Verloting scheuvels

Het gedane verzoek van Jan Aljes op Den Ham teneinde het gerequireerde gerigtsconsent te erlangen om op vrijdag den 27 december aanstaande aldaar enige paren scheuvels te laten verloten, is aan dezelve geaccordeerd.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (gerechten Westerkwartier) inv.nr. 411 (civiele zaken) fol. 453: rekest en apostille van woensdag 11 december 1805.

Advertenties

Een vossejacht bij Grootegast

Roelant Savery – Vossejacht in een bos, ca. 1630. Collectie Rijksmuseum.

Op het verzoek van

…Wybe en Pieter Willems Hazenberg te Grotegast adidem, om in de Woudstreek van dit Quartier een en andermaal de vossejagt te mogen exerceren, is aan dezelve geaccordeerd, en dezelve vossejagt op den 11 dezer bepaald, zullende de koddebeier hierbij assisteren.

Bron: Groninger Archieven 735 (rechterlijk archief Westerkwartier) inv.nr. 411 (civiele zaken) vrijdag 4 januari 1805.

Met de woudstreek van het Westerkwartier werd het zuidelijke deel van deze landstreek bedoeld, met name het gedeelte tegen de Friese grens aan. De koddebeier was de jachtopzichter.

Het is de eerste keer dat ik een dergelijk verzoekschrift zie. Misschien was er een vossenplaag? Aanvankelijk dacht ik dat deze jacht hier dan vast niet zou lijken op de nu bekende vossenjacht met jagers op paarden en met een meute honden, maar in de databank van het Rijksmuseum komen de meeste Nederlandse plaatjes daar toch wel op neer, zij het dan zonder de rooie jasjes en ruiterhelmen van tegenwoordig.
.
Vooraf dacht ik ook dat er geen rekesten in het civiele protocol van het Westerkwarttier zouden voorkomen omdat er een aparte registratie voor was. Maar dat bleek eveneens een vergissing.


Droeg de kerk van Sappemeer oorspronkelijk een soort van siepel?

De Sapmeerster koepelkerk in 1681, detail uit een tekening in het Caartboek van Sappemeer, dat hier gescand op de website van de Groninger Archieven staat (scan 12).

Voor de opgang naar het kerkhof staat nog een poort. Het kerkhof zelf is omgeven door een dubbele gracht. Maar wat het meest opvalt, is de bekroning van het kerkdak. Het lijkt wel of er een siepel of bus op een smalle voet midden op dat dak staat. Tegenwoordig is dat een torentje of dakruiter die rechtstandig en zonder enigerlei poespas de lucht insteekt – zie deze foto, gemaakt op Monumentendag 2018:

Ik moet zeggen dat ik de oorspronkelijke vorm wel wat aardiger vind.


Onlander luchtje scheppen

Hoek Langmadijk-Hamersweg, Peizermade:v

Blaarkop-osjes – volgens een man de er bij kwam staan is het geen winterhard veeras:

Bij de Onlandsedijk, even voor zonsondergang:

Terug, bij de Gouwe:


Een uitstervingsproces in de krant

Korhoen, man en vrouw. Collectie British Museum.

In 1856 maakten geregistreerde jagers nog 70 korhoenders buit in Groningerland. Bekend zijn ook de streken waar deze vogels enkele decennia eerder, in 1828, voornamelijk rondscharrelden: Westerwolde, het Gorecht en Zuidelijk Westerkwartier, kortom gebieden met nog redelijk veel hoogveen en heide. Waren dit nou ook de regio’s die later nog als lorhoenderbiotoop in krantenberichten voorkomen en hoe verliep dan hier het uitstervingsproces?

De laatste meldingen door in Groningen verschijnende kranten van een gelijktijdige aanwezigheid van korhoenders in Groningerland zijn de volgende:

Maand en jaar Lokatie Hoeveelheid
Oktober 1891 Bellingwolde 3 (geschoten).
September 1897 Onstwedde 1 (geschoten);
September 1901 Westerwolde “Menigvuldiger dan ooit” (voorbeschouwing jacht).
September 1907 Onstwedde 1 (geschoten).
Augustus 1912 Westerwolde “Korhoenders treft men ook genoeg aan. Koppels van 5 tot 10 zijn geene zeldzaamheid” (voorbeschouwing jacht).

De vogels kwamen in Groningen dus het laatst voor in Westerwolde en dan vooral het zuiden van die streek. Opmerkelijk is dat hun aanwezigheid daar als ruim werd voorgesteld, ook nog nadat het laatste bericht over een geschoten exemplaar in de krant had gestaan. Mogelijk was dit wishfull thinking of propaganda om jagers naar de regio te lokken. Tegelijkertijd werd immers een jachtmotief verschaft met de bewering dat korhoenders schadelijk wild vormden, wat met name gebeurde door de Nederlandsche Heidemaatschappij, uit zorg voor haar jonge dennenaanplant.

De jachtdruk, of hoe noem je zoiets, kan in Groningerland ook wel eens hoger geweest zijn dan in Drenthe en Friesland, waar nog decennialang berichtjes vandaan bleven komen over geschoten korhoenders. Daar werden ook veel langer nog grotere aantallen gesignaleerd en geschoten, terwijl het korhoen bovendien vaak wordt genoemd in advertenties voor de verpachting van Drentse jachtvelden. Hoewel er in 1895 en 1897 al berichten over een voortdurende afname van het aantal exemplaren uit Drenthe kwamen, valt op dat ze even later, in 1898 nij de Gouwe in de Pezermade, vlak over de zuidgrens van Groningen nog “in troepen” te vinden zijn. In 1908 schoot een jager uit Helpman er in elk geval nog 10 bij Peize. Maar in 1923 bleken ze definitief verdwenen ten zuiden van de Onlandschedijk, achter het Stadspark op het grondgebied van Eelderwolde.

De grootste killer was echter niet de jacht, hoewel er meteen bij gezegd moet worden dat die zeker tot het uitsterven van het korhoen heeft bijgedragen. De belangrijkste oorzaak van die uitsterving was de ontginning van hoogveen en heide tot landbouwgrond, die vooral mogelijk werd gemaakt door de komst van de kunstmest. Na de Eerste Wereldoorlog intensiveerde het ontginningsproces, mede door de inzet van werkverschaffing. Zo herinnerde de voorzitter van de landbouwvereniging Marum in 1925 zich de omgeving van Trimunt vroeger als “het dorado der korhoenders”, welke streek in een kwart eeuw tijd met zuinigheid en vlijt was omgezet in productief cultuurland.

De biotoop van het dier verdween dus, in Groningerland voorop. Slechts een incidentele natuurliefhebber betreurde de gang van zaken. In de lekkerbek vond hij een medestander:

Bij de poeliers zijn bijna geen patrijzen te krijgen en er worden exorbitante prijzen betaald. Daarmede gaat de patrijs denzelfden weg op van het korhoen, dat in de meeste provincies door voortgaande ontginning en cultiveering bijna niet meer te vinden is. Dit stuk oerwild met zijn merkwaardige levenswijze, is slechts weinigen meer bekend en begint tot de zeldzaamheden der Nederlandsche jachtvelden te behooren (1927),

Dat ondanks het snel veldwinnende besef van zeldzaamheid en schaarste de jacht gewoon doorging, mede dankzij gastronomie en geldzucht, dat is pas het echte schandaal.


Jachtstatistiek 1856

Uit het jaarverslag van de provincie Groningen over 1856:

De staat van het jagtveld was over het algemeen voordeelig. In evenredigheid van de laatste jaren neemt het wild toe.
In het jaar 1856 zijn in deze provincie afgegeven 258 groote en 9 kleine jagtacten (…). Het getal schadelijke dieren , waarvoor premiën zijn uitgereikt, is als volgt: 86 vossen, 10 marters, 105 bunsings, 332 wezels, 156 valken, 1 havik en 2 wouwen; de som der premiën bedroeg ƒ 252.80.

Volgens de zoo naauwkeurig mogelijk ingewonnen berigten mag men het er voor houden, dat in dit jaar op wettige wijze zijn bemagtigd: 8000 hazen, 14.800 patrijzen, 70 korhoenders, 125 houtsnippen, 1200 eenden, 500 watersnippen.

In de kooijen zijn ongeveer gevangen 4000 eenden, 2000 talings, 3500 smienten, 1000 pijlstaarten; met slagnetten 1000 ganzen, 250 eenden, 450 smienten, 300 kemphanen.

Bron: Groninger Courant 12 juli 1857 (pag. 2).


Een korhoen bij Kropswolde

Vond weer een historische melding van het korhoen in een Gronings hoogveengebied. Waar Quintyn Pabus in zijn lofdicht op de stad Groningen (1741) in de stadsjurisdicties rondreist, doet hij ook even de streek ten noordoosten van het Zuidlaardermeer aan, waar zijn speciale aandacht uitgaat naar de jacht:

’k zie daar te Kropswoldt de buitenplaats van veer
Des Borgemeesters Van Iddekinge, ‘k hoor blaazen
’t Zijn jaagers die patrijs en korhoen en ook haazen
Gevangen hebben voor dien braaven borger heer
Ziet daar, zij leggen ze aan zijn voet eerbiedig neer.

De jacht op korhoenders en patrijzen was sinds september 1725 per plakkaat verboden in de stadsjurisdicties en Westerwolde. De jagers die de heer Tobias Jan van Iddekinge de beschreven eer aandeden, waren dus fors in overtreding. Burgemeester van Iddekinge was bovendien om het jaar president van het Groninger Hof van Justitie. Uit hoofde van zijn beide functies zou hij zulke kerels eigenlijk moeten laten arresteren en ze dan aan het jachtgericht overleveren. Maar als het zijn eigen jagers waren, dan deed hij dit natuurlijk niet.


Bronnen, naast Pabus’ Lof: Jan de Bruijn, Plakkaten van Stad & Lande, nr. 1460 en Duco Kuikens Lijst van Gezagsdragers (Groninger Archieven 1700-16).