Hoe de schroom voor Jefta week

Jefta de naam Meertens

Ik hoorde een verhaal over een jongetje dat Jephta of Jefta heet.

Jephta, Jefta – iets zei me dat er wat met die naam was. Iets bijbels. Daarom op naar de Wikipedia. Ah juist, een van de Richteren:

Jefta was een buitenechtelijke zoon van Gilead en een naamloze prostituee.”

Vandaar ook, dat die naam zelden voorkwam. In Alle Groningers, met in principe alle doop- en geboorteakten vanaf de zeventiende eeuw tot 1920, is die naam slechts één enkele keer genoteerd en wel in de ph-variant. Eind 1679 lieten Harmen Geerts en zijn vrouw Geesjen, die bij de Herepoort woonden, hun zoon Jephta dopen in de Groninger Martinikerk.

De gegevens van de laatste 140 jaar staan op de Voornamenbank van het Meertensinstituut (zie grafiek boven). Jephta levert daar te weinig gevallen op voor een grafiek, maar tot medio jaren 50 werd de naam Jefta nooit vergeven! Vanaf de jaren 60 kwakkelt het wat op laag niveau, en sinds 2004 lijkt de naam in de mode te komen.

Dat de naam voor 1954 niet vergeven werd, moet haast wel samenhangen met de bijbelvastheid van mensen. Geen mens dat zich (min of meer) christelijk (of joods) noemde, wilde dat zijn kind geassocieerd werd met een hoerenzoon en bastaard uit de Schrift.

Sindsdien schreden ontkerkelijking, ontkerksing en ontkerstening voort en week de schroom voor de vernoeming Jefta. Men vindt het gewoon een mooie naam, zonder zich te bekreunen om de achtergrond.

Naschrift 27.4
Kreeg een mailtje dat de schroom voor het gebruik van de naam Jefta te maken heeft met Jefta’s bereidheid zijn dochter te offeren aan God, als Jefta een veldslag zou winnen. Dat zal best ook zo zijn, maar de mailschrijver onderschat volgens mij de rol van eer in vroeger tijden.

Maar ook als we de amendering  accepteren, tast dat de stelling niet wezenlijk aan.  Hoe dan ook bestond er schroom tegen de naam, en die schroom is sinds de jaren 50 geweken voor een esthetische waardering, die er niet zou zijn geweest als men het bijbelverhaal nog goed kende. Overigens zou het interessant zijn de verschillende bijbelse namen eens te bekijken op hun werdegang in de periode 1650-1920.


Brillejood

Naast de kleinste van de klas, was ik op de lagere school geruime tijd ook de enige met een bril. Pas in de zesde of hoogste klas verscheen er zo’n ding op de neus van enige andere leerlingen. Daarentegen droeg ik al een dergelijke gezichtsprothese vanaf mijn tweeëeneenhalfde, toen ik een tijdelijk succesvolle operatie onderging om mijn ene oog recht te zetten.

Op het schoolplein spraken sommige pestkoppen mij wel aan met het scheldwoord “schele”, zo mogelijk gecombineerd met “professor”. Dat laatste was dan nog als eerbetoon op te vatten, maar daarnaast was ‘brillejood’, eventueel ingeleid met ‘schele’ een manier om mij te bejegenen. Wat een brillejood was, wist ik niet – zoveel had je daar niet meer van, na de oorlog – maar het werd minachtend uitgesproken, en dat kwam aan. Zo’n beetje de laatste keer dat ik het mocht horen ben ik pestkop nummer 1, een klasgenoot die een paar koppen groter was dan ik, aangevlogen, kreeg hem onder, en heb ik hem links en rechts om zijn oren gestompt, totdat een onderwijzer me van hem aftrok.

Het gekke is, dat de term brillejood überhaupt nog bestond, begin jaren zestig op een schoolplein in Drenthe. Volgens een zuidelijk krantenbericht uit 1937 was het scheldwoord namelijk toen al “uit den tijd geraakt”:

lemand, die een bril draagt, behoeft niet bang meer te zijn daarom dat hatelijke brillenjood naar zijn hoofd te krijgen.

‘Brillejood’ was oorspronkelijk, in de negentiende eeuw, een populaire beroepsaanduiding voor rondtrekkende, joodse brillenverkopers, waarvan je er ook in Groningerland een stuk of wat had. De minachting kwam natuurlijk niet van het zegenrijke werk dat deze handelsreizigers voor ons gezichtsvermogen deden, maar werd opgewekt door het zwerven en daarmee de lage status en het vreemd zijn van deze kooplui, om over het wijdverspreide antisemitisme maar te zwijgen.

Kennelijk was die cocktail van afkeer toch wat langer blijven hangen in Drenthe, ook al waren er geen joden meer.


Query: roldoorbreke*

In een subsidie-aanvraag uit 1981 las ik dat vrouwencafé Dikke Trui “roldoorbrekende films” draaide.

Daar moest ik even op kauwen, op die term “roldoorbrekende”. Ik had hem al in tijden niet meer gehoord of gelezen en hij kwam kwam me gedateerd voor. Hij leek me typisch voor de tweede feministische golf.

Om deze veronderstelling te toetsen zocht ik met  roldoorbreke* op Delpher, zodat ik alle artikelen in de daar toegankelijk gemaakte Nederlandse kranten met roldoorbreken, roldoorbrekend en roldoorbrekende opgedist zou krijgen. Het aantal artikelen per jaar met die woorden ziet u in onderstaande grafiek:

De eerste keer dat het roldoorbreken in een krant stond was in 1973, daarna zien we een flinke stijging tot 1984, een stagnatie tot 1988 en tot slot een uit de gratie raken van de term nadien. Mogelijk zit er in die laatste periode een bias, omdat er voor die periode wat minder kranten in Delpher zitten, maar toch nog altijd wel de NRC, de Volkskrant, Trouw, de Telegraaf, het Parool en het Nederlands Dagblad.

Inderdaad lijkt de term typisch voor de tweede feministische golf.

 


Het raadselachtige fenomeen der plevers

Groninger Archieven Toegang 1774 (documentatie) inv.nr. 4224. (map Sappemeer).

Een toevalsvondst, deze rekening uit 1893 van de koek- en banketbakker Schierbeek uit Sappemeer wegens soeskes, plevers, bitterkoeken, weespermoppen en ridderbrood.

Interessant zijn vooral de ‘plevers’, ook wel ‘pleverkouken’ genoemd. Het waren de eierkoeken die vroeger na begrafenissen bij de koffie werden genuttigd.

De naam van dit baksel is Gronings-Drents. Zowel Henk Scholte als Martin Hillenga  heeft zich in de herkomst van die naam verdiept, zonder tot een definitief oordeel te kunnen komen.

Zo is er een hardnekkig verhaal dat de koeken genoemd zijn naar een bakker P. Lever uit Stadskanaal, of Musselkanaal. Alleen heeft daar nooit zo’n bakker gewoond. In heel Groningen niet.

Een andere hypothese wijst op een Portugees-joodse afkomst: plava > palevie > plever, ofwel palabra (lang praten) > palaveren > plever. Via een joodse bakker in Winschoten zou de term dan in Oost-Groningen gemeengoed geworden zijn. Echter, hier in het noorden waren sefardische joden niet of nauwelijks voorhanden; het veronderstellen van een dergelijke taalinvloed vanuit die hoek lijkt nogal gewaagd. Mogelijk om die reden wees de uit Winschoten afkomstige Jaap Meijer (de vader van Ischa), op de Jiddische termen ‘plajenen’ en ‘planjenen’ voor klagelijk huilen. Wat natuurlijk heel goed past bij rouw, alleen is de klankverwantschap van die termen met plever nogal gezocht.

Of het bij de plevers bij de begrafeniskoffie om een lange traditie ging, lijkt sowieso twijfelachtig. Voor 1830/1840 werd er in Groningen en Drenthe na begrafenissen nog witte rijst met grauwe erwten gegeten. Door de auteurs die zich laatstelijk in het pleverfenomeen verdiept hebben, worden ook geen oudere bronnen dan publicaties uit de twintigste eeuw aangehaald. De hierboven vertoonde nota lijkt voorlopig het oudste stuk, dat plevers noemt.


Reiderwolderpolderpaardebonen

En dan beweren ze dat Groningers zo kort en bondig zijn. Nou niet als het om hun paardebonen gaat!:

Bron: De Boerderij van 22 december 1926.


Zielbewaarder

Ik zat eigenlijk te zoeken op het beroep ‘werver’ (van soldaten en matrozen). Dat leverde niet veel op in Alle Groningers en voor de grap probeerde ik het met de negatieve volksaanduiding zielverkoper, kortheidshalve %ziel. En zie: daar kwamen geen zielverkopers tevoorschijn, maar zielbewaarders.

Zielbewaarder, wat is dat nou weer? Het kolossale WNT geeft twee mogelijkheden: 1) zielenherder, dus een pastor, en 2) de hoofdman van een boogschuttersgilde.

Mogelijkheid 2) was voor Groningen sowieso uitgesloten, bij gebrek aan schuttersgilden. En een dominee of pastoor (1) werd misschien wel eens zielbewaarder genoemd in ‘t een of ander stichtelijk geschrift, maar vast niet door een nuchtere ambtenaar der burgerlijke stand die wist dat hij een predikant of priester voor zich had.

Ik kijk nog eens naar de drie Groninger akten met de beroepsaanduiding ‘zielbewaarder’. Ze stammen uit de jaren 1829, 1830 en 1831 en betreffen resp. een Jan Steffens Brouwer (28), een Folkert Abel Abels (37) en een Jan Alberts Zielman (38). Door die laatste familienaam en door de woonplaats van alle drie – Finsterwolde – gaat me een lichtje op. Een zielbewaarder is de half Groningse, half deftige aanduiding voor het gangbare zijlwaarder (zeg maar sluismeester).

Het WNT behoeft op dit punt zeer beslist aanvulling!


Naar de bollen bij de Ennemaborg

Dit is MIDWOLDA, ziet daar gintzen staat de kerk,
En hier de hofstee van den raadsheerlyken HORA,
O cierlyk bloemhof daar de Goddelyke flora!
Godts wysheit meine ik, uit een rei van bloemen straaldt,
O aardsche regenboog, die met meer kleuren praaldt!
Als ’s hemels boog; hoe brandt de gloeyende ranonkel
By Persische Yrias, elk krokus een karbonkel
Vertoont als peers en blauw en wit en helder geel,
Wyl purperen narcis hier sluimerd op zyn steel;
De schoone tulpen ook hun vlammig hooft ontluiken
Terwyl de geurge roos op haare scherpe struiken
Te pronk staat. Ziet hier lis dat ’s hemels booge afmaalt,
Ook bloem van eenen dag ver uit Peru gehaaldt;
Den schoonen hyacinth, en geurige filetten,
En witte lelyen, gezicht en reuk hier wetten,
De bloeme van damast, de roode martagom,
Annemos en fiool, de wondre passiblom,
Den Raadsheer met haar kleur en zoeten reuk verblyden,
Zyn oogen feest aandoen, en ’s Heeren handt belyden;
Ja d’alderkleinste bloem in zynen ryken hof,
Op haare blaadtjes voerdt des grooten Scheppers lof.

Bronnen: Het poeem komt uit Quintyn Pabus, Lof der Stadt Groningen (1741) 14; de tekening van Ennema (1772, door mij bewerkt) uit de collectie van RHC Groninger Archieven: 818-9953.