‘t Kortstondige huwelijk van Klaas Hovinga en Berendina Kluithuis

Op 6 wintermaand 1809 deed Klaas Sybolts, woonachtig te Oostwolderhamrik, zijn beklag bij rechter A.J. de Sitter van het Oldambt. Tot zijn “grievende leedwezen”, zo vertelde Klaas, had zijn vrouw, Berendina Derks, veertien dagen eerder hun woning verlaten, onder medeneming van “alle zijne goederen”. Ze was ingetrokken bij haar moeder in Nieuwolda.

Berendina liep weg terwijl hij er niet was. Hij had ook niets gemerkt van haar plan om de benen te nemen. Hij kon dus absoluut niet weten wat het motief voor haar “kwaadwillige verlating” was en kreeg die reden tot dan toe ook niet van haar te horen, terwijl ze zich evenmin liet bepraten “om weer bij hem als vrou te gaan leven”.

Hij wilde zijn uiterste best doen om haar weer terug te krijgen. Vandaar dat hij zich wendde tot het gerecht met het verzoek om hem en zijn vrouw te horen, waarbij hij hoopte dat De Sitter ze kon bewegen tot inschikkelijkheid.

Een week later, op 12 december, stond de verzochte hoorzitting op de rol. Berendina liet zich niet zien. De rechter verordonneerde haar de volgende keer wel te komen, anders dreigde hij met een strafmaatregel.

Op de 19e was ze er inderdaad. Ze verklaarde dat ze

indien zij wel behandeld [werd], zeer genegen [zou] zijn met haar man weder te cohabiteren” (samenwonen).

Terwijl haar man verklaarde

van geen onaangenaamheden van zijn kant te weten en met zijn vrouw in der minne te willen leven”.

Rechter De Sitter vermaande het paar nog even extra om dat te doen. Ook deden Klaas en Berendina er in zijn ogen goed aan om “verder verwijdering voor te komen”.

Het liep anders. Maar eerst iets meer over man en vrouw en beider achtergronden.

Klaas Sijbolts (Hovinga) van Oostwold en Berendina Derks (Kluithuis) van Nieuwolda waren nog maar een half jaar getrouwd, toen zij er vandoor ging. Bij het huwelijk, op 4 mei 1809 te Nieuwolda, was hij 30 en zij 37. Zij was dus de oudste van het stel. Daarnaast was er een verschil in stand. Klaas Hovinga behoorde tot de Oldambtster boerenelite. Zijn ene broer was maire (burgemeester) van Noordbroek en zijn andere broer adjunct-maire van Midwolda. De laatste woonde net als Klaas en een derde broer in de Oostwolderpolder, terwijl hun twee zusters waren getrouwd met landbouwers uit Midwolda.

Daarentegen kwam Berendina Kluithuis uit een middelstandsmilieu. Haar vader, gestorven in 1802, was winkelier geweest. Na zijn dood had Berendina haar moeder geholpen. Veel hadden ze niet geërfd, maar 1900 gulden. Berendina had dus financieel veel minder in te brengen bij hun huwelijk, dan Klaas. Ze trouwden dan ook op huwelijkse voorwaarden, zodat zij niet aan het geld van de Hovinga’s komen kon, als Klaas doodging.

Er kwamen geen kinderen. Wel hommeles, die, zoals we hebben gezien, eerst bijgelegd werd.

Twee maanden na die lieve vrede, op 6 sprokkelmaand (februari) 1810, was het echter opnieuw raak. Dit keer was het de beurt aan Berendina om haar beklag te doen bij het gerecht. Ze bevond zich “in de hoogste onaangename omst[and]igheden”, zei ze. Al “zedert het ingaan van haar huwelijk” had haar man haar voortdurend “zeer onheusch” en “met vergaande kleinachting” behandeld,

in zoo verre zelfs dat hij haar belet heeft eenige schikking in de huishouding hetzij over het bereiden der spijzen, hetzij over andere zaken te hebben”.

Dit, gevoegd bij “de ijslijkste dreiging van dadelijke mishandeling” waren op 21 november de redenen geweest voor haar “wanhopig besluit” om naar haar moeder te vluchten. De rest van die historie kende de rechter, door diens tussenkomst was ze ertoe overgehaald,

in hoop van betere bejegening zich weer ter inwoning bij haren man te begeven…

Helaas zag ze zich in die hoop “grotelijks” bedrogen. Sinds hij haar weer terug had in huis, kwam Klaas er openlijk voor uit

dat hij alle de beschikking in de huishouding, meer aan den meid dan aan zijn vrouw wil toevertrouwd hebben, daar hij wijders dagelijks in zeer honende bewoordingen dreigde de rem[onstran]te te slaan en eindelijk zich in zoo verre heeft vergeten dat hij op zekeren avond toen de rem[onstran]te reeds te bed lag, met een ijslijk getier in de kamer is gekomen en haar niet alleen uit het bed, maar ook uit de kamer heeft gejaagd, zoodat de rem[onstran]te genoodzaakt geworden is, om andermaal zich met de vlucht te redden en een schuilplaats bij hare buren te zoeken, vanwaar zij, na den nacht gepasseerd te hebben, wederom, om verdere ruïneuse handelingen te ontwijken, naar haren moeder is gegaan…

De bron van de onenigheid was dus haar rol in huis. Klaas wilde dat Berendina het huishoudelijk werk en dan vooral het koken aan de grootmeid zou overlaten, terwijl Berendina van huis uit gewend was om de handen uit de mouwen te steken. Ze wilde iets te doen hebben en niet een soort van ornament in zijn leven zijn. Tegen haar argumenten kon hij niet op, en het vasthouden aan zijn eigen gelijk ontaardde in geweld.

Voor Berendina hoefde het niet meer. Zoals haar ervaringen bewezen, had haar man geen genegenheid meer voor haar. Ze had geen hoop meer op herstel van de “goede harmonie”. Er bleef haar nog maar één stap over: een verzoek om een scheiding van tafel, bed en inwoning. Bovendien verzocht ze rechter De Sitter om de scheiding van hun beider goederen te regelen.

De Sitter deed, zoals te doen gebruikelijk in dit soort gevallen, toch nog enige “tentamina concordia”. Maar tevergeefs. Hij zag er het nutteloze gauw van in, stond de gevraagde scheiding toe, en startte de procedure om te komen tot de “separatio bonorum”.

Al met al waren Klaas Hovinga en Berendina Kluithuis nog geen jaar getrouwd geweest. Op 30 november 1810 vond eindelijk de opdeling van hun goederen plaats. Klaas kreeg de gehele boedel met alle lusten en lasten die daarbij hoorden, en Berendina ontving 1300 gulden. Daar kon ze naar haar stand misschien drie of vier jaar van leven. Waarschijnlijk is ze weer gaan inwonen bij haar moeder in Nieuwolda.

Klaas Sibolts Hovinga overleefde de scheiding vier jaar. Hij overleed begin september 1814 te Nieuwolda, waar hij kennelijk heen verhuisd was. Berendina Derks Kluithuis zou nog ruim drie decennia leven. Opmerkelijk is, dat ze in 1846 stierf als “renteniersche”. Haar successiememorie noemt als baten een paar huizen en diverse waardepapieren. In totaal bedroegen die baten ƒ 10.296, terwijl daar aan lasten slechts ƒ 736 tegenover stond. Getuige het surplus van ƒ 9560,- had ze goed geboerd sinds haar scheiding. Of zou ze dan toch nog wat hebben geërfd van de Hovinga’s?

Voornaamste bron, buiten Alle Groningers en het huwelijkscontract: Groninger Archieven Tg. 731 (rechterlijke archieven beide Oldambten) inv.nr. 6978 op de aangegeven data.

Naschrift: Aike van der Ploeg wees er op Twitter op, dat Berendina bij de opgang van de kerk in Nieuwolda woonde. Ook ten tijde van het eerster kadaster, ca. 1830, was ze al rententier


De kermiszanger Albert Bakker

Wie der ouderen onder ons herinnert zich niet den liedjeszanger en orgeldraaier Albert Bakker, die, zooals het heette, getrouwd was met een domineesdochter? Hoe fier stond hij niet voor z’n hoog opgehangen „schilderij”, waarop de inhoud van het lied in helle kleuren stond afgeverfd! Vooral „het vrouwtje van Stavoren” was een succesnummer. Op de „schilderij” zag men de rijke weduwe uit den tijd van koning Radboud, nagenoeg levensgroot en rijkelijk met gouden sieraden behangen. Met een langen aanwijsstok werd, onder het zingen en orgelen door, de omstanders alles duidelijk aangewezen. Soms zweeg Bakkers forsche stem eventjes, eventjes ook maar… de pruim werd vlugjes-behendig van den rechterkant naar den linkerkant geduwd. Was het „Weeuwtje” afgedraaid, dan verandering van doek:

„De bloedige battalje van zeuve meissies om de bakker z’n broek!
Hij was ’n liefhebber van de jonge meisjes,
maar het is hem leelijk opgebroke.
Hij had wel zeuve aan de hand,
Daardoor kwam hij tot groote schand!”

Zulke liedjeszangers als Bakker – we bedoelen met aanschouwelijke tafereelen – zijn d’r tegenwoordig niet meer. In den ouden tijd trof men ze veel aan op de kermissen, ja werden ze wel eens geweerd, omdat ze dingen zongen, welke „nijet dienende weren omme bij alle menschen gehoort te worden.”

Bron: Nieuwsblad van het Noorden 12 mei 1915.


Een ‘ingekankerd vooroordeel’ bij de Polen

HAMBURG den 18 December. Van de Poolsche Grenzen word berigt dat de reeds meermaalen gemelde gevangen zittende Jooden in het Oostenryks aandeel van Poolen, die beschuldigd zyn een Christenkind te hebben omgebragt, niettegenstaande zeeven christen-geneesheeren eenpaarig hebben verklaard dat het bewuste kind eenen natuurlyken dood gestorven zy, het graauw egter aanhoud te eisschen dat de gevangenen door middel van den pynbank tot het bekennen van dien pretensen moord, zouden gedrongen worden. Onaangezien nu de welbereedeneerde Deductie of Verdeedingsschrift der gezaamentlyke Jooden, waarin zy het belagchelyk vooroordeel (alsof de Jooden tot het vieren van hun Pascha Christenbloed noodig hebben) te keer gaan, weet men nog niet wat het uiteinde weezen zal, hoewel men hoopt dat de genoemde Deductie der Jooden eindelyk de oogen der Polakken openen zal, teneinde van dit ingekankerd vooroordeel geneezen te worden.

Bron: Groninger Courant 27 december 1774.

Met het Oostenrijkse deel van Polen wordt bedoeld Galicië, dat even tevoren, namelijk in 1772, door Oostenrijk-Hongarije was veroverd. Een 170 jaar later lagen in deze landstreek vier van de vijf grootste vernietigingskampen van de nazi’s: Auschwitz, Sobibor, Majdanek en Belzec.


‘Kip, kap kogel, Sinte-Maartens vogel’ – een beschrijving van de Groningse Sint-Maartensviering uit 1898

Nergens is van de feestviering op Sint-Martinusdag (11 november) zooveel overgebleven als in de provincie Groningen. Weliswaar moet een hoofdnummer van het program, het eten van een gebraden gans, achterwege blijven omdat de ganzen niet meer in ieders bereik vliegen, maar overigens wordt het feest met vollen luister herdacht. (…)

Op straat is het voornamelijk feest voor de kinderen. Allen zijn des avonds gewapend met een lampion, in de wandeling een Sinte Martinus genoemd. De kinderen der burgerij gaan bij vrienden en bloedverwanten, die der armen huis aan huis. En terwijl de bonte rij van lampions een schilderachtig effect maken en iets warms geven aan den guren, somberen herfstavond, klinkt het uit de kelen der kleinen:

Sinte Martinus bisschop, patroon van stad en lande,
Dat wij hier met lichtjs loopen, is voor ons geen schande.
Hier woont de rijke man, die ons wel wat geven kan.
Veel zal hij geven, lang zal hij leven,
Zalig zal hij sterven, den hemel zal hij erven.
God zal hem loonen met honderdduizend kronen.
Met honderdduizend lichtjes aan, daar komt Sint-Martinus weer aan.
Geef ons maar een appel of een peer, dan komen we ’t hele jaar niet meer.

De lezer zal wel begrijpen dat het liedje, dat ik zoo nauwkeurig mogelijk heb weergegeven, in den mond der kleinen niet altijd tot zijn vollen recht komt. Heel vaak hoort men: “Zalig zal hij leven en lang zal hij sterven” en andere afwijkingen.

Het “Kip,. Kap, kogel, Sinte-Maartens vogel” hoort men, als ik wel ben ingelicht, nog in enkele dorpen van de provincie, maar het lopen met luchtjes is zeer algemeen. Zoo las ik in de Nieuwe Groninger Ct het volgend berichtje uit Pieterburen , een dorpje in het noorden onzer provincie:

“Eén gebruik handhaaft zich hier echter met succes, en wel het loopen met lichtjes op St-Maartensavond. Van alle gezindten komen de kinderen in grooten getale opzetten, of liever (…): van alle rangen en standen. Aristocraatjes en democraatjes heffen broederlijk en zusterlijk in alle grondtonen het “Alse-Sunte Meerten, de koeien dragen steerten” aan, sommige dreumesjes, die pas kunnen loopen, onder moeders geleide. Reeds dagen te voren worden sigarenkistjes, mangelwortels, kalebassen enz. opgevraagd, uitgesneden en beplakt met allerlei graden van kunstvaardigheid. Pas begint het te donkeren, of bij de omliggende boerderijen neemt de feestelijke tocht een aanvang, om later in het dorp zelf voortgezet te worden en zoo de rechtse dorpsstraat een alleraardigst aanzien te geven.

Een 170-tal bewogen zich op straat. Appels en peren, anders ook wel de “gave” van den “rieken man”, zijn schaarsch, ofschoon de boomen bij verscheiden twee maal gebloeid hebben, tot zelfs in november.”

Naschrift: opvallend is een verschil tussen stad en land in deze beschrijving. In de stad gaan de kinderen van de gezeten burgerij slechts bij familie en goede kennissen langs, terwijl de armen huis aan huis afgaan; op het platteland daarentegen gaan de kinderen van alle rangen en standen gezamenlijk op pad.

Bron: De Tijd 23 november 1898, Binnenland, Brieven uit Groningen IX.


Er dreef een schandpaal in het Boterdiep

Op 17 november 1809 kreeg de Groninger Landdrost bericht van het gemeentebestuur van Kantens,

dat de kaak te Kantens, welke geheel rot en vergaan was, omver in het Trekdiep is gevallen, en naar Fromtil is gedreeven, en dat de steenen stoep waarop dezelve heeft gestaan, mede is vervallen, soodat de passage aldaar door het verstrooyd liggen dier steenen wordt belemmerd, met verdere informatie dat de wedman op verzoek van het [gemeente]bestuur die steenen op een hoop aan de zij van de straat had bijeengebragt, en verder beloofd had de paal wederom te Kantens te zullen bezorgen.

Fro[o]mtil was Fraamtil, later Fraamklap, ten zuiden van Middelstum. De kaak was dus een kleine 4 kilometer weggedreven. Op het bericht besloot de Landdrost een onderzoek in te stellen. Waarschijnlijk leverde dat geen aanwijzing voor sabotage op en was er inderdaad sprake van verval. In 1803 waren immers alle oude Ommelander rechtstoelen met de bijbehorende civiele en criminele rechtspraak per ‘landschap’ (Westerkwartier, Hunzingo, Fivelingo) gecentraliseerd; zodoende was de Kantster kaak zijn functie al zes jaar kwijt.

Bron: Groninger Archieven, Toegang 3 (archief Gewestelijke Besturen) inv.nr. 625: minuut-resoluties Landdrost, 18 slachtmaand 1809.


Rondje Stad

Grote hoeveelheden daslook aan de Waterloolaan:

Bouwblok hoek Poelestraat vordert gestaag:

Hoekstraat, ex-hoerenbuurt:

Vishoek, idem:


Rondje Faan – Foxwolde via Tolbert

Raapzaad (of zoiets), Zuidpoort – de koolzaadbloei is ook al begonnen, hoorde ik, dat wordt dan wat met Pasen (er si 20 graden voorspeld):

Appelbloesem, Westpoort:

Prille esdoorn, of is het een kastanjetelg?

Pol dotterbloemen op Westpoort:v

De Poffert:

Faan – drie lammeren. Ze stonden mooi naast elkaar, maar toen ik de camera pakte zochten ze haastig hun moeder op:

Drie paasbulten in aanbouw bij de Traan en de Tolberterpetten – hier gaat dus al dat gesnoeide hout heen:

Zonneweide in opbouw, Noorderweg Tolbert (eromheen allemaal glyfosaatland):

Een Boeddha achter gaas bij het Schilligepad, tussen Tolbert en Boerakker:

Bloesem bij een stookhut, Foxwolde:

De Onlanden:

De derde mannetjesfazant op mijn pad, Langmadijk Peizermade: