Naar de bollen bij de Ennemaborg

Dit is MIDWOLDA, ziet daar gintzen staat de kerk,
En hier de hofstee van den raadsheerlyken HORA,
O cierlyk bloemhof daar de Goddelyke flora!
Godts wysheit meine ik, uit een rei van bloemen straaldt,
O aardsche regenboog, die met meer kleuren praaldt!
Als ’s hemels boog; hoe brandt de gloeyende ranonkel
By Persische Yrias, elk krokus een karbonkel
Vertoont als peers en blauw en wit en helder geel,
Wyl purperen narcis hier sluimerd op zyn steel;
De schoone tulpen ook hun vlammig hooft ontluiken
Terwyl de geurge roos op haare scherpe struiken
Te pronk staat. Ziet hier lis dat ’s hemels booge afmaalt,
Ook bloem van eenen dag ver uit Peru gehaaldt;
Den schoonen hyacinth, en geurige filetten,
En witte lelyen, gezicht en reuk hier wetten,
De bloeme van damast, de roode martagom,
Annemos en fiool, de wondre passiblom,
Den Raadsheer met haar kleur en zoeten reuk verblyden,
Zyn oogen feest aandoen, en ’s Heeren handt belyden;
Ja d’alderkleinste bloem in zynen ryken hof,
Op haare blaadtjes voerdt des grooten Scheppers lof.

Bronnen: Het poeem komt uit Quintyn Pabus, Lof der Stadt Groningen (1741) 14; de tekening van Ennema (1772, door mij bewerkt) uit de collectie van RHC Groninger Archieven: 818-9953.

Advertenties

Warffumer bloklichters

Offerblok Warffum, interbellum. Collectie Groninger Archieven 2138-5646.

Werd er na het vorige logje op geattendeerd dat ‘bloklichters’ de schimp- en spotnaam voor inwoners van Warffum was. Dat wist ik nog niet. De tipgever verwees naar de Volksverhalenbank van het Meertensinstituut, die de term enerzijds terecht definieert als “dieven die het offerblok leeghalen”, terwijl de Warffumers die naam anderzijds te danken zouden hebben

aan het feit dat ze het offerblok, met daarin de offergiften, altijd zouden leeghalen.

Dit laatste nu, vind ik minder gelukkig verwoord. Sowieso wordt een offerblok periodiek volkomen legaal leeggehaald. Met de term zouden dan ook buitengewoon ordentelijke diakenen kunnen worden aangeduid. Dat moet maar niet. Het ging in beginsel uiteraard om manspersonen uit Warffum, ooit opgepakt nadat ze zich wederrechtelijk de inhoud van het een of andere armblok toeëigenden, daarmee  een smet werpend op het blazoen van de brave Warffumers in het algemeen, die dat voortaan bij onmin of plagerij voortdurend ingepeperd kregen.

Was benieuwd naar de oudste melding. Die blijkt (voorlopig) te staan in het Woordenboek der Groningsche Volkstaal van Molema (1887) – bij het lemma ‘molboon’ noemt Molema ook andere schimp-, spot- en bijnamen, onder andere dus die voor de Warffumers: bloklichters.

In elk geval hadden de Warffumer onverlaten die hun dorpsgenoten – naar het schijnt voor eeuwig – dit koopje geleverd hebben, het niet voorzien op hun eigen armblok. Voor het forceren van zo’n zwaar met ijzer beslagen, hardhouten kluis kon je maar het beste een hele scherpe beitel meenemen. Na een succesvolle bewerking met een dergelijk stuk gereedschap was een blok voorgoed onbruikbaar. Uit de administratie van de Warffumer diaconie blijkt echter, dat het armblok in de kerk van Warffum voortdurend in gebruik is geweest van de achttiende eeuw tot na 1900.

Als inderdaad een historisch feit tot de bijnaam heeft geleid, dan hadden de oorspronkelijke Warffumer bloklichters het dus voorzien op een armblok ergens in de omgeving. En dat zette kwaad bloed. Vandaar de schimpnaam, die later verzachtte tot een spot- en bijnaam.


Krantenlegger met desideratum

Het papier was al zo oud, dat het zo goed als geen stem meer had. Daarom wilde het graag dat er etiketten zouden worden gedrukt voor alle krantenleggers van zijn leeftijd in het archief. Die wens kwam er gefluisterd uit, maar de man van de restauratie-afdeling kon uiteindelijk nog redelijk goed verstaan wat het papier wilde. Hij ging er natuurlijk ook al zo lang mee om. “Dan heb je aan een half woord genoeg, weet je.” Hij vond dat het papier hélemaal gelijk had en ook omdat het papier ’t verzoek zo netjes bracht, gaf de restauratieman er meteen gehoor aan. Die stickers kwamen er.


Hemeldragonder (3)

In 1811 uit ds. Nieuwold van Zuidbroek “geene geringe bezwaren” tegen Engel Remkes Dekker, een kleermaker uit het dorp, wegens diens “openlijk ergerlijk gedrag”. Deze Dekker is hervormd lidmaat en staat dus onder toezicht van de kerkeraad. Die roept Dekker op om zich te komen verantwoorden, maar de kleermaker weigert meermalen te verschijnen: “Hij lachte wat om den Domenij, had de Domenij hem wat te zeggen, kon hij aan zijn eigen huis komen.” Zelfs noemde de snijder ds. Nieuwold “een regte Hemeldragonder”.

Waar de eigenlijke zaak over ging, wordt niet duidelijk, maar dat is in dit verband ook niet belangrijk. Het gaat me hier om die term, die in de bron al is onderstreept. Dat deze term toen reeds als een spotnaam of scheldwoord gold, is meteen duidelijk, want de kerkeraad achtte hem zeer beledigend en was dan ook “grotelijks verontwaardigd”.

Zelf associeerde ik de term ‘hemeldragonder’ altijd met heilssoldaten, vanwege het militaire aspect, maar hij blijkt dus veel ouder dan het Leger des Heils, dat in 1865 werd opgericht en pas enkele decennia later in Noord-Nederland verscheen. Reden om eens in het Woordenboek der Nederlandsche Taal te kijken, of dat het woord ook noemt en wat voor historische voorbeelden het er dan bij aanhaalt. Dat blijken onder andere te zijn literaire werken van Potgieter uit 1841 en van Van Lennep uit 1865. Waarmee onomstotelijk vaststaat dat het woord inderdaad ouder is dan het Heilsleger, maar ook, dat de melding in het Zuidbroekster kerkeraadsprotocol nog weer enkele decennia eerder opgetekend is.

Even hoopte ik, de alleroudste melding van dat ‘hemeldragonder’ te pakken te hebben. Voor alle zekerheid toch nog maar even bij Google Books gekeken. Als oudste meldingen geeft deze digitale bibliotheek een biografie van paus Clemens XIV uit 1768, een traktaat over de eenzaamheid uit 1791, een blijspel uit 1806 en een historische roman uit 1809. Het woord was dus al gangbaar, toen de Zuidbroekster kleermaker het in de mond nam.

Jammer, daar ging mijn ‘primeurtje’. Maar, al is de term hemeldragonder nog ouder dan zijn uitlating, de kleermaker uit Zuidbroek zat wel vrij dicht op die eerste meldingen. Ik denk dat het een belezen type was; zijn zoon werd niet voor niets schoolmeester.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 339 (archief hervormde gemeente Zuidbroek) inv.nr. 1: kerkeraadshandelingen, bepaaldelijk die van 28 juli, 30 juli, 4 augustus en 13 augustus 1811.


Drachtense of Drachtster?

In zijn levensbeschrijving van Tjaard de Haan rept Willem de Blécourt bijna halverwege van diens “Drachtense jaren”. Daar zat ik nogal vreemd tegenaan te kijken, tegen dat Drachtense en ik besloot daarom een klein krantenonderzoekje te doen: schrijven kranten ook wel eens Drachtense in plaats van Drachtster en zo ja waar doen ze dat dan in welke mate? Met krantenbanken als De Krant van Toen (Leeuwarder Courant en Nieuwsblad van het Noorden) en Delpher (Nederlandse kranten in het algemeen) is zo’n exercitie een fluitje van een cent:

Krant Drachtens(e) abs. Percentage Drachtster abs. Percentage
Leeuwarder Courant 426 3,5 % 11.851 96,5 %
Nieuwsblad van het Noorden 35 0,7 % 4674 99,3 %
De Volkskrant 13 2,6 % 490 97,4 %
Delpher kranten alg. 539 1,1 % 47.743 98,9 %

Gezien de ‘stalinistische’ uitslagen mogen we concluderen dat Drachtens(e) tamelijk incourant is en Drachtster de norm.

De uitslag helpt ook om die hele biografie te relativeren, of misschien zelfs te verteren. Hierin etaleert De Blécourt immers voornamelijk zijn voorkeur voor èchte wetenschap, waar De Haan die in de steek zou hebben gelaten ten gunste van popularisering. Als er iets is wat de laatste jaren ­– vooral door de politiek – duidelijk wordt, is dat wetenschap überhaupt niet zonder popularisering kan. Zonder een fatsoenlijke en overtuigende overdracht naar de mensen die het allemaal mogen betalen, zet ze haar legitimatie op losse schroeven.


Imca en haar accent

Als de bekende zangpedagoge Bep Ogterop begin 1965 afgeeft op beatmuzikanten, tienersterretjes en hun managers, gunt de jongerenrubriek ‘Groei’ in het Nieuwsblad van het Noorden het woord aan enkele Groninger getuigen à charge en décharge. De jonge zangeres Imca Marina komt dan op voor Bep:

“Ik ben een leerlinge van mevrouw Ogterop en ik vind haar fantastisch!” zegt zangeres Imca Marina, die vanuit Amsterdam – haar huidige woonplaats – reageerde. „Bep Ogterop heeft ervoor gezorgd dat ik het Gronings accent kwijtraakte. ledere Groninger weet dat dat erg moeilijk is”.”

Blijkbaar werd Imca aangesproken op de onbarmhartige verwijdering van haar tongval, want nog in hetzelfde jaar komt de van origine Hoogezandse in Het Vrije Volk nog eens terug op het “van voren af aan” Nederlands moeten leren spreken omdat ze zo’n “zwaar Gronings accent” had:

“’O, ik schaam me er niets voor, hoor, ik vind Gronings nog altijd een heerlijke taal en als ik thuis ben bij mijn moeder, spreek ik het nog altijd.”


Klootjesvolk blijkt veel ouder dan gedacht

Zoek ik iets op in het Königliche Nider-Hoch-Teutsch, und Hoch-Nider-Teutsch Dictionarium uit 1719, valt mijn oog opeens op dit:

Klootjesvolk (Nl) = Lumpen-volck, Pöbel-gesinde, liderliches Gezüchte (D).  En, weer op zijn Nederlands: een andere term voor grauw etc.

Klootjesvolk, dus. Laat me nou altijd hebben gedacht dat die term was uitgevonden door de provo’s?! Hij blijkt zelfs nog ruim een eeuw ouder dan 1719, want het WNT, dat ‘klootjesvolk’ definieert als “oudtijds een minachtende benaming voor de lagere volksklasse, zooveel als: gepeupel, janhagel” – geeft een hele ris citaten met de term uit de zeventiende eeuw, waaronder deze van Bredero uit 1612:

“Dit klootjes volck van de vesten, of uyt de slopjes,
Die legghen en loopen, en goyen elckien mit dopjes

De kansarmen die hier in hun achterbuurten passanten bekogelen met rotte eieren, lijken echter wel wat agressiever dan het klootjesvolk waar de provo’s en hippies het later over hadden. Dat waren, als je het mij vraagt, veeleer suffe spitsburgers.

Enfin, zo’n lang vergeten term die weer opleeft in een totaal ander tijdsgewricht – fascinerend!