Scheuvelderij

Tussen mijn mede-redacteur en mij was er enige discussie over de vraag in hoeverre het woord scheuvel (voor schaats) wel typisch Gronings (of Nedersaksich) was. Dit naar aanleiding van een lijstje met Winschoter woorden uit 1808, waarop de term voorkwam. Mijn collega betwijfelde of het wel typisch streektaal was, want ‘honderd jaar geleden was scheuvel ook gewoon Nederlands’.

Ik kijk in zo’n geval altijd even in de moeder aller woordenboeken, het WNT. En dat zegt in een uit 1923 daterende woordverklaring dat dat term scheuvel indertijd gangbaar was in Groningen, Drenthe en Overijssel.

Bij mededeling van deze quick reference, meldde mijn collega dat zijn uit Almelo afkomstige grootmoeder het woord altijd gebruikte:

‘En hoewel ze wel degelijk Twents kon spreken, deed ze dat als meisje uit de nette burgerij nooit. Ze sprak een vrijwel accentloos correct Nederlands.’

Volgens mijn collega zou het ook Nederduits genoemd kunnen worden. Met hetzelfde recht kan je dan wijzen op een verwantschap met het Engels, want scheuvel hangt samen met het oude schoven voor: schuiven. En dat schoven brengt ons dichtbij het Engelse werkwoord to shove voor dezelfde beweging over een oppervlak.

Intussen raakte ik toch nieuwsgierig en ik besloot vanavond eens wat verder te kijken, om aan de weet te komen wat het nou is, dat scheuvelen: Nederlands of streektaal? Een aangewezen website om zoiets uit te vogelen is de Digitale Bibliotheek der Nederlandse Letteren (DBNL), met duizenden historisch-literaire teksten en een karrevracht aan geleerde naslagwerken op het gebied van onze taal.

Welnu, mijn query scheuvel OR scheuvels leverde in de DBNL slechts 28 meldingen op. Zo weinig, dat dit magere resultaat alleen al eerder wijst op een regionaal gebruik van het woord scheuvels, dan op een algemeen-Nederlands gebruik. Bovendien zijn die meldingen dan nog niet eens allemaal bruikbaar , omdat het woord in het Vlaams, bijvoorbeeld bij Stijn Streuvels, een aanduiding is voor gespuis.

Maar leggen we zulke ‘valse” meldingen en de doublures terzijde, dan blijven er toch nog wel wat relevante over. Deze presenteer ik hieronder in een chronologische volgorde, om eventuele verschuivingen te kunnen constateren. Woorden kunnen zich immers verbreiden over een groter taalgebied, maar ook terugtrekken in een bepaalde regio.

1756 Friesland; 1844 Nederland

In 1756 verscheen te Leeuwarden een dichtstuk over de winter door ene Bornius Alvaarsma, dat in 1844 samengevat wordt door Van der Aa:

‘Het vriest dat het knipt, zeggen de Friezen. De schaatsen of scheuvels worden door de liefhebbers opgezocht, en naar de smid gebragt.’

Dit is een latere parafrasering en daarmee is het onzeker of het woord in 1756 werkelijk in de Fries-Nederlandsee context gebruikt werd. De latere weergever kan hierin zijn eigen inbreng gehad hebben. Dan nog valt op dat scheuvels in het citaat op het tweede plan komen. Of de parafraseur van 1844 of de Friezen van 1756 gebruikten het woord als minder frequent alternatief voor schaatsen.

Ca. 1860, Groningen

P.J. Harrebomée geeft in zijn driedelige Spreekwoordenboek der Nederlandsche taal, dat rond 1860 verscheen, twee spreekwoorden met scheuvels. Het eerste:

‘Op scheuvels gaan, staat, in Groningen, tegenover: door dik en dun loopen. Scheuvels zijn schaatsen.’

Het tweede:

‘Hij heeft eene scheuvel aan. [Men zegt dit in Groningen voor een weinig dronken zijn.’

Dat Harrebomée het woord meent te moeten verklaren, geeft al aan dat het geen algemeen Nederlands is, integendeel, het was in zijn compendium Gronings.

1861 Overijssel, Drenthe, Groningen

In een Taalgids-artikel over ‘Overijselsch taaleigen’ schrijft TH Buser anno 1861:

‘Scheuvels voor schaatsen, heb ik te Zwolle wel eens gehoord, doch gewoonlijk zegt men schaatsen en schaatsen loopen voor schaatsrijden; vergelijk op slieren. Scheuvels is echter inheemsch in Groningen en Drenthe, waar men (in Groningen) ook scheuvelen en scheuvelloopen, en in Drenthe (bepaaldelijk te Emmen) scheuveljagen voor schaatsrijden hoort zeggen’ (volgt een lijst bronnen)

1872, Hunsingo

In zijn woordenlijst van het Hunsingoër Gronings neemt J. Onnekes uit Ulrum het woord als typisch streektaal op.

Tweede helft 19e eeuw, Groningen

Het enige literaire (of literair bedoelde) werk  met scheuvels in de titel is de Haardriederij op scheuvels van de Zeerijpster schoenmaker Ane Kuipers (1833-1905) een ‘rijmer in de Gron. volkstaal’. Wel past hier een slag om de arm, de melding in de DBNL komt uit K. ter Laans Letterkundige woordenboek voor Noord en Zuid, en er zou sprake kunnen zijn van een bias. Van deze auteur kan je namelijk verwachten dat hij een beter inzicht heeft van wat in het Gronings verscheen, dan in de totale Nederlandse literaire productie. Hoewel je die bias voor deze literaire veelvraat ook weer niet zou moeten overdrijven, dat zeker niet.

1880, Groninger Veenkoloniën

In een woordenlijst van woorden uit de zuidoosthoek van Groningerland noemt Van Ankum scheuvels voor: schaatsen. ‘Op scheuvels wezen’ betekent aldaar: de kluts kwijt zijn.’

Jaren 1880, Drenthe en Overijssel

Taco H. de Beer noemt in zijn ‘Woordenlijst van de Taal, welke in de Saksische streken van Nederland gesproken wordt’ eveneens scheuvel, als woord dat in Overijssel en Drenthe gebezigd werd voor: schaats. Een burleske quote:

”t īs is glad, zèj Harmen tègen Ba(r)telt, / As īj geen scharpe scheuvels hebt, Dan rol ij dat ij spa(r)telt.’

Eind 19e eeuw, Groningse context

Eind negentiende eeuw heet het in ‘De vrijaadje van een Groninger kofkapitein’, een verhaal van Werumeus Buning:

‘We waren met een lading hout uit Noorwegen  gekomen, maar door de strenge vorst waren we vastgevroren en we konden niet lossen. Nu, toen maakten we natuurlijk maar pleizier, zooveel als we konden, en we liepen den heelen dag op ’t ijs op scheuvels, zooals we in Groningen zeggen …..’

1933 Nederland, 1901 Fivelgo

Een artikel in Onze Taaltuin, jaargang 1933/1934, signaleert het gebruik van het woord scheuvels in Fivelgoër landleven van AS de Blécourt, een werk uit 1901. Het artikel geeft een citaat over een goed stel ijzers:

‘’n Poar beste scheuvels (= schaatsen), smidsiezers; zuls (= zelf) moakt en over viefteg joar bruukt.’

De vertaling tussen haakjes maakt duidelijk dat het woord scheuvels indertijd beslist geen algemeen Nederlands was. Een generatie eerder was het woord bekend in Fivelgo.

1938, Drenthe

Redacteur Anne de Vries associeert in De Nederlandsche volkskarakters (1938) het woord scheuvels met zijn geliefde Drenthe:

‘Reizen deed een Drent slechts ’s winters, als hij de tijd had en op scheuvels, dan kostte ’t hem ook geen geld.’

Conclusie:

Als we de eerste melding buiten beschouwing laten als zijnde ambigu, dan valt op dat het woord scheuvels louter en alleen in Noordoost Nederland gebruikt werd. In verreweg de meeste gevallen is de context Gronings. Drenthe komt er een heel eind achteraan qua meldingen. In Overijssel kent men het woord wel, maar wordt het niet zo vaak gebruikt.


10 reacties on “Scheuvelderij”

  1. Bob Poppen schreef:

    Een aanvulling uit het “Idioticon Groninganum. Vergelijkend Woordenboek van den Groningschen Tongval door Dr. P. Boeles 1795-1875, predikant te Noorddijk”, die in het door Siemon Reker in 1997 uitgegeven boek op pagina 140 vermeld:
    Scheuvel, schaats. Spw. “Op ‘e scheuvels komen”, in verlegenheid geraken.
    Scheuvel-iis, ijs, waarop men schaatsrijden kan.

  2. Wim schreef:

    In de 16e eeuw kwam schoveling of schoverling nog veelvuldig voor. Zie DBNL:
    “’t Glyden op de schoverlingen is ’t vermaak van Amstels jeugd,
    Op de digtbevroozen Gragten, langs een netgeveegde baan:”

    Het stamt natuurlijk allemaal van hetzelfde af:
    van het Nederlandse SCOVELINC en SCHOVELINGE naar het Friese SKOVELING naar het Overijsselse SKEUVELS naar het Groningse SCHEUVELS.

  3. Wim schreef:

    p.s.
    Ik bedoel niet dat het per se allemaal van het Nederlands moet afstammen. Het zou ook andersom kunnen zijn, of van een hypothetisch indo-europees woord.

  4. galrood schreef:

    En hoe zit het met pleverkouke (eierkoek). Komt men in geen enkele andere taal voor.
    Hoe is dit woord ontstaan?

  5. Jan P. Koers schreef:

    Bij het doornemen van boedels uit de 8e eeuw (Groninger Archieven op internet) trof ik twee oude paar scheuvels aan.
    In 1710 beschikte een Midwolder landbouwer over ‘scheuvels’ (boedel 719)
    en in 1716 ook een korenmolenaar uit Scheemda. Ook hij had ‘een paar scheuvels’ (boedel 1015) Ik heb vele tienlatten boedels doorzocht, maar kom de ‘scheuvels’ maar bitter weinig tegen…

  6. max dohle schreef:

    Van Boelens (Alvaarsma) ken ik. Hij gebruikt het woord scheuvels niet in de Winter in drie zangen. Het gedicht is overigens uit 1745 en vermeldt als eerste bron ook de elfstedentocht. Scheuvels is echt Gronings. Het aardige is dat je het woord schuiven ook herkent in schaverdijn. De Vlamingen gebruikten dit woord voor schaats tot diep in de vorige eeuw.
    In Groningen gebruikt men nu nog het woord scheuvel, ik hoorde het enkele jaren geleden nog toen ik alle natuurijsbaantjes op het Hogeland aandeed.

  7. boomkruiper schreef:

    Wil het hier inderdaad ook nog wel eens door ouderen horen noemen. Prachtig woord 🙂


Mijn gedachten hierbij zijn:

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.