Brokaatpapier

Apart omslagje, om de rekeningen van de kerkvoogdij Nieuwolda uit de jaren 1787-1789. Had ze nodig voor een paar arbeiders, en wat krijg ik: blingbling.


Een schoolmeester pleegt zelfmoord

Op donderdag 8 juni 1775, even na de middag, verleent de Etstoel in Assen gehoor aan drie eigenerfde boeren uit de omgeving: Willem Remmels Haange van Grollo, naast Johannes Homan en Albert Eijsinge, beide van Rolde. Ze zijn in shock en in rouw als zwagers en schoonvader van Tonnis Gerrits, de koster-schoolmeester van Rolde. Die blijkt zeer recent overleden, want zijn aangetrouwde familieleden geven aan

dat zij gem[elde] Tonnijs Gerrits gisterenavond seer laat in den avond dood gevonden hebben in de school tot Rolde en wel sodanig, dat hij in een swaarmoedigen geest op een tijd dat zijn verstand niet magtig is geweest zijn doot heeft veroorsaakt.”

De schoonvader en de zwagers van Gerrits zeggen het wat voorzichtig, maar de schoolmeester had zichzelf in de school opgehangen. Impliciet blijkt dat ze hem daar nog niet hebben weggehaald. Sterker nog, hij hangt er nog steeds. De mannelijke verwanten vragen de Etstoel immers om toestemming voor “de losmakingen, verkledinge en begravinge van hun doot gevonden swager en schoonzoon”. Dat spreekt allemaal niet vanzelf – in de achttiende eeuw wordt ook in Drenthe iemand die zelfmoord heeft gepleegd – zo dat ruchtbaar wordt – meestal onder de galg begraven.  Dit keer echter, strijkt de Etstoel met de hand over het hart: de familie mag de schoolmeester gewoon op het kerkhof van Rolde laten begraven.

Tonnis Gerrits was al 43, toen hij met Pinksteren 1773 Egbertien Eissinge trouwde. Op Tweede Kerstdag 1774  werd hun dochtertje Hendrike gedoopt. Waarschijnlijk stierf de moeder in het kraambed, want Tonnis was weduwnaar toen op late juni-avond levenloos in de school werd gevonden. Mogelijk droeg de dood van zijn vrouw bij aan een ernstige depressie?

De aangetrouwde verwanten van de schoolmeester maken enkele dagen na hun lugubere vondst als voogden over Tonnis’ dochtertje een eerste boedelinventaris op van Tonnis en zijn vrouws bezittingen. Die lijst is vrij uitgebreid – voor een schoolmeester bleek Tonnis redelijk welvarend. Zo had hij aardig wat vastgoed: een klein aandeel in de boermarke, wat bouwland op de Rolder es, enkele percelen hooiland en meerdere “goorden” of tuinen. Met de 291 gulden aan contanten in zijn kabinet kon Tonnis nog minstens een jaar vooruit, ook gezien de voorraden rogge (drie zakken) en boekweit. Hij bezat twee koeien voor de melk, een vaars en ongeveer 25 schapen. Ook hield hij bijen getuige de lege “ymenkorven”, de  “olde ijmendoeken”, het imkersgereedschap en de honing in zijn achterhuis.

Vrijwel elke dorpsschoolmeester was er destijds nog boer bij, meestal alleen op kosterijland, maar Tonnis boerde bovendien nog op zijn eigen grond. Hij was echter van nòg een markt thuis en trad ook op als landmeter, getuige zijn landmetersketting, astrolabium (voor het meten van hoeken) en verrekijker. Hij bezat zelfs “een kaart wegens de plantagie &c van Alkmaar”, die enkele decennia eerder in Suriname gesticht was door een collega-landmeter.

Hoewel de achttiende eeuw vaak wel als ‘Pruikentijd’ werd neergezet, is dat zeer onterecht: lang niet iedere man droeg een pruik, dat waren vooral de welgestelden. Tonnis Gerrits had er wel een. Met zijn schoolmeesterschap hadden te maken de inktkoker, wat schrijfboeken, twee schrijfborden en een aantekeningenboekje waarin hij zijn “schoolverdienst” noteerde: niet alle kinderen betaalden immers elke week hun stuiver schoolgeld, dat moest je goed bijhouden.

Met de kerkelijke kant van zijn functie – het koster- en voorzangerschap – hadden Tonnis’ beide (kerk)bijbels met zilveren haken van doen, evenals het Nieuwe Testament met daaraan toegevoegd de psalmen in de nieuwe berijming die nog maar een half jaar eerder, eind 1774, in Drenthe was ingevoerd. Dat testament zat in een los omslag “waaraan enig zilver” zat. Sowieso bevond zich vrij wat zilver in Tonnis’ boedel. Curieus is de “baartmannegies schelling” die getuige de tweede kleinere boedelinventaris voor het dochtertje bewaard bleef..

Tonnis bezat verder een kastje met helaas ongespecificeerde boeken. Getuige de tweede inventaris – die na een of meerdere boeldagen in maart 1776 van de resterende goederen opgemaakt werd – waren dit kleinere formaten “over de godgeleerdheid”, naast een landrecht van Drenthe. De schoolmeester van Rolde was dus vooral geïnteresseerd in theologie. Welke richting die belangstelling precies uitging is ook bekend. Van twee stichtelijke werken worden de auteurs en titels genoemd, mogelijk omdat het om wat grotere formaten ging, die wat luxer waren ingebonden. Het betreft:

Beide werken staan in de traditie van de Nadere Reformatie, waren razend populair in bevindelijk-gereformeerde kringen en zijn zelfs nu nog courant in de Nederlandse Bible-belt. Dat van Van der Kemp, meer voluit getiteld De Christen geheel en al het eygendom van Christus in leven en in sterven, vertoont in 53 predikatiën over de Heidelbergsche Catechismus, verscheen voor het eerst in 1717, maar kreeg in 1773 nog een achttiende druk.  Het besteedde extra veel aandacht aan God als oorzaak van het goede en de mens als oorzaak van het kwaad en stond uitgebreid stil bij de strafwaardigheid van de zonde.

De menselijke onmacht tot het goede – een calvinistisch dogma dat haaks staat op het optimistische vooruitgangsgeloof van de Verlichting – is nog sterker uitgebouwd door de Oldambtster predikant Wilhelmus Schortinghuis in diens minstens even populaire bestseller  ‘t Innige Christendom, die in 1740 voor het eerst verscheen en eveneens tientallen malen herdrukt is. Van Schortinghuis zijn de bekende ‘vijf nieten’: ik wil niet, ik kan niet, ik weet niet, ik heb niet en ik deug niet’. Op de spits gedreven leidt zo’n adagium tot volslagen passiviteit, of lijdelijkheid zoals men dat noemde.

Op mensen die toch al geneigd zijn tot depressiviteit kan een dergelijk pessimistisch geloof leiden tot versterking van het ziektebeeld. Naast het overlijden van zijn vrouw, heeft mogelijk ook een inktzwarte geloofsovertuiging bijgedragen tot de gemoedsgesteldheid van de schoolmeester te Rolde. Tonnis Gerrits moet hebben gemeend dat er geen redding meer voor hem mogelijk was. Overigens was de predikant van Rolde, ds. Grootholtman, eenzelfde geloof toegedaan. Met zulke kerkelijke ambtsdragers, gekozen door de eigenerfde boeren, behoorde Rolde tot de  bevindelijk-gereformeerde zône, die destijds nog door heel Nederland liep, van Zeeland tot Oost-Groningen.

Bronnen, behalve de gelinkte:

Drents Archief, Assen:

  • Tg 85 (Etstoel) inv.nr. 14, deel 60, folio 3v, 8 juni 1775;
  • Tg 102 (Schultengerechten) inv.nr. 220 deel 4 (Rolde, voogdij) 11 juni 1775 en 6 maart 1776 (scans 338-350).

Rondje Terheijl

ooo


Tel de knopen! Of: een dure broek te Wapserveen

De weesjongen Jan Hessels uit Wittelte en de mulder Jan Jacobs van Wapserveen troffen elkaar in het najaar van 1692 op een begrafenis in de laatste plaats. En zoals wel vaker bij een uitvaart – ze maakten daar plezier met zijn beiden. De mulder bewonderde quasi de broek van de weesjongen, die het zelf bij nader inzien ook wel een mooi exemplaar vond. De mulder vroeg of Jan die broek van ‘m niet wilde verkopen. Eerst zei de weesjongen van nee, maar toen de mulder er bij voortduring op aan bleef dringen, noemde de jongen toch een prijs. Die liep per knoop op: voor de eerste knoop aan zijn broek vroeg hij slechts een duit, maar voor elke knoop meer wilde hij het dubbele beuren van het bedrag voor de vorige knoop. Lachend sloot de mulder de koop en drukte de hand van de weesjongen, die hem geluk wenste met zijn aanwinst.

Maar toen Jan Hessels zijn broek naar de molenaar op Wapserveen kwam brengen, weigerde die het kledingstuk in ontvangst te nemen en de bedongen prijs te betalen.

Waarschijnlijk zou de jongen het zelf wel uit zijn hoofd hebben gelaten, maar zijn voogd, Lucas Jansens Snoeck uit Wittelte, die wellicht nog een appeltje met de molenaar te schillen had, drong er bij hem op aan om door te zetten. Het was ook oom Snoeck die naar de Etstoel stapte, en zijn neef ruim een jaar later voor deze rechtbank vertegenwoordigde in de zaak over de broek.

Hier bleek dat de verkooppijs van het kledingstuk door de systematische verdubbeling van het bedrag bij iedere knoop aardig opgelopen was. De broek telde namelijk 17 knopen. De daarmee exponentieel toegenomen vraagprijs bedroeg uiteindelijk ruim 409 gulden, een bedrag waarvoor je destijds een kleine middenstandswoning kon kopen.

Oom Snoeck wilde dat de Etstoel de mulder van Wapserveen zou veroordelen tot betaling van dit bedrag. De broek was nou eenmaal voor dat bedrag verkocht en ook aangeboden bij mulder Jacobs. Die had Snoecks verweesde neef voor de gek willen houden, maar was “door sijn raillerie ten rechte bedrogen” en “na rechte hijrin condemnabel”. De mulder, kortom, had het geheel en al aan zichzelf te wijten dat hij erin gestonken was.

Uiteraard was de molenaar het niet eens met deze voor hem netelige voorstelling van zaken. Hij voerde bij de Etstoel aan

dat dyergelijcke saecken niet behoorden voor den richter te komen als sijnde niet als gecker[n]iën geweest”.

De zaak moest dus volgens hem ‘hors de la cour’, buiten het gerecht verwezen worden, zoals dat ook wel eens bij scheldzaakjes gebeurde. De molenaar noemde de koop onbewezen, in elk geval was die niet serieus bedoeld, maar slechts het resultaat van “raillerie”, scherts geweest. Een broek van 3 of hooguit 4 gulden was toch zeker geen 400 waard?

De Etstoel benoemde een commissie om beide partijen te horen, zo doenlijk tot elkaar te brengen, of anders een uitspraak te doen. Het werd een uitspraak. Van de commissie hoefde de molenaar niet het volle pond te betalen, maar wel 100 gulden. Daar kon je geen woning meer van kopen en toch was het nog steeds een leuk bedrag voor een wees.

Voor de molenaar was het nog steeds veel te veel, en de voogd van de jongen vond het juist te weinig. Beide partijen gingen daarom in hoger beroep. Ook in de appèlzaak hield de Etstoel echter vast aan de sententie. De mulder van Wapserveen moest dus dokken. Hij zal vast flink de smoor in hebben gehad.

Bron: Drents Archief, Etstoel inv.nr. 14, deel 30, folio 114, 13 november 1693; en idem folio 216, 4 juni 1694.


Rondje Terheijl – Enumatil

Het Vagevuur, een pingoruïne, waarbij in 1626 een veldschansje kwam te liggen waaraan ze haar naam dankt:

Aangetaste boom die met een jaar of wat zo om te drukken is:

Kraaien in boom aan doodlopend pad:

Eindje verder aan hetzelfde pad:

Ook hier zijn de houtwallen niet meer wat ze geweest zijn:

Vroeger liep dit weggetje rond, een van de aanwonenden wilde meer privacy en heeft een hek over de weg gezet:

Bij de Schapenweg, hoek Scheperij hoorde ik het geklepper van ooievaars. Was niet te laat voor een foto, pa ooievaar ging eens takken scoren:

Bij Enumatil betrok de lucht:

(Foto’s van gistermiddag.)


Rondje Kloosterburen

Leegkerk:

Bij de Nieuwbrug:

Bij Warfhuizen in de buurt, meen ik:

Industrieel monument, Wehe:

Broek en het Broekster- of Wierhuistermaar:

Bij Hornhuizen: art déco dampaal:

Bij Hornhuizen, sluitsteentje met koe:

Vreemde structuren in sloten door de snelle dooi:

Kloosterburen, ornament van keramiek, ongetwijfeld van Anno Smith:

Bij Kloosterburen:

Dorpsgezicht Hornhuizen:

Leens:

Jugenstil topgeveltje, oostkant Leens:

Iets ter herdenking van Ede Staal, ook daar:

Buizerd bij Roodehaan:

Fransum:



Gezegend zijn de omkijkers

Collectie Groninger Archieven.

Slechts een kleine minderheid van de kindertjes vond de fotograaf achterin de klas interessanter dan de Goedheiligman. Volkomen ten onrechte natuurlijk, dat het er maar zo weinig waren. Eenmaal volwassen zijn we immers verreweg de meeste van onze sinterklaascadeautjes vergeten, maar koesteren we nog de foto’s van het gebeuren destijds. Gezegend zijn dan de kinderen, die naar de fotograaf hebben omgekeken!


Student zoekt de weg op stadskaart

Eerstejaars student is ’s avonds met zijn fiets op pad en zoekt op de stadsplattegrond het adres waar hij wezen moet. Een voor Groningen typisch tafereeltje zoals je dat nu ook nog wel ziet, vooral in het eerste maanden van het studiejaar.

Het betreft een tekening uit de Studentenalmanak van 1951. In die oude almanakken staan wel vaker tekeningen die wat hebben. De student moest zo te zien aan de Parkweg zijn, of in elk geval achter het station,


Een vondeling op de Galgenkamp

De Galgenkamp bij Meppel, met rechts de Drentse Hoofdvaart en de Venebrug (nu Galgenkampsbrug), links de Zomerdijk of weg naar Zwartsluis, en boven de weg richting Steenwijk en Assen. Bron: http://www.hisgis.nl

Op maandag 30 juni 1788 om ongeveer 5 uur ’s morgens probeerde de dienstmeid van herberg de Galgenkamp bij Meppel de deur te openen van het schuurtje, dat schuin achter de herberg stond. Het kostte haar meer moeite dan anders: de deur “was wel terdeege toegemaakt”. Eenmaal binnen merkte ze nog iets ongewoons. Op een plank, zo leek het, lag een pak dat ze niet herkende. Het bevatte een baby! Tegen de plank was een andere plank neergezet, zodat het kind er niet af zou rollen. Daarom, zo besefte de dienstmeid, zat die deur ook zo vast: honden of andere dieren konden er op die manier niet bij. De dienstmeid waarschuwde haar baas, herbergier Hendrik Roelofs Benninks, die op zijn beurt meteen de schulte (of schout) liet komen.

Naderhand bleek dat het kind in ettelijke, vrij gewone doeken was gewikkeld, met een kleedje eromheen. Het had wel vijf mutsjes op het hoofdje, zodat

het niet alleen gedekt was tegen de koude; maar zelfs ook weegens het zweeten een weinig moest verschoont worden.

Omdat de Galgenkamp, hoewel dichtbij Meppel, nog onder Kolderveen viel, gaf de schulte de kerkeraad aldaar opdracht om het kind, een jongetje, op te halen, en onder te brengen bij een vrouw,

om ’t zij door de borst of door de leepel daardoor te laaten opbrengen, waarop het terstond provisioneel voor een gulden per week besteed is bij eenen Egbertje Hendriks (Pool), huisvrouw van Jan Alberts (Keyzer), destijds woonachtig voord aan de oostzijde van de pastorije van Colderveen…

Deze opvangouders, buren van de Kolderveense predikant, waren arbeiders, ruim in de dertig, dik twee jaar getrouwd (zij als weduwe) en kinderloos toen ze de vondeling in huis kregen. Of Egbertje het kind de borst kon geven, is dus de vraag. Waarschijnlijk kreeg het kind zijn melk met een lepel ingegoten.

Gesina ter Borch, Wandelaar bij een galg, 1654. Collectie Rijksmuseum.

Om op de Galgenkamp terug te komen – curieus was het zeker, dat uitgerekend daar een kind te vondeling was gelegd. Volgens een overlevering die een halve eeuw eerder in Meppel rondging, was op de Galgenkamp ooit een bisschop opgehangen. Als het perceel, gelegen in de noordelijke hoek tussen de Zomerdijk en de Steenwijker(straat)weg überhaupt ooit een gerichtsplaats was, moet dat grofweg voor 1600 zijn geweest, toen de eigenerfde “buren” van een lokale jurisdictie in Drenthe nog doodvonnissen konden uitspreken, die ze bovendien in hun eigen omgeving konden laten voltrekken. De Galgenkamp, gelegen bij het ‘driekerspelenpunt’, zou dan de gerichtsplaats kunnen zijn geweest van het gecombineerde schultambt Meppel, Nijeveen en Kolderveen. Maar dat was allang verleden tijd, toen er begin achttiende eeuw, ondanks het lugubere odium, op het perceel een herberg verrees die zelf ook “de Galgenkampe” werd genoemd. Hoe graag zou ik het uithangbord hebben gezien! Het bedrijf telde vier kamers en had stallen voor 20 koeien en 30 paarden, naast grote tuinen en twee stukken weiland. Het logement zou nog tot diep in de negentiende eeuw blijven bestaan. Medio jaren 1780 vormde het dé verzamelplaats voor orangistische Meppeler schippersknechten, sjouwers en scheepstimmerlui, die zich er volop moed indronken voordat ze, als een ”hoop gekken”, de lokale patriotten te lijf gingen.

Uiteraard stelde Kniphorst, de schulte van Meppel, Kolder- en Nijeveen, de Etstoel in Assen op de hoogte van de vondeling op de Galgenkamp “onder Colderveen”. Op zaterdagochtend 19 juli rapporteerde de landschrijver (aanklager) aan deze centrale Drentse rechtbank dat hij bij zijn onderzoek nog niet had kunnen ontdekken, “an wien dit kind toebehoort, ofte door wien hetzelve aldaar is gelegt”. De Etstoel loofde daarop een premie van maar liefst 100 ducatons uit om dat aan de weet te komen. Hieraan werd ruchtbaarheid gegeven door het laten ophangen van aanplakbiljetten in Meppel, en het drie maal plaatsen van bekendmakingen in de Haarlemse en Amsterdamse couranten:

Alzo in den nacht, tusschen sondag den 29 en maandag den 30 juny deezes jaars op de Galgenkamp by Meppelt ter vondeling is gelegt een klein KINDJE, zynde een jongetje, en het vermoeden is dat een vrouwspersoon die sondag over Staphorst gekomen en ’s avonds in Meppelt gezien [is], draagende een Vriesche of Groninger Zonnehoed met een breede rand, zulks gedaan heeft; echter den daader, ’t zy dit vrouwspersoon of iemand anders, alsnog niet is ontdekt – zoo beloofd de schulte van Meppelt ingevolge authorisatie van den Loffelyke Etstoel der Landschap Drenthe, één honderd zilvere ducatons aan diegeene, welke den daader van dit fait zal weeten te ontdekken, zodanig, dat dezelve in handen van de Justitie [zal] geraaken.
Meppelt, den 22 july I788.
C. KNIPHORST, Schultz.

Beide Hollandse kranten hadden een landelijk lezerspubliek, maar gezien het signalement met die typische zonnehoed zou publicatie van deze opsporing-verzocht-oproep in de Leeuwarder en Groninger couranten toch geen overbodige luxe zijn geweest. De route die de vrouw volgde, doet namelijk vermoeden dat ze vanuit Holland, Utrecht of Overijssel, waar ze mogelijk een dienst had, op weg was naar huis – langs de Drentse Hoofdvaart zal dat eerder Groningen dan Friesland zijn geweest, al kan ze natuurlijk ook de weg naar Steenwijk hebben genomen.

Van de 100 ducatons (315 gulden) premie kon iemand uit de volksklasse ruim een jaar lang leven. Desalniettemin bleef de gouden tip uit. De vrouw bleef onvindbaar.

tiende eeuw. Collectie Hannemahuis

Friese en Groninger zonnehoedenmode, eind achttiende eeuw (uitsnede). Collectie Hannemahuis, Harlingen.

Intussen stelde de kerkeraad van Kolderveen de doop van het jongetje almaar uit. Het ene kerkeraadslid opperde een “gemoedlijke zwarigheidt”, het andere was “beschroomt” om het in de ogen van de Drentse magistraat fout te doen. Op 6 juli, de eerste in aanmerking komende zondag, besloot de kerkeraad het kind op de 13e in de (meestal matig bezochte) middagdienst te laten dopen, waarbij de kerkeraadsleden dan gezamenlijk als doopgetuigen of peetvaders zouden optreden en de predikant als hun woordvoerder – “voor God en all’ het volk, dat daarbij mocht tegenwoordig zijn” – zou antwoorden op de vragen van het doopformulier. Dit ging echter niet door omdat men eerst wilde weten wie de opvoeding van het jochie zou gaan betalen. Men wilde niet zelf voor de kosten opdraaien, en graag een toelage hiervoor uit de landschapskas. De advocaat H. Vos, al in Assen aanwezig, moest daartoe zo spoedig mogelijk een verzoekschrift indienen bij het landschapsbestuur, maar hij schreef op 18 juli terug dat de heren vonden dat het kind “hoe eer hoe beter” gedoopt moest worden. Anders kon het Kolderveense rekest pas na de zomervakantie, op 19 augustus, ter tafel komen. Een enkele diaken moest de doopvragen maar beantwoorden (zodat de opposanten zich eraan konden onttrekken). Overigens zou de doop niet hoeven betekenen, zo zeiden de heren, dat de Kolderveenster diaconie opdraaide voor de kosten van het kind – de beslissing daarover kwam later wel.

Op zondagochtend 20 juli arriveerde in alle vroegte de brief van Vos in Kolderveen. De kerkeraad las er een toezegging in en besloot de vondeling nog diezelfde middag te laten dopen. Doopheffer was de diaken Jan Grit, die ook de doopvragen beantwoordde. Het jongetje kreeg als naam Pieter Camp. De kerkeraad noemde het jongetje dus naar de Galgenkamp, maar liet de galg wijselijk achterwege.

Zoals te verwachten viel, lieten de bestuurders in Assen niets meer van zich horen, toen de doop eenmaal een voldongen feit was. Ze gaven geen onderstand voor de vondeling uit de Landschapskas. Daarom maakten de diakenen van Kolderveen eind maart 1789 hun opwachting in de Landdag. Ze herinnerden er Ridderschap en Eigenerfden aan, hoe ze ruim een half jaar eerder “provisioneel” (voorlopig) hadden moeten zorgen voor het kind, dat “in de markte van Colderveen bij de Galgenkamp bij Meppel aan de publique heereweg gevonden was”. Het viel niet te “praesumeren” (vermoeden) dat dit kind daar door iemand uit hun kerspel was neergelegd. De vondeling kon derhalve niet als hun “alumnus” (voedsterling, pleegkind) worden beschouwd. Weliswaar had de kerkeraad zich destijds zo snel mogelijk bij het landschapsbestuur vervoegd, “om van dien opvoeding bevrijd te blijven”, maar dat bestuur had ze naar de Landdag verwezen. Helaas voor de verzoekers, kregen ze daar nu een soortgelijke behandeling: Ridderschap en Eigenerfden kaatsten de bal terug naar Drost en Gedeputeerden, die naar hun eigen inzicht mochten beslissen. Op zoek naar zo’n besluit, heb ik de resoluties van het landschapsbestuur nog tot 1792 doorzocht , maar niets gevonden. Het heeft er dus veel van weg dat het landschapsbestuur de Kolderveners gewoon met het kind lieten zitten. Die hadden het laten dopen en zodoende geen poot meer om op te staan.

Helaas zijn de diaconierekeningen van Kolderveen uit deze periode niet bewaard gebleven, zodat via die weg evenmin te achterhalen valt of de Landschap nog geld voor het kind gaf. Een ander nadeel hiervan is, dat je het jongetje niet op zijn levenspad kunt volgen. Want ook de retroacta burgerlijke stand van Kolderveen leveren verder geen spoor op. Het is dus überhaupt onduidelijk, of het kind daar wel is opgegroeid.

Toch lukte het een anonieme, maar vasthoudende genealoog in 1999, om Pieter Camp te traceren in een heel andere hoek van Drenthe, en wel in Dalen. Pieter bleek niet bepaald voor galg en rad te zijn opgegroeid, want was daar goed terechtgekomen als deurwaarder van het vrede- of kantongerecht. In 1825 trouwde hij, de zoon van N.N. en N.N., er de dochter van wijlen de herbergier Kars van Tarel, en met haar kreeg hij weldra een zoon, die later als volwassen boer voor wat meer nageslacht zou zorgen. De familienaam Camp bleef zodoende bewaard. Hoewel? Niet helermaal, want een dag voor kerstmis 1853 overleed de voormalige vondeling in zijn woonplaats Dalen als Peter Kamp.

In iets andere vorm gepubliceerd in Het Waardeel, het nummer dat september 2020 uitkwam.

Bronnen:
Doopboek Kolderveen, 20 juli 1788. De tekst is o.a. gekopieerd in:
J. Koster, ‘Het dopen van een vondeling te Kolderveen (uit het doopboek aldaar)’, Nieuwe Drentsche Volksalmanak 1924, 198-201; en eveneens in: N.N., ‘Op zoek naar de vondeling Pieter Camp’, Threant (contactblad van de NGV afdeling Drenthe) 1999, pag. 38-40.

Wat betreft de Galgenkamp:
J. Bos (red.) Handschrift Schoemaker: een achttiende-eeuwse kijk op de Drentse geschiedenis (Assen 2004) 111; J. Heringa e.a., Geschiedenis van Drenthe (Meppel 1985) 209; Amsterdamsche Courant, 19 december 1771: Te koop de “Herberge genaamd de Galgenkampe”; N.N., ‘Brief van een oud-schipper en burger uit Meppel…’ in: De Politieke Kruyer, deel VI (1785) No. 304, pag. 657 (titel) en 661-672 (geraadpleegd via Google Books). Uiteraard is de veld- en huisnaam ook in diverse varianten nagetrokken in Delpher kranten.

Verder:
Haerlemsche Courant, 7 en 9 augustus 1788; Drents Archief, Toegang 85 (archief Etstoel) inv.nr.14.65, akte zaterdagochtend 19 juli 1788; Toegang 1 (Oude Staten Archieven) inv.nr. 6.18: resolutie Landdag 24 maart 1789.

Wenceslaus Hollar, Landschap met galgen , 1643 (uitsnede). Collectie Rijksmuseum.


Rondje Ezinge

Leegkerk – de nieuwsgierigste van het stel blaarkopjes:

Grazige weiden iets ten noorden van Aduard:

Bij Fransumer Voorwerk in de buurt, deze blackfaced sheeple:

Mooie beesten, toch:

In Ezinge kreeg de voormalige gereformeerde kerk een nieuw dak:

Mijn beide achterneven, toen ze nog leefden en in Feerwerd woonden:

Landschap tussen Ezinge en Allersma:

Tarweveld bij Aduarderzijl:

Antumerweg – ieder zijn meug, de een vreet topgras, de ander vreet riet:

Bij Garnwerd, op het nieuwe fietspad richting Winsum aan de binnenkant van de Reitdiepdijk. Ik verbaas me dus over de populariteit in deze periode van ’t skaten, dat veel meer ruimte inneemt dan fietsen, zodat je er op zulke paden heel gemakkelijk mee in andermans cirkel komt:

Wat die bloem hier in haar uppie moet aan de binnenkant van de dijk? Is ze natuurlijk of gaat het om een restante tuinplant?

Landschap bij Hekkum:

Het haventje van Sauwerd, dat ik nog nooit had gezien:

Boerderijdak, Sauwerd:

Melkenstijd bij de Walfridusbrug:

Graffiti op de Walfridusbrug – de molen in de verte, de Wilhelmina van Noorderhogebrug, heeft geen optimale molenbiotoop:


In het papavermeer

Deze diashow vereist JavaScript.

Toen ik vorig weekend de klaprozenvelden bij Huis ter Heide passeerde, moest ik meteen denken aan een boek van Slauerhoff. Het ging om passages tegen het eind van dat boek, wist ik nog. En dat het boek op de lijst stond voor mijn eindexamen. Via een oeuvre-overzicht vond ik de titel. Het bleek te gaan om Het leven op aarde. Dit zijn de citaten die passen bij de situatie daar in Drenthe:

De papavers deinden in de wind, welig warm en rood. Daartussen groeiden alle andere bloemen. De geuren kon ik nog niet onderscheiden, gewend als ik was aan alleen de lucht die over het water en tussen de muren hangt(…)

Ik waadde door de papavers. Eén ging mij tegemoet; in het midden, waar het meer het diepste was, ontmoetten wij elkaar. De hele verdere dag bleven wij gevlijd op de met rode blaadjes bedekte, van zon doorstoofde en zacht naar zaad geurende bodem.

Bij haar liggend op de zachte matten, omgeven door papavers dichtbij in vazen als rode vlokken, in de verte als één meeroppervlak (…)

Een gevoel van berouw en verlatenheid beving mij, dat niet dadelijk weer week toen ik zag waar ik was: in een papavermeer, wijd en diep, onbewoond.

Toch knap dat een schrijver kan zorgen voor teksten die zo lang in iemands memorie beklijven – mijn eindexamen is op enkele jaartjes na een halve eeuw geleden. Ik had toen ik het boek las geen enkele ervaring met drugs, laat staan met opium. Dat aspect van Slauerhoffs tekst herkende ik simpelweg niet, nu wel: het is een gesublimeerde beschrijving van een roes die als metafoor fungeert.

Toen ik lang na de lezing van Slauerhoffs boek zelf eens opium kreeg aangeboden, en het ook uitprobeerde, vond ik het maar een vervelend goedje. Je werd er zo slaperig van. Het is bij die eenmalige ervaring gebleven.


Dankdag wegens het ophouden van de pest

Groeningen den 9 April. Den 5 deser is hier een Danckdagh ghehouden, over ’t cesseeren van de Pestelentiale Sieckte in dese Stadt.

Bron: Oprechte Haerlemsche Courant 12 april 1667.


Buurmans gras…

… is altijd groener:

DSC04319


Ploeg Hotspot

Eerste Drift bij de Spilsluizen

DSC04233 (2)

Naschrift:
Werd er op gewezen dat Johan Dijkstra op Eerste Drift 3A woonde en niet Jan Wiegers. Opgezocht in Adresboek van 1961 en dat bleek te kloppen.