Sluizen van de Drentse Hoofdvaart

De Drentse Hoofdvaart is zo’n 250 jaar oud, maar in al die tijd meermalen verbreed en verdiept. Vandaar dat de sluizen fysiek wat jonger zijn. Hier achtereenvolgens plaatjes van de exemplaren bij Geeuwenbrug (2x), Havelte en Uffelte. Qua scheepvaart was het er niet bepaald druk:

Deze diashow vereist JavaScript.


Weekend Havelte e.o.

Een Drents Afghanistan – papaverveld bij Huis ter Heide:

Ook bij Huis ter Heide – weet niet of het zo bedoeld is, maar het lijkt wel land-art:

Beeld van een verstandhouding bij de Drentse Hoofdvaart in Smilde:

Landschap aan de andere kant van van het kanaal bij Hijkersmilde:

Geeuwenbrug:

Het uitzicht aan de voorkant van mijn (prima) bread and breakfast; rechts had mijn  grootvader in de jaren 60 zijn bijenstal staan tussen de fruitbomen en de belendende heide van het Uffelter Binnenveld:

Larix (?) in de directe omgeving:

Aangevreten Amerikaanse eikenloof:

De B&B wordt omringd door terreinen van het Drents Landschap. Op een hoekje richting Havelte staan wat trekpaarden:

Het graf van mijn ouders:

In Havelte – de schuur van timmerman-aannemer Harm Dorenbos, een generatiegenoot van mijn vader en inmiddels ook al overleden:

Roggeland tussen de Dorpsstraat en de Kosterijstraat:

Uiteind Dorpsstraat – de boerderij van de familie De Wit:

Bij de Havelter sluis:

Beukenlaan naar Overcinge:

Ophaalbrugje achter Overcinge – in het struweel is nog net de theekoepel te zien, :

Keienpaadje naar de Wallinger es:

De voortzetting van dat paadje – de landweg liep oorspronkelijk helemaal door naar het oude gedeelte van Darp (eertijds Westerhesselen, of ook wel Hesselte):

Hier en daar nog een echte ouderwetse boomwal met braamstruiken, even effectief in het tegenhouden van vee als prikkel- of schrikdraad:

Zaterdagavond de andere kant op geweest – scharrelvarken bij de Uffelterkerkweg:

Maisakker bij Rheebruggen:

Tevreden koe, ook daar in de buurt:

Vanochtend om acht uur bij de es van Uffelte. Net als bij Rheebruggen en Dwingeloo heeft het Drents Landschap hier rogge laten zaaien:

Op de terugweg roggelelies (?) op de oever van de Drentse Hoofdvaart:


Naar Hoogeveen via Norg en Dwingeloo

De rit begon vrij gruwelijk. Ik besloot over de ongebruikte busbaan langs de Groningerweg naar Peize te rijden en aan de kant geschoven lag daar een kapotgereden vos. Heb er foto’s van gemaakt en wilde er eigenlijk wel een van tonen, maar aan de andere kant knal je daar mensen mee voor de kop en bovendien: welk doel dien je daarmee? Hier geen foto van de dode vos derhalve. Tè confronterend.

Selfie-station, Peizerwold:
010
Zowaar wat bloeiende heide bij de Bunnerveenseweg (later op het Dwingelerveld zag ik niets):
015
Bord bij Norg dat begrip probeert te kweken voor de teelt van snijmaïs.
017
Begroeid golfplaten dak bij Norg:
019
Vertier voor snelfietsers in Norg:
021
Slakje tussen de brempeulen vlakbij Huis ter Heide:
026
Deels terneergeslagen korenveld bij Smilde:
031
‘De ontmoeting’, beeld van Tine Mersmann op de oostelijke wal van de Drentse Hoofdvaart bij Hoogersmilde:
036
Bloeiende hortensia tegen een donkere schuur:
041
De Venesluis:045
Geeuwenbrug:
049
De schuur van het jaar staat in Geeuwenbrug:
055
Bij Leggeloo:
057
In de buurt van Eursinge deze wipkar:
074
Krom weglopende sloot met roodbont vee bij Hoogeveen:
076
De Huishoud- en Industrieschool waar mijn moeder heenging, staat te huur (Pesserstraat, Hoogeveen):
080


Hoe Dwingeloo leerde wat kunst was

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Nee, mooi kan ik het nog steeds niet vinden. De schilder, een J.O. Verduijn of J. Overduijn, had weinig kaas gegeten van perspectief en bracht zijn verf nogal dun op, maar dat is nog het minste verwijt, want Ploeg-schilders nemen we zoiets ook niet kwalijk. In dit geval lijkt het er echter op dat er meer een tekenaar dan een schilder aan het werk is geweest. Hij heeft alle objecten keurig omlijnd: de boerderij, de hooibulten, de boomstammen en de paaltjes langs en in het weiland. Terwijl hij het gras tamelijk liefdeloos met snelle horizontale vegen aanbracht, net alsof er zojuist een storm overheen ging.

Mooi vind ik het doek dus absoluut niet, maar er zitten wel verhalen aan vast. Mijn ouders kregen het bij hun huwelijk, eind 1952, van de heer en mevrouw Benus. Zij waren de buren van mijn grootouders in Dwingeloo, d.w.z. zij bewoonden de andere helft van de twee-onder-een-kap als huurders van mijn grootouders. Meneer Benus, afgaande op zijn naam waarschijnlijk afkomstig uit de Veenkoloniën, was onderwijzer in Dwingeloo, later hoofdonderwijzer in Geeuwenbrug. Van hem en zijn vrouw heet het dat ze bijzondere liefhebbers waren van mijn grootmoeders groentesoep. Zij hadden het schilderij gekocht van een van de kunstenaars uit het westen, die ’s zomers op uitnodiging van het burgemeestersechtpaar Stork naar Dwingeloo kwamen, althans, zo weet mijn moeder er altijd bij te vertellen.

Het werkje stelt voor een boerderij op de Weijert bij Dwingeloo. Later is deze boerderij verbrand en sinds de jaren 70 of 80 ligt er een nieuwbouwbuurt. Toen er een paar jaar geleden een tentoonstelling van Dwingeler dorpsgezichten was in het voormalige gemeentehuis van Dwingeloo, stuurde mijn moeder dit schilderij niet in. Wel liep daar een vroegere bewoner van de boerderij rond, die er navraag naar deed en zo viavia bij mijn moeder terechtkwam. Met tranen in de ogen aanschouwde hij zijn ouderlijke huis. Hij wilde het doek heel graag kopen. Maar mijn moeder wilde het niet kwijt. Wel stond ze toe dat er een kopie van gemaakt werd, waarmee de voormalige bewoner ook heel gelukkig was. Zodat er nu twee versies van het wangedrocht bestaan.

Overigens klopt het dat destijds kunstenaars uit het Westen naar Dwingeloo kwamen. Dat was tenminste zo in de zomers van 1951 en 1952. Er ging de mare rond dat ze met schilderijen voor hun logies moesten betalen, maar dat bleek onwaar. Desondanks was het zoeken naar onderdak voor ze meegevallen, aldus de vrouw van burgemeester Stork:

“Je doet natuurlijk, als altijd, de ervaring op, dat je niet steeds het meeste succes hebt bij degenen, die er materieel het beste toe in staat zijn. Mijn man en ik doen ons best de mensen ervan te overtuigen, dat kunstenaars gewone mensen zijn als zijzelf, dat ze voor hen niet de minste omslag behoeven te maken en dat er niets anders van hen verwacht wordt, dan dat ze bij de vier, vijf of meer borden er één bijschuiven.”

Volgens mevrouw Stork viel er eerst wel enig “wanbegrip” te overwinnen:

“Kunstenaar is niet alleen voor eenvoudige lieden nog al te vaak het synoniem voor iemand, die onmaatschappelijk is en het zo nauw niet neemt.”

Maar achteraf was alles reuze meegevallen:

“Gelukkig wel. De vier kunstenaars, die verleden jaar hier zijn geweest en de eersten van de minstens twaalf, die dit jaar zullen komen, kwamen uitstekend terecht. Er is algemene tevredenheid van weerszijden.”

Dat achtte mevrouw Stork ook in kunstpedagogisch opzicht van groot belang, want

“Als je ziet wat de mensen nog altijd aan hun wanden hangen aan „schilderstukken”, waarvoor ze soms nog heel wat betalen, dan begrijp je, dat er op dit gebied nog heel wat te verbeteren is, al heeft de actie van de Bond van Plattelandsvrouwen en het werk der Landbouwhuishoudscholen inzake woninginrichting al veel goeds gedaan.“

Er hing dus voor het zegenrijke logies kwalitatief nog heel wat inferieurder spul in de Dwingeler huiskamers, dan dit schilderij van mijn ouders!

De Dwingeler regeling voorzag ook bij de kunstenaars zeker in een behoefte, want in totaal kwamen er in de zomer van 1952 achttien uit westelijke steden naar Dwingeloo. Bij de Dwingeler landbouwtentoonstelling van 1953 zou er een expositie van hun werk zijn, maar daarover vond ik geen bericht.

 


Dwars door Drenthe

Boterbloemen, Peizermade:

Koeien op stal, Roderwolde:

Slootje tussen hooilanden, Roderwolde:

Duiventil Mensinge bij Roden:

Bij het Lieverdiepje:

Langs het fietspad naar Lieveren:

Pril mais tussen Langelo en Norg:

Obsoleet sluisje bij Huis ter Heide:

Het waterstaatskerkje in Bovensmilde waar mijn grootouders altijd een boterham aten op de stoep als ze van Uffelte naar Finsterwolde fietsten, eerste helft jaren dertig:

Kunst langs de Drentse Hoofdvaart:

Koepelkerk, Smilde:

Krimpregio:

Natuurtuin tussen Smilde en Diever:

Sluis, Geeuwenbrug:

Kalkoven bij Diever:

Vernieuwing, Uffelte:

Schaduwminnende schapen:

Waterinlaat bij de Lokbrug:

In Meppel op de trein  gestapt, die niet verder reed dan Assen omdat er een bovenleiding kapot was. Daarom vanaf Assen maar weer verder gefietst en zodoende ruim 100 kilometer op de teller.

Peize, bouwval:

Oneffen weiland bij Peizerwolde:


Spanningen in Dwingeloo

Geplaatst op 4 januari 2008 a

Het primitieve tegeltje dateert uit de oorlog. Er staat een visje op, met eromheen de tekst “Leer van het vischje, onder water, spartel rond, maar houd je snater”. Het werd verkocht ten bate van een verzetsfonds en er horen verhalen bij over weggestopte radiotoestellen, clandestien geluister naar radio Oranje, onderduikers, ondergrondse schuilplaatsen, een overval van de Grüne Polizei en Duitse inkwartiering.

In die verhalen speelt mijn grootvader Albert Vondeling (1905-1973) de hoofdrol. Hij kwam uit een gezin met tien kinderen van een schoenmaker in Zuidhorn die ook wel als barbier, leedaanzegger en telegrambesteller fungeerde. Diens vrouw, mijn overgrootmoeder, liep met een broodkar te venten voor een bakker. Het kruidenierswinkeltje dat ze er een tijdje op na had gehouden was geen groot succes geweest en had ze moeten opdoeken. Het gezin woonde aan de Jellemaweg, naast een steeg die uitliep op een smeedijzeren hek met zandloper, zeisen en uilen welke toegang tot het kerkhof verschafte. Die steeg heette in de volksmond ‘Vondelings ree’. Met Pasen stonden er altijd mannen en jongens te “potjen en riesteren” (of neutenschaiten, noten schieten).

Op zijn elfde kreeg mijn grootvader ruzie met de schoolmeester. De man beschuldigde hem van iets dat hij niet gedaan had en begon met een liniaal op hem in te slaan. Mijn grootvader verweerde zich en vluchtte dwars door het raam naar buiten.

Hoewel nog leerplichtig, is hij nooit weer naar school geweest. Hij werd eerst knecht bij een boer in Zuidhorn, voor een rijksdaalder in de week, en kwam er later in dienst bij een electrotechnisch installateur, Beving. Aanvankelijk moest hij bij Beving de eenvoudige klusjes doen, zoals het graven van gaten voor bokpalen, maar hij werd er naderhand, toen hij op avondcursussen bijgeleerd had, electrotechnisch monteur.

In die tijd, tweede helft jaren twintig, was het dat hij trouwde. Mijn grootmoeder Bieuwkje Kroeze was van geboorte Friezin maar kwam van een boerderij op de Dijkstreek, vlakbij Zuidhorn. Hoe ze elkaar hebben leren kennen weet ik niet. Waarschijnlijk was het op een dansavond. Hoe het ook zij, van 1935 dateert een foto waarop hij vol zelfvertrouwen poseert, terwijl zij bijna achter hem lijkt weg te willen kruipen.

Geplaatst op 4 januari 2008 b

Na de geboorte van een kind dat stierf, mijn oom Frans en mijn moeder begon mijn grootmoeder nogal te kwakkelen met haar gezondheid. Ze is een van de eersten geweest, hier in Nederland, bij wie men met succes een nier heeft weggenomen (ca.1932). Een dure operatie, ze lag lang in het academisch ziekenhuis en daarna nog een jaar thuis op bed. Als mijn grootvader vanwege haar ziekte wel eens van zijn werk moest blijven, hield de baas loon in. Ook weigerde Beving mijn grootvader opslag, hoewel hij een goeie kracht aan hem had, een die niet te beroerd was om papieren te halen. Maar wat er ook gebeurde, mijn grootvader bleef op tien gulden in de week zitten. “Crisis, die loopt niet zo gauw weg”, moet Beving hebben gedacht. Emigratie naar Amerika ging immers ook al niet door vanwege mijn grootmoeders matige gezondheid.

Na ruim twintig jaar loondienst dacht mijn grootvader erover om voor zichzelf te beginnen. Het toeval hielp hem. Zijn oudere broer Anton, die in het Drentse Vledder gevestigd was als electrotechnisch installateur, vernam dat de Laagspanningsnetten, het bedrijf dat de door de Groninger centrale opgewekte stroom distribueerde en in zijn verzorgingsgebied electriciëns aanstelde, niet erg tevreden was over een collega in de naburige gemeente Dwingeloo. Deze Roelf Locht (locht=licht) ging door voor nogal zonderling en liet zijn zaken versloffen. Iets wat ook wel af te lezen valt aan de hier bijgaande grafieken: nadat Dwingeloo stroom en straatverlichting kreeg in november 1924, groeide het aantal aansluitingen en het verbruik aan kiloWatt-uren er aanvankelijk gestaag, en soms zelfs sprongsgewijs, maar in de jaren dertig, terwijl elders het kleinverbruik van electriciteit, vooral door toedoen van de radio (en ondanks de crisis) steeg, trad er in Dwingeloo juist stagnatie op. De stagnatie van Roelf Locht. De Laagspanningsnetten wipten hem, en mijn grootvader mocht de vacature komen vervullen.

Geplaatst op 4 januari 2008 c Geplaatst op 4 januari 2008 d

Beving baalde toen mijn grootvader vertelde dat hij zich als zelfstandige in Dwingeloo ging vestigen. Opeens kon er wel meer loon vanaf. Maar het was te laat.

Het eerste jaar in Dwingeloo, 1938, zat mijn grootvader nog bij Hotel Mulder in de kost. Naast zijn gewone werkzaamheden hield hij toezicht op de bouw van de woning, een twee-onder-één-kap aan het Westeinde (later hernoemd tot Heuvelenweg), op een kavel die hij kocht van een boer. Mijn grootmoeder en de beide kinderen bleven zolang achter in Zuidhorn.

In 1939 was de woning in Dwingeloo klaar. “Het was ’n rare tied um een zaak te begunnen.” Onder invloed van de oorlog waren de scherpe kantjes weliswaar van de crisis af en kregen de boeren ietwat betere prijzen voor hun producten, zodat de vele mensen die direct of indirect van de landbouw afhankelijk waren ook weer wat meer te spenderen hadden. Maar het bleef een gok om je als middenstander te vestigen in een streek die voor een van de armste van Nederland doorging. Getuige de grafieken echter moet het mijn grootvader voor de wind zijn gegaan. Het aantal aansluitingen en het stroomverbruik te Dwingeloo namen weer toe en bleven, terwijl er toen nota bene op basis van de cijfers van 1939/1940 gerantsoeneerd werd, ook gedurende de eerste oorlogsjaren stijgen. Zo te zien zette mijn grootvader heel wat radio’s, stofzuigers en wasmachines af. Vermoedelijk betrok hij deze van de Laagspanningsnetten, die een toonkamer en grossierderij hadden in de Groninger Boteringestraat.

Over de oorlog werden, zoals gezegd, nogal wat verhalen verteld. Om te beginnen waren er onderduikers. Vanaf medio 1942 Gerard, mijn grootvaders jongste broer uit Zuidhorn, die na een verlof niet terugkeerde naar Hamburg, de plaats waar men hem als dwangarbeider tewerkgesteld had. En vanaf 1943 Lammert Smid, een knecht van mijn grootvader, die blijkbaar geen vrijstelling voor de arbeidsinzet in Duitsland had kunnen krijgen. Gerard en Lammert kregen bonkaarten van de ondergrondse, om precies te zijn de Landelijke Organisatie voor Onderduikers (LO). Soms konden ze zich tamelijk vrij bewegen, maar er waren ook perioden dat dit veel te link was. Bijvoorbeeld toen het gemeentehuis van Dwingeloo overvallen werd. Klaas, een andere broer van mijn grootvader, belde een uur later uit Assen op of mijn grootouders het al hadden vernomen – dat was niet het geval – en brak het gesprek abrupt weer af.

Van de meeste NSB-ers in het dorp viel weinig te vrezen, ze hielden zich stil. Ze waren lid geworden om den brode. Driekwart bestond uit kleine boertjes die dachten dat ze het beter kregen. Anderzijds kon er geen sprake zijn van een vrij en niet-gelijkgeschakeld verenigingsleven. Zo werden al in het begin van de oorlog de activiteiten van de Boerinnenbond, waar mijn grootmoeder lid van was, geheel en al stopgezet.

Voor knecht Lammert werd een keer een fietsband versierd. De distributie-ambtenaar in het gemeentehuis gooide het verscheurde aanvraagbriefje in een prullebak, waar het weer uit werd gevist door een NSB-sympathisante die het gemeentehuis schoonmaakte. Zij was niet in aanmerking gekomen voor een fietsband en schopte een scène: “Ik gien fietsbaand en onderdukers wel?”

De postkantoorhouder uit Zuidhorn belde mijn grootouders. Hij had de politie daar door moeten verbinden, het telefoongesprek afgeluisterd en begrepen dat men op zoek was naar Gerard. Zijn seintje werd overigens omkleed met de nodige voorzichtigheid: “Ik verbind u door met de politie van Zuidhorn….met Vondeling? Oh nee, ik moet het postkantoor hebben”. Niet dat het seintje werd misverstaan: de onderduikers gingen gelijk aan de tippel. In de Dwingeler bossen waren twee holen uitgegraven voor dit soort gelegenheden. Het stikte er trouwens van de onderduikers – één daarvan leerde mijn moeder zwemmen in de Dwingeler stroom.

Oom Gerard kwam de volgende ochtend zo moe thuis dat hij zich naast oom Frans, mijn moeders broer, op bed stortte. Frans hoorde op een gegeven moment geronk buiten, keek uit het raam, en zag overvalwagens staan. Grüne Polizei. Wel acht of negen man. Meteen was mijn grootvader boven: “Kom gauw Gerard.” Hij duwde zijn broer door het luik van de vliering en zei: “Blief noast ’t loek zitt’n, as er wat is bist toch verleurn”. Toen hij weer goed en wel beneden en onder aan de trap stond drukten de laarzen hem opzij en stormden ze naar boven. Ze hebben overal gezocht, op de slaapkamers, in de winkel, in de kelder, in de schuren, op de zolder van de werkplaats, maar de vliering in het huis zagen ze over het hoofd. Mijn grootmoeder zat al die tijd stijf aan tafel met de handen eronder, uit angst dat de Duitsers het trillen van die handen zouden zien. Anders was ze nooit zo benauwd. Nog dezelfde avond ging Gerard door bossen en velden naar Roden, maar toen hij veertien dagen later weer terugkwam – de vrouw van het opvangadres was zenuwziek – zag hij nog steeds zo wit als een doek.

Mijn moeder logeerde op dat moment bij haar opa en oma in Zuidhorn. Daar werd ze op straat uitgevraagd door ene Datema, een foute brandstoffenhandelaar. Maar mijn grootmoeder had haar goed geïnstrueerd. “Leer van het vischje, onder water, spartel rond, maar houd je snater.”

Mijn moeder kreeg ook lang niet alles te horen. Nog in de vroege jaren zestig lag er achter het huis in Dwingeloo een stapel overbodig geworden en bemoste houten palen. Daar mocht ze in de oorlog nooit bij wieden, hoewel het onkruid er hoog opschoot. Vlak na de oorlog liet mijn grootmoeder haar zien waarom niet. Onder de palen zat een onderduikershol. Mijn moeder keek haar ogen uit: “Zo prachtig was het ingericht, met stro, dekens en autokussens”.

In 1943 werden de radio’s door de Duitsers in beslag genomen. Mensen hadden er lang voor gespaard, zo’n ding kostte “een hiele cent”. Voor menige familie bewaarde mijn grootvader de radio; er zaten uiteindelijk wel een vijftien onder de vloer van de winkel, achter de schuifdeuren met de glas-in-loodramen. Hij gaf dan een “oud beestje” terug, waar niet zoveel aan verloren kon gaan. Die konden ze dan eventueel inleveren.

Ook het register van verkochte radiotoestellen, dat mijn grootvader voor de omroepbijdragen moest bijhouden, verstopte hij onder de winkelvloer, in een apart ervoor gegraven gat. Hij kreeg er nog aardig wat gedonder mee toen men kwam vragen waar het was. Zijn smoesje dat hij het kwijtraakte werd niet geloofd. Na de oorlog kwam het boek totaal verschimmeld weer tevoorschijn.

Aan het eind van de oorlog namen de rantsoenering van electriciteit en de verduistering steeds strengere vormen aan. De centrale werkte al niet meer naar behoren, door de slechte kolen die men aanvoerde. Het kwam, ook dankzij luchtaanvallen, regelmatig voor dat de stroom haperde of uitviel. Bekijkt men de grafiek van het verbruik te Dwingeloo dan ziet men vooral in het jaar 1945 een enorme val. Vanaf november 1944 mochten gezinnen nog maar acht kiloWattuur per twee maand gebruiken – electrisch koken was toen ook verboden, evenals stroomverbruik op sperrtijden. Een paar maand voor de Bevrijding werden veel huizen zelfs van het net afgekoppeld, en waren de bewoners voor licht weer aangewezen op van de zolder gehaalde “pietereulielaampm”.

In die tijd moet het geweest zijn dat mijn grootvader het draadje naar de Ortskommandantur doorknipte, onder het motto: “Wij gien stroom, dan zij ook gien stroom”. Met de mitrailleur in de aanslag werd hij van huis gehaald, in zijn klimschaatsen geholpen en de bokpaal ingejaagd.

Mijn moeder haalde achtergehouden melk van Muggen en Santing op ’t Strovledder. Ook kwam het wel voor dat melkrijders vanaf hun melkwagen een pul achter de heg neerzetten. Hoewel er minstens een jaar gevangenisstraf stond op het “verzwaren van de stoffelijke nood van het Nederlandsche volk”, hielp dat de hongerenden in het westen van het land bar weinig. In het algemeen zagen de noorderlingen de distributie-autoriteiten als handlangers van de bezetter. Vandaar dat men afgekondigde maatregelen op allerlei manieren ontdook en saboteerde. Zo deden verscheidene Dwingeler boeren, ondanks de ver doorgevoerde registratie van vee, aan illegale huisslacht. Bij het vaak nachtelijke slachten was uiteraard licht nodig en mijn grootvader zorgde voor tijdelijke clandestiene aansluitingen. In ruil daarvoor kreeg hij vlees. “We hadden zoveel slachterij, dat het bij de buren in de wiemel hung.”

Minder prettig was dat NSB-ers er lucht van kregen, en mijn grootvader onder druk zetten om ook hen bij gelegenheid eens aan te sluiten.

Op een keer kwam hij uit Lhee fietsen met een half schaap in een stofzuigerdoos achterop. Onderweg stond een patrouille NSB-politie (landwachters) die iedere passant naar het persoonsbewijs vroeg. Mijn grootvader verzocht ze of ze het ding zelf uit zijn binnenzak wilden halen, anders zou die stofzuiger van zijn fiets kunnen donderen en was hij nog veel verder van huis. Zijn ausweis werd in orde bevonden: “Ried moar deur”.

Dat vlees was voor eigen gerief, maar mijn grootvader had ook, ten behoeve van de nood-energievoorziening van het Wilhelmina-ziekenhuis in Assen, een installatie voor het persen van olie uit koolzaad in de schuur staan. Die was plotseling verdwenen. “Veel te link.”

In de herfst van 1944 werden er twee Duitsers bij mijn grootouders ingekwartierd. Ze kwamen op het kamertje te liggen onder de vliering van oom Gerard. Beide mannen waren van middelbare leeftijd, en al dan niet noodgedwongen, om frontdienst te ontgaan, lid geworden van de SA en als zodanig bij de Organisation Todt ingedeeld, die het dorp door middel van loopgraven, mangaten en vooral tankvallen in staat van verdediging bracht. Hierbij werden duizenden Drenten en Friezen tot hand- en spandiensten geprest. De ene opzichter, of zullen we zeggen feldwebel, heette Karl, en was, hoewel oorspronkelijk gymnasiumleraar, een grove kerel, die zonder boe of bah uit de keuken wegpikte wat van zijn gading was. Zijn collega Emil Bundtzen, van een meer normaal postuur, van professie eigenlijk kapper, huisvader met twee kinderen te Chemnitz, vroeg daarentegen steeds vriendelijk als hij iets nodig had, ook al ging het maar om wat water uit de snelkoker voor een potje thee. Bij het werk liet deze Emil de dwangarbeiders de lijn trekken. Zaten ze rustig te kaarten. Tenzij er een hoge mieter in de buurt was, natuurlijk. Ook nam Emil wel eens saksische leverworst mee, die had de OT dan over en werd ’s zaterdags uitgedeeld.

Op een gegeven moment gebood Comello, de NSB-burgemeester van Dwingeloo, dat iedereen aan het werk moest bij de OT te Geeuwenbrug, ook de mannen die tot dan toe vanwege hun werk waren vrijgesteld, zoals mijn grootvader. Op de dag van afkondiging belde Moes, de directeur van de boterfabriek in Eemster, die melk moest leveren aan de Duitsers. Moes hoorde het verhaal van mijn grootvader eens aan en zei: “Die verrekte Comello, weej wat Vondeling, ik maak ies wat kepot en dan zal ik hum de peinse volschelden dat hej oe an ’t wark ezet hef.” Zo gezegd, zo gedaan, en op de dag dat mijn grootvader net als in zijn jonge jaren aan de schop stond, belde Moes Comello en gaf hem de wind van voren: “Hoe haal ie oe dat in ’t heufd godverdomme, hoe kunj dat now doen; zit ik met de boel kepot en hek gien elektrisjèn om de boel te maakn; mooi ist, now hek de febriek stille liggen.” Even later zag men Comello tegen weer en wind naar Geeuwenbrug fietsen. Mijn grootvader werd per direct vrijgesteld, en is ook niet weer aan het werk geweest bij de OT.

Mijn moeder was er getuige van hoe ze het schoolhoofd, meester Koopman, weghaalden. Hij gaf les in de consistorie van de gereformeerde kerk (want de Openbare Lagere School was door de Organisation Todt gevorderd) toen Tieme, een zeventienjarige jongen van Boers, hem kwam waarschuwen dat er Duitsers aan zijn deur waren geweest. De kinderen zagen hoe hij met Tieme meeliep. Hij had op de boerderij van Tiemes’ ouders al even onder de grond gezeten toen enkele lange jassen, die op de kerktoren met een verrekijker rondkoekeloerden, hem alsnog op het erf ontdekten. Hij stierf in een concentratiekamp. Andere slachtoffers in het dorp Dwingeloo: de gereformeerde dominee Geertsema, twee politie-agenten (waaronder de moedige Dolfing), de plaatselijke commandant van de marechaussée, de boswachter en een bosarbeider. (Straks iets over de joden.)

In huize Vondeling aan het Westeinde werd er bijna iedere avond naar radio Oranje geluisterd, niet alleen door mijn grootouders, maar ook door bezoekers. “De hele kamer zat soms vol.” Zo kwam daar regelmatig de uit Den Haag geévacueerde en op Oldengaerde woonachtige generaalsweduwe Hasselman, wier zoon piloot op een RAF-bommenwerper zou zijn, en van wiens vluchten boven het frontgebied ze door gecodeerde berichten via Radio Oranje op de hoogte scheen te kunnen raken. Toen oom Jan, de oudste broer van mijn grootvader, eind 1944 vanuit Delft, waar hij chef monteur op de gistfabriek was, naar Dwingeloo kwam om weer op krachten te komen, vroeg mevrouw Hasselman of hij een stuk spek voor haar zuster mee wilde nemen naar Den Haag. Hij moest het wel persoonlijk afgeven. Deed er bij het opgegeven adres een lakei de deur open. Bleek het een paleis van de koninklijke familie.

Op Oldengaerde woonden ook Haagse juffertjes die gemeenzaam omgingen met Duitse officieren. Mijn moeder weet nog steeds niet wat ze daar nou van moet denken, het leek toch niet “richtig” te wezen. Ordinaire moffenmeiden of gesophisticeerde spionnes? Hoe dan ook, als de radio weer eens werd aangezet, kreeg mijn moeder, die toen een een jaar of dertien-veertien was, opdracht liedjes te zingen om de zaak te overstemmen, en zodoende voor de Duitse kostgangers verborgen te houden. “Op de grote stille heide dwaalt een herder eenzaam rond…” “Ach”, verzuchtte Emil eens, “was singt das kleine Gretchen doch schön…”

Overdag stond het radiootje uit zicht in de hoek achter een dikke crapaud. Op een avond wees Emil naar die stoel en fluisterde: “Aufpassen”. Men kon beter niet naar de radio luisteren als zijn collega Karl in de buurt was: “Er ist nicht zu trauen; nicht zu trauen, verstehen sie?”. Mijn grootmoeder deed net of ze het niet begreep. Men wist immers niet wat men aan elkaar had.

Vlak voor kerst 1944 ontdekte mijn grootmoeder, toen ze op de kamer van de beide Duitsers zat te snuffelen, dat aan ieder drie flessen schnapps waren uitgereikt. Even tevoren hadden de onderduikers nog verzucht dat ze best wel eens een borrel zouden lusten, iets waarmee mijn grootvader hartgrondig ingestemd had. Mijn grootmoeder goot een scheut jenever uit iedere fles, en vulde ze weer aan met kraanwater. “Potverdikkeme”, vroeg mijn grootvader ’s nachts in bed,”hou bist doar an koomm?” Zij vertelde het: “Ze hebt ’t oeteindlek ook van ons steul’n”. Mijn grootvader was bang dat het uit zou komen maar die vrees bleek ongegrond. “Bij de bezetters heetten de Nederlandse vrouwen niet ten onrechte duivelinnen gelijk.”

Geplaatst op 4 januari 2008 e

Mijn moeder zag ze omlaag komen. Dokter Dinkla bracht ze eerst hals over kop op de motor langs achterafwegjes naar de wijkverpleegster, zuster Aukje ter Heide, de latere vrouw van mijn oud-oom Anton, die bij ene Strijker in de kost was. Bij haar hebben de vliegers een halve nacht onder het bed gelegen, maar daar konden ze niet blijven omdat het geronk van de artsenmotor uiteraard niet onopgemerkt was gebleven. Vervolgens gingen de vliegers naar het Groene Kruisgebouwtje van het dorp. Dokter Dinka haalde ze daar ook weer vandaan. De zaak werd verraden en de Duitsers kwamen op het spoor van Dinkla, die zichzelf even voor hun bezoek een kerf op het voorhoofd toediende om te kunnen zeggen dat hij de piloten niet vrijwillig geholpen had. Zodoende redde hij zijn vege lijf. De piloten wisten via een ondergronds lijntje weg te komen. Jaren later schijnt er in ’t Nieuwsblad van het Noorden een artikel over deze ontsnapping te hebben gestaan: men was op zoek naar de onbekende helpster. Maar tante Aukje heeft zich nooit willen melden. Ze had niet zoveel op met lintjes.

Eveneens vlak voor de Bevrijding nam een Duitser op straat de fiets van mijn moeder af. Ze wilde hem eerst niet geven, maar kreeg een flinke tik over de vingers en moest wel loslaten. ’s Avonds vertelde mijn grootmoeder het aan Emil Bundtzen. De volgende dag had mijn moeder haar fiets terug.

Op de dag voor de bevrijding van Dwingeloo (10 april 1945) trokken de Duitsers af naar het noorden, richting Delfzijl. De door de dwangarbeiders aangelegde versterkingen bleken van nul en generlei waarde, aangezien ze het front naar het westen hadden en de Canadezen vanuit het oosten op kwamen zetten. De Duitsers vorderden paarden en koeien. De dikke boeren waren zo verstandig geweest hun beesten van stal te halen en de wei in te drijven, maar buurman Eise van der Helm, een keuter (ik heb hem nog gekend als stokoud mannetje) had dit verzuimd en werd zo het slachtoffer. Mijn moeder heeft hem in de kamer zien zitten, schreiend als een kind.

Dezelfde dag heeft ze op de Brink, waar het gevorderde vee ingeschaard stond, leren melken. De melk mocht gratis mee naar huis. Om twaalf uur ’s nachts vertrokken Emil en Karl, maar om half vijf ’s ochtends kwamen ze nog even terug om de allerlaatste spullen op te pikken. Emil snikte dat hij Hitler schrecklich vond en dat opa en oma gute Menschen waren.

Om zeven uur kwamen er Canadezen op de logeerkamer – de britsen waren zogezegd nog warm. De officier van het stel nam oom Frans die dag mee voor een oriëntatie op de omgeving. Van die gelegenheid bewaarde oom Frans een Canadese stafkaart. “Elk weggetje en elk bosje stond erop”. Bij de meisjes van het dorp maakten de Canadese soldaten zich vooral populair met chocoladerepen.

Direct na de Bevrijding werd mijn grootvader gevraagd voor de Binnenlandse Strijdkrachten (BS). Een week later bedankte hij echter alweer voor zijn lidmaatschap uit woede over het gedrag van de plaatselijke commandant, de gereformeerde schoenmaker en postbode Katenberg. Bij het ophalen van de NSB-ers was deze Katenberg in het huis van Hendrik de Ruiter in het wilde weg zijn “spuit” (pistool) gaan gebruiken. De gezochte, die zich op een vliering schuil hield, miste hij op een haar na. Ook maakte Katenberg zich schuldig aan diefstal van serviesgoed uit de uitzet van een aanstaande bruid, Klaasje Dekker. Na de woedende opzegging van mijn grootvader kreeg zij haar spullen terug.

Voor de inkwartiering der Canadezen ontvingen de dorpsnotabelen naderhand vergoedingen. Zoniet mijn grootvader. Hij noemde het wel eens tegen deze of gene autoriteit, maar diende geen klacht in. Zo was hij niet: “Je moet as kleine zelfstandige die lui van de gemiente ook niet tegen die kriegn.”

Na de oorlog ontving de familie Vondeling vanuit de Russische bezettingszone van Duitsland nog een briefkaart van Emil Bundtzen. Hij en zijn familie waren de oorlog heelhuids doorgekomen en maakten het goed. Hij hoopte van de Vondelings hetzelfde. Mijn moeder heeft de kaart nooit te zien gekregen. Mijn grootmoeder had zo’n bloedpest aan de moffen gekregen, dat ze er nooit op wilde antwoorden, hoewel ze later toegaf dat Emil best sympathiek was. Je had ook goeie Duitsers – vooruit.

De joden van het dorp, die kwamen er dus minder goed vanaf. In 1942 of 1943 waren de families Cohen (in manufacturen) en J.van Oosten (ook middenstand) uit Dwingeloo weggevoerd, evenals een alleenstaand “wiefie” van 85 jaar, dat bij de schoolgaande jeugd bekend stond als Jetje. Veel spullen gaven de joodse families in bewaring bij collega-middenstanders, daar waar het ’t minst opviel. Zo kreeg de fietsenmaker fietsen, en mijn grootvader radio’s. Na de oorlog meldde zich een broer van Cohen bij de diverse ‘bewariërs’ met de mededeling dat binnen zijn familie de afspraak was gemaakt dat degene die overbleef de spullen zou krijgen. Mijn grootvader vroeg die broer hoe hij op de hoogte was geraakt van het feit dat hij iets in bewaring had. Die broer antwoordde dat zulks per brief geschied was. “Over de post?”, vroeg mijn grootvader. “Ja”, zei Cohen. Mijn grootvader kwaad. Op “jodenbegunstiging” stond immers concentratiekamp of zelfs de doodstraf, en de Duitsers maakten verdachte post open. De Cohens hadden die afspraak op een andere manier moeten maken. Nee, hij zou zich nog eens uitsloven.

Ook na de oorlog kwam er een enquète-formulier van het Academisch Ziekenhuis in Groningen, bestemd voor alle mensen bij wie ooit een nier was weggenomen. Eenzelfde formulier had mijn grootmoeder in de oorlog ontvangen, maar oningevuld gelaten. Op dit nieuwe formulier stond de vraag waarom ze het eerste exemplaar niet had opgestuurd. Haar antwoord was dat ze gehoord had dat Hitler na de joden alle zwakke mensen wilde afmaken.

In 1944, 1945 en 1946 is het aantal op electriciteit aangesloten huishoudens in Dwingeloo niet toegenomen. Nadien groeit het aantal aansluitingen weer gestaag. Wat betreft het aantal nuttig afgegeven kiloWatt-uren per aansluiting is er vanaf de bevrijding een snelle toename dankzij het eind van de stroomdistributie en herstelwerkzaamheden aan centrale en infrastructuur. Eind jaren veertig is men in dit opzicht zover dat het op basis van vroegere cijfers voorspelbare debiet weer gehaald wordt. Het is een ontwikkeling die zich in de jaren vijftig gewoon doorzet. Mijn grootvader moet tijdens de Wederopbouw hard hebben gewerkt.