Archieven (OSA):

  • inv.nr. 1775, rekeningen en bijlagen van de aangegeven jaren;
  • inv.nr. 6 deel 8: resoluties R&E 11 maart 1704 art. 37;
  • inv.nr. 6 deel 9, folio 122 en 99: resoluties R&E 20 maart 1714 en 17 maart 1716;
  • inv.nr. 14 deel 19: resolutie D&G 14 maart 1704.

Literatuur:

H.M. Luning, ‘De Otter. Ambassadeur van het zoetwatermilieu’, Nieuwe Drentse Volksalmanak 2010, pag. 49-72.


Marke Havelte was ondernemende club

Leuk postje in het oudste rekeningenboek van de marke Havelte.

Den 3 maart 1777 – 5 kerkenspraken betaalt: een op Wanperveen, en een op Colderveen, een op Gieteren, een tot Steenwijk, een tot Meppelt. Drie laasten sijn geroepen. Dus 6 stu[iver] daarvan. Dus samen ƒ 1-6-0.

Is van het verkopen van het Meeuwenveen ten Noorden de Pastorij van Havelte.

Vijf kerkenspraken, dat waren er best veel. Met die kerkenspraken werden bedoeld de wereldse aankondigingen in de kerk op zondag, zeg maar de gesponsorde mededelingen, oftewel het toetje van de dienst, voor menigeen dé reden tot kerkgang. Zo hoorde je nog eens wat nieuws.

En dan werd de zaak waar het om ging ook nog eens omgeroepen door de stadsomroeper van Meppel. Dat omroepen kostte 6 stuiver, de kerkenspraken een gulden met elkaar, oftewel 4 stuiver per kerkenspraak. Het zijn bedragen, die je precies zo in momberrekeningen kunt vinden. De ambulante stadsomroeper kreeg meer dan de dominee, maar hij had er ook meer werk van (en wellicht wat meer bereik bij een hogere attentiewaarde).

De zaak waar het om ging was het Havelter deel van het Meeuwenveen. De marke Havelte wilde dat stuk laten vervenen. Daarom zocht men kopers uit plaatsen als Giethoorn, Wanneperveen en Kolderveen. Al langer waren mensen, afkomstig uit die wellicht al wat uitgeveende dorpen op het Lok en het Legeveld actief, twee andere kleine veenkolonies, gesticht vanuit de marke Havelte.

Het Meeuwenveen op een kaart van de marke Uffelte uit 1768. Collectie Utrechts Archief.

Het Meeuwenveen – de aardappelachtige vorm in het midden van het kaartje, – lag ten noorden van de pastorie, zoals het uitgavenpostje in de markerekening al zegt, en ten oosten van de Havelter kerk (linksonder). De gele lijn over de kaart die de aardappel doormidden snijdt, is de scheiding van de marken Havelte en Uffelte, nu de Marktgenotenweg. Uffelte had een iets groter stuk van de aardappel dan Havelte. Ten oosten van het Meeuwenveen lag een grote kei die de markegrens markeerde.  De van zuid naar noord lopende stippellellijn, die haaks op de gele lijn over het Meeuwenveen  heen loopt, is het tracé van de Drentse Hoofdvaart die men nog gaat aanleggen. Uit die lijn blijkt dat er ook nog een stuk Meeuwenveen ten oosten van de Hoofdvaart lag. Hier moest bij de aanleg van de vaart ook wat extra moeite worden gedaan.

Marken hebben misschien een wat oubollig imago, maar het rekeningenboek van de marke Havelte laat zien, dat het boerencollectief een vrij ondernemende club was. De woeste grond in zijn gemeenschappelijke beheer lag daar zeker niet renteloos. De verpachte peerdenweiden, en de verkochte en verpachte venen brachten de gewaardeelden destijds bijna ieder jaar een mooie winst par aandeel op. Kom daar nu nog eens om.


Een vondeling op de Galgenkamp

De Galgenkamp bij Meppel, met rechts de Drentse Hoofdvaart en de Venebrug (nu Galgenkampsbrug), links de Zomerdijk of weg naar Zwartsluis, en boven de weg richting Steenwijk en Assen. Bron: http://www.hisgis.nl

Op maandag 30 juni 1788 om ongeveer 5 uur ’s morgens probeerde de dienstmeid van herberg de Galgenkamp bij Meppel de deur te openen van het schuurtje, dat schuin achter de herberg stond. Het kostte haar meer moeite dan anders: de deur “was wel terdeege toegemaakt”. Eenmaal binnen merkte ze nog iets ongewoons. Op een plank, zo leek het, lag een pak dat ze niet herkende. Het bevatte een baby! Tegen de plank was een andere plank neergezet, zodat het kind er niet af zou rollen. Daarom, zo besefte de dienstmeid, zat die deur ook zo vast: honden of andere dieren konden er op die manier niet bij. De dienstmeid waarschuwde haar baas, herbergier Hendrik Roelofs Benninks, die op zijn beurt meteen de schulte (of schout) liet komen.

Naderhand bleek dat het kind in ettelijke, vrij gewone doeken was gewikkeld, met een kleedje eromheen. Het had wel vijf mutsjes op het hoofdje, zodat

het niet alleen gedekt was tegen de koude; maar zelfs ook weegens het zweeten een weinig moest verschoont worden.

Omdat de Galgenkamp, hoewel dichtbij Meppel, nog onder Kolderveen viel, gaf de schulte de kerkeraad aldaar opdracht om het kind, een jongetje, op te halen, en onder te brengen bij een vrouw,

om ’t zij door de borst of door de leepel daardoor te laaten opbrengen, waarop het terstond provisioneel voor een gulden per week besteed is bij eenen Egbertje Hendriks (Pool), huisvrouw van Jan Alberts (Keyzer), destijds woonachtig voord aan de oostzijde van de pastorije van Colderveen…

Deze opvangouders, buren van de Kolderveense predikant, waren arbeiders, ruim in de dertig, dik twee jaar getrouwd (zij als weduwe) en kinderloos toen ze de vondeling in huis kregen. Of Egbertje het kind de borst kon geven, is dus de vraag. Waarschijnlijk kreeg het kind zijn melk met een lepel ingegoten.

Gesina ter Borch, Wandelaar bij een galg, 1654. Collectie Rijksmuseum.

Om op de Galgenkamp terug te komen – curieus was het zeker, dat uitgerekend daar een kind te vondeling was gelegd. Volgens een overlevering die een halve eeuw eerder in Meppel rondging, was op de Galgenkamp ooit een bisschop opgehangen. Als het perceel, gelegen in de noordelijke hoek tussen de Zomerdijk en de Steenwijker(straat)weg überhaupt ooit een gerichtsplaats was, moet dat grofweg voor 1600 zijn geweest, toen de eigenerfde “buren” van een lokale jurisdictie in Drenthe nog doodvonnissen konden uitspreken, die ze bovendien in hun eigen omgeving konden laten voltrekken. De Galgenkamp, gelegen bij het ‘driekerspelenpunt’, zou dan de gerichtsplaats kunnen zijn geweest van het gecombineerde schultambt Meppel, Nijeveen en Kolderveen. Maar dat was allang verleden tijd, toen er begin achttiende eeuw, ondanks het lugubere odium, op het perceel een herberg verrees die zelf ook “de Galgenkampe” werd genoemd. Hoe graag zou ik het uithangbord hebben gezien! Het bedrijf telde vier kamers en had stallen voor 20 koeien en 30 paarden, naast grote tuinen en twee stukken weiland. Het logement zou nog tot diep in de negentiende eeuw blijven bestaan. Medio jaren 1780 vormde het dé verzamelplaats voor orangistische Meppeler schippersknechten, sjouwers en scheepstimmerlui, die zich er volop moed indronken voordat ze, als een ”hoop gekken”, de lokale patriotten te lijf gingen.

Uiteraard stelde Kniphorst, de schulte van Meppel, Kolder- en Nijeveen, de Etstoel in Assen op de hoogte van de vondeling op de Galgenkamp “onder Colderveen”. Op zaterdagochtend 19 juli rapporteerde de landschrijver (aanklager) aan deze centrale Drentse rechtbank dat hij bij zijn onderzoek nog niet had kunnen ontdekken, “an wien dit kind toebehoort, ofte door wien hetzelve aldaar is gelegt”. De Etstoel loofde daarop een premie van maar liefst 100 ducatons uit om dat aan de weet te komen. Hieraan werd ruchtbaarheid gegeven door het laten ophangen van aanplakbiljetten in Meppel, en het drie maal plaatsen van bekendmakingen in de Haarlemse en Amsterdamse couranten:

Alzo in den nacht, tusschen sondag den 29 en maandag den 30 juny deezes jaars op de Galgenkamp by Meppelt ter vondeling is gelegt een klein KINDJE, zynde een jongetje, en het vermoeden is dat een vrouwspersoon die sondag over Staphorst gekomen en ’s avonds in Meppelt gezien [is], draagende een Vriesche of Groninger Zonnehoed met een breede rand, zulks gedaan heeft; echter den daader, ’t zy dit vrouwspersoon of iemand anders, alsnog niet is ontdekt – zoo beloofd de schulte van Meppelt ingevolge authorisatie van den Loffelyke Etstoel der Landschap Drenthe, één honderd zilvere ducatons aan diegeene, welke den daader van dit fait zal weeten te ontdekken, zodanig, dat dezelve in handen van de Justitie [zal] geraaken.
Meppelt, den 22 july I788.
C. KNIPHORST, Schultz.

Beide Hollandse kranten hadden een landelijk lezerspubliek, maar gezien het signalement met die typische zonnehoed zou publicatie van deze opsporing-verzocht-oproep in de Leeuwarder en Groninger couranten toch geen overbodige luxe zijn geweest. De route die de vrouw volgde, doet namelijk vermoeden dat ze vanuit Holland, Utrecht of Overijssel, waar ze mogelijk een dienst had, op weg was naar huis – langs de Drentse Hoofdvaart zal dat eerder Groningen dan Friesland zijn geweest, al kan ze natuurlijk ook de weg naar Steenwijk hebben genomen.

Van de 100 ducatons (315 gulden) premie kon iemand uit de volksklasse ruim een jaar lang leven. Desalniettemin bleef de gouden tip uit. De vrouw bleef onvindbaar.

tiende eeuw. Collectie Hannemahuis

Friese en Groninger zonnehoedenmode, eind achttiende eeuw (uitsnede). Collectie Hannemahuis, Harlingen.

Intussen stelde de kerkeraad van Kolderveen de doop van het jongetje almaar uit. Het ene kerkeraadslid opperde een “gemoedlijke zwarigheidt”, het andere was “beschroomt” om het in de ogen van de Drentse magistraat fout te doen. Op 6 juli, de eerste in aanmerking komende zondag, besloot de kerkeraad het kind op de 13e in de (meestal matig bezochte) middagdienst te laten dopen, waarbij de kerkeraadsleden dan gezamenlijk als doopgetuigen of peetvaders zouden optreden en de predikant als hun woordvoerder – “voor God en all’ het volk, dat daarbij mocht tegenwoordig zijn” – zou antwoorden op de vragen van het doopformulier. Dit ging echter niet door omdat men eerst wilde weten wie de opvoeding van het jochie zou gaan betalen. Men wilde niet zelf voor de kosten opdraaien, en graag een toelage hiervoor uit de landschapskas. De advocaat H. Vos, al in Assen aanwezig, moest daartoe zo spoedig mogelijk een verzoekschrift indienen bij het landschapsbestuur, maar hij schreef op 18 juli terug dat de heren vonden dat het kind “hoe eer hoe beter” gedoopt moest worden. Anders kon het Kolderveense rekest pas na de zomervakantie, op 19 augustus, ter tafel komen. Een enkele diaken moest de doopvragen maar beantwoorden (zodat de opposanten zich eraan konden onttrekken). Overigens zou de doop niet hoeven betekenen, zo zeiden de heren, dat de Kolderveenster diaconie opdraaide voor de kosten van het kind – de beslissing daarover kwam later wel.

Op zondagochtend 20 juli arriveerde in alle vroegte de brief van Vos in Kolderveen. De kerkeraad las er een toezegging in en besloot de vondeling nog diezelfde middag te laten dopen. Doopheffer was de diaken Jan Grit, die ook de doopvragen beantwoordde. Het jongetje kreeg als naam Pieter Camp. De kerkeraad noemde het jongetje dus naar de Galgenkamp, maar liet de galg wijselijk achterwege.

Zoals te verwachten viel, lieten de bestuurders in Assen niets meer van zich horen, toen de doop eenmaal een voldongen feit was. Ze gaven geen onderstand voor de vondeling uit de Landschapskas. Daarom maakten de diakenen van Kolderveen eind maart 1789 hun opwachting in de Landdag. Ze herinnerden er Ridderschap en Eigenerfden aan, hoe ze ruim een half jaar eerder “provisioneel” (voorlopig) hadden moeten zorgen voor het kind, dat “in de markte van Colderveen bij de Galgenkamp bij Meppel aan de publique heereweg gevonden was”. Het viel niet te “praesumeren” (vermoeden) dat dit kind daar door iemand uit hun kerspel was neergelegd. De vondeling kon derhalve niet als hun “alumnus” (voedsterling, pleegkind) worden beschouwd. Weliswaar had de kerkeraad zich destijds zo snel mogelijk bij het landschapsbestuur vervoegd, “om van dien opvoeding bevrijd te blijven”, maar dat bestuur had ze naar de Landdag verwezen. Helaas voor de verzoekers, kregen ze daar nu een soortgelijke behandeling: Ridderschap en Eigenerfden kaatsten de bal terug naar Drost en Gedeputeerden, die naar hun eigen inzicht mochten beslissen. Op zoek naar zo’n besluit, heb ik de resoluties van het landschapsbestuur nog tot 1792 doorzocht , maar niets gevonden. Het heeft er dus veel van weg dat het landschapsbestuur de Kolderveners gewoon met het kind lieten zitten. Die hadden het laten dopen en zodoende geen poot meer om op te staan.

Helaas zijn de diaconierekeningen van Kolderveen uit deze periode niet bewaard gebleven, zodat via die weg evenmin te achterhalen valt of de Landschap nog geld voor het kind gaf. Een ander nadeel hiervan is, dat je het jongetje niet op zijn levenspad kunt volgen. Want ook de retroacta burgerlijke stand van Kolderveen leveren verder geen spoor op. Het is dus überhaupt onduidelijk, of het kind daar wel is opgegroeid.

Toch lukte het een anonieme, maar vasthoudende genealoog in 1999, om Pieter Camp te traceren in een heel andere hoek van Drenthe, en wel in Dalen. Pieter bleek niet bepaald voor galg en rad te zijn opgegroeid, want was daar goed terechtgekomen als deurwaarder van het vrede- of kantongerecht. In 1825 trouwde hij, de zoon van N.N. en N.N., er de dochter van wijlen de herbergier Kars van Tarel, en met haar kreeg hij weldra een zoon, die later als volwassen boer voor wat meer nageslacht zou zorgen. De familienaam Camp bleef zodoende bewaard. Hoewel? Niet helermaal, want een dag voor kerstmis 1853 overleed de voormalige vondeling in zijn woonplaats Dalen als Peter Kamp.

Bronnen:
Doopboek Kolderveen, 20 juli 1788. De tekst is o.a. gekopieerd in:
J. Koster, ‘Het dopen van een vondeling te Kolderveen (uit het doopboek aldaar)’, Nieuwe Drentsche Volksalmanak 1924, 198-201; en eveneens in: N.N., ‘Op zoek naar de vondeling Pieter Camp’, Threant (contactblad van de NGV afdeling Drenthe) 1999, pag. 38-40.

Wat betreft de Galgenkamp:
J. Bos (red.) Handschrift Schoemaker: een achttiende-eeuwse kijk op de Drentse geschiedenis (Assen 2004) 111; J. Heringa e.a., Geschiedenis van Drenthe (Meppel 1985) 209; Amsterdamsche Courant, 19 december 1771: Te koop de “Herberge genaamd de Galgenkampe”; N.N., ‘Brief van een oud-schipper en burger uit Meppel…’ in: De Politieke Kruyer, deel VI (1785) No. 304, pag. 657 (titel) en 661-672 (geraadpleegd via Google Books). Uiteraard is de veld- en huisnaam ook in diverse varianten nagetrokken in Delpher kranten.

Verder:
Haerlemsche Courant, 7 en 9 augustus 1788; Drents Archief, Toegang 85 (archief Etstoel) inv.nr.14.65, akte zaterdagochtend 19 juli 1788; Toegang 1 (Oude Staten Archieven) inv.nr. 6.18: resolutie Landdag 24 maart 1789.

Wenceslaus Hollar, Landschap met galgen , 1643 (uitsnede). Collectie Rijksmuseum.


De kerk- en dorpsbrand van Diever (1759)

Dorpsgezicht Diever. Foto: Frans Vondeling, ca. 1960.

“Gepasseerde maandag”, zo bericht de Groninger Courant op 31 augustus 1759,

sloeg de blixem tegelyk in een huys en in de tooren te Dieveren, waardoor zulk een schrikkelyke brand veroorzaakt wierd, dat er binnen weynig tyd de kerke en ruym veertig huyzen, die meest met koorn en hooy gevuld waaren, daar in de assche gelegd en derzelver bewoonders in een deplorabele staat gebragt zyn.

Van de kerk, de toren en de belendende pastorie stonden alleen de muren nog overeind – de daken waren weg. Voor de dorpsbewoners kon de brand zo vlak na de oogst niet op een ongelukkiger moment komen. Hun schuren zaten vol met koren en hooi. Sommigen hadden nog vrij veel weten te redden, anderen wat minder,  en dan waren er ook die helemaal niets meer aan wintervoorraad hadden.

Zoals gebruikelijk bij zulke grote dorpsbranden, werd er een grote collecte op touw gezet, waarvoor het landschapsbestuur aanbevelingsbrieven verstrekte, die de collectanten op hun tochten mee konden nemen. Niet alleen in Drenthe werd er geld opgehaald, maar ook in Groningerland, en wellicht gebeurde dat eveneens in Friesland.

Anderhalf jaar later bleek er ruim 8000 gulden te zijn opgehaald. Na aftrek van de sommen die voor de dorpelingen nodig waren, schoot er te weinig over voor de kerk, de toren en de pastorie. Die van Diever konden het geld niet opbrengen en daarom verzochten ze op de Drentse Landdag om een extra bedrag. Ridderschap en Eigenerfden trokken inderdaad een potje open en schonken nog 3000 gulden voor de herbouw van de kerkelijke gebouwen van Diever.

Bronnen:
Groninger Courant, 31 augustus 1759; Drents Archief, Toegang 1 (OSA) inv.nr. 6.13: resoluties Landdag, die van 18 maart 1760.


Scharenslijper vraagt octrooi

Op den requeste van Claas Cool  van Meppel, vertonende dat de vreemde schareslijpers hem het meeste werk onttrokken, en hij als een Lantschap ingeseten preferentie behoorde te genieten boven die lantlopers, versogte daarom met een octroij van messen en scheren in de Beiler en Diever dingspillen alleen met uitsluiting van andere te slijpen, begunstigt te mogen worden.

Hebben Heeren Ridderschap en Eigenerfden in dit verzoek gedifficulteert.

Claas Cool (Meppel ca. 1730-1810) vroeg in 1784 dus om een alleenrecht op het slijpen van scharen en messen in het grootste deel van Zuidwest-Drenthe, wat de Drentse heren kortweg van de hand wezen. Zoals gebruikelijk leverden ze er geen motivering bij, zodat je geneigd bent te denken dat ze de vrije scharenslijpersmarkt wilden beschermen, maar wellicht kenden ze Claas zijn situatie ook wat beter. Want wie mocht denken dat Claas door de concurrenten van elders bijna aan de latten hing, heeft het mis. De Meppeler was best in goede doen, getuige de boedelinventaris die opgemaakt werd bij zijn hertrouwen in augustus 1792.

Hij bleek toen een kleine 5000 gulden te hebben geërfd van zijn eigen familie, al stond daar weer 6000 gulden aan schulden tegenover. In elk geval bewoonde hij een eigen huis met hof en bezat hij ook nog een schuur met een hof en zelfs nog een graf in de kerk van Meppel. Echte armoedzaaiers kregen een laatste rustplaats op het kerkhof buiten, en zeker niet binnen een kerk. Niet iedereen sliep ook in een ledikant met behangsel, of beschikte over een porseleinkast – onder andere met chocoladekoppen – en een boekenkast met delen in kwarto, octavo en duodecimo. In zijn huis bevond zich bovendien een winkel met kisten, terwijl hij verder een “kraam na de sluijs” had, waarin onder andere een “keekjes pan” te vinden was. Mogelijk hadden ook de kwartelkooi en de eierzak met zijn nering te maken. In zijn schuur treffen we de “slijperij met sijn toebehoor” aan en verder een overdekte en een boerenwagen, met het bijbehorende wagen- en sjeesgerei. Kortom, de Meppeler had het heel wat beter voor elkaar dan zijn ambulante vakgenoten. De ene scharenslijper was de andere niet en de heren vonden dat ze de rijkere niet hoefden beschermen ten koste van de consument.

Bronnen: Drents Archief, Toegang 1 (OSA) inv.nr, 6.16: resoluties Landdag (Staten) van Drenthe, die van 23 maart 1784 (folio 130); en Toegang 102 (Schultengerechten) inv.nr. 151.17: momberprotocol Meppel, folio 252-377.


Een korenmolen op de Matsloot?

Het huis van Albert Eitens de Weerd/Oosterhof op een schetsje van Theodorus Beckering, ca. 1770. Collectie Groninger Museum. NB, zie windroos: het zuiden boven en het noorden onder.

In 1788 diende Albert Eitens de Weerd uit het kerspel Roderwolde zich aan op de Drentse Landdag. Hij was bakker en vertelde de verzamelde heren en eigenerfden daar, dat het hem veel moeite kostte om aan meel  voor zijn brood te komen. De meest nabije korenmolen lag namelijk op anderhalf uur gaans van zijn huis. Als bakker had hij daar “veel nadeel” van en om die reden  vroeg hij vergunning voor de bouw van een eigen “koornwindmolen”.

Ridderschap en Eigenerfden maakten, voordat ze een besluit op dit verzoek wilden nemen, dit eerst door “publicatie”, dat wil zeggen zondaagse kerkespraak, bekend in de omliggende kerkdorpen. Alle  bezwaarden konden hun belangen inbrengen op de eerstvolgende Landdag.

Albert Eitens de Weerd (1724-1800) was inderdaad bakker, maar ook herbergier, tweepaards boer en koopman (in onder andere jenever en wijn), Een allround ondernemer, zeg maar. Met zijn vrouw en een paar volwassen, ongehuwde zoons en wat knechten woonde hij in het, vanuit Roderwolde gezien, eerste huis aan de Roderwolderdijk. Het hoorde nog net bij het streekje Matsloot in de scalp van Drenthe. Waarschijnlijk omdat hun huis het meest oostelijke van heel het kerspel Roderwolde was, ging Alberts familie zich vanaf medio jaren 1770 Oosterhof(f) noemen. Misschien heette hun huis/herberg ook wel zo. Het is nu de hoeve Eiteweert, waar – en dat is wel een beetje ironisch – tegenwoordig bakmeel wordt verkocht.

Terug naar toen. Destijds, eind achttiende eeuw, had Roderwolde geen korenmolen. Voor hun meel moesten de bewoners hetzij naar Roden, hetzij naar Peize, Voor Albert Eitens de Weerd was de dichtstbijzijnde koren- of roggemolen die van Peize en dààr kwam dan ook het enige bezwaar vandaan, dat een jaar later in de Drentse Landdag werd behandeld.

Dat bezwaar was afkomstig van mevrouw de douairière De Koning van Peize, bewoonster van het adellijk huis, dat aldaar in het dorp stond. Als Albert Eitens de Weerd toestemming kreeg om een korenwindmolen neer te zetten , zo vreesde de adellijke weduwe, dan zou dat een grote concurrent zijn voor de molen van Peize. De Peizer molen behoorde tot de boedel waarvan zij het vruchtgebruik had. Het verlies aan inkomsten zou “ten uitersten hard” voor haar zijn. De Peizer molen had er “ondenkelijke jaaren” gestaan, moest zij het nu werkelijk meemaken dat een andere molen “het grootste gedeelte van ’t gemaal daarvan zoude wegnemen”? Ze verzocht de Landdag om Albert Eitens geen vergunning te geven.

Die vergunning kreeg Albert wel, na enig debat in de Drentse Landdag. Maar kwam zijn molen er ook? Het lijkt erop van niet. Op kaarten uit de periode 1790-1820 valt hij niet te zien. Ook wordt hij niet gevonden in de Database Verdwenen Molens: niet bij Matsloot of Eiteweert en evenmin te Roderwolde zelf.

Terwijl er nog steeds een molen van Peize is  – die heeft zelfs het Huis te Peize allang overleefd. Misschien is er nog proces gevoerd, en dat daarom de korenmolen op de Matsloot niet doorging. Maar een begin van dat proces heb ik de eerste tijd na de Landdag niet aangetroffen. De overheid hield het aantal korenmolens liever ook beperkt, in verband met de belasting op het gemaal. Maar misschien koos Albert Eitens de Weerd ook wel zelf eieren voor zijn geld. Vanuit het dorp Roderwolde gingen de mensen waarschijnlijk liever naar de molen in Peize (of Roden), dan om die lange, vaak zompige en dus extra vermoeiende Roderwolderdijk af te moeten gaan. De Matsloot alleen, zo is voorlopig mijn conclusie, was te klein voor een eigen korenmolen.

Bronnen:

Drents Archief, Toegang 1 (OSA) inv.nr. 618: resoluties Ridderschap & Eigenerfden van Drenthe 1788-1791, die van 11 maart 1788 en 24 maart 1789. Verder onder andere de heerdstedenregisters van Roderwolde (OSA 868 en 869), de retroacta Burgerlijke Stand en een registratie voor de Burgerwapening uit 1797/1798 (OSA 1383) naast enkele advertenties in de Groninger Courant.

 

Naschrift 5 augustus:

Kreeg via mail bericht dat de molen van Peize destijds niet in het dorp Peize, maar bij de Molenbrug aan het Peizerdiep stond, aan de overkant van het Tichelwerk in Foxwolde.  Dat maakt het des te begrijpelijker dat een molen op de Matsloot onbegonnen werk was.


De pokken op Smilde (1775)

Als schulte Hendrik Hummel van Hoogersmilde in februari 1775 verslag uitbrengt van de toestand der Smildiger vaart, deelt hij zijn superieur tot besluit van zijn epistel ook nog wat meer persoonlijks mee. Als de weersomstandigheden het toelaten, vertelt hij, gaan hij en zijn vrouw de volgende dag naar hun dochter in Diever. Dan wordt namelijk haar oudste zoon – dus zijn kleinzoon – begraven. De jongen is aan de pokken gestorven. Gelukkig heeft Hummels dochter nog een jongen en een meisje die nauwelijks symptomen vertonen. Hummels andere dochter, die bij hem op de Smilde verblijft, is weer van de ziekte hersteld, “maar heeft ook gehad’. Hummel laat zijn relaas vervolgens naadloos overgaan op een schets van de plaatselijke toestand meer in het algemeen:

Daer zijn op de Smilde al dood 11 à 12 en ongeveer wel hondert over” (patiënten die de ziekte overleefden, HP). “Onze schoolmeester heeft in de school gehat, in de tagtig en is geweest dat maer 7 à 8 het [niet hadden]. Daer is bij naest geen huis vri…

Gelukkig was Hummel niet heel erg zakelijk in zijn schrijven, anders hadden we dit epidemiologische rapportje uit het Drenthe van de achttiende eeuw gemist.

Bron: brief van H. Hummel, Smilde 9 februari 1775 in ‘r Drents Archief te Assen, Toegang 1 (OSA) inv.nr. 1273: schouwrapporten, bepaaldelijk dat van 16 mei 1775.


Drentse herenjacht had Groninger stadsjacht als model

Na de aanleg (1769-1771) van de Smildinger- of Landschapsvaart, zoals destijds de Drentse Hoofdvaart nog vaak genoemd werd, wilden de Drentse Landschapsbestuurders voor de periodieke schouw van hun kanaal een eigen herenjacht, en wel naar het model van het Groninger stadsjacht:

Zo zou het er ongeveer uit moeten zien:

Van het Groninger voorbeeld is er maar één afbeelding, en inderdaad vertoont dat enige gelijkenis:

Het Groninger Stadsjacht op een kaart van de Eemsdijken door Henricus Teysinga, 1738. Collectie Groniner Archieven 0817-1112.

Alleen is het schip hier onder zeil op zee, terwijl het in Groningen, zowel als in Drenthe hoofdzakelijk voor de vaart op kanalen bedoeld was. Zo’n binnenjacht mocht dan wel beschikken over zeilen, bij de heersende windrichting (zuidwest) begon je daar met name in de Groninger veenkoloniën maar weinig mee.  Dan hadden ze in Drenthe wat meer geluk met die wind: van Assen naar Meppel moest je er weliswaar tegenin, maar van Meppel naar Assen kon je vaak wel zeilen. Echter, mede vanwege de vele bruggen en sluizen zal ook in Drenthe zo’n jacht vaak ‘gejaagd’ zijn door een scheepsjager met zijn paard. Het casco van zo’n binnenjacht leek dan ook vooral op dat van een snikke of trekschuit.

In Drenthe waren de heren nautisch misschien wat minder onderlegd, en ze informeerden eerst maar eens via diverse stromannen wat erbij de bouw kwam kijken:

Opmerkelijk genoeg deden ze dat niet in Groningen, waar ze hun voorbeeld vandaan haalden, of in Friesland (Leeuwarden en Dokkum), waar de stad Groningen zijn stadsjachten betrok. Nee, in weerwil van alle goede naber- en vrundschap, waar zo vaak mooie woorden aan werden gewijd, deden ze dat vooral in Holland. Er kwamen twee bestekken van scheepsbouwers binnen, waarvan er een, dat van Cornelis van der Bijl uit Warmond bij Leiden, ook voorzien was van een kostenplaatje of begroting:.

Deze ‘offerte’ voor het casco namen de Drentse heren graag aan. Met alle opgoed (mast, zeilen, tuigage, vlaggen, meubilair en huisraad) zou hun statenjacht uiteindelijk iets meer dan 800 gulden kosten. Toen hun archivaris later de stukken in een lias bundelde en opborg, vermeldde hij op de rug met enige trots dat het Groninger stadsjacht wel 5000 gulden had gekost:

Met andere woorden: lekker puh, wij Drenten doen het veel goedkoper. Dat was echter niet helemaal de waarheid, zoals Meindert Schroor ons leert. Voor de casco’s van hun nieuwe stadsjachten betaalden Burgemeesteren & Raad van Groningen respectievelijk in 1705 de somma van 400 gulden, in 1725 bijna 1600 gulden en in 1761 een bedrag van 2500 gulden. Gemiddeld dus 1500 gulden. De Drenten waren dus absoluut zuiniger, okee, wel drie keer, maar toch lang niet zoveel als ze lieten voorspiegelen. Kennelijk waren ze bevangen door een Veendammer wind vanuit het noordoosten.

(Wordt vervolgd.)

Bronnen (behalve de gelinkte):

  • Drents Archief, Toegang 1 (Oude Staten Archieven) inv.nr. 1286: “Jagt voor de landschap op de Smildingervaart”, stukken m.b.t. de aankoop door Drenthe van een casco voor een herenjacht, 1772/1773.
  • Meindert Schroor, ‘Groninger Stadsjachten werden in Friesland gebouwd’, Fryslan 2009-4, pag. 6-10.

Arbeiders bij voorbaat gewaarschuwd


Zo berucht waren dijkwerkers, polderjongens en kanaalgravers om hun vernielingen en stakingen, dat de heren van Drentse in het voorjaar van 1769 een speciaal artikel aan wijdden in hun bestek voor de Smildiger-, Landschaps- of ook wel Drentse Hoofdvaart. Baldadigheden, ongeregeldheden en ordeverstoringen, de heren moesten er niets van hebben en dreigden bij voorbaat met de strengste straffen.

Zulke bestekken zullen vrij veel bewaard zijn gebleven in archieven van provincies, steden, waterschappen en polderbesturen. Vraag me nu af of dit een standaard-artikel was, of dat de Drentse heren wat banger waren aangelegd dan die van elders.

 


Drenthe krijgt zijn eerste wegwijzers

Op de Drentse Landdag van 21 maart 1780 doet Drost Van Heiden het voorstel om ter bevordering van het vreemdelingenverkeer wegwijzers neer te zetten  op strategische plekken in de Landschap. Blijkbaar waren die er nog niet, of veel te beperkt aanwezig::

De Heer Drost S.P.A. van Heiden heeft ter vergadering voorgedraegen dat de passage door dese Landschap voor de onkundige uitlanders merkelijk zoude worden gefaciliteert, bijaldien op de vereischte plaetsen an de publique Heeren wegen behoorlijke hand- of wegwijsers wierden geplaa[t]st en onderhouden.

Waarop gedelibereert sijnde, hebben Ridderschap en Eygenerfden den Heer Drost verzogt en geauthoriseert om de nodige ordres te expediëren dat zodanige wegwijsers conform dese propositie ten koste van de Landschap mogen worden gesteld.

Veel toerisme was er nog niet, slechts enkele vreemdelingen waagden zich voor hun genoegen in Drenthe. Omgekeerd gingen Drenten er ook niet veel op uit. Misschien bezocht iemand eens een grote stad als Groningen. Zwolle of Kampen; bij gelegenheid gingen beter gesitueerde Drenten ook wel eens naar Amsterdam, Bentheim, of Kleefsland, maar daar heb je het wel mee gehad.  De wegwijzers van Van Heiden Reinestein legden al vroeg de basis voor een veel grootschaliger vreemdelingenverkeer in Drenthe. Dat het regionale ‘parlement’ er meteen het nut van inzag, blijkt uit het feit dat de Landschap de kosten zou betalen.

Aanvulling:

Op de Landdag van maart 1783 bleek dit overigens niet van lange duur. Drost en Gedeputeerden deden daar het voorstel

dat de palen en wegwijsers, onlangs gesteld, inkomstig ten laste van de Carspelen in dien staat, waarin dezelve tegenswoordig zijn, zullen worden onderhouden en de schouwe subject zijn.

Het onderhoud werd dus afgewenteld naar het lokale bestuursniveau. Ridderschap en Eigenerfden, samen de Landdag vormend, stemden weliswaar hiermee in, maar of dit een positief effect op de onderhoudstoestand heeft gehad?

Bron: Drents Archief Assen, Toegang 1 (Oude Staten Archieven)  inv.nr. 6.15 en 6.16 resoluties Ridderschap & Eigenerfden 21 maart 1780 en 25 maart 1783.