Drentse dopelingen in Stad (1672-1674)

Ooit noteerde ik bij het het doornemen van de Groninger gereformeerde doopboeken ook bijkomstigheden zoals de kinderen wier ouders eigenlijk elders woonden en en in zulke gevallen dan met name de plaatsen van herkomst. Vooral in de jaren 1672-1674 ging het om veel, bijvoorbeeld zo’n 22 uit Drenthe. Op dit kaartje heb ik de namen van de herkomstkerspelen omcirkeld:

Uiteraard betrof het doopouders, die gevlucht waren voor de troepen van de bisschop van Munster. Het noorden van Drenthe bleek aanzienlijk meer vertegenwoordigd dan het zuiden. Groningen was vrij dichtbij voor de Drenten van Noordenveld en Oostermoer, die vaak ook familie in de Stad hadden wonen.

Uit alle kerspelen met een rode cirkel werd minstens één kind gedoopt. Anlo (4), Beilen (3), Eelde (2), Roden (2) en de handelsplaats Meppel (2) leverden meerdere doopkinderen.

Ik heb het niet onderzocht, maar op voorhand waren de vluchtelingen meer gegoed dan de achterblijvers. Achter elk doopkind mag je bovendien niet alleen de doopouders rekenen, maar ook oudere kinderen en dienstboden. Ik meen dat het kaartje wel representatief is voor de Drentse vluchtelingen in het algemeen, maar dat laat zich verder nauwelijks onderzoeken.


Een brandstichting in Darp, najaar ’71

We zien het witgeverfde achtereind van een rietgedekte keuterij. Erachter staat een zwarte schuur, waaruit een man in houthakkersshirt spullen overbrengt naar een Volkswagenbusje. Achter het erf staat een rijtje halfwas eiken met verderop land onder een dikke nevel.

In een volgende scène wrikt een jongen aan een kozijn bij de ingang van het boerderijtje, halverwege de zijgevel. Een man beukt er op in met een moker. Het bovenste deel van de zijmuur heeft hij al weg geslagen. Opgeschoten en wat kleinere jongens kijken toe hoe het hem afgaat, maar het kozijn geeft geen krimp. Kennelijk zit de zaak degelijker in elkaar dan gedacht. Dan zien we dat er een trekker bij wordt gezet, maar blijkbaar hoeft die toch niets te doen, want we zien geen ketting, touw of kabel en naderhand lijkt de zijgevel nog intact.

 De filmer gaat nu naar de voorgevel. Het huisje heeft wel wat van een ouderwetse  turfmakerswoning, is alleen hoger en heeft hoog in de gevel nog twee miniscule raampjes die zorgen voor toetreding van daglicht op de zolder of in een daar afgetimmerd slaapkamertje. De voordeur van ‘t keuterijtje staat open, daardoor zien we wat vlammetjes op de grond van de ruimte erachter. Kleine jongens kijken toe en gooien los hout op  het vuurtje in dit woongedeelte. Er komt een grotere jongen aanlopen met een jerrycan of groot verfblik, waaruit hij een plens brandbare vloeistof (benzine, petroleum?) op het vuur gooit. Dat laait nu hoger en hoger op, tot het de ramen en het dak uitslaat en het pandje finaal in lichterlaaie zet.

De filmer keert terug naar de zijgevel. Ook bij de krimp, waar wat jongens staan toe te kijken,  slaat het vuur nu door het dak heen. Intussen wordt het schemerig en donker. Toeschouwers lopen weg, maar een oudere man met een pet op en klompen aan blijft op zijn fiets geleund staan kijken, net als enkele opgeschoten jongens. Uiteindelijk resteert nog een in elkaar gezakte bouwval. Een van opgeschoten jongen toont trots enige bordjes  die vooraf van het pandje zijn afgehaald: “onbewoonbaar verklaarde woning”, “verboden toegang” en een huisnummer. Dat huisnummer houdt hij tussen zijn tanden, maar valt naar beneden.

Na een verdwaald shot van een roeiboot zien we nog hoe een familie de puinrestanten van de brand opruimt. Blijkbaar wil ze enkele goede stenen nog bewaren voor de tuin of zo, want die worden met een kruiwagen afgevoerd naar een plek buiten beeld.

Duiding

Het filmpje betreft een gedeelte van een veel langere privéfilm van een familie Staal uit de Collectie Overijssel, dat dit gedeelte beschreef als “beelden van de sloop en de brandstichting van een oude boerderij te Havelte in het najaar van 1971”. Vanwege die plaatsbepaling vroeg Aike van der Ploeg me of ik de beelden kende. Nee dus. Qua omgeving dacht ik aan de westkant van Uffelte, Holtinge, de kant van Wapserveen op, Darp of Busselte, maar toen ik mijn broers de link doorstuurde, bleek het al gauw om Darp te gaan. De heer Staal, eigenaar van het pand en waarschijnlijk de filmer, maar zelf ook even in beeld, was destijds gymnastiekleraar aan de Mavo op het Vledder in Meppel, waar twee van mijn broers ook op hebben gezeten. De locatie van het gesloopte en verbrande huis was, voor zover zich dat nu laat nagaan, bij de Darper ijsbaan in de hoek tussen de Ruiterweg en de Voorkamperweg (Abuis! – zie naschrift.). Naderhand, in het voorjaar van 1972, zette de familie Staal op het erf een nieuwbouwhuis neer, waarvan bij de Collectie Overijssel eveneens beelden te zien zijn. Waarschijnlijk hebben de Staals hier niet erg lang gewoond.

Bron kaartfragment: Topotijdreis.

In eerste instantie, nog zonder kennis van de context, vond ik het vrij brutaal en schaamteloos, zo’n brandstichting bij vol daglicht. En met het op het vuur gooien van benzine of petroleum, hadden die jongens lelijk op de koffie kunnen komen. Het keuterijtje was echter geen monument, maar een onbewoonbaar verklaarde woning. En gezien het publiek – oud en jong uit de buurt – was er ook niets geheimzinnigs aan. Misschien gaf de gemeente en/of brandweer er toestemming voor? Blijkbaar, want al is er geen brandweer te zien en het is moeilijk voor te stellen dat dit zonder haar voorkennis is gebeurd.

Toch blijft het een zonderlinge manier om van een woning af te komen. Een van mijn broers vroeg zich af of dit vroeger niet veel vaker gebeurde, maar ik heb er nooit van gehoord. Al kan ik het me wel voorstellen: het slopen verliep relatief snel en deze methode was ook een mooie oplossing als er ongedierte in de woning zat. In de brand was in zo’n geval uit de brand.

Naschrift 26 juli 2022:

Met het adres zat ik fout, meldde mij iemand uit de omgeving. Het was uiteind Veleweg aan de rand van de Wallingeres. Bij checken van een telefoongids op straatnamen van zo’n twintig jaar geleden op internet, bleek daar inderdaad een familie Staal te wonen. De website kadasterdata geeft vervolgens als bouwjaar van het pand het jaar 1972 op, wat overeenkomt met de film.

Naschrift 2, zelfde datum:

Nog even op Topotijdreis gekeken hoe lang hier gewoond werd. In 1911 verschijnt hier een woning, waarvan in 1926 een klein vierkant blokje met een andere oriëntatie overblijft. In 1933 wordt dat weer een veel groter pand. De opnieuw grotere nieuwbouw van 1972 dringt pas twee jaar later op de topografiche kaart door. De vrij jonge datering van de oudbouw laat zien dat die er in 1971 een 38 à 60 jaar had gestaan.


Betrekkelijke welstand van arbeiders ondanks ouderwetse winter

Een week of wat eerder was er sprake van honderden schaatsers op de Drentse Hoofdvaart en verhaalden de kranten van een oud-jachtopziener uit Ruinerwold die als grijsaard nog zo mooi scheuvelde, dat jonge kerels er hun pet voor afnamen. Maar dat ouderwetse winters niet alleen maar ijspret betekenden, wordt duidelijk uit bovenstaand bericht van de Provinciale Drentsche en Asser Courant op 6 februari 1879: winter betekende werkloosheid voor mensen die het van daglonen moesten hebben, zeker de helft van de plattelandsbevolking. Weliswaar werd er nog geen honger en gebrek geleden, zodat particuliere liefdadigheid dit keer nog overbodig was. Het gros van de mensen had wat gespaard. Wel leefden mensen qua brood en kruidenierswaren op de pof bij hun leveranciers tot het voorjaar.

Wat het bericht ook duidelijk maakt: in 1879 was er nog geen sprake van algemene bittere armoe in de Drentse venen. Die kwam pas toen de steenkool als barndstof steeds meer de turf verdrong, definitief na de Eerste Wereldoorlog. Tot zo ongeveer 1880 was je als veenarbeider beter af dan als boerenarbeider op het Drentse zand. Vincent Tassenaar had dat al eens aangetoond aan de hand van de lichaamslengte van Drentse lotelingen voor de militaire dienst, maar zo’n bericht bevestigt zijn bevinding nog eens.


Qua hervaccinatie tegen de pokken was de Maatschappij haar tijd vooruit

In april 2006 interviewde ik promovenda Miek Roelfsema voor de Groninger universiteitskrant UK. Haar proefschrift over gezondheidszorg in de Drentse armoedekoloniën blijkt in bepaalde opzichten weer actueel.

“Vind je het niet idioot”, vraagt ze, “dat zo’n onnozele historica als ik bij geneeskunde promoveert? Om er meteen aan toe te voegen: “Ik denk dat het komt doordat medische geschiedenis een vak is bij geneeskunde. Zo krijgen de studenten er te horen dat het er vroeger heel anders aan toeging. Maar daarom is mijn promotie ook ondergebracht bij geneeskunde, terwijl ik niet eens weet hoe een hart werkt.”

Dat laatste is wellicht iets overdreven, want Miek Roelfsema – Van der Wissel is getrouwd met een huisarts, nu in ruste. Ze is verknocht aan archief-onderzoek, sinds twintig jaar vooral naar artsen in Drenthe. En omdat ze vlakbij Veenhuizen woont, lag het voor de hand dat ze zich nog eens bezig ging houden met de gezondheidszorg in de koloniën van de Maatschappij van Weldadigheid, een onderzoek waarop ze woensdag aan de RUG promoveerde.

Die Maatschappij van Weldadigheid was een particuliere instelling, die iets aan het fnuikende  armoede-probleem wilde doen door gezonde armen woeste gronden te laten ontginnen, waarna ze zich tot boeren konden ontwikkelen. In 1818 kocht de Maatschappij voor dat doel gronden in de wijde omgeving van Frederiksoord. Plaatste de Maatschappij hier nog kolonisten op vrijwillige contractbasis, van veel meer dwang was er sprake bij de koloniën die ze in 1822, 1823 inrichtte. In Ommerschans kwamen bedelaars terecht, en in Veenhuizen vooral wezen, maar ook bedelaars.

Om hun eigen wees- en werkhuizen te ontlasten, stuurden vooral Hollandse steden er duizenden mensen naar toe. Het was de bedoeling dat dat gezonde mensen zouden zijn. Miek Roelfsema maakt echter duidelijk dat de gemeenten maar al te graag juist hun ondervoede, zwakke, zieke en gehandicapte bedeelden loosden. En deze “kneuzen” brachten hun rachitis, luizen, schurft en tuberculose mee.

Was hun aanvangsconditie al slecht, de slechte hygiënische omstandigheden en voeding in de gestichten werkte eveneens een hoge mortaliteit in de hand, vooral onder bedelaarskinderen, maar ook onder wezen. Met de steden in het westen kenden Ommerschans en Veenhuizen de hoogste sterftecijfers van Nederland, rond 1850. Doodsoorzaak nummer 1 was meestal tuberculose, maar ook de cholera eiste haar tol. Door die vrij nieuwe ziekte stierven in 1849 maar liefst driehonderd mensen in Veenhuizen, ruim de helft van alle Drentse cholera-doden dat jaar.

De Maatschappij van Weldadigheid verdoezelde zulke dingen liever voor de buitenwacht. “Ze wilde geen negatief beeld oproepen”, verklaart Roelfsema, “de jaarverslagen stelden de zaken mooier voor dan ze waren. Het moest altijd een beetje juichend omdat de Maatschappij het van de fondswerving hebben moest.” Natuurlijk sijpelden er wel berichten door, en juist vanwege de angst voor besmetting buiten haar koloniën, voelde de Maatschappij zich vanaf 1826 verplicht om een relatief omvangrijk gezondheidsapparaat op te zetten.

Voordien bediende ze zich in Ommerschans nog van een goedkope kwakzalver, die in een hut aan een diepswal ongedefinieerde brouwsels vervaardigde. Nadien echter, beschikken de koloniën over academisch geschoolde artsen, praktische heelmeesters, apothekers, vroedmeesters en -vrouwen. “Dat zie je haast nergens in die tijd, dat bijna alle medische disciplines er voorkwamen”, zegt Roelfsema. “En daardoor is het ook zo’n ontzettend leuk onderwerp”.

Volgens haar verdiende een koloniale arts tamelijk weinig bij een grote hoeveelheid werk: “Je kunt rustig zeggen dat de medische stand er op een laag niveau stond qua waardering”. Het verloop onder de medische dienstverleners in de koloniën was dan ook groot: “Soms werkten ze er heel kort, en meer dan de helft van de artsen vroeg zelf ontslag. “

“Door de hiërarchie voelden ze zich beperkt in hun medische onafhankelijkheid en verantwoordelijkheid”, zegt Roelfsema. Maar ook frustraties over het eigen kunnen droegen bij aan dat verloop. “Het ontbrak de hele medische stand nog aan voldoende kennis, artsen hadden nog geen inzicht in de fysiologie en wisten helemaal niet hoe en waaruit ziekten ontstaan.” Therapieën kwamen daarom via trial and error tot stand. “Menigmaal dachten ze dat ze het ei van Columbus hadden gevonden en ze gingen dan heel voortvarend te werk. Maar als zo’n middel mislukte, waren ze weer ten einde raad.”

Bij dit sombere beeld ziet Roelfsema toch ook wel wat lichtpuntjes: “Ze wisten wel  wat voor gevolgen ziekten hadden, want ze deden opvallend veel lijkopeningen om te zien of hun diagnose goed was geweest, en dat stimuleerde hun ervaring.” In het gebruik van chloroform als verdovingsmiddel bij operaties (1849) liep Veenhuizen zelfs landelijk voorop. En ook wat betreft de invoering van hervaccinaties tegen de gevreesde pokken (1832) was de Maatschappij haar tijd vooruit. “Landelijk vond dat pas acht jaar later ingang”, zegt Roelfsema: “Nergens werden er zoveel ingeënt als in Drenthe, maar de provincie kwam er vooral zo positief uit dankzij Veenhuizen.”

Waren die wezen en bedelaars daar en in de Ommerschans niet beter afgeweest als ze in hun oude omstandigheden waren gebleven? “Nee”, is het antwoord. “Het lijkt me dat ze in de koloniën beter af waren. In de stedelijke weeshuizen, bijvoorbeeld, waren de hygiënische omstandigheden even slecht. Maar de Maatschappij zorgde wel voor de nodige medische voorzieningen en beknibbelde nooit op medicijnen.”


UK, april 2006.


De zilverschat uit het Boekweitenveen

In het voorjaar van 1775 vond de vierpaards- en daarmee ‘dikke’ boer Jacob Lantinge een aardewerken kan met “oud silverwark” in het Boekweitenveen bij Zwinderen, een buurtschap in Zuidoost-Drenthe. Met wat moeite wisten hij en wat omstanders enige namen te ontcijferen, die op het zilver “gesneden” waren: enerzijds ging het om die van een Grietje Everts, anderzijds om die van een Willemtje, Aaltje en Roelofje Deningen. Er liepen in de omgeving allang geruchten over een verborgen zilverschat. Meermalen was ernaar gezocht, maar tevergeefs. Een van de omstanders wist ook al meteen te vertellen, wie precies recht op de schat had.

Deze aangewezen rechthebbende, net als de vinder wonend in Zwinderen, was de tweepaardsboer Jan Nienhuis, ook wel Nijenhuis genoemd. Een half jaar later diende hij bij de Etstoel, de overkoepelende Drentse rechtbank, de klacht in dat Lanting hem de zilverschat onthield. Nienhuis wilde dat de Etstoel Lantinge zou veroordelen tot het aan hem afgeven van het zilverwerk “onder genietinge van een eerlijke recognitie voor het bergen en moeijte”.

Tot “erholding” van die eis voerde  Nienhuis aan, dat op het zilver de namen stonden van enige van zijn voorouders: Grietje Everts en Willemtje, Aaltje en Roelofje Deningen. Om dit te staven, had hij zich verdiept in zijn genealogie en leverde hij een retrograde afstammingslijst, die sterk doet denken aan de lijst zoals Ayaan Hirsi Ali die in mei 2006 opvoerde om haar precieze Somalische identiteit te bewijzen. Alleen ging Nienhuis wat minder ver terug – zijn lijst omvatte geen tien generaties zoals bij Hirsi Ali, maar slechts vijf, waar weer tegenover stond dat er bij de Drent naast voorvaders ook sprake was van voormoeders:

 Ouders Jan Nienhuis:Willem Nienhuis en Jantje Eeverts
1665-1674, BisschopstijdGrootouders:Geert Nienhuis en Grietje Everts
 Overgrootouders:Willemtje Nienhuis en Willem Jacobs Huising
1629 getrouwd:Betovergrootouders:Geert Nienhuis en Griete Everts
(Even na 1600)Betbetovergrootouders:Olde Jan Nienhuis en Willemtje Deninge

De op het zilver aangetroffen namen heb ik in dit lijstje vet gezet. We moeten ervoor terug tot de eerste helft van de zeventiende eeuw. Volgens Nienhuis, die blijkbaar al op leeftijd was, hadden zijn grootouders de steengoed kan met het (in elkaar gedrukte) familiezilver “in de zogenaamde bisschopstijd” begraven. Dat was een tijdsaanduiding die je ook in Groninger bronnen uit het begin van de achttiende eeuw tegenkomt, voor de periode dat de Münsterse bisschop Bernhard von Galen , alias Bommen Berend, twee maal Noordoost-Nederland aanviel en deels bezetttte: 1665-1666 en 1672-1674, oftewel 1665-1674. Nienhuis wist erbij te vertellen dat de man die de schat destijds had begraven, “ongelukkig omgekomen” was, zodat de plek onbekend was gebleven,  

ofschoon na dien tijd meermalen door de Boer van Gees en Zwinderen in het veen na dit silver was gesogt, ‘tgeen aan veele lieden door het verhaal hunner ouderen bekent soude zijn

Ook hadden Nienhuis’ ouders het er vaak over gehad en hun kinderen aangemoedigd om ernaar te zoeken. Toen Lanting het zilverwerk dan eindelijk aantrof, was er ook ogenblikkelijk een Hendrik Roelofs bijgekomen, die op het lezen van de naam Griete Everts direct oordeelde dat het zilverwerk aan Nienhuis toebehoorde, “welk oordeel insgelijks door anderen daarover was gevelt geworden”. Vinder Lanting had zich daarop nog bereid getoond het zilver “tegen een eerlijke recognitie”  aan Nienhuis te geven. Dat beloofde hij zelfs met zoveel woorden, maar hij had daarna geweigerd zijn woord te houden.

In de zitting van de Etstoel liet zich ook een Albert Dening van de Diphoorn (een gehucht bij Emmen) vinden. Dit verre familielid van Nienhuis liet noteren dat hij geen partij wilde zijn in dit proces. Zodoende hoefde hij niet mee te betalen, maar zag hij ook af van een aandeel in het zilver. Ongetwijfeld was dit in het voordeel van Nienhuis.

Uiteraard was de vinder van de schat, Jacob Lantinge dus, het niet eens met eis van Nienhuis, anders had het niet eens tot een proces hoeven komen. Hij vond Nienhuis’ aanspraken op de schat zwak gefundeerd. Proces voeren op basis van zo’n afstammings- en rechtsopvolgingslijstje vanaf de betbetovergrootmoeder achtte hij  “tegen alle ordre en geregelde regtsplegen”. Dat de naam van Griete Everts op het zilverwerk stond, wilde nog niet zeggen dat de Griete ten tijde van het begraven ook eigenaar van die stukken was. Deze konden intussen best wel aan een ander zijn gegeven of verkocht. Ook was volgens de schatvinder niet gebleken dat  Aaltje en Roelofje Deninge voorouders of familie van Nienhuis waren geweest. Het zilver met hun namen was “van een veel later fatsoen” dan dat van Willemtje Deninge, dus van een latere mode of stijlperiode. Het zou best eens zo kunnen zijn geweest, aldus Lantinge, dat meerdere families gezamenlijk hun zilver in die aardewerken kan hadden gedaan, “om hetselve voor de vijanden te verbergen”.

Lanting (en/of zijn advocaat) was er dus vooral op uit om twijfel te zaaien. Ook hij had genealogisch onderzoek gedaan, waaruit naar voren was gekomen dat Nienhuis’ betovergrootmoeder Griete Everts vijf kinderen had. Nienhuis zou dus “in allen gevalle” moeten aantonen dat hij nog haar enig overgebleven nazaat was, die dan ook als enige recht kon laten gelden op de stukken waarop haar naam en die van Willemtien Deninge stonden. Dan nog kon Nienhuis geen aanspraak maken op het zilver met andere, of helemaal zonder namen, ook omdat het zilver niet in zijn eigen,

maar in gemene boeregrond gevonden was, en dat deze grondeijgenaren ook sustineren dat haar dit zilverwerk, althans een gedeelte daarvan niet kan worden geweijgert, overmits het neer dan 30 jaren in haar grond hadde gezeten, en dus als een accessoir van deselve moeste gehouden worden”.

Op de achtergrond was er dus ook een claim op het zilver door de boermarke van Zwinderen, het boerencollectief dat een groot deel van de woeste gronden in het dorpsgebied bezat en beheerde. het Boekweitenveen incluis. Als grote boer had Lanting daar zonder meer een flink aandeel in, al zou hij de buit dan moeten delen. Tot slot zette Lanting een historisch-kritisch vraagteken bij de verhalen die Nienhuis te berde bracht:

dat een overlevering die veeltijds fabuleus word bevonden, zo min als losse gissingen de plaats van valable preuven vervangen of tot een rigtsnoer van decisie verstrekken kan

Als eisende partij zette Nienhuis hier eerst een formeel argument tegenover. Hij vond dat Lantinge zijn bezwaren al had moeten inbrengen op de goorspraak, de periodieke bijeenkomst voor het aankaarten van allerlei juridische kwesties op dorpsniveau. Nienhuis had zijn zaakjes goed voor elkaar en kon aan de hand van  afkoopbrieven en andere notariële akten bewijzen dat hij “de eenigste erfgenaam” van Griete Everts en Willemtje Dening was. Aan de waarheid van ”het algemeen erfgerugte” kon volgens hem bovendien niet worden getwijfeld. Lang voor het terugvinden hadden Nienhuis’ ouders en grootouders meermalen verteld over de vermiste schat en daarbij zelfs de vorm van de kan beschreven waarin het zilver verstopt zat, “ ‘tgeen alle twijfeling behoorde weg te nemen”.

Zoals gebruikelijk in moeilijke zaken benoemde de Etstoel eerst een commissie om beide partijen te horen en zo mogelijk het geschil bij te leggen. Deze commissie bestond uit twee etten van het dingspil Zuiderveld en de beroemde ontvanger en geleerde Van Lier. Zij bracht al na een dag rapport uit in de plenaire Etstoel. “Bij manquement van minlijk vergelijk” wees de Etstoel daarop vonnis in de zaak. Lantinge moest als vinder Nienhuis het zilver geven, maar Nienhuis diende de helft van de waarde daarvan aan Lanting uit te betalen. Ook moest hij Lanting vrijwaren voor eventuele aanspraken op het zilver door derden (zoals de boermarke als grondeigenaar). Beide partijen samen betaalden de kosten van het geding.

Bronnen:

Drents Archief, Tg. 0085 (archief Etstoel) inv.nr. 14. deel 60. folio 87-89 (scans 173-177 ) lotting 28 november 1775, zitting 20 december 1775; folio 91 (scan 181) tussenvonnis 21 december 1775; folio 92 (scan 183) de uitspraak van 21 december 1775.


De barre grond van Roden

Notitie uit 1745 van de beëdigde landmeter W. Atlas uit Roden, dat het bouwland in Roden, Leutingewolde en Steenbergen niet altijd als volwaardig te beschouwen viel, omdat veel akkers maar een jaar of drie bebouwing verdroegen. Na die drie jaren moesten ze een jaar of vijf braak liggen en kon er hooguit wat vee worden geweid. Na afloop van deze cyclus was het land soms na twee jaar alweer met heide begroeid. Daarom diende er volgens hem ook een kortingsregeling te komen bij de heffing van de grondschatting.

De notitie zegt alles over het mesttekort, destijds, toen er nog geen kunstmest was, laat staan een stikstofprobleem.

Bron: Drents Archief, Toegang 1, inv.nr. 858.23 folio (en scan) 50.


De Toutenborg, herberg van Terheijl

Jammer dat sommige huisnamen alleen op kaarten en in archivalia te zien zijn en niet op of bij het pand zelf. Dit vrij onopvallende pand op de grens van Nietap en Roden heet bijvoorbeeld Toutenborg.

Het staat in het verlengde van de Toutenburgsingel, maar het is daar niet naar genoemd. Net als de singel ontleende het huis zijn naam aan de Toutenburg in Vollenhove, de woonplaats van de heer en mevrouw De Lille-Van Dedem voordat zij het in 1789 het geheel opgeknapte Huis Terheijl betrokken. Zij lieten de Toutenburgsingel aanleggen en moeten de Toutenborg hier destijds ook hebben neergezet. Het pand kreeg de functie van herberg.

In het Terheijlster Staatboek van 1806 wordt het zo beschreven:

Een herberg genaamd Toutenborg, gelegen tusschen de Nietap en Roden, bestaande in een behuizinge, schuur en stallingen voor eenige paarden, benevens de grond achter hetselve en aan de noordzijde is gelegen, midsgaders de bouwacker in de bos ten oosten en de weijderij in ’t Zulterveld, verhuurd in losse huure aan Hind[rik] Caspers jaarlijks voor ƒ 70,-…

Hindrik Caspers was nog tot mei 1814 de uitbater, steeds voor dezelfde huur. Dat bedrag vormde een bescheiden pachtsom, in aanmerking genomen dat herbergen in de stad Groningen meestal 100 à 200 gulden aan huur per jaar deden. Waarschijnlijk was de Toutenborg, zoals gebruikelijk op het platteland, ook meer een boerderij dan een herberg. Aan de noordkant werd er tot aan de Turfweg rogge en haver verbouwd op de zogenaamde Dobber-es en -kampen, verder had Hindrik nog de beschikking over bouwland dat ingeklemd lag tussen percelen van het Noordholt. Op een strook groenland tussen zijn huis en het Noordholt zullen wat melkkoeien hebben gelopen. Aan de andere kant van de weg lag de Zulterheide waarop zijn schapen graasden.

In 1806 waren dat zelfs merinoschapen, die bij opbod verkocht werden aan “liefhebbers van de schapeteelt en de wolverfijning”. Maar veel belangrijker waren de houtveilingen in herberg de Toutenborg, met name in 1810 en 1811.  In het eerste jaar ging het in november om “eene aanzienlijke kwantiteit eiken stamboomen, waaronder geschikt voor molenmakers, wagenmakers en scheepstimmerlieden”. Daarnaast betrof het percelen schilhout in de bossen en op de boerenplaatsen van Terheijl. In het voorjaar van 1811 kwam bovendien dennen-, elzen- en berkenhout onder de hamer, dat reeds gekapt klaarlag op de “cingels en plantagiën” van Huize Terheijl. Ook later dat jaar werden weer enorme partijen hout verkocht, het moet er een aanzienlijke kaalslag zijn geweest.  En steeds was kastelein Hindrik Caspers van de Toutenborg de man die je alles kon aanwijzen, als je gading op wat hout maakte.


“Ongeluckige schoott” eist leven bij klootschieterij te Roderwolde

Bij een opgraving of een zoektocht met een metaaldetector komt er nog wel eens eentje uit de bodem tevoorschijn: het skelet van een klootschietbal, dat wil zeggen een meervoudig kruisvormig stuk lood, dat ooit via gaten ingegoten was in een verder mooie ronde, maar spoorloos verdwenen houten bal die men bij het klootschieten gebruikte.

Slechts één keer komt dat spel ter sprake in de lottingsregisters van de Etstoel, maar dat ene geval maakt wel duidelijk hoe gevaarlijk zo’n bal kon zijn.

Gabbe Jacobs, een jonge boer “wonend op het Zandebuijr”, zou die Petridag (22 februari) 1676 van zijn levensdagen  niet vergeten. Op zo’n St-Petri ad Cathedram liepen nogal wat huurcontracten voor los land af en ging er ook meer geld om dan anders. In het kerspel Roderwolde, waaronder Sandebuur viel, was Jan Ottens, de knecht van kapitein Van Echten op bezoek om wat paarden te verkopen. Zowel Gabbe als Jan deden mee aan een pot klootschieten. Tijdens die partij schoot Gabbe uit met de bal zodat Jan door hem

ongeluckig an hett hooft is geraeckt en naerdatt deselve noch een geruijme tijdt mede hadde gespeelt, sijn Heeren peerden an koopluijden gepresenteert, flaeuw wordende, waer komen te overlijden sonder datt hij remonstrant (= Gabbe) oijt de minste quaestie mett de overledene hadde gehadt, off miening om hem te quetsen, veel weijniger te dooden, gelijck alles en sijnen vullencomen onnoselheijt uijtt de informatiën door ordre van den heer Drost genomen, genoegsaem soude consteren, alsmede uijtt de verklaringe van den D[octo]r[e]n en Chirurgijns, die hett doode lichaem hebben gevisiteert, dat de voorschr[even] Jan Ottens niet soo seer an dese ongeluckige schoott, als well van voorige onpasselijckheden sij overleden…

Gabbe was dus onhandig geweest, erg onhandig. Hij had Jan helemaal niet willen raken, laat staan doden. Maar Jan deed daarna nog een hele poos mee aan het spel en bood zelfs zijn paarden te koop aan bij handelaars. Daarna zakte hij weg en stierf. Uit de verklaringen die de drost naderhand ter plaatse liet opnemen, bleek ook wel dat er geen opzet in het spel was, terwijl de lijkschouwing uitwees dat Jan al langer niet zo gezond was geweest.

Gabbe vroeg daarom of het gerecht hem vrij wilde laten met kwijtschelding van de gerechtelijke- en andere onkosten. Inderdaad willigde de Etstoel dat verzoek in – deze Drentse rechtbank sprak Gabbe zonder criminele strafoplegging vrij van alle aantijgingen. Wel moest Gabbe de kosten van zijn verzoekschrift betalen en de kosten van zijn detentie na de eerste drie dagen. Blijkbaar vond de Etstoel dat Gabbe zijn onvoorzichtigheid nog wel in zijn beurs mocht voelen. Het kerspel Roderwolde zou de eerste drie dagen moeten betalen, terwijl de Etstoel verder besloot dat de lijkschouwing en alles wat in deze zaak op last van de drost was geschied, “tott lastt van hett landt” zou komen.

Bron: Archief Etstoel, inv.nr. 14, deel 22, folio 407, 6 juni 1676.


Tel de knopen! Of: een dure broek te Wapserveen

De weesjongen Jan Hessels uit Wittelte en de mulder Jan Jacobs van Wapserveen troffen elkaar in het najaar van 1692 op een begrafenis in de laatste plaats. En zoals wel vaker bij een uitvaart – ze maakten daar plezier met zijn beiden. De mulder bewonderde quasi de broek van de weesjongen, die het zelf bij nader inzien ook wel een mooi exemplaar vond. De mulder vroeg of Jan die broek van ‘m niet wilde verkopen. Eerst zei de weesjongen van nee, maar toen de mulder er bij voortduring op aan bleef dringen, noemde de jongen toch een prijs. Die liep per knoop op: voor de eerste knoop aan zijn broek vroeg hij slechts een duit, maar voor elke knoop meer wilde hij het dubbele beuren van het bedrag voor de vorige knoop. Lachend sloot de mulder de koop en drukte de hand van de weesjongen, die hem geluk wenste met zijn aanwinst.

Maar toen Jan Hessels zijn broek naar de molenaar op Wapserveen kwam brengen, weigerde die het kledingstuk in ontvangst te nemen en de bedongen prijs te betalen.

Waarschijnlijk zou de jongen het zelf wel uit zijn hoofd hebben gelaten, maar zijn voogd, Lucas Jansens Snoeck uit Wittelte, die wellicht nog een appeltje met de molenaar te schillen had, drong er bij hem op aan om door te zetten. Het was ook oom Snoeck die naar de Etstoel stapte, en zijn neef ruim een jaar later voor deze rechtbank vertegenwoordigde in de zaak over de broek.

Hier bleek dat de verkooppijs van het kledingstuk door de systematische verdubbeling van het bedrag bij iedere knoop aardig opgelopen was. De broek telde namelijk 17 knopen. De daarmee exponentieel toegenomen vraagprijs bedroeg uiteindelijk ruim 409 gulden, een bedrag waarvoor je destijds een kleine middenstandswoning kon kopen.

Oom Snoeck wilde dat de Etstoel de mulder van Wapserveen zou veroordelen tot betaling van dit bedrag. De broek was nou eenmaal voor dat bedrag verkocht en ook aangeboden bij mulder Jacobs. Die had Snoecks verweesde neef voor de gek willen houden, maar was “door sijn raillerie ten rechte bedrogen” en “na rechte hijrin condemnabel”. De mulder, kortom, had het geheel en al aan zichzelf te wijten dat hij erin gestonken was.

Uiteraard was de molenaar het niet eens met deze voor hem netelige voorstelling van zaken. Hij voerde bij de Etstoel aan

dat dyergelijcke saecken niet behoorden voor den richter te komen als sijnde niet als gecker[n]iën geweest”.

De zaak moest dus volgens hem ‘hors de la cour’, buiten het gerecht verwezen worden, zoals dat ook wel eens bij scheldzaakjes gebeurde. De molenaar noemde de koop onbewezen, in elk geval was die niet serieus bedoeld, maar slechts het resultaat van “raillerie”, scherts geweest. Een broek van 3 of hooguit 4 gulden was toch zeker geen 400 waard?

De Etstoel benoemde een commissie om beide partijen te horen, zo doenlijk tot elkaar te brengen, of anders een uitspraak te doen. Het werd een uitspraak. Van de commissie hoefde de molenaar niet het volle pond te betalen, maar wel 100 gulden. Daar kon je geen woning meer van kopen en toch was het nog steeds een leuk bedrag voor een wees.

Voor de molenaar was het nog steeds veel te veel, en de voogd van de jongen vond het juist te weinig. Beide partijen gingen daarom in hoger beroep. Ook in de appèlzaak hield de Etstoel echter vast aan de sententie. De mulder van Wapserveen moest dus dokken. Hij zal vast flink de smoor in hebben gehad.

Bron: Drents Archief, Etstoel inv.nr. 14, deel 30, folio 114, 13 november 1693; en idem folio 216, 4 juni 1694.


Men noemt een goede waard geen poffertbakker

In de index op de handelingen van de Etstoel, het Drentse gerechtshof, viel mijn oog op een lasterzaakje uit 1698, waarbij het slachtoffer zich beledigd achtte door de term “pofferbacker of poffereter”. Poffer of poffert kwam al wel enkele decennia in kookboeken voor, maar was verder ook weer niet zo bekend. In het kookboek van  de Menkemaborg (1717-1750) heet het baksel nog “boffert”. Over poffertbakkers weten we al helemaal niets. Dat dit nobele beroep als een scheldnaam figureerde, verbaasde me zeer. Vandaar dat ik me maar eens op dit zaakje wierp.

Bij nader inzien hoorde het bij een cluster van vier soortgelijke zaakjes, waarbij één naam centraal stond, die van Hindrik Lenting (ook wel Lentinge of Lentinck). Hij was telg van een vooraanstaande eigenerfde boerenfamilie die schulten (het equivalent van de latere burgemeesters en notarissen) aan de kerspelen Zuidlaren, Borger en Zweelo leverde en was (een dikke) vierpaardsboer op De Groeve, vlakbij de Drents-Groningse grens, en bovendien herbergier en solliciteur.

Met die laatste functie werd hij meestal aangeduid. Deze hield in dat Lenting namens de overheid optrad als bank, payroll of geldschieter voor een compagnie soldaten. Hij schoot uit eigen zak de soldij voor en ontving van de overheid aflossingen met een bovengemiddelde rente terug. De overheid was blij, want dit vormde de oplossing voor een voortdurend krappe kas, vooral in tijden van oorlog; de soldaten waren eveneens blij, want ze kregen hun soldij op tijd zodat ze niet hoefden muiten en plunderen. Een mooie winwin-situatie dus, waaraan je als solliciteur ook redelijk goed kon verdienen. De functie stond, zo is mijn indruk, vrij hoog in aanzien.

De herberg van Lenting op De Groeve moet ook een goede reputatie hebben gehad. Het was niet zomaar een tapperijtje. In 1695 vergaderde “de gemene bour” van Zuidlaren er, waarbij deze ingezetenen van Zuid- en Midlaren gezamenlijk maar liefst 235 gulden verteerden, een bedrag waar sommigen echter niet aan mee wilden betalen., Waarschijnlijk ging de vergadering over de grens tussen Midlaren en Zuidlaarderveen  en daarmee over het visrecht op het Zuidlaardermeer, een kwestie die al sinds 1636 speelde en waarover ook nu weer de partijschap was opgelaaid. Omdat Lentings vordering op zich niet werd bestreden, wees de Etstoel die toe. De “bour” of boermarke van  Zuidlaren moest dus collectief de somma betalen, waarbij ze het geld maar terug moest zien te halen bij de leden die aan de vergadering(en) hadden deelgenomen.

Goed, twee jaar later, in 1697, werden er vier klachten wegens ‘verbale injurie’ of belediging ingediend. Dat gebeurde op een goorspraak – een periodiek gehouden samenkomst waar mensen verplicht alle delicten moesten melden waarvan ze weet hadden. Twee van de klachten kwamen van een gebelgde Hindrik Lenting. Maar hij en zijn schoonzoon Jan Tabing waren op de goorspraak ook zelf van belediging beticht.

Voorlopig bleven de beledigingen zelf nogal schimmig. Ze moeten wel in het verslag van de goorspraak hebben gestaan, maar dat stuk ontbreekt nu. Bij de Etstoel betichtte Lenting ten eerste Egbert Sissing, een keuterboer op Zuidlaarderveen. Lenting wilde dat Sissing zijn gewraakte uitlatingen openlijk voor de Etstoel herriep, maar daar had Sissing geen zin in. Volgens hem bestond er geen enkel bewijs voor dat hij Lenting beledigd had. Hij had Lenting niet genoemd, laat staan bedoeld. Zijn woorden hielden geen belediging in, en hij had bij Lenting – in wiens herberg zich een en ander kennelijk had afgespeeld – ook geen “animus injuriandi” gehad toen hij de woorden uitsprak.

Meteen na Sissing sprak Lenting een Laurens Levinge aan, van een ander gezeten boerengeslacht. Hij was zoon van een Jan Levinge en daar kon je in Zuidlaren meerdere kanten mee op: in 1672 woonde er nog een oud-schullte met die naam in het dorp, en in de jaren 90 een tweepaardsboer, naast een driepaardsboer die ook herberg hield. Dat was dus een concurrent van Lenting en ik kan het helaas niet hard maken, maar vermoed dat Laurens een zoon van deze laatste was. In elk geval verliep de behandeling van Lentings klacht in zijn geval eerst precies zo als bij Sissing. Hij had Lenting niet beledigd, vond Levinge, en zijn woorden hielden geen belediging in.

Zoals gezegd, werd Lenting zelf ook van schelden beticht. Dat gebeurde door Hermen Hermens, de knecht van Gedeputeerde van Selbach die op de havezathe Laarwoud woonde. Lenting ontkende het hem ten laste gelegde, noemde alle tegen hem  ingebrachte getuigeverklaringen partijdig en kon “in goeden gemoede” verklaren dat hij niets ten nadele van de dienstknecht  had gezegd. Net als Sissing en Levinge voor hem, wilde ook Lenting zijn woorden niet openlijk herroepen of intrekken. Zouden deze drie zaakjes dus nog een vervolg krijgen, anders was het gesteld met het vierde, op basis van een klacht die de Zuidlaarder molenaar Willem Hendriks had ingediend tegen Jan Tabing, de schoonzoon van solliciteur Lenting die op Zuidlaarderveen woonde. Mede op basis van het formele argument dat deze veenkolonie qua volmachten, grondschatting en goorspraak zelfstandig was, werd deze zaak niet verder behandeld – de Etstoel achtte Tabing  ook niet schuldig aan belediging.

Drie zaken liepen dus nog door en in alle drie deze zaken benoemde de Etstoel een vrij zware commissie die bestond uit de drost, baron Van Pallandt, de landschrijver en de vier etten van het dingspil Oostermoer. Dit gezelschap moest de klagers en beklaagden nogmaals horen om ze dan zo doenlijk de zaak “in der minne” bij te laten leggen, of, als dat niet lukte, ze bij uitspraak te “ontscheiden”.

Dat gebeurde nog in november 1697. In alle drie deze restante zaakjes legde de commissie de schelders (Lenting, Sissing en Levinge) op te verklaren, dat ze niets van de beledigde partij wisten “als alle eer en goet”. In het geval van Lenting gold dit Hermens als individu: Lenting moest verklaren dat hij de gedeputeerdenknecht mogelijk “in grote toorn en haestigheijt” had beledigd, “wenschende dat het niet waer voorgevallen”. In de verklaring was ook vastgelegd dat deze niet zou strekken “tot de minste krenkinge van de ere en reputatie, goede naem en faem” van Lenting zelf. Lenting moest Hermens bovendien een deel van diens proceskosten betalen: 10 zilveren ducatons (ruim 30 gulden).

In de zaken van Lenting contra Sissing en Leving kwam de Etstoelcommissie tot een gelijk oordeel, met dien verstande dat beide gedaagden moesten verklaren dat ze solliciteur Lenting èn diens  familie niet hadden willen beledigen. Het ging dus om meer dan de eer van de solliciteur alleen. Voor de tegemoetkoming in de proceskosten maakte dat niets uit, die bestond uit hetzelfde bedrag.

Lenting, Sissing en Levinge gingen alle drie in hoger beroep en Sissing  zou zelfs revies aanvragen, maar dat baatte allemaal niets: de Etstoel bleef in 1698 en 1699 bij de commissoriale uitspraken van eind november 1697. Alleen in het geval van Laurens Levinge kwam nog aan het licht, waardoor Lenting zich nou zo in zijn eer aangetast voelde. Levinge verklaarde dat de motieven van Sissing  niet voor hem golden – hij was dus maar een meeloper. Hij kon daarom “hoog en duir” en bij “sin hoogste waerheijt” verklaren

dat hij de woorden van pofferbackers of poffer eters niet hadde gesproken

Blijkbaar waren dar dan de woorden van zijn kompaan Sissing geweest. Ook verklaarde Levinge dat een andere uitlating die hem aangewreven werd, niet de bedoeling had die solliciteur Lenting erin had bespeurd. Toen een gespreksgenoot van Sissing en Helinge opmerkte, “dat hij de poffen liever at met corinthen”, zou Levinge hebben gerantwoord: “Ick eetse liever met botter”. Echter, daarmee had hij  solliciteur Lenting, diens schoonzoon Tabing, of hun familie niet willen beledigen.

Het was Lentings eer te na om een poffertbakker te heten, of ermee vergeleken te worden. Wellicht was hij wat overgevoelig qua eer, maar dat gold voor vele tijdgenoten.  Het hier besproken cluster rechtszaakjes uit de jaren 1697-1699 toont dat eens te meer aan en ook maakt het duidelijk dat je poffertbakkers niet zomaar met goed-gereputeerde herbergiers mocht vergelijken. Een aardige bijkomstigheid is nog dat blijkt, hoe poffert destijds werd gegeten: met krenten of met boter. In elk geval was het betere kost, dan die je in een herbergje op het Zuidlaarderveen kon eten – de eigenaar daarvan stond in het Zuidlaarder heerdstedenregister van 1694 te boek als “Jannes in de Brijpot”.

Bronnen:

Drents Archief, Etstoel 14,

  • deel 31, folio 119, 120 e.v.: 19 november 1695;
  • deel 32, folio 348-351: 16 november 1697;
  • deel 33, folio 46-51: 19 juni 1698;
  • deel 33, folio 273-276: juni 1699.

Spokerij op Dalerveen

Drost en Vierentwintigh Etten der Landschap Drenthe
Also sedert eenigen tijd voor een gerugte in deze Landschap is gespargeert alsof het op Dalerveen spookte, en wij geïnformeert sijn geworden dat de vilder wonende op De Haar met namen Pieter Hindriks dit gewaande spook heeft gemaakt of angerigt –
Hebben wij goedgevonden mits desen te gelasten de capitain geweldiger C. van Elferen om sig ten spoedigsten in alle secretesse te begeven na De Haar, de voorschr[even] Pieter Hindriks in apprehensie te neemen en vervolgens denselven secuur na Assen ter gevankenisse over te brengen, gelastende mits desen  de scholts van Sleen L.L. Huisinge en desselfs pander om den Capt Geweldiger tot verrigtinge van dit exploict in allen delen behulpsaam te sijn.
Actum Assen den 4 julij 1752.
Ter ordonnantie van de Heeren voorschreven
/get./ J. Kymmel
1752

Nauwelijks twee weken later velt de Etstoel het vonnis:

Also de gedetineerde Pieter Hindriks van De Haar in de markte van Ermen alhier ter gevankenisse is gebragt op sware praesumptie dat hij sedert eenigen tijd spokerij op Dalerveen hadde aangerigt, en daartoe van anderen sou wesen angeset, waarover de gedetineerde gehoord, alhier ter vergaderinge heeft geconfesseert dat hij op den 4 febr. 1752 des avonds in donkeren met sijn snaphane in het veld was geweest en eenige malen het kruid van de panne hadde laten branden, dog dat sulks met geen quaad opset gedaan hadde, ook sonder inductie of aanradinge van een ander, verders versoekende genade en dat het hem mogte werden vergeven.
Waarover gedelibereert sijnde.
Hebben Drost en Vierentwintigh Etten verstaan dat de gedetineerde Pieter Hindriks voor dese reijs uit de gevankenisse sal worden gerelaxeert, en dat hem in serieuse termen sal worden aangesegt om sig inkomstig te onthouden om des avonds of ’s nagts bij sijn huis of in het veld eenig vuur of ligt te maken met een snaphane of op een ander wijse, bij poene, dat so hij daarvan overtuigt mogte worden, alsdan swaarder sal worden gestraft.
Dese sententie is de gevangen Pieter Hindriks in collegio voorgelesen op den 17 julij 1752 en ten gevolge voorschreven sententie aan hem een ernstige waarschouwinge gegeven. Quod attestor.
/get./ J. Kymmel
1752

Bronnen: Etstoel 14 deel 50 folio 139, 4 juli 1752 [scans 275 en 276] + zelfde deel folio 183vso en 184 [scana 264-265].

Toelichting: de bedoeling van de vilder (beestenhuidenaftrelkker) was kennelijk om met het vuur op de pan van zijn snaphaan (geweer) een lichtverschijnsel in het leven te roepen, dat men associeerde met een glènde (gloeiende) kerel, d.w.z. een kerel die vanwege zijn zonden na de dood geen rust kon vinden en daarom zwervend over het heideveld passanten verontrustte. De heren stuurden er hun oppercipier op af, die de vilder met hulp en een schulte en pander arresteerde en naar Assen overbracht. Daar heeft de vilder een mooi poosje in het hondengat of de gevangenis mogen vertoeven. Hij kwam er met een berisping vanaf. Helaas zijn de procesdossiers van de Etstoel nog niet online, anders was er wellicht nog wat meer informatie te vinden.


Welke jaarmarkten bezochten de Drenten het meest?

Heb gisteravond flink zitten grasduinen in de Index op de lottingen van de Etstoel, 1609-1790. Zo was ik benieuwd naar de jaarmarkten die ter sprake komen op de civielrechtelijke en boetstraffelijke zittingen van deze Drentse rechtbank in die periode. Hier is het lijstje:

Jaarmarkten binnen Drenthe Aantal meldingen
Zuidlaren 11
Diever 7
Norg 6
Meppel 4
Dwingeloo 3
Ruinen 3
Odoorn 3
Zweelo 2
Hoogeveen 2
Anloo 1
Roswinkel 1
Jaarmarkten buiten Drenthe  
Groningen 1
Wanneperveen 1
Deventer 1

Dat Zuidlaren de kroon spant, is bepaald geen verrassing. Noord-Drenthe (Zuidlaren, Norg, Anloo) is überhaupt goed vertegenwoordigd.  Wel valt op dat de Rodermarkt in dit staatje schittert door afwezigheid, terwijl die drukke markt in gerechtelijke stukken van het Westerkwartier nogal eens genoemd wordt. Qua aantallen meldingen doen de gezamenlijke markten van Zuidwest-Drenthe (Diever, Dwingeloo, Ruinen, Meppel en Hoogeveen) niet voor die van Noord-Drenthe onder. Oost-Drenthe (Roswinkel, Odoorn, Zweelo) valt qua aantal meldingen nogal tegen: in dit meest geïsoleerde deel van Drenthe  zat minder handel. Buiten Drenthe hadden de Drenten zo te zien vrij weinig te zoeken.


Kwestie om de ree- en kerkweg van Ter Heijl

Drents Archief 181-39.2 Uitsnede kaart van Groningen, 1784.

Op 24 juni 1788 stonden de Drentse drost S.P.A. van Heiden en de kerspellieden van Roden tegenover elkaar bij de Etstoel, het hoogste gerecht van Drenthe. Volgens de drost was bij een schouw in oktober 1787 de “rhee- en kerkweg” die in zuidoostelijke richting van Huize ter Heijl, via het Zultherveld en het gehucht de Zulthe naar het kerkdorp Roden liep, “geheel impassabel en onbruikbaar” bevonden. Op een gerechtelijke vraag hadden de Rodenaren niet willen zeggen wie er precies verantwoordelijk waren voor het hoogst noodzakelijke herstel en onderhoud. Daarom eiste de drost deze werkzaamheden van het kerspel Roden, waarbij de Rodenaren onderling maar moesten uitmaken wie het werk zou doen. Ook moesten ze de kosten van het geding betalen, vond hij.

De eerste verdedigingslinie van de Rodenaren kwam erop neer dat de drost zich voor het karretje had laten spannen van de douairière Sloet-Van Dedem, sinds enkele jaren de eigenaresse van Huize ter Heijl. Met deze nieuwkoomster waren de Rodenaren al een tijd in conflict over een nieuwe weg die zij op haar eigen kosten had laten “afbaken” en die in de toekomst, na de oplevering, de rol van ree- en kerkweg zou moeten overnemen. Waarschijnlijk betrof het de huidige Toutenburgsingel, die iets ten noorden van de Zulthe uitkwam op de hoofdweg tussen Roden en Leek en die daarbij een heideveld passeerde, dat nog het collectief eigendom was van de markegenoten van Roden. Deze ”veldgerechtigden” bliefden die particuliere weg echter niet op hun grond en hadden de bouw stil laten leggen. De Rodenaren vonden dat de drost eerst deze kwestie had moeten afhandelen, voordat hij aan de onderhoudszaak van de zuidoostelijke route had mogen beginnen.

Volgens de Rodenaren had de drost de wegschouw op die zuidoostelijke route laten uitvoeren op aanvraag van mevrouw Sloet en op aanwijzing van haar bedienden en meiers. Ze vonden dat de drost ook mevrouw voor de Etstoel had moeten dagen. Bovendien hadden Lieveren en Steenbergen niets te maken met wegonderhoud ten noorden van Roden, dus met het indagen van het algehele kerspel Roden richtte de drost zich aan het verkeerde adres.

De drost daarentegen, vond dat hij destijds wel op het verzoek  van mevrouw Sloet moest ingaan – hij had de schouw volgens de gewone regels laten uitvoeren door de schulte en twee eigenerfden van Peize. De kerspellieden van Roden had hij ook in de gelegenheid gesteld hun belangen in te brengen. Het was absoluut niet zijn bedoeling geweest om ze met de schouw onder druk te zetten zodat ze toestemming zouden geven voor de aanleg van de nieuwe, wat noordelijker gelegen weg. De Rodenaren bleven echter de mening toegedaan dat Van Heiden zijn oren had laten hangen naar mevrouw Sloet. En dat nota bene zonder hen, “oude landzaten”, de mond te gunnen.

Belangrijker dan dit afgeleide gekibbel, was een principiële, inhoudelijke discussie over de aard van de zo slecht onderhouden weg bij de Zulthe. De Rodenaren meenden dat alleen “publiek bekende herenwegen, rhee- en kerkewegen” onderhevig waren aan schouw en daartoe behoorde deze weg in hun ogen beslist niet. Ze kenden geen andere reeweg (voor het vervoer van doden naar het aangewezen kerkhof) vanaf Ter Heijl dan de Heijlsterweg (eerder Helsterweg, nu Vagevuurselaan/Natuurschoonweg) naar de Nietap en voorts vandaar naar Roden, wat natuurlijk een geweldige, Ommelander omweg was, al vertelden ze dat er wijselijk niet bij.

Daarentegen hield de drost vast aan de zuidoostelijke, geheel vervallen route over het Zultherveld en langs een steeg in De Zulthe. Volgens hem was dit de “gewone” en “aloude” route voor het wegbrengen van doden. Hij bracht naar voren dat hierlangs “van tijd tot tijd” (af en toe) overleden pachtboeren van Huize ter Heijl naar hun laatste rustplaats in Roden waren gegaan. Hoe vaak dat gebeurde, vertelde de drost er op zijn beurt niet bij, maar zelfs rond 1800 gebeurde dat hooguit één keer per jaar. De Heijlsterweg naar Nietap was volgens hem alleen maar als dodenweg gebruikt voor begrafenissen te Midwolde of elders in Groningerland. Dat deze noordelijke route geen ree- en kerkweg naar Roden kon zijn, bleek naar zijn mening uit de geschiedenis. De kloosteruithof in Ter Heijl viel vanouds, vanaf de late Midddeleeuwen, onder de parochiekerk te Roden, terwijl Nietap pas veel later (eind zeventiende eeuw) was gesticht. Bovendien stond de slecht onderhouden reeweg over het Zultherveld ende Zulthe volgens hem ook op de landkaarten.

Inderdaad staat die route op één enkele kaart, zij het van Groningerland (zie pijltje op kaartuitsnede boven): het betreft een zijweg vanaf de Scheperij over de heide naar De Zulthe. Destijds nog actuelere kaarten van Drenthe laten dit wormvormig aanhangseltje echter helemaal niet zien; sterker nog, ze tonen vaak niet eens de Heijlsterweg van Ter Heijl naar Nietap. Volkomen begrijpelijk dus, dat de  kerspellieden van Roden dit argument resoluut van de hand wezen. In hun historische visie was er nooit een ree- of kerkweg naar Roden geweest. Op de middeleeuwse uithof van de abdij Aduard in Ter Heijl stond een kapel, waar volgens hen de lokale doden werden begraven. Een ree- en kerkweg naar Roden was dus niet nodig geweest en ook niet in het Zultherveld te vinden. Van een markescheiding was zo’n weg ook niet bekend, en sinds mensenheugenis was er evenmin zo’n weg geschouwd.

Toegegeven, er waren heus wel eens overleden pachters van Ter Heijl door het Zultherveld en de Zulthe naar Roden gebracht, zonder dat dat ooit was belet, maar uit die praktijk volgde nog niet dat men recht op dit gebruik had, laat staan dat die weg als reeweg onderhevig was aan schouw. Nee, de ware reeweg, zo stelden de Rodenaren, liep van het huis Ter Heijl noordwaarts over Nietap,  zoals ook te zien was aan de familie Van Ewsum (die van 1626 tot 1771 Huize Ter Heijl in eigendom had). De Van Ewsums zetten hun doden bij in familiegraven (meervoud) in de kerk van Midwolde, terwijl ook andere doden van Ter Heijl meest via de Heijlsterweg en Nietap naar de provincie Groningen gingen, om daar te worden begraven.

Hoewel de Rodenaren mijns inziens historisch de sterkste argumenten hadden, dolven ze toch het onderspit. Drost van Heiden had het laatste woord, Naar zijn mening volgde uit het niet schouwen van een weg nog niet, dat die weg niet schouwbaar was. Zonder twijfel was de zuidoostelijke route over het Zultherveld en De Zulthe schouwbaar. Hij had er wel zeven getuigen voor dat deze route altijd voor een ree- en kerkweg naar Roden was gehouden en dat ze sinds mensheugenis ook zo was gebruikt.

Aan het eind van zijn pleidooi maakte de drost alle historische argumentatie zelfs overbodig. Als er bij en in De Zulthe nooit zo’n reeweg was geweest, zoals de Rodenaren meenden, dan was hij als drost nog steeds bevoegd om daar omwille van het belang der huidige Ter Heijlsters aan te dringen op de instelling ervan. Zelfs al hadden de Van Ewsums hun doden “willekeurig” in Midwolde begraven, dan nog viel Ter Heijl “onder de klokkenslag van het carspel Roden”. De bewoners van de buurtschap moesten daarom beschikken over een (korte)  ree- en kerkweg naar Roden.

Met dit machtswoord over de politieke wenselijkheid trok de drost aan het langste eind: de Etstoel stelde hem in het gelijk. De kerspellieden van Roden mochten de kosten geding betalen en zullen naderhand ook braaf de reparatie en het toekomstig onderhoud van de weg in kwestie hebben geregeld.

Bron: Drents Archief Assen, Toegang 0085 (archief Etstoel) inv.nr. 14, deel 65, folio 38vso e.v., zitting 24 juni 1788.


Hanen kraaiden in Lutkewolde


In het staatboek van Huis Terheijl, opgemaakt ca. 1806-1810, staan tussen de gewone posten wegens pacht van boerderijen en turfmakerijen ook enkele met huren deels in natura, die daarmee een beetje middeleeuws aandoen. Het gaat om deze acht:

Huur per jaar: Huurder: Omschr. vastgoed:
ƒ 85 + 4 jonge hanen Cornelis Ottens en vr. Boerderij i/d Dobben
ƒ 64 + 6 jonge hanen Hindrik Peters en vr. Boerderij Lutkewolde
ƒ 56 + 6 jonge hanen Ype G. Haijema Boerderij Lutkewolde
ƒ 140 + 6 jonge hanen Jacob Abels Boerderij Lutkewolde
ƒ 70 + 6 jonge hanen Teye Abels Boerderij Lutkewolde
ƒ 46 + 4 jonge hanen Carst Jacobs en vr. Boerderij Roden
ƒ 75 + 4 jonge hanen Willem Hendriks en vr. Boerderij Roden
ƒ 48 + 6 jonge hanen Ebbe Abels en vr. Boerderij Lieveren

In alle gevallen betreft het boerderijen, meestal gelegen in Lutke- of Leutingewolde, maar soms ook in Roden en Lieveren. Met elkaar leverden ze jaarlijks 42 jonge hanen aan Huis Terheijl. Als die voor eigen consumptie waren, stond er bij de heer en mevrouw De Lille-Van Dedem dus bijna wekelijks een jonge haan op tafel.

Met name in Leutingewolde was er iedere ochtend vrij veel hanengekraai te horen, zeker als ook op boerderijen van andere eigenaren hanen werden gehouden voor betaling van huur in natura.


Roomstra’s kwamen van Rome

Grappig, de kinderen uit de familie Hendrik Heines die van 1799 tot 1814 de boerderij Rome of Romen bij Ter Heijl bewoonde, namen naderhand, voor zover bekend, allemaal de familienaam Roomstra aan.

Rome(n) moet destijds overigens een vrij kleine boerderij geweest zijn, gezien de huurprijzen, oplopend van 75 tot 105 gulden per jaar. Het ging om losse huren in in termijnen  van drie tot zes jaar. Zulke boeren waren gemakkelijk te lozen door de eigenaar van het buitengoed Terheijl. De zoons Roomstra van Heines en vrouw heten in burgerlijke standsakten dan ook arbeiders, en niet boeren.