Student zoekt de weg op stadskaart

Eerstejaars student is ’s avonds met zijn fiets op pad en zoekt op de stadsplattegrond het adres waar hij wezen moet. Een voor Groningen typisch tafereeltje zoals je dat nu ook nog wel ziet, vooral in het eerste maanden van het studiejaar.

Het betreft een tekening uit de Studentenalmanak van 1951. In die oude almanakken staan wel vaker tekeningen die wat hebben. De student moest zo te zien aan de Parkweg zijn, of in elk geval achter het station,


Een vondeling op de Galgenkamp

De Galgenkamp bij Meppel, met rechts de Drentse Hoofdvaart en de Venebrug (nu Galgenkampsbrug), links de Zomerdijk of weg naar Zwartsluis, en boven de weg richting Steenwijk en Assen. Bron: http://www.hisgis.nl

Op maandag 30 juni 1788 om ongeveer 5 uur ’s morgens probeerde de dienstmeid van herberg de Galgenkamp bij Meppel de deur te openen van het schuurtje, dat schuin achter de herberg stond. Het kostte haar meer moeite dan anders: de deur “was wel terdeege toegemaakt”. Eenmaal binnen merkte ze nog iets ongewoons. Op een plank, zo leek het, lag een pak dat ze niet herkende. Het bevatte een baby! Tegen de plank was een andere plank neergezet, zodat het kind er niet af zou rollen. Daarom, zo besefte de dienstmeid, zat die deur ook zo vast: honden of andere dieren konden er op die manier niet bij. De dienstmeid waarschuwde haar baas, herbergier Hendrik Roelofs Benninks, die op zijn beurt meteen de schulte (of schout) liet komen.

Naderhand bleek dat het kind in ettelijke, vrij gewone doeken was gewikkeld, met een kleedje eromheen. Het had wel vijf mutsjes op het hoofdje, zodat

het niet alleen gedekt was tegen de koude; maar zelfs ook weegens het zweeten een weinig moest verschoont worden.

Omdat de Galgenkamp, hoewel dichtbij Meppel, nog onder Kolderveen viel, gaf de schulte de kerkeraad aldaar opdracht om het kind, een jongetje, op te halen, en onder te brengen bij een vrouw,

om ’t zij door de borst of door de leepel daardoor te laaten opbrengen, waarop het terstond provisioneel voor een gulden per week besteed is bij eenen Egbertje Hendriks (Pool), huisvrouw van Jan Alberts (Keyzer), destijds woonachtig voord aan de oostzijde van de pastorije van Colderveen…

Deze opvangouders, buren van de Kolderveense predikant, waren arbeiders, ruim in de dertig, dik twee jaar getrouwd (zij als weduwe) en kinderloos toen ze de vondeling in huis kregen. Of Egbertje het kind de borst kon geven, is dus de vraag. Waarschijnlijk kreeg het kind zijn melk met een lepel ingegoten.

Gesina ter Borch, Wandelaar bij een galg, 1654. Collectie Rijksmuseum.

Om op de Galgenkamp terug te komen – curieus was het zeker, dat uitgerekend daar een kind te vondeling was gelegd. Volgens een overlevering die een halve eeuw eerder in Meppel rondging, was op de Galgenkamp ooit een bisschop opgehangen. Als het perceel, gelegen in de noordelijke hoek tussen de Zomerdijk en de Steenwijker(straat)weg überhaupt ooit een gerichtsplaats was, moet dat grofweg voor 1600 zijn geweest, toen de eigenerfde “buren” van een lokale jurisdictie in Drenthe nog doodvonnissen konden uitspreken, die ze bovendien in hun eigen omgeving konden laten voltrekken. De Galgenkamp, gelegen bij het ‘driekerspelenpunt’, zou dan de gerichtsplaats kunnen zijn geweest van het gecombineerde schultambt Meppel, Nijeveen en Kolderveen. Maar dat was allang verleden tijd, toen er begin achttiende eeuw, ondanks het lugubere odium, op het perceel een herberg verrees die zelf ook “de Galgenkampe” werd genoemd. Hoe graag zou ik het uithangbord hebben gezien! Het bedrijf telde vier kamers en had stallen voor 20 koeien en 30 paarden, naast grote tuinen en twee stukken weiland. Het logement zou nog tot diep in de negentiende eeuw blijven bestaan. Medio jaren 1780 vormde het dé verzamelplaats voor orangistische Meppeler schippersknechten, sjouwers en scheepstimmerlui, die zich er volop moed indronken voordat ze, als een ”hoop gekken”, de lokale patriotten te lijf gingen.

Uiteraard stelde Kniphorst, de schulte van Meppel, Kolder- en Nijeveen, de Etstoel in Assen op de hoogte van de vondeling op de Galgenkamp “onder Colderveen”. Op zaterdagochtend 19 juli rapporteerde de landschrijver (aanklager) aan deze centrale Drentse rechtbank dat hij bij zijn onderzoek nog niet had kunnen ontdekken, “an wien dit kind toebehoort, ofte door wien hetzelve aldaar is gelegt”. De Etstoel loofde daarop een premie van maar liefst 100 ducatons uit om dat aan de weet te komen. Hieraan werd ruchtbaarheid gegeven door het laten ophangen van aanplakbiljetten in Meppel, en het drie maal plaatsen van bekendmakingen in de Haarlemse en Amsterdamse couranten:

Alzo in den nacht, tusschen sondag den 29 en maandag den 30 juny deezes jaars op de Galgenkamp by Meppelt ter vondeling is gelegt een klein KINDJE, zynde een jongetje, en het vermoeden is dat een vrouwspersoon die sondag over Staphorst gekomen en ’s avonds in Meppelt gezien [is], draagende een Vriesche of Groninger Zonnehoed met een breede rand, zulks gedaan heeft; echter den daader, ’t zy dit vrouwspersoon of iemand anders, alsnog niet is ontdekt – zoo beloofd de schulte van Meppelt ingevolge authorisatie van den Loffelyke Etstoel der Landschap Drenthe, één honderd zilvere ducatons aan diegeene, welke den daader van dit fait zal weeten te ontdekken, zodanig, dat dezelve in handen van de Justitie [zal] geraaken.
Meppelt, den 22 july I788.
C. KNIPHORST, Schultz.

Beide Hollandse kranten hadden een landelijk lezerspubliek, maar gezien het signalement met die typische zonnehoed zou publicatie van deze opsporing-verzocht-oproep in de Leeuwarder en Groninger couranten toch geen overbodige luxe zijn geweest. De route die de vrouw volgde, doet namelijk vermoeden dat ze vanuit Holland, Utrecht of Overijssel, waar ze mogelijk een dienst had, op weg was naar huis – langs de Drentse Hoofdvaart zal dat eerder Groningen dan Friesland zijn geweest, al kan ze natuurlijk ook de weg naar Steenwijk hebben genomen.

Van de 100 ducatons (315 gulden) premie kon iemand uit de volksklasse ruim een jaar lang leven. Desalniettemin bleef de gouden tip uit. De vrouw bleef onvindbaar.

tiende eeuw. Collectie Hannemahuis

Friese en Groninger zonnehoedenmode, eind achttiende eeuw (uitsnede). Collectie Hannemahuis, Harlingen.

Intussen stelde de kerkeraad van Kolderveen de doop van het jongetje almaar uit. Het ene kerkeraadslid opperde een “gemoedlijke zwarigheidt”, het andere was “beschroomt” om het in de ogen van de Drentse magistraat fout te doen. Op 6 juli, de eerste in aanmerking komende zondag, besloot de kerkeraad het kind op de 13e in de (meestal matig bezochte) middagdienst te laten dopen, waarbij de kerkeraadsleden dan gezamenlijk als doopgetuigen of peetvaders zouden optreden en de predikant als hun woordvoerder – “voor God en all’ het volk, dat daarbij mocht tegenwoordig zijn” – zou antwoorden op de vragen van het doopformulier. Dit ging echter niet door omdat men eerst wilde weten wie de opvoeding van het jochie zou gaan betalen. Men wilde niet zelf voor de kosten opdraaien, en graag een toelage hiervoor uit de landschapskas. De advocaat H. Vos, al in Assen aanwezig, moest daartoe zo spoedig mogelijk een verzoekschrift indienen bij het landschapsbestuur, maar hij schreef op 18 juli terug dat de heren vonden dat het kind “hoe eer hoe beter” gedoopt moest worden. Anders kon het Kolderveense rekest pas na de zomervakantie, op 19 augustus, ter tafel komen. Een enkele diaken moest de doopvragen maar beantwoorden (zodat de opposanten zich eraan konden onttrekken). Overigens zou de doop niet hoeven betekenen, zo zeiden de heren, dat de Kolderveenster diaconie opdraaide voor de kosten van het kind – de beslissing daarover kwam later wel.

Op zondagochtend 20 juli arriveerde in alle vroegte de brief van Vos in Kolderveen. De kerkeraad las er een toezegging in en besloot de vondeling nog diezelfde middag te laten dopen. Doopheffer was de diaken Jan Grit, die ook de doopvragen beantwoordde. Het jongetje kreeg als naam Pieter Camp. De kerkeraad noemde het jongetje dus naar de Galgenkamp, maar liet de galg wijselijk achterwege.

Zoals te verwachten viel, lieten de bestuurders in Assen niets meer van zich horen, toen de doop eenmaal een voldongen feit was. Ze gaven geen onderstand voor de vondeling uit de Landschapskas. Daarom maakten de diakenen van Kolderveen eind maart 1789 hun opwachting in de Landdag. Ze herinnerden er Ridderschap en Eigenerfden aan, hoe ze ruim een half jaar eerder “provisioneel” (voorlopig) hadden moeten zorgen voor het kind, dat “in de markte van Colderveen bij de Galgenkamp bij Meppel aan de publique heereweg gevonden was”. Het viel niet te “praesumeren” (vermoeden) dat dit kind daar door iemand uit hun kerspel was neergelegd. De vondeling kon derhalve niet als hun “alumnus” (voedsterling, pleegkind) worden beschouwd. Weliswaar had de kerkeraad zich destijds zo snel mogelijk bij het landschapsbestuur vervoegd, “om van dien opvoeding bevrijd te blijven”, maar dat bestuur had ze naar de Landdag verwezen. Helaas voor de verzoekers, kregen ze daar nu een soortgelijke behandeling: Ridderschap en Eigenerfden kaatsten de bal terug naar Drost en Gedeputeerden, die naar hun eigen inzicht mochten beslissen. Op zoek naar zo’n besluit, heb ik de resoluties van het landschapsbestuur nog tot 1792 doorzocht , maar niets gevonden. Het heeft er dus veel van weg dat het landschapsbestuur de Kolderveners gewoon met het kind lieten zitten. Die hadden het laten dopen en zodoende geen poot meer om op te staan.

Helaas zijn de diaconierekeningen van Kolderveen uit deze periode niet bewaard gebleven, zodat via die weg evenmin te achterhalen valt of de Landschap nog geld voor het kind gaf. Een ander nadeel hiervan is, dat je het jongetje niet op zijn levenspad kunt volgen. Want ook de retroacta burgerlijke stand van Kolderveen leveren verder geen spoor op. Het is dus überhaupt onduidelijk, of het kind daar wel is opgegroeid.

Toch lukte het een anonieme, maar vasthoudende genealoog in 1999, om Pieter Camp te traceren in een heel andere hoek van Drenthe, en wel in Dalen. Pieter bleek niet bepaald voor galg en rad te zijn opgegroeid, want was daar goed terechtgekomen als deurwaarder van het vrede- of kantongerecht. In 1825 trouwde hij, de zoon van N.N. en N.N., er de dochter van wijlen de herbergier Kars van Tarel, en met haar kreeg hij weldra een zoon, die later als volwassen boer voor wat meer nageslacht zou zorgen. De familienaam Camp bleef zodoende bewaard. Hoewel? Niet helermaal, want een dag voor kerstmis 1853 overleed de voormalige vondeling in zijn woonplaats Dalen als Peter Kamp.

Bronnen:
Doopboek Kolderveen, 20 juli 1788. De tekst is o.a. gekopieerd in:
J. Koster, ‘Het dopen van een vondeling te Kolderveen (uit het doopboek aldaar)’, Nieuwe Drentsche Volksalmanak 1924, 198-201; en eveneens in: N.N., ‘Op zoek naar de vondeling Pieter Camp’, Threant (contactblad van de NGV afdeling Drenthe) 1999, pag. 38-40.

Wat betreft de Galgenkamp:
J. Bos (red.) Handschrift Schoemaker: een achttiende-eeuwse kijk op de Drentse geschiedenis (Assen 2004) 111; J. Heringa e.a., Geschiedenis van Drenthe (Meppel 1985) 209; Amsterdamsche Courant, 19 december 1771: Te koop de “Herberge genaamd de Galgenkampe”; N.N., ‘Brief van een oud-schipper en burger uit Meppel…’ in: De Politieke Kruyer, deel VI (1785) No. 304, pag. 657 (titel) en 661-672 (geraadpleegd via Google Books). Uiteraard is de veld- en huisnaam ook in diverse varianten nagetrokken in Delpher kranten.

Verder:
Haerlemsche Courant, 7 en 9 augustus 1788; Drents Archief, Toegang 85 (archief Etstoel) inv.nr.14.65, akte zaterdagochtend 19 juli 1788; Toegang 1 (Oude Staten Archieven) inv.nr. 6.18: resolutie Landdag 24 maart 1789.

Wenceslaus Hollar, Landschap met galgen , 1643 (uitsnede). Collectie Rijksmuseum.


Avondrondje Roderwolde


Rondje Ezinge

Leegkerk – de nieuwsgierigste van het stel blaarkopjes:

Grazige weiden iets ten noorden van Aduard:

Bij Fransumer Voorwerk in de buurt, deze blackfaced sheeple:

Mooie beesten, toch:

In Ezinge kreeg de voormalige gereformeerde kerk een nieuw dak:

Mijn beide achterneven, toen ze nog leefden en in Feerwerd woonden:

Landschap tussen Ezinge en Allersma:

Tarweveld bij Aduarderzijl:

Antumerweg – ieder zijn meug, de een vreet topgras, de ander vreet riet:

Bij Garnwerd, op het nieuwe fietspad richting Winsum aan de binnenkant van de Reitdiepdijk. Ik verbaas me dus over de populariteit in deze periode van ’t skaten, dat veel meer ruimte inneemt dan fietsen, zodat je er op zulke paden heel gemakkelijk mee in andermans cirkel komt:

Wat die bloem hier in haar uppie moet aan de binnenkant van de dijk? Is ze natuurlijk of gaat het om een restante tuinplant?

Landschap bij Hekkum:

Het haventje van Sauwerd, dat ik nog nooit had gezien:

Boerderijdak, Sauwerd:

Melkenstijd bij de Walfridusbrug:

Graffiti op de Walfridusbrug – de molen in de verte, de Wilhelmina van Noorderhogebrug, heeft geen optimale molenbiotoop:


In het papavermeer

Deze diashow vereist JavaScript.

Toen ik vorig weekend de klaprozenvelden bij Huis ter Heide passeerde, moest ik meteen denken aan een boek van Slauerhoff. Het ging om passages tegen het eind van dat boek, wist ik nog. En dat het boek op de lijst stond voor mijn eindexamen. Via een oeuvre-overzicht vond ik de titel. Het bleek te gaan om Het leven op aarde. Dit zijn de citaten die passen bij de situatie daar in Drenthe:

De papavers deinden in de wind, welig warm en rood. Daartussen groeiden alle andere bloemen. De geuren kon ik nog niet onderscheiden, gewend als ik was aan alleen de lucht die over het water en tussen de muren hangt(…)

Ik waadde door de papavers. Eén ging mij tegemoet; in het midden, waar het meer het diepste was, ontmoetten wij elkaar. De hele verdere dag bleven wij gevlijd op de met rode blaadjes bedekte, van zon doorstoofde en zacht naar zaad geurende bodem.

Bij haar liggend op de zachte matten, omgeven door papavers dichtbij in vazen als rode vlokken, in de verte als één meeroppervlak (…)

Een gevoel van berouw en verlatenheid beving mij, dat niet dadelijk weer week toen ik zag waar ik was: in een papavermeer, wijd en diep, onbewoond.

Toch knap dat een schrijver kan zorgen voor teksten die zo lang in iemands memorie beklijven – mijn eindexamen is op enkele jaartjes na een halve eeuw geleden. Ik had toen ik het boek las geen enkele ervaring met drugs, laat staan met opium. Dat aspect van Slauerhoffs tekst herkende ik simpelweg niet, nu wel: het is een gesublimeerde beschrijving van een roes die als metafoor fungeert.

Toen ik lang na de lezing van Slauerhoffs boek zelf eens opium kreeg aangeboden, en het ook uitprobeerde, vond ik het maar een vervelend goedje. Je werd er zo slaperig van. Het is bij die eenmalige ervaring gebleven.


Dankdag wegens het ophouden van de pest

Groeningen den 9 April. Den 5 deser is hier een Danckdagh ghehouden, over ’t cesseeren van de Pestelentiale Sieckte in dese Stadt.

Bron: Oprechte Haerlemsche Courant 12 april 1667.


Buurmans gras…

… is altijd groener:

DSC04319


Ploeg Hotspot

Eerste Drift bij de Spilsluizen

DSC04233 (2)

Naschrift:
Werd er op gewezen dat Johan Dijkstra op Eerste Drift 3A woonde en niet Jan Wiegers. Opgezocht in Adresboek van 1961 en dat bleek te kloppen.


Fazant

Gistermiddag gezien in de Onlanden, maar paste niet bij het botanische logje:
Fazant, Onlanden DSC04250


Rondje Eelde

Op het stuk Onlanden dat vroeger de Peizermaden heette, staat opeens een heilige van cortenstaal in een vierschaar van palen met schrikdraad. Nul informatie erbij:
DSC03919
Het laatste eindje Helmerdijk bij de boerderij van Natuurmonumenten:
DSC03923
Ontluikend beukeblad met op de achtergrond de schuur bij die boerderij:
DSC03925
Mandelandenweg:
DSC03926
Legroweg – voormalig tolhuisje (?) in de beschutting van monumentale eiken:
DSC03929
Polder Lappenvoort:
DSC03936
Bij het begin van de Hoornsedijk graasde dit gemaskerde paard:
DSC03937
Hoornsedijk vanaf de Rollematen:
DSC03940
Een eindje verder een eend en haar jongen, onaangedaan door de passanten siësta houdend pas naast weg:
DSC03943
De pulletjes waren verdeeld in twee kluitjes. Dit is het ene:
DSC03946
En dit het andere:
DSC03947
Tulpen op de wal bij de Bolle Domus:
DSC03949


Rondje Faan

Raapzaad galore, bij de opgang naar de Onlanden vanaf de Langmadijk:
DSC03855
Het was er vrij druk met fietsers, zelfs vergeleken bij een gewone zondag. Een bejaard echtpaar dat me op een halve meter afstand inhaalde, vindt me vast niet leuk.

Koe tegen dijk Peizerdiep:
DSC03859
Nog nooit zoveel vissers gezien bij het stukje Peizerdiep ten noorden van Eiteweert:
DSC03864
Ook de talud bij de afrit van de A7 bij Matsloot staat vol raapzaad:
DSC03870
Parallel aan de A7 bij Hogema:
DSC03876
Onderaan het viaduct bij Lettelbert allemaal daslook:
DSC03885
En wat andere bloemen:
DSC03889
Aan de andere kant van de A7 liggen er al dikke kussens waternavel in de sloot. Dat is vroeg, door de zachte winter. Het lijkt of er een beest doorheen gebanjerd is, ik vermoed een reiger, omdat die vis vanonder het bladerdek kan wegvangen:
DSC03890
Het hoekje naar de Pasop:
DSC03896
Niekerk, huis beschaduwd door bloeiende kastanje:
DSC03903
Op ’t Faan kwam een verzameling ouwe tractoren tevoorschijn:
DSC03906
Bij thuiskomst bleef dit waterhoen pal op haar plek aan de slootwal staan. Ze trok zich niets aan van mijn gefotografeer. Waarschijnlijk heeft ze een nest met eieren onderaan de wal:
DSC03916


Rondje Leutingewolde, Roderesch, Altena

Er waren, aan de roestige rommel te zien, magneetvissers actief geweest op de brug over het Koningsdiep, Hoogkerk:
DSC03538
Viaduct over de A7 Roderwolderdijk:
DSC03544
Viaduct over de A7, Matsloot:
DSC03546
Gemaal, Matsloot:
DSC03556
Dorpsgezicht Sandebuur-west:
DSC03574
Dorpsgezicht Leutingewolde vanaf de es:
DSC03585
Uitlopend eikenloof, Norgerweg tussen Roden en Roderesch:
DSC03606
Stoffige boel bij Roderesch:
DSC03610
Keuterij bij de Markeweg naar Lieveren:
DSC03624
Bomen bij de Norgerweg, gezien vanaf de Markeweg:
DSC03629
Achtererf bij Altena, de hond bleef lekker pitten:
DSC03638
Slootje bij Peizerwold:
DSC03643


Corona in Hoogkerk

Viskraam, Zuiderweg:
DSC03020 (1) corona visvoer Zuiderweg Hoogkerk
Inrit aan de Kerkstraat:
DSC03479 corona Kerkweg Hoogkerk
Tegenover Woonzorgcentrum ‘Gabriël’, Zuiderweg:
DSC03483
Bij bouwplaats BAM, Aduarderdiepsterweg:
DSC03486 corona


Rondje Zandhoogte

Opslag van een natuurorganisatie bij de Onlanden onder Roderwolde, met vers gekapt hout, waarbij ik me afvraag of dat nou niet in februari had gekund:
DSC03378
Het fietspad vanaf dezelfde plek;
DSC03381
Koetje bij Roderwolde:
DSC03384
Even verderop:
DSC03386
Arcadisch tafereel bij Nietap:
DSC03397
De Zandhoogte 1:
DSC03399
De Zandhoogte 2:
DSC03402
De Zandhoogte 3:
DSC03403


Royale waarschuwing

Had dit bordje niet eerder opgemerkt,. Het staat bij het pad langs het Wolddiep, in Enumantil.

DSC03201

DSC03203