Advertenties

‘Vreugde op uw pad’

Nieuwjaarswens Soerabajasch Handelsblad 10.1.1892/


Lanterfantende metselaars? Aannemersproces laat mores in de bouw zien

Jan Georg van Vliet – Metselaars. Ets,1635. Collectie Rijksmuseum.

Blijkbaar waren de kerk en pastorie van Veendam rond 1730 aan groot onderhoud toe, want Gedeputeerde Staten, de collatoren van die kerk, hadden in een aanbestedingsprocedure “eenig metzelwerk” gegund aan Harm Niehof en consorten, aannemers te Winschoten. Niehof c.s. voerden dat metselwerk echter niet zelf uit, want ze namen er een onderaannemer voor in de arm. Omdat die zijn werk niet goed deed, voelden de Gedeputeerden zich als opdrachtgevers gedwongen het karwei opnieuw aan te besteden op kosten van de in gebreke blijvende Niehof en co. De nieuwe aannemer werd Derk Hindriks. Maar hij kreeg naderhand zijn “arbeijts loon” niet door Niehof c.s. uitbetaald, zodat hij naar de Oldambtster drost stapte, de civiele rechter in dit soort zaken. Het werk was “ten vollen verveerdigt”, aldus Hindriks en hij had dus recht op zijn geld.

Niehof c.s. daarentegen, vonden dat Hindriks overvroeg. Zij baseerden dat op een “prijsatie” van het werk, op hun verzoek gedaan door Jan Coerts Langevelt, Valentijn Hop en Geert Harms, “drie metzelaars ten vollen het metzelwerk kundig”. Deze taxateurs hadden na een “nauwkeurige inspectie” de verdiensten van Derk Hindriks begroot 47 gulden, terwijl Hindriks’ maar liefst 78 gulden in rekening had gebracht, dus 31 teveel. Onder meer ging het om een post wegens het leggen van ongeveer honderd plavuizen, waarvoor Hindriks 12 gulden rekende, anderhalf maal zoveel als de 8 gulden die de “prijzeerders” hem hiervoor wilden toekennen.

Volgens Derk Hindriks echter, sloeg hun taxatie nergens op,

“wijl dit metzelwerk niet in ’t gros, maar bij dagen anbestedet was met beding van 1 gl. ‘s daags voor jeder man, konnende de ged[aag]den niet ontkennen dat dit werk wèl en na behoren door den impet[rant] (= de eiser, dus Hindriks) is volveerdigt, vermits [zij] daarin genoegen hebben genomen en betuigt, blijkende zulks ook uit de attestatie van de Eerw[aarde] Pastor Tideman, teffens een verklaring inhoudende van zijn angewende vlijt.”

Het werk was dus niet voor een lump sum aanbesteed, maar voor daghuren, zolang het karwei mocht duren, eigenlijk een open einde regeling. Bij de oplevering waren Niehof c.s. nog akkoord gegaan met de door Hindriks geleverde kwaliteit, iets wat ook bleek uit een verklaring van de lokale predikant Meinhardus Tideman. Blijkbaar had dominee als een soort van bouwopzichter gefungeerd, want in dezelfde verklaring getuigde hij positief over Hindriks’ inzet. De metselaarsbaas had het karwei, ondanks het aanbesteden bij daglonen, dus niet nodeloos gerekt.

Bovendien, zo voerde Hindriks aan, hadden de gedaagden hem op elk gewenst moment kunnen lozen “indien zijn werk hun niet had behaagt”. Nog even weer ingaand op de gewraakte taxatie: die kon ”met geen zekerheijd na gedaan werk” gebeuren, omdat de binnenkant van dat werk “voor ’t ooge bedekt is en het timmeren boven ander arbeijd buiten de gissing kan lopen”. Blijkbaar ging de metselklus met (voorbereidend) timmerwerk gepaard. Bovendien hadden Niehof c.s. mogelijk verzuimd om àlle door Hindriks opgeleverde bestekposten aan te wijzen aan de “prijseerders”.

Dit klonk redelijk overtuigend, maar Niehof c.s. hadden nog een troefkaart achter de hand, die ze nu tevoorschijn haalden. Ze erkenden weliswaar volmondig

“dat de anbesteding was geschied bij dagen en de dag begroot op een gulden, maar dat impet[rant] dan ook zijn vlijt had moeten anwenden zonder te lanterfanten, gelijk gedaan heeft” !

Om deze zeer belastende bewering te staven, voerden ze een verklaring aan van de eigenaars van het huis waar Hindriks “zijn slaapplaats” had. Deze getuigden dat de metselaarsbaas

“dikwijls van ’t werk in huis is gekomen, wandelende zoo wat over de floer dan reis in de spijskamer gaande, dan eens gegeten of zich eten klaar makende om de tijd te passeeren.”

Op zich, aldus Niehof c.s., hoefde deze verklaring helemaal niet in tegenspraak te zijn met de verklaring van ds. Tideman over de vlijt van Hindriks, omdat de predikant

“niet altijd bij het werk zal geweest zijn, en de arbeijders zig gemeenlijk wèl bevlijtigen, wanneer er jemant, bijzonderlijk van eenig anzien, tegenwoordig is”.

Ja, het was zelfs zo dat een van Hindriks’ knechten ziek geweest was, terwijl Hindriks diens werklonen voor de volle periode in rekening had gebracht. In plaats van een nieuwe knecht in te schakelen, beval Hindriks deze zieke knecht zelfs naar het werk te komen, “als was het ook op een stok”.

Uiteraard konden Niehof c.s., die in Winschoten woonden en daar hun eigen dingen hadden te doen, dit allemaal niet in de gaten houden, zodat ze ook Derk Hindriks niet van het werk hadden kunnen laten halen “wegens zijn dralen”. Intussen staken ze er van hun kant hun handen voor in het vuur dat ze de taxateurs alle punten van het karwei in Veendam hadden aangewezen.

Voor de laatste keer kwam Derk Hindriks nu aan het woord,

“bekende dat het lanterfanten niet vrie stond, dog zulks ook niet door hem was gedaan”.

Dat bleek volgens hem ook wel uit de tussentijdse controles door Niehof c.s. en de verklaring zie ze na de oplevering afgaven

“van hun welgevallen in het werk met bijgane verzoek om te willen continueren”.

Hierbij kon Hindriks eveneens verwijzen naar de verklaring van dominee Tideman, die daarin tevens getuigde,

“dat geen knegt op een stok heeft gezien, maar wel koorsig, die evenwel door de ged[aag]den is angemoedigt om bij ’t werk te blijven.”

Met andere woorden: niet Hindriks was ervoor verantwoordelijk dat de zieke aan het werk bleef, maar Niehof c.s. Andermaal ging Hindriks nog even in op het lanterfantverwijt:

“ontrent het na huis gaan wandelen over de floer (…) was bekent dat de timmerluiden haar zekere tijd hebben om te eeten, wandelen of rusten, na hetgeen haar in die schoftijd mag welgevallen”.

In de bouw mochten de werklui zich vertreden tijdens hun pauzes. Daar was niets verkeerds aan. Inderdaad een goede regeling, als je het mij vraagt, gezien de houding waarin ze vaak moesten werken.

Hoewel Niehof c.s. verklaarden dat de ziekte van die ene knecht ze onbekend was geweest en dat ze deze knecht absoluut niet zelf hadden aangemoedigd om aan de Veendammer kerk en pastorie te blijven werken, bleek hun zaak verloren. Na lang heen en weer gepraat verwierp de drost hun verweer. Als er niet verder geprocedeerd is, kreeg Hindriks dus alsnog zijn geld.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (archief drost Oldambt) inv.nr. 12 (rechtdagenprotocol rechtstoel Winschoten) zitting Zuidbroek 28 oktober 1732.


Kerstmis in Groningen, 1890

Schager Courant 25 december 1890.

Schager Courant 28 december 1890.

Meer over de barre winter van 1890.


Lotgevallen van een kunstgebit

Had hem al eens getwitterd, maar mijn volgers op Twitter en de lezers van dit weblog overlappen elkaar maar gedeeltelijk, dus plaats ik dit smeuiïge verhaal hier ook maar:

Bron: Meppeler Courant 30 december 1953.


Meteen al volwassen: baby’s met de naam Oltman

Oltman voor en na 1811 b

Omdat ik in het diaconieboek van Beerta weer herhaaldelijk de mannelijke voornaam Oltman tegenkwam, ben ik eens nagegaan waar en wanneer die aan pasgeborenen werd meegegeven.

Alle Groningers geeft in totaal 121 vernoemingen met die naam, in 29 doopregistraties van voor 1811 en 92 geboorteakten erna. Deze zijn met stippen weergegeven op bovenstaande kaart: rood voor de doopregistraties en groen voor de geboorteakten. Al met al blijkt de naam typisch Oost-Gronings – hij komt vrijwel uitsluitend voor ten oosten van het Damsterdiep (of de lijn Groningen-Delfzijl).

Voor 1811 kwamen 6 meldingen uit Beerta, 5 uit Finsterwolde, 5 uit de Stad, 3 uit Delfzijl en 2 uit Nieuweschans. Met de ene melding uit Nieuwolda meegerekend levert het noordelijke deel van het Wold-Oldambt de helft van de vernoemingen. Daarnaast zijn er wat meldingen uit oostelijk Fivelingo en het lage deel van het Gorecht, maar in Westerwolde, het Klei-Oldambt, Hunsingo en het Westerkwartier werd de naam niet gegeven.

Na 1811 kreeg de naam een wat grotere verspreiding, maar vooral in de veengebieden van het voormalige Wold-Oldambt, het Gorecht en de  gemeente Slochteren. Voor die periode komen 29 van de 92 meldingen, dus bijna een derde, uit Slochteren, met name uit Kolham. Met 13 meldingen blijkt Noordbroek dan de tweede leverancier van de jongensnaam. De gemeenten Beerta en Finsterwolde blijven daar met respectievelijk 5 en 4 meldingen ver achter.

Omdat ik dacht dat de voornaam uitgestorven zou zijn, heb ik de periode 1811-1926 nog even in drie porties geknipt. De frequenties blijken dan:

  • 1811-1849: 24
  • 1850-1888: 40
  • 1889-1926: 28

De jongensnaam raakte dus pas in de laatste periode in onbruik. Maar uitgestorven is hij nog steeds niet, zo blijkt uit de Voornamendatabank van het Meertens Instituut. In 2014 werd hij in heel Nederland nog aan 39 jongens als eerste naam meegegeven en aan 17 als volgnaam. Dat gebeurde overigens vooral in Oost-Drenthe en in wat mindere mate in Oost-Groningen, terwijl het noordelijk deel van het Oldambt, op Winschoten na, geheel uit beeld is geraakt. De naam lijkt derhalve meeverhuisd met de vervening en de migratie die deze ten gevolge had. In Drenthe dook hij pas in de twintiste eeuw op.

Ter verklaring van de naam zegt de Voornamenbank:

Groningse naam. Tweestammige Germaanse naam uit Old-, Ald- ‘oud, volgroeid, volwassen’ en – man…

Een baby vlak na zijn geboorte al oud, volgroeid en volwassen noemen lijkt nogal tegenstrijdig.  Het toppunt in dit opzicht vormde de Oltman de Jonge, die in 1844 geboren werd als zoon van een ongehuwde moeder te Finsterwolde.


Snelheidsduivels zijn van alle tijden

Ontvangst diaconie Beerta 7 december 1741:

“Van Geert Onnes ontfangen weegens brooke van ’t jaagen mit een peert op het paat 14 st. 3 dujt”

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 206 (archief hervormde gemeente Beerta) inv.nr. 17: rekenboek.

Commentaar: Blijkbaar lag er een voetpad in het loeg (de dorpskern met veel middenstand nabij de kerk), waar geen paarden op mochten komen, laat staan dat er hard op gereden mocht worden. De breuk of boete voor deze boer – waarvan ik een nakomelinge ken die vast blij is met deze melding – komt neer op de grootste helft van een goudgulden. De andere helft zal voor de aanbrenger zijn geweest.