Paarden bij het Hegepad

Advertenties

Korte historie van Neerlands Reformatie

Collectie British Museum.

De vier hervormers Wyclif, Luther, Calvijn en Beza hebben het licht op de kandelaar gezet en een kardinaal, bisschop, paus en monnik proberen vanaf deze kant van de tafel het licht uit te blazen. (Het valt nog mee dat er geen duivel met ze meedoet.)

Waaruit bestond dat licht? Zèlf de bijbel lezen in de volkstaal. Het woord als uitgangspunt nemen in plaats van het beeld. Sinten en papen terugzetten tot gewoon maar mensen. Alleen het geloof laten tellen. De zonde niet langer kwijt kunnen door te biechten, wat weesgegroetjes te bidden of een aflaat aan te schaffen. En bij de avondmaalsviering Christus niet meer fysiek in je opnemen met het brood (alsof je een kannibaal bent) maar louter geestelijk. Vooral ook beseffen dat je lot al vaststond voordat je geboren werd, omdat God eeuwig en alwetend is.

Zulke geloofsartikelen zorgden voor een ijverig en zuinig slag volk dat andere mensen graag de maat nam. Voorouders in een gereformeerd gidsland waar je niet speciaal trots op wil zijn.

Toch blijft de ziel van Nederland calvinistisch. Zelfs onze katholieken zijn het.

Die Luther heeft dus wel wat losgemaakt. Alleen maakte hij het karwei niet af, dat liet hij over aan Calvijn en Beza. En verder was het een volgevreten monnik die gewoon een pesthekel had aan joden.


Biddend valkje

Vanochtend bij het Hegepad.  De foto is natuurlijk zwaar gecropped en bovendien geeft de digitale zoom een schilderachtig effect dat echte fotografen verafschuwen. Maar dat kan mij totaal niets schelen. Heb het nog wat aangedikt door hem dubbel door de molen te halen.


Land van Belofte

Rijnlandse Historiebijbel, 15e eeuw. Berlijn.

Op last van zijn Heer zond Mozes verspieders uit naar het Land van Belofte. Ze dienden daar in Kanaän bijvoorbeeld te bekijken hoe de economie er floreerde. Ook moesten ze wat producten uit dat land meenemen. Nou begon net in die tijd de wijnoogst en vandaar dat een stel van die kerels terugkwam met een tros wijndruiven, “dien zij droegen met zijn tweeën, aan een draagstok” (Numeri 13).

Thesaurus sacrarum historiarum veteris testamenti. Nederlands, 1585. British Museum.

Eeuwen later noemden heel wat herbergiers in het toen nog bijbelvaste Nederland hun zaak Het Land van Belofte. Het beeldmerk lag voor de hand. Er kwam een stel kerels op de gevelsteen of het uithangbord te staan. Ze droegen een zware druiventros aan een forse staak tussen zich in.

Gemeentearchief Schiedam.

Hoek Nieuwe Beestemarkt, Leiden. Foto: FaceMePLS, Flickr.

Het beeldmerk lijkt nog niet helemaal vergeten, getuige dit recentere werk:

Felix Timmermans.

Toch zag je het niet bij de roemruchte kroeg op de hoek van de Vishoek en de Vijfde Drift in de stad Groningen, hoewel Het Land van Belofte hier behoorlijk oud was. Volgens dit jubileumbericht dateerde het immers uit 1826:

Nieuwsblad van het Noorden 28 oktober 1926.

Waarschijnlijk heeft dat café dus wel ooit dat beeldmerk gevoerd, maar ging het op zeker moment verloren. Men associeerde de naam vervolgens vooral met de rondom gelegen hoerenbuurt:

Toen de prostitutie hier eind vorig jaar eindelijk verdween, vormde dat voor het Noordelijk Scheepvaartmuseum aanleiding voor een soort van afscheidstentoonstelling:

Waar meerdere peeskamers waren te zien:

In een ervan stonden wat ‘hoerenhondjes’ op de vensterbanken. Naar verluidt zouden zeelui die in vreemde havens van prostituees kopen, om er thuis moeder de vrouw mee te verblijden. Van deskundige zijde heb ik dit verhaal echter apocrief horen noemen.

Ook die tentoonstelling heette weer Het Land van Belofte, maar dan naar de kroeg. De hele bijbelse connotatie met dat beeldmerk bleek vergeten. Wat ik ergens wel jammer vond, maar toch ook veelzeggend voor onze ontkerstende Stad.

(Plaatjes uit een teruggevonden mapje.)


Balboekjes

Teruggevonden bij het archiveren en taggen van mijn foto’s – twee balboekjes voor het danspartijtje van Mimi Hesse in 1900:

Boekjes is eigenlijk een groot woord, want het betreft dubbelgevouwen kaartjes. In dit geval waren die van een jongedame. Op de binnenkant van haar balboekje tekenden jongeheren in op de dansen van het programma:

Dat muzikale programma bestond voornamelijk uit walsen en polka’s. Deels zijn die doorgedrongen in het ijzeren volksdansrepertoire, dus nog wel bekend en identificeerbaar:

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 1774 (bibliotheek documentatie)  inv.nr. 3947.


Op een bankje bij Drachten

Ik denk dat Piet Mondriaan
helemaal over de rooie zou gaan
als hij dit bankje zou ontwaren.

Ja hij ergerde zich geel en groen,
en zou gaan schelden: Halve garen!
Hij zou subiet dat bankje over laten doen.

(Ietwat bijgesteld impromptu n.a.v. een logje van Jan Afanja, van wie ook bovenstaande foto is.)


Veldwachter Hoogkerk was “grote slappeling met een brutale mond”

Burgemeester Tjaberings, ca. 1930. Collectie RHC Groninger Archieven 818-23245.

Op 1 maart 1940 was burgemeester Tjaberings van Hoogkerk er wel klaar mee. Hij voelde zich gedwongen de Commissaris der Koningin op de hoogte te stellen van zijn ongenoegen over de gemeenteveldwachter W.H.J. van de Vlasakker.

“Deze man brengt te pas en te onpas op vaak ergernis verwekkende wijze zijn ontevredenheid over zijn functie naar voren”, aldus burgemeester Tjaberings. Voortdurend straalde Van de Vlasakker onwil uit bij zijn werk als politieman en gemeentebode:

“De geringste opdracht wordt door hem met klaarblijkelijke tegenzin in ontvangst genomen en in dezelfde geest uitgevoerd. Bij herhaling – ja, tot vervelens toe – heb ik hem mijn misnoegen daarover kenbaar gemaakt en nu en dan berispt. Dit heeft enkele malen tot gevolg gehad dat mij dan van zijn zijde een zeer brutale bejegening te beurt viel. Daarbij komt hij mij met waarschuwende vinger toeroepen: “Denk aan Nieuwolda”, alsof ik daar niet met ere het burgemeestersambt zou hebben bekleed.”

Die verwijzing naar Nieuwolda sloeg waarschijnlijk op de slaande ruzie die burgemeester Tjaberings er met de gemeentearts Wenniger had gehad, in 1929. Van de Vlasakkers vrouw kwam uit Nieuwolda, het lijkt erop dat hij jaren na dato nog eens partij koos voor de dorpsdokter, hoewel die uiteindelijk veroordeeld was wegens mishandeling. In elk geval wenste Tjaberings een dergelijke bejegening van zijn ondergeschikte niet meer te ondergaan,

“al zal de zweep af en toe over dezen ambtenaar moeten blijven knallen!”

Tjaberings vertelde de Commissaris vervolgens hoe hij de veldwachter meermalen de deur van zijn werkkamer had gewezen. Hij had deze vuile was veel liever binnenshuis (en dus in het gemeentehuis van Hoogkerk) gehouden, maar nu was de grens bereikt. Van de Vlasakker had hem namelijk toegevoegd,

“…van de eerste dag mijner komst alhier – 15 juli 1931 – al een hekel aan mij te hebben! Doordat hij gehuwd is met een vrouw uit mijn vorige gemeente Nieuwolda, wist hij wie hier kwam, nl. een burgemeester die staat op handhaving van orde en gezag en die van de ambtenaren nauwgezette plichtsbetrachting eist. De wethouders die ik hier ontmoette – en die ik nog heb – leidden mij dezen beambte in als te zijn een grote slappeling met een brutale mond, die n.b. over mijn ambtsvoorganger den baas zou hebben gespeeld! Een man die altijd kankerde en niets presteerde, als iemand voor wien niemand in de gemeente ook maar enig respect had.”

Tjaberings had de veldwachter in 1931 al bij hun kennismaking gezegd wat hij van een politieman verwachtte,

“nl. flinkheid, betrouwbaarheid, tact, ijver, beschaafd optreden, alsmede nauwgezette plichtsbetrachting. Zulke ambtenaren zouden aanspraak maken op mijn waardering.”

Hij ervoer sindsdien echter dat het bij Van de Vlasakker “aan al deze dingen wel erg mangelt”. Bijgevolg had hij “niet de geringste waardering” voor de man. Volgens hem waren de opeenvolgende rijksveldwachters die in Hoogkerk naast de gemeenteveldwachter opereerden, dezelfde mening toegedaan. Ze negeerden hem zo veel mogelijk omdat ze beu waren van zijn voortdurende gekanker. Bij het onderzoek naar een moordzaak in Leek, waarvoor de verhoren deels in het gemeentehuis van Hoogkerk plaatsvonden, wilde de rechter-commissaris Van de Vlasakker er ook niet bij hebben, omdat hij de gemeenteveldwachter niet vertrouwde.

Verschillende hoge omes bij de Groninger politie hadden ook tegen de burgemeester verklaard dat ze in 1924 blij waren geweest dat Van de Vlasakker opkraste naar Hoogkerk. Ook in Groningen stond Van de Vlasakker al bekend als een “aarts-kankeraar” die “het hele politiecorps verkankerde”, aldus de burgemeester. Die ook nog even wees op een brief uit 1935 aan de toenmalige Commissaris, waarin hij al een negatief oordeel over Van de Vlasakker uitsprak.

“De man haakt naar wachtgeld of pensioen. En wie dat doet, heeft überhaupt al geen hart meer voor zijn functie.”

Tjaberings verzocht de Commissaris dan ook om Van de Vlasakker op het matje te roepen voor een disciplinaire maatregel.

Hoe het in het dossier kwam, is onduidelijk, maar dat bevat ook nog een brief uit 1929 van de vorige burgemeester van Hoogkerk. Deze brief rept van conflict tussen Van de Vlasakker en de Laagspanningsnetten, het stroomdistruibutiebedrijf voor Groningen en Drenthe. Omdat de veldwachter de elektriciteitsmeter niet vertrouwde, betaalde hij de rekeningen niet, zodat het elektriciteitsbedrijf hem had willen afsluiten. Maar de veldwachter liet de mensen van het stroombedrijf niet toe op zijn grond, ook niet nadat hij daartoe gesommeerd was door de toenmalige burgemeester, die vond dat zo’n handelswijs voor een veldwachter geen pas gaf. Hoe die affaire destijds afliep, blijkt helaas niet uit deze wat oudere brief. (Waarschijnlijk met een sisser.)

Op 12 maart 1940 besloot de Commissaris der Koningin inderdaad om  de veldwachter van Hoogkerk op het matje te roepen, zo blijkt uit een kladversie van een briefje aan de burgemeester van Hoogkerk. Van het eigenlijke gesprek tussen de Commissaris en de veldwachter zijn op hetzelfde blad papier nog wat gespreksnotities genoteerd.

Van de Vlasakker bleek er 32 dienstjaren op te hebben zitten en had naar eigen zeggen “nooit iets gehad”. Sinds 1924 (toen hij dus uit Groningen overkwam) stond hij al in Hoogkerk. Met de vroegere burgemeester had hij “nooit ernstig geschil” gehad, beweerde hij tegen de Commissaris. De zaak van 1929 met de Laagspanningsnetten was “niet zijn schuld’, hij was toen niet eens voor de Commissaris geroepen. En dan volgt er nog iets waaruit een beetje toegeeflijkheid en zelfinzicht blijkt:

“zegt in zenuwachtigheid door de slechte verhouding wel eens een onvertogen woord, dat beter ongezegd kon blijven.”

Ik denk dat dit laatste hem wel eens gered kan hebben. Hoewel de Commissaris nog een drietal mensen over de kwestie wilde spreken, gebeurde er niets. In elk geval werd Van de Vlasakker niet ontslagen als gemeenteveldwachter en -bode van Hoogkerk. Terwijl burgemeester Tjaberings in 1941 naar Wynbritseradeel in Friesland ging, kreeg Van de Vlasakkers namelijk pas in 1943 ontslag, en dat eervol. Hij had toen nog geen veertig dienstjaren op zitten, dus hij zal niet het volle pensioen hebben gekregen. Mogelijk ging hij er nog iets naast doen, maar wat is onbekend. Hij overleed in 1962 te Groningen op 72-jarige leeftijd.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 1152 (kabinet CdK) inv.nr, 190: brieven over eerste halfjaar 1940, met name het bundeltje met als bovenliggende stuk de minuut van de uitgaande brief van de CdK aan de burgemeester van Hoogkerk d.d. 12 maart 1940.