Tuuk, tuut, dan wel piek – met welke roep men de kippen in Groningerland tot zich lokte

lokroep-kippen-groningen-uitsnede-blog

Mijn oud-tante Lieuwkje, van Friese komaf, maar wonende te Feerwerd in het noordelijk Westerkwartier, riep de kippen bij het voeren altijd tot zich door “piek piek piek” te roepen, waarbij ze het woordje piek telkens veel langer uitrekte dan ze in een gesprek zou doen. Tegen dat woord piek keek ik als  jongetje uit Drenthe eerst heel vreemd aan, weet ik nog. Een kip was toch een kip en geen piek?

Vond nu in de Kaartenbank van het Meertens Instituut een kaart waarop de dominante lokroepen van de kip per regio aangetekend staan. Helaas is de kaart ongedateerd, maar de sterk verbleekte onderlegger doet me denken aan soortgelijk materiaal uit de jaren 60 in de Groninger Archieven. Uit de Meertenskaart heb ik ’t Groningerland geknipt en zijn provinciale contouren zichtbaar gemaakt met een groen lijntje.

Op de kaart zijn drie symbooltjes dominant. Het zwarte driehoekje  voor “tuut” overheerste in heel Oost-Groningen en zelfs in het Lageland ten westen van het Eemskanaal. Op het Hogeland bij de Waddenkust daarentegen riep men kippen liever met tuuk aan, gezien alle rode rondjes met schuine dwarsstrepen aldaar.

Maar tuut of tuuk maakt natuurlijk weinig uit. Echt afwijkend is het Westerkwartier. Hier vormen de groene vierkantjes de meerderheid en lokte men de kippen, net als mijn oud-tante dat deed, met een piek-piek-piek. Zoals Oost-Groningen wat dat betreft aansloot op Drenthe, sloot het Westerkwartier aan op Friesland.


De schrik van het kerspel

In 1750 mocht de Oldambtster drost ze eens in zijn gehoorkamer verwelkomen: de predikant en kerkvoogden van Nieuwolda,

“op het versoek van de caspellieden begerende eenen schrik voor hun caspel…”

De ‘schrik’ die ze op dat moment hadden (samen met een of twee andere kerspelen) deugde namelijk niet.

Met die aanduiding ‘schrik’ bedoelde men de roderoede of veldwachter, of, om het Groninger Woordenboek van Ter Laan aan te halen: “oudtijds den politiedienaar ten plattelande”. In deze betekenis schijnt de omineuze term ‘schrik’ (hij jaagt een kwajongen meteen de stuipen op je lijf) typisch Gronings te zijn geweest, want je vindt hem zo niet in het Drents Woordenboek van Hadderingh en ook niet in het het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT).

Afgaande op het woordenboek van Ter Laan, was de term ‘schrik’ voor veldwachter in de eerste helft van de twintigste eeuw nog bekend in Westerwolde. Maar ontstond de term daar dan ook, of was Westerwolde de regio waar die betekenis overleefde? Dit valt enigszins te toetsen met als uitgangspunt een andere opmerking van Ter Laan, te weten dat de term nog steeds voorleeft als geslachtsnaam.

In Ter Laans tijd had je geen Alle Groningers, maar nu wel, en een simpele query op de familienaam Schrik levert op dat die naam in 1740 voor het eerst in een Groninger doop-, trouw-, of begraafboek opdook. Tot 1810 treffen we in zulke registraties in totaal 21 meldingen aan van 13 mannen die Schrik heetten. Gezien de patroniemen kunnen de later genoemde echter slechts in enkele gevallen familie van de eerder genoemde zijn geweest. Afgaande op de retroacta burgerlijke stand is de naam dus op meerdere plaatsen ontstaan en dit betreft bijna louter plaatsen in het Oldambt, met achtereenvolgens eerste verschijningen te Finsterwolde (1740), Beerta (1758), Woltersum (1763), Winschoten (1767), Nieuwe Pekela (1773), Nieuwolda (1775), Zuidbroek (1780), Noordbroek (1783), Nieuw-Beerta (1788) en Meeden 1790). De opmars van de achternaam Schrik kent weliswaar zijn grillige momenten, maar lijkt globaal toch begonnen te zijn in het oosten van het Oldambt – pas later wordt die naam in de meer westelijk gelegen Oldambtster kerspelen geregistreerd.

Westerwolde had dus vast niet de primeur van de bijnaam Schrik die tot familienaam evolueerde, al bleef de veldwachter daar wel het langst zo heten.

Bronnen: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (Rechtsarchief Oldambt) inv.nr. 6119 – 10 juni 1750 (Nieuwolda); 23 september 1754 (Finsterwolde); inv.nr . 6122 – 2 april 1770 (Finsterwolde); en inv.nr. 6128 – 15 juni 1779. In alle gevallen betreft het rekestboeken.


Kinderen die men Moeder noemt

het-kind-genaamd-moeder

Bij het doornemen van de Oldambtster rekesten stuitte ik weer eens op de meisjesnaam Moeder. Een voornaam die heel verwarrend is, als je hem voor het eerst tegenkomt: het kind krijgt als het ware een volwassen functie toegedicht. Reden om nu eens te kijken wanneer en waar deze voornaam in zwang was.

Heden ten dage is de naam uitgestorven. In Drenthe kwam hij niet voor, in Friesland juist wel, maar sporadisch: 18 maal in de negentiende en het begin van de twintigste eeuw, maar daarvoor juist niet. Met zijn 85 dopen en geboorteaangiften van de zeventiende tot en met de negentiende eeuw lijkt Groningerland niet alleen de oudste papieren te hebben, maar is de naam Moeder vooral ook Gronings. Ook al hield hij het hier minder lang vol dan in Friesland.

Verdeeld naar halve eeuwen ziet de frequentie van de Groningse vernoemingen er zo uit:

Voor 1650

2

1650-1699

29

1700-1749

38

1750-1799

12

1850-1849

1

1850-1899

3

Omdat het aantal bewaard gebleven doopboeken uit de zeventiende eeuw veel kleiner is dan dat uit de achttiende, zal het werkelijke aantal Moeders toen veel groter geweest zijn. Best mogelijk dus, dat het hoogtepunt in de eerste helft van de achttiende eeuw in werkelijkheid al een neergang impliceert. Vanaf die tijd is er werkelijk een neergang geweest, tot de naam in de twintigste eeuw uitstierf.

Alle Groninger Moeders zijn hieronder met kruisjes bij hun doop- en geboorteplaatsen in kaart gebracht:

meisjes-die-moeder-heten-spreiding-blogversie

Het kerngebied is duidelijk het Oldambt, vooral op de grens van klei en veen. Er is een uitstraling naar noordelijk Fivelingo en Hunsingo, De stad Groningen bracht een stuk of wat Moeders voort, het Gorecht een enkele. In Westerwolde en het Westerkwartier was de naam non-existent.

Zoomen we nog even in op de plaatsen met de hoogste frequenties:

Meeden 15
Noordbroek 8
Beerta 6
Finsterwolde 4
Veendam 4
Hornhuizen 4

Zowel Noordbroek als Beerta kende ooit een vrij forse doopsgezinde minderheid. Meen dat Meeden ook wel doopsgezinde inwoners had, maar weet dat niet zeker. Op het eerste gezicht zou de naam Moeder wel eens kunnen samenhangen met die minderheid. Hoewel die zelf natuurlijk niet vertegenwoordigd is bij de hervormde doopinschrijvingen – het zal dan gaan om een indirect effect.


Hoe Hendrik Hindrik verdrong

Wie veel oude Groninger bronnen leest, weet dat hier in het noorden ooit veel meer Hindrikken dan Hendrikken rondliepen. Hindrik was de regionale variant en Hendrik de Hollandse of nationale variant. Hendrik kwam pas later op en heeft op enig moment Hindrik overvleugeld.

Maar wanneer was dat? Dankzij Alle Groningers is dat gemakkelijk te achterhalen. In onderstaande grafiek zijn per kwarteeuw alle Hindrikken en Hendrikken uit Groninger doop- en geboorteaktes verwerkt van 1700 tot 1899. De rode lijn van Hendrik passeert de blauwe lijn van Hindrik in het derde kwart van de negentiende eeuw, als de provincie Groningen steeds meer geïncorporeerd raakt in de nationale eenheidsstaat, voor welke ontwikkeling de spoorwegen een mooi symbool zijn:

hindrik-en-hendrik-1

NB: Mogelijk hebben de invoerders van Alle Groningers per abuis wel eens een Hindrik in een Hendrik veranderd, maar dat maakt weinig uit. Correctie zou de ontwikkeling alleen maar pregnanter doen uitkomen,

In bovenstaande grafiek gaat het om absolute aantallen en loopt het aantal Hendrikken in de achttiende eeuw langzaam op, maar lang gebeurt dat in gelijke tred met het aantal Hindrikken. Pas in het tweede kwart van de negentiende eeuw komen de lijnen naar elkaar toe. Hoe Hindriks marktaandeel in percentages zich ontwikkelde, is daarom nog weergegeven in onderstaande grafiek:

hindrik-en-hendrik-2-marktaandeel-hindrik

Van lieverlee verloor Hindrik wel al wat terrein, maar in het eerste kwart van de negentiende eeuw was dat nog een overtuigende voorkeursvariant. Daarna begint een snelle afname en rond 1900 is die variant duidelijk in de minderheid geraakt.


Bultje krodde bracht daalder op

krodde-1786

Volgens een lijstje van “kooren gewas” op zijn boedelinventaris, verkocht de doopsgezinde koopman en boer Luitje Reinders uit Sappemeer in 1786 vooral haver (ruim 97 mud), boekweit (55 mud), rogge (36 mud) en “Turkse rogge” (bijna 8 mud). Dat laatste graan kwam waarschijnlijk van zaaigoed uit Turkije.

Verbazingwekkend is vooral de laatste post. Reinders wist zelfs nog een bultje krodde te verkopen. Het onkruid bracht een daalder op. Misschien werd er wel olie van gemaakt.


De Werdegang van ’t scheldwoord moffen

Je hoort of leest het nog maar zelden: het scheldwoord ‘moffen’ ter aanduiding van Duitsers. En dat is natuurlijk goed zo.  Maar sinds wanneer zijn we het eigenlijk minder gaan gebruiken?

Vanwege een kleine discussie over deze Werdegang besloot ik eens via Delpher te kijken hoe vaak de term vanaf de oorlog in de loop der jaren voorkwam in de redactionele kolommen van een voor dit doel bruikbare krant. Mijn keus viel, zoals wel vaker, op de Leeuwarder. Ik had zo’n beetje verwacht dat het gebruik van de term vanaf de jaren 50 zou afnemen, maar dat bleek dus niet het geval:

moffen als scheldwoord

Na 45 is er aanvankelijk drie, vier decennia lang een voortdurende toename geweest. In eerste instantie zal dat mede gelegen hebben aan het dikker worden van de kranten. Neemt niet weg dat de frequentie na de tweede helft van de jaren 60 nog steeds toeneemt, tot ze in de periode 1975-1984 het grootst is.  Pas vanaf toen nam het gebruik van het scheldwoord moffen af.

Ik heb niet naar de individuele artikelen gekeken, maar dat decennium rond 1980 vormt ook het herfsttij van de jaren 60 in ideologische zin. De oorlog is dan onder de stolp van de wederopbouw vandaan getrokken en blijkt nog levend verleden. Jongeren zetten zich af tegen de veronderstelde passiviteit van hun ouders en identificeren zich met verzet, wat wel degelijk ook zwaar ontaard is, denk maar aan: RAF en sympathisanten, krakersrellen, en de kroningsdag van 1980. Ik vermoed dat in radicaal-linkse kringen het scheldwoord moffen wat vaker in de mond genomen werd, en dat dat bijdroeg aan de piek in de grafiek.


Onverbiddelijk heeft overtreffende trappen

groene boekje onverbiddelijk

Dit verbaasde me in hoge mate: dat het Groene Boekje beide overtreffende trappen toekent aan ‘onverbiddelijk’. Want voor mijn gevoel heeft onverbiddelijk geen overtreffende trap: je kunt niet onverbiddelijker zijn dan onverbiddelijk, en ware dat wel mogelijk, dan verliest het onverbiddelijk zijn kracht, waarmee de vermeende overtreffende trappen ook op drijfzand  komen te berusten.

Om mijn gelijk te halen wendde ik mij tot het WNT. Maar zie daar, ook dat geeft beide overtreffende trappen. Weliswaar zonder voorbeelden te geven, maar toch: de taalkundigen zijn unisono de mening toegedaan dat je het absolute en definitieve van onverbiddelijk mag relativeren en uitrekken.

Het WNT geeft dus geen voorbeelden, terwijl het daar anders zo sterk in is. Zijn er überhaupt wel voorbeelden te vinden van dat onverbiddelijker en onverbiddelijkst? Jawel, zo blijkt: Delpher geeft een kleine duizend gevallen van onverbiddelijker in kranten sinds 1807 en bijna zestig van onverbiddelijkst vanaf 1843.

Mijn taalgevoel zal zich onverbiddelijk bij de feiten neer moeten leggen.