Een vriendschapsbetuiging van Wigbolt Ripperda, de geuzenheld van Haarlem

Inschrijving van Wigbolt Ripperda in het vriendenboek van Eiso Jarges, Orleans 12 december 1565. Collectie Groninger Archieven 541-6.

En daar zit je dan onverwacht met een stukje vaderlandse geschiedenis voor je snufferd: het familiewapen met een tekstje van Wigbolt Ripperda, de Ommelander verdediger van Haarlem bij het beruchte beleg van 1572-1573.

Wigbolt studeerde in 1563 nog bij Calvijn in Genève. Kennelijk heeft hij twee jaar later ook in Orleans vertoefd, waar hij de jonge Jarges tegenkwam en het tekstje in diens vriendenboek neerpende. In 1566 teruggekeerd in de Ommelanden, was Wigbolt een van de vier gebroeders Ripperda die de Beeldenstorm in de kerk van Winsum organiseerden, waaraan ze zelf trouwens heel dapper meededen . Toen Alva in 1568 een eind maakte aan alle toegeeflijkheid en de Nederlandse Opstand uitbrak, nam Wigbolt de wijk naar Emden en werden al zijn goederen verbeurd verklaard.

In 1572 blijkt dezelfde Wigbolt dan de bevelhebber van de troepen in Haarlem, dat als stad trouw aan de prins gezworen heeft. Een deel van het stadsbestuur is echter wankelmoedig en onderhandelt in het geniep met de Spaansgezinde landsoverheid over capitulatie. Hiertegenover stelt zich Ripperda op, en hij weet zijn soldaten en de gewapende burgers tot een fanatiek verzet aan te sporen. Mede door hem zou het beleg zeven maanden duren en aan duizenden mensen, zowel binnen als buiten de stad, het leven kosten. Aanvankelijk was er nog wel aanvoer van voedsel over het Haarlemmermeer mogelijk, maar toen de watergeuzen op het meer door een Spaanse vloot werden verslagen, kwam het neer op de uithongering van de stad. In juli 1567 gaf Haarlem zich alsnog over. Ripperda werd als een van de eersten uit een kerk vol gevangenen gehaald en onthoofd, gevolgd door een massale onthoofdings-, ophangings-, en verdrinkingspartij. Aan de geuzen gaf men geen kwartier.

Over Wigbolt Ripperda, de held van Haarlem,  is verder maar heel weinig bekend. Aardig is nog dat hij de schakel vormt tussen twee legendarisch sterke vrouwen. Zijn grootmoeder van moederszijde, die hij als jongen zeker nog gekend moet hebben, was Beetke van Raskwert, de rücksichtslose onderneemster van de Nienoord. Aan de andere kant is daar Kenau Simonsdr Hasselaar. Zonder Wigbolts aansporingen zou deze Haarlemse nooit opgestaan en tot een icoon geworden zijn.


40 jaar geschiedenisstudie aan de RuG

Lustrumfilm uit 1976 van het GHD Ubbo Emmius, de studievereniging van het RuG-Instituut voor Geschiedenis, over haar bestaansjaren vanaf 1936, met sprekend in beeld onder andere:

– Edzo Waterbolk, in ’76 hoogleraar nieuwe geschiedenis
– P.J. van Winter, destijds emeritus-hoogleraar
– Marten Buist, docent nieuwste geschiedenis
– Anneke Mulder-Bakker, docent middeleeuwse geschiedenis
– Henk van Os, oud-student
– A.G. Jongkees, hoogleraar middeleeuwen
– Homme Wedman, docent nieuwste geschiedenis
– Bruno Naarden, docent contemporaine geschiedenis
– Jan Pieter Janzen, oud-student
– Ernst Kossmann, hoogleraar nieuwste geschiedenis
– Gé Prince, docent sociaaleconomische geschiedenis
– Jan Scheffers, oud-student
– Siert van Randen, oud-student
– De heer Akkerman, kantinebaas
– Met tussendoor beelden van de studenten Niek Nelissen en Ruud Koole (interviewers), Girbe Buist, Klaas van Berkel en Emil Henssen (toehoorders bij lezing over Couperus) en helemaal aan het eind onder meer Peter Romijn en Peter Stuart (als voetballers in de achtertuin van Heresingel 13).

Onderwerpen die ter sprake komen: het ontstaan van de vereniging GHD Ubbo Emmius, prof. Gosses, de mobilisatie, prof. Van Winter, de houding die studenten in de oorlog tegenover de loyaliteitsverklaring aannamen, de wederopbouw, de sobere excursies naar Oost-Friesland en Bourgondië, de manier waarop Van Winter tentamens afnam, de integratie van een dagopleiding MO geschiedenis, werkcolleges in plaats van hoorcolleges, democratisering, het instituut als “schilderachtige bouwval”, de verhuizing ervan naar de Heresingel in 1968, herprogrammering van het curriculum en de komst van sociaaleconomische, contemporaine en theoretische geschiedenis als vakken, de Aktiegroep Aktivering (AA) en de polarisatie (conflictmodel x harmoniemodel), het AA-voorstel om de RuG te hernoemen tot Domela Nieuwenhuisuniversiteit.


‘Arbeidersneukavond’. Een bijdrage tot de kennis van plat idioom

Ruim vijf jaar geleden vroeg Mandy, zelf uit Groningen, zich op Twitter af of ‘arbeidersneukavond’ een Gronings woord was. Ze had geen idee. Een echt antwoord kwam er ook niet op haar vraag. Maar nu deze dan eindelijk in mijn blikveld is verschenen, wil ik er nu alsnog wel even naar mijn beste weten op antwoorden.

Ook vijf jaar geleden voelde het woord al ouderwets aan. In de door Mandy geïnitieerde discussies erover op Twitter, werd er wat lacherig en met ongeloof op gereageerd: dat zo’n woord überhaupt bestond zeg!

Om op de vraag terug te komen: Ja, het woord is Gronings, al zal je het in geen enkele krant terugvinden. Het ontstond begin jaren 70 in de Groningse Peperstraat met de roemruchte Europacupwedstrijden van Ajax. Dan was het altijd beredruk en vrolijk in de Peperstraat – dat toen als uitgaansgebied vrij nieuw was – en waren de kroegen dankzij de genadevolle bedeling door het bevoegd gezag ook een uur langer open.

In de Peperstraat kwam hip jong volk, twintigers, hooguit begin dertigers: studenten, muzikanten, kunstenaars en bohemiens. Daarentegen gingen ‘arbeiders’, boeren, vissers en matrozen (om er een mooie proletarische trits van te maken) nog uit in de Gelkingestraat. De term was dus deels ironisch bedoeld. Er zat als het ware in verdisconteerd dat het ene publiek het andere wel een verzetje gunde.


Harm Tiesing en de Drentse bijenhouderij

Winterwerk voor een imker, in dit geval pander Huiskes van Havelte (1967): het vlechten van bijenkorven van stro, gebonden met ‘spleuten’, d.w.z. gesplitse braamstengels

Waar Harm Tiesing het in zijn geschriften heeft over de jaarcyclus van de bijenhouderij in Drenthe, kan hij uiteraard niet heen om het gesleep met de nijvere beestjes tussen die provincie en Groningerland. Volgens Tiesing maakte die transhumance (mijn term) de imker tot een Bereisde Roel van het dorp:

Als het weer wat mooi was, werden de korven naar de Groninger kleistreken gebracht, waar toen (ca. 1860-1890, HP) de koolzaadteelt van groot belang was. Daardoor was een bijenhouder anderen altijd veel vooruit. Hij kwam in Groningen en woonde in Drenthe, zoodat hij veel meer van verschillend landbouwbedrijf, van den omgang met menschen in andere streken, van verkeersmiddelen enz. afwist dan andere oude, conservatieve Drenthenaren, die hier geboren werden, leefden en stierven.”

Omdat mijn grootvader, afkomstig uit uit het Groninger Finsterwolde, vanaf 1923 in het Drentse Uffelte en Havelte woonde en zijn bijen jarenlang precies zo naar zijn geboortestreek bracht, is het verleidelijk het citaat op hem van toepassing te verklaren, ware het niet dat ik nauwelijks weet hoe hij met de mensen omging, en hoe ze tegen hem aankeken. Tiesing vervolgt:

Behalve op het koolzaad in Groningen dreef de bijenhouderij nog op de veenboekweitcultuur. Als de zomer te nat en te koud was voor een goed bijengewin en de bijen met een kleinen honigvoorraad van de kleistreken terugkwamen, kon de bloeiende boekweit het nog goedmaken.

Bij mijn weten had mijn grootvader nooit boekweithoning. Volgens Tiesing werden koolzaad en boekweit later door een andere drachtplant vervangen, waarover zo dadelijk  meer. Aardig is dat hij niet alleen de structuur, maar ook de conjunctuur van de Drentse imkerij kort schetst. In de Franse Tijd beleefde die hoogtijdagen en kwamen bepaalde bijkersfamilies financieel “op de kluiten”. Medio negentiende eeuw was de bijenteelt nog steeds van belang in Drenthe, en redde ze zelfs boerenbedrijven tijdens een agrarische crisis. Na 1890 echter, kwam er de klad in. Zowel de grote imkerij als de kleine bijenhouderij ging “sterk achteruit”, bij voortduring ook nog in de eerste decennia van de twintigste eeuw. Volgens Tiesing kwam dat primair door een achteruitgang van zowel de Groninger koolzaadteelt als de Drentse veenboekweittteelt:

Wel brachten de groote bijenhouders in deze eeuw hun korven nog naar Groningen, maar tegen den bloeitijd van de witte klaver.

Mijn grootvader had naast koolzaadhoning inderdaad ook wel klaverhoning, terwijl de desbetreffende drachtplant volgens mij niet of nauwelijks grootschalig in Drenthe geteeld werd.

Over de toekomst van de imkerij in Drenthe was Tiesing uiteindelijk pessimistisch. Bij betere resultaten zou ze als liefhebberij wel weer kunnen opleven. Alleen hadden de boeren het inmiddels veel te druk gekregen voor “een zoo wisselvallig bedrijf”.

Bron: C.H. Edelman (red.), De geschriften van Harm Tiesing over de landbouw en het volksleven van Oostelijk Drenthe (Assen 1943) 224-226.


Gezegend zijn de omkijkers

Collectie Groninger Archieven.

Slechts een kleine minderheid van de kindertjes vond de fotograaf achterin de klas interessanter dan de Goedheiligman. Volkomen ten onrechte natuurlijk, dat het er maar zo weinig waren. Eenmaal volwassen zijn we immers verreweg de meeste van onze sinterklaascadeautjes vergeten, maar koesteren we nog de foto’s van het gebeuren destijds. Gezegend zijn dan de kinderen, die naar de fotograaf hebben omgekeken!


De Pilemelles of Pijlmels

Naamsvariant Aantal meldingen AG Periode meldingen Plaats
Pilemelli 1 1707 Oudeschans
Pilemelle 15 1708-1730 Oudeschans
Pillemel 1 1712 Bellingwolde
Pillemelle 1 1722 Oudeschans
Pijlmelle 1 1734 Bellingwolde
Pijlmel 1 1736 Oudeschans
Pijlmell 1 1744 Groningen
Pijlmel (vv 1) 21 1753-1825 Groningen
Pilemelle (vv 1) 4 1758-1777 Groningen
Pijlmel (vv 2) 4 1759-1826 Veendam
Pijlmels 5 1783-1812 Groningen
Pilemel 2 1792-1846 Groningen
Pilmels 1 1807 Groningen
Pielmel 1 1810 Groningen
Pilenel 1 1847 Groningen
Totaal 60

Mijn onderzoekje naar de nooit gerealiseerde Groninger maliebaan vloeide voort uit een fascinatie voor een curieuze familienaam, die ik al wel vaker was tegengekomen. De varianten van die naam heb ik vanuit Alle Groningers hierboven in schema gebracht op volgorde van hun verschijning en daarna op plaats. De naam duikt in 1707 als Pilemelli op in Oudeschans, maar gezien de Nederlandse voornamen gaat het waarschijnlijk niet om een Itaiaanse komaf. Een volgend jaar komt ze ook al meermalen voor als Pilemelle, in de eerste helft van de achttiende eeuw tevens de sterk overheersende variant, althans in Stad en Lande, waarbij Oude- of Bellingwolderschans in het leeuwendeel van de gevallen de woonplaats van de naamdragers is.

Daar en in het naburige Bellingwolde voltrekt zich in de jaren 1730 een verschuiving van Pilemelle naar Pijlmelle en Pijlmel, een variant die de overheersende is tussen 1744 en 1847, als de naamdragers voornamelijk in de stad Groningen wonen.

Qua oorsprong van de naam zijn er twee verklaringen denkbaar:

  • een verbastering van het Franse pêle-mêle, wat staat voor: mengelmoes, allegaartje, warboel;
  • een vernoeming van het maliespel op een vaste baan, dat in het Frans pallemaille heette, wat weer verwees maar het Italiaanse pallamaglio, in het Nederlands ook wel vervormd tot palmalie.

De tweede naamsverklaring lijkt het verst gezocht, maar landelijk bleek de vroegste naamdrager de Haagse militair Bernardus Pijlmel (!), die in 1707 opduikt, dus vlak voordat Jacobus Pilemelli en (diens broers?) Anton, Derck en Jan Pilemelle eind 1707 en begin 1708 vanwege hun belijdenissen ingeschreven worden in het Oudeschansker lidmatenregister. In Den Haag was er destijds nog een grote en fraaie maliebaan. Daar zou de bijnaam aan kunnen zijn ontleend. Dat Haagse soldaten in de vesting Oudeschans terechtkwamen, is evenmin ondenkbaar: de garnizoenen circuleerden over heel het land en zelfs langs de vestingen van de Barrièresteden in de Zuidelijke Nederlanden. Dat de familie- of bijnaam in Oudeschans vrij curieus werd opgeschreven, ligt zelfs voor de hand: maliebanen waren er in Groningerland niet. Naderhand, en dan vooral nadat de familie grotendeels naar de Stad Groningen verhuisde, zal de bijnaam dan weer naar de oorspronkelijke, Haagse spelling ‘gefatsoeneerd’ zijn.

Een en ander roept ook  de vraag op naar de maatschappelijk status van de Pilemelles of Pijlmels. Over die eersten kon ik maar weinig vinden. Jacobus Pilemelli of Pijlmelle werd echter medio 1720 door GS benoemd als chercher – lagere belastingambtenaar – bij de molen van Grijpskerk.

Wat meer is bekend over de latere Pijlmels. Zo was Coenraadt Anthonie Pijlmel vanaf de jaren 1740, 1750 custos of huisbewaarder(-schoolmeester) van de Latijnse school aan de Zwanestraat nz. in de Stad Groningen. Hij bewoonde daar een eigen huis, dat na zijn dood in 1785 werd geveild met enkele hoven in de Appelstraat, waar hij bovendien een tweede huis bezat. Daar in de buurt, aan de noordkant Leliestraat woonde zijn zoon “Monsieur” Anthonie Coenraad Pijlmel, een meester-timmerman, die in 1787 tevens musketier was bij het Groninger exercitiegenootschap Voor Onze Duurste Panden. Later had deze Anthonie een groter huis aan het A-kerkhof zz., maar ging daar failliet.  En dan hebben we nog Jacob Pjjlmel, ook een patriot, die in 1796 door het stadsbestuur werd benoemd tot turfstouwer. In 1806 had hij nog financiële belangen bij Oudeschans. Maar de bekendste Pijlmel zal toch Coenraadts dochter Margaretha of Marchien geweest zijn. Na 1800 trad ze als schoolhouderes te Veendam min of meer in de voetsporen van haar vader, maar als huisbewaarster behoedde ze in haar jonge jaren eens de Oude Boteringestraat voor een regelrechte ramp door kloekmoedig een achteloos weggezette, maar brandende kaars bij een vat buskruit weg te halen. Om deze heldendaad gold ze later ook wel als een “Kenau van een maid”.

Kortom, bij de Groninger Pilemelles en Pijlmels ging het voornamelijk om lagere ambtenaren en kleine middenstand. Waarschijnlijk kwam de familie via een militaire route in Oudeschans terecht. Mogelijk had een Haagse voorzaat de bijnaam opgedaan doordat hij ‘iets had’ met de Haagse maliebaan. Dit echter, staat zeker niet vast.


Ze zouden haar wel krijgen!

Cornelia Bonties de Kerkenraad niet nae behoren gekent hebbende in haar trouwen, schoon sij van de diaconie veele jaaren was onderhouden geweest, soo word dit ter neder gestelt ter onderrigtinge van den Eerw[aarde] Kerkenraed, als sij Cornelia voorn[oemd] haer hulp eens mogt van nooden hebben.

Op 2 september 1731 trouwde Cornelia Bonties, een jongedochter geboren te Oudeschans die daar jarenlang steun van de lokale diaconie had gekregen, met Leendert Leenderts Stousmeier of Stoutemeier, soldaat in de compagnie van de plaatselijke commandeur van Maneil. Cornelia vroeg geen toestemming voor haar huwelijk van de diaconie, hoewel ze daartoe eigenlijk verplicht was. De kerkeraad zon op wraak, maar kon weinig doen. Als Cornelia nog eens bij de diaconie aanklopte, wilden ze het haar wel even laten merken en daarom schreven ze het later die week maar op voor de toekomst.

Waarschijnlijk was dat verspilde moeite, want Leendert en Cornelia verhuisden, na een paar kinderen in Oudeschans te hebben gekregen, eerst naar Sappemeer, waar in 1739 nog een kind van hen gedoopt werd, en vervolgens naar de Kalkwijk onder Hoogezand, waar er tussen 1743 en 1757 opnieuw drie bijkwamen. Uit de 25 jaar tussen het eerste en het laatste kind kan je opmaken dat Cornelia er vrij vroeg bij was en nog minderjarig tijdens haar huwelijk. Ze zal dan als wees of halfwees aan de diaconie gekomen zijn, waarvan ze het bewind met die soldaat ontvluchtte.

Bron: Kerkeraadsnotitie Oudeschans d.d. 7 september 1711, in Toegang 732 (rechterlijk archief Westerwolde) inv.nr. 1074: kerspelprothocol, fol. 51 op scan 101.


De avond valt met tinten


De Groninger maliebaan

Op zaterdag 21 maart 1646 namen Burgemeesteren en Raad van Groningen het besluit  om een “maille baene” of maliebaan aan te laten leggen naar een ontwerp dat ze al klaar hadden liggen. De baan zou moeten lopen aan de binnenkant van de oostelijke stadswal vanaf de Jacobijnerdwinger (uiteind Bloemstraat) tot aan de Steentildwinger (waarschijnlijk uiteind Nieuweweg bij het Damsterdiep, omdat ze anders het Damsterdiep had moeten passeren). De maliebaan werd daarmee zo’n 800 meter lang. Verder zou ze 2 roeden, dus 8,2 meter breed moeten worden, maar er zou ook nog een parallelweg aan de stadskant langs moeten  komen van 1 roe of 4.1 meter breed, en een sloot ter breedte van 8 voeten, dus bijna 2,4 meter. Al met al zou het project daarmee een strook van  zo’n 800 bij 15,7 meter grond gaan innemen. Ook werd besloten dat er een touwslagerij voor moest wijken.

Tegenwoordig ligt de Oostersingel zo’n beetje op het tracé. Die had dus ook Maliebaan kunnen heten, ware het niet dat we verder niets meer vernemen van het hele project. Bijgevolg ging ook de ontwerptekening helaas verloren. En dat terwijl het plan toch vrij ambitieus begon, met een vrij zware commissie onder leiding van burgemeester Julsingh, waarvan niet alleen vier raadsheren, maar ook een rentmeester en de stadsbouwmeester deel uitmaakten. Mogelijk had men de kosten toch wat onderschat: er moesten bijvoorbeeld niet één, maar twee lijnbanen wijken (zowel bij de Jacobijnerdwinger als de Steentilpoort). Wilde men een geheel rechte baan, zoals elders gebruikelijk, dan had de Stad ook heel wat lapjes tuingrond moeten kopen in de oostelijke stadsuitleg.

Waar de voorgenomen maliebaan ongeveer moest komen, met rood afgetekend op de kaart van Haubois (ca. 1640). Collectie Groninger Archieven 1536-1743.

Het maliën of maliespel (pag. 330-332) was ten tijde van het Groninger plan zéér in de mode. Het kwam zoals we meer zaken, uit Frankrijk overwaaien, waar hovelingen zich er in de zestiende eeuw al mee vermaakten. Hier in Nederland verdrong het maliën vooral het kaatsen, waar de deftige lui hun neus voor optrokken. Qua spelregels hield het ’t midden tussen croquet en golf. Met een hamer op een lange steel moest de bal in zo min mogelijk slagen van het ene naar het andere uiteinde van de baan worden geslagen. Bij de finish stond een paal die de deelnemers moesten zien te raken. Later schijnt er een poort te zijn bijgekomen, waar de bal onderdoor moest. Het spel vereiste net als golf dus kracht èn finesse, al moest de bal wel laag worden gehouden. Bij de baan stond vaak dan vaak nog een wijnhuis of herberg, waar de deelnemers hun dorst konden lessen. De waard had tevens het materiaal in bewaring.

Maliebaan op een Italiaanse prent. Collectie Rijksmuseum.

In Nederland waren er maliebanen op ’t Loo bij Apeldoorn, in Arcen (L.), Groenlo (Gld) en naar het schijnt ook in Jorwerd (Fr.), maar de bekendste banen lagen toch in of bij de steden Den Haag, Utrecht, Leiden en Amsterdam. Die van Den Haag, naast het Malieveld, schijnt relatief lang geweest te zijn. Die van Utrecht, in 1637 door de stad aangelegd tot “cieraat deeser Stad”, was uitdrukkelijk bestemd

tot eerlyk vermaak en exercitie van de burgers ende inwoonders van dien, ende der geener, die de Academie alhier frequenteeren

De Utrechtse baan was ruim 800 meter lang, dus ongeveer van de lengte die de Groninger baan ook had moeten krijgen. Er lagen “verscheyden allées ofte wandelpaden” langs met hoge lindebomen die de baan ruim van schaduw voorzagen. De baan zelf was afgeperkt met lage schuttingen, waarop getallen de afstanden aangaven. Aan beide uiteinden stonden palen met het Utrechtse stadswapen De Utrechtse baan gold als dermate fraai, dat toen de Fransen in 1672 Utrecht veroverden, de Zonnekoning haar graag als oorlogsbuit mee wilde nemen naar Versailles, iets wat tot zijn grote spijt onmogelijk bleek.

Was de Utrechtse baan een initiatief van het stadsbestuur aldaar, de Leidse werd ongeveer tegelijkertijd aangelegd door het universiteitsbestuur. De Amsterdamse maliebaan, gelegen in de Diemermeer, was mogelijk particulier. Deze was bijna 700 meter lang – dus wat korter dan de Haagse, Utrechtse en voorgenomen Groningse – en ze had aan weerzijden, net als de Utrechtse, geschoren lindebomen.

De Amsterdamse baan oefende tot medio achttiende eeuw grote aantrekkingskracht uit op de Amsterdamse jeugd. Daarna kwam er de klad in – zoals het spel in heel Holland in vergetelheid raakte – en al voor het revolutiejaar 1795 was deze baan verdwenen. In Utrecht werd het spel toen nog wel wat gedaan, maar het stadsbestuur liet hier in 1811 de schotten en palen weghalen.  Als Groningen überhaupt een maliebaan gekregen had, zou die niet veel langer hebben bestaan.

Adriaen van de Venne, Prins Frederik Hendrik en de Winterkoning op een maliebaan. Collectie British Museum.


Omzet uit dierlijke producten op een Oldambtster boerderij

Er bestond enige behoefte aan informatie over boerenboekhoudingen, dus haalde ik mijn notities dienaangaande uit de jaren tachtig tevoorschijn en trof een bult cijfertjes aan die ik nooit gebruikt heb. Die van een boerderij op Het Waar onder Nieuwolda bijvoorbeeld, waarop een familie De Groot had gezeten.

De meeste boerenboekhoudingen uit het Oldambt die ik zag, bevatten alleen het “gemaak”, dat wil zeggen de omzet van granen (gerst, tarwe, haver), zaden (kool-, raap-, aweel- en mosterdzaad) en peulvruchten (erwten en bonen). De omzet uit dierlijke producten, boter maar ook ossen bijvoorbeeld en opgefokte paarden, was vergeleken daarbij vaak niet noemenswaard. Jacob Jans en Jan Jacobs de Groot daarentegen, noteerden in de periode 1790-1859 zulke inkomsten wel  en ik bleek ooit eens te hebben uitgerekend welk percentage die van de gehele bedrijfsomzet uitmaakten. Die percentages staan in bovenstaande grafiek per jaar in blauw, met in rood de voortschrijdende zevenjarige gemiddelden om door de al te grote fluctuaties de ontwikkelingen op termijn beter te kunnen zien.

Tot zo 1805 zorgden de dierlijke producten voor ruim een vijfde van de omzet.  Dat halveerde gaandeweg naar 10 % tussen 1805 en 1820. In die periode waren de graanprijzen bijzonder hoog: mogelijk is daarom grasland gescheurd voor bouwland, wat ook kon door de toepassing van watermolens die het land droger hielden. Rond 1820 kelderden de graanprijzen echter door goedkope import uit Rusland die een agrarische crisis teweegbracht, waar met name boeren aan onderdoor gingen die net flink hadden geïnvesteerd in een nieuwe, peperdure boerderij. Op Het Waar steeg het aandeel veeteelt in de omzet nu weer trendmatig, zij het met ups en downs, tot in de jaren 1850, zonder dat ooit het niveau aan het begin van de eeuw werd  geëvenaard:. In de jaren vijftig of eerste ‘champagnejaren’ gingen de graanprijzen opnieuw omhoog, en nam het aandeel van dierlijke producten in de omzet weer af.


Johann Willebrand in Groningen (1757)

Deze reiziger kwam bij Nieuweschans ons land binnen en zag daar voor het eerst van zijn leven en tot zijn “aangename verwondering” jaag- of trekschuiten. Hij stuurde zijn koets terug en besloot meteen met  zo’n schuit verder te gaan. Over het stuk tussen Nieuweschans en Groningen had hij weinig te vertellen, maar de volgende etappe van zijn reis, die hem van Winschoten naar Groningen bracht, waardeerde hij des te meer:

De vaart van Winschoten tot aan Groningen is, wegens de menigvuldige prachtige tuinen, dorpen en landwegen, betooverend. Men passeert er door meer dan dertig Chinesche ophaalbruggen.

Wat voor hem Chinese bruggen waren, zullen voor ons de gewone bruggen geweest zijn. Eenmaal in Groningen bezocht hij de gebruikelijke bezienswaardigheden: de Martinikerk – “met een der beste torens en klokkenspelen van Holland”, het Prinsenhof, het Provinciehuis, het Academiegebouw, de Hortus, het Kruithuis en de “veelbeduidende” Helperlinie. Alles beviel hem even goed in deze “groote en heerlijke stad” die de “de schoonste pleinen en wandelplaatsen” herbergde. Hij gaf bij elke bezienswaardigheid “naar eene vastgestelde orde” twee dubbeltjes fooi aan zijn gids of rondleider.  ’s Avonds zag hij op de Grote Markt een compagnie van de burgerwacht optrekken, en voor de Hoofdwacht een drievoudig geweersalvo geven. Navolgenswaardig vond hij het gebed om wijsheid, dat hij gedrukt en op een bord geplakt aantrof in de raadszaal van het stadhuis. Hij kreeg te horen dat een stadssecretaris het aan het begin van iedere vergadering hardop voorlas.

Hij maakte hier in Groningen ook de 28ste augustus mee:

Ik heb het jaarlijksche feest (van het opbreken der belegering door den gemelden Bisschop) bijgewoond, en vind niets kluchtiger; en, daar er hier anders eene goede politie is, begrijp ik niet, hoe men het werpen van voetzoekers onverschillig kan aanzien. De teugelloosheid van het gepeupel bleek intusschen daaruit, dat men de op het St. Maartens Kerkhof aan den toren paraderende bezetting, ik geloof met warm water, besproeide. Dit is toch de hoogste trap van vrijheid en vermetelheid!

Jurist uit Altona
Nee, daar moest deze reiziger niets van hebben. Voluit heette hij Johann Peter Willebrandt, hij stamde uit een Rostockse koopmansfamilie, studeerde rechten in Halle en was (in Deense dienst) nog lid van het Hof van Beroep te Altona, toen hij deze reis in 1757 maakte. Datzelfde jaar werd hij hoofd van de politie in Altona, tot een conflict hem tien jaar later dwong tot een vrijwillig ontslag en verhuizing naar het nabije Hamburg, waar hij zich helemaal aan zijn schrijverij kon wijden. Naast reisbeschrijvingen publiceerde hij onder meer een kroniek over de Hanze en een tractaat over stadsplanning. De in het Nederlands vertaalde passages uit zijn reisbeschrijving van 1758 werden later opgenomen in het Letterkundig magazijn van wetenschap, kunst en smaak voor het jaar 1817 (deel VIII, afleveringen 6 en 7, pagina’s 260-275 en 311-328), Deze zijn inmiddels te vinden in Google Books, waar ik ze aantrof met de zoektermen ‘snikken’ en ‘roeven’. Overigens zette de Nederlandse redacteur er in het Magazijn vraagtekens bij Willebrands betrouwbaarheid:

De schrijver betoonde zich in alles een man van kunde en was zelfs op kleinigheden zeer oplettend, maar evenwel ver van eene in alles juiste en waarachtige opgave van zaken. Hoeveel er ook, sinds hij ons land doortrok, in hetzelve veranderd is, men bemerkt evenwel nog heden ten dage ligtelijk, dat hij geenszins alles zoo beschreef, als het eigenlijk en inderdaad gesteld was, toen hij het bezigtigde.

Of deze kritiek ook voor de Groningse passages geldt, zou ik echter niet durven zeggen. In het algemeen komt de informatie als juist op mij over.

Van Groningen reisde Willebrand naar Friesland, waar hij onder meer Dokkum, Leeuwarden en Franeker bezocht. Vanaf Harlingen stak hij de Zuiderzee over naar Enkhuizen, om alle grote steden in Holland aan te doen en zijn reis te vervolgen via de Zuidelijke Nederlanden, Frankrijk en Engeland. Terug uit Engeland kwam hij opnieuw langs Amsterdam, en via Utrecht en Nijmegen ging hij naar Duitsland terug.

Trekschuiten of snikken
In Nederland reisde Willebrand bij voorkeur met de trekschuit, waarvoor hij zelfs meermalen het Groninger woord ‘snik’ in de mond neemt. De antipathie die later in het stoomtijdperk gangbaar was, staat nog ver van hem – hij vond de trekschuit een “alleraangenaamste” vorm van vervoer:

Men vaart in eene kamer zeer gemakkelijk langs de kanalen, waar men aan weerskanten niets dan akkers, weilanden boschjes, geboomte, tuinen, dorpen, vlekken en steden ziet; en de vracht(prijs) is inmiddels ongemeen gering. Ik wensch U gedurende uw gansche leven zulk eene tevredenheid, als ik op deze reis genoten heb.

Toch kon hij er niet omheen dat de trekschuit ook “veel ongemakkelijks” had. Dat gold vooral de medereizigers in dit openbaar vervoer.

…zij bevat toch doorgaans een vrij groot aantal Janhageldat op menigerlei wijze, althans uit de tabakspijpen, dampt. Naast zich heeft men dan eens een Jood en een oud wijf, dan eens eene vrouw met kleine kinderen welke zij zonder verlof te vragen zuivert. Men loopt zelfs meermalen gevaar van een dronkenen boer zijn ingewand voor zich te zien uitstorten; hetwelk alsdan het aangename genot der landstreek, door welke men henen vaart, reeds zeer matigt. Vooral, bijaldien men zich, om daarvan gezigt te hebben (hetwelk doorgaans het geval is) voor togtwinden moet blootstellen, of als de schuit zoo vol loopt, dat men er bijkans stikt.

Natuurlijk kon een heer als Willebrand het zich best veroorloven om een trekschuit voor zichzelf af te huren (of charteren). Maar dat was hetzelfde

als alleen in een onbewoond huis te zitten, en zou het regte middel zijn om zwaarmoedig te worden.

Daarom was het maar ‘t beste, een plekje in de roef van de gewone trekschuit te nemen en niet in het ruim, al kon dat weer niet in Friesland, want daar hadden de snikken geen roeven. Maar ook in de roef, waar men toch gauwer met standgenoten te maken had, moest men liever niet al te familiair omgaan met reisgenoten. Men diende er een vriend te zijn voor iedereen, maar met niemand al te vertrouwelijk.

Vanaf Groningen per wagen en dus over land naar de Lemmer te rijden, ried Willebrand sowieso af:

Men rijdt alsdan bijkans over louter zand en heide, en moet de reis zoo inrigten, dat men den nacht te Donkerbroek kunne doorbrengen. Daar men intusschen met de snikken over Stroobos , Dokkum en Leeuwarden, naar Sneek en van hier gevoegelijk verder naar de Lemmer varen kan, raad ik niemand die landreis aan.”

Reiskosten
Aardig is dat Willebrand ook de reiskosten bij de verschillende vervoersvormen noemt. Voor het traject Nieuweschans-Groningen-Dokkum kwamen die per snikke neer op:

Snikke als publiek vervoer: Snikke als charter:
Nieuweschans- Winschoten 6 stuivers 65 stuivers
Winschoten – Groningen 14 stuivers 110 stuivers
Groningen – Stroobos 9 stuivers
Stroobos – Dokkum 11 stuivers

Met de snik van Nieuweschans naar Stroobos, dus helemaal van oost naar west in Stad en Lande, kostte al met al 29 stuivers, oftewel ruim een goudgulden, zo’n drie daglonen voor een doorsnee-arbeider. Daarbij kwamen van plaats tot plaats dan nog twee duiten (een kwart stuiver) voor de “voorrijder of het Jagertje”, dat wil zeggen de snikjongen of scheepsjager die met zijn paard de schuit door het kanaal trok. Huurde men voor zichzelf of het eigen reisgezelschap een snik af, dan was dat acht tot tien maal zo duur. Helemaal prijzig was het reizen over land: van Groningen via Donkerbroek naar Lemmer kostte dat 18 gulden (of 360 stuivers). Met een beurtschip van Groningen naar Amsterdam was zelfs nog iets duurder: 22 gulden. Wat dat betreft waarschuwde Willebrand echter voor de loopplanken: die waren in zijn ogen louter begaanbaar voor koorddansers.


Tochtjes in de buurt

Dat grijze weer levert in het algemeen geen aantrekkelijke foto’s op. Maat omdat men in twijfel trekt of ik nog wel buiten kom, voel ik me verplicht er toch een paar te plaatsen.

De bocht van de Gouwe en het Peizerdiep bij Eiteweert, met op de achtergrond het zo goed als afgedankte  dieselgemaal: aan het uiteind van de de Hamersweg:

Dat was er een van vrijdag – de volgende is dat ook – een nieuw insectenhotel bij De Erfgooier, een boerderij bij Den Horn:

Vanmiddag een uur of wat richting Roderwolde en Peize geweest. Waaks in Roderwolde:

Herfstig rommelhoekje:


Rondje Jonkersvaart – Marum – Lucaswolde

Foxwolde 1:

Foxwolde 2:

Tijdelijke voorgevel van dakpannen, Leeksterhoofddiep Leek:

Schuur, Jonkersvaart:

Willemstad bij Marum:

Bruggetje over de Pierswijk in het Malijksepad, Marum:

Dorpsgezicht, Marum:

Vogelkijkhut in de tip tussen het Dwarsdiep en de Lietsweg, Lucaswolde:


Rondje stadsrand

Roderwolderdijk, Hoogkerk::

Kerkweg tussen Oostwolmerdraai en Den Horn – die paaltjes staan er nog niet zo lang, maar een flink aantal staat scheef of is al beschadigd:

Blad in de sloot:

De Westerdijk bij Den Horn:

Boerderij Langweersterweg, Den Horn:

Het seinhuisje verderop staat er nog steeds:

Kop-hals-romp bij de Zuidertocht:

Buizerd in het land:

De brug bij Aduard – mensen hielden keurig anderhalve meter afstand:

Vanaf de weg tussen Wierumerschouw en Adorp:

Boerderij op de Hoge Paddepoel:

Virulystraat, Stad:

Zweedse Haven bij de Bornholmstraat:

Oude Winschoterdiep bij de Gideonweg:

Het populierenbosje bij de Gideonbrug was goeddeels gerooid:

Langmadijk, Peizermade:


Blaarkoppen bij de Langmadijk