Een tewaterlating bij Vierverlaten

Eerst maar ’s overleggen – hoe kan het ’t beste?

Voorzichtig, voorzichtig…

The Point of No Return:

Lijntje rustig laten vieren:


Wolkenrondje Vierverlaten

Kon nog net een uurtje fietsen. Op de Roderwolderdijk een interessante wolkenformatie, die niet op de Buienradar te zien viel:

Vanaf het viaduct over de A7:

De formatie dreef richting stad en regende maar liefst drie druppels op mijn hoofd:

Suikerfabriek Vierverlaten:


Achter de gevels van het Stationskoffiehuis te Vierverlaten

Ik zou nog terugkomen op het interieur en daarmee de functies van het Stationskoffiehuis te Vierverlaten. In 1912 liet uitbater Boerma het gedeelte met de doorrit en de stallen etc. verbouwen, en daaraan danken we een plattegrond van het hele complex. Dat viel grofweg uiteen in twee delen, die zo’n beetje in het midden werden gescheiden door de kruidenierswinkel en een gang zonder overkapping die naar het achtererf liep:

Grondplan 1912. RHC Groninger Archieven 1748-2739.

De westelijke helft van het complex, op het plaatje links, bestond grosso modo uit het eigenlijke koffiehuis, nog een bedrijfje en de achterliggende woning. De oostelijke helft rechts herbergde de doorrit en de stallen. Wat er veranderde, gaf de architect aan met donkere lijnen. Het betrof voornamelijk de muren in het ‘agrarische’ deel rechts: deze werden nieuw opgetrokken van steen in plaats van hout. Hoewel er dus niets aan het koffiehuisdeel links gebeurde, heeft de architect de bestaande toestand daarvan wèl in zijn tekening opgenomen. Zoomen we eerst in op dat deel:

Onderaan zie je de veranda aan de Trekweg. Deze passeren we op weg naar de deur (aangegeven door het dwarsstreepje) van de gelagkamer. Linksaf kan je dan naar de biljartzaal. Achterin de gelagkamer heb je de deur naar het woongedeelte (waarschijnlijk aangegeven met een bordje ”privé’) en naar een scheersalon. Behalve koffiehuishouder, winkelier en wagenverhuurder was Boerma dus scheerbaas of barbier. Tegenwoordig schijnt de combinatie van kapsalon en horeca weer gewild te zijn, maar destijds bestond die dus al. In het woongedeelte, tenslotte, treffen we de (woon)keuken, een bergplaats en een (nette) woonkamer aan. Naast de woonkamer zitten twee slaapkamertjes met samen drie bedsteden, die op de tekening aangegeven zijn met een kruis. Dezelfde kruisen zie je achteraan de biljartzaal. Hier zal het personeel hebben geslapen, terwijl de familie Boerma zelf bij de woonkamer sliep. In de westelijke muur van de biljartkamer en de bedsteden, die op foto’s van buiten overdekt is met klimop, ontbreekt een raam. In aanmerking genomen dat er in de biljart- en de gelagkamer flink gerookt werd, moet de slaapgelegenheid hier niet al te gezond zijn geweest.

Voor het rechter, ‘agrarische’ gedeelte van het complex gaan we eerst even terug naar 1907, toen Boerma het pas verworven had en wilde verbouwen:

RHC Groninger Archieven 1748-.2739.

Onder zie je het nog rechthoekige winkeltje met een lange toonbank in het midden en vaste bakken rechts. Tussen die toonbank en de bakken zal Boersma of zijn vrouw als winkelier hebben gestaan. Rechts, schuin naar achteren, heb je de doorrit, daar buitenom bevinden de bocht in de Trekweg en het Hoendiep/Koningsdiep. De wagendeuren van die doorrit zaten voor 1907 nog niet in de rooilijn van het koffiehuis en de winkel. Boerma wilde de passage langs die deuren gemakkelijker maken voor paarden en wagens . De rode stippellijn op de tekening geeft zijn bouwplan aan. Door twee hoekjes uit de winkel te nemen en die aan de doorrit toe te voegen en bovendien de gevel schuin uit te laten springen ten opzichte van genoemde rooilijn, zou hij niet alleen meer manoeuvreerruimte in de doorrit verkrijgen, maar ontstond er ook een meer besloten voorerf. Tegen dat uitspringen rees echter bezwaar vanwege de verkeersveiligheid op de naastgelegen Trekweg en de uitkomst was dat de wagendeuren in de rooilijn van winkel en koffiehuis kwamen te staan. Dat Boerma hiervoor echter compensatie kreeg, blijkt uit de schets van de bestaande toestand uit 1912:

Vergeleken bij de tekening uit 1907 maakt de doorrit hier een heel andere hoek ten opzichte van die rooilijn: het gebouw neemt nu meer ruimte in. Achter de doorrtit moet een wat hokkerige toestand hebben bestaan met links een koetshuis en een turfhok, beide uitkomend op de de doorrit, centraal een koestal met grup en gang en rechts een paardestal, met eromheen een bergplaats, een berging en het privaat, waarvan de architect het ronde gat boven het poeptonnetje ook intekende. De paardestal viel in twee delen uiteen – er konden dus waarschijnlijk twee paarden staan.

Bij het opnieuw optrekken van dit oostelijke deel van het complex verandert zijn plattegrond nogal:

Het turfhok kwam dichterbij  de doorrit, de koestal verplaatste men naar de buitenkant, de paardestal kreeg meer ruimte en werd nu geschikt voor drie paarden in plaats van twee, er was een nieuwe bergruimte voor rijwielen, terwijl het privaat ook iets anders gepositioneerd werd, maar zijn rondje behield. Zo moet de toestand geweest zijn tot een nieuwe uitbater in 1927 de boel andermaal veranderde. De voorgevel langs de bocht van de Trekweg zag er intussen zo uit:

Links een stukje koffiehuis, het winkelpuitje met het Jugendstil-etalageraam en de zuidwestelijke wagendeuren van de doorrit. Deze stonden allemaal op dezelfde rooilijn. Rechts van de wagendeuren maakte de gevel dan een knik, wat hij opnieuw deed links van de noordoostelijke wagendeuren. In de muur ertussen zaten vier ramen, boven de doorrit was er nog een zolder voor opslag van bijvoorbeeld hooi. Erg veel allure had deze hoekoplossing niet.

Eind 1925 wilde Hinderikus Boerma het hele complex al onderhands verkopen. Blijkbaar kreeg hij na zijn krantenadvertentie geen aannemelijk bod en een jaar later liet hij het veilen:

Nieuwsblad van het Noorden 20 november 1926.

Opmerkelijk is dat de scheersalon niet in deze aankondiging genoemd wordt. De koestal bood kennelijk ruimte voor tien runderen, de derde paardebox moet in beslag zijn genomen door iets anders. Weliswaar heet de zaak in de advertentie een “neringrijk stationskoffiehuis”, maar bij het aanprijzen van de lokatie in de laatste alinea’s speelt het station geen rol – kennelijk waren louter de verkeersweg, het vaarwater en de fabrieken relevant voor het mogelijke vertier.

Bij het opbieden en afslaan bleek Gerrit Danhof uit Eenrum de hoogste bieder met ƒ 15.200,-. Krachtens de koopvoorwaarden moest hij bovendien nog 250 gulden betalen voor de winkelkast, een grote en drie kleinere winkelbakken en de elekrische lampen, behalve dan die in de woonkamer. Een stuk land aan de overkant van het Koningsdiep, dat Boerma eerder gepacht had en dat tegelijkertijd onder de hamer kwam, nam Danhof bovendien nog van de eigenaren over voor 175 gulden.

Niet bij de koop inbegrepen waren de café-inventaris en de winkelgoederen en –gereedschappen. Hiervoor zette Boerma eind april 1927 een boeldag op touw:

Nieuwsblad van het Noorden 16 april 1927.

Met die hoeveelheid melkvee was Boerma een grotere boer dan menige keuter op zand of veen. De hooihark zal hij hebben gebruikt om het land aan de andere kant van het Koningdiep te hooien. Zijn biljart was Gronings fabrikaat, de eikenhouten kappersstoel werd uit de scheersalon verwijderd en in het koffiehuis konden, afgezien van de markttafel en de banken, maar liefst 60 mensen op de Weense en andere stoelen zitten, bijvoorbeeld bij een vergadering of festiviteit.

In weerwil van de aankondiging kwam er op de boeldag geen paard onder de hamer, De gekruiste Belgische ruin was blijkbaar vooraf al onderhands verkocht. De koeien en de vijf schapen gingen naar boeren in Foxwolde, Roderwolde, Tolbert, Lettelbert en Vierverlaten. Misschien zegt dit ook iets over de klandizie van het koffiehuis. Naast die ene scheerstoel van de advertentie, die 18 gulden opbracht, had Boerma nog een andere, slechts 3 gulden waard. Als bijzonder stuk is nog een albumstander vermeldenswaard. In totaal bedroeg de opbrengst van de boeldag ruim 1200 gulden, waarvan de kleine helft voor rekening kwam van de levende have.

Kortom, toen Hinderikus Boerma ophield met het Stationskoffiehuis te Vierverlaten, bleek hij naast koffiehuishouder tevens kruidenier, scheerbaas, wagenverhuurder en veeboer. Zijn kostwinning was zeer divers. Vermoedelijk zou dat niet zo het geval geweest zijn, als het koffiehuis achter die fraaie veranda hem voldoende had opgeleverd.

Bronnen, naast de genoemde: RHC Groninger Archieven, archief notaris Jan Vellinga Leek, de akten 1926-340 en 352 (een geheel vormend), en 1927-105.


Het Stationskoffiehuis te Vierverlaten, zijn lokatie en façade

We staan op de brug van Vierverlaten met onze rug naar de Roderwolderdijk en kijken schuin over het bevroren Hoendiep naar het streekje aan de noordkant, dat ook wel eens de Vierhuizen werd genoemd:

Hoendiep nz. Vierverlaten, 1903-1905. RHC Groninger Archieven 818-16220.

Uiterst rechts, daar waar het Hoendiep kruist en zich even identificeert met het Koningsdiep, staat het Stationskoffiehuis van Vierverlaten. Zoomen we daarop in via een uitsnede uit bovenstaande ansicht:

Links van de voorgevel staat de hand- of strijkpaal, waarover een paar dagen geleden enige discussie was. Die voorgevel oogt nogal gewoontjes. Een rijtje knotlinden moet ’s zomers voor schaduw en verkoeling zorgen. Rechts van het eigenlijke koffiehuis het kruidenierswinkeltje dat de koffiehuis- of caféhouder tevens uitbaat, en de wagendeuren van zijn doorrit. De bocht van de weg ligt om die doorrit heen. Achter die bocht zie je enkele goederenwagons op de spoorweg.

Het volgende plaatje liet ik al eens zien, daarom dit keer de eigenlijke foto zonder zijn bloemrijke omlijsting. Links de hand- of strijkpaal, het gewonige voorgeveltje, nu zonder de linden, nog een paal met een bordje met het devies ‘Langzaam’ in kapitalen, het winkeltje, de doorrit en het jachtwagentje bij de bocht van de weg. Voor het huis poseren vrouw Boerma, haar piepjonge dochtertje en haar dienstbode voor de langskomende fotograaf:

Dat jaar, 1907, was er een verbouwing geweest, waarbij de doorrit er een hoek ruimte bij kreeg ten koste van het winkeltje, dat er echter een aardig puitje voor terugkreeg met een kroon er bovenop en een Jugendstil-krul in het etalageraam:

Bouwtekening (calque) van Eldering en Duisterwinkel uit 1907. Collectie RHC Groninger Archieven 1748-2739.

Een jaar later, in 1908, kreeg het eigenlijke koffiehuis een facelift in de vorm van een eclectische veranda met negentiende-eeuwse en Jugendstil-elementen. De omgekeerde blauwdruk:

Bij het eeuwfeest 1813-1913 van de bevrijding van het Franse juk stak eigenaar Boerma de nationale vlag uit. Tevens bouwde hij een erepoort met veel groen voor de ingang van zijn veranda, die verder met lampions werd versierd. Boerma’s dochtertje, dan 8 jaar en zoontje, dan 4, poseren voor de veranda, die aan de zijkant niet helemaal lijkt uitgevoerd zoals het bewaard gebleven ontwerp van architect Eldering aangaf:

Collectie Bert Visser.

Van weer een paar jaar later is er opnieuw een fraaie overzichtsfoto, waarvan een bekwaam schilder eens een schilderij zou moeten maken. De grindweg langs het Hoendiep lijkt net een laagje nieuw zand te hebben gekregen. Uiterst links, op de hoek van het Hoendiep en het Koningsdiep, staat een prieel op de landtong. In het midden een oude herberg die boven alles uitsteekt, de brug met het verlaat of de sluis erachter en het verlaatshuis, waar je ook wel wat kon drinken.  Links op de voorgrond twee scheepsjagers bij een rolpaal. In de verte het schip dat ze trekken, het komt net door de brug heen. En rechts het Stationskoffiehuis met zijn veranda en een fietsenrek ervoor:

Bocht Hoendiep Vierverlaten gezien naar het westen, ca. 1915. RHC Groninger Archieven 1986-23523.

De hand- of strijkpaal staat er dan nog en vanuit dit standpunt in de bocht is ook goed te zien dat hij aan zijn doel beantwoordt. Immers, schippers die vanaf Hoogkerk komen, zullen hier naar rechts over de weg heen kijken of de vaart naar de brug en sluis vrij is. De paal loopt ze dan in het oog, en voor schippers vanuit de richting De Poffert geldt uiteraard hetzelfde.

Achter het Stationskoffiehuis is dit in 1919 het beeld:

Collectie HJRNoorden (Flickr).

Er is nog veel vrije ruimte met weiland of moestuinen. Aan de overkant van het spoor zien we het stationnetje en de dienstwoningen. Meer naar rechts zit de spoorwegovergang, die gesloten is vanwege een passerende stoomtrein. Uiterst rechts kan je nog niet een randje van Boerma’s opstallen zien. Later zal in die vrije ruimte nog een rijtje arbeiderswoningen verrijzen.

Tot slot een foto waarbij Boersma’s opvolger Danhof poseert voor zijn café- en winkel. Hij nam de zaak in 1927 over en maakte vrijwel meteen korte metten met alle Jugendstiltierelantijnen. De veranda verdween en maakte plaats voor een gevel waarvan de sterk vergrote ramen tot op de grond doorliepen. De winkel kreeg een strakke art deco-pui. Aan de bovenkant van de ramen zitten nu bij zowel de winkel als het café gekleurde glas in loodvensters:

Café Danhof Vierverlaten, ca. 1935. RHC Groninger Archieven 1986-23524.

In 1937 hield Danhof op met het Stationskoffiehuis, dat nog enkele decennia door andere uitbaters werd voortgezet als een gewoon café. Ook achter de gevels veranderde er in de loop der jaren het een en ander. Maar daarover graag een volgende keer.


De veranda van het Stationskoffiehuis te Vierverlaten

In 1908 ontwierp een architect Eldering deze prachtige “warande” voor het Stationskoffiehuis te Vierverlaten:

Ik heb de entreepartij er nog even uitgeknipt:

Typisch Jugendstil, die bekroning. Terwijl de omlijstingen met latwerk en de hekjes me meer negentiende-eeuws aandoen.

Wordt vervolgd.

Bron: RHC Groninger Archieven 1748 (archief gemeente Hoogkerk) inv.nr. 2739.


Station Hoogkerk-Vierverlaten

Van 1866 tot 1951 stopten de passagierstreinen op de lijn Groningen-Leeuwarden nog bij een Station (Hoogkerk-)Vierverlaten, dat zich bevond aan de noordwestkant van de huidige spoorwegovergang bij het Hoendiep, ten westen van de suikerfabriek. In 1902 verrees hier een stationsgebouw. Na de opheffing van de publieksfunctie stonden de opstallen nog een paar decennia het goederenvervoer ten dienste. Medio jaren 80 werden ze gesloopt.

Volgens Stationsweb lag de halte “nogal afgelegen, wat niet gunstig zal zijn geweest voor de reizigersaantallen”. Iemand die daarop reageerde, schreef dat er er nogal wat arbeiders van de suikerfabriek uit- en instapten: “In de bietencampagne gaf dat vaak volle treinen”. Zelf denk ik dat het station nadrukkelijk ook een streekfunctie had, bijv. voor boeren uit Noordwest-Drenthe en oostelijk Westerkwartier die naar de Leeuwarder veemarkt wilden. Die was groter dan de Groningse veemarkt, en trok veel bezoek uit het Westerkwartier.

Vandaag vond ik in het archief van de voormalige gemeente Hoogkerk een plattegrondje in blauwdruk uit 1913 van het terrein en de opstallen van dit station. Daarvan heb ik de kleuren omgedraaid, terwijl ik het contrast wat aandikte en de contouren van het halte- of stationsgebouw rood maakte:

RHC Groninger Archieven 1748-3945.

De toegangsweg en het voorplein lagen aan de noordkant. Die toegangsweg liep vanaf de provinciale grindweg langs het Hoendiep. Aan die toegangsweg stonden enige dienstwoningen voor het personeel. Ten zuiden van de dienstwoningen en het belendende haltegebouw lagen de twee perrons: een lang perron aan de noordkant van de twee doorgaande spoorlijnen, een kort perron tussen deze beide lijnen in. Aan de zuidkant van het emplacement bleek er zelfs nog een doodlopend spoor voor het laden en lossen van goederenwagons te liggen, met een flankerende Losweg. Ten westen van het stationsgebouw bevonden zich nog een goederenloods en een kolenloods.

RHC Groninger Archieven 1986-23519.

Volgens Stationsweb was het stationsgebouw een “klein gebouw met uitsluitend dienstruimten”. Dat van die dienstruimten zal dan na 1951 het geval zijn geweest, want een prentbriefkaart van ongeveer 1910 laat zien dat er vier uithangbordjes aan de perronkant hangen, die als functies aangeven:

  • Privaten, waterplaats
  • Wachtkamer 1ste klasse
  • Doorgang (naar het voorplein)
  • Wachtkamer 2de klasse

Dat die wachtkamers waarschijnlijk ook een horecafunctie hadden, blijkt uit de talrijke emaillebordjes op de muren tussen de deuren en ramen. Achteraan zie je het uitbouwtje, dat ook op de plattegrond zichtbaar is. Op het perron staan spoorwegmannen, ik denk met familie. De loc voert het nummer 1071. Of het is oostenwind, of hij duwt de trein richting Groningen. Rechtsachter bevindt zich de spoorwegovergang, die door de trein wordt geblokkeerd. Het tussenperron lijkt lager en is geplaveid met steenslag, mogelijk had dat geen publieke functie. Uiterst rechts is het spoortje voor het laden en lossen zichtbaar.

RHC Groninger Archieven 1986-23521.

Iets ouder lijkt een foto die van de andere kant af genomen is, en waarop bijna louter personeel poseert. Hierop zie we weer dezelfde bordjes als op de vorige foto. De uitbouw komt hier mooier in beeld, de twee schoorstenen zullen de wachtkamers voor wat betreft de verwarming rookvrij hebben gehouden. De goederenloods staat er al wel en de kolenloods nog niet.

Kortom, het haltegebouw had wel degelijk een publieksfunctie met die twee wachtkamers. De samensteller van Stationsweb heeft niet goed naar de door hem geplaatste foto’s gekeken.

Hoewel er dus waarschijnlijk warme en koude dranken in die wachtkamers werden geserveerd, was er apart ook nog een stationskoffiehuis.

RHC Groninger Archieven 1986-23520.

Waar dit zich bevond is onbekend. Aan de richtingaanwijzer en de achtergrond te zien, stond het echter bij de bocht van de provinciale weg langs het Hoendiep ten zuiden van de spoorwegovergang, dus vanaf het station gezien aan de overkant van het spoor. Het café, de winkel en de stalling werden getuige het uithangbord geëxploiteerd door een H. Boerma. Voor het huis staat een soort van jachtwagentje – het zou me niet verbazen als Boerma die bij wijze van taxi verhuurde, niet zozeer aan de arbeiders van de suikerfabriek, als wel aan de veeboeren uit de wijde omtrek.


Ommetje Lagemeeden

Achterkant suikerfabriek:

Vierverlaten met dampend vloeiveld suikerfabriek op de achtergrond, gezien vanaf Westpoort:

De Poffert bij de Pannekoek: buizerd met ‘ambtsketen’ op zandbult:

Vanaf boerderij Van Zanten, Leegkerk – de nieuwe toren in de verte:

(Foto’s van gister; vandaag was het te mistig en grijs.)


Verkeer in Hoogkerk veranderde sterk in een paar jaar tijd

J. Bulthuis, Tolhuis Hoogkerk, 1772 (uitsnede), Linksvoor het Hoendiep, rechtsvoor de trek- of rode weg en het bruggetje over het hier beginnende Kliefdiep, Daarachter het tolhuis met uithangbord en het tolhek. Linksachter de kerk van Hoogkerk in het westen. Collectie Groninger Archieven 1173-99-102.

Bij de bocht in de rode weg langs het Hoendiep stond het tolhuis van Hoogkerk en de boer Barteld Harms Staal pachtte die tol voor 820 gulden per jaar. Na zijn dood ging zijn weduwe Marieke Bierling daarmee door. Telkens kon ze aan haar verplichtingen voldoen en betaalde de tolpacht keurig op tijd aan de provincie, die van het geld de bepuinde trekweg langs het Hoendiep onderhield. Maar in 1802 en 1803 merkte Marieke dat de tolgelden die ze ontving aanmerkelijk terugliepen. Ze noemde tegen de heren van de provincie drie oorzaken voor die teleurstelling. Ten eerste werd de terugloop in haar inkomsten

veroorzaakt door de sterke en aanhoudende droogte, welke in die beide jaaren plaats gehad heeft, waardoor de trekpaden zeer weinig zijn gebruikt geworden

Het staat er niet bij, maar door die droogte gingen veel voetgangers aan de overkant van het Hoendiep lopen, waar de dijk in normale jaren veel minder goed begaanbaar was dan de trekweg.

Ten tweede was het zo, aldus Marieke

dat den zogenaamde Drentsche Laan, bevorens bijna geheel onbruikbaar, door het verbeteren en geheel in order brengen van dezelve tot eene bruikbaare weg is gemaakt en vandaar thans tot eene gewoone passagie naar zommige plaatzen in het Landschap Drenthe gelegen, welke voor dezen door Hoogkerk plaats had, wort gebruikt.

Marieke doelde hier op wat nu de Peizerweg heet, in de achttiende eeuw nog praktisch onbegaanbaar en min of meer doodlopend bij het Porrenhuis. Mensen die naar Noord-Drentse plaatsen als Roderwolde, Roden en Peizxe wilden, gingen daarom langs het Hoendiep en dus langs het tolhuis, en verder via Vierverlaten en de Roderwolderdijk. Sinds die Drentsche Laan opgeknapt was, verloor ze dus de klandizie van die mensen. Niet alleen als tolbetalers, maar ook als verteerders, want zowat in elk tolhuis kon je ook iets drinken.

Ten derde speelde het Marieke parten dat er noordelijk van Hoogkerk, waarschijnlijk op de plek van de vroegere Woldtil, een nieuwe brug over het Kliefdiep was gelegd,

welke voor het tegenwoordige de gewoone passage is, daar dezelve bevorens niet anders gebrukt wierde als door diegeene, welke aldaar zeer kundig was,

Voordat die nieuwe (klap)brug er kwam, gingen alle andere mensen nog langs het Hoendiep, waar ze Marieke tol betaalden. Nu was dat dus niet meer zo en maakten velen een omweg langs de Legeweg.

Om alle drie deze redenen wilde Marieke graag kwijtschelding van tolpacht. De heren verwezen haar wat vaag door naar de plek waar ze moest zijn en of ze die kwijtschelding kreeg, zal ik een andere keer eens nagaan. Intussen laat haar verzoekschrift echter goed zien, hoe grondig destijds in een paar jaar tijd de verkeersstromen in Hoogkerk en omgeving veranderden. Als oostwestroute kreeg de rode weg langs het Hoendiep concurrentie van de Legeweg en de Drentsche Laan, naar het zich laat aanzien zeer ten koste van de tolpachtster.


“Een groene laan, dienende tot een lijkweg”

Op “Pinxter dingsdag” 1805 kwam Jakob Geerts Vroom (55), een kleine boer en arbeider die aan de Zuidwending onder Leegkerk woonde, tot een vervelende ontdekking: zijn buurtgenoot en collega Jacob Sekema, woonachtig aan het Aduarderdiep onder Hoogkerk, had met hulp van diens zoon dampalen uitgegraven die stonden ter weerszijden en aan het begin van een “groene laan”, waarop Vroom gewoonlijk vee liet weiden. De Sekema’s smeten de dampalen (denkelijk met het hek dat ertussen zat) neer op de bewuste laan. Vroom vreesde dat zijn vee op andermans grond zou raken en vervolgens in de schutstal zou belanden (waarvoor hij dan schutgeld zou moeten betalen). Hij stond dus voor een dilemma: of geen vee meer weiden op de laan, of

zijn onvergehaalde vrediging wederom op te maken, in welken gevalle de rem[on]st[rant] onderrigt is geworden dat daarinne faitlijk zoude worden verhinderd…

Fijne buren, die Sekema’s! Om “verdere onaangenaamheden” te voorkomen, stapte Vroom naar de drost van het Westerkwartier, met het verzoek om het geschil te beslechten. De drost besloot eerst Sekema om diens mening te vragen en intussen moest de toestand blijven zoals die was. Naderhand kwam er inderdaad een hoorzitting. Helaas is het verslag daarvan niet bewaard, het blijft dus gissen wat Sekema’s motief was voor het verwijderen van Vrooms dampalen.

Waarschijnlijk claimde Sekema zelf het weiderecht, maar het zou ook nog kunnen dat hij het weiden van vee op de groene laan ontoelaatbaar achtte. Volgens Vroom diende de laan, die van zijn huis aan de Zuidwending naar het Aduarderdiep liep, immers tevens

tot een lijkweg voor eenige boeren onder Hoogkerk in cas hun de passagie langs de trekweg word belet

Wilde Sekema voorkomen dat kistdragers uitgleden over koeievlaaien? Dan was hij rijkelijk laat. Want Vroom voerde aan dat de groee laan door zijn

voorzaat en vader Geert Vroom zedert onheugelijke tijden onverhinderd is beweid tot aan het wagenpad van de wed[uw]e van Duurt Jacobs, alwaar hij een schut op de laan had gezet om zijn vee op te schutten

Die afschutting was dus weg. Met de verschillende aanwijzingen is de kwestieuze groene laan en lijkweg nu eenvoudig terug te vinden – deze is oranje gemarkeerd op het volgende kaartje:

Als lijkweg zal de laan heus niet zo vaak gebruikt zijn, want alleen bewoners van het Zuidwendinger gebied ten noorden van Hoendiep en trekweg zullen er gebruik van hebben gemaakt. Het ging dan hooguit om vier huizen, waaronder herberg de Pannekoek. Als de trekweg in de buurt van Vierverlaten om wat voor reden dan ook onbegaanbaar was, zette men in deze streek de doodskist op een boot, voer bij de Pannekoek rechtsaf de Zuidwending op tot de groene laan, waarna men via die laan, de weg langs het Aduarderdiep, de Nieuwbrug, de Legeweg bij Leegkerk en de Kerkweg naar het kerkhof bij de kerk van Hoogkerk ging.

Ten tijde van het eerste kadaster, ca. 1830, woonden Jakob Geerts Vrooms dochter en schoonzoon nog op de hoek aan de Zuidwending en de groene laan. De laan hoorde toen echter bij de boerderij aan de noordkant ervan, bij het Aduarderdiep. Deze heerd, nu van de paardenfokker Sipkens, was toen in handen van de wed. Duurt Jacobs Diepinga. Volgens het rekest uit 1805 had haar man een hek op de laan staan, waarschijnlijk halverwege, bij de knik.

Wat betreft het particuliere karakter van de laan lijkt er een discrepantie met de topografische kaarten, waarop de laan nog heel lang aangegeven staat als een (semi-)publieke weg. Ze bestaat nog steeds, zij het dat de sporen nu gevuld zijn met steenslag. Aan de kant van het Aduarderdiep komt ze uit naast de Kasperhoeve. Waar Vroom aan de Zuidwending woonde, stond tot een jaar of tien terug nog een boerderij, die nu echter gesloopt is. Net als ten tijde van Vroom staan er hekken op de laan. Binnenkort maar eens nagaan, wie nu de eigenaar is.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (rechterlijke archieven Westerkwartier) inv.nr. 725: rekesten van 20 juni en 3 juli 1805.


“Niet zonder gevaar, bij storm en duister nagten” – de overzet bij het Washuis en het voetpad dat er heenliep

Ruwe situatieschets door Theodorus Beckeringh, ca. 1760. Door het midden loopt het Aduarderdiep. Het Washuis en zijn overzet heb ik rood omcirkeld en de belangrijkste toponiemen rood onderstreept. Collectie Groninger Archieven 2849-11 (uitsnede).

Voor 1843 bestonden de Friesestraatweg en de Nieuwklap nog niet en lag er dus ook nog geen brug over het lange stuk Aduarderdiep tussen de Nieuwbrug (bij Leegkerk) en de Steentil (ten noordoosten van Aduard). Bovendien waren de wagenwegen die over de Nieuwbrug en de Steentil liepen, beide een flink eind om en extra tijdrovend voor mensen die zich geen (huur)rijtuig kon veroorloven. Ook bestond het Van Starkenborghkanaal nog niet – wilde je met een schip, dan was de omweg tussen de Stad en Aduard via Hoendiep (langs Hoogkerk en Vierverlaten), Aduarderdiep en De Lindt nog veel langer en tijdrovender dan de route te voet langs een van beide wagenwegen. Vandaar dat er voor voetgangers met enige haast of uit de omgeving zelf nog een ‘overvaart’ of ‘overzet’ bestond, zeg maar een veerdienst, die nabij het Washuis de voetpaden op beide oevers van het Aduarderdiep met elkaar verbond.

Eind november 1804 diende de ‘overzetter’ of veerman op deze locatie een verzoekschrift in bij de drost van het Westerkwartier, waaruit blijkt dat bepaalde passagiers die hij ook sociaal duidt, nogal eens ontevreden waren èn veeleisend: voor het overzetgeld of veerloon moest er soms buitengewoon veel moeite worden gedaan:

Geeft de ondergetekende als overzetter bij het zogenaamde Waskhuis onder Leegkerk met verschuldigde eerbied te kennen, dat hij menigmaal in de onaangenaam omstandigheden zich bevind, om veel smaadreden te moeten horen, en wel bijzonder van dienstboden die zich laten overzetten en menigmaal weigeren het gewone overzettersgeld te betalen, dat is bij de herfst en nat het (sic) zon[sondergang] vier en bij de zomer twe duiten, waarlijk tog een gering loon na de moeite en kosting, daar rem[on]st[rant] in de noodzakelijkheid is, een bekwaam persoon daarop te moeten houden, die altijd bij der hand moet zijn en daarenboven het onderhoud van het schip, en ook niet zonder gevaar bij storm en duister nagten, en menigmalen gebeurd het dat de overzetter eenige uuren moet opblijven te wagten na lui, en bijzonder na dienstboden die na Aduard en elders gaan en laat uitblijven, hetwelk ook geen kleine last is, om welk en meer andere redenen rem[on]st[rant] zich tot U Ed[ele] wend met submis verzoek om een gerechtelijke acte te verlenen waarop rem[on]st[rant] zich bij de onwilligen konde beroepen, waarin het overzettersgeld word bepaald, als in january, february, november en december benevens het gehele jaar door na zonsondergang van ieder persoon 4 duiten, en de overige tijd van het jaar 2 duiten.

Q.F. / get[ekend] /
Kornelis Jacobs

Kortom: het beledigen van mensen, werkzaam in het openbaar vervoer, was destijds ook al aan de orde. Volgens de eigenaar van het veer – die voor de bediening ervan naar eigen zeggen speciaal een knecht in loondienst had, maar die toch ook zelf nog wel eens gevaren zal hebben – maakten vooral dienstboden zich hier schuldig aan. Dat zal ook een belangrijke categorie passagiers geweest zijn. Sommigen weigerden de 2 of 4 duiten veerloon (resp. bij zomerdag en daglicht en bij winterdag en duister), maar dergelijke bedragjes waren voor zulke klanten waarschijnlijk ook redelijk veel geld. In elk geval vroeg Kornelis Jacobs van de drost een soort verklaring, waarin deze namens de overheid genoemde veertarieven voor rechtmatig zou erkennen. Opmerkelijk is nog dat Cornelis deze tarieven “gering” achtte, terwijl hij toch niet om hun verhoging vroeg. Dat zat er blijkbaar niet in. Helaas is niet bekend of de drost Cornelis’ verzoek ook inwilligde, want de klacht werd naderhand behandeld in een commissie of hoorzitting, waarvan het verslag, naar het zich laat aanzien, niet bewaard bleef.

Dit laatste geldt ook voor een verzoek van eind 1803, waarbij tien boeren uit de omgeving aandacht vroegen voor de povere onderhoudstoestand van het voetpad dat vanaf het oosten naar de overzet bij het Washuis liep. Ze brachten ter kennis van de drost:

Hoe dat sedert lange en thans tegenswoordig het voetpad, vonders en ommetreden van het zogenaamde Zomerpad, behorende onder Leegkerk en Dorquert, lopende van het Oude Waschhuis tot de Slaperstil en soo vervolgens tot aan de Reidijk, in een slegte toestand is, en bijna geheel onbruikbaar is gevonden, de vonders slegt en geheel sonder rikken, de ommetreden sommigen geheel vervallen, een pad dat meer als vijftig jaeren tot een publicq voetpad is gebruikt, en thans nog door de passagiers van onderscheiden caspelen hetselve, en veelen twee maal ’s weekelijks gebruiken moeten, en het welke bijna niet als met gevaar van ongeluk te houden, veroorzaakt door boven gemelde verwaarloozing…

Om die redenen vroegen deze boeren de drost in diens rol van opperschouwer van het Westerkwartier dit voetpad en zijn bijbehoren te inspecteren en een en ander

in een goede order te laten brengen en te doen herstellen tot geryf van passagiers en ingezetenen welke dat voetpad onvermijdelijk moeten gebruiken.

Aardig is, dat het rekest de ouderdom van het pad noemt – de boeren stellen immers dat het al ruim een halve eeuw publiek pad was. Waarschijnlijk ging hun herinnering niet verder terug en was het als zodanig nog veel ouder – de overzet bij het Washuis bestond in elk geval al in de jaren 1720. Dat veel mensen uit de verschillende dorpsgebieden het voetpad twee maal per week gebruikten, zal ermee samenhangen dat deze het op dinsdagen en vrijdagen als route naar en vanaf de markt in de Stad gebruikten. Maar het volgen van deze route was zo langzamerhand een hachelijke onderneming geworden, getuige de staat van de vonders (plankbruggetjes) en ommetreden (platformpjes naast damhekken waardoor je daar gemakkelijk langs kon glippen). De vonders hadden zelfs helemaal geen “rikken” (leuningen) meer, terwijl sommige ommetreden totaal vervallen waren.

Volgens het rekest liep het pad van het (Oude) Washuis naar de Slaperstil en daarna tot aan de Reitdiepsdijk (en de Hoogeweg). Met dat laatste stuk zal de tegenwoordige Zijlvesterweg tussen Slaperstil en Dorkwerd bedoeld zijn. Het eerste stuk liep over een wal langs een tochtsloot die overtollig water van Hoog- en Leegkerk loosde op het Aduarderdiep. In het onderstaande kaartje is het tracé van dit pad met beide vervolgen weergegeven:

De overzet van het Washuis en de voetpaden die er vanuit het oosten en westen heen liepen. Bron: http://www.hisgis.nl .

Bronnen:

  • RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (rechterlijke archieven Westerkwartier) inv.nr. 724: rekesten van 28 november 1804 en 14 december 1803.
  • Over de middeleeuwse oorsprong van het Washuis, waarschijnlijk een uithof van het klooster Aduard: Jan van den Broek, Een Stad apart, pag. 261.

De huisplaats van het Washuis, gezien vanaf de Nieuwklap.

De huisplaats van het Washuis, gezien vanaf de overkant van het Aduarderdiep.


Even een nieuwe stop indraaien

Vanmiddag tussen Vierverlaten en De Poffert:


Populaire baas

In het Viooltjesland aan de Roderwolderdijk, tussen de boerderij van Landschapsbeheer en Vierverlaten, grazen de laatste jaren vaak vijf of zes jonge Blondes d’Aquitaine . Gistermiddag fietste ik richting Vierverlaten, toen de kleine kudde het op haar heupen kreeg en in een steeds snellere draf naar een achter mijn rug liggende hoek van het weiland holde. Daar kwam hun baas tevoorschijn met een schrikdraadapparaat. Ze dansten om hem heen alsof ze voor het eerst van hun leven in een weiland kwamen en begeleidden hem helemaal naar het hek aan de andere kant van het perceel:


Naar de Onlander uitkijktoren

Vanaf de Eelder Madijk – bui in opbouw in het westnoordwesten:

Uit het Omgelegde Eelderdiep verwijderde krabbenscheer:

Het doel van de reis – de onlangs geopende uitkijktoren van Natuurmonumenten bij de Drentsedijk even ten oosten van Peize:

Best een klim:

Vrijzwevend gedeelte:

We naderen de top:

Het uitzicht richting Stad:

Vee aan de andere kant van de Drentsedijk:

Nieuw Eelderwolde met stadssilhouet:

De bui van de eerste foto komt naderbij:

Naar beneden maar weer – kampen land met coulissen:

Het langste stuk:

Nauwelijks nat geworden of daar gaat de bui weer:

Plasdras:

Tweelingbui in aantocht:

Vierverlaten in de verte:


‘Maalende doorgaans ieder Landman voor zich zelven met slegt gereedschap’

“De laage landen onder GRONINGEN staan doorgaans van het begin van november, of somtyds nog vroeger, tot aan april, ook wel laater, onder. Dat veel afhangt van de menigte van den gevallen regen, doch voornamentlyk van de westewinden, die den afloop van het water beletten, en de oostewinden die het spoediger ontlasten. Terwyl men op zeer veele plaatsen de opdrooging als aan het geval overlaat. Want op weinige plaatsen heeft men tot de ontlasting gemeenschappen en goede molens; maalende doorgaans ieder Landman voor zich zelven met slegt gereedschap maar tot 2 voeten. Men heeft molens tot 3 en een half, het geen men meent het uiterste te zyn.”

Met andere woorden: nog tegen 1780 liet men op de lage gronden rond de stad Groningen vaak van november tot in april Gods water op Gods akkers liggen. De overheersende westenwinden beletten het spuien, collectieve polders met grote molens bestonden er nog nauwelijks, doorgaans bemaalden individuele boeren hun eigen grond met watermolens van geringe kwaliteit en capaciteit.

Ter vergelijking: Hoogkerk 1812.

Bron: Iman Jacob van den Bosch, Verhandeling van de oorzaken, voorbehoeding en geneezing van ziekten uit de natuuryke gesteldheid van het Vaderland voortvloeijende, dl. XVIII (1778) van de ‘Verhandelingen uitgegeeven door de Hollandsche Maatschappye der Weetenschappen te Haarlem’, het hoofdstuk over lage grond (294-320), bepaaldelijk 316.


“Uitstekende handen” langs het Hoendiep

“Op het geproponeerde ter vergaderinge hebben de Heeren Gedeputeerden alle de schippers in het Wester Quartier in het trekdiep varende gelast, zoals gelast worden mits desen, om voor en aleer zeijlende bij de verlaten komen, en wel daar de uitstekende handen staan, hunne zeijlen te strijken, opdat alzo de schepen hunne vaart verliesende, geen schade aan de verlaten kan worden toegebragt, zullende de schippers welke hierin nalatig zijn verbeuren telken reise een somma van ses Caroli gulden, half ten profijte van de verlaatsmeester en de andere helft an de armen ter plaats te appliceren, en worden voorts de respective verlaatsmeesters gelast om hierop naukeurige toeversigt te houden en de contraventeurs de daarop gestelde breuke zonder enige oogluikinge of conniventie af te halen en zal hiervan een extract bij de respective verlaten in meergemelde quartier worden angeslagen opdat tot narigt van die geene welke sulks angaat kan strekken.”

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 1 (archief Staten van Stad & Lande) inv.nr. 186 (akten GS) maandag 29 december 1755.

Met andere woorden: Gedeputeerde Staten van Stad & Lande stemden in met een voorstel om alle schippers die het Hoendiep bevoeren te bevelen hun zeilen te strijken bij de sluizen (zoals bij Vierverlaten , Gaarkeuken en Stroobos) waar strijkpalen dat ook aangaven. Deze maatregel moest schade aan de sluisdeuren door te snel varende schepen voorkomen. Overtreders kregen een boete van maar liefst 6 gulden (een riant weekloon). De boete was half voor de sluismeester, die hier goed op moest letten en niets door de vingers mocht zien, en half voor de diaconie van de plaats waar de overtreding plaatsvond. Het gebod van G.S. kwam – mogelijk in gedrukte of geschilderde vorm – bij alle sluizen te hangen.

Overigens waren deze Hoendiepster handpalen er ruim twintig jaar eerder dan die bij de Muntendammer Til.