In een Reiderwolderpoldersloot

Ben hiervoor nog even teruggereden op die lange polderweg. Wilde even weten wat er precies op dat bord stond:

“Alleen toegankelijk voor leden HOG. Verboden voor auto’s.”

HOG = Harley Owners Group? Zit er zoiets hier in de buurt? Er zit wel een motorclub bij Finsterwolde. Is het bord misschien van een voorganger?

 


Mijn pietenopinie

Mijn antwoord op het EenVandaag opiniepanel over zwarte piet:

Kleur zwart van de piet moet weg, omdat die op te vatten is als beledigend en discriminerend.

Hoewel de kleur oorspronkelijk van zwartmakers komt, dat wil zeggen blanken die zich bij overvallen en oproeren voor de onherkenbaarheid zwart maakten met roet uit een geblust haardvuur, is de zwarte piet rond 1860 metgezel geworden van sinterklaas om een splitsing te krijgen tussen diens rollen als goedheilig- en boeman. Toevallig was dat net in de tijd dat slavernij afgeschaft werd. Hoewel zwarte piet qua ontstaan dus geen racisme impliceert, is het onbegrip voor het fenomeen volkomen begrijpelijk. Een traditie willen doorzetten die mensen dermate tegen de borst stuit en verdriet doet is bijzonder onverstandig, temeer daar het kinderen, de beoogde gelovigen, zelf absoluut niet uitmaakt of de goedheiligman vergezeld gaat van een zwarte dan wel een roetveegpiet.


Scheemda – Midwolda – Finsterwolde – Termunten

Arriva verwachtte blijkbaar een stormloop op Oost-Groningen, want bij spoor 3-B stonden maar liefst vier treinstellen klaar.  Op de eerste drie hing echter een teleurstellend bericht: “Niet instappen”. Helemaal bij de voorste aangekomen, hing er niet zo’n bericht maar bleek de trein gewoon ontoegankelijk. Tot de bestuurder eraan kwam, die me terug verwees naar het allerachterste treinstel – de voorste drie gingen leeg op weg:

Herfst tussen Scheemda en Midwolda:

Welkom in Midwolda:

Beuk in de slingertuin van museumboerderij Hermans Dijkstra:

Vredesduiven in gekleurd glad (Jugendstil):

Nog meer Jugendstil – kapstok met pauwen die lijken op de pauwen in de Groninger Brugstraat:

Stoelklokje:

In de weckflessenkelder – plakjes wortel, hele peren, mootjes wortel:

Verzameling bakstenen met pootafdrukken van honden, katten en reeën:

De boerin Eppie Poppes ten Have (1797-1839), pastel achter glas door – hoogstwaarschijnlijk – Theodorus Bohres:

Die voorste, dat is een Fongers:

Door de Reiderwolderpolder naar Woldendorp – oude wadpriel door het verder kaarsrecht opgedeelde polderland – op de paal in de verte zit een torenvalk maar dat ontdekte ik thuis pas:

Heb geruime tijd staan wachten tot dit hert zou opduiken, maar het beest had vandaag geen zin:

Dikke klaai:

Arbeidershuisje in Woldendorp – met twee annexe opstallen te  koop voor 2,5 ton:

Op de veranda van Landman in Termunten zes verrukkelijke tongetjes gegeten. De kater van de buren lustte ook wel een stukje maar kreeg niets en keek me daarom heel gemeen aan:


“De wegen waren door de wolven seer onveylig”

Vond een aardig pamfletje uit Sneek over de harde winter van 1740, met een opsomming van allerlei krantenberichtjes uit geheel Europa. Zo bevat het een curieuze passage over wolven en beren, opdringerig geworden door hun honger:

Het wilt gedierte dat nog overgebleven was, was als rasende van honger. In Sweden moesten de passagiers als caravanen reysen met dubbelt geweer, de landluyden omringden hunne huysen en stallen met palissaden om dit gedierte af te keeren, dat (insonderheyt de wolven en beeren) soo vrymoedig waren dat zy de menschen en het vee uyt hunne huysen en stallen haalden. Omtrent het Bosch de Ville, een myl van Keulen, overvielen de wolven eenige schoolkinderen en verscheurden het jongste, alsmede een pastoor die het den volgende dag bestierf. In Poolen vielen de wolven en beeren by meenigte op de huysen aan, soo dat men sig daar opsloot; uyt Temeswar (Roemenië HP) schreef men dat een wolf 22 menschen ten deelen gedoot ten deelen doodelyk gekwest had. De wegen by Cleef waren door de wolven seer onveylig en den 5 maart bragt een hond een afgeknaagt menschenbeen in die stad. Den 1 maart ging een veltpredikant van Stokholm eenen vrient op het land besoeken, dog wiert, schoon hy schietgeweer by sig had, van de wolven verslonden. Omtrent het Harts gebergte deden zy groote schaden. Men segt ook dat sig even buyten Amsterdam een wolf heeft laten sien, die sig met hoenders en honden vergnoegde.

Bron: Aanteekeningen van den buytengewoonen harden winter des jaars 1740: waar in de aanmerkensweerdigste voorvallen en geschiedenissen worden verhaalt, die in geheel Europa zijn gebeurd (Sneek 1740).


Roderoede blijkt bekkensnijder

In de nacht van 7 op 8 mei 1745 ging Roelof Pieters vreselijk tekeer op de “publike Heereweg tusschen de Hogemeeden en Aduard”. Met vier andere mannen liep hij van een boeldag op de Hogemeeden terug naar Aduard, zijn woonplaats. Eerst gaf hij zijn eerste metgezel

op een agterbaxe en onverhoedse wijze twee sneeden in het aangesight, de eene boven het oog, de ander even boven het kinnebakken”.

Vervolgens achterhaalde hij nummer twee, die op de vlucht was geslagen en diende hem een snee boven het oog en een kerf over de kin toe. Terwijl hij meteen daarop nummer drie een haal met zijn mes over de hand gaf.

Roelof Pieters moet een sterke kerel geweest zijn, als hij drie man zonder noemenswaardige tegenstand zo kon beschadigen. Op boeldagen werd nogal eens flink gedronken, maar bij dronkenschap gaat het vaak om blind geweld, en hier lijkt juist sprake van enige precisie, een bijna rituele strafoefening die bestond uit het letterlijk toedienen van gezichtsverlies.

In dit verband doet het ter zake dat Roelof Pieters de roderoede of veldwachter van Aduard was. Zijn baas, de redger, vond dit alles niet te billijken, maar “saken van de uiterste consequentie”, een roderoede des te minder passend “als sijnde in dienst van het gerigte”. Hier moest een voorbeeld worden gesteld. Toch wilde de redger ook niet al te hard zijn. Hij ontsloeg Roelof Pieters als roderoede van de jurisdictie Aduard en verbande hem voor zes jaar uit de provincie. Mocht Pieters die ban breken, dan dreigde een lijfstraf.

Onder de rechtstoel van Aduard vielen destijds ook Hoogkerk, Leegkerk en Dorkwerd. De roderoede van die onderhorige dorpen, Menne Derks uit Leegkerk, was eveneens bij de bloedige voettocht aanwezig geweest, maar had geen vinger voor de slachtoffers uitgestoken. Niet alleen had hij “geen de minste devoiren aangewend” om de bekkensnijderij door zijn Aduarder collega te beletten, ook liet hij na het gerecht erover in te lichten. Daarmee had hij zich schuldig gemaakt aan ernstig plichtsverzuim, en dat rekende de redger hem zwaar aan, zij het ook nu weer met enige coulance. Menne Derks moest bij wijze van boetedoening zijn ambt een half jaar lang gratis vervullen, terwijl zijn traktement voor die periode naar de diaconieën van Hoogkerk en Leegkerk ging, elk voor de helft. Als Derks in dat halve jaar zijn werk nog eens niet naar behoren deed, kreeg ook hij ontslag.

Roderoeden kwamen vaak voort uit de arbeidersstand en ze hadden het dus absoluut niet breed. Hoe zo iemand en zijn gezin moesten leven, als hij zijn werk gratis moest doen, vertelde de redger er niet bij. Dat kwam dan waarschijnlijk neer op bedelen, maar dat was verboden en illegaal – een roderoede had immers als eerste taak het weren van bedelaars uit zijn ressort.

Bron: Groninger Archieven, Toegang 735 (gerechten Westerkwartier) inv.nr. 178: beide vonnissen van 8 juli 1745.


Kindermoord in Aduard

Op 6 juni 1716 verdringen de inwoners van Aduard zich voor een pas aangeslagen plakkaat op het rechthuis. Het is een verzoek van Evert Joost Lewe, de dorpsheer, om inlichtingen te geven in een zaak die al enige weken speelt: op zondag 24 mei was er in het lokale Binnendiep bij de schipperstrap een dood kind gevonden, drijvend in het water,

dat seer apparentelijk op een moorddadige wise is van het leven gebraght.

Het plaatselijk gerecht deed al het mogelijke om dader of daderes van deze “onmenselijke gruweldaet” op te sporen, maar tot dan toe vergeefs. Daarom loofde jonker Lewe, die nog in eigen persoon recht sprak, een beloning uit van 50 gulden voor degene die hem de inlichting zou verschaffen welke zou leiden tot de aanhouding van de dader of daderes. De naam van de tipgever kon desgewenst geheim blijven. In zijn tekst speelde Lewe sterk in op het geweten van eventuele getuigen. Volgens hem had het vrij rondlopen van de dader ook algemene gevolgen,

geconsidereert dat dit ontsielde kint bij den Groten God als om wrake roept, en dat diergelike infame en onmenselike misdaden ongestraft blivende, de sonde op het lant blijvt, en dat in een tijt daer Gods hant sigh so merkelijk in toorn en grimmigheijt over ons gehele lant uitbreidet…

Anders gezegd: het onbestraft rondlopen van de dader lokte de wrake Gods uit, bijvoorbeeld in de vorm van brand, een (vee)ziekte, overstroming of wat voor rampspoed dan ook.

Dat is enigszins verrassend , want bij de bevindelijke partij die het altijd al zo bekeek was de staatsgezinde jonker Lewe absoluut niet geliefd. Terwijl hij zich toch in bevindelijk-gereformeerde termen uitte in het plakkaat. Staatsgezindheid hoefde blijkbaar nog niet te betekenen dat iemand de (proto-)Verlichting omarmde – een combinatie van staatsgezinde, anti-orangistische en een min of meer bevindelijke geloofsopvatting was blijkbaar ook nog mogelijk.

Of deed Lewe maar alsof, en uitte hij zich in dergelijke termen omdat hij zijn pappenheimers zo het beste mee kon krijgen?

Bron: Groninger Archieven, Toegang 735 (Rechterlijke Archieven Westerkwartier) inv.nr. 178.


Peerdjes op torens

Net als de peerdjes in de achtergevels van Groninger boerderijen zijn de peerdjes als windvanen allemaal verschillend en daarmee waarschijnlijk het fabrikaat van lokale smeden:

Trof deze aan in de beeldbank van de RCE. Het betreft een vrij recente calque van een Monumentenzorgtekenaar. Te zien zijn op de bovenste rij de windvanen van de hervormde kerken in Scheemda en Noordhorn, op de tweede rij die van de toren in Beerta en de Martinitoren in Stad, op de derde rij die van de Fraeylemaborg en de Winschoter kerktoren, op de vierde rij die van de toren in Finsterwolde en Openluchtmuseum ’t Hoogeland in Warffum en helemaal onderaan die van de Bellingwolder toren.