De Toutenborg, herberg van Terheijl

Jammer dat sommige huisnamen alleen op kaarten en in archivalia te zien zijn en niet op of bij het pand zelf. Dit vrij onopvallende pand op de grens van Nietap en Roden heet bijvoorbeeld Toutenborg.

Het staat in het verlengde van de Toutenburgsingel, maar het is daar niet naar genoemd. Net als de singel ontleende het huis zijn naam aan de Toutenburg in Vollenhove, de woonplaats van de heer en mevrouw De Lille-Van Dedem voordat zij het in 1789 het geheel opgeknapte Huis Terheijl betrokken. Zij lieten de Toutenburgsingel aanleggen en moeten de Toutenborg hier destijds ook hebben neergezet. Het pand kreeg de functie van herberg.

In het Terheijlster Staatboek van 1806 wordt het zo beschreven:

Een herberg genaamd Toutenborg, gelegen tusschen de Nietap en Roden, bestaande in een behuizinge, schuur en stallingen voor eenige paarden, benevens de grond achter hetselve en aan de noordzijde is gelegen, midsgaders de bouwacker in de bos ten oosten en de weijderij in ’t Zulterveld, verhuurd in losse huure aan Hind[rik] Caspers jaarlijks voor ƒ 70,-…

Hindrik Caspers was nog tot mei 1814 de uitbater, steeds voor dezelfde huur. Dat bedrag vormde een bescheiden pachtsom, in aanmerking genomen dat herbergen in de stad Groningen meestal 100 à 200 gulden aan huur per jaar deden. Waarschijnlijk was de Toutenborg, zoals gebruikelijk op het platteland, ook meer een boerderij dan een herberg. Aan de noordkant werd er tot aan de Turfweg rogge en haver verbouwd op de zogenaamde Dobber-es en -kampen, verder had Hindrik nog de beschikking over bouwland dat ingeklemd lag tussen percelen van het Noordholt. Op een strook groenland tussen zijn huis en het Noordholt zullen wat melkkoeien hebben gelopen. Aan de andere kant van de weg lag de Zulterheide waarop zijn schapen graasden.

In 1806 waren dat zelfs merinoschapen, die bij opbod verkocht werden aan “liefhebbers van de schapeteelt en de wolverfijning”. Maar veel belangrijker waren de houtveilingen in herberg de Toutenborg, met name in 1810 en 1811.  In het eerste jaar ging het in november om “eene aanzienlijke kwantiteit eiken stamboomen, waaronder geschikt voor molenmakers, wagenmakers en scheepstimmerlieden”. Daarnaast betrof het percelen schilhout in de bossen en op de boerenplaatsen van Terheijl. In het voorjaar van 1811 kwam bovendien dennen-, elzen- en berkenhout onder de hamer, dat reeds gekapt klaarlag op de “cingels en plantagiën” van Huize Terheijl. Ook later dat jaar werden weer enorme partijen hout verkocht, het moet er een aanzienlijke kaalslag zijn geweest.  En steeds was kastelein Hindrik Caspers van de Toutenborg de man die je alles kon aanwijzen, als je gading op wat hout maakte.


Rondje Terheijl

ooo


Rondje Terheijl – Enumatil

Het Vagevuur, een pingoruïne, waarbij in 1626 een veldschansje kwam te liggen waaraan ze haar naam dankt:

Aangetaste boom die met een jaar of wat zo om te drukken is:

Kraaien in boom aan doodlopend pad:

Eindje verder aan hetzelfde pad:

Ook hier zijn de houtwallen niet meer wat ze geweest zijn:

Vroeger liep dit weggetje rond, een van de aanwonenden wilde meer privacy en heeft een hek over de weg gezet:

Bij de Schapenweg, hoek Scheperij hoorde ik het geklepper van ooievaars. Was niet te laat voor een foto, pa ooievaar ging eens takken scoren:

Bij Enumatil betrok de lucht:

(Foto’s van gistermiddag.)


Een bezoek aan het buitengoed Terheijl (1797)

J.F. Christ, Huis Terheijl, ca. 1840.

Willem de Lille (1750-1810, zie ook) was een succesvolle advocaat en  stadssecretaris van Steenwijk. Maar omdat hij zich ontpopte als een fanatiek patriot en zelfs optrad als commandant van een gewapend genootschap aldaar, kwam er in 1787 een eind aan zijn politieke carrière. Niettemin wist hij in 1789 een zeer goede partij te trouwen en dat nog wel in gemeenschap van goederen. Het ging om baronesse Johanna Sloet-Van Dedem, weduwe van de drost van Salland. Samen betrokken De Lille en zijn vrouw een jaar later de havezathe Terheijl, die zij van haar eerste man geërfd had. Het lang onbewoonde en dus vervallen huis was intussen onder De Lilles leiding grootscheeps gemoderniseerd. Terwijl het huis in 1786 ruim 50.000 gulden waard was, staken De Lille en zijn vrouw er nog eens ruim 80.000 gulden bij in. Geld dat overigens niet alleen in stenen ging zitten, want er kwam ook een fraaie Engelse landschapstuin om het huis heen, vermoedelijk een van de eerste in Drenthe.

Toen huis en park gereed waren, ging de ondernemende De Lille investeren in de ontginning van de bijbehorende heide- en veengronden, waarbij hij zich ontwikkelde tot een agrarisch deskundige. Hoe hij precies te werk ging, daar is weinig zicht op, maar eind mei 1797 bezocht de Groninger dokter Jacob van Geuns een boer met een maagzwaar op het buitengoed, en maakte er meteen maar een “plaisiertourtje” van. Van Geuns reed er over Leek heen met een fourgon of jachtwagentje. Het was een mooie dag en hij gaf zijn  ogen goed de kost. Dit schreef Van Geuns aan zijn vader in Utrecht over Willem de Lille en diens buitengoed:

Het is een vermaak om deeze plaats te zien, alwaar men zeer ruime gelegenheid heeft om op te merken wat ’s menschen vlijt en arbeid kan uitrigten. De streek en grond is zandig & heide. In 1787 was dit nog een oud vervallen heerenhuis, rondom in heyde gelegen. De Hr. de Lille die het voor een kleine somme gekogt had, liet het huis opmaken, en heeft er nu een zeer goed verblijf van gemaakt. Hij liet zich veel aan de landbouw gelegen liggen, heeft daar veel bosch aangelegt – dat reeds zeer weelig groeit – en reeds, zooals ik meen, 400 morgen goede bouwgrond, waaronder zelfs die garst en koolzaad geeven. 3 Boerderijen heeft hij reeds op zijn goed, welke volgens zijn opgave en raad de landbouw doen op de ontgonnene gronden. Deeze boeren gaat het zeer wel: van jaar tot jaar gaat hij voort met woest land te verbeeteren en zijn voorneemen is van tijd tot tijd hiermeede aan te houden, en zoo spoedig hij weer een goede lap gronds klaar heeft, er weer een boerderij op te zetten. Hij ploegt met zwaare ossen; mest verschaft hij zich verreweg meest door plaggen, planten &c. 1 of 2 jaar te laaten rotten; hij zaait volgens de nieuwe methode, zoo dat de ½ van het land altijd vrij is, dat dan een ander jaar gebruikt word. Zijn vrouw is een Overijsselsche adelijke dame, een zuster van onze ambassadeur Van Dedem – het speet mij dat ik ’s middags voort na den eeten vertrekken moest…

Bronnen, buiten de gelinkte:

  • J. Bos e.a. (red), Huizen van stand (Meppel/Amsterdam 1989) 432-434
  • Utrechts Archief, Tg. 814 (familiearchief Van Geuns) inv.nr. 10: brieven van Jacob van Geuns aan zijn vader Matthias van Geuns, die van 27 mei 1797.

Winters rondje Terheijl

Groepje jongeren, schaatsend op een slenk in de Onlanden:

Drinkbak bij Roderwolde met een dichtgesneeuwd koeienpaadje erheen::

Roderwolder Schipsloot:

Foxwolde?

Leutingewolde:

Hoek Toutenburgsingel bij de Santeeweg:

Terheijl, bij de Scheperij;

Blok ijs uit drinkbak aan zandweg binnendoor:

Terheijl, bij de Scheperij in het veld:

Binnenkort in dit theater:

Het boerderijtje middenin het veld waar mijn oudtante Gerkje Kroese en haar man Jan Albert Postema van ongeveer 1937 tot zeker haar vroegtijdig overlijden in 1963 hebben gewoond:

Destijds had je nog niet zulke stoppels van mais, ’s zomers zit je er nu nogal ingesloten, lijkt me:

Bij Nienoord:

Het Lettelberterdiep:

Het pontje van de Poffert, ingevroren:

Vanaf Leek kan je over het Leeksterhoofddiep of het Leekstermeer en de Munnikevaart redelijk veilig tot De Poffert komen en dan over het Hoendiep naar Enumatil. Aan de oostkant van de DePoffert zit een grooy vogelwak en bij de suikerfabriek op Vierverlaten is het ijs kapotgevaren of tamelijk dun. Vanaf de stad kan je in elk geval geen Leekstertak gaan halen:


Rondje Terheijl

Overal vrij veel water op het land. Roderwolde:

Hout te koop, Leutingewolde:

Baggelveld, Terheijl:

Midwolde vanaf een plek bij de Hoedekast in de buurt:

Het lijkt wel of die toren steeds verder overhangt:

Bij de Kerkweg tussen Oostwold en Oostwolmerdraai:

Bij het Hoendiep vertoonde zich een bui in de vorm van een varken:

Aduarderdiep met vergistingstanks van de suikerfabriek bij Vierverlaten:


Rondje Terheijl – Tolbert

Bij de  Gouwe:

Tussen Leutingewolde en Nietap:

Baggelveld, Terheijl:

Aan de andere kant van de weg bij een nieuwbouwproject een stapel rode bakstenen met aTerheijl erin gebakken::

Nat stoppelveld op de Zandhoogte:

Een flinke border met herfsttijloos, Midwolde:

Wat dichterbij:

Vierverlaten tegen vijven:


Rondje Terheijl

Ree of opgang boerderij bij Lettelbert voorlopig alleen passabel met fietsen:

We houden je in de gaten.

Gerestaureerde boerderij bij het Lettelberterdiep:

Oude schuur bij doodlopend zijweggetje van Oostindië:

Min of meer het uitzicht van een huis dat te koop staat bij de Langewijk:

Vlakbij Nieuw-Roden:

Bouwval Terheijlsterweg:

Tussen Leek en Roderwolde – op fietse noar stad:


Tourtje Terheijl – Tolbert – Boerakker – Enumatil

Krachtmeting van twee Belted Galloway-stiertjes bij de Langmadijk, Peizermade:
2015-08-01 007
Een grote kudde wit vleesvee, samengebracht op een vrij klein perceel nabij Roderwolde:
2015-08-01 018
Bij Nietap in de buurt:
2015-08-01 025
Onaangedaan staart hij in de verte – hij is oneindig veel gevaarlijker, maar ook oneindig veel kalmer dan bovenstaande stiertjes van boer Luinge. Je zou er bijna een wet in zien – hoe gevaarlijker de hoorns, hoe kalmer de stier:
2015-08-01 028
Het Vagevuur, een pingoruïne bij Terheijl:
2015-08-01 032
Fredewalda, de historische vereniging van Tolbert, heeft haar dorpsmaquette van Tolbert naar de situatie van 1925 weer opgesteld, maar nu in boerderij Cazemier, die tevens fungeert als oudheidkamer:
2015-08-01 038
Er hingen schilderijen van Jan Hazenberg, een  gepensioneerde boer die eerst foto’s neemt en die dan naschildert. Hoewel ik een beetje sceptisch over deze werkwijze ben, heeft zijn werk soms toch wel wat. Het bekende scheepswerfje bij De Poffert:
2015-08-01 043
Het oudste (ca. 1920) van een serie telefoontoestellen uit een particuliere collectie:
2015-08-01 048
De geredde grafpaal van een jongetje Cazemier dat in 1876 op achtjarige leeftijd overleed:
2015-08-01 051
Radiotoestellen, voornamelijk uit de Wederopbouwjaren. Midden onder luidsprekers en een zenderkeuzeknop van een draadomroep:
2015-08-01 055
Schuur bij het Schilligepad:
2015-08-01 063
Bij de Dijkweg tussen Boerakker en Oldekerk een Vlaamse Gaai:
2015-08-01 064
Hij had net een lekkere vette vlieg gevangen:
2015-08-01 065
Ook bij de Dijkweg – ondersteboven parende soldaatjes op een zwiepende grashalm, een derde exemplaar zit op het vinkentouw:
2015-08-01 084
Suffolk-schapen bij de Mensumaweg:
2015-08-01 089
Grazen in het gelid:
2015-08-01 092
China?-ganger keert behouden terug in Niekerk en kan weer bier gaan drinken met zijn vrienden:
2015-08-01 098
Wilde bloemenberm bij het Hoge Voetpad, oostkant Niekerk:
2015-08-01 102
Tante Til toont op haar terras in Enumatil haar nieuwste aanwinst, een theepot waarvan het middendeel gemodelleerd is naar een fornuis:
2015-08-01 107
Nu wat dichterbij – uit het ding kwam ook nog muziek, te weten Try to remember, zo u wilt Zomer in Zeeland. Naar het verband met de culinaire vormgeving wordt nog gezocht:
2015-08-01 110
Bij de Zuiderweg tussen Enumatil en Zuidhorn drie ooievaars (en buiten beeld nog een stel) – in deze omgeving had ik ze nog niet eerder gezien:
2015-08-01 112
Langs het fietspad naar Den Horn veel kaardebollen met hommels:
2015-08-01 118
Boven het fietspad twee om elkaar heen cirkelende buizerds, beide in de rui gezien hun verfomfaaide staat
2015-08-01 131
Klauterende Nubische  geitjes langs het Aduarderdiep:
2015-08-01 135


Rondje Roderwolde-Leutingewolde-Lettelbert

Bekroning kunstwerk op rotonde Johan van Zwedenlaan-Zuiderweg, Hoogkerk. Ik zie er iets hersenachtigs in, maar het kan ook een boom zijn:

Een jaar of wat geleden werden in de Onlanden bij Roderwolde deze bomen gekapt. Vraag me af wat de bedoeling nu is:

De kerk stond open. Ik vroeg me af waar ik mijn tabakspruim laten moest:

Het is een vrij eenvoudige kerk, die dateert van, even uit mijn hoofd, ca, 1830, maar die stroken gekleurd glas voor de ramen hebben wel wat. Die aan de ene kant:

En die aan de andere:

Primitieve triptiek:

Leutingewolde:

Hekje bij de Baggelhof, Terheijl:

Op Oostindië achter Leek – daar kwam het al verwachte schip met zure appels aan:

Ik kon de bui nog redelijk voorblijven – zo zag hij er vanaf het Lettelberterdiep uit:

Bij het Smulhuis in Hoogkerk vielen nog wat druppels, maar veel stelde het niet voor:

(Foto’s van gistermiddeg.)


Rondje Haulerwijk

Bij Steenbergen of Een in de buurt:

Doel van het reisje: het graf van mijn jaargenoot Wiebe Bergsma, dat ik laatst niet kon vinden op de onverwacht omvangrijke begraafplaats van Haulerwijk. Met aanwijzingen van de administrateur-beheerder kwam ik er nu wel bij uit. Wiebe, een encyclopedische geest, ging zes jaar geleden definitief ten onder aan de drank. Omdat hij van huis uit gereformeerd was, had ik geen kruis verwacht. Het hout lijkt te verwijzen naar zijn arbeiderskomaf – arbeiders hadden nogal eens houten palen op hun graf staan, voor 1920:

Boomgaard bij Bakkeveen:

Piekfijn opgeknapte boerenschuur, waarschijnlijk een groepsonderkomen van het schuin er tegenover staande Natuurvriendenhuis van de NIVON in Allardsoog:

Dezelfde schuur, maar dan van opzij:

Art déco tuinhekjes in Zevenhuizen. Het achterliggende, vervallen pand zou een koffieshop worden, maar dat zien veel Zevenhuisters niet zitten:

Kleine wijngaard op ’t Blauw tussen Zevenhuizen en Oostindië:

Wakende buizerd, Oostindië:

Hyacintachtig ruikende bloem bij de ingang van de Baggelhof, Terheijl:

Baltsende witjes, ook op de Baggelhof:

En een atalanta – ik denk de eerste die ik dit seizoen zag:

De beeldbepalende veranda in Nietap, die mogelijk verdwijnen gaat:


Hanen kraaiden in Lutkewolde


In het staatboek van Huis Terheijl, opgemaakt ca. 1806-1810, staan tussen de gewone posten wegens pacht van boerderijen en turfmakerijen ook enkele met huren deels in natura, die daarmee een beetje middeleeuws aandoen. Het gaat om deze acht:

Huur per jaar: Huurder: Omschr. vastgoed:
ƒ 85 + 4 jonge hanen Cornelis Ottens en vr. Boerderij i/d Dobben
ƒ 64 + 6 jonge hanen Hindrik Peters en vr. Boerderij Lutkewolde
ƒ 56 + 6 jonge hanen Ype G. Haijema Boerderij Lutkewolde
ƒ 140 + 6 jonge hanen Jacob Abels Boerderij Lutkewolde
ƒ 70 + 6 jonge hanen Teye Abels Boerderij Lutkewolde
ƒ 46 + 4 jonge hanen Carst Jacobs en vr. Boerderij Roden
ƒ 75 + 4 jonge hanen Willem Hendriks en vr. Boerderij Roden
ƒ 48 + 6 jonge hanen Ebbe Abels en vr. Boerderij Lieveren

In alle gevallen betreft het boerderijen, meestal gelegen in Lutke- of Leutingewolde, maar soms ook in Roden en Lieveren. Met elkaar leverden ze jaarlijks 42 jonge hanen aan Huis Terheijl. Als die voor eigen consumptie waren, stond er bij de heer en mevrouw De Lille-Van Dedem dus bijna wekelijks een jonge haan op tafel.

Met name in Leutingewolde was er iedere ochtend vrij veel hanengekraai te horen, zeker als ook op boerderijen van andere eigenaren hanen werden gehouden voor betaling van huur in natura.


Palleraksie enz.

Op een vrij recente veldnamenkaart van Terheijl en omgeving vinden we aan de zuidkant, bij de Scheperij (zie rode pijl), de veldnaam Palleraktie:

Ook Wieringa noteerde deze al, ca. 1970 , zij het als Palleraksie met een s in plaats van de t (bron Hisgis):

Hisgis ‘entte’ Wieringa’s veldnamen op de oudste kadasterkaart, van ca. 1833. De blauwe kleur van het bedoelde perceel staat voor “vijver als bouwgrond”, iets waar ik me maar weinig bij kan voorstellen.

Palleraktie ken ik uit mijn jonge jaren als streektaalwoord, uitsluitend gebruikt door een oudere generatie. Mijn associatie is nu: een rotzooitje,  maar klopt dat ook?

Met die t-spelling levert het weinig op. Maar als palleraksie is het allereerst te vinden in een agronomische woordenlijst van Theodorus van Swinderen uit 1826. Palder staat volgens deze Groninger hoogleraar voor “een laag moerassig stuk grond”. Dat past dan mooi bij die kleur blauw van HisGis – met zulk land  kon als ambitieuze landbouwer weinig uitrichten.

Molema’s Drentse woordenboek uit 1889 meldt onder paldert: “poel, stilstaand water”. Bij dit lemma maakt Molema een uitstapje naar het ’t Oostfries, waarin paller, pallerd en pallert staan voor “moeras, moerassige ofschoon met gras begroeide laagte”. Volgens Molema is het verwant aan het Latijnse palus voor “moeras, broekland”.

Het Drents Woordenboek van Hadderingh en Veenstra (1979), dat palleraktie spelt als  palleraksie en balderaktie, definieert het dan ook als onland, wildernis en rommel, terwijl pallert er staat voor een ’s winters ondergelopen stuk in met name een heideveld..

Zoals al blijkt uit de excursies van Molema is het woord zeker niet exclusief Drents. Diens wat eerder verschenen Groninger Woordenboek (1887) geeft palteraksie, wat staat voor “een hoop goed van weinig waarde, lappen, vodden, versleten kleeren,

Het Nieuw Groninger Woordenboek van Ter Laan (1953) tot slot, situeert palleraksie op het Hoogeland, terwijl de dominante spellingen wat verderop in Groningerland palteraksie en palternaksie lijken. Ter Laan definieert ze als: wildernis, zootje, rommel, morsige boel en mengelmoes.

Zo heel veel zat ik er dus niet naast met mijn rotzooitje. Overigens lijkt de betekenis van palleraksie in de loop der tijd te verschuiven van een natuurlijk naar een cultureel fenomeen.


Roomstra’s kwamen van Rome

Grappig, de kinderen uit de familie Hendrik Heines die van 1799 tot 1814 de boerderij Rome of Romen bij Ter Heijl bewoonde, namen naderhand, voor zover bekend, allemaal de familienaam Roomstra aan.

Rome(n) moet destijds overigens een vrij kleine boerderij geweest zijn, gezien de huurprijzen, oplopend van 75 tot 105 gulden per jaar. Het ging om losse huren in in termijnen  van drie tot zes jaar. Zulke boeren waren gemakkelijk te lozen door de eigenaar van het buitengoed Terheijl. De zoons Roomstra van Heines en vrouw heten in burgerlijke standsakten dan ook arbeiders, en niet boeren.


Baksteen uit De Helle voor Groninger kerken

Kaartje van De Helle (nu Terheijl) en omgeving in de Middeleeuwen, gemaakt door alle latere toevoegingen, zoals Nienoord, de veenkolonie Leek en Nietap, te verwijderen uit een kaartje dat Beckeringh ca 1750-1760 vervaardigde. NB: de oriëntatie is de omgekeerde van de gebruikelijke: zuid is hier boven en noord is onder. Je moet dus als het ware kijken vanuit Nienoord, dat onderaan het kaartfragment stond, maar dat is weggepoetst.

De Helle lag op Drents grondgebied in de hoek tussen enerzijds de landweg Roden-Tolbert/Midwolde en anderzijds het grensriviertje De Lek tussen Drenthe en het het Vredewold. Dat was in the middle of nowhere. De dichtstbijzijnde nederzettingen waren de buurtschap De Zulthe onder her kerspel Roden aan de Drentse kant en Tolbert/Midwolde aan de Vredewoldster kant. Deze uithoek bestond tot ongeveer 1300 voornamelijk uit een onontgonnen wildernis van hoog- en laagveen en heide.

De reden dat het grote klooster Aduard destijds hier een uithof vestigde, was, zoals bekend, dat er aan de oppervlakte potklei gevonden werd, terwijl er ook turf kon worden gewonnen. Met de turf verbakten de bewoners van de uithof in veldovens de potklei tot bakstenen en dakpannen, waarmee bijvoorbeeld de prachtige romanogotische kerken van Groningerland werden gebouwd.

De uithof van De Helle was geheel en al georiënteerd op Aduard in het noorden, zoals je ook kunt zien aan het doodlopen in het veen van een weg naar het zuiden (nu de Scheperij). Via het dichtstbijzijnde bevaarbare punt van de Lek – misschien bij de boerderij Romen, of anders nog wat dichterbij het Zulthermeer (nu Leekstermeer) – en verder het Leekstermeer, de Munnikevaart en de Gave bij Oostwold, de Zuidwending, het Aduarderdiep en de Lindt gingen de producten naar Aduard, waar ze werden gebruikt en verhandeld.

In 1807 is uithof De Helle allang veranderd in een havezate of buitenhuis Terheijl, dat intussen ook aanzienlijk uitgebreid en verfraaid werd, maar een lijstje van de dan door de eigenaar zelf geëxploiteerde percelen (Drents Archief OSA 1513), laat zien hoe het verleden nog in de veldnamen voortleeft. Bij het Huis Ter Heyl en zijn hoven en singels horen dan:

  • De Duivekamp, bos(s)ie en Osseboerskamp
  • De Rutsche camp
  • De Vagevuur kamp
  • De Tichel kamp
  • De Sante(e)’s kampen
  • Leekster veld
  • 4 campen bij de Nietap
  • ’t Zuyderveld en -veen
  • 10¾ waaren (aandeken) in ’t gescheyden veen
  • ’t Baggelveld

De onderstreepte namen, komen ook voor op de veldnamenkaart van Wieringa, ca. 1970 (zie HisGis). Opvallend zijn het Vagevuur (dat als het ware reageert op De Helle, ooit een schansje)  en de Tichelkamp, een plek waar potklei zal zijn gewonnen. Het Leeksterveld, het Zuiderveld, het Baggelveld en de naamloos gescheiden venen hebben te maken met de winning van turf. Toch zullen deze venen niet allemaal al in de Middeleeuwen in exploitatie zijn genomen. Het Zuiderveld ten zuidwesten van De Helle, en het |Leeksterveld even over de provinciegrens kwamen pas veel later aan snee. Het Baggelveld, dichter bij de uithof, heeft dan wat betere papieren, ook omdat baggelen duidt op laagveenderij (vanonder de grondwaterspiegel vandaan), die een turf met een hogere calorische waarde voor de steenbakkerij opleverde. Verder lijken ook de Santeekampen – overgenomen van of gepacht door de ondernemersfamilie Santee – een aanwinst uit een veel jongere periode, ik schat tweede helft achttiende eeuw..

Een Jan Smit bracht in 2012 de hem bekende veldnamen van Terheijl e.o. in kaart (pdf) voor Staatsbosbeheer:

NB: dit kaartfragment heeft wel weer de gewone noordzuidoriëntie. Afgezien van het Zuiderveld, het  Leeksterveld en het Baggelveld, maar inclusief de diverse in 1807 ongenoemd gebleven Hellen, liggen de in 1807 genoemde percelen in een  opstrek tegenover het huis, zeker als we de Santeekampen niet meerekenen. Met de kampen onmiddellijk ten westen en zuiden van het huis die in 1807 evenmin worden genoemd (Olle Tuun, Heerskamp, Klaverkamp) en  met de eveneens ongenoemde Klaaiedobben, de Voorste Ganzenkamp en wellicht het Baggelveld aan de westkant moeten ze behoord hebben tot de middeleeuwse uithof De Helle, waar dus die kloostermoppen vandaan kwamen voor onze prachtige oude Groninger kerken.