Rondje Ezinge

Bessentsunami, Roderwolderdijk, Hoogkerk:

Blaarkoppenfile, Aduarderdiep Leegkerk:

Zonnebloemen tegen schuur, Zijlvesterweg Leegkerk:

Bij boerderij Gravenburg staat de gracht nog steeds droog:

Op zo’n septemberavond kan het best fris zijn. Dan lopen stoere Galliërs met hun blote armen zo een verkoudheid op. Vandaar hun verwarmde feesttent:

Oldijk tussen Hardeweer en Ezinge – appelboompje buigt door onder de vruchtenlast en wordt gestut – kat ligt op de loer:

Entree vogelhotel, eindje verderop:

Gezicht op Ezinge:

Ram op de Reitdiepdijk bij Oostum:

Grazende stier bij Hekkum:

Droge gracht van boerderij tussen Adorp en Wierumerschouw:

Non-descript bouwsel op Zernike:

Advertenties

Avondrondje Eiteweert – Leegkerk

Blaarkopkalverkudde bij het Omgelegde Eelderdiep:

Schaatsenrijdertjes op het Peizerdiep:

Vanaf dezelfde plek het landschap:

Alarmerende soepganzen op de Zuidwending bij De Poffert:

Bij het Tichelwerkpad, Leegkerk:

Koeien raken allang niet meer overstuur van een ballon – in de verte gingen wel honden als dollen tekeer:

Nagenoeg windstil op straatniveau, maar de ballon maakte duidelijk voortgang naar het westen:

Zwarte pink op Leegkerk:


Gratis naar school in Zuidbroek

“Is besloten dat behoeftige ingezetenen, welke van de Diakonij niet genieten, en het schoolgeld voor hunne kinder niet betalen konnen, hunne kinder op kosten van de arme middelen ter school mogen zenden, mits dezelve zulks van den boekhouder der armen verzoeken, die aan hen een blijk zal geven, hetwelk zij aan den schoolmeester zullen overhandigen.”

Je had armoe in gradaties. De allerarmsten moesten leven van de karige steun, hen verstrekt door de diaconie, de kerkelijke armenkas. Hun kinderen konden sowieso gratis naar school. Maar er was ook een subcategorie: mensen die zich op zich net konden redden, maar voor wie het schoolgeld buiten de mogelijkheden lag. Die groep kreeg in 1766 te Zuidbroek kwijtschelding van schoolgeld, op voorwaarde dat er een vrijwaringsbriefje gehaald werd bij de boekhouder van de diaconie. Dat briefje moesten zulke mensen dan inleveren bij de schoolmeester, die er weer een vordering op de diaconie mee kon onderbouwen.

Bron: Handelingen kerkeraad Zuidbroek 3 september 1766.


Rondjes Hoogkerk en Leegkerk

Vanmiddag – vikingenkamp aan de Johan van Zwedenlaan:

Ruskenveense Plas met bui uit het noordwesten:

Zwanenfamilie in tochtsloot:

Vanavond – Mebin aan de Aduarderdiepsterweg:

Gezicht vanaf de Tichelwerkbrug:

Bij Leegkerk:

Bij Leegkerk:

In het oosten trekt het dicht:


Botanische correspondentie

Op zoek naar een bepaalde illustratie, belandde ik in een bultje botanische correspondentie uit het Fin de Siècle. Het bevatte vooral offertes van bedrijven die wat wilden verkopen aan het instituut van professor Moll.

De man die zijn rozen graag aan de Rozenstraat zag, zat in het Drentse Hoogeveen, waar je rond 1900 wel meer rozenkwekerijen had:


Detail:

Het bedrijf van de fotocamera’s:

Detail – het waren nog zwaarwegende apparaten, die phototoestellen: degelijke houten kistjes met balgen:

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 1018 (archief Botanisch Laboratorium RuG) inv.nr. 5: correspondentie.


Mazelen in Groningen

“Ofschoon wij over het algemeen kunnen zeggen, dat de mazelen hier gewoonlijk niet kwaadaardig zijn en er in evenredigheid van het groot aantal aangetasten zeer weinig plegen te bezwijken, zoo kunnen wij dit toch niet van alle getuigen. Immers in 1816 werd deze ziekte hier door bijkomende typheuse ongesteldheid zoo kwaadaardig, dat van 2000 lijders 140 overleden. In 1821 werd het aantal mazelenlijders of op 3500 of op 4000 geschat en het aantal daaraan overledenen op 150.”

Dat aantal lijders van 1821 op de gehele bevolking betekende dat zo’n 10 % van de mensen aan de ziekte leed. Zo’n 4 à 5 % van de lijders ging eraan onderdoor. De epidemie van vijf aar eerder trof de helft minder lijders, maar was met een sterfte van 7 % van de lijders veel dodelijker.

“1862. Ook nu in het eerste gedeelte van het jaar bleven de mazelen zich vertoonen en wel in een weinig grooter getal. De [geneeskundige] commissie maakte de regering opmerkzaam op de besmettelijkheid dezer ziekte, die niet in het politie reglement als zoodanig was opgenomen, zoodat de kinderen uit huizen, waar mazelen waren, ter school kwamen en aldus de ziekte telkens overbragten, waartegen dan ook nu maatregelen werden voorgeschreven en aangewend.”

Bron: Geschiedkundige aanteekeningen over de epidemiën, welke van het jaar 1806 tot 1866 te Groningen geheerscht hebben… (Groningen 1869) resp. pag. 123 en 36.


Buxusmot nu ook in Hoogkerk

Dit vlindertje had ik nog niet eerder gezien. Het blijkt de buxusmot. Een invasieve soort – een jaar of twaalf kwamen de eerste over uit Korea om zich vol te vreten aan de buxushaagjes, die nu zo in de mode zijn in tuinen.

Volgens een nieuwsbericht van de Vlinderstichting kwam hij vorig jaar ten noorden van de IJssel nog niet zoveel voor. Sporadisch in Overijssel, Drenthe en Friesland, alleen wat meer in Oost-Groningen. Ten westen van de stad Groningen echter nauwelijks. Dat lijkt nu te veranderen.

Het beestje heeft geen natuurlijke vijanden. Men hoopt nu dat kauwen, kraaien en mezen het als voedsel gaan zien. Ik weet niet, buxus is giftig, de rupsen van de vlinder zullen immuun zijn voor dat gif, maar dat geldt toch niet voor de jongen van genoemde vogels die dat gif via de rupsen binnenkrijgen. Als al die jongen doodgaan, overleven op den duur alleen de kauwen, kraaien en mezen die vies van buxusmotten zijn. Hoe zou dat eigenlijk in Korea zijn gegaan?