Query: roldoorbreke*

In een subsidie-aanvraag uit 1981 las ik dat vrouwencafé Dikke Trui “roldoorbrekende films” draaide.

Daar moest ik even op kauwen, op die term “roldoorbrekende”. Ik had hem al in tijden niet meer gehoord of gelezen en hij kwam kwam me gedateerd voor. Hij leek me typisch voor de tweede feministische golf.

Om deze veronderstelling te toetsen zocht ik met  roldoorbreke* op Delpher, zodat ik alle artikelen in de daar toegankelijk gemaakte Nederlandse kranten met roldoorbreken, roldoorbrekend en roldoorbrekende opgedist zou krijgen. Het aantal artikelen per jaar met die woorden ziet u in onderstaande grafiek:

De eerste keer dat het roldoorbreken in een krant stond was in 1973, daarna zien we een flinke stijging tot 1984, een stagnatie tot 1988 en tot slot een uit de gratie raken van de term nadien. Mogelijk zit er in die laatste periode een bias, omdat er voor die periode wat minder kranten in Delpher zitten, maar toch nog altijd wel de NRC, de Volkskrant, Trouw, de Telegraaf, het Parool en het Nederlands Dagblad.

Inderdaad lijkt de term typisch voor de tweede feministische golf.

 

Advertenties

Het raadselachtige fenomeen der plevers

Groninger Archieven Toegang 1774 (documentatie) inv.nr. 4224. (map Sappemeer).

Een toevalsvondst, deze rekening uit 1893 van de koek- en banketbakker Schierbeek uit Sappemeer wegens soeskes, plevers, bitterkoeken, weespermoppen en ridderbrood.

Interessant zijn vooral de ‘plevers’, ook wel ‘pleverkouken’ genoemd. Het waren de eierkoeken die vroeger na begrafenissen bij de koffie werden genuttigd.

De naam van dit baksel is Gronings-Drents. Zowel Henk Scholte als Martin Hillenga  heeft zich in de herkomst van die naam verdiept, zonder tot een definitief oordeel te kunnen komen.

Zo is er een hardnekkig verhaal dat de koeken genoemd zijn naar een bakker P. Lever uit Stadskanaal, of Musselkanaal. Alleen heeft daar nooit zo’n bakker gewoond. In heel Groningen niet.

Een andere hypothese wijst op een Portugees-joodse afkomst: plava > palevie > plever, ofwel palabra (lang praten) > palaveren > plever. Via een joodse bakker in Winschoten zou de term dan in Oost-Groningen gemeengoed geworden zijn. Echter, hier in het noorden waren sefardische joden niet of nauwelijks voorhanden; het veronderstellen van een dergelijke taalinvloed vanuit die hoek lijkt nogal gewaagd. Mogelijk om die reden wees de uit Winschoten afkomstige Jaap Meijer (de vader van Ischa), op de Jiddische termen ‘plajenen’ en ‘planjenen’ voor klagelijk huilen. Wat natuurlijk heel goed past bij rouw, alleen is de klankverwantschap van die termen met plever nogal gezocht.

Of het bij de plevers bij de begrafeniskoffie om een lange traditie ging, lijkt sowieso twijfelachtig. Voor 1830/1840 werd er in Groningen en Drenthe na begrafenissen nog witte rijst met grauwe erwten gegeten. Door de auteurs die zich laatstelijk in het pleverfenomeen verdiept hebben, worden ook geen oudere bronnen dan publicaties uit de twintigste eeuw aangehaald. De hierboven vertoonde nota lijkt voorlopig het oudste stuk, dat plevers noemt.


Reiderwolderpolderpaardebonen

En dan beweren ze dat Groningers zo kort en bondig zijn. Nou niet als het om hun paardebonen gaat!:

Bron: De Boerderij van 22 december 1926.


Zielbewaarder

Ik zat eigenlijk te zoeken op het beroep ‘werver’ (van soldaten en matrozen). Dat leverde niet veel op in Alle Groningers en voor de grap probeerde ik het met de negatieve volksaanduiding zielverkoper, kortheidshalve %ziel. En zie: daar kwamen geen zielverkopers tevoorschijn, maar zielbewaarders.

Zielbewaarder, wat is dat nou weer? Het kolossale WNT geeft twee mogelijkheden: 1) zielenherder, dus een pastor, en 2) de hoofdman van een boogschuttersgilde.

Mogelijkheid 2) was voor Groningen sowieso uitgesloten, bij gebrek aan schuttersgilden. En een dominee of pastoor (1) werd misschien wel eens zielbewaarder genoemd in ‘t een of ander stichtelijk geschrift, maar vast niet door een nuchtere ambtenaar der burgerlijke stand die wist dat hij een predikant of priester voor zich had.

Ik kijk nog eens naar de drie Groninger akten met de beroepsaanduiding ‘zielbewaarder’. Ze stammen uit de jaren 1829, 1830 en 1831 en betreffen resp. een Jan Steffens Brouwer (28), een Folkert Abel Abels (37) en een Jan Alberts Zielman (38). Door die laatste familienaam en door de woonplaats van alle drie – Finsterwolde – gaat me een lichtje op. Een zielbewaarder is de half Groningse, half deftige aanduiding voor het gangbare zijlwaarder (zeg maar sluismeester).

Het WNT behoeft op dit punt zeer beslist aanvulling!


Naar de bollen bij de Ennemaborg

Dit is MIDWOLDA, ziet daar gintzen staat de kerk,
En hier de hofstee van den raadsheerlyken HORA,
O cierlyk bloemhof daar de Goddelyke flora!
Godts wysheit meine ik, uit een rei van bloemen straaldt,
O aardsche regenboog, die met meer kleuren praaldt!
Als ’s hemels boog; hoe brandt de gloeyende ranonkel
By Persische Yrias, elk krokus een karbonkel
Vertoont als peers en blauw en wit en helder geel,
Wyl purperen narcis hier sluimerd op zyn steel;
De schoone tulpen ook hun vlammig hooft ontluiken
Terwyl de geurge roos op haare scherpe struiken
Te pronk staat. Ziet hier lis dat ’s hemels booge afmaalt,
Ook bloem van eenen dag ver uit Peru gehaaldt;
Den schoonen hyacinth, en geurige filetten,
En witte lelyen, gezicht en reuk hier wetten,
De bloeme van damast, de roode martagom,
Annemos en fiool, de wondre passiblom,
Den Raadsheer met haar kleur en zoeten reuk verblyden,
Zyn oogen feest aandoen, en ’s Heeren handt belyden;
Ja d’alderkleinste bloem in zynen ryken hof,
Op haare blaadtjes voerdt des grooten Scheppers lof.

Bronnen: Het poeem komt uit Quintyn Pabus, Lof der Stadt Groningen (1741) 14; de tekening van Ennema (1772, door mij bewerkt) uit de collectie van RHC Groninger Archieven: 818-9953.


Warffumer bloklichters

Offerblok Warffum, interbellum. Collectie Groninger Archieven 2138-5646.

Werd er na het vorige logje op geattendeerd dat ‘bloklichters’ de schimp- en spotnaam voor inwoners van Warffum was. Dat wist ik nog niet. De tipgever verwees naar de Volksverhalenbank van het Meertensinstituut, die de term enerzijds terecht definieert als “dieven die het offerblok leeghalen”, terwijl de Warffumers die naam anderzijds te danken zouden hebben

aan het feit dat ze het offerblok, met daarin de offergiften, altijd zouden leeghalen.

Dit laatste nu, vind ik minder gelukkig verwoord. Sowieso wordt een offerblok periodiek volkomen legaal leeggehaald. Met de term zouden dan ook buitengewoon ordentelijke diakenen kunnen worden aangeduid. Dat moet maar niet. Het ging in beginsel uiteraard om manspersonen uit Warffum, ooit opgepakt nadat ze zich wederrechtelijk de inhoud van het een of andere armblok toeëigenden, daarmee  een smet werpend op het blazoen van de brave Warffumers in het algemeen, die dat voortaan bij onmin of plagerij voortdurend ingepeperd kregen.

Was benieuwd naar de oudste melding. Die blijkt (voorlopig) te staan in het Woordenboek der Groningsche Volkstaal van Molema (1887) – bij het lemma ‘molboon’ noemt Molema ook andere schimp-, spot- en bijnamen, onder andere dus die voor de Warffumers: bloklichters.

In elk geval hadden de Warffumer onverlaten die hun dorpsgenoten – naar het schijnt voor eeuwig – dit koopje geleverd hebben, het niet voorzien op hun eigen armblok. Voor het forceren van zo’n zwaar met ijzer beslagen, hardhouten kluis kon je maar het beste een hele scherpe beitel meenemen. Na een succesvolle bewerking met een dergelijk stuk gereedschap was een blok voorgoed onbruikbaar. Uit de administratie van de Warffumer diaconie blijkt echter, dat het armblok in de kerk van Warffum voortdurend in gebruik is geweest van de achttiende eeuw tot na 1900.

Als inderdaad een historisch feit tot de bijnaam heeft geleid, dan hadden de oorspronkelijke Warffumer bloklichters het dus voorzien op een armblok ergens in de omgeving. En dat zette kwaad bloed. Vandaar de schimpnaam, die later verzachtte tot een spot- en bijnaam.


Krantenlegger met desideratum

Het papier was al zo oud, dat het zo goed als geen stem meer had. Daarom wilde het graag dat er etiketten zouden worden gedrukt voor alle krantenleggers van zijn leeftijd in het archief. Die wens kwam er gefluisterd uit, maar de man van de restauratie-afdeling kon uiteindelijk nog redelijk goed verstaan wat het papier wilde. Hij ging er natuurlijk ook al zo lang mee om. “Dan heb je aan een half woord genoeg, weet je.” Hij vond dat het papier hélemaal gelijk had en ook omdat het papier ’t verzoek zo netjes bracht, gaf de restauratieman er meteen gehoor aan. Die stickers kwamen er.