Drachtense of Drachtster?

In zijn levensbeschrijving van Tjaard de Haan rept Willem de Blécourt bijna halverwege van diens “Drachtense jaren”. Daar zat ik nogal vreemd tegenaan te kijken, tegen dat Drachtense en ik besloot daarom een klein krantenonderzoekje te doen: schrijven kranten ook wel eens Drachtense in plaats van Drachtster en zo ja waar doen ze dat dan in welke mate? Met krantenbanken als De Krant van Toen (Leeuwarder Courant en Nieuwsblad van het Noorden) en Delpher (Nederlandse kranten in het algemeen) is zo’n exercitie een fluitje van een cent:

Krant Drachtens(e) abs. Percentage Drachtster abs. Percentage
Leeuwarder Courant 426 3,5 % 11.851 96,5 %
Nieuwsblad van het Noorden 35 0,7 % 4674 99,3 %
De Volkskrant 13 2,6 % 490 97,4 %
Delpher kranten alg. 539 1,1 % 47.743 98,9 %

Gezien de ‘stalinistische’ uitslagen mogen we concluderen dat Drachtens(e) tamelijk incourant is en Drachtster de norm.

De uitslag helpt ook om die hele biografie te relativeren, of misschien zelfs te verteren. Hierin etaleert De Blécourt immers voornamelijk zijn voorkeur voor èchte wetenschap, waar De Haan die in de steek zou hebben gelaten ten gunste van popularisering. Als er iets is wat de laatste jaren ­– vooral door de politiek – duidelijk wordt, is dat wetenschap überhaupt niet zonder popularisering kan. Zonder een fatsoenlijke en overtuigende overdracht naar de mensen die het allemaal mogen betalen, zet ze haar legitimatie op losse schroeven.

Advertenties

Imca en haar accent

Als de bekende zangpedagoge Bep Ogterop begin 1965 afgeeft op beatmuzikanten, tienersterretjes en hun managers, gunt de jongerenrubriek ‘Groei’ in het Nieuwsblad van het Noorden het woord aan enkele Groninger getuigen à charge en décharge. De jonge zangeres Imca Marina komt dan op voor Bep:

“Ik ben een leerlinge van mevrouw Ogterop en ik vind haar fantastisch!” zegt zangeres Imca Marina, die vanuit Amsterdam – haar huidige woonplaats – reageerde. „Bep Ogterop heeft ervoor gezorgd dat ik het Gronings accent kwijtraakte. ledere Groninger weet dat dat erg moeilijk is”.”

Blijkbaar werd Imca aangesproken op de onbarmhartige verwijdering van haar tongval, want nog in hetzelfde jaar komt de van origine Hoogezandse in Het Vrije Volk nog eens terug op het “van voren af aan” Nederlands moeten leren spreken omdat ze zo’n “zwaar Gronings accent” had:

“’O, ik schaam me er niets voor, hoor, ik vind Gronings nog altijd een heerlijke taal en als ik thuis ben bij mijn moeder, spreek ik het nog altijd.”


Klootjesvolk blijkt veel ouder dan gedacht

Zoek ik iets op in het Königliche Nider-Hoch-Teutsch, und Hoch-Nider-Teutsch Dictionarium uit 1719, valt mijn oog opeens op dit:

Klootjesvolk (Nl) = Lumpen-volck, Pöbel-gesinde, liderliches Gezüchte (D).  En, weer op zijn Nederlands: een andere term voor grauw etc.

Klootjesvolk, dus. Laat me nou altijd hebben gedacht dat die term was uitgevonden door de provo’s?! Hij blijkt zelfs nog ruim een eeuw ouder dan 1719, want het WNT, dat ‘klootjesvolk’ definieert als “oudtijds een minachtende benaming voor de lagere volksklasse, zooveel als: gepeupel, janhagel” – geeft een hele ris citaten met de term uit de zeventiende eeuw, waaronder deze van Bredero uit 1612:

“Dit klootjes volck van de vesten, of uyt de slopjes,
Die legghen en loopen, en goyen elckien mit dopjes

De kansarmen die hier in hun achterbuurten passanten bekogelen met rotte eieren, lijken echter wel wat agressiever dan het klootjesvolk waar de provo’s en hippies het later over hadden. Dat waren, als je het mij vraagt, veeleer suffe spitsburgers.

Enfin, zo’n lang vergeten term die weer opleeft in een totaal ander tijdsgewricht – fascinerend!


Tuuk, tuut, dan wel piek – met welke roep men de kippen in Groningerland tot zich lokte

lokroep-kippen-groningen-uitsnede-blog

Mijn oud-tante Lieuwkje, van Friese komaf, maar wonende te Feerwerd in het noordelijk Westerkwartier, riep de kippen bij het voeren altijd tot zich door “piek piek piek” te roepen, waarbij ze het woordje piek telkens veel langer uitrekte dan ze in een gesprek zou doen. Tegen dat woord piek keek ik als  jongetje uit Drenthe eerst heel vreemd aan, weet ik nog. Een kip was toch een kip en geen piek?

Vond nu in de Kaartenbank van het Meertens Instituut een kaart waarop de dominante lokroepen van de kip per regio aangetekend staan. Helaas is de kaart ongedateerd, maar de sterk verbleekte onderlegger doet me denken aan soortgelijk materiaal uit de jaren 60 in de Groninger Archieven. Uit de Meertenskaart heb ik ’t Groningerland geknipt en zijn provinciale contouren zichtbaar gemaakt met een groen lijntje.

Op de kaart zijn drie symbooltjes dominant. Het zwarte driehoekje  voor “tuut” overheerste in heel Oost-Groningen en zelfs in het Lageland ten westen van het Eemskanaal. Op het Hogeland bij de Waddenkust daarentegen riep men kippen liever met tuuk aan, gezien alle rode rondjes met schuine dwarsstrepen aldaar.

Maar tuut of tuuk maakt natuurlijk weinig uit. Echt afwijkend is het Westerkwartier. Hier vormen de groene vierkantjes de meerderheid en lokte men de kippen, net als mijn oud-tante dat deed, met een piek-piek-piek. Zoals Oost-Groningen wat dat betreft aansloot op Drenthe, sloot het Westerkwartier aan op Friesland.


De schrik van het kerspel

In 1750 mocht de Oldambtster drost ze eens in zijn gehoorkamer verwelkomen: de predikant en kerkvoogden van Nieuwolda,

“op het versoek van de caspellieden begerende eenen schrik voor hun caspel…”

De ‘schrik’ die ze op dat moment hadden (samen met een of twee andere kerspelen) deugde namelijk niet.

Met die aanduiding ‘schrik’ bedoelde men de roderoede of veldwachter, of, om het Groninger Woordenboek van Ter Laan aan te halen: “oudtijds den politiedienaar ten plattelande”. In deze betekenis schijnt de omineuze term ‘schrik’ (hij jaagt een kwajongen meteen de stuipen op je lijf) typisch Gronings te zijn geweest, want je vindt hem zo niet in het Drents Woordenboek van Hadderingh en ook niet in het het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT).

Afgaande op het woordenboek van Ter Laan, was de term ‘schrik’ voor veldwachter in de eerste helft van de twintigste eeuw nog bekend in Westerwolde. Maar ontstond de term daar dan ook, of was Westerwolde de regio waar die betekenis overleefde? Dit valt enigszins te toetsen met als uitgangspunt een andere opmerking van Ter Laan, te weten dat de term nog steeds voorleeft als geslachtsnaam.

In Ter Laans tijd had je geen Alle Groningers, maar nu wel, en een simpele query op de familienaam Schrik levert op dat die naam in 1740 voor het eerst in een Groninger doop-, trouw-, of begraafboek opdook. Tot 1810 treffen we in zulke registraties in totaal 21 meldingen aan van 13 mannen die Schrik heetten. Gezien de patroniemen kunnen de later genoemde echter slechts in enkele gevallen familie van de eerder genoemde zijn geweest. Afgaande op de retroacta burgerlijke stand is de naam dus op meerdere plaatsen ontstaan en dit betreft bijna louter plaatsen in het Oldambt, met achtereenvolgens eerste verschijningen te Finsterwolde (1740), Beerta (1758), Woltersum (1763), Winschoten (1767), Nieuwe Pekela (1773), Nieuwolda (1775), Zuidbroek (1780), Noordbroek (1783), Nieuw-Beerta (1788) en Meeden 1790). De opmars van de achternaam Schrik kent weliswaar zijn grillige momenten, maar lijkt globaal toch begonnen te zijn in het oosten van het Oldambt – pas later wordt die naam in de meer westelijk gelegen Oldambtster kerspelen geregistreerd.

Westerwolde had dus vast niet de primeur van de bijnaam Schrik die tot familienaam evolueerde, al bleef de veldwachter daar wel het langst zo heten.

Bronnen: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (Rechtsarchief Oldambt) inv.nr. 6119 – 10 juni 1750 (Nieuwolda); 23 september 1754 (Finsterwolde); inv.nr . 6122 – 2 april 1770 (Finsterwolde); en inv.nr. 6128 – 15 juni 1779. In alle gevallen betreft het rekestboeken.


Kinderen die men Moeder noemt

het-kind-genaamd-moeder

Bij het doornemen van de Oldambtster rekesten stuitte ik weer eens op de meisjesnaam Moeder. Een voornaam die heel verwarrend is, als je hem voor het eerst tegenkomt: het kind krijgt als het ware een volwassen functie toegedicht. Reden om nu eens te kijken wanneer en waar deze voornaam in zwang was.

Heden ten dage is de naam uitgestorven. In Drenthe kwam hij niet voor, in Friesland juist wel, maar sporadisch: 18 maal in de negentiende en het begin van de twintigste eeuw, maar daarvoor juist niet. Met zijn 85 dopen en geboorteaangiften van de zeventiende tot en met de negentiende eeuw lijkt Groningerland niet alleen de oudste papieren te hebben, maar is de naam Moeder vooral ook Gronings. Ook al hield hij het hier minder lang vol dan in Friesland.

Verdeeld naar halve eeuwen ziet de frequentie van de Groningse vernoemingen er zo uit:

Voor 1650

2

1650-1699

29

1700-1749

38

1750-1799

12

1850-1849

1

1850-1899

3

Omdat het aantal bewaard gebleven doopboeken uit de zeventiende eeuw veel kleiner is dan dat uit de achttiende, zal het werkelijke aantal Moeders toen veel groter geweest zijn. Best mogelijk dus, dat het hoogtepunt in de eerste helft van de achttiende eeuw in werkelijkheid al een neergang impliceert. Vanaf die tijd is er werkelijk een neergang geweest, tot de naam in de twintigste eeuw uitstierf.

Alle Groninger Moeders zijn hieronder met kruisjes bij hun doop- en geboorteplaatsen in kaart gebracht:

meisjes-die-moeder-heten-spreiding-blogversie

Het kerngebied is duidelijk het Oldambt, vooral op de grens van klei en veen. Er is een uitstraling naar noordelijk Fivelingo en Hunsingo, De stad Groningen bracht een stuk of wat Moeders voort, het Gorecht een enkele. In Westerwolde en het Westerkwartier was de naam non-existent.

Zoomen we nog even in op de plaatsen met de hoogste frequenties:

Meeden 15
Noordbroek 8
Beerta 6
Finsterwolde 4
Veendam 4
Hornhuizen 4

Zowel Noordbroek als Beerta kende ooit een vrij forse doopsgezinde minderheid. Meen dat Meeden ook wel doopsgezinde inwoners had, maar weet dat niet zeker. Op het eerste gezicht zou de naam Moeder wel eens kunnen samenhangen met die minderheid. Hoewel die zelf natuurlijk niet vertegenwoordigd is bij de hervormde doopinschrijvingen – het zal dan gaan om een indirect effect.


Hoe Hendrik Hindrik verdrong

Wie veel oude Groninger bronnen leest, weet dat hier in het noorden ooit veel meer Hindrikken dan Hendrikken rondliepen. Hindrik was de regionale variant en Hendrik de Hollandse of nationale variant. Hendrik kwam pas later op en heeft op enig moment Hindrik overvleugeld.

Maar wanneer was dat? Dankzij Alle Groningers is dat gemakkelijk te achterhalen. In onderstaande grafiek zijn per kwarteeuw alle Hindrikken en Hendrikken uit Groninger doop- en geboorteaktes verwerkt van 1700 tot 1899. De rode lijn van Hendrik passeert de blauwe lijn van Hindrik in het derde kwart van de negentiende eeuw, als de provincie Groningen steeds meer geïncorporeerd raakt in de nationale eenheidsstaat, voor welke ontwikkeling de spoorwegen een mooi symbool zijn:

hindrik-en-hendrik-1

NB: Mogelijk hebben de invoerders van Alle Groningers per abuis wel eens een Hindrik in een Hendrik veranderd, maar dat maakt weinig uit. Correctie zou de ontwikkeling alleen maar pregnanter doen uitkomen,

In bovenstaande grafiek gaat het om absolute aantallen en loopt het aantal Hendrikken in de achttiende eeuw langzaam op, maar lang gebeurt dat in gelijke tred met het aantal Hindrikken. Pas in het tweede kwart van de negentiende eeuw komen de lijnen naar elkaar toe. Hoe Hindriks marktaandeel in percentages zich ontwikkelde, is daarom nog weergegeven in onderstaande grafiek:

hindrik-en-hendrik-2-marktaandeel-hindrik

Van lieverlee verloor Hindrik wel al wat terrein, maar in het eerste kwart van de negentiende eeuw was dat nog een overtuigende voorkeursvariant. Daarna begint een snelle afname en rond 1900 is die variant duidelijk in de minderheid geraakt.