Avondrondje met lichtshow

Haflingers grazend langs de slootrand, Langmadijk Peizermade:

Aan de overkant van het Peizerdiep kondigt zich de lichtshow aan:

De pinken bij de Onlanderdijk denken steeds dat ik ze wat lekkers kom brengen:

Hooiweg bij Roderwolde:

Bij de Matsloot:

Het contrast van jong gras en verdroogde zuring:

Distelvlinder op viaduct over de A7:

Zonneharp:

Westpoort:

De Poffert:

Acrobaat in ruste:

Lagemeeden:

Bij Den Horn:

Spoorwegovergang Den Horn:

Bij Nieuwbrug:

De Zuidwending:

Advertenties

Ommetje Eiteweert – Leegkerk

Veel kamille op de Bolham; op de achtergrond het bedrijvenlint langs de A7:

Het steigertje voor vissers aan het Peizerdiep wordt gerenoveerd:

Maar de libellen snorren er nog steeds vrolijk rond, en nemen ook nog af en toe rust op het hout dat er is blijven staan, althans deze oeverlibel doet dat:

Blaarkoppink bij het Aduarderdiep:


Een bijenveiling in Beerta

Onderlegger collectie RHC Groninger Archieven 1536-6973.

Eind maart 1889, aan het begin van een nieuw bijenseizoen, liet Eildert Schuitema, de bakker in Beerta die mijn betovergrootvader het geld voor zijn huis voorschoot, 116 korven bijen veilen door de “uitveiler” Girbe Smilda. Of Schuitema al deze overwinterde bijenvolken zelf aangehouden had, is onbekend, maar zou ook weer niet zo vreemd zijn – honing vormde immers een ingrediënt voor koek, een eminent bakkersproduct. In elk geval werden alle hoogste biedingen op de veiling van zijn volken genoteerd in een proces-verbaal, dat bewaard bleef in het archief van notaris Koning te Finsterwolde. Uit dat stuk kunnen we bijvoorbeeld een indruk krijgen, wie er in de omgeving zoal bijen hield.

Schuitema’s 116 korven met bijen kwamen per stel of paar onder de hamer. In totaal ging het dus, afgezien van bijzaken, om 58 kavels. In onderstaande tabel heb ik alle 16 hoogste bieders op deze kavels in hun volgorde van opkomst opgesomd met de aantallen kavels die ze uiteindelijk in de wacht wisten te slepen:

Naam Woonplaats Beroep (Alle Groningers) Aantal stellen korven met bijen Rangnummer
Hindrik Olgers Beerta korenmolenaar 2
Harm Oolders Beerta tuinier/arbeider; vrouw kramerse 17 (1)
Harm Drenth Scheemda arbeider 10 (3)
Geert Emmens Beerta schoenmaker 1
Karel Steen Drieborg schoenmaker 4 (4)
Harmannus Uffen Beerta timmerman 2
Roelf Huizing Zuiderveen timmerman 12 (2)
Geert Schuurman Noordbroek arbeider 1
G. Moerke Beerta ? 1
Christoffel Smit Bellingwolde timmerman 1
Sikko Sikkens Beerta ? 1
Gerrit Smit Finsterwolde dagloner 1
Geert T. Meijer Finsterwolde dagloner 2
Arend Stroobos Blijham arbeider 1
Hindrik Bodde Midwolda arbeider 1
Jakob Emmens Beerta schoenmaker 1

(De initialen van de voornamen der 16 bieders, hun volledige achternamen, hun woonplaatsen en de in de wacht gesleepte stellen korven komen uit het proces-verbaal van veiling. De volledige voornamen en de beroepen zijn aan de genealogische database Alle Groningers ontleend.)

Herkomst bieders
Allereerst de plaatsen waar deze hoogste bieders vandaan kwamen – deze zijn met rode stippen op bovenstaand kaartje weergegeven. Die stippen overziende, was de veiling van regionaal belang: alle hoogste bieders kwamen uit de kleistreek bij de Dollard. Zeven waren er afkomstig uit Beerta en twee uit Finsterwolde. Andere plaatsen uit de omgeving waren slechts met een enkele hoogste bieder vertegenwoordigd. Opvallend is dat de hamrikken (Nieuw-Beerta, Nieuwolda en Nieuw-Scheemda) als plaats van herkomst ontbreken, net als Oostwold, Nieuweschans en Winschoten.

Beroepen

Arbeider 4
Dagloner 2
Tuinier-arbeider 1
Schoenmaker 3
Timmerman 3
Molenaar 1
? 2

De arbeiders en dagloners enerzijds en de (kleine) middenstanders anderzijds hielden elkaar zo’n beetje in evenwicht. Zeer opvallend voor deze omgeving is de afwezigheid van boeren. Blijkbaar imkerden die niet? Voor de arbeiders en middenstanders die dat wel deden, was het houden van bijen waarschijnlijk vooral een nevenverdienste.

Prijzen
Het hoogste bod voor een stel korven met bijen varieerde van ƒ 2,30 tot ƒ 13,50; het gemiddelde zal zo’n ƒ 6,- à ƒ 7,- per stel geweest zijn. Lege korven deden bij het nevenspul zo’n ƒ 2,- à 2,50 per paar, zodat een gemiddeld volk netto een gulden of 2 deed. Naarmate de veiling vorderde, stegen overigens de hoogste biedingen. Mogelijk kwamen de kwalitatief betere volken pas later onder de hamer, al kan het ook zijn dat de animo om te bieden opliep naarmate de veiling vorderde – het een sluit uiteraard het ander niet uit.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 110 (archief notaris AH Koning Finsterwolde) inv.nr. 76 (bundel akten uit 1889), akte nr. 90 d.d. vrijdag 29 maart 1889.


Ontmoeting met meneer Grutto

Onderweg tussen Den Horn en Oostwold, een uur of vijf vanmiddag. Heel in de verte zag ik al een overall met een pet op een poos op de weg stilstaan en heel behoedzaam verder fietsen.

Op de plek aangekomen – hela, wie hebben we daar?

Meneer Grutto identificeert zich netjes:

En loopt dan vlak voor me schreeuwend de weg op. No Pasaran! Ik mag niet verder! (Links in het weiland het alarmeren door zijn vrouw):

Aan de andere kant van de weg voegt hij me nog een duchtige preek toe:

Om even later te taxeren of die ook landt:

Nog een waarschuwing bleek op zijn plaats:

Okee, hij wilde zich ook nog wel even van zijn mooie kant laten zien:

Missie geslaagd. Klaar om op te vliegen:



‘Vreugde op uw pad’

Nieuwjaarswens Soerabajasch Handelsblad 10.1.1892/


Lanterfantende metselaars? Aannemersproces laat mores in de bouw zien

Jan Georg van Vliet – Metselaars. Ets,1635. Collectie Rijksmuseum.

Blijkbaar waren de kerk en pastorie van Veendam rond 1730 aan groot onderhoud toe, want Gedeputeerde Staten, de collatoren van die kerk, hadden in een aanbestedingsprocedure “eenig metzelwerk” gegund aan Harm Niehof en consorten, aannemers te Winschoten. Niehof c.s. voerden dat metselwerk echter niet zelf uit, want ze namen er een onderaannemer voor in de arm. Omdat die zijn werk niet goed deed, voelden de Gedeputeerden zich als opdrachtgevers gedwongen het karwei opnieuw aan te besteden op kosten van de in gebreke blijvende Niehof en co. De nieuwe aannemer werd Derk Hindriks. Maar hij kreeg naderhand zijn “arbeijts loon” niet door Niehof c.s. uitbetaald, zodat hij naar de Oldambtster drost stapte, de civiele rechter in dit soort zaken. Het werk was “ten vollen verveerdigt”, aldus Hindriks en hij had dus recht op zijn geld.

Niehof c.s. daarentegen, vonden dat Hindriks overvroeg. Zij baseerden dat op een “prijsatie” van het werk, op hun verzoek gedaan door Jan Coerts Langevelt, Valentijn Hop en Geert Harms, “drie metzelaars ten vollen het metzelwerk kundig”. Deze taxateurs hadden na een “nauwkeurige inspectie” de verdiensten van Derk Hindriks begroot 47 gulden, terwijl Hindriks’ maar liefst 78 gulden in rekening had gebracht, dus 31 teveel. Onder meer ging het om een post wegens het leggen van ongeveer honderd plavuizen, waarvoor Hindriks 12 gulden rekende, anderhalf maal zoveel als de 8 gulden die de “prijzeerders” hem hiervoor wilden toekennen.

Volgens Derk Hindriks echter, sloeg hun taxatie nergens op,

“wijl dit metzelwerk niet in ’t gros, maar bij dagen anbestedet was met beding van 1 gl. ‘s daags voor jeder man, konnende de ged[aag]den niet ontkennen dat dit werk wèl en na behoren door den impet[rant] (= de eiser, dus Hindriks) is volveerdigt, vermits [zij] daarin genoegen hebben genomen en betuigt, blijkende zulks ook uit de attestatie van de Eerw[aarde] Pastor Tideman, teffens een verklaring inhoudende van zijn angewende vlijt.”

Het werk was dus niet voor een lump sum aanbesteed, maar voor daghuren, zolang het karwei mocht duren, eigenlijk een open einde regeling. Bij de oplevering waren Niehof c.s. nog akkoord gegaan met de door Hindriks geleverde kwaliteit, iets wat ook bleek uit een verklaring van de lokale predikant Meinhardus Tideman. Blijkbaar had dominee als een soort van bouwopzichter gefungeerd, want in dezelfde verklaring getuigde hij positief over Hindriks’ inzet. De metselaarsbaas had het karwei, ondanks het aanbesteden bij daglonen, dus niet nodeloos gerekt.

Bovendien, zo voerde Hindriks aan, hadden de gedaagden hem op elk gewenst moment kunnen lozen “indien zijn werk hun niet had behaagt”. Nog even weer ingaand op de gewraakte taxatie: die kon ”met geen zekerheijd na gedaan werk” gebeuren, omdat de binnenkant van dat werk “voor ’t ooge bedekt is en het timmeren boven ander arbeijd buiten de gissing kan lopen”. Blijkbaar ging de metselklus met (voorbereidend) timmerwerk gepaard. Bovendien hadden Niehof c.s. mogelijk verzuimd om àlle door Hindriks opgeleverde bestekposten aan te wijzen aan de “prijseerders”.

Dit klonk redelijk overtuigend, maar Niehof c.s. hadden nog een troefkaart achter de hand, die ze nu tevoorschijn haalden. Ze erkenden weliswaar volmondig

“dat de anbesteding was geschied bij dagen en de dag begroot op een gulden, maar dat impet[rant] dan ook zijn vlijt had moeten anwenden zonder te lanterfanten, gelijk gedaan heeft” !

Om deze zeer belastende bewering te staven, voerden ze een verklaring aan van de eigenaars van het huis waar Hindriks “zijn slaapplaats” had. Deze getuigden dat de metselaarsbaas

“dikwijls van ’t werk in huis is gekomen, wandelende zoo wat over de floer dan reis in de spijskamer gaande, dan eens gegeten of zich eten klaar makende om de tijd te passeeren.”

Op zich, aldus Niehof c.s., hoefde deze verklaring helemaal niet in tegenspraak te zijn met de verklaring van ds. Tideman over de vlijt van Hindriks, omdat de predikant

“niet altijd bij het werk zal geweest zijn, en de arbeijders zig gemeenlijk wèl bevlijtigen, wanneer er jemant, bijzonderlijk van eenig anzien, tegenwoordig is”.

Ja, het was zelfs zo dat een van Hindriks’ knechten ziek geweest was, terwijl Hindriks diens werklonen voor de volle periode in rekening had gebracht. In plaats van een nieuwe knecht in te schakelen, beval Hindriks deze zieke knecht zelfs naar het werk te komen, “als was het ook op een stok”.

Uiteraard konden Niehof c.s., die in Winschoten woonden en daar hun eigen dingen hadden te doen, dit allemaal niet in de gaten houden, zodat ze ook Derk Hindriks niet van het werk hadden kunnen laten halen “wegens zijn dralen”. Intussen staken ze er van hun kant hun handen voor in het vuur dat ze de taxateurs alle punten van het karwei in Veendam hadden aangewezen.

Voor de laatste keer kwam Derk Hindriks nu aan het woord,

“bekende dat het lanterfanten niet vrie stond, dog zulks ook niet door hem was gedaan”.

Dat bleek volgens hem ook wel uit de tussentijdse controles door Niehof c.s. en de verklaring zie ze na de oplevering afgaven

“van hun welgevallen in het werk met bijgane verzoek om te willen continueren”.

Hierbij kon Hindriks eveneens verwijzen naar de verklaring van dominee Tideman, die daarin tevens getuigde,

“dat geen knegt op een stok heeft gezien, maar wel koorsig, die evenwel door de ged[aag]den is angemoedigt om bij ’t werk te blijven.”

Met andere woorden: niet Hindriks was ervoor verantwoordelijk dat de zieke aan het werk bleef, maar Niehof c.s. Andermaal ging Hindriks nog even in op het lanterfantverwijt:

“ontrent het na huis gaan wandelen over de floer (…) was bekent dat de timmerluiden haar zekere tijd hebben om te eeten, wandelen of rusten, na hetgeen haar in die schoftijd mag welgevallen”.

In de bouw mochten de werklui zich vertreden tijdens hun pauzes. Daar was niets verkeerds aan. Inderdaad een goede regeling, als je het mij vraagt, gezien de houding waarin ze vaak moesten werken.

Hoewel Niehof c.s. verklaarden dat de ziekte van die ene knecht ze onbekend was geweest en dat ze deze knecht absoluut niet zelf hadden aangemoedigd om aan de Veendammer kerk en pastorie te blijven werken, bleek hun zaak verloren. Na lang heen en weer gepraat verwierp de drost hun verweer. Als er niet verder geprocedeerd is, kreeg Hindriks dus alsnog zijn geld.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (archief drost Oldambt) inv.nr. 12 (rechtdagenprotocol rechtstoel Winschoten) zitting Zuidbroek 28 oktober 1732.