Ommetje Ulrum

De kerk van Den Ham:

Tussen Den Ham en Oldehove:

Tussen Houwerzijl en Vliedorp aan de Houwerzijlstervaart, een hoogholtje dat Olweemvonder heet:

Ulrum, gezicht vanaf de Trekweg:

Op het kerkhofje van Snakkeburen in Ulrum – een engeltje op het graf van mevrouw Teenstra. Meneer Teenstra, een radicale verlichtingsman, zou er van gegruwd hebben:

Zuidema’s Klap over het Hunsingokanaal tussen Ulrum en Niekerk:

Deze brug, een rijksmonument dat gesloten is voor gemotoriseerd verkeer, stamt volgens een ornament er bovenop uit 1879:

Wierde bij Niekerk:

Dorpsgezicht Niekerk:

Makelaar met zeepaardjes, aan de Reitdiepskade te Zoutkamp:

De Nicolaas Mulerius, ‘het vlaggeschip van de RUG’, kwam net binnenlopen. Aan dek leden van de studentenzeilvereniging Mayday::

Havenfront Zoutkamp, badend in de lage novemberzon:

Het fietstochtje bleek ongeveer 65 kilometer. Was een tijdje geleden dat ik zo’n rit maakte.

 


Smaad in Ulrum

Jan Bakker uit Ulrum was kuiper van beroep. Hij stoorde zich aan de praatjes die de brood- koek- en banketbakker Jan Jacob Iwema Hzn. over hem vertelde, want die kostten hem klanten. Om wraak te nemen stuurde de kuiper op zijn beurt een lelijke brief over Iwema naar het roemruchte roddelblad De Vlinder in Groningen. Uitgever Fink plaatste het schrijven graag, en dikte de inhoud nog wat aan in het nummer dat op 13 februari 1886 verscheen:

“Te rum-Ul woont een brood- koek- en banketbakker met name Jan Iw1m1 Hz. Hij is trotsch en verwaand.”

Bakker Iwema vond dat niet leuk om te lezen. Hij diende een aanklacht in:

“Ik heb geen honig kunnen krijgen omdat er in de Vlinder stond dat ik veel schuld had bij de Amsterdamsche bank. Er had al meer van mij in de Vlinder gestaan, daar moest een eind aan komen. Ik zou ook een klacht hebben gedaan als er niets meer in had gestaan als: Iwema is trotsch en verwaand.”

In de tenlastelegging voor de Groninger Arrondissementsrechtbank staat niets meer over dat schuldenverhaal. Ook hoeft niet briefschrijver Bakker zich te verantwoorden, maar de 57 jaar oude Wilhelmus Henderikus Fink, schoenmaker, drukker en uitgever van het geïllustreerde vliegende blad De Vlinder, geboren te ’s Gravenhage en wonende te Groningen. Maar dat alleen voor de door hem toegevoegde passage dat Iwema “trotsch en verwaand is”. Volgens justitie is dat “boosaardige smaad” en een krenking van Iwema’s eer en goede naam.

De knecht op Finks’ drukkerij getuigde dat hij het nummer in kwestie onder handen had gehad. Finks’ venter of loper, bevestigde dat hij het blad op de gewone wijze verspreidde en rondbracht, “zoals alle zaterdagen”. Het was “algemeen verkocht”.

Vooraf begreep uitgever Fink eigenlijk niet hoe die kwalificaties strafbaar konden zijn. Ter zitting bekende hij dat “rum Ul” voor Ulrum stond en het cijfer 1 voor A. Ook gaf hij toe dat hij de uitdrukking ‘trotsch en verwaand’ aan het epistel van Iwema’s vijand toevoegde, en dat terwijl hij Iwema geeneens kende. Hij had helemaal niet de bedoeling om Iwema te krenken, zei hij.

Het vonnis, uitgesproken op 15 april 1886, acht hem echter verantwoordelijk voor het klakkeloos uitbazuinen van “verkeerde, iemands karakter rakende eigenschappen waarmede het publiek niets te maken heeft” en veroordeelt hem daarom tot 51 gulden boete, subsidiair 14 dagen hechtenis.


Groninger bevolkingsregisters op het web

De Groninger bevolkingsregisters, voor zover aanwezig bij de Groninger Archieven, zijn van de week als scans op Alle Groningers gezet. Je hoeft nu niet meer met microfiches op de studiezaal in de weer te gaan (wat vooral tijd vreet als de indexen bij een gemeente in zijn geheel of voor een periode ontbreken), maar kunt de registers als het ware doorbladeren op je computerscherm, wat aanzienlijk sneller gaat dan met fiches.

Via die bevolkingsregisters kan je precieze woonplaatsen opzoeken, wat vooral van pas komt bij veel verhuizende types. Zelf nam ik de proef op de som met twee van mijn overgrootvaders. Beiden waren ze schoenmaker, maar waar hadden ze dat ambacht geleerd? – bij geen van beiden was me dat bekend.

De jongste, Hindrik Vondeling (1867 Termunten) heet al schoenmaker als hij in 1895 te Zuidhorn trouwt. Tussen Termunten en Zuidhorn ligt nogal wat ruimte, maar waar had hij zijn kennis opgedaan? In het dienstboden- en knechtenregister van Zuidhorn over de jaren 1880 en 1890 staat zijn naam niet – hij moet dus elders schoenmakersgezel zijn geweest. Zijn vrouw Grietje van der Velde staat er trouwens evenmin in. Ze waren dus vlak voor hun huwelijk van elders gekomen. Maar dat was niet haar geboorteplaats Marum, want ook daar ontbreekt ieder spoor in het dienstbodenregister.

Helaas is dat eveneens het geval in Termunten, Hindriks plaats van herkomst. In de algemene bevolkingsregisters (met aparte indexen) over de jaren 1870 en 1880 zien we dat hij dan nog thuis woont, bij zijn ouders Jan Vondeling en Trientje Bottinga. Dat is niet meer het geval in 1890, maar zijn naam blijkt ook afwezig in de Termunter dienstbodenregisters over de jaren 1880 en 1890. In dit geval loopt het spoor voorlopig dus dood, al kunnen we de meest voor de hand liggende mogelijkheden nu wel uitsluiten.

Dan de oudste van beide schoenmakers: Geert Perton (Finsterwolde 1864). In 1880 woont hij nog in bij zijn ouders Elzo Perton en Geeske Boog op het adres D 74 (later omgenummerd tot D 89) in Finsterwolde en heeft dus anders dan andere landarbeidersjongens (zoals zijn oudere broers) geen kost- en werkbaas waar hij bij inwoonde en werkte. Wellicht deed hij nog los werk. Op 1 augustus 1881 vertrok hij volgens het Finsterwolmer bevolkingsregister naar de naastgelegen gemeente Beerta, waar hij afgaand op het Beertster bevolkingsregister inwoonde bij een Adolf Tuin te Drieborg. Dit was inderdaad een schoenmaker. Sterker nog: het ging on de oom van Geert latere vrouw Antje Tuin! Behalve zijn ambacht, zal Geert hier dus kennis hebben gekregen aan zijn vrouw. Desondanks, of misschien wel juist om die reden, vertrok hij na nog geen jaar alweer naar een andere schoenmakerij, die van de gebroeders Roelf en Thomas Elles Jonker op het adres C 75 in Finsterwolde. Toen hij hier een jaar of drie had gewoond en gewerkt, werd hij remplaçant en vervulde hij de militaire dienst voor een boerenzoon uit Ulrum. Op 26 mei 1888 was hij afgezwaaid en vestigde hij zich als dienstbode bij de winkeliersfamilie Boneschans op de Ekamp bij Oostwold, terwijl hij een jaar later, inmiddels volwas schoenmaker zijnde, in het gemeentehuis van Finsterwolde trouwde en zich met zijn vrouw Antje Tuin vestigde in de dorpskom van Oostwold. Hier werden mijn grootvader en diens oudste zuster geboren. Maar het gezin heeft er maar vier jaar gewoond, want eind maart – begin april 1893 betrok het de nieuw gebouwde schoenmakerswoning aan de Klinkerweg in Finsterwolde.

In het ene geval zijn via de bevolkingsregisters iemands gangen dus op de voet na te gaan, terwijl dat in het andere niet zo goed mogelijk blijkt. Dat ligt vooral aan de kwaliteit van de registratie. Bovendien blijken de systematiek en periodisering van de bevolkingsregisters van gemeente tot gemeente ook nogal eens te verschillen: hier hebben de dienstbodenregisters bijvoorbeeld een alfabetische opzet, terwijl dat elders een chronologische is. Het is in principe dus een mooie bron, maar lang niet in alle gevallen even rijk. Bovendien zouden door een koppeling met het kadaster de letter-nummeradressen eens wat inzichtelijker gemaakt moeten worden. Misschien een aardig karwei voor historische verenigingen, die zo tegelijkertijd een mooi inzicht kunnen krijgen in de woningvoorraad en bevolkingsontwikkeling van hun dorpen, vooral wat betreft de negentiende eeuw.


“Dag Harry, dit is jouw dag”

Ik fiets door Hornhuizen naar het westen en ontwaar op de kop van de weg een groot bord met mijn naam erop en eronder de wens “Forever!”. Laat me zeggen dat ik niet ongevoelig ben voor een dergelijke boodschap.

Het bord stond opgesteld naast Wongema, de plaatselijke herberg, die nogal aan de weg timmert. Voor de toegangsdeur bevond zich nog een tweede bord: “Dag Harry, dit is jouw dag”.

Vreemd, dat ze mij hier niet eerder hiervan op de hoogte hadden gesteld. Zouden ze, zo vroeg ik mij af, hier gratis maaltijden verstrekken aan de Club van Harries, waarvan ik een toekomstig erelid ben?

Eerst maar even in de kerk gaan kijken, besloot ik. Maar daar trof ik bij de deur een minder leuk bericht aan: de kerk was wegens een begrafenis dicht voor monumentendagjesmensen. Nu kreeg ik ook door waarom er zoveel auto’s rondom het kerkhof geparkeerd stonden. Er bevond zich zelfs een plat wagentje voor het kerkpad – daarop was de kist gebracht, realiseerde ik me. Door de kier van de deur hoorde ik een populaire melodie zingen, blijkbaar was de uitvaartdienst net volop aan de gang.


Dan maar meteen naar de kroeg. Vrolijk vanwege het warme welkom stapte ik binnen: Houden jullie een reünie van de vereniging voor Harry’s? De man achter de toog nam me op en legde me wat korzelig uit dat dit ter ere was van de man wiens uitvaart schuin er tegenover net aan de gang was, namelijk Harry. Het ging om een in Hornhuizen bekende en populaire dorpsfiguur, begreep ik en de man achter de toog verwachtte na de begrafenis grote drukte in zijn zaak. Als ik een kop koffie wilde, kon ik die nog wel krijgen, maar een tosti zat er niet in. Ik bedankte voor het aanbod, mompelde dat ik het begreep en taaide af.

Buiten stapte ik op mijn fiets en nam nog een fotootje van Wongema. Bij de kerk stond nog steeds het lege platte wagentje te wachten op zijn vracht: de Hornhuister Harry. Een man met een boerenpet knetterde op een ouderwetse buikschuiver voorbij. Even later zag hem langs de weg naar Ulrum praten met de chauffeur van een vrachtwagen vol stro.

Achteraf verbaas ik me over de aard van het rouwbetoon bij Wongema. Gelukkig was het mijn dag nog niet.


Van Baflo naar Leens op Open Monumentendag

Beslag op kerkdeur in Baflo:

Tamelijk licht daar in de kerk:

Het wapen van Bouwe Coenders op een grafkistplaat, met dansende bokken:

Het effect van gekleurd glas op een witte raamomlijsting:

Bovenkant armblok of -paal:

Landschap even buiten Raskwerd – hier en daar rook het gewoon naar uien:

Middeleeuwse plafondschildering van duellerende ruiters, waarschijnlijk kampvechters in een strijd van goed en kwaad, in Den Andel:

Het wapen op het graf van de predikant Henricus Hulzebusch. Hij kwam uit Winschoten,  maar de Hulzebusch (of Hulzebos) was in de zeventiende eeuw een grote herberg in de stad Groningen op de hoek van het Kattendiep en het Schuitendiep. Daar zou de familie oorspronkelijk wel eens vandaan kunnen komen. Klopt dit vermoeden, dan had de herberg in Stad wellicht eenzelfde wapen op het uithangbord staan:

Tussen Den Andel en Saaxumhuizen:

Weer een peerdje erbij in mijn verzameling:

Gezicht op Saaxumhuizen:

In de kerk daar een boekenmarkt:

Vaas toont apostelen:

Hiddingezijl, daar was ik nog nooit geweest, had er zelfs niet eens van gehoord:

Vervallen schuur in Westernieland:

Het sobere kerkje daar:

Bloemen op de kansel:

Even buiten Westernieland – strobult in strijklicht:

In Pieterburen liep mijn ketting eraf. Geen fietsenmaker ter plaatse bekend. Daarom doorgelopen naar Kloosterburen en onderweg in Broek bij een zorgboerderij (Keroazie), waar ik een ijsje kocht, opnieuw gevraagd of men er een fietsenmaker wist. De dichtstbijzijnde zat in Winsum. Maar ze bleken er zelf fietsen op te knappen en wilden die ketting er wel voor me opleggen. Betaling bliefden ze niet. Geweldig, want anders had ik mijn broer moeten vragen om me op te halen.

Bij Keroazie hadden er onder meer alpaca’s:

Nog even in de katholieke kerk van Kloosterburen geweest:

Gezicht op Leens:

Herenbank, met ook hier dansende bokken:

Engel met cello op het orgelfront:

Voorheen schand- en geselpaal fungeert nog steeds als grenspaal tussen Leens en Ulrum.


Bijenteelt concentreerde zich op hoogveen en heide

Aantallen korven met bijen per gemeente, 1866. Bron: Gemeenteverslagen, RHC Groninger Archieven 1099-8117 e.v.

Tussen 1866 en 1906 vermeldden de Groninger gemeenten in hun gemeenteverslagen de aantallen bijenkorven van hun eigen inwoners. Voor het eerste jaar heb ik de aantallen in kaart gebracht.

De dertien gemeenten die geen opgave van het aantal inheemse bijenkorven verstrekten, kregen op het kaartje geen bolletje van me. Driekwart van die gemeenten motiveerde het verzuim met de mededeling dat er geen bijenteelt was. Haren, waar je juist wel enige bijenteelt mocht verwachten, deed helemaal geen opgave in 1866, maar schreef in 1867: “Bijenteelt wordt hier niet anders uitgeoefend, dan door eenige liefhebbers in het klein”. Professionele imkers waren er dus niet in Haren.

De gemeenten tot 100 korven voorzag ik van een wit bolletje. Net als de gemeenten zonder opgave van cijfers komen deze het meest voor in het noordelijk Westerkwartier, De Marne, Hunsingo en noordelijk Fivelingo. Afgezien van het Lageland lag dat niet aan een gebrek aan drachtplanten, eerder aan afkeer en angst voor de angel.

Aan de randen van het grote bijenloze en bijenarme gebied zijn gele bolletjes te zien, daar trok de bijenteelt al wat meer. De oranje bolletjes staan voor een middencategorie: gemeenten met 200 à 500 korven. Deze trof je vooral in het Oldambt en noordelijke Westerwolde aan. De subtop, met rode bolletjes die staan voor 500 tot 1000 korven, zat vooral in het zuiden van het Westerkwartier. De gemeenten met de meeste bijenkorven, die de paarse bolletjes kregen, moet je echter zoeken in het zuidoosten van de provincie, in de Veenkoloniën en Westerwolde. Op de rij af vanuit het westen: Veendam (1282 korven), Nieuwe Pekela (942 korven), Vlagtwedde (1860) en Onstwedde (911). De absolute topgemeente qua eigen bijenteelt was echter de grote gemeente Slochteren, met maar liefst 2890 korven. In Slochteren zoemde het, in Slochteren zat de buzz.

Conclusie: waar nog hoogveen met heide was en die heide samen met boekweit in de nazomer de nectar verschafte, had je veel meer eigen bijenteelt dan op de klei met zijn koolzaad en klaver in het voorjaar en de voorzomer. Het beeld, opgeroepen door de Staat van den Landhuishouding, wordt hiermee bevestigd.

Uitheemse bijenvolken telden niet mee. Toch wijdden een stuk of wat gemeenten daar wel woorden aan. Het betrof deze vijf: Baflo, Warffum, Usquert, Uithuizen en Uithuizermeeden, nu een rijtje stationsplaatsen op het Hogeland. Deze vijf hadden allemaal jonge polders langs de Waddenkust met veel koolzaad. Drie van de vijf deden geen opgave van het aantal bijenvolken, omdat er, zoals ze zeiden, helemaal geen bijenteelt was. Uithuizen gaf 59 korven op en Uithuizermeeden slechts 1 (!). Al met al dus nogal karig. Dat werd echter gecompenseerd door Drentse imkers, die in deze gemeenten in het voorjaar hun bijen op het bloeiende koolzaad kwamen zetten. In Warffum en Usquert waren het enkele en in Uithuizen enige; in Uithuizermeeden daarentegen, ging het om vele. Naar het oosten namen de aantallen Drentse korven dus toe.

Overigens blijkt uit de gemeenteverslagen van Oude Pekela en Eenrum dat de bijenteelt er verminderde. De Staat van den Landhuishouding constateerde in 1818 al een achteruitgang voor het kleigebied.

In het overgrote deel van Groningerland vormde het bijenhouden een liefhebberij. Zelfs in een topgemeente als Onstwedde waren er slechts enkele semi-professionele imkers. Mogelijk zat er ook eentje in Appingedam. Echte profs, met 150 korven of meer, zullen er alleen in de paarse gemeenten hebben gezeten, Slochteren voorop.

De gegevens van alle Groninger gemeenten op een rij, naar aantallen korven:

GEMEENTE AANTAL KORVEN BIJEN OPMERKINGEN
Slochteren 2890
Vlagtwedde 1860
Veendam 1282
Nieuwe Pekela 942
Onstwedde 911 “Weinige ingezetenen dezer gemeente zoeken in de bijenteelt een middel van bestaan. Er worden slechts enkele gevonden die bijen vluchten houden, maar doen zulks als een bijkomende zaak.”
Leek 650
Wildervank 627
Marum 570
Scheemda 444
Finsterwolde 334
Midwolda 281
Oude Pekela 260 “Sommige personen houden zich hier nog met de teelt bezig (…), uit hoofde men van hier te veel met de korven moet reizen, eerst naar de klei en om de koolzaad en dan naar Westerwolde om de boekweit.”
Grootegast 230
Wedde 227 “Op de bijenteelt legt men zich hier niet veel toe.”
Zuidbroek 220
Noordbroek 207 “Slechts door eenige personen als bijzaak uitgeoefend, Het getal dier personen bedroeg 11.”
Sappemeer 195
Bierum 193
Meeden 184
Termunten 181
Muntendam 148 Hier alleen liefhebberij.
Bellingwolde 141
Grijpskerk 130 Wordt weinig en enkel uit liefhebberij gedaan.
Nieuwolda 128
Eenrum 122 “De bijenteelt vermindert.”
Oldekerk 120 “Bijen worden hier slechts bij enkele korven uit liefhebberij aangehouden.”
Appingedam 105 Er zijn in deze gemeente slechts twee bijenhouders.
Bedum 86
Aduard 84 De bijenteelt is hier van geringe omvang en bij velen een onbekende zaak
Hoogezand 79 Bijenteelt is hier “in zeer geringe mate”.
Winschoten 79 “De bijenteelt betekent hier weinig”
’t Zandt 76 “De Bijenteelt is van weinig beteekenis.”
Zuidhorn 75 “De bijenteelt wordt alhier meest uit vermaak aangehouden.”
Uithuizen 59 “Wordt hier weinig gedreven. In den regel komen hier eenige bijenhouders uit de provincie Drenthe welke gedurende den bloeitijd van het koolzaad hunne bijenkorven bij sommige landbouwers plaatsen.”
Noorddijk 53 Heeft hier weinig of niet plaats.
Hoogkerk 50 “De bijenteelt is hier van geene beteekenis.”
Ulrum 41 De bijenteelt is in deze gemeente van weinig belang.
Groningen 22
Loppersum 18
Nieuweschans 9
Kantens 7 “Is hier niet van beteekenis.”
Ezinge 6 à 7 “Aan bijenteelt wordt hier weinig gedaan. 6 à 7 stuks korven telt men in deze gemeente, welke aan vier eigenaars toebehooren…”
Stedum 3 “Bijenteelt wordt hier in de gemeente niet gedreven, slechts één persoon houdt drie korven voor zijn genot.”
Uithuizermeeden 1 “De bijenteelt wordt hier zeer weinig gedreven. Daarentegen komen hier vele Drentsche bijenhouders gedurende de bloeitijd van de koolzaad…”
Adorp Hier niet uitgeoefend
Baflo “Bijenteelt heeft in deze gemeente niet plaats, behalve door Drenthenaren die telkens voorjaren hier komen en tegen het najaar de ten deele gevulde korven weder met zich voeren.”
Beerta
Delfzijl Bijenteelt heeft men hier niet.
Kloosterburen Dit jaar geen bijenhouders hier aangetroffen.
Leens Van bijenteelt wordt hier in de loop van dit jaar geen gebruik gemaakt.
Middelstum
Oldehove Bijenteelt is hier niet.
Ten Boer
Usquert “De bijenteelt wordt hier niet uitgeoefend dan door enkele bijenhouders uit Drenthe.”
Warffum “De bijenteelt wordt hier niet uitgeoefend dan door enkele bijenhouders uit Drenthe.”
Winsum “Bijen worden hier niet gehouden.”
Haren Geen opgave 1867: “Bijenteelt wordt hier niet anders uitgeoefend, dan door eenige liefhebbers in het klein.”

 


Hoe Geert Perton soldaat werd

Onlangs werd ik op een middag naar de studiezaal geroepen, want meneer Wortelboer had iets voor me gevonden. Het bleek te gaan om het contract van plaatsvervanging dat mijn overgrootvader in 1886 afsloot.

Over die Geert Perton (1864-1949) heb ik hier al eens verteld dat hij zelf van de militaire dienstplicht vrijgesteld was wegens broederdienst, en dat hij als remplaçant de plaats innam van iemand die ingeloot was maar niet in dienst wilde. Ooit heb ik wel gezocht naar hun contract van plaatsvervanging, maar dat niet kunnen vinden. Je zoekt zoiets ook niet gauw bij een stad-Groninger notaris als de dominante contractpartner uit De Marne en de andere partner uit het Oldambt komt. Maar nu kwam het contract dus toch tevoorschijn, dankzij Wortelboer.

Wortelboer had bij zijn archiefonderzoek al veel van zulke contracten onder ogen gehad – volgens hem was het op zich niet zo héél bijzonder. Inderdaad bleken de bepalingen zo algemeen, dat de stadse notaris kon volstaan met een voorbedrukt formulier, waarop hij de benodigde gegevens handmatig invulde.

Omdat geen van beide contractpartners meerderjarig was, werden zij vertegenwoordigd door afgezanten van de ouderlijke macht. In het geval van Geerts vader was dat de zaakwaarnemer Jacob Wetsema uit Scheemda en wat betreft de boerenzoon Pieter Bouma uit Ulrum ging het om diens voogd, een boer uit Hornhuizen. Bemiddelaar Wetsema, oorspronkelijk uit Winsum, had een zuster in Ulrum wonen – zo was het contact waarschijnlijk ontstaan. Beide partijen kwamen dan overeen dat Geert, in de overeenkomst schoenmaker genoemd, als Pieters plaatsvervanger zou dienen door het vervullen van diens militaire dienstplicht. Hiermee verdiende Geert 350 gulden (anderhalf maal het jaarinkomen van een Oldambtster landarbeider), hem na zijn afzwaaien te voldoen op 1 mei 1889, dus ruim drie jaar na het ingaan van het contract. Opmerkelijk is nog, dat Geert deze overeenkomst tekende als G.E. Perton, terwijl hij officieel alleen als Geert Perton te boek stond. Blijkbaar was de vroegere gewoonte om zich met een patroniem (zoonvadernaam) aan te duiden, in zijn geval nogal hardnekkig.

Geerts astma vormde geen reden om hem medisch af te keuren. Ook vormde zijn strafblad geen beletsel. En dus verving hij de Ulrumer boerenzoon daadwerkelijk, en wel bij het eerste regiment veldartillerie, waarvan de kanonnen natuurlijk nog door paarden werden voortgetrokken. Later zou hij zich zijn Utrechtse diensttijd met genoegen herinneren: “’s Mörgns as deur’n opengong’ng frensd’n peerd’n aal”. In die herinnering manifesteerde zich de landarbeiderszoon, die hij was.

Inderdaad moet Geert zijn remplaçantenvergoeding op 1 mei 1889 hebben ontvangen. Drie weken later trouwde hij immers met Antje Tuin, mijn overgrootmoeder, waarna ze zich vestigden in Oostwold.

Bron:
RHC Groninger Archieven, Toegang 1869 (archief notaris R.A. Quintus, Groningen) inv.nr. 617, akte 1886-115 (22 april 1886).


Woestijnsprinkhanen in Groningerland

Woestijnsprinkhanen, zoals ze in 1748 over Engeland uitzwermden. Gravure in Thomas Pennant, A Tour in Wales (1781).

Woestijnsprinkhanen, zoals ze in 1748 over Engeland uitzwermden. Gravure in Thomas Pennant, A Tour in Wales (1781).

Terwijl een enorme veldmuizenplaag, die vooral in het Oldambt huishield, ogenschijnlijk even verminderde, leek het of zich eind september 1824 een nieuwe “verwoestende geesel” aandiende: er kwamen woestijnsprinkhanen neer, het eerst op de Oostwolder- en Finsterwolderpolder en wat later op de Noordpolder, bij Ulrum en ten zuiden van de stad Groningen. Gelukkig ging het slechts om geringe aantallen; bij Emden, in Oost-Friesland, waren het er wat meer.

In stukken die andere kranten grif overnamen, berichtte de Groninger Courant over de komst van de Gryllus migratorius, zoals Linnaeus het beestje had genoemd. Daarbij ging het blad uitgebreid in op de ‘natuurlijke historie’ van het dier, “om het oordeel van het publiek op ware gevolgtrekkingen te bepalen”. Zo zou de woestijnsprinkhaan in zijn vlucht sterk lijken op het insect, “’t geen wij vileinbijter of glazenmaker (Libella) noemen”, al was de sprinkhaan veel zwaarder en had hij extra springpoten, waarmee hij minstens 9 meter afstand kon overbruggen. Een wijfje droeg wel 150 eieren, die het in ‘t najaar afzette en die in het voorjaar uitkwamen. Na vier verpoppingen begon in juni “hunne hooge vlugt, met den wind heinde en verre voortgezweept”.

Het blad meldde dat de woestijnsprinkhaan slechts in warme nazomers vanuit Libië en Arabië overkwam, en dat hij in 1747 en 1748 “ontzettend veel schade” had aangericht in Silezië, Polen, noordelijk Duitsland, Nederland en Groot-Brittannië. In september 1747 bereikte hij op een zuidoostenwind deze noordelijker gelegen Europese contreien via Walachije, Moldavië, Zevenbergen en Hongarije. Aanvankelijk schonk men er weinig aandacht aan, tot de afgezette eieren in april 1748 uitkwamen en in juni het zwermen begon.

“zoodat in het midden van die maand de verwoesting, door hen aangerigt in het gras en opgeschoten graan , alom de aandacht der regeringen tot zich trok, doch niet meer konde worden gestuit, en zij in augustus en september zich heinde en ver verbreidden.”

Hieruit moest de les getrokken worden dat een vroegtijdige bestrijding veel ellende kon voorkomen. Al kon een strenge winter ook handig zijn – die van 1748 op 1749 maakte een eind aan de woestijnsprinkhanenplaag.

Overigens bracht de krant graag een onderscheid aan met een inheemse sprinkhaan, die zich in Drenthe en Westerwolde blijkbaar wel eens tot een plaag ontwikkeld had: de locusta Germanica.

Bron:

Groninger Courant van 28 september en 12 oktober 1824.

 


Slachtoffers van de Maartens- en de Kerstvloed

Plaats

Maartensvloed   (1686)

Kerstvloed   (1717)

 

Oldehove

7

Niehove

13

Garnwerd

1

Ulrum

73

Vierhuizen en Zoutkamp

18

41

Hornhuizen

4

117

Leens

182

Nijenklooster

7

Kloosterburen

11

Wehe

25

Zuurdijk

55

Warfhuizen

63

Niekerk

1

73

Vliedorp

7

48

Wierhuizen

40

Pieterburen

70

172

Eenrum

3

126

Westernieland

60

79

Saaxumhuizen

10

30

Den Andel

4

43

Baflo

21

Raskwerd

27

Tinallinge

12

Breede

1

Warffum

22

63

Usquert

41

44

Uithuizen

72

67

Uithuizermeeden

313

208

Oosternieland

4

20

Oldenzijl

5

Zandeweer

10

Eppenhuizen

6

Rottum

5

Kantens

2

Toornwerd

9

Westerwijtwerd

4

Huizinge en Menkeweer

3

Bedum

4

Onderwierum

9

Ter Laan en ‘t Reidland

1

Wetsinge

3

Winsum en Bellingeweer

12

Ranum

8

Maarhuizen

4

Mensingeweer

31

Maarslag

11

‘t Zandt

9

47

Godlinze

53

18

Spijk

104

53

Bierum

61

67

Holwierde

37

20

Uitwierde

9

4

Delfzijl

1

Farmsum

17

4

Oterdum

97

2

Heveskes

11

Termunten

223

Borgsweer

17

Woldendorp

37

Wagenborgen

27

Siddeburen

4

4

Garmerwolde

1

Westeremden

1

2

Garsthuizen

5

Loppersum

5

Wirdum

10

Leermens

15

Oosterwijtwerd

13

Krewerd

1

13

Katmis en Oldenklooster

10

Marssum

2

Losdorp

6

Solwerd

6

8

Nieuwolda

13

Nieuw-Scheemda

4

Oostwold

10

Finsterwolde

8

Eexta

1

 

TOTAAL

1394

2091

De vijf meest getroffen plaatsen waren in 1686 Uithuizermeeden (313), Termunten (223). Spijk (104), Oterdum (97) en Uithuizen (72).

De vijf meest getroffen plaatsen waren in 1717 Uithuizermeeden (208), Leens (182), Pieterburen (172), Eenrum (126) en Hornhuizen (117).

Uithuizermeeden was de gevaarlijkste plek om te wonen. Toch vermoed ik dat Termunten in 1686 relatief nog zwaarder getroffen werd – er kunnen maar weinig bewoners die ramp hebben overleefd. Verder maakte de Maartensvloed vooral slachtoffers in volkrijke plaatsen langs de Eemskust, terwijl de Kerstvloed vooral dergelijke plaatsen langs de kust van De Marne trof.  Relatief weinig slachtoffers vielen er beide keren in het Oldambt.

Bronnen: RHC Groninger Archieven, Toegang 1 (archief Staten) inv.nr. 817 – Slachtofferlijst van de Maartensvloed; en Johannes Adrianus Mobachius, Groningerlands zeer Hooge en Schrikkelyke Watervloed, Ter  Overstrooming van een groote menigte van Menschen, enz. op Kers-tyd den 25 Decemb. 1717 (Groningen 1718), de lijst achterin.


Ho Ho Pierlalo of Het Paterslied

“Men zingt hier, behalve eenige zoogenoemde straatdeuntjes, een zeer oud en bekend lied, onder de benaming van Ho, Ho, Pierlalo, hetwelk op bruiloften onder het dansen eener Ronde gezongen wordt, bestaande hetzelve uit tweeregelige verzen, met herhaling telkens van ho, ho, Pierlalo en ho zie zo.”

Aldus, in 1828,  de schoolmeester van Midwolde (Wk.). En zijn collega van het vijftien kilometer verderop gelegen Haren schrijft hetzelfde jaar, nadat hij de bij lokale huwelijksvieringen “aanhoudend” gevulde en “veeltyds” met smaak geleegde brandewijnskommen ter sprake heeft gebracht:

“Tegen den avond is men reeds uitermate vrolyk, wanneer de jongelingschap in de schuur, zich in eenen ronden kring schaart, en dan onder het zingen van een oud zeer gebrekkig en voor het gehoor vervelend lied (het Paterslied) begint in het ronde te springen enz.”

Dat het Paterslied uit Haren en het Ho, Ho, Pierlalo uit Midwolde op één en dezelfde dansdeun neerkomen, leert een sondering in de Liederenbank, die voor tekst en uitleg verwijst naar Zeden, gewoonten en gebruiken in de provincie Groningen, een werkje van Johannes Onnekes (1885) dat ook in de DBNL te vinden is als artikel. Volgens deze ongelukkige Ulrumer onderwijzerszoon werd “eertijds… op de volksvermakelijkheden” – dus niet alleen op bruiloften – “druk werk gemaakt van den bekenden rondedans ‘Daar ging een patertje langs den kant’”:

“Deze rondedans is zeer oud en was reeds bekend bij onze voorouders van de dertiende eeuw. Een enkelen keer komt hij in deze streken nog voor, gewoonlijk tegen het einde der pret, als de lui tamelijk vroolijk zijn geworden en ook de aanwezige gehuwden en meer bejaarden in den jonkmöln (jonkmolen) komen, d.i. zich als het ware weder jong beginnen te voelen en het gezelschap der vroolijke jongelui zoeken. De wijze, waarop hij wordt uitgevoerd, is ongeveer als volgt: de dansers formeeren een kring om een jonkman en dansen al zingende in het rond, nu eens met de zon om, dan tegen haar in. Men zingt:

1.
Daar ging een patertje langs den kant,
Ho, ho, pierlalo en ho zie zoo!
En nam een nonnetje bij de hand,
Ho ho, pierlalo en ho zie zoo!

Volgens Onnekes verving men de tweede regel ook wel door “het oudere ‘Hei, ’t was in de mei, mei, mei’. Mei, zo herinneren we ons, was (en is) traditioneel dé trouwmaand. Bij de derde regel trok de man in de kring een vrouw uit de hem omringende kring naar zich toe. In de oorspronkelijke opzet knielde hij eerst voor haar, spreidde een zakdoek uit, waarop zij dan tegenover hem moest knielen:

2.
Kom, pater, gij moet knielen gaan,
Ho, ho, pierlalo en ho zie zoo!
En laat je non alleenig staan,
Ho, ho, pierlalo en ho zie zoo!

3.
De pater spreidt de non een kap,
Ho, ho, pierlalo en ho zie zoo!
Alwaar de heilge non op stap,
Ho, ho, pierlalo en ho zie zoo!

4.
Kom, pater, geeft uw non een zoen,
Ho, ho, pierlalo en ho zie zoo!
Dat moog je nog wel driemaal doen,
Driemaal, driemaal, driemaal, doen,
Ho, ho, pierlalo en ho zie zoo!

5.
Kom, pater, beur je non weêr op,
Ho, ho, pierlalo en ho zie zoo!
En dans nu met uw kermispop,
Ho, ho, pierlalo en ho zie zoo!

Bij deze regel stonden man en vrouw op, zoenden elkaar nog eens en walsten naar den kring. Vervolgens nam de man weer zijn plek in de kring in en ging daarmee weer in de ronde dansen:

6.
Kom, pater, gij moet scheiden gaan,
Ho, ho, pierlalo en ho zie zoo!
En ’t nonnetje moet blijven staan,
Ho, ho, pierlalo en ho zie zoo!

Het volgende couplet werd volgens Onnekes vaak weggelaten:

7.
Maar hij (of zij) kan zoo niet scheiden gaan,
Ho, ho, pierlalo en ho zie zoo!
En zonder zoen hem (of haar) laten staan,
Ho, ho, pierlalo en ho zie zoo!

De vrouw, alleen overgebleven in het midden van de kring, moest nu een andere man uit de kring rondom haar kiezen.

8.
Nonnetje, gij moet kiezen gaan,
Ho, ho, pierlalo en ho zie zoo!
En nemen een ander pater aan,
Ho, ho, pierlalo en ho zie zoo!

9.
Kom, geef je pater nu een zoen,
Ho, ho, pierlalo en ho zie zoo!
Dat moog je nog wel driemaal doen,
Driemaal, driemaal, driemaal doen,
Ho, ho, pierlalo en ho zie zoo!

Nadat ’t zoenen was afgewikkeld, schrijft Onnekes,

“vangen de rondedansers op nieuw aan te zingen, in den regel nu niet bij het eerste, maar bij het vierde couplet. Bij den voortgang van het dansspel is het beurtelings een pater of een non, die in den kring staat en hierna worden ook de betrekkelijke versregels veranderd. Is er een non in den kring, zoo zingt men b.v. couplet 5: Kom, beur je pater nu weèr op, e.z.v.”

Het komt wel een beetje raar voor dat in nagenoeg totaal gecalviniseerde streken nog medio negentiende eeuw op deze manier gezongen werd over paters en nonnen. Bovendien waren die in contreien waar ze nog wèl rondliepen, sinds het Concilie van Trente toch serieus aan geloften van kuisheid gebonden. Het danslied zal dan vast niet zo oud geweest zijn als Onnekes veronderstelde, maar het zou toch best om een antiklerikaal relict kunnen gaan uit de vijftiende of zestiende eeuw. Hoe dit ook zij, het met meer of minder enthousiasme zoenen gaf de omstanders natuurlijk een mooie indruk van de al dan niet bestaande sympathie bij vooral de uit de kring getrokken danspartner, en uit dat inzicht zal dan wel een flink deel van de lol hebben bestaan.

In elk geval luidde deze rondedans het einde van het feest in – vanuit de dans ging men huiswaarts. Thineus, de uit de stad Groningen afkomstige predikant Tonnis van Duinen, koppelt in zijn werkje Ons Dorp (1846) de dans eveneens aan het laatste stadium van de bruiloft, als de vele brandewijn met rozijnen haar uitwerking niet had gemist en de een na de ander huppelend naar de schuur vertrok:

“Ze hebben een speelman weten magtig te worden en de leemen vloer dreunt onder de zolen der dansenden. Dan weer vormen zij  een ronden kring en de speelman dreunt het oude: Ho, ho pierlalo! lustig op. ’t Is een mooi liedje, vooral om het:

                           De pater gaf de non een zoen,

dat er telkens in voorkomt, en tot eene heerlijke scène aanleiding geeft, die treffelijk wordt uitgevoerd…”

In Friesland was de dans evenmin onbekend. zoals blijkt uit het bekende werk van Waling Dijkstra (1892 e.v.j.). In 1913 noemde T. (de Ommelander Jacob Tilbusscher?) Ho Ho Pierlalo nog eens in het Nieuwsblad van het Noorden, en merkte op dat hij deze en andere deuntjes “niet veel meer” hoorde:

“Toch jammer, dat ze in ’t vergeetboek raken.”

Wel was de dans hier en daar nog in zwang, getuige de melding in 1967 door de dan 62–jarige Jan Nijenbanning uit Gees in Drenthe. Volgens deze boer werd hij daar in zijn jonge jaren, dus rond de Eerste Wereldoorlog, nog op allerlei feesten gedanst: “Als de jeugd echt uitgelaten was”, ging ze er spontaan toe over. Ook Oldenbanning releveert het partner kiezen en het zoenen, maar het refrein is bij hem ’t ‘Het was in de mei, het was in de mei’, dat door Onnekes nog voor de oudere versie werd gehouden.  Een “mooie kant” aan deze dans vond Oldenbanning het emancipatoire aspect, namelijk “dat een meisje stappen kon ondernemen naar de jongen die ze wou”, iets wat normaal niet ging.

Helaas noteerden de oudere auteurs geen melodie en lijkt die corrupt overgeleverd bij Oldenbanning. Maar in de onvolprezen Liederenbank vinden we ook plausibele versies, zoals in een opname van Maria van Douwen Kuipers-van Meekeren, die de dans kende uit haar jeugd in het Hindeloopen van vlak voor de Eerste Wereldoorlog.

Hield zij het voor een pinksterdans, voor de fabrieksarbeider Hermanus Oldenheuvel (geb. 1891) uit Losser, die het lied in 1959 voor de microfoon van Onder de Groene Linde inzong, was het weer typisch een bruiloftslied.

Tot slot nog een mooie gedragen versie, in 1953 opgenomen bij de toen 53-jarige Pietertje Langereis-Kistemaker uit het Westfriese Sijbekarspel.


Hommelstommel en nachtmerrie

Anders dan ik meende, bleek de hommelstommel wel degelijk inheems in Groningerland. Ook de radicaal-verlichte Marten Douwes Teenstra schreef namelijk over dit paardmens als incarnatie van de duivel, al kwam die volgens hem qua uiterlijk niet met een omgekeerde, maar met een normale centaur overeen:

“Dit groote Phinxachtig gewrocht der verbeelding noemt men in het Oldambt, alwaar het ook spookt, hommelstommel en in het Westerkwartier hompelstompel. Men ziet dit wangewrogt hier en daar ook als een paard zonder kop, zoals er onder andere nog een bij Oldersum loopt, gaande steeds van het zuiden naar het noorden.”

Overigens jammer dat Teenstra zich in zijn boek niet beperkte tot Groningerland, de Marne, of nog beter: zijn woonplaats Ulrum. Hij heeft er van alles en nog wat uit de wijde wereld bijgesleept, en zo werd dat boek een omgevallen kaartenbak. Bovendien was Teenstra een ongedisciplineerd schrijver, die veel te veel zijpaden bewandelde. Zijn vooropgezette meningen over bijgeloof en cocksianen stonden een fundamenteler begrip in de weg.  Toch zitten er prachtige krenten in de pap, en de gedeelten over Ulrum e.o. zouden samen met allerlei bronnenmateriaal over de Afscheiding een mooie historisch-antropologische studie van dit stuk Groningerland in het decennium 1830-1840 op kunnen leveren.

Om terug te komen op de hommelstommel, een collega van dit plaagbeest was de nachtmerrie. Want onder nachtmerrie werd niet alleen de angstdroom verstaan, maar ook een paard-, aap-, of mensachtig wezen dat je op onheuse wijze in je slaap bezocht. Tegen de menselijke variant bestond echter een weermiddel, aldus Teenstra:

“Om te ontdekken of iemand al of geen Nachtmerrie was, namen de waarzeggers met zekere meelspijzen, vooral pannekoeken, de proef, welke proefneming alphimantie genoemd wordt. Een Jan in den zak (ketelkoek of meelpuil) konde in het bijzijn van een nachtmerrie van binnen niet gaar worden, dit was ook het geval met tulband en pofferd. En waar pan, trom, zak noch pot alsdan niet wilden laden – dat is dat het gebak niet in deszelfs geheel wilde loslaten – moest ongetwijfeld eene nachtmerrie in huis zijn.”

De opsomming van meelspijzen doet mij sterk denken aan de namen van de drie herbergen bij het Hoendiep op de grens van Hoogkerk en het Vredewold. Mogelijk speelde hier ook een nachtmerie parten, toen dominee Potter er iets kwam nuttigen.

Bron: Marten Douwes Teenstra, Volksverhalen en legenden van vroegere en latere dagen  (Groningen 1840) met name de pagina’s  26, 27 en 80-82.


Groninger ijsgekte

Over ijsgekte gesproken, in Groningen kon men er ook wat van:

“ULRUM, 24 december. In deze streken bestaat nog altijd het gebruik, dat hij, die het eerst over ijs op schaatsen een herberg bezoekt, getrakteerd wordt op een “halfoort” jenever, soms met een metworst bovendien. Dientengevolge waagt menigeen zich zeer vroeg over ’t ijs en krijgt niet zelden, in plaats van ’t “halfoort” een duchtig nat pak, zoo niet erger.

Gisteren beproefde schipper D. van een kastelein den gebruikelijken prijs te behalen. Bijna had hij het doel bereikt, toen hij door het brosse ijs zakte. Zonder hulp ware hij gewis verdronken. Gelukkig werd zijn geroep om hulp gehoord en hij gered. Zijn lust naar ’t zoo moeijelijk te winnen “halfoort” zal door ’t koude bad wel aanmerkelijk zijn afgekoeld.”

Bron: Groninger Courant 28 december 1870


Scheuvelderij

Tussen mijn mede-redacteur en mij was er enige discussie over de vraag in hoeverre het woord scheuvel (voor schaats) wel typisch Gronings (of Nedersaksich) was. Dit naar aanleiding van een lijstje met Winschoter woorden uit 1808, waarop de term voorkwam. Mijn collega betwijfelde of het wel typisch streektaal was, want ‘honderd jaar geleden was scheuvel ook gewoon Nederlands’.

Ik kijk in zo’n geval altijd even in de moeder aller woordenboeken, het WNT. En dat zegt in een uit 1923 daterende woordverklaring dat dat term scheuvel indertijd gangbaar was in Groningen, Drenthe en Overijssel.

Bij mededeling van deze quick reference, meldde mijn collega dat zijn uit Almelo afkomstige grootmoeder het woord altijd gebruikte:

‘En hoewel ze wel degelijk Twents kon spreken, deed ze dat als meisje uit de nette burgerij nooit. Ze sprak een vrijwel accentloos correct Nederlands.’

Volgens mijn collega zou het ook Nederduits genoemd kunnen worden. Met hetzelfde recht kan je dan wijzen op een verwantschap met het Engels, want scheuvel hangt samen met het oude schoven voor: schuiven. En dat schoven brengt ons dichtbij het Engelse werkwoord to shove voor dezelfde beweging over een oppervlak.

Intussen raakte ik toch nieuwsgierig en ik besloot vanavond eens wat verder te kijken, om aan de weet te komen wat het nou is, dat scheuvelen: Nederlands of streektaal? Een aangewezen website om zoiets uit te vogelen is de Digitale Bibliotheek der Nederlandse Letteren (DBNL), met duizenden historisch-literaire teksten en een karrevracht aan geleerde naslagwerken op het gebied van onze taal.

Welnu, mijn query scheuvel OR scheuvels leverde in de DBNL slechts 28 meldingen op. Zo weinig, dat dit magere resultaat alleen al eerder wijst op een regionaal gebruik van het woord scheuvels, dan op een algemeen-Nederlands gebruik. Bovendien zijn die meldingen dan nog niet eens allemaal bruikbaar , omdat het woord in het Vlaams, bijvoorbeeld bij Stijn Streuvels, een aanduiding is voor gespuis.

Maar leggen we zulke ‘valse” meldingen en de doublures terzijde, dan blijven er toch nog wel wat relevante over. Deze presenteer ik hieronder in een chronologische volgorde, om eventuele verschuivingen te kunnen constateren. Woorden kunnen zich immers verbreiden over een groter taalgebied, maar ook terugtrekken in een bepaalde regio.

1756 Friesland; 1844 Nederland

In 1756 verscheen te Leeuwarden een dichtstuk over de winter door ene Bornius Alvaarsma, dat in 1844 samengevat wordt door Van der Aa:

‘Het vriest dat het knipt, zeggen de Friezen. De schaatsen of scheuvels worden door de liefhebbers opgezocht, en naar de smid gebragt.’

Dit is een latere parafrasering en daarmee is het onzeker of het woord in 1756 werkelijk in de Fries-Nederlandsee context gebruikt werd. De latere weergever kan hierin zijn eigen inbreng gehad hebben. Dan nog valt op dat scheuvels in het citaat op het tweede plan komen. Of de parafraseur van 1844 of de Friezen van 1756 gebruikten het woord als minder frequent alternatief voor schaatsen.

Ca. 1860, Groningen

P.J. Harrebomée geeft in zijn driedelige Spreekwoordenboek der Nederlandsche taal, dat rond 1860 verscheen, twee spreekwoorden met scheuvels. Het eerste:

‘Op scheuvels gaan, staat, in Groningen, tegenover: door dik en dun loopen. Scheuvels zijn schaatsen.’

Het tweede:

‘Hij heeft eene scheuvel aan. [Men zegt dit in Groningen voor een weinig dronken zijn.’

Dat Harrebomée het woord meent te moeten verklaren, geeft al aan dat het geen algemeen Nederlands is, integendeel, het was in zijn compendium Gronings.

1861 Overijssel, Drenthe, Groningen

In een Taalgids-artikel over ‘Overijselsch taaleigen’ schrijft TH Buser anno 1861:

‘Scheuvels voor schaatsen, heb ik te Zwolle wel eens gehoord, doch gewoonlijk zegt men schaatsen en schaatsen loopen voor schaatsrijden; vergelijk op slieren. Scheuvels is echter inheemsch in Groningen en Drenthe, waar men (in Groningen) ook scheuvelen en scheuvelloopen, en in Drenthe (bepaaldelijk te Emmen) scheuveljagen voor schaatsrijden hoort zeggen’ (volgt een lijst bronnen)

1872, Hunsingo

In zijn woordenlijst van het Hunsingoër Gronings neemt J. Onnekes uit Ulrum het woord als typisch streektaal op.

Tweede helft 19e eeuw, Groningen

Het enige literaire (of literair bedoelde) werk  met scheuvels in de titel is de Haardriederij op scheuvels van de Zeerijpster schoenmaker Ane Kuipers (1833-1905) een ‘rijmer in de Gron. volkstaal’. Wel past hier een slag om de arm, de melding in de DBNL komt uit K. ter Laans Letterkundige woordenboek voor Noord en Zuid, en er zou sprake kunnen zijn van een bias. Van deze auteur kan je namelijk verwachten dat hij een beter inzicht heeft van wat in het Gronings verscheen, dan in de totale Nederlandse literaire productie. Hoewel je die bias voor deze literaire veelvraat ook weer niet zou moeten overdrijven, dat zeker niet.

1880, Groninger Veenkoloniën

In een woordenlijst van woorden uit de zuidoosthoek van Groningerland noemt Van Ankum scheuvels voor: schaatsen. ‘Op scheuvels wezen’ betekent aldaar: de kluts kwijt zijn.’

Jaren 1880, Drenthe en Overijssel

Taco H. de Beer noemt in zijn ‘Woordenlijst van de Taal, welke in de Saksische streken van Nederland gesproken wordt’ eveneens scheuvel, als woord dat in Overijssel en Drenthe gebezigd werd voor: schaats. Een burleske quote:

”t īs is glad, zèj Harmen tègen Ba(r)telt, / As īj geen scharpe scheuvels hebt, Dan rol ij dat ij spa(r)telt.’

Eind 19e eeuw, Groningse context

Eind negentiende eeuw heet het in ‘De vrijaadje van een Groninger kofkapitein’, een verhaal van Werumeus Buning:

‘We waren met een lading hout uit Noorwegen  gekomen, maar door de strenge vorst waren we vastgevroren en we konden niet lossen. Nu, toen maakten we natuurlijk maar pleizier, zooveel als we konden, en we liepen den heelen dag op ’t ijs op scheuvels, zooals we in Groningen zeggen …..’

1933 Nederland, 1901 Fivelgo

Een artikel in Onze Taaltuin, jaargang 1933/1934, signaleert het gebruik van het woord scheuvels in Fivelgoër landleven van AS de Blécourt, een werk uit 1901. Het artikel geeft een citaat over een goed stel ijzers:

‘’n Poar beste scheuvels (= schaatsen), smidsiezers; zuls (= zelf) moakt en over viefteg joar bruukt.’

De vertaling tussen haakjes maakt duidelijk dat het woord scheuvels indertijd beslist geen algemeen Nederlands was. Een generatie eerder was het woord bekend in Fivelgo.

1938, Drenthe

Redacteur Anne de Vries associeert in De Nederlandsche volkskarakters (1938) het woord scheuvels met zijn geliefde Drenthe:

‘Reizen deed een Drent slechts ’s winters, als hij de tijd had en op scheuvels, dan kostte ’t hem ook geen geld.’

Conclusie:

Als we de eerste melding buiten beschouwing laten als zijnde ambigu, dan valt op dat het woord scheuvels louter en alleen in Noordoost Nederland gebruikt werd. In verreweg de meeste gevallen is de context Gronings. Drenthe komt er een heel eind achteraan qua meldingen. In Overijssel kent men het woord wel, maar wordt het niet zo vaak gebruikt.


Ouwe steenbulten

“Ach dei ol stainbulten”, riep Freerk, wijlen mijn achterneef, voortdurend uit. “Wat moje d’r mit. Ofbreken dei rommel.” Hij kreeg me er nog mee op de kast ook.

Begin jaren zeventig logeerde ik nog één keer bij mijn oud-tante Lieuwkje en mijn oud-oom Klaas op de boerderij in Feerwerd. Mede dankzij het radioprogramma van Marijke Ferguson over middeleeuwse muziek was ik zwaar geïnteresseerd geraakt in de Middeleeuwen. Het plan was  daarom een hele serie oude Groninger kerken op dia te zetten.

Dat deed ik met een cameraatje dat ik een paar jaar eerder, op mijn veertiende of vijftiende, voor 25 gulden op de kop had getikt, de AGFA ISO Rapid I. Het beschikte over een heuse Parator-lens en twee sluitertijden, respectievelijk aangegeven door een zonnetje en een zonnetje met streepjes erdoor en een bliksemschichtje ernaast. In het ene geval werden je dia’s vaak onderbelicht, en in het andere overbelicht, dus ging het om een moeilijke keuze.

Ik weet nog dat het de bedoeling was om die ouwe steenbulten zo tijdloos mogelijk op de dia te zetten, liefst zonder dat het middeleeuwse beeld werd gerept door auto’s e.d. Dat lukte nooit helemaal, altijd was er wel een anachronistisch stukje asfalt of een lantaarnpaal te zien, of een man die met een moderne motormaaier het gazon bij de steenbult kort hield en zo mijn middeleeuwse beeld naar de filistijnen hielp.

Decennia keek ik niet om naar de serie dia’s die ik indertijd maakte. Andere interesses. Maar nu heb ik ze ingescand. Weliswaar waren de meeste genummerd, maar de bijbehorende lijstjes raakte ik kwijt. En hoewel ik de meeste plaatjes wel herkende, leverde de determinatie in ongeveer eenderde van de gevallen hoofdbrekens op. Torens herken ik meestal wel, maar wat doe je met dia’s waar alleen zijmuren op staan? Gelukkig is daar Kerken in Beeld. Dankzij dit nieuwe digitale fotoarchief van het Instituut voor Liturgiewetenschap lieten al mijn ouwe steenbulten zich gewillig thuisbrengen.

Ik bezocht onder meer Aduard, Baflo, Bedum, Bierum, Den Ham, Ezinge, Holwierde, Krewerd, Leermens, Middelstum, Oldehove, Oostum. Stedum, Ulrum, Winsum en Zeerijp. In sommige gevallen was dat vanuit Feerwerd een flink eind fietsen. Voor Bierum, Krewerd en Zeerijp moet ik toch zeker 75 à  80 kilometer hebben gemaakt op die dikke bandenfiets van achterneef Freerk, die zelf allang op een plof reed.

Achteraf vind ik nog het minst aan de tijdloze plaatjes. Je zou ze vandaag de dag ook kunnen schieten, met een veel betere kwaliteit. De leukste dia’s vind ik nu de landschapjes, waarvan sommige verdwenen zijn, door oprukkende nieuwbouw of hoog opschietend groen.

– Bedum:

Bedum

– Godlinze:

Godlinze

– Oostum:

Oostum

– Zeerijp:

Zeerijp


De moesker met het clavecimbel

Over de eerste school buiten de Oosterpoort

Geplaatst op 26 januari 2007

In de zeventiende en achttiende eeuw mocht iemand in en om de stad Groningen pas een school beginnen, als hij of zij lidmaat van de bevoorrechte gereformeerde kerk was, en een examen afgelegd had voor en een vergunning ontvangen had van de ‘scholarchen’, de commissie die namens het stadsbestuur toezicht uitoefende op het lagere en middelbare onderwijs. Deze bepalingen werden in de praktijk evenwel op grote schaal ontdoken, niet alleen door andersdenkenden, maar ook door gereformeerden. Zo was er na ca. 1690 een periode, waarin de scholarchen kwistig vergunningen uitdeelden en er een min of meer vrije vestiging van schoolhouders leek te bestaan. Dit liberale vestigingsklimaat werkte niet alleen een grote concurrentie in de hand en het lesgeven voor minder dan de afgesproken schoolgelden, maar veroorzaakte ook een gevoelig kwaliteitsverlies van het lagere onderwijs.

Anno 1730 was de situatie dermate geëscaleerd, dat zelfs de scholarchen begonnen te klagen over

“de excessive menighte der meesteren ende de weinige bequaemheydt van het grootste deel van haar”.

Het stadsbestuur stelde daarom paal en perk aan het getal schoolmeesters (m/v). Op dat moment waren er, afgezien van de 2 weeshuismeesters, 34 schoolhouders met een vergunning, waarvan er slechts 6 of 7 louter van onderwijs-activiteiten konden bestaan. Dat getal van 34 moest uitsterven tot 18 (2 per kluft = wijk). Daarnaast mochten nog 9 vrouwen (1 per kluft) scholen houden

“om de aller eerste ankomende tedere kindertjes tot sitten te gewennen ende haer het A.B. te leeren”.

Alle 27 schoolhouders zouden een additioneel tractementje krijgen uit het ‘peculium scholasticum‘ (de stedelijke schoolkas). De vroegere bepalingen over kerklidmaatschap, examinering en vergunning voerde het stadsbestuur daarbij opnieuw in en scherpte hij zelfs aan, evenals die t.a.v. de inhoud van het onderwijs. Oude schoolhouders die een vergunning hadden, mochten alleen dan doorgaan, als ze zich met goed gevolg door een predikant hadden laten onderzoeken op hun bekwaamheid in ’t godsdienstonderricht.

Het reglement van 1730 zegt niets over het schoolhouden onmiddellijk buiten de poorten van de stad. Daar bleef vooreerst het liberale vestigingsklimaat gehandhaafd, tot ook hier een uitsterfbeleid werd gewenst, misschien omdat schoolhouders zonder vergunning er een goed heenkomen zochten. In juni 1736 bepaalde het stadsbestuur dat er in de toekomst in de “voorsteden” nog maar drie schoolmeesters mochten opereren, één buiten de Here- en de Oosterpoort, een andere buiten de A-poort en de derde buiten de Boteringepoort. Deze drie mochten geen kinderen van binnen de stadswallen toelaten en kregen ook geen toelage uit algemene schoolkas. Ze moesten zich dus geheel en al bedruipen van het schoolgeld, dat ouders uit de buurt betaalden.

Het besluit van juni 1736 duidt er op dat er al onderwijs gegeven werd buiten de Oosterpoort. Dat kan kloppen, want vijf weken nadat het viel, leverde Elsien Geerts, de weduwe Basthagen, oud 70 jaar, een verzoekschrift in op het Raadhuis, waarin ze vertelde dat ze

“altijd nae de doodt van haar man school heeft gehouden buiten Oosterpoorte maar daar niet meer van kan bestaan…”

Ze verzocht “tot haar noodruft” om een wekelijkse toelage uit de algemene middelen, m.a.w. om op gelijke voet met de erkende schoolhouders in de stad behandeld te worden, hetgeen de heren van de hand wezen.

Elsiens rekest is de eerste vermelding van een onderwijsvoorziening buiten de Oosterpoort. Wat waren de achtergronden van deze onderwijspionier, waar werd er buiten de Oosterpoort school gehouden en wat moeten we ons ongeveer voorstellen bij die school?

Qua achtergrond van de weduwe Basthagen liep mijn spoor dood in Tinallinge, waar haar man Roebert Basthagen omstreeks 1694 tot koster, schoolmeester en organist werd benoemd door de op huize Weerda residerende jonker Pompejus Gruys, zich noemende ‘unicus collator’ van Tinallinge (wat betekende dat hij in zijn eentje de belangrijkste kerkelijke ambten ter plaatse mocht begeven). Buiten de lange zomer en de vakanties om vertoefde jonker Gruys meestentijds in de stad, waar hij Hoofdman (een van de hoogste rechters van Stad en Lande) was en bovendien Stadsartilleriemeester, zeg maar de baas over het Kruithuis.

In de kosterij van Tinallinge kregen Elsien en Roebert Basthagen tussen 1694 en 1703 zes kinderen, waarvan er drie al spoedig stierven. Anders dan andere kosters-schoolmeesters – zoals zijn opvolger – en ondanks een kerkelijke schorsingsbedreiging zette meester Basthagen niet zijn handtekening onder de calvinistische ‘Formulieren van Enigheid’ in het prothocol van classis (kerkvergadering) de Marne. Want jonker Gruys gaf hem nooit de beroepbrief, waarmee hij zich in de classis moest vertonen. Zoals wel meer jonkers toonde Gruys op deze manier wie de macht had in de locale kerk: hij, en niet de predikanten van de classis.

Bij gebrek aan een kerkeraadsprothocol is er weinig bijzonders te melden over het leven en werken van de Basthagen’s in Tinallinge. Net als zijn collega’s elders in de Marne zal meester Basthagen te maken hebben gehad met veel schoolverzuim, waardoor het zoeken van bijverdiensten op de borg of in de schepperij (het waterschap) noodzakelijk was, temeer daar ook het boerenwerk op de kosterij bepaald geen vetpot was. Maar over Basthagen deden er geen verhalen de ronde, zoals over zijn collega van Leens, die met de noorderzon verdween; of de vakbroeder van Saaxumhuizen, die tijdens een kerkdienst dronken was; of de pedagoog van Obergum, die op een zondag in de herberg voor lichte vrouwen op de viool speelde en die bij een bloederige vechtpartij in het plaatselijke godshuis zijn opponent de neus dreigde af te bijten.

En toch voldeed meester Basthagen niet, althans niet in de ogen van de man die hem aangesteld had. In april 1707 kreeg de schoolmeester de wedman aan de deur, die hem uit naam van jonker Gruys de gerechtelijke aanzegging deed dat hij binnen acht dagen uit de kosterij moest vertrekken

“ende sulx om redenen de E. Heer Gruis daartoe moverende”.

Met andere woorden: de koster kreeg zijn congé en de jonker beliefde het niet dit ontslag schriftelijk te motiveren.

Het kan zijn dat Basthagen aan de verkeerde zijde was gaan staan in de partijstrijd die het dorp in zijn greep had. Want Tinallinge werd beheerst door twee ‘cabalen’ of facties, die elkaar geen duimbreed toegaven. De ene partij stond onder leiding van jonker Gruys en de andere werd aangevoerd door redger (plaatselijke rechter) Scherius, een zetbaas van de Heer van Ulrum. Gruys en Scherius lagen al langer met elkaar overhoop over aandelen in de schepperij van Baflo en de collatie van en de glazen in de kerk van Tinallinge, en het conflict kwam opnieuw tot uitbarsting na het ontslag van de schoolmeester.

De redger vocht dit ontslag onmiddellijk aan en ontzegde de jonker het recht om het kosterijland te verhuren. Bovendien benoemde de redger alvast een plaatsvervangende klokkenluider, hetgeen de jonker in het verkeerde keelgat schoot. In dit conflict trok jonker Gruys in oktober aan het langste eind, door een uitspraak van ‘zijn’ Hoofdmannenkamer.

Verder was er de zaak van de wedmansverkiezing, die net als Basthagens ontslag medio april 1707 plaatsvond. Deze verkiezing was op touw gezet door ds. Vechtman, de predikant van Tinallinge, een trouw aanhanger van jonker Gruys, en werd eveneens bestreden door Scherius, die op dit punt uiteindelijk kon triomferen omdat hij nou eenmaal zelf redger was.

Intussen liepen de emoties hoog op bij een maaltijd na een wegenschouw door de scheppers van Baflo. De daar voor “schelm” uitgemaakte redger Scherius graaide de pruik van ds. Vechtmans hoofd, gooide deze het venster uit, greep de predikant vervolgens aan zijn echte haar beet en sloeg diens gezicht met de vrije hand bont en blauw, totdat een collega van ds. Vechtman tussenbeide kwam. Tegen de vrouw van de predikant, die naderhand verhaal kwam halen, sprak redger Scherius de gedenkwaardige woorden:

“Brui wegh, ghy votse, wat hebt ghy hier te doen, of ik geef u een voet in den aars”.

Van die verheffende Ommelander dorpstaferelen. Ook over het koren op het bouwland, de mest, het hooi, de “eyde” (eg) en het “etgroen” (tweede gewas op gemaaid hooiland) van de kosterij zette men elkaar de voet dwars.

Basthagen had met dit alles verder weinig te maken. Hij en zijn vrouw hielden een boeldag om van hun overbodige spullen en schulden af te komen en vertrokken richting stad. Ds. Vechtman weigerde ze naderhand een attestatie van lidmaatschap te geven, iets wat pas in 1712 zou worden rechtgezet.

Na hun gedwongen vertrek uit Tinallinge kochten Roebert en Elsien een moeskerij aan de oostzijde van de Oosterweg. De precieze datum van deze aankoop is onbekend, aangezien er geen koopakte te vinden is, maar waarschijnlijk was het in 1708 of 1709. De vorige eigenaresse van de ondergrond had enige jaren eerder namelijk de behuizing op en de “overdracht” (beklemming) van de tuin “met het insaadt, boomen, planten en plantagiën met nog een bulte hooy” van het vorige moeskersechtpaar overgenomen voor slechts 104 gulden – waarmee tevens twee van de drie jaar huurachterstand goeddeels waren ingelopen – maar ze moest zich veel moeite getroosten om dit berooide echtpaar en naderhand de weduwe ook van de tuin te krijgen. Zelf maakte ze dat niet meer mee; het zou pas haar dochter en enige erfgename lukken, eind maart 1708, dus vlak voor het zaai- en plantseizoen.

Dat er geen koopakte is, kan enerzijds gelegen hebben aan die dochter, die haar erfenis er in zo’n hoog tempo doorjoeg, dat er een zaakwaarnemer benoemd moest worden, een neef die haar onder curatèle liet stellen. Anderzijds kan men het ontbreken van een koopakte ook zien in het licht van de jarenlange verwaarlozing, waaraan de moeskerij onderhevig moet zijn geweest. Want veel zullen Roebert en Elsien Basthagen er niet voor hebben neergeteld; wellicht was het zo weinig dat het de kosten en moeite van een gang naar de zegelaar niet eens loonde.

Het nieuwe eigendom van de Basthagen’s, de derde moeskerij aan de oostzijde van de Oosterweg, was 407 roe (ruim 0,6 ha.) groot en er moest 40 gulden en 14 stuivers grondpacht per jaar voor worden betaald, precies 2 stuivers de roe (16,94 m2). Afgezet op de huidige kaart van de Oosterpoort omvatte deze moeskerij een kleine 40 passen brede strook grond tussen Oosterweg en Meeuwerderweg, gelegen langs de zuidzijde van de tegenwoordige Jacobstraat. De behuizing stond ongeveer op de plek waar zich nu de binnenplaats van Oosterweg 76 bevindt.

Twee stuivers de roe was een standaardprijs voor moeskersgrond. Met die grond was niets mis. Anders was het gesteld met de bedrijfsvoering van de Basthagens, waarbij als verzachtende omstandigheid geldt, dat het in deze tijd wel meer moeskers niet voor de wind ging. Gaf Roebert bij een collecte voor de herbouw van de half ingestorte A-kerk in 1710 de op een na grootste gift van de moeskers buiten de Oosterpoort, hetzelfde jaar nog werd hij in rechte aangesproken omdat hij een koe niet betaald had. In 1711 bleef hij in gebreke na een boeldag waarop hij zich het een en ander aanschafte en in 1712 liet de nieuwe eigenaar van de tuinondergrond vanwege achterstallige beslag leggen op gewas en inboedel. In 1712 vorderde iemand bovendien nog een oude boekschuld op, waarvoor in 1714, na maar liefst vijf maal uitstel van executie, pand gehaald zou worden in de vorm van een bed met toebehoren. Tijdens dit proces betaalde Basthagen aanvankelijk ook niet de advocaat. Het veepestjaar 1714 vormde sowieso een rampjaar voor de Basthagens, want iemand eiste geld voor zijn hooileverantie en al hun roerende goederen werden op verzoek van de grondeigenaar gerechtelijk opgeschreven voor het geval dat.

Aan deze registratie danken we een inkijkje in het huis van Roebert en Elsien. Het lijstje met hun goederen omvat afgezien van de 3 “roothaarde” koeien en het kalf o.a. een boekenkastje met enige oude boeken, een zandloper en een clavecimbel, unieke voorwerpen voor een moeskersinboedel. Uit boeken haalde iemand zijn wijsheid, als hij daar tenminste behoefte aan had, maar dan behoorde hij wel tot een zeer kleine minderheid. Een zandloper gaf van dichtbij de tijd aan, bijvoorbeeld het eind van een les. En wat moest een groenteteler in hemelsnaam met een clavecimbel? In een redelijk gegoede burgermanshuishouding kwam zo’n voorwerp nog wel eens voor, maar in deze omgeving was het volstrekt ongekend. En reken maar dat er op gespeeld werd ook, want anders was het gezien het gebrek aan liquide middelen allang te gelde gemaakt. Behoud van kostbare voorwerpen uit nostalgie kon men zich in het milieu van de Basthagens allerminst veroorloven.

Geplaatst op 26 januari 2007  b

De boeken, de zandloper en het clavecimbel duiden erop, dat Roebert Basthagen zich buiten de Oosterpoort niet louter bezighield met het telen van groente en het melken van zijn rode koeien. Genoemde voorwerpen kunnen weliswaar niet ondubbelzinnig bewijzen dat hij hier doorging met lesgeven, maar ze vormen er wel een stevige aanwijzing voor.

Toen de Basthagens in 1716 opnieuw in het krijt stonden bij de eigenaar van hun tuin-ondergrond, en hun goederen andermaal geregistreerd werden, bevonden de boeken zich nog steeds op hun inventaris. Zo niet de zandloper en het clavecimbel; het muziekinstrument was vervangen door een viool, wel zo goedkoop, maar niet duidend op een einde aan de muziekpraktijk van de (ex-)schoolmeester. Van de drie koeien resteerde er op dat moment nog maar één. Nieuwe elementen in de inboedel vormden een partij vlas en enige percelen garen, waaruit we kunnen opmaken dat Elsien inmiddels met spinnen iets probeerde bij te verdienen.

Vlak na deze tweede opschrijving was het dat de Basthagens 300 gulden leenden van koopman Alle Writsers. Ook verkochten ze hun moeskerij voor 700 gulden, waarbij de nieuwe eigenaren een tot dan toe ongeregistreerde, restante hypotheek à 400 gulden van dezelfde koopman Writsers uit 1710 overnamen. Vergelijken we de nieuwe prijs van het vastgoed met die van het jaar 1704 – te begroten op ruim 185 gulden – dan blijkt de waarde van de moeskerij in twaalf jaar tijd bijna vier maal over de kop gegaan te zijn, een teken dat de Basthagens er het nodige aan hadden verbeterd. Waarschijnlijk was er een nieuw huis op de tuin gebouwd.

Begin mei 1717 ontruimden de Basthagen’s dit huis. Tot Sint Jacob (25 juli) van dat jaar verbleven ze nog in een slaapstee in de stad, om vervolgens richting Wildervank te vertrekken, waar ze van hun overgebleven geld en op een krediet van een tichelaar (steenfabrikant) uit Westerlee andermaal een nieuwe woning lieten neerzetten. Hoewel ik ook hiervoor geen enkel positief bewijs kon vinden, denk ik toch dat Roebert Basthagen zich in Wildervank – een uitdijende veenkolonie met een groeiende kinderschare – probeerde te vestigen als schoolhouder, zij het niet als een officiële, maar als een bijschoolmeester. Maar ook het verblijf in Wildervank was niet gelukkig en eind 1719 keerden de Basthagens terug naar de stad, waar ze inmiddels weliswaar twee verhuurde kamerwoninkjes onder één dak in de Kostersgang hadden geërfd, maar ook weer werden achtervolgd door schuldeisers, die uiteindelijk deze woninkjes gerechtelijk zouden laten veilen.

In het kader van deze procedures is het, dat we indirect van de dood van Roebert Basthagen vernemen. Op 12 december 1719 leefde hij nog, maar op 12 maart 1720 werd zijn weduwe aangesproken op een restant huis- en tuinhuur, waarmee we het begin van haar onderwijspraktijk buiten de Oosterpoort kunnen bepalen op 1720. Overigens noemde Elsien wijlen haar man in een rekest van eind maart 1720 nog “gewezen schoolmeester”, iets wat minder in de rede zou liggen als Roebert zich na 1707 helemaal niet meer met onderwijs zou hebben bezig gehouden. Ondanks het ontbreken van echte bewijzen neem ik dan ook aan dat niet Elsien, maar Roebert de eerste schoolhouder buiten de Oosterpoort was, temeer daar uit literatuur blijkt dat schoolmeesters vaak geassisteerd, en bij afwezigheid of ziekte vervangen werden door hun vrouwen, die als weduwen ook menigmaal de scholen van wijlen hun echtgenoten voortzetten.

Als Roebert Basthagen tussen 1708 en 1716 inderdaad buiten de Oosterpoort school heeft gehouden, dan zal dat in de derde moeskerij aan de oostzijde van de Oosterweg geweest zijn. De plek waar zijn weduwe tussen 1720 en 1736 haar onderwijs aanbood blijft echter een raadsel.

Op een lijstje van Elsien’s crediteuren uit 1722 staan louter leveranciers van binnen de wallen der stad, o.a. zaadkoopman Van Alsema uit de Herestraat. Onroerend goed heeft ze verder niet meer bezeten en huurders zijn nu eenmaal een stuk moeilijker te traceren dan eigenaars.

Misschien dat Elsien school heeft gehouden in een moeskerij van een zoon of dochter. Want drie van haar kinderen (Jan, Roebert en Trijntien) kwamen terecht op een moeskerij aan de Oosterweg.

Jan Roeberts Basthagen kocht ca. 1715 de eerste moeskerij aan de oostzijde. Hij stierf echter al in 1720, waarna zijn weduwe spoedig hertrouwde. Naderhand kregen deze vrouw en haar zwager Roebert Roeberts Basthagen, voogd over de zoon uit haar eerste huwelijk, ruzie, welk conflict resulteerde in het uit haar huis nemen van die zoon. De eerste moeskerij aan de oostzijde ligt derhalve minder voor de hand als plaats waar Elsien school hield.

Roebert Roeberts Basthagen, geboren in 1696, nam na een mislukt avontuur buiten de Boteringepoort in 1723 de achtste moeskerij aan de westzijde van de Oosterweg van zijn schoonmoeder over. Deze moeskerij lag naast het groenland waarop veertig jaar later het Sterrebos zou komen, een wat excentrische lokatie voor een school.

Trijntje Roeberts Basthagen, geboren in 1703 en op haar twintigste trouwend met Jan Geerts, kwam in 1730 met deze man van Sloterdijk terug naar Groningen, waarna ze de derde moeskerij aan de oostzijde van de Oosterweg betrokken, dezelfde moeskerij die van 1708 tot 1716 het eigendom was geweest van Roebert Basthagen senior en Elsien Geerts. Van de drie moeskerijen die in handen waren van Elsiens kinderen lijkt me deze nog het meest in aanmerking te komen als plek voor haar school, tenminste in 1736.

Hierbij zou ik het kunnen laten, ware het niet dat er nog een complicerende factor is in de vorm van Elsien’s tweede huwelijk met ene Jan Hansen, welk huwelijk in februari 1724 werd voltrokken. Van deze Jan Hansen weet ik verder niets. Maar of we veel belang aan dit huwelijk moeten hechten is de vraag, gezien het feit dat Elsien zich anno 1736 nog steeds de weduwe Basthagen noemde. Wellicht heeft Hansen na hun huwelijk niet zo lang meer geleefd – Elsien was zelf op het moment van haar tweede trouwen immers ook al 58 jaar.

Tot slot nog iets over de aard van het onderwijs dat hier door Roebert Basthagen en zijn weduwe zal zijn gegeven. Wat moeten we ons daarbij voorstellen?

De plaats waar op werkdagen van acht tot elf en van één tot drie uur (behalve op woensdag- en zaterdagmiddag) lesgegeven werd, was, zoals reeds uit het voorgaande kan blijken, een moeskerij, d.w.z. niet de krappe woonkeuken met haar vuurhaard en bedsteden maar de onverwarmde en slecht verlichte schuur erachter.

Als onbesproken lidmaten van de bevoorrechte, gereformeerde kerk zullen de Basthagens zich in deze schuur niet hebben onttrokken aan de opdracht van die kerk om

“neerstige acht te geven op de tedere spruiten, die an hare sorge en opsicht toebetrouwt worden, ten eynde deselve te cultiveren voor Godt en haer eeuwigh welvaeren”.

De godsdienstige en zedelijke opvoeding vormde inderdaad het alfa en omega van het basisonderwijs in deze tijd. De lessen begonnen en eindigden met gebed. De leermiddelen bestonden voor een belangrijk deel uit psalmen, spreuken, evangeliën, (verkorte) catechismussen en andere stichtelijke lectuur. En de belangrijkste leerdoelen waren het aanleren van eerbied voor God, de overheden, de gereformeerde kerk, predikanten, schoolmeesters, ouders en alle eerlijke mensen, alsmede het afleren van vloeken, zweren, ontuchtige praatjes, dobbelen, kaarten, kijven, vechten, bijnamen geven, met gebreken spotten etc.

In methodisch opzicht was het zaak om de jongste leerlingen eerst maar eens te doen gewennen aan eenvoudig stilzitten. Vaak waren deze jongste leerlingen nog peuters. Zo heet het anno 1730 hier in de stad dat

“veele borgeren en ingeseetenen de gewoonte hadden haere jonge kindertjes, selfs van 3 à 4 jaeren, seer vroegh nae de schoolen te senden, niet soo seer om daer te leeren, als wel om niet alleen van haer niet belemmert te worden in hunne huysdiensten, maer ook om gerust te syn dat se voor een groot gedeelte van de dagh waaren in eene versekerde plaetse…”

Juist om deze reden werd in genoemd jaar ook bepaald dat er in iedere kluft van de stad een vrouw aangesteld zou worden als (bewaar-)schoolhoudster.

Of de weduwe Basthagen een zuivere bewaarschool hield weten we niet, maar het lijkt me onwaarschijnlijk gezien ’t feit dat zij voor 1736 van de schoolgelden kon leven. Zeker is dat veel schoolmeesteressen zich niet tot alleen maar bewaren beperkten en net als hun mannelijke collega’s lees- en schrijfonderricht gaven, vooral aan kinderen tot zo acht, negen jaar, die daarna gewoonlijk door de ouders van school werden genomen om aan het werk te worden gezet. In deze omgeving zal dat niet anders geweest zijn en verdwenen de meisjes in een huishouding en gingen de jongens bijvoorbeeld op een tuin assisteren.

Meestal konden die ex-leerlingen dan al wel lezen, hoe onbeholpen ook. Ze hadden dat trapsgewijs geleerd, eerst door gotische en romeinse alfabetten uit het hoofd te leren, vervolgens door wisselende letters afzonderlijk te spellen, daarna door lettergrepen in hun verband te lezen, in ’t voorlaatste stadium door teksten spellend te lezen en uiteindelijk door lezend te lezen.

Schrijven was echter een geheel andere zaak, want daaraan mochten de leerlingen pas beginnen als ze het lezen volkomen machtig waren, wat gemiddeld een jaar of drie duurde. Ook vele buiten-Oosterpoorters kwamen niet eens aan schrijven toe, getuige het feit dat ze op latere leeftijd geen handtekening of zelfs maar simpele initialen konden produceren. Het schrijfonderricht, eveneens trapsgewijs, was ook duurder, want het vergde papier, inkt en gesneden ganzeveren, materialen waarmee de schoolhouder een duit of wat extra kon verdienen.

Over rekenen doe ik maar het zwijgen toe, al leek de kennis van de cijferkunst voor moeskers geen overbodige luxe. Rest me nog te vertellen dat kinderen van de verschillende leeftijden door elkaar zaten en dat elk kind in zijn eigen tempo en hardop voor zichzelf leerde, zodat het ook in die moeskerij aan de Oosterweg een geroezemoes van jewelste geweest moet zijn.

Geplaatst op 26 januari 2007  c