De 2 miljoen voorbij

Maar ach, wat zegt het ?


Rondje Niekerk – Tolbert

Maarsdijk bij Niekerk:

Het ooievaarsnest bij de boerderij Werklust aan de Smidshornerweg in Niekerk blijkt bezet:

De eerste vlinder van het jaar, een kleine vos bij de Dijkweg onder Bakkerom:

De waterberging bij de Dijkweg stond nog voor een groot deel blank:

De drie Pijlders, een ouwe herberg in Tolbert:

De kerk van Tolbert:

Laantje bij Oostwold. Het bosje in de verte rechts, bij de A7, herbergt een vuilnisbelt uit de jaren zestig. Er komt een zonnepark:

Het was de eerste keer dat ik dat hek open zag staan, dus er even heen. Er viel weinig te zien. Het laantje was van de andere kant af wel weer mooi:


Steiloor en loboor

Bij het Achterstewold, Peize:

Lekker in de zon en op ’t hooi, wat wil een varken nog meer?


Het effect van thuiswerken op ’t gasverbruik

Tegenwoordig krijg ik op onregelmatige tijdstippen in het jaar mijn jaarafrekeningen, maar met de maandelijkse verbruiksstaatjes is het verbruik ook naar kalenderjaar te becijferen en dat heb ik nu eens gedaan voor 2017 tot en met 2021, waarbij ik vooral benieuwd was naar het effect van het (onregelmatige) thuiswerken met ingang van medio maart 2020 op mijn gasverbruik. Dat ontwikkelde zich zo per jaar:

2017: 460 kuub

2018: 448 kuub

2019: 425 kuub

2020: 458 kuub

2021: 618 kuub

Het thuiswerken had in 2020 nog niet zo veel effect, maar zorgde in de wintermaanden vanaf december 2020 voor een vijfde à een derde deel extra gasgebruik, terwijl mijn verbruik in het voorjaar van 2021 zelfs verdubbelde, vergeleken bij voorgaande jaren. Meen dat er eind 2020 nog een aanbod is gedaan om de extra kosten van thuiswerken te vergoeden, maar daar heb ik van afgezien, omdat ik de 300 euro die geboden werd wat al te veel vond voor dat pak koffie dat er bij mij extra doorheen ging per week. Achteraf heb ik daar nu wel een beetje spijt van, al zou ik ook met doorberekening van het verbruikte gas nog lang niet aan die waarlijk genereuze som gekomen zijn.


Poet-in kan van mij de rambam krijgen (3)

De nieuwe cijfertjes omtrent mijn energieverbruik kwamen vandaag binnen:

In december en januari werd er aan stroom 84 kwh gebruikt, daar viel dus nauwelijks nog wat te winnen. Qua gas was er wel een substantiële bezuiniging: van 95 (december) naar 75 (januari) naar 57 kuub nu.

Zit qua stroomverbruik nog steeds op bijna de helft van het verbruik bij een gemiddeld eenpersoonshuishouden:

En qua gas zit ik nu op 39 % van een gemiddeld appartement. In december was dat nog 60 % en in januari 44 %. Hier zit dus nog progressie in. De gestegen gasprijs vang ik zo aardig op.


Rondje Hoogkerk

De strokarton- en papierfabriek De Halm, althans dit fabriekspand, lijkt te gaan verdwijnen. Na de sloop worden hoogstens nog de contouren op heuphoogte bewaard. Het is industrieel erfgoed. Er gaan stemmen op om het te bewaren, maar de muren zijn wit uitgeslagen en verzadigd van de wasem. Zelf zou ik niet tegen nieuwbouw met appartementen op deze plek zijn:

Het begint er net wat op te lijken, de passantenhaven voor varend erfgoed er schuin tegenover, langs het Hoendiep:

Populier bij de Weersterweg bleek omgezaagd, en zag er in de kern inderdaad niet erg gezond meer uit:

Bij de Nieuwbrug bleek dit scharkje gezonken. Kwestie van één nachtvorst? Het lag er volgens mij nog niet zo lang, op een plek waar eerder geen boot lag, en ik kan me ook geen bewoning herinneren:


Demonstratie voor de vrijheid van Oekraïne

Redelijke, zij het geen overweldigende opkomst op de Grote Markt hier in de stad.


Rondje Ezinge

Berken bij het viaduct over de A7 ter hoogte van Matsloot:

Zwanen bij de Nieuwbrug:

Den Horn tegenover de gewezen Vermaning en doopsgezinde pastorie:

Van het overwegwachtershuisje resteren alleen nog de bomen:

Fransumer Voorwerk:

De kat van Reinies buren (de dierenartspraktijk van Ezinge):

“Met vorst is het beste er vanaf”:

Tussen Hardeweer en Fransum:


Beagle op struun

Op de oever van het Peizerdiep vlakbij Eiteweert was een ouwe beagle aan het struinen, nu de ene kant op, dan de andere, maar steeds terugkomend op hetzelfde plekje met zijn snufferd. Ik denk dat hij een otter of iets dergelijks rook:

De bikkel ging zelfs nog even zwemmen en had moeite zich uit het water te hijsen:

Even lekker uitschudden en weer helemaal het heertje:

Nou ja, nog even lekker door de begroeiing rollen:


Rondje Stad

Tegeltableau in de Korenbeurs met dank vanuit Amsterdam en Rotterdam aan de Groninger graanhandelaren voor hun hulp tijdens de Hongerwinter:

Ze werken duidelijk niet afdoende, de antiduivenpinnen in de nissen met godenbeelden bij de hoofdingang van de Korenbeurs::

Een Volkswagenbusje genaamd Mellow Yellow:

Skiffeuse bij de Eelderbrug:


Poet-in kan van mij de rambam krijgen (2)

Mijn energieverbruik over januari dit jaar:

Qua stroom zit ik nu op 47 % van het verbruik van een gemiddeld eenpersoonshuishouden, qua gas op 44 % van een doorsnee appartement, in beide gevallen dus minder dan de helft.

Tevreden? Ja, tevreden.


Karakterkop met ochtendhumeur

Buurtkat deed een dutje in de zon op de slootoever en kwam verstoord in de benen, toen ik een foto van hem maakte. Het coniferentakje op zijn borst lijkt een soort van broche.:


Het tragische leven van Jantje Bottinga

In een hoekje van mijn kwartierstaat zitten de Bottinga’s. De mannen visten van eind maart tot november, voor zover het weer dat toeliet, met wilgentenen schuttingen (“hargen”) en fuiken langs en op de Dollard. De vrouwen brachten als “visdraagsters” de gevangen bot en garnaal naar plaatsen als Winschoten en Delfzijl.

Polder na polder kromp de Dollard en verminderde de vangst. Veel verdienden de vissers niet, misschien iets meer dan boerenarbeiders. Niet iedereen kon in het visserijbedrijf terecht, er was een zekere uitstoot van arbeidskrachten naar landbouw, industrie en havenwezen.

Een van die overtollige mensen was Jantje Bottinga (Finsterwolde 1822 – 1895 Veendam), een tante van mijn betovergrootmoeder Trientje Bottinga. Als dochter van de visser Jan Jakob Bottinga en diens vrouw Klaassien Hindriks Kugel (ook wel gespeld als Kuigel of Koegel), sloeg Jantje een andere richting in, zowel geografisch als sociaal.

Vier  maal ongehuwd moeder

Terwijl zo’n beetje de hele familie Bottinga – ook haar oudste broer was Dollardvisser – vanwege de betere visvangstperspectieven tussen 1850 en 1864  van Finsterwolde aan de zuidkant naar Termunten aan de westkant van de Dollard verhuisde, bleef Jantje het grootste deel van haar leven in Finsterwolde wonen. Tussen haar 26ste en 41ste werd ze daar vier maal ongehuwd moeder: in 1848 en 1863 van twee dochters, die ze beide naar haar moeder Klaassien noemde, en in 1852 en in 1858 van twee zoons, respectievelijk Jan (naar Jantjes vader) en Klaas geheten. De beide dochters haalden hun eerste verjaardag niet, de zoons bleven langer leven. In de eerste drie akten burgerlijk stand heet Jantje “zonder beroep”, in het tweede drietal wordt ze “dagloonster” genoemd. Ongetwijfeld zal er scheef tegen haar als ongehuwd moeder zijn aangekeken. Maar haar drie oudere zusters droegen dat odium ook, en dat zal dan voor Jantje wellicht wat minder zwaar en hatelijk zijn geweest.  

Net als haar oudste zuster, de visverkoopster Grietje, zou Jantje veel later alsnog trouwen. Dat deed ze op haar 44ste, toen ze nog steeds in Finsterwolde woonde, met de zestien jaar jongere kleermaker Sjoerd Rentema Leopold. Hij was in Dokkum geboren als zoon van een onderwijzer, die naderhand als belastingcontroleur met zijn gezin in Oude Pekela terecht was gekomen. Ten tijde van Sjoerds huwelijk met Jantje Bottinga (januari 1867) leefden zijn ouders niet meer, en woonde Sjoerd inmiddels te Winschoten. Tussen zijn achtergrond en die van Jantje bestond er een verschil, dat wordt geaccentueerd doordat hij wel de huwelijksakte ondertekende, maar zij  niet, omdat ze “verklaarde de schrijfkunst niet geleerd te hebben”. Afgaande op hun overige huwelijksjaren lijkt er ook sprake te zijn geweest van een mésalliance. Gaandeweg dit verhaal bekroop me het gevoel dat hij haar uit medelijden trouwde.

Bedelarij in Friesland

Waar de praktisch analfabete Jantje Bottinga en de schoolmeesterszoon de eerste tijd na hun huwelijk woonden, kon ik eerst maar moeilijk gewaar worden. Sjoerd Leopold ontbreekt in het bevolkingsregister van Finsterwolde, terwijl zijn naam en die van Jantje in het register van Winschoten over 1860-1900 steeds gescheiden van elkaar op verschillende adressen genoteerd staan, zodat het erop lijkt dat ze ook hier niet hebben samengewoond. Waarschijnlijk zijn ze na hun huwelijk naar Dokkum vertrokken, waar Jantje vlak na hun huwelijk inderdaad als bewoner ingeschreven heeft gestaan. In de buurt van Dokkum werd ze in maart 1867 opgepakt wegens bedelarij. De rechtbank te Leeuwarden veroordeelde haar tot veertien dagen gevangenisstraf, maar voor bedelaars had de staat nog iets extra’s in petto, te weten opzending naar een rijkswerkinrichting. In Jantjes geval ging het om die in Veenhuizen, waar ze pas op 28 augustus 1869, dus na bijna 2,5 jaar gedwongen verblijf, weer uit vrijkwam.

De heropvoeding  tot een arbeidzaam leven mocht in haar geval niet langdurig baten. Na anderhalf jaar vrijheid, op 9 april 1871, werd Jantje Bottinga (47), vrouw van Sjoerd Leopold en “arbeidster”, namelijk opnieuw opgepakt, ditmaal wegens “bedelarij in verbinding” met haar beide zoons Jan (18 en pottenbakker) en Klaas (14, sigarenmaker). Dat gebeurde in Bergum, halverwege Dokkum en Drachten, waar ze “te zamen en in vereeniging met elkaar” nota bene bij de lokale veldwachter thuis om een aalmoes kwamen vragen. Alle drie woonden ze in Dokkum. In een soort van snelrechtprocedure maakte de Leeuwarder rechtbank korte metten. Reeds op  12 april kreeg Jantje drie maanden cel, en haar beide zoons veertien dagen. Terwijl haar zoons wegens hun minderjarigheid nog op clementie mochten rekenen, kwam Jantje, nadat ze haar celstraf had uitgediend, opnieuw in het “bedelaarsgesticht” te Veenhuizen terecht. Ze zou er pas op 7 juli 1873 uit worden ontslagen. Intussen overleed haar jongste zoon Klaas in Dokkum – of ze die ooit heeft teruggezien, is nog maar de vraag. In elk geval ging ze niet opnieuw de fout in: haar naam ontbreekt verder in de registers van Veenhuizen, en ook in die van Friese en Groninger gedetineerden.

Muntendam – Winschoten – Heiligerlee

Na Klaas zijn dood had Jantje nog maar één kind over: Jan. In 1878 trouwde hij als arbeider in Muntendam met een acht jaar oudere werkvrouw, de weduwe van een bezembinder. Misschien heeft Jantje daar in Muntendam bij ze ingewoond. Weliswaar kocht haar man Sjoerd Leopold een huis met tuin in Heiligerlee, maar liet daar vooreerst familie van hem wonen terwijl hij zelf in Winschoten domicilie hield. In de Provinciale Groninger Courant beklaagde hij zich in juli 1880 vanuit die plaats over de behandeling die een krankzinnige bloedverwant van hem ondervond. Deze ingezetene van Heiligerlee was op last van de loco-burgemeester van de gemeente Scheemda onderin de toren van Scheemda opgesloten, volgens Leopold

in een afschuwelijk hol, met een weinig stroo op den vochtigen steenen vloer, zonder plaats om zijn behoefte te doen, en zoo donker dat men er eerst eenigen tijd moest vertoeven om den ongelukkige te kunnen zien.

Leopold achtte deze “akelige omgeving” in staat “om een normaal mensch krankzinnig te doen worden” en wilde er daarom graag de aandacht op vestigen. Dat lukte hem buitengewoon goed, want het bericht uit de Groninger krant werd door allerlei kranten in den lande overgenomen. Maar uiteindelijk haalde Leopolds klacht niets uit. De loco-burgemeester van Scheemda vond die klacht “zeer overdreven”, had geen behoefte aan “zedelessen”, zei dat hij de patiënt voor de veiligheid had laten opsluiten en liet deze gewoon zitten in dat gore, stinkende hol.

Samenwonend met een stoelenmatter

Terwijl Sjoerd Leopold vanuit Winschoten zijn strijd voor enige medemenselijkheid voerde,  woonde zijn vrouw Jantje Bottinga bij het Beneden Verlaat in Veendam samen met een andere man, te weten haar leeftijdgenoot Popke Hoekstra, oorspronkelijk afkomstig uit Zwaagwesteinde. Popke was weduwnaar en stoelmatter van beroep. Medio juni 1880 hadden hij en Jantje zich vanuit Muntendam in Veendam gevestigd, aldus het bevolkingsregister van die laatste plaats. In het Muntendammer register heb ik ze echter niet gevonden, mogelijk omdat ze er slechts kort woonden, na hun aankomst vanuit Noordoost-Friesland.

Hoe het ook zij, Jantje Bottinga en Popke Hoekstra verhuisden begin 1882 naar Winschoten K53, tevens Jantjes laatste adres. Jantje en haar officiële man Sjoerd Leopold bleven gescheiden van elkaar leven, tot Sjoerds laatste snik: in 1888 overleed hij in het verre Delft, waar hij tijdelijk aan het Koningsplein, dichtbij Den Haag, als kleermaker werkte. Zijn doodsakte werd naderhand vanuit Delft opgestuurd naar Scheemda, waar hij intussen blijkbaar officieel woonde, en dat dan waarschijnlijk  in het huis dat hij in 1879 voor familie had gekocht. Bij de veiling van dit vastgoed in 1894 deed het nog slechts 350 gulden van de 600 die hij er vijftien jaar eerder voor had neergeteld. Dat was niet veel.

Jantje Bottinga’s laatste jaren

Leopold en zijn vrouw waren waarschijnlijk niet in gemeenschap van goederen getrouwd, zodat Jantje niets erfde, want begin 1895 vroeg ze via een bemiddelaarster om financiële steun bij de diaconie van de hervormde gemeente Winschoten. Het college van diakenen verwees haar echter door naar het armbestuur van de burgerlijke gemeente, “omreden zij, voor zoover ons bekend, geen lidmaat des N.H. Kerk is” (de bedeling door de diaconie was uitsluitend voor kerklidmaten). Eind oktober verzocht ds. Van Hoorn, een van de Winschoter predikanten, om opname in het diaconale werk- en gasthuis voor Popke Hoekstra – die inmiddels een uitkering van het Burgerlijk Armbestuur ontving – èn “zijne bijzit Jantje Bottenga die ook nu weer even als ’t vorige winter beweerde lidmaat der Herv. Kerk te zijn”. Na enige discussie wilde de diaconie het verzoek wel inwilligen, mits het Burgerlijk Armbestuur de diaconie daarvoor een daalder per week zou betalen. Jantje Bottinga zou net als Hoekstra in het gasthuis mogen komen wonen, maar dan voor rekening van de diaconie zelf, “zoodra ons ’t blijkt dat ze lidmaat is”. Ds. Van Hoorn moest opnieuw achter haar attestatie van kerklidmaatschap aan, die hij tot dan toe niet had kunnen bekomen.

Blijkbaar kreeg Jantje, hangende die procedure, de facto steun en een plaatsje in het diaconale werk- en gasthuis. Ze maakte zich daar echter vrij snel onmogelijk. De werkhuismeester stuurde haar weg, een besluit dat de diaconie kon billijken – op 20 december spraken de diakenen uit dat hij “in dit speciale geval juist gehandeld had”.

Die avond stierf Jantje Bottinga, niet in Winschoten, maar in Veendam, de woonplaats van haar zoon Jan. De Winschoter Courant meldt over de toedracht:

In het Oosterdiep nabij de [tram]remise te Veendam werd bedennamiddag drijvende gevonden het lijk van Jantje Bottinga , ruim 70 jaren oud. De oude vrouw , die voor ruim 4 weken als gealimenteerde in het diaconiearmhuis alhier werd opgenomen, doch voor eenige dagen daaruit werd verwijderd, had een zoon te Veendam wonen , bij wien zij nu zeker een goed heenkomen wilde zoeken. Na gisteravond halfnegen met den tram van Pekela te zijn gekomen , vermoedt men dat zij, uitstappende bij de remise, in het vaarwater is geloopen toen ze te voet den weg naar het Beneden-Vallaat wilde afleggen.

Jantje had zelf jaren in Veendam gewoond en kende er dus goed de weg. Of ze misgelopen is? Bij mist verdronken wel meer mensen. Maar soms pleegden mensen, die het zwemmen niet machtig waren, ook wel zelfmoord door zich te verdrinken.

De Winschoter diakenen maakten in elk geval geen woord vuil aan haar dood. Ook de kerkeraad zweeg in alle talen.

Met dank aan Wil Schackmann en Albert Beuse voor informatie over de ‘criminele loopbaan’ en strafrechtpleging inzake Jantje Bottinga.


Verloren knuffel

Gezien in het Stadspark, op een hek, een soort rups of insect als knuffel:


Heerlijk zondagsmaal op arbeiderstafels dankzij jongens in Adamskostuum

Nu ik toch over het water schrijf, wil ik meteen mededeelen, dat de jongens alhier tegenwoordig op eene aardige wijze de waterbewoners in de Tjamme weten te verschalken. In Adams-costuum vormen ze in dat riviertje twee rijen, die op elkaar toeloopen en ondertusschen het water ferm troebel maken. De visschen worden daardoor flauw en laten zich gemakkelijk met de handen grijpen. Vele arbeiders hebben hierdoor een heerlijk Zondagsmaaltje.

Winschoter Courant, 20 juli 1887, bericht uit Beerta.